Regeling van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 19 april 2022, nr. WJZ/30984886 (13746), houdende vaststelling van een nieuw financieel handboek voor de landelijke publieke media-instellingen, de NPO en de Ster (Regeling financiële verantwoording landelijke publieke media-instellingen, NPO en Ster 2022)
Gelet op artikel 2.172, derde lid, van de Mediawet 2008;
Besluit:
Artikel 1. Vaststelling handboek financiële verantwoording
Op de jaarrekening van de landelijke publieke media-instellingen, de NPO en de Ster is de bij deze regeling gevoegde bijlage van toepassing.
Artikel 2. Intrekking oude Regeling financiële verantwoording
De Regeling financiële verantwoording landelijke publieke media-instellingen, NPO en Ster 2020 wordt ingetrokken, met dien verstande dat die regeling van toepassing blijft op de verantwoording tot en met het boekjaar 2021.
Artikel 3. Inwerkingtreding
Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2022.
Artikel 4. Citeertitel
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling financiële verantwoording landelijke publieke media-instellingen, NPO en Ster 2022.
Bijlage. als bedoeld in artikel 1 van de Regeling financiële verantwoording landelijke publieke media-instellingen, NPO en Ster 2022
Copro 21087A3
Handboek financiële verantwoording landelijke publieke media-instellingen, NPO en Ster 2022
1. Inleiding
1.1. Ministeriële regeling
Dit Handboek Financiële verantwoording landelijke publieke media-instellingen, NPO en Ster (hierna: Handboek), is een ministeriële regeling op grond van artikel 2.172, derde lid, Mediawet 2008.1De NPO is de Stichting Nederlandse Publieke Omroep. Op grond van deze wettelijke bepaling kunnen bij ministeriële regeling nadere regels worden gesteld over de inhoud en inrichting van de jaarrekening.
Het Handboek vervangt het Handboek Financiële verantwoording landelijke publieke media-instellingen, NPO en Ster 2020 en is van toepassing met ingang van het boekjaar 2022.2Stcrt. 2021, 8395. Voor de leesbaarheid wordt in het Handboek met ‘publieke media-instelling’ bedoeld de landelijke publieke media-instellingen (zoals: de omroeporganisaties en de taakomroepen), de NPO en de Ster.3Landelijke publieke media-instelling: instelling die op grond van titel 2.2 Mediawet 2008 media-aanbod voor de landelijke publieke mediadienst verzorgt. De Ster is een publieke media-instelling, maar verzorgt media-aanbod (reclames) op grond van titel 2.5 van de Mediawet 2008. In de Mediawet 2008 wordt de Ster niet aangeduid als ‘landelijke publieke media-instelling’ (zoals de omroeporganisaties en de taakomroepen), maar als ‘publieke media-instelling’. De Ster kan namelijk ook voor regionale en lokale publieke mediadiensten de reclame verzorgen. Indien een bepaling alleen voor een van de landelijke publieke media-instellingen of de NPO van toepassing is, wordt dit expliciet vermeld.
De doelstelling van de voorschriften en modellen van het handboek is drieledig. Het Handboek:
1.2. Kader
Op de financiële verantwoording van de publieke media-instellingen zijn naast het Handboek van toepassing:
Op grond van artikel 2.172, eerste lid, Mediawet 2008, is Titel 9 Boek 2 BW van toepassing op de publieke media-instellingen, met dien verstande dat zij de winst- en verliesrekening vervangen door een exploitatierekening. Op de exploitatierekening zijn de bepalingen omtrent de winst- en verliesrekening zoveel mogelijk van overeenkomstige toepassing. Bij toepassing van de omvangscriteria volgens de artikelen 2:396 en 2:397 BW dient het begrip netto-omzet te worden geïnterpreteerd als de totale baten (inclusief subsidies en bijdragen van derden) van de publieke media-instelling.
De controleplicht is voor alle publieke media-instellingen van toepassing op de wijze zoals die in artikel 2:393 BW is geregeld, ongeacht de omvang van de publieke media-instelling. Voorts dienen de publieke media-instellingen in overeenstemming met artikel 2:391 BW een bestuursverslag op te stellen dat verenigbaar is met de jaarrekening.
Wanneer sprake is van afwijkingen tussen Titel 9 Boek 2 BW, het Handboek en de RJ, weegt Titel 9 Boek 2 BW het zwaarst, vervolgens het Handboek – in zijn hoedanigheid van ministeriële regeling – en daarna de RJ.4De Raad voor de Jaarverslaggeving publiceert de RJ. De Raad voor de Jaarverslaggeving is een orgaan waarin de werkgeversorganisaties, vakbonden, registeraccountants en beleggingsanalisten zijn vertegenwoordigd. De richtlijnen zijn voor de verslaggevingspraktijk van belang omdat ze volgens de Ondernemingskamer gezaghebbende kenbronnen vormen van in het maatschappelijk verkeer als aanvaardbaar te beschouwen normen als in artikel 2:362 lid 1 BW (zie ook arrest van de Hoge Raad van 10 februari 2006, NJ2006/241). De RJ kennen echter geen direct wettelijk kader. De wet verwijst namelijk niet expliciet naar de richtlijnen. De Stichting voor de Jaarverslaggeving is ook geen publiekrechtelijke rechtspersoon. Het Handboek hanteert hierbij het uitgangspunt dat het geen mogelijkheden wil uitsluiten, die op basis van Titel 9 Boek 2 BW mogelijk zijn. Hierbij kan worden gedacht aan de keuzemogelijkheid ten aanzien van de grondslag voor de waardering van een actief en een passief, waarbij de verkrijgings- of vervaardigingsprijs en de actuele waarde in aanmerking komen (artikel 2:384, eerste lid, BW). Het Handboek sluit hierop aan en wil niet zonder meer een van deze mogelijkheden negeren.
Het Handboek vormt evenals de RJ een nadere invulling van Titel 9 Boek 2 BW. Het Handboek bevat voorschriften die inhoudelijk kunnen afwijken van de RJ, omdat ze meer of minder ruimte bieden dan de RJ. Drie voorbeelden dienen ter illustratie van de relatie tussen de RJ en het Handboek. Stel dat de RJ ten aanzien van een specifieke actiefpost twee waarderingsmethoden bieden, dan kan het Handboek voorschrijven dat uitsluitend één van deze methoden is toegestaan. Een tweede voorbeeld is dat het Handboek beide methoden van de richtlijnen uitsluit en een andere (derde) methode voorschrijft. Een derde voorbeeld is dat het Handboek voorschriften stelt die de richtlijnen nader verdiepen, bijvoorbeeld door het stellen van concrete afschrijvingspercentages met betrekking tot de specifieke actiefpost.
1.3. Informatie
De landelijke publieke media-instellingen en de Ster zenden jaarlijks voor 1 mei de jaarrekening aan het Commissariaat voor de Media (hierna: Commissariaat) en sturen gelijktijdig een afschrift aan de raad van bestuur van de NPO (art. 2.171, tweede lid, Mediawet 2008).
De NPO stelt jaarlijks vóór 1 juni het bestuursverslag over het afgelopen kalenderjaar vast (art. 2.17, eerste lid, Mediawet 2008). De raad van bestuur van de NPO zendt vóór 1 juli zijn jaarrekening aan het Commissariaat (art. 2.171, derde lid, Mediawet 2008).
De Ster stelt jaarlijks vóór 1 juni een bestuursverslag over het afgelopen kalenderjaar vast.
De NPO, NOS, NTR en de Ster nemen in het bestuursverslag een samengevatte jaarrekening op (art. 2.171, tweede lid, Mediawet 2008).
Het bestuursverslag is opgesteld in overeenstemming met artikel 2:391 BW, de RJ en de richtlijnen van het CvdM. Het bestuursverslag dient verenigbaar te zijn met de jaarrekening en bevat de verklaring volgens model X ‘Verklaring governance en interne beheersing’ en de onderdelen zoals opgenomen in model X.
De jaarrekening bevat minimaal de volgende onderdelen:
De ‘Overige gegevens’ zoals genoemd in artikel 2:392 BW, met inachtneming van hetgeen bepaald is in het vijfde lid van genoemd artikel.
Met betrekking tot de jaarrekening zijn het controleprotocol en het model Controleverklaring opgenomen in bijlagen 1 en 2 van dit Handboek.
De aanvullende informatie sluit aan bij de gepubliceerde jaarrekening en bestaat uit:
1.4. Betrokkenheid bij andere rechtspersoon
Publieke media-instellingen kunnen betrokken zijn bij andere rechtspersonen. Dit betreft rechtspersonen waarin een publieke media-instelling een aanmerkelijk (financieel) belang heeft of waarop de publieke media-instelling een overwegende invloed uitoefent. Een publieke media-instelling is betrokken bij een rechtspersoon als bijvoorbeeld één of meer van de volgende aspecten, eventueel in onderlinge samenhang bezien, van toepassing zijn.
Deze opsomming van aspecten is niet limitatief:
De financiële bescheiden of de jaarrekening van de bedoelde rechtspersonen, waarover de betreffende publieke media-instelling uit hoofde van haar betrokkenheid kan beschikken, worden gelijktijdig met de toezending van de jaarrekening van de publieke media-instelling naar het Commissariaat gestuurd.
Indien sprake is van duurzame kapitaaldeelname in een afzonderlijke rechtspersoon ten dienste van de eigen werkzaamheden van de publieke media-instelling, zijn de betreffende bepalingen van artikel 2:24c BW inzake de zogenaamde deelneming in een rechtspersoon van toepassing.
