Wet van 18 mei 2022, houdende regels tot invoering van een toets betreffende verwervingsactiviteiten die een risico kunnen vormen voor de nationale veiligheid gezien het effect hiervan op vitale aanbieders, beheerders van bedrijfscampussen of ondernemingen die actief zijn op het gebied van sensitieve technologie (Wet veiligheidstoets investeringen, fusies en overnames)

Type Wet
Publication 2025-09-01
State In force
Source BWB
artikelen 77
Wijzigingsgeschiedenis JSON API
  • b. sprake is van een risico op misbruik of uitval van de doelonderneming.
2.

Onze Minister maakt een besluit tot benoeming van een aangewezen persoon bekend in de Staatscourant.

3.

De werkzaamheden van de aangewezen vervanger hebben tot doel:

  • a. te verzekeren dat de onderneming handelt overeenkomstig deze wet; en
  • b. te voorkomen dat de continuïteit van het vitale proces in het geding komt.
4.

Voor zover dit verenigbaar is met de doelen, genoemd in het derde lid, richt de aangewezen vervanger zich naar het belang van de doelonderneming.

5.

Artikel 32, derde en zevende lid, zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat onder het doel, bedoeld in artikel 32, derde lid, wordt verstaan: het doel van de werkzaamheden van de aangewezen vervanger, bedoeld in het derde lid.

Hoofdstuk 5. Gegevensverwerking

Artikel 34

1.

Onze op grond van artikel 10, tweede en derde lid, betrokken Ministers en de partijen, bedoeld in het derde tot en met zesde lid, verwerken slechts persoonsgegevens voor zover dit noodzakelijk is voor het overeenkomstig deze wet beoordelen van, vaststellen van en beschermen tegen risico’s voor de nationale veiligheid die door de uitvoering van een verwervingsactiviteit ten aanzien van een doelonderneming waarop deze wet van toepassing is, kunnen ontstaan.

2.

De verwerking van persoonsgegevens, bedoeld in het eerste lid, is toegestaan voor zover dit noodzakelijk is voor het:

  • a. doen van een mededeling of een toetsingsbesluit vereist is, het nemen van een, al dan niet ambtshalve, toetsingsbesluit, het afgeven van een schriftelijke bevestiging als bedoeld in artikel 17, eerste lid, of het verbinden van andere eisen of voorschriften als bedoeld in artikel 25, tweede lid, aan een toetsingsbesluit;
  • b. verlenen van een ontheffing;
  • c. aanwijzen van een of meer personen die opdrachten kunnen verstrekken aan de doelonderneming of de verwerver respectievelijk van een of meer personen die het bestuur of de leiding vervangen van een doelonderneming die een vitale aanbieder is, de kennisgeving daarvan in de Staatscourant en de intrekking van een aanwijzing;
  • d. vervangen van een aangewezen persoon als bedoeld onder c;
  • e. opleggen van een last en het doen van de mededeling daarvan;
  • h. verrichten van werkzaamheden die noodzakelijk zijn ter uitvoering van de onderdelen a tot en met g, waaronder de beoordeling van een verwervingsactiviteit op risico’s voor de nationale veiligheid.
  • i. kunnen identificeren van personen op basis van gegevens verkregen bij of krachtens paragraaf 3.6 tot uitvoering van deze wet; en
3.

Onze Minister maakt voor de uitvoering van deze wet, naast gegevens die door de meldingsplichtige op grond van artikel 11 worden aangeleverd of waarnaar wordt verwezen, gebruik van gegevens die afkomstig zijn uit:

  • a. het handelsregister;
  • c. overige openbare registers bij de wet ingesteld; en
  • d. openbare informatie.
4.