1.5. Samenwerkingsomroep
Van alle omroeporganisaties wordt conform paragraaf 1.3 tijdig de volledige financiële verantwoording verstrekt aan het Commissariaat en de NPO. De jaarrekening van een landelijke publieke media-instelling die samenwerkingsomroep is, is een samengestelde jaarrekening die tevens een jaarrekening per onderliggende vereniging bevat die is ingericht volgens het Handboek.
De bepaling van de consolidatiekring geschiedt in principe overeenkomstig Titel 9 Boek 2 BW en de RJ. Hiervan kan in het geval van een samenwerkingsomroep worden afgeweken. Een omroepvereniging die overheersende zeggenschap uitoefent of centrale leiding heeft, op een andere groepsmaatschappij die voldoet aan de definitie samenwerkingsomroep als bedoeld in artikel 2.24a van de Mediawet 2008, heeft de keuzemogelijkheid om de samenwerkingsomroep niet in de consolidatie te betrekken. Indien de omroepvereniging de keuze maakt de samenwerkingsomroep niet in de consolidatie te betrekken wordt deze verwerkt als deelneming. De gehanteerde verwerkingswijze dient te worden toegelicht in de jaarrekening.
2. Jaarrekening
2.1. Inleiding
De jaarrekening van een publieke media-instelling wordt opgesteld in euro’s en bevat minimaal de onderdelen vermeld in 1.3. Dit hoofdstuk gaat nader in op:
De publieke media-instelling neemt alleen die posten in de voorgeschreven modellen op, die voor de betrokken instelling van toepassing zijn.
2.2. Balans met toelichting
De publieke media-instelling neemt in haar jaarrekening de balans op conform model I. Met betrekking tot de waarderingsgrondslagen zijn in aanvulling op de bepalingen van Titel 9 Boek 2 BW de volgende regels van toepassing.
2.2.1. Materiële vaste Activa
Waardering van materiële vaste activa geschiedt overeenkomstig Titel 9 Boek 2 BW en de RJ op basis van verkrijgings-/vervaardigingsprijs of actuele waarde onder aftrek van afschrijvingen. Ongerealiseerde waardemutaties dienen plaats te vinden via de balanspost Herwaarderingsreserve Materiële Vaste Activa en mogen niet via de exploitatierekening lopen. Doel van deze verwerkingswijze is om de impact op de volatiliteit van de reserve voor media-aanbod te beperken. Een uitzondering hierop geldt voor de situatie dat de herwaarderingsreserve onvoldoende omvang heeft om een waardevermindering volledig op te vangen. In een dergelijke situatie dient de waardevermindering verwerkt te worden via de exploitatierekening, nadat eerst de herwaarderingsreserve is teruggebracht tot een nihil saldo. Duurzame waardeverminderingen worden dus bij het ontbreken van een herwaarderingsreserve verwerkt via de exploitatierekening.
Aanschaffingen boven € 2.500 worden geactiveerd. Aanschaffingen tot en met € 2.500 komen direct ten laste van de exploitatierekening.
Met betrekking tot materiële vaste activa gelden aanvullende specifieke regels ten
aanzien van de volgende activa:
2.2.1.1. Bedrijfsgebouwen en terreinen
Waarderingsgrondslag
Bij waardering tegen actuele waarde wordt de bepaling van de actuele waarde voldoende regelmatig uitgevoerd om ervoor te zorgen dat de boekwaarde niet aanzienlijk verschilt van de actuele waarde op balansdatum. De publieke media-instelling stelt bij waardering tegen actuele waarde in ieder geval elke drie jaar de actuele waarde vast.
Bij waardering op basis van verkrijgings-/vervaardigingsprijs gelden de volgende afschrijvingsmethoden en -termijnen die in de onderstaande tabel worden weergegeven.
2.2.1.2. Overige materiële vaste activa
In geval van waardering op basis van verkrijgings-/vervaardigingsprijs wordt op materiële vaste activa met beperkte gebruiksduur jaarlijks afgeschreven volgens een stelsel dat op de verwachte toekomstige gebruiksduur is afgestemd. Het Handboek geeft een nadere duiding over de verwachte toekomstige gebruiksduur die is weergegeven in de onderstaande tabel. Het Handboek hanteert hierbij voor een aantal activacategorieën een bandbreedte. Het is vervolgens aan de publieke media-instellingen en de NPO om de gebruiksduur van het actief in te schatten en af te zetten tegen de bandbreedtes. Daarmee kan een herziening van de afschrijvingstermijnen dus verwerkt worden als schattingswijziging.
2.2.1.3. Vaste activa niet aan de bedrijfsuitoefening dienstbaar
Deze betreffen materiële vaste activa die niet dienstbaar zijn aan de publieke media-instelling en die ook niet meer zullen worden aangewend voor uitvoering van de mediataak. Te denken valt aan gebouwen die geheel of gedeeltelijk worden verhuurd aan derden of die duurzaam geheel of gedeeltelijk leegstand vertonen.
In geval van gebouwen die deels worden verhuurd of die deels leeg staan, moet zowel het verhuurde als het duurzaam leegstaande deel afzonderlijk verkoopbaar zijn of afzonderlijk door middel van een financiële lease aan anderen ter beschikking gesteld kunnen worden om als zelfstandige kasstroom-genererende eenheid te kunnen worden aangeduid. In dit geval is sprake van een vastgoedbelegging en is RJ 213 van toepassing.
Een actief dat niet meer aan de bedrijfsuitoefening dienstbaar is, is niet gelijk aan een ‘buiten gebruik gesteld actief’. In geval van buiten gebruikstelling is RJ 212.501 van toepassing.
De toelichting geeft inzicht in de aard en omvang van bijzondere waardeverminderingen.
2.2.2. Financiële vaste activa
Hierbij gelden regels voor:
2.2.2.1. Deelnemingen
De toelichting geeft een overzicht van alle rechtspersonen waarbij een publieke media-instelling betrokken is, geeft inzicht in de aard van de rechtspersonen. Verder geeft het overzicht inzicht in het resultaat per deelneming. Het overzicht vermeldt de omvang van eventuele afwaarderingen en licht daarbij bijzondere afwaarderingen nader toe.
2.2.2.2. Overige effecten
Het gaat hierbij om effecten die bestemd zijn om duurzaam te worden aangehouden. Ongerealiseerde waardemutaties vinden plaats via de balanspost ‘Reserve Koersverschillen Beleggingen’ en mogen niet via de exploitatierekening verlopen om daarmee de impact op de volatiliteit van de reserve media aanbod te beperken. Een uitzondering hierop geldt voor de situatie dat de balanspost ‘Reserve Koersverschillen Beleggingen’ onvoldoende omvang heeft om een waardevermindering volledig op te vangen. In een dergelijke situatie wordt de waardevermindering verwerkt via de exploitatierekening nadat eerst de balanspost ‘Reserve Koersverschillen Beleggingen’ is teruggebracht tot een nihil saldo.
De toelichting vermeldt de marktwaarde van de ter beurze genoteerde effecten, ongeacht de toegepaste waarderingsgrondslag.
2.2.3. Vlottende Activa
Voor de volgende posten gelden aanvullende regels:
2.2.3.1. Voorraden
Dit betreft zowel nog niet verspreid media-aanbod als herhalingen. Een overzicht specificeert het totaal van deze post naar nog te verspreiden media-aanbod en herhalingen. Het overzicht vermeldt de omvang van eventuele afwaarderingen en licht bijzondere afwaarderingen nader toe. In aanvulling hierop gelden de volgende regels.
2.2.3.1.1. Nog niet verspreid media-aanbod
Waardering van media-aanbod geschiedt tegen directe kosten. Onder de directe kosten vallen de personele kosten van eigen medewerkers en overige medewerkers, de facilitaire kosten en de overige programmakosten. Kosten die niet direct aan het programma zijn toe te rekenen (bijvoorbeeld die van de directie/programmaleiding en planning media-aanbod, netcoördinatie) maken deel uit van de organisatiekosten.
De waardering van media-aanbod wordt verminderd met de voor dit media-aanbod ontvangen bijdragen van derden en bijdragen van het NPO fonds. De bijdragen van derden betreffen bijdragen van commerciële sponsors, de Stichting coproductiefonds Binnenlandse Omroep (CoBO) en overige derden.
Gereed voor uitzending maar nog niet verspreid media-aanbod wordt op balansdatum individueel beoordeeld. Media-aanbod wordt volledig afgewaardeerd als er door de landelijke publieke media-instelling in overleg met de raad van bestuur van de NPO of de door hem gemandateerden definitief is besloten het media-aanbod niet te verspreiden.
Als twee jaar na de eerste voorraadwaardering nog geen beslissing is genomen ten aanzien van het verspreiden van media-aanbod, wordt het betreffende media-aanbod volledig afgewaardeerd. In specifieke gevallen kan hiervan worden afgeweken. Het gaat dan om gevallen waarin wel voldoende zekerheid bestaat over de verspreiding van het media-aanbod, maar niet over het jaar waarin de verspreiding zal plaatsvinden of de verspreiding later dan twee jaar na aankoop of productie zal plaatsvinden. Dit geldt bijvoorbeeld voor de aankoop van (licenties voor) speelfilms en series die minimaal twee jaar na aankoop ingaan.
De toelichting licht afwijkingen toe, inclusief de waarde per speelfilm/serie e.d. De toelichting toont verder afzonderlijk de vermindering met de voor media-aanbod ontvangen bijdragen van derden. Voor het nog niet verspreide media-aanbod wordt per afzonderlijk media-aanbod de hoogte van de ontvangen bijdragen van derden gespecificeerd, waarbij ook de organisatie wordt vermeld die de bijdrage heeft verstrekt (model VII).
2.2.3.1.2. Herhalingen
De directe kosten van media-aanbod worden toegerekend aan de eerste verspreiding van media-aanbod. Alleen indien op het moment van eerste verspreiding schriftelijk is vastgelegd dat dit media-aanbod daadwerkelijk herhaald zal worden én voor de herhaling bekostiging is vastgesteld, mag een deel van de directe kosten worden toegerekend aan de herhaling. Waardering van een herhaling geschiedt tegen maximaal het vastgestelde bekostigingsbedrag.
Aangekocht media-aanbod waarbij op basis van contractuele afspraken is betaald voor het recht op herhaling van media-aanbod, worden op balansdatum gewaardeerd, mits schriftelijk is vastgelegd dat dit media-aanbod daadwerkelijk herhaald zal worden én voor de herhaling bekostiging is vastgesteld. Waardering geschiedt tegen maximaal het vastgestelde bekostigingsbedrag.
Alle herhalingen worden drie jaar na de eerste voorraadwaardering volledig afgewaardeerd.
De toelichting geeft inzicht in de aard en omvang van de afwaarderingen.
2.2.3.2. Effecten
Dit betreft effecten die niet duurzaam worden aangehouden, niet zijnde financiële instrumenten conform RJ 290 (zie 2.2.4). Ongerealiseerde waardemutaties vinden plaats via de balanspost ‘Reserve Koersverschillen Beleggingen’ en mogen niet via de exploitatierekening verlopen om daarmee de impact op de volatiliteit van de reserve media aanbod te beperken.
Een uitzondering hierop geldt voor de situatie dat de balanspost ‘Reserve Koersverschillen Beleggingen’ onvoldoende omvang heeft om een waardevermindering volledig op te vangen. In een dergelijke situatie wordt de waardevermindering verwerkt via de exploitatierekening nadat eerst de balanspost ‘Reserve Koersverschillen Beleggingen’ is teruggebracht tot een nihil saldo.
De toelichting vermeldt de marktwaarde van de ter beurze genoteerde effecten.
2.2.3.3. Overlopende actiefpost pensioenpremies
Uitgangspunt is dat de in de verslagperiode te verwerken pensioenlast gelijk is aan de over die periode aan het pensioenfonds / bedrijfstakpensioenfonds verschuldigde pensioenpremies. Als de op balansdatum reeds betaalde premies de verschuldigde premies overtreffen, wordt een overlopende actiefpost opgenomen voor zover sprake zal zijn van terugbetaling door het fonds of van verrekening met in de toekomst verschuldigde premies.
2.2.4. Eigen Vermogen
Een verloopoverzicht van elk afzonderlijk onderdeel van het Eigen Vermogen geeft inzicht in de mutaties.
2.2.4.1. Herwaarderingsreserve Materiële Vaste Activa
Positieve ongerealiseerde waardemutaties worden verwerkt via een Herwaarderingsreserve Materiële Vaste Activa. Dit geldt ook voor negatieve ongerealiseerde waardemutaties, voorzover de herwaarderingsreserve die toelaat. Indien de herwaarderingsreserve niet beschikbaar is, verloopt een negatieve ongerealiseerde waardemutatie via de exploitatierekening.
2.2.4.2. Reserve Koersverschillen Beleggingen
Positieve ongerealiseerde waardemutaties worden verwerkt via een Reserve Koersverschillen Beleggingen. Dit geldt ook voor negatieve ongerealiseerde waardemutaties, voorzover de reserve die toelaat. Indien de reserve niet beschikbaar is, verloopt een negatieve ongerealiseerde waardemutatie via de exploitatierekening.
2.2.4.3. Reserve voor media-aanbod
De Reserve voor media-aanbod wordt gevormd op basis van de Bindende Regeling Mediareserves van de NPO op grond van de artikelen 2.10, tweede lid, onder c, en 2.174, eerste lid, Mediawet 2008.
De reserve voor media-aanbod kan incidenteel een negatief saldo vertonen. In het volgende boekjaar wordt de negatieve reserve voor media-aanbod verrekend met het exploitatieresultaat van dat boekjaar. Indien dit exploitatieresultaat onvoldoende is voor volledige verrekening wordt het resterende negatieve saldo van de reserve voor media-aanbod afgeboekt van de algemene reserve.
De toelichting geeft inzicht in de aard en omvang van een eventuele negatieve reserve voor media-aanbod. Ook geeft deze inzicht in de mutaties van de reserve voor media-aanbod. Het bedrag dat wordt onttrokken of gedoteerd via de verwerking van het exploitatieresultaat wordt expliciet genoemd. De reserve is bestemd voor de verzorging van het media-aanbod. In geval van onttrekking dienen de bedragen te zijn besteed aan de doelen waarvoor zij oorspronkelijk bestemd zijn (artikel 2.176 Mediawet 2008).
2.2.4.4. Overige reserves
Overige reserves worden in de toelichting nader gespecificeerd.
2.2.5. Voorzieningen
2.2.5.1. CAO Omroeppersoneel
Op grond van de CAO die van toepassing is voor het omroeppersoneel worden in ieder geval de volgende voorzieningen getroffen:
Een verloopoverzicht van de jubileumvoorziening en voorziening loopbaantraject geeft inzicht in de dotaties, onttrekkingen en overige mutaties. Het doel van de voorziening wordt toegelicht.
2.2.6. Kortlopende schulden
2.2.6.1. Overgedragen Reserve Media-aanbod
De Overgedragen Reserve voor media-aanbod wordt gevormd op basis van de Bindende Regeling Mediareserves van de NPO op grond van de artikelen 2.10, tweede lid, onder c, en 2.174, eerste lid, Mediawet 2008.
De toelichting geeft aan de hand van een verloopoverzicht inzicht in de mutatie van de Overgedragen Reserve voor media-aanbod ultimo boekjaar. De Overgedragen Reserve voor media aanbod ultimo boekjaar t-1 wordt in het boekjaar t besteed aan de doelen waarvoor zij oorspronkelijk bestemd is (artikel 2.176 eerste lid, Mediawet 2008).
2.2.6.2. Schulden inzake pensioenen
Uitgangspunt is dat de in de verslagperiode te verwerken pensioenlast gelijk is aan de over die periode aan het pensioenfonds/bedrijfstakpensioenfonds verschuldigde pensioenpremies. Voor zover de verschuldigde premies op balansdatum nog niet zijn voldaan, wordt hiervoor een verplichting opgenomen.
2.2.6.3. Overlopende passiva
Bedragen die in een volgend jaar tot betaling komen.
2.2.6.3.1. Overlopende passiva Media-aanbod
In de jaarrekening van NPO houden de overlopende passiva verband met budget voor media-aanbod.
Als de raad van bestuur van de NPO de bedragen die voor de verzorging van media-aanbod ter beschikking zijn gesteld in een boekjaar niet volledig aan de landelijke publieke media-instellingen heeft toegekend, dan verantwoordt de NPO deze middelen als ‘overlopende passiva budget voor media-aanbod’.
De NPO geeft bij de toelichting een specificatie van deze post.
2.3. Exploitatierekening met toelichting
De publieke media-instelling, NPO en de Ster nemen in hun jaarrekening de exploitatierekening op conform model II. Daarbij geven zij inzicht in de herkomst van baten en lasten van de publieke media-instelling.
In de toelichting op de exploitatierekening conform model IVa blijken de afzonderlijke exploitaties van de instelling, gesplitst in media-aanbod, nevenactiviteiten en verenigingsactiviteiten en organisatiekosten (bij landelijke publieke media-instellingen) of indirecte kosten (bij Ster). De posten worden conform de indeling van modellen Va en Vb gerubriceerd. Daarbij is per post de aansluiting met de categoriale indeling vermeld.
Voor NPO geldt model IVb. In dit model wordt onderscheid gemaakt tussen de NPO-organisatie en NPO Media, waarbij de middelen bestemd voor de media-instellingen gepresenteerd worden bij NPO Media.
2.3.1. Baten media-aanbod
Onder baten media-aanbod wordt verstaan alle middelen die door de raad van bestuur van de NPO ter beschikking zijn gesteld voor de verzorging van media-aanbod en in het boekjaar volledig zijn toegekend, of rechtstreeks door het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: OCW) beschikbaar worden gesteld aan de NPO.
In de toelichting op de exploitatierekening conform model IVa worden de baten media-aanbod verantwoord in media-aanbod en organisatiekosten. Nevenactiviteiten en verenigingsactiviteiten zijn hiervan uitgesloten. De baten media-aanbod worden in model IVa onderverdeeld naar de volgende categorieën:
2.3.2. Programmagebonden eigen bijdragen
Modellen II en IV schrijven voor dat in de exploitatierekening in aanvulling op de andere baten specifiek wordt gerapporteerd over de programmagebonden eigen bijdragen. Het gaat hierbij om inkomsten die direct gerelateerd zijn aan een specifiek programma, zoals sponsoring en bijdragen van derden.
Onder verwijzing naar de artikelen 2.106 t/m 2.114 van de Mediawet 2008 wordt jaarlijks een gespecificeerd overzicht conform model VII verstrekt van alle sponsorbijdragen en bijdragen van andere derden die in het boekjaar in de exploitatierekening zijn verantwoord voor de verspreiding van media-aanbod.
Sponsoring is het verstrekken van financiële of andere bijdragen door een onderneming of een natuurlijke persoon, die zich gewoonlijk niet bezighoudt met de vervaardiging van mediadiensten of media-aanbod, ten behoeve van de totstandkoming of aankoop van media-aanbod teneinde de verspreiding daarvan naar het algemene publiek of een deel daarvan te bevorderen of mogelijk te maken (artikel 1.1, eerste lid, Mediawet 2008).