De volgende bestuursorganen, diensten, toezichthouders of andere personen, verstrekken desgevraagd alle informatie aan Onze Minister die noodzakelijk is voor de uitvoering van deze wet:

  • a. Onze Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, voor zover het gegevens betreft die verwerkt worden in het kader van de Wet strategische diensten, het Besluit strategische goederen en verordening (EU) nr. 2021/821 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2021 tot instelling van een Unieregeling voor controle op de uitvoer, de tussenhandel, de technische bijstand, de doorvoer en de overbrenging van producten voor tweeërlei gebruik (PbEU 2021, L 206);
  • b. Onze Minister van Financiën, voor zover het gegevens betreft die verwerkt worden door de Belastingdienst;
  • c. Onze Minister van Justitie en Veiligheid, met inachtneming van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens, voor zover het justitiële gegevens in relatie tot de verwerver, of bestuurders, leidinggevenden of sleutelfunctionarissen binnen de verwerver betreft;
  • e. de veiligheidscommissie of beveiligingsfunctionaris, bedoeld in artikel 23, voor zover het gegevens betreft inzake inbreuken of dreigende inbreuken op beperkingen of verboden ten aanzien van toegang tot gevoelige informatie of bedrijfsprocessen;
  • f. bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen bestuursorganen, diensten, toezichthouders of andere personen.
5.

Onze Minister kan voor zover dit noodzakelijk is voor de uitvoering van deze wet, voorts de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties verzoeken mededeling als bedoeld in artikel 8, tweede lid, onderdeel f, van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017 te doen of de Minister van Defensie verzoeken mededeling als bedoeld in artikel 10, tweede lid, onderdeel g, van die wet te doen.

6.

Een notaris geeft van tot zijn protocol behorende verklaringen van erfrecht desgevraagd afschriften uit aan Onze Minister, voor zover dit noodzakelijk is voor de uitvoering van deze wet. Artikel 49b van de Wet op het notarisambt is van overeenkomstige toepassing.

7.

Voor zover de gegevens die de meldingsplichtige bij een melding heeft aangeleverd en de verzameling of verstrekking, bedoeld in het derde tot en met zesde lid, niet de benodigde gegevens heeft opgeleverd, verstrekken de meldingsplichtigen desgevraagd alle informatie aan Onze Minister die noodzakelijk is voor de uitvoering van deze wet.

8.

Onze Minister verzoekt ingeval van:

  • a. een beoordeling of op grond van artikel 17, tweede lid, een nieuwe melding gedaan moet worden slechts om informatie, indien er bij Onze Minister een op redelijke gronden gebaseerd vermoeden is ontstaan dat sprake kan zijn van de verstrekking van onjuiste of onvolledige informatie door de meldingsplichtige;
  • b. een beoordeling of er sprake is van feiten als bedoeld in artikel 27, eerste lid, slechts om informatie, indien er overeenstemming met de ministerraad, bedoeld in artikel 27, derde lid, is bereikt over het uitvoeren van die beoordeling.
9.

Ten behoeve van de naleving van de verplichting, bedoeld in het zesde lid, zijn de notaris en de onder zijn verantwoordelijkheid werkzame personen niet gehouden aan de geheimhoudingsplicht, bedoeld in artikel 22 van de Wet op het notarisambt.

10.

De gegevensverstrekking ingevolge het derde lid, onder c, en het vierde tot en met achtste lid, geschiedt kosteloos.

11.

Onze Minister is verwerkingsverantwoordelijke voor de verwerking van persoonsgegevens in het kader van deze wet.

12.

Onze Minister deelt gegevens die op grond van deze wet zijn verkregen met de Minister van Justitie en Veiligheid en, indien van toepassing, Onze Minister of Ministers die het mede aangaat als bedoeld in artikel 10, tweede lid, en andere Ministers als bedoeld in artikel 10, derde lid, voor zover dit noodzakelijk is voor de uitvoering van deze wet.

13.

Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld met betrekking tot de gegevens die op grond van het derde lid, onderdelen c en d, gebruikt worden.

14.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld met betrekking tot de informatie die op grond van het vierde lid verstrekt wordt en over de bewaartermijnen van de op grond van deze wet verkregen persoonsgegevens.

Artikel 35

1.

Indien bij Onze Minister, al dan niet na een melding op grond van deze wet, onduidelijkheid bestaat over de eigendomsstructuur en -verhoudingen binnen de verwerver, voor zover deze een onderneming is, of binnen de doelonderneming verstrekt de onderneming aan Onze Minister op verzoek om niet een uittreksel uit het door de onderneming gehouden register met betrekking tot een recht op een aandeel, als bedoeld in artikel 85 en 194 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.

2.

Het eerste lid is uitsluitend van toepassing op een verwerver, voor zover deze geen beursgenoteerde onderneming is, of de doelonderneming, voor zover deze geen beursgenoteerde doelonderneming is.