Onder sponsoring van media-aanbod wordt niet verstaan het verstrekken van een bijdrage ten behoeve van de totstandkoming of aankoop van media-aanbod door:
Het overzicht conform model VII wordt ook ingevuld voor het in de voorraad opgenomen, maar nog niet verspreid media-aanbod. Als laatste wordt het overzicht ook ingevuld voor de bijdragen voor verspreid media-aanbod die direct door een buitenproducent zijn ontvangen en niet door de publieke media-instelling die het media-aanbod heeft verzorgd.
Sponsorbijdragen en andere bijdragen van derden worden direct met de publieke media-instelling verrekend, zodat deze bijdragen als inkomsten in de exploitatierekening van de publieke media-instelling worden verantwoord. Het in mindering brengen van deze bijdragen op de kosten van verzorging van media-aanbod is niet toegestaan. Als bijdragen voor verzorgd media-aanbod toch direct zijn uitbetaald aan de buitenproducent en niet aan de publieke media-instelling die het media-aanbod heeft verspreid, dan blijft de publieke media-instelling verantwoordelijk voor de verantwoording van deze bijdragen in de toelichting op de jaarrekening.
2.3.3. Overige bedrijfsopbrengsten
Overige opbrengsten betreffen alle opbrengsten die niet vallen onder baten Media-aanbod, programmagebonden eigen bijdragen, opbrengst programmabladen, opbrengst overige nevenactiviteiten, opbrengst verenigingsactiviteiten en barteringsbaten. Indien er sprake is van doorberekeningen aan publieke media-instellingen genoemd in hoofdstuk 2 van de Mediawet 2008, dan worden deze doorberekende kosten niet als opbrengsten verantwoord, maar in mindering gebracht op de specifieke kostencategorieën.
Op grond van artikel 2.2, tweede lid, onderdeel i, Mediawet 2008 dient de NPO zorg te dragen voor de geïntegreerde financiële verslaglegging en verantwoording. Om op transparante wijze inzicht te geven in deze geïntegreerde verslaggeving worden tussen landelijke media-instellingen, dan wel tussen landelijke publieke media-instellingen en NPO onderling gefactureerde bedragen verrekend met de kosten en niet verantwoord als opbrengsten.
2.3.4. Directe kosten media-aanbod
Uit de Mediawet 2008 volgt de verplichting dat de kosten van de verzorging van media-aanbod worden verantwoord door de landelijke publieke media-instellingen. De directe kosten omvatten de personele kosten van eigen medewerkers en overige medewerkers, de facilitaire kosten en de overige programmakosten.
Onder directe kosten worden die kosten verstaan die samenhangen met de kernactiviteiten van de organisatie. Het gaat hierbij om activiteiten die gericht zijn op de voortbrenging van een of meerdere producten. Er is sprake van een product bij de publieke media-instellingen, indien het onderdeel uitmaakt van het media-aanbod. Bij de publieke media-instellingen wordt het media-aanbod namelijk beschouwd als een verzameling van verschillende producten.
In model IX worden de directe kosten (zijnde de som der bedrijfslasten) voor media-aanbod inzichtelijk gemaakt per genre. Hierbij wordt de Crossmediale Content Classificatie gehanteerd die door de NPO omroepbreed is vastgesteld.7Deze verdeling van kosten over genres is niet van toepassing op de Ster, omdat deze organisatie uitsluitend reclameboodschappen verzorgt. De toerekening van de programma-onafhankelijke directe kosten aan de genres dient plaats te vinden op bedrijfseconomische grondslagen.
2.3.5. Organisatiekosten
Alle kosten van de publieke media-instellingen die niet rechtstreeks samenhangen met de kernactiviteiten van de organisatie en dus verband houden met ondersteunende activiteiten, worden aangemerkt als organisatiekosten. De Ster gebruikt de term ‘indirecte kosten’ in plaats van ‘organisatiekosten’.
De organisatiekosten en de vergoeding ervan worden in een aparte kolom ingevuld (zie model IVa). De lasten op de platforms, nevenactiviteiten en verenigingsactiviteiten bestaan dus alleen nog maar uit directe kosten. Op de laatste kostenregel ‘Toerekening organisatiekosten’ kunnen organisatiekosten toegerekend worden aan de verenigings- en nevenactiviteiten. De toerekening van de organisatiekosten aan nevenactiviteiten en verenigingsactiviteiten dient plaats te vinden op bedrijfseconomische grondslagen.
De basis voor toerekening van organisatiekosten aan nevenactiviteiten en verenigingsactiviteiten is de kostprijs. Voor de toerekening van organisatiekosten worden de volgende organisatiekostensoorten onderscheiden:
Bij de toerekening van organisatiekosten aan nevenactiviteiten en verenigingsactiviteiten worden enkele van de in model Vb gedefinieerde categorieën organisatiekosten uitgezonderd. Dit betreft mediaspecifieke overhead die ook voorheen niet is toegerekend aan nevenactiviteiten en verenigingsactiviteiten. Het betreft de rubrieken A2, A9, A10, B1 t/m B4 en dat deel van de onder rubriek C begrepen huisvestingskosten, die samenhangen met het gebruik van het bedrijfspand
voor mediaspecifieke activiteiten.
De hiervoor genoemde organisatiekostensoorten worden hierna toegelicht.
2.3.5.1. Personele organisatiekosten
Voor de toerekening van de personele organisatiekosten wordt de opslagcalculatiemethode gehanteerd. Grondslag voor het opslagpercentage is de verhouding tussen de personele organisatiekosten, verminderd met de personele kosten in de uitzonderingsrubrieken, en de directe personele kosten, verhoogd met personele lasten in de uitzonderingsrubrieken.
2.3.5.2. Huisvestingkosten
De toerekening van de huisvestingskosten voor niet media-specifiek gebruik vindt plaats op basis van de door de nevenactiviteit of verenigingsactiviteit gebruikte vloeroppervlakte (m2).
2.3.5.3. Overige algemene organisatiekosten
Grondslagen
Voor de toerekening van de overige algemene organisatiekosten wordt (conform de personele organisatiekosten) de opslagcalculatiemethode gehanteerd. Grondslag voor het opslagpercentage is de verhouding tussen de algemene organisatiekosten, verminderd met de overige kosten in de uitzonderingsrubrieken, en de directe overige algemene kosten verhoogd met de overige kosten in de uitzonderingsrubrieken.
2.3.6. Lasten onafhankelijk product
Door de landelijke publieke media-instellingen wordt in de toelichting een opgave verstrekt van de totale lasten, zoals opgenomen in de exploitatierekening van het betreffende boekjaar, die samenhangen met de verzorging van media-aanbod dat bestaat uit Europese producties die kunnen worden aangemerkt als onafhankelijke productie als bedoeld in de artikelen 2.115 tot en met 2.121 Mediawet 2008. De bepaling van de hoogte van de totale lasten geschiedt aan de hand van een door het Commissariaat op te stellen beleidsregel over de genoemde wetsartikelen.
De landelijke publieke media-instellingen maken conform onderstaande tabel in hun opgave een onderscheid tussen de lasten die direct aan de betrokken onafhankelijk producent zijn vergoed en de interne lasten die de media-instelling maakt ten behoeve van de onafhankelijke producties. Daarnaast rapporteert de media-instelling over het aantal onafhankelijke producties per titel dat met de opgegeven totale lasten tot stand is gekomen.
De NPO rapporteert jaarlijks vóór 1 juli aan het Commissariaat hoeveel procent van het totaal van de budgetten, bedoeld in artikel 2.149, eerste lid, Mediawet 2008 (met uitzondering van onderdeel e) die ter beschikking zijn gesteld voor het verzorgen van media-aanbod, conform de beleidsregel van het Commissariaat is besteed aan Europese producties als bedoeld in de artikelen 2.116 tot en met 2.121 Mediawet 2008 die kunnen worden aangemerkt als onafhankelijke productie. Hiervoor gebruikt de NPO de opgaven van de landelijke publieke media-instellingen.
2.3.7. Bartering
Na afloop van een boekjaar worden bartertransacties verantwoord in de exploitatierekening. Baten uit bartering dienen afzonderlijk te worden verantwoord in de exploitatierekening op basis van de geldelijke waarde van de ontvangen goederen of diensten. De lasten worden opgenomen onder de relevante kostenposten in de exploitatierekening op basis van de geldelijke waarde van de geleverde goederen of diensten.
De omvang van de baten wordt bepaald op de reële waarde van de ontvangen zaken of diensten, vermeerderd of verminderd met eventuele ontvangen of betaalde liquide middelen of activa die op zeer korte termijn liquide te maken zijn8In het geval van ontvangen of betaalde liquide middelen of activa die op zeer korte termijn liquide te maken zijn, dient de waarde hiervan relatief gering te zijn, omdat bartering ruilhandel met gesloten beurzen betreft. De norm is dat de hiervoor genoemde waarde maximaal 5% van de totale ruilwaarde bedraagt.. Indien de reële waarde van de ontvangen zaken of diensten niet betrouwbaar kan worden bepaald, worden de baten bepaald op de reële waarde van de geruilde zaken of diensten, vermeerderd of verminderd met eventuele betaalde of ontvangen liquide middelen of activa die op zeer korte termijn liquide te maken zijn.
In de exploitatierekening worden de baten en lasten van alle bartertransacties verantwoord, ongeacht de aard en reële waarde van de bartertransactie. Voor de volledigheid wordt hierbij vermeld dat dit in tegenstelling is tot de RJ (RJ 270.108), waarbij een bartertransactie met een gelijke aard en reële waarde niet wordt beschouwd als een transactie die een opbrengst genereert.
Bartering is te omschrijven als ruilhandel met gesloten beurzen tussen een publieke media-instelling en een externe contractpartij. Een belangrijke voorwaarde bij deze ruilhandel is dat de geleverde goederen of diensten ondanks de gelijke geldelijke waarde toch over en weer gefactureerd worden. De facturering is van belang in verband met zowel mediarechtelijke als belastingtechnische eisen. In de financiële administratie dienen alle bartertransacties intracomptabel (dus verwerkt in het grootboek) te worden vastgelegd. Het is niet toegestaan om bartertransacties uitsluitend extracomptabel vast te leggen.
Model VIII van dit handboek geeft weer hoe de baten en/of lasten als gevolg van bartertransacties verantwoord dient te worden.
2.3.8. Nevenactiviteiten en verenigingsactiviteiten
Voor nevenactiviteiten en verenigingsactiviteiten wordt altijd een gescheiden administratie gevoerd. Met inachtneming van het bepaalde in artikel 2.135, eerste lid, Mediawet 2008 worden de inkomsten uit nevenactiviteiten en verenigingsactiviteiten (waaronder inkomsten uit vermogen) aangewend voor de verzorging van media-aanbod van de publieke media-instelling. Dit betreft ook de gerealiseerde koerswinsten, ofwel het verschil tussen de verkoopopbrengst en de boekwaarde van financiële belangen in derden. Genomen koersverliezen kunnen eerst met gerealiseerde koerswinsten worden verrekend alvorens saldering met andere verenigingsgebonden baten en lasten plaatsvindt.
De exploitatie van programmabladen is een nevenactiviteit, de inkomsten hieruit worden gerapporteerd via de post ‘Opbrengsten Programmabladen’. Andere inkomsten uit nevenactiviteiten worden gerapporteerd via de post ‘Opbrengst overige nevenactiviteiten’.
De toelichting op de posten ‘Opbrengsten Programmabladen’ en ‘Opbrengst overige nevenactiviteiten’ dient inzicht geven in de opbrengsten per cluster van activiteiten, waarbij activiteiten van gelijke aard worden geclusterd.
Hierbij wordt gebruik gemaakt van model VI. Het overzicht van model VI wordt ingevuld voor ieder cluster van nevenactiviteiten conform de beleidsbrieven van het Commissariaat inzake clusterindeling nevenactiviteiten. Voor programmabladen en deelnemingen wordt een exploitatie per individuele activiteit (programmablad, deelneming) aangeleverd. Dit geldt tevens voor (experimentele) nevenactiviteiten (zoals publiek-private samenwerkingsverbanden die kwalificeren als nevenactiviteit) die niet in één van de clusters zijn opgenomen.
Indien de exploitatie van een individuele nevenactiviteit in een boekjaar niet kostendekkend is, wordt deze nevenactiviteit separaat verantwoord. Daarbij dient tevens de volgende informatie per niet-kostendekkende nevenactiviteit te worden verstrekt:
De beleidsregels inzake nevenactiviteiten van het Commissariaat worden in dit kader gevolgd.
De programmabladabonnements- en lidmaatschapsgelden worden van elkaar gescheiden. De toegerekende opbrengsten en kosten worden in de toelichting separaat zichtbaar gemaakt. Het lidmaatschapsgeld wordt tegelijk met het abonnementsgeld geïncasseerd. Voor incassokosten mag een forfaitair percentage van 10% van de bruto lidmaatschapsgelden als zodanig worden verantwoord ten laste van het verenigingsresultaat.
2.3.9. Verstrekkingen zendgemachtigden
De NPO is verantwoordelijk voor het beheer van omroepmiddelen die zijn toegewezen aan de landelijke publieke media-instellingen. In de praktijk betekent dit dat de NPO de verstrekking van omroepmiddelen aan hen verzorgt. De door OCW beschikbaar gestelde gelden worden in de jaarrekening van de NPO als baten verantwoord in de exploitatierekening. De verstrekkingen aan de landelijke publieke media-instellingen, inclusief inzet overgedragen reserve media-aanbod, worden in de jaarrekening van de NPO verantwoord als lasten onder de post ‘Verstrekkingen zendgemachtigden’ in de exploitatierekening.
Model IX maakt inzichtelijk ten behoeve van welke genre de verstrekkingen zendgemachtigden zijn toegekend.
2.3.10. Financieel resultaat
Het financiële resultaat wordt in de toelichting gespecificeerd conform het volgende overzicht:
1 Ongerealiseerde waardemutaties worden verwerkt via de exploitatierekening indien sprake is van onvoldoende Reserve Koersverschillen Beleggingen.
2 Ongerealiseerde waardemutaties worden verwerkt via de exploitatierekening indien sprake is van onvoldoende Herwaarderingsreserve Materiële Vaste Activa.
2.3.11. Vennootschapsbelasting
Voor zover een organisatie vennootschapsbelasting verantwoordt, wordt deze opgenomen in model I9Als belastingen en premies sociale verzekeringen. en II van de jaarrekening. In modellen IVa en IVb is de verwerking afhankelijk van de oorsprong van het fiscaal belastbare resultaat.
2.3.12. Over te dragen reserves media-aanbod
Over te dragen reserves media-aanbod betreft het surplus boven het door de Raad van Bestuur gestelde maximum van de reserve media-aanbod dat ontstaat na verwerking van het resultaat. Deze dient conform de bindende regeling van de NPO over te worden gedragen aan de NPO-organisatie. Het surplus wordt toegevoegd aan de overgedragen reserve media-aanbod onder de kortlopende schulden.
De NPO-organisatie verantwoord op deze regel de door media-instellingen overgedragen reserves.
Indien sprake is van een overschrijding van de normering conform artikel 2.177 Mediawet 2008, verantwoordt de NPO-organisatie een eventuele overdracht aan de Algemene Mediareserve (AMr) ook op deze regel.
2.3.13. Aantal fte
Het aantal medewerkers in Full Time Equivalent (fte) dat ultimo boekjaar in dienst is bij de publieke media-instelling wordt aangegeven in de toelichting conform model IVa. Dit geldt ook voor het gemiddelde aantal medewerkers in fte dat gedurende het boekjaar in dienst is geweest bij de publieke media-instelling. Ook het gemiddelde aantal fte wordt aangegeven in model IVa.
2.3.14. Bezoldiging
Hierbij gelden regels in verband met:
2.3.14.1. Titel 9 Boek 2 BW
In de toelichting van de jaarrekening wordt overeenkomstig artikel 2:383 BW opgave gedaan van de bezoldiging van de gezamenlijke bestuurders en gewezen bestuurders en, afzonderlijk, voor de gezamenlijke toezichthouders en gewezen toezichthouders. De bedragen worden in het boekjaar ten laste van de publieke media-instelling verantwoord. Op overeenkomstige wijze wordt afzonderlijk opgave gedaan van de bezoldiging van de gezamenlijke directieleden en gewezen directieleden.
2.3.14.2. WNT
De wijze waarop de bezoldiging wordt berekend, is overeenkomstig de berekeningswijze zoals deze is bepaald in de WNT die op 1 januari 2013 in werking is getreden. Volgens artikel 1.3, eerste lid, onderdeel d, vallen de landelijke publieke media-instellingen, de Ster en de NPO onder het bezoldigingsmaximum en het openbaarmakingsregime.
Voor nadere bepalingen omtrent de hoogte van het bezoldigingsmaximum en de berekening wordt verwezen naar paragraaf 2 van de WNT.
In de financiële verantwoording wordt van iedere (gewezen) bestuurder de bezoldiging openbaar gemaakt conform de bepalingen in de WNT. Indien een bestuurder naast zijn besturende functie eveneens presentator is bij de media-instelling wordt de verdeling in de financiële verantwoording inzichtelijk gemaakt.
Indien een (gewezen) bestuurder meer bezoldiging heeft ontvangen dan het bezoldigingsmaximum zoals bepaald in de WNT, is het meerdere een onverschuldigde betaling.
Voor leden van raden van commissarissen en leden van raden van toezicht zijn specifieke bepalingen opgenomen in de WNT. Voor deze leden geldt eveneens het openbaarmakingsregime.
Jaarlijks worden de bezoldigingen voor 1 juli van het jaar volgend op het boekjaar gemeld.
Bij bezoldiging boven de norm van iedere reguliere functionaris (niet zijnde topfunctionaris) gelden aanvullende toelichtingsvereisten.
Instellingen die onder de reikwijdte van de WNT vallen én tevens bezoldigingsgegevens van bestuurders en toezichthouders openbaar moeten maken op grond van artikelen 2:383, eerste lid, en 2:383c BW, kunnen er voor kiezen om de BW-verantwoording van bezoldigingsgegevens achterwege te laten. In dit Handboek is er voor gekozen om in deze situatie vermelding van bezoldigingsgegevens in het kader van Titel 9 Boek 2 BW achterwege te laten met als doel om overlap van gegevens te vermijden.
Voor meer actuele informatie wordt verwezen naar de site www.topinkomens.nl. Specifiek geldt met ingang van boekjaar 2021 dat voor publieke media-instellingen die onder categorie A, B en C zijn ingedeeld een verlaagde bezoldingsmaxima topfunctionarissen van toepassing is, zie bezoldigingsmaxima 4. Media-instellingen (bijlage 1).
2.3.14.3. BPPO
Op grond van artikel 2.3, derde lid, onderdeel b, Mediawet 2008 is door de raad van bestuur van de NPO “Het Beloningskader Presentatoren in de Publieke Omroep” (BPPO) opgesteld. Het bedrag dat uiteindelijk is toegestaan om boven het maximum van categorie C aan een presentator toe te kennen, mag bij ledenverenigingen ten aanzien van contracten aangegaan na 1 september 2009 niet betaald worden uit de omroepbudgetten, maar alleen uit de verenigingsmiddelen. Dit geldt eveneens voor het deel van het dienstverband dat een bestuurder tevens presentator bij de media-instelling is.