Hoofdstuk 6. Aanvullende voorschriften voor verwervingsactiviteit waarbij een beursgenoteerde (doel)onderneming betrokken is

§ 6.1. Algemeen

Artikel 36

Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

  • depot: rekening met een aandelenbelang of rekening waarin een aandelenbelang tot uitdrukking komt die beroepsmatig en anders dan als aandeelhouder wordt geadministreerd of aangehouden, waaronder een verzameldepot of een girodepot in de zin van de Wet giraal effectenverkeer, een depot van een instelling in het buitenland of een depot van een buitenlandse instelling met een functie vergelijkbaar met die van centraal instituut;
  • effecten met een aandelenkarakter:
  • 2°. verhandelbare aandelen die zijn uitgegeven door een rechtspersoon, opgericht naar het recht van een andere lidstaat als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht dan Nederland, die gelijk te stellen zijn met aandelen als bedoeld onder 1°;
  • 3°. certificaten van aandelen of andere met certificaten van aandelen gelijk te stellen verhandelbare waardebewijzen;
  • instelling in het buitenland: een instelling met zetel in het buitenland waaraan het op grond van het op die instelling van toepassing zijnde recht is toegestaan ten name van cliënten rekeningen in effecten te administreren of aan te houden;
  • partij in de bewaarketen: centraal instituut, rechtspersoon die als aangesloten instelling door een centraal instituut is toegelaten, beleggingsonderneming of bank in de zin van artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht waaraan het op grond van die wet is toegestaan beleggingsdiensten te verlenen respectievelijk het bedrijf van bank uit te oefenen, bewaarder of instelling in het buitenland of instelling buiten de Europese Economische Ruimte met een functie vergelijkbaar met die van centraal instituut;

§ 6.2. Meldplicht en openbaar bod

Artikel 37

1.

Indien de meldplicht op grond van artikel 11, eerste lid, betrekking heeft op een openbaar bod op een beursgenoteerde doelonderneming wordt de melding gelijktijdig gedaan met een aankondiging van het openbaar bod als bedoeld in artikel 5:70, eerste lid, van de Wet op het financieel toezicht of een aankondiging als bedoeld in artikel 5, eerste tot en met derde lid, van het Besluit openbare biedingen Wft.

2.

Een verplicht bod als bedoeld in artikel 5:70, eerste lid, van de Wet op het financieel toezicht wordt niet gestand gedaan overeenkomstig artikel 16 van het Besluit Openbare Biedingen Wft, voordat Onze Minister een mededeling heeft gedaan aan een meldingsplichtige dat geen toetsingsbesluit vereist is, een toetsingsbesluit is genomen of als een toetsingsbesluit is vastgesteld overeenkomstig artikel 25, derde lid, onderdeel a.

§ 6.3. Identiteitsonderzoek en -vaststelling

Artikel 38

1.

Indien bij Onze Minister, al dan niet na een melding op grond van deze wet, onduidelijkheid bestaat over de eigendomsstructuur en -verhoudingen binnen de verwerver, voor zover deze een beursgenoteerde onderneming is, of binnen de beursgenoteerde doelonderneming stelt de verwerver of doelonderneming, op verzoek van Onze Minister om niet een onderzoek in naar de identiteit van een houder van zeggenschap of significante invloed en de banden die deze heeft met derden.

2.

Indien de identiteit van de houder of houders van een aandelenbelang niet met zekerheid is vast te stellen, wordt geacht verwerver te zijn en de daaraan verbonden zeggenschap of significante invloed in een beursgenoteerde doelonderneming uit te oefenen, de natuurlijke persoon of rechtspersoon die op grond van het onderzoek, bedoeld in het eerste lid, of op een andere wijze, als laatste is geïdentificeerd als deelgenoot in een depot of als cliënt waarvoor een aandelenbelang wordt bewaard, geadministreerd of aangehouden. Het bepaalde in de eerste volzin betreft het volledige aandelenbelang dat de betreffende natuurlijke persoon of rechtspersoon houdt in de betrokken partij.

3.

Een partij in de bewaarketen verleent medewerking aan een beursgenoteerde doelonderneming bij het onderzoek, bedoeld in het eerste lid.