Het bedrag dat uit verenigingsmiddelen is betaald, wordt in de toelichting van de jaarrekening conform model IVa opgenomen. De media-instelling licht op adequate wijze toe hoe het bedrag, dat uit verenigingsmiddelen is betaald, tot stand is gekomen.
2.4. Kasstroomoverzicht
De kasstromen worden conform model III ingedeeld naar herkomst uit operationele activiteiten, investeringsactiviteiten en financieringsactiviteiten.
2.5. Bijzonderheden
Het gaat hierbij om ontwikkelingen die een significante invloed hebben op de hoogte van de omvang van balansposten, baten en lasten, evenals significante verschillen tussen enerzijds posten van de exploitatierekening en anderzijds de begroting. De bijzonderheden die zich in het boekjaar hebben voorgedaan, worden tekstueel toegelicht in de jaarrekening op een zodanig niveau dat daarmee voldoende transparantie wordt gecreëerd over de precieze aard van de bijzonderheden. Dit betreft onder meer een toelichting op:
Model I Balans
Model II Exploitatierekening
1 Geldt niet voor de NPO.
2 Geldt niet voor de NPO en voor de taakomroepen.
3 Geldt niet voor de NPO en voor de taakomroepen.
4 Deze post is uitsluitend van toepassing op de NPO, inclusief inzet overgedragen reserve.
5 Inclusief eventuele overdracht in het kader van artikel 2.177.
Model III Kasstroomoverzicht
Model IVa Toelichting op exploitatierekening media-instellingen10Dit model geldt niet voor de NPO, zie model IVb.
1 Geldt alleen voor de Ster, zoals bedoeld in de statuten artikel 14 tweede lid.
2 Geldt alleen voor de Ster, zoals bedoeld in de statuten artikel 14 tweede lid.
3 Conform inzet eigen middelen volgens intekening van in boekjaar uitgezonden media-aanbod.
4 Opgave van de feitelijk aanwezige bezetting (exclusief vacatures), voor zover in dienst van de publieke media-instelling.
Model IVb Toelichting op exploitatierekening NPO11Dit model geldt alleen voor de NPO.
1 Inclusief inzet overgedragen reserve.
2 Inclusief eventuele overdracht in het kader van artikel 2.177 Mediawet 2008.
Model Va Specificatie bij exploitatierekening (Modellen II, IVa en IVb)12Uitzonderingen voor de Ster zijn bij het desbetreffende onderdeel aangegeven.
Model Vb Definitie organisatiekosten bij exploitatierekening (Modellen II, IVa en IVb)13Dit geldt niet voor de Ster.
1 Onder loonkosten worden de volgende kosten verstaan: salariskosten, sociale lasten, pensioenlasten, december- en vakantie-uitkering, NRD-uitkering, arbeidsmarkttoeslagen, werkgeversbijdrage zorgverzekeringen.
Model VI Toelichting op nevenactiviteiten per cluster14Voor officiële terminologie wordt verwezen naar de Mediawet 2008 en regelgeving van het Commissariaat voor de Media. Voor programmabladen en deelnemingen dient per individuele activiteit financiële verantwoording plaats te vinden.
1 (Experimentele) nevenactiviteiten (zoals publiek-private samenwerkingsverbanden die kwalificeren als nevenactiviteit) die niet in één van de voorgaande clusters zijn opgenomen.
Indien de exploitatie van een individuele nevenactiviteit niet kostendekkend is, wordt deze nevenactiviteit separaat verantwoord.
Model VII Sponsorbijdragen en bijdragen van derden15Voor officiële terminologie wordt verwezen naar de Mediawet 2008 en regelgeving van het Commissariaat.
Model VIII Bartering-contracten16Zie voor een nadere toelichting de beleidsbrief van het Commissariaat d.d. 31 maart 2008 met als kenmerk FTZ-001402-mvl.
1 Alle bedragen zijn inclusief BTW. Ook wordt de transactie verantwoord in het jaar waarin de betreffende baat of last plaatsvindt.
Model IX Kosten per genre17Dit model is niet van toepassing op de Ster, omdat die uitsluitend reclameboodschappen verzorgt. Verder is bij de landelijke publieke media-instellingen sprake van een onderverdeling per genre van de programmakosten en bij de NPO van een onderverdeling per genre van de verstrekkingen aan zendgemachtigden.
1 Vanwege wijziging in systematiek wordt in de verantwoording 2022 geen vergelijkende cijfers van 2021 gepresenteerd.
2 Kosten voor de verzorging van een aanbodkanaal waarop generiek beschreven media-aanbod behorend bij bestaande mediaproducten wordt aangeboden.
Het totaal van dit model sluit aan met de som der bedrijfslasten van het media-aanbod van model IVa of met de het totaal van de lasten van NPO Media in model IVb.
Model X Verklaring governance en interne beheersing
Teneinde de jaarrekening zinvol te kunnen interpreteren, verschaft het bestuursverslag conform RJ 400.108 informatie over [naam instelling: landelijke publieke media-instellingen en NPO].
Conform RJ 400.122 is in het bestuursverslag ook informatie opgenomen over de toepassing van de Gedragscode Integriteit Publieke omroep 2021, die fungeert als gedragscode. Het bestuursverslag voldoet aan de specifieke voorschriften van Principe 7 van de Gedragscode Integriteit Publieke omroep 2021. Principe 7 betreft de openbare verantwoording door het bestuur en de raad van toezicht van [naam van de omroep] van hun functioneren. Principe 7 is door de Raad van Bestuur van de NPO op grond van het bepaalde in artikel 2.3, tweede lid, juncto artikel 2.10, tweede lid, aanhef en onder c, en artikel 2.60, eerste lid, Mediawet 2008 bindend vastgesteld voor de landelijke publieke media-instellingen.
Het bestuursverslag voldoet ook aan de beleidsregels van het Commissariaat van 26 september 2017 ten aanzien van de governance en interne beheersing van de NPO, de RPO en de landelijke en regionale publieke media-instellingen (Stcrt. 2017, 57731).
Ondertekening door /namens raad van toezicht en directie met vermelding van naam en functie.
[Plaats], [Datum]
[ondertekening]
Bijlage 1. bij het Handboek; controleprotocol publieke media-instellingen
Inleiding
Voor welke instellingen geldt dit controleprotocol?
Op basis van de artikelen 2.171, 2.172 en 2.179 Mediawet 2008 is dit protocol van toepassing op de publieke media-instellingen.
Doel
De op basis van de artikelen 2.149 t/m 2.157 Mediawet 2008 door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: de Minister) ter beschikking gestelde budgetten worden via het Commissariaat verstrekt aan de raad van bestuur van de NPO, die deze gelden ter beschikking stelt aan de landelijke publieke media-instellingen. Een uitzondering hierop is de Ster. De Ster wordt op grond van artikel 2.105, derde lid, Mediawet 2008 bekostigd door vermindering van de Ster-opbrengsten met de door de Minister goedgekeurde uitgaven. Namens de Minister verwacht de publieke media-instelling van de instellingsaccountant een verklaring van getrouwheid en van rechtmatigheid bij de jaarrekening van de publieke media-instelling. Het controleprotocol is bedoeld om de verwachtingen van de Minister vast te leggen ten aanzien van deze verklaringen. Deze verklaringen zijn mede de basis voor het oordeel van de departementale accountant bij de departementale jaarrekening.
Wettelijk kader
De NPO en de landelijke publieke media-instellingen leggen op grond van artikel 2.171, eerste t/m derde lid, Mediawet 2008, financiële rekening en verantwoording af aan het Commissariaat over de financiële rechtmatigheid van de uitgaven. Krachtens artikel 2.172, derde lid, Mediawet 2008 zijn nadere regels gesteld voor de inrichting van de jaarrekening. Deze regels zijn opgenomen in het Handboek Financiële Verantwoording landelijke publieke media-instellingen, NPO en Ster 2022 (hierna: Handboek). Voor het rechtmatigheidsoordeel controleert de instellingsaccountant de naleving van:
Een en ander is limitatief opgesomd in bijlage 3 van het Handboek: ‘Wet- en regelgeving inzake financiële rechtmatigheid’.
Het object van controle is de verantwoording van de publieke media-instelling. De verantwoording bestaat uit de jaarrekening, het bestuursverslag volgens artikel 2:391 BW (inclusief de bedrijfsvoeringverklaring) en de overige gegevens van artikel 2:292, eerste lid, onder b tot en met h, BW.
Bij de controle van de jaarrekening stelt de instellingsaccountant de getrouwheid daarvan vast. Hieronder worden mede verstaan de toedeling van de kosten naar media-aanbod, nevenactiviteiten en verenigingsactiviteiten en naar categorie (direct – organisatie). De controle van de jaarrekening is tevens gericht op de financiële rechtmatigheid van de baten en lasten. Op grond van zijn controlewerkzaamheden dient de instellingsaccountant een getrouwheids- en rechtmatigheidsoordeel, zoals opgenomen in het model Controleverklaring, af te geven bij de jaarrekening.20Het model Controleverklaring gaat er vanuit dat de accountant op basis van diens controle een goedkeurende controleverklaring kan afgeven. In de situatie waarin dit niet mogelijk is, past de accountant het model aan overeenkomstig de betreffende voorbeeldteksten van de Nederlandse Beroepsorganisatie van Accountants (NBA).
De instellingsaccountant stelt tevens vast dat geen tekortkomingen zijn gebleken naar aanleiding van het onderzoek, dat het bestuursverslag inclusief de bedrijfsvoeringverklaring overeenkomstig Titel 9 Boek 2 BW is opgesteld en dat de in artikel 2:392, eerste lid, onder b tot en met h, BW vereiste gegevens zijn toegevoegd. Ook stelt hij conform NBA Standaard 720 vast dat, voor zover hij dit kan beoordelen, het bestuursverslag inclusief de bedrijfsvoeringverklaring verenigbaar is met de jaarrekening zoals vereist in artikel 2:391, vierde lid, BW. Verder moet de accountant conform artikel 2:393 BW vaststellen of er in het licht van de tijdens de controle verkregen kennis en begrip omtrent de rechtspersoon en haar omgeving, materiële onjuistheden in het bestuursverslag zijn vastgesteld met opgave van de aard van deze onjuistheden.
De controle dient te worden uitgevoerd in overeenstemming met de Nadere Voorschriften Controle- en overige standaarden (NV COS) zoals uitgegeven door de Nederlandse Beroepsorganisatie van Accountants (NBA) en de aanwijzingen zoals opgenomen in dit controleprotocol. Bij de controle op de naleving van het bepaalde in de WNT dient de instellingsaccountant uit te gaan van de in het betreffende jaar geldende Regeling Controleprotocol WNT van het Ministerie van BZK.
Procedure
De Ster stelt conform artikel 2.103 de Mediawet 2008 jaarlijks voor 1 juni haar bestuursverslag vast en dient dat in bij de Minister. De landelijke publieke media-instellingen sturen in overeenstemming met artikel 2.171, tweede lid, Mediawet 2008 vóór 1 mei de jaarrekening in bij het Commissariaat. Op grond van artikel 2.171, derde lid, Mediawet 2008 zendt de NPO vóór 1 juli de jaarrekening van de NPO aan het Commissariaat. Het Commissariaat stelt op grond van de artikelen 2.173 en 7.6 t/m 7.8 Mediawet 2008 vóór 1 september een verantwoording op over het beheer van de mediagelden in het voorgaande boekjaar, voorzien van een getrouwheids- en rechtmatigheidsoordeel van de accountant van het Commissariaat, ten behoeve van de Minister. In deze verantwoording zijn de vaststellingen opgenomen van de mediabijdragen over voorgaande jaren voor alle publieke media-instellingen, die door tussenkomst van het Commissariaat worden bekostigd.
De accountant van het Commissariaat maakt voor de hiervoor genoemde verantwoording gebruik van de controleverklaringen bij de jaarrekeningen van de publieke media-instellingen. Daarnaast maakt hij gebruik van de jaarlijkse toetsing door het Commissariaat van de financiële rechtmatigheid van de besteding van de mediabijdragen.
Het Commissariaat is belast met de jaarlijkse toetsing van de financiële rechtmatigheid van de besteding van mediagelden op basis van de jaarrekeningen van de landelijke publieke media-instellingen en de NPO. De toetsing van de financiële rechtmatigheid geschiedt door het Commissariaat. Een van de beheermaatregelen die het Commissariaat ter beschikking staat, is het reviewen van de accountantscontroles bij de landelijke publieke media-instellingen en de NPO. Het doel van de review is het krijgen van inzicht in de kwaliteit van de door de instellingsaccountants uitgevoerde werkzaamheden. De uitkomsten van deze review gebruikt de accountant van het Commissariaat voor de controle van de jaarrekening van het Commissariaat. Het Commissariaat kan de reviewtaak uitbesteden aan een registeraccountant. De reviews worden uitgevoerd mede op basis van een roulatiesysteem.
Reikwijdte accountantsonderzoek
Onderzoeksaanpak
De instellingsaccountant neemt in zijn controledossier een risicoanalyse op, waarin rekening wordt gehouden met de aandachtspunten van dit controleprotocol. Dit controledossier vormt de basis voor een review die het Commissariaat kan (laten) uitvoeren. De instellingsaccountant controleert de financiële rechtmatigheid van de besteding van de mediagelden. De op de financiële rechtmatigheid van toepassing zijnde wettelijke bepalingen uit de Mediawet 2008 en overige relevante wet- en regelgeving zijn limitatief aangegeven in bijlage 3 ‘Wet- en regelgeving inzake financiële rechtmatigheid’. Van de instellingsaccountant wordt verwacht dat hij over de naleving van deze bepalingen rapporteert in het accountantsverslag, voor zover hierover bevindingen zijn te melden op grond van zijn controle.
Voor aanbestedingen die boven de Europese drempelbedragen vallen, gelden de gebruikelijke controle en rapportage toleranties. Bij de toetsing van de drempelbedragen voor Europese aanbestedingen dient uitgegaan te worden van de contractwaarde exclusief BTW.
Voor de definiëring van de fout moet in het eerste jaar worden uitgegaan van de volledige contractwaarde. Als het contract meerdere jaren loopt, dan moet het contract ook opgenomen zijn in de toelichting van de niet uit de balans blijkende verplichtingen in de jaarrekening. Indien geen contract aanwezig is, wordt de fout bepaald door de in dat jaar opgenomen kosten.
Voor de aanbestedingen onder de Europese drempelbedragen op grond van wet- en regelgeving geldt een kwalitatieve tolerantie. Hiermee wordt bedoeld dat de instellingsaccountant de AO/IB rondom deze aanbestedingen beoordeelt en daarover rapporteert in het accountantsverslag. Dit heeft geen effect op zijn verklaring.
Bij de jaarlijkse toetsing van de financiële rechtmatigheid van alle bestedingen en inkomsten kunnen door het Commissariaat aanwijzingen zijn gegeven. De instellingsaccountant betrekt de naleving van de aanwijzingen in zijn controle. Voor zover deze niet zijn nageleefd, maakt de instellingsaccountant daarvan melding in het accountantsverslag. Tevens weegt de instellingsaccountant eventuele fouten en onzekerheden die hieruit voortvloeien, bij de strekking van het rechtmatigheidsoordeel.
Voor de controle van de volledigheid van de sponsoropbrengsten van buitenproducenten (zie ook model VII), stelt de accountant vast of de meldingen die de omroeporganisatie van de buitenproducent in het boekjaar heeft ontvangen en vastgelegd in de administratie, allen zijn verantwoord in de toelichting op de jaarrekening. Tevens stelt de accountant vast of de omroeporganisatie schriftelijk heeft vastgelegd (bijvoorbeeld in contracten) dat buitenproducenten sponsoropbrengsten aan de omroeporganisatie moeten melden. Alle tekortkomingen in de interne beheersing omtrent ontvangen sponsoropbrengsten door de buitenproducenten worden opgenomen in het accountantsverslag.
Betrouwbaarheid en nauwkeurigheid
De controle behoort zodanig te worden ingepland en uitgevoerd dat een redelijke mate van zekerheid wordt verkregen dat de verantwoording geen afwijkingen van materieel belang bevat. Indien laatst genoemd begrip voor het gebruik van statistische technieken gekwantificeerd moet worden, moet uitgegaan worden van een betrouwbaarheid van 95%.
Een goedkeurende controleverklaring impliceert dat, gegeven de eerder genoemde betrouwbaarheid, in de verantwoording geen afwijkingen (onjuistheden) en in de controle geen onzekerheden voorkomen met een belang dat groter is dan de voorgeschreven toleranties.
Voor de strekking van de controleverklaring gelden de volgende toleranties in het onderstaande schema:
Indien de accountant zowel fouten als onzekerheden aantreft, weegt hij deze fouten en onzekerheden bij zijn oordeelsvorming altijd in onderlinge samenhang. Voor het omgaan met geconstateerde fouten geldt de volgende gedragslijn. Geconstateerde fouten die invloed kunnen hebben op de financiële rechtmatigheid van baten en lasten moeten voor zover mogelijk door de instelling worden gecorrigeerd. Indien dit niet meer mogelijk is, gelden de tolerantiegrenzen zoals weergegeven in schema 1. Voor het omgaan met geconstateerde fouten die invloed hebben op de getrouwheid van baten en lasten gelden de toleranties die in schema 1 staan. De instelling corrigeert deze fouten als de tolerantiegrens wordt overschreden. De accountant vermeldt alle fouten groter dan 0,1% van de lasten die niet zijn gecorrigeerd in het accountantsverslag. Rechtmatigheidsfouten worden in absolute zin opgevat. Salderen van deze fouten is daarom niet toegestaan.
Normenkader
De publieke media-instelling stelt de jaarrekening op in overeenstemming met de richtlijnen die zijn opgenomen in het Handboek, de richtlijnen die zijn opgenomen in Titel 9 Boek 2 BW en de RJ. Zie hiervoor paragraaf 1.2 van het Handboek.
De instellingsaccountant controleert de jaarrekening van de publieke media-instellingen waarin, indien van toepassing, tevens opgenomen de verantwoording van de verenigingen van de publieke media-instellingen. De controle is gericht op het vaststellen van de getrouwheid van de jaarrekening en op de toetsing van de financiële rechtmatigheid van de baten en lasten. Onder financiële rechtmatigheid wordt verstaan dat alle financiële transacties van de publieke media-instelling hebben plaatsgevonden binnen de bepalingen die bij het wettelijke kader in bijlage 3 van het Handboek zijn weergegeven. Als een financiële transactie niet in overeenstemming met het wettelijke kader heeft plaatsgevonden, dan merkt de instellingsaccountant het totale bedrag van de financiële transactie aan als een fout in de verantwoording. Het totaal aan financiële rechtmatigheidsfouten betrekt de instellingsaccountant bij het rechtmatigheidsoordeel.
Rapportages accountantsonderzoek
Controleverklaring
De instellingsaccountant van de publieke media-instelling verstrekt een controleverklaring inzake getrouwheid en financiële rechtmatigheid bij de jaarrekening. De instellingsaccountant hanteert bij het opstellen van de goedkeurende controleverklaring het voorgeschreven model dat bij dit controleprotocol is gevoegd.
De accountant stelt vast of de modelverklaring voor wat betreft de algemene teksten in overeenstemming is met de laatste voorbeeldtekst van de controleverklaring bij de jaarrekening zoals deze is vermeld op de website van de NBA. Indien de algemene teksten afwijken van de modelverklaring, neemt de accountant de algemene teksten over zoals vermeld op de website van de NBA.
Bij een niet-goedkeurende controleverklaring past de accountant het model aan overeenkomstig de betreffende voorbeeldteksten van de Nederlandse Beroepsorganisatie van Accountants. De instellingsaccountant waarmerkt de jaarrekening.21Bij waarmerken wordt de specificatie ter identificatie gestempeld en geparafeerd door de accountant met als doel het identificeren van de stukken waarop de verklaring betrekking heeft.
Accountantsverslag
De instellingsaccountant stelt een accountantsverslag op en deelt dit verslag met de raad van toezicht van de media-instelling. De raad van toezicht stuurt dit verslag naar het Commissariaat. In het accountantsverslag rapporteert de instellingsaccountant tenminste over niet door de instelling gecorrigeerde fouten (getrouwheid/financiële rechtmatigheid).
Bijlage 2. bij het Handboek; controleverklaring van de onafhankelijke accountant bij de jaarrekening
Controleverklaring van de onafhankelijke accountant
Aan: het bestuur en de raad van toezicht van (naam instelling)
Verklaring over de in dit jaarverslag opgenomen jaarrekening[jaartal]
Ons oordeel
Wij hebben de in dit jaarverslag opgenomen jaarrekening [jaartal] van ... (naam entiteit) te ... (statutaire vestigingsplaats) gecontroleerd.
Naar ons oordeel:
De jaarrekening bestaat uit:
verslaggeving en andere toelichtingen.
De basis voor ons oordeel
Wij hebben onze controle uitgevoerd volgens het Nederlands recht, waaronder ook de Nederlandse controlestandaarden, het Controleprotocol Publieke media-instellingen van de Regeling vaststelling Handboek Financiële verantwoording landelijke publieke media-instellingen, NPO en Ster 2022 vallen. Onze verantwoordelijkheden op grond hiervan zijn beschreven in de sectie ‘Onze verantwoordelijkheden voor de controle van de jaarrekening’.
Wij zijn onafhankelijk van ... [naam instelling] zoals vereist in de Verordening inzake de onafhankelijkheid van accountants bij assurance-opdrachten (ViO) en andere voor de opdracht relevante onafhankelijkheidsregels in Nederland. Verder hebben wij voldaan aan de Verordening gedrags- en beroepsregels accountants (VGBA).
Wij vinden dat de door ons verkregen controle-informatie voldoende en geschikt is als basis voor ons oordeel.
Naleving anticumulatiebepaling WNT niet gecontroleerd
In overeenstemming met de in het betreffende jaar geldende Controleprotocol WNT hebben wij de anticumulatiebepaling, bedoeld in artikel 1.6a WNT en artikel 5, lid 1, sub n en o, Uitvoeringsregeling WNT, niet gecontroleerd. Dit betekent dat wij niet hebben gecontroleerd of er wel of niet sprake is van een normoverschrijding door een leidinggevende topfunctionaris vanwege eventuele dienstbetrekkingen als leidinggevende topfunctionaris bij andere WNT-plichtige instellingen, alsmede of de in dit kader vereiste toelichting juist en volledig is.
Verklaring over de in het jaarverslag opgenomen andere informatie
Naast de jaarrekening en onze controleverklaring daarbij, omvat het jaarverslag andere informatie, die bestaat uit:
Op grond van onderstaande werkzaamheden zijn wij van mening dat de andere informatie:
Wij hebben de andere informatie gelezen en hebben op basis van onze kennis en ons begrip, verkregen vanuit de controle van de jaarrekening of anderszins, overwogen of de andere informatie materiële afwijkingen bevat.
Met onze werkzaamheden hebben wij voldaan aan de vereisten in het Controleprotocol Publieke media-instellingen van de Regeling vaststelling Handboek Financiële verantwoording landelijke publieke media-instellingen, NPO en Ster 2022 en de Nederlandse Standaard 720. Deze werkzaamheden hebben niet dezelfde diepgang als onze controlewerkzaamheden bij de jaarrekening.
Het bestuur is verantwoordelijk voor het opstellen van de andere informatie, waaronder het bestuursverslag en de overige gegevens in overeenstemming met de Regeling vaststelling Handboek Financiële verantwoording landelijke publieke media-instellingen, NPO en Ster 2022.
Beschrijving van verantwoordelijkheden met betrekking tot de jaarrekening
Verantwoordelijkheden van het bestuur en de raad van toezicht voor de jaarrekening
Het bestuur is verantwoordelijk voor het opmaken en getrouw weergeven van de jaarrekening in overeenstemming met de Regeling vaststelling Handboek Financiële verantwoording landelijke publieke media-instellingen, NPO en Ster 2022. Het bestuur is ook verantwoordelijk voor het rechtmatig tot stand komen van de in de jaarrekening verantwoorde baten, lasten en balansmutaties in overeenstemming met de in de relevante wet- en regelgeving opgenomen bepalingen, zoals vermeld in de Regeling vaststelling Handboek Financiële verantwoording landelijke publieke media-instellingen, NPO en Ster 2022. In dit kader is het bestuur tevens verantwoordelijk voor een zodanige interne beheersing die het bestuur noodzakelijk acht om het opmaken van de jaarrekening mogelijk te maken zonder afwijkingen van materieel belang als gevolg van fouten of fraude.
Bij het opmaken van de jaarrekening moet het bestuur afwegen of de organisatie in staat is om haar werkzaamheden in continuïteit voort te zetten. Op grond van genoemd verslaggevingsstelsel moet het bestuur de jaarrekening opmaken op basis van de continuïteitsveronderstelling, tenzij het bestuur het voornemen heeft om de organisatie te liquideren of de activiteiten te beëindigen of als beëindiging het enige realistische alternatief is. Het bestuur moet gebeurtenissen en omstandigheden waardoor gerede twijfel zou kunnen bestaan of de organisatie haar activiteiten in continuïteit kan voortzetten, toelichten in de jaarrekening.
De raad van toezicht is verantwoordelijk voor het uitoefenen van toezicht op het proces van financiële verslaggeving van de instelling.
Onze verantwoordelijkheden voor de controle van de jaarrekening
Onze verantwoordelijkheid is het zodanig plannen en uitvoeren van een controleopdracht dat wij daarmee voldoende en geschikte controle-informatie verkrijgen voor het door ons af te geven oordeel.
Onze controle is uitgevoerd met een hoge mate, maar geen absolute mate, van zekerheid waardoor het mogelijk is dat wij tijdens onze controle niet alle materiële fouten ontdekken.
Afwijkingen kunnen ontstaan als gevolg van fraude of fouten en zijn materieel indien redelijkerwijs kan worden verwacht dat deze, afzonderlijk of gezamenlijk, van invloed kunnen zijn op de economische beslissingen die gebruikers op basis van deze jaarrekening nemen. De materialiteit beïnvloedt de aard, timing en omvang van onze controlewerkzaamheden en de evaluatie van het effect van onderkende afwijkingen op ons oordeel.
Wij hebben deze accountantscontrole professioneel kritisch uitgevoerd en hebben waar relevant professionele oordeelsvorming toegepast in overeenstemming met de Nederlandse controlestandaarden, het Controleprotocol Publieke media-instellingen van de Regeling vaststelling Handboek Financiële verantwoording landelijke publieke media-instellingen, NPO en Ster 2022, ethische voorschriften en de onafhankelijkheidseisen.
Onze controle bestond onder andere uit:
Wij communiceren met de raad van toezicht onder andere over de geplande reikwijdte en timing van de controle en over de significante bevindingen die uit onze controle naar voren zijn gekomen, waaronder eventuele significante tekortkomingen in de interne beheersing.
Plaats en datum
... [naam accountantspraktijk]
... [naam accountant]
Bijlage 3. bij het Handboek; wet- en regelgeving inzake financiële rechtmatigheid
Deze bijlage bevat een limitatief overzicht van wet- en regelgeving die relevant is bij de beoordeling van financiële rechtmatigheid. De vermelde wet- en regelgeving is daarbij in samengevatte vorm toegelicht. Voor de integrale tekst wordt verwezen naar de betreffende wet- en regelgeving.
Beleidsregels Commissariaat
Het Commissariaat heeft als bestuursorgaan de bevoegdheid om beleidsregels vast te stellen over de afweging van belangen, de vaststelling van feiten of de uitleg van wettelijke voorschriften. Een aantal beleidsregels heeft betrekking op het toetsingskader van financiële rechtmatigheid en/of de jaarverslaggeving van instellingen. Deze beleidsregels zijn in het onderstaande overzicht opgenomen.
De bovenstaande beleidsregels kunnen worden geraadpleegd via de Staatscourant en de website van het Commissariaat.
Regelingen NPO
De NPO is op grond van artikel 2.10 Mediawet 2008 belast met het vaststellen van regelingen die nodig zijn voor de uitvoering van zijn taken. Deze regelingen zijn op grond van artikel 2.60 Mediawet 2008 bindend voor de landelijke publieke media-instellingen, voor zover die hen aangaan. Regelingen die gerelateerd zijn aan de financiële verantwoording van de landelijke publieke media-instellingen vormen onderdeel van het toetsingskader inzake financiële rechtmatigheid.
De volgende regelingen zijn gerelateerd aan de financiële verantwoording van de landelijke publieke media-instellingen:
Deze regelingen kunnen worden geraadpleegd via de website van de NPO.
Indien er in de toekomst relevante wijzigingen/aanvullingen plaatsvinden in bovenstaande wet- en regelgeving, dan zijn deze onverkort van toepassing.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)