4.

De medewerking, bedoeld in het derde lid, wordt door een partij als bedoeld in het derde lid die een instelling in het buitenland met een zetel buiten de Europese Economische Ruimte is of die een instelling met een zetel buiten de Europese Economische Ruimte met een functie vergelijkbaar met die van centraal instituut is, uitsluitend verleend voor zover de wetgeving van dat land zich daartegen niet verzet.

5.

Indien, ondanks het onderzoek, bedoeld in het eerste lid, de identiteit van de houder of houders van een aandelenbelang niet met zekerheid is vast te stellen, wordt voor de toepassing van deze wet ingeval van een beursgenoteerde doelonderneming onder verwerver telkens verstaan de natuurlijke persoon of rechtspersoon die op grond van het tweede lid, geacht is verwerver te zijn. De toepassing van dit artikellid wordt actief kenbaar gemaakt bij de toepassing van de artikelen 12, 23, 24, 25, 30, 31 en 42 aan de alsdan vastgestelde verwerver.

Artikel 39

1.

Het onderzoek, bedoeld in artikel 38, eerste lid, omvat het inwinnen van informatie bij partijen in de bewaarketen.

2.

Op het onderzoek, bedoeld in eerste lid, zijn de artikelen 49a, 49b, eerste, tweede, vierde, vijfde lid, 49d en 49e van de Wet giraal effectenverkeer van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat:

3.

Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de wijze waarop het inwinnen van informatie, bedoeld in het eerste lid, op grond van artikel 49b, eerste lid, van de Wet giraal effectenverkeer gelezen in samenhang met het vorige lid, wordt gedaan en beantwoord.

Artikel 40

1.

Een beursgenoteerde onderneming stelt bij de uitvoering van een onderzoek als bedoeld in artikel 38, eerste lid, telkens de tot dusver als laatste geïdentificeerde natuurlijke persoon of rechtspersoon die niet de verwerver is er van op de hoogte dat hij wordt geacht verwerver te zijn als bedoeld in artikel 38, tweede lid, en welke gevolgen daarvan op grond van deze wet verbonden kunnen zijn.

2.

De tijdens het onderzoek, bedoeld in artikel 38, eerste lid, tot dusver als laatste geïdentificeerde natuurlijke persoon of rechtspersoon die een partij in de bewaarketen is en die aan de beursgenoteerde onderneming de identiteit niet kenbaar maakt van een deelgenoot in een door die partij gehouden depot of van een cliënt voor wie die partij de door de beursgenoteerde onderneming uitgegeven effecten met een aandelenkarakter bewaart, administreert of aanhoudt, geleidt een van de beursgenoteerde onderneming afkomstig schriftelijk bericht met een verzoek tot identiteitsvaststelling onverwijld door naar de deelgenoten of cliënten voor wie die partij direct of indirect een aandelenbelang houdt respectievelijk bewaart, administreert of aanhoudt.

3.

De informatie die in een door te geleiden bericht als bedoeld in het tweede lid wordt verzocht, is:

  • c. voor een client voor wie een instelling in het buitenland, en met inbegrip van een instelling buiten de Europese Economische Ruimte met een functie vergelijkbaar met die van centraal instituut, de door de beursgenoteerde onderneming uitgegeven effecten met een aandelenkarakter bewaart, administreert of aanhoudt, de informatie, bedoeld in artikel 49b, eerste lid, onderdeel c, van de Wet giraal effectenverkeer.
4.

Een door te geleiden bericht als bedoeld in het tweede lid, vermeldt:

  • a. de adresgegevens van de beursgenoteerde onderneming en het e-mailadres waaronder deze onderneming bereikbaar is;
  • b. dat het verzoek ertoe strekt degene voor wie het bericht beoogd is in de gelegenheid te stellen de in het bericht verzochte informatie onverwijld aan de beursgenoteerde onderneming te verstrekken;
  • c. de gevolgen die het niet onverwijld overgaan tot verstrekking van de verzochte informatie kan hebben voor door de ontvanger van het bericht direct of indirect gehouden, bewaarde, geadministreerde of aangehouden door de beursgenoteerde onderneming uitgegeven effecten met een aandelenkarakter;
  • d. dat ontvangen informatie uitsluitend wordt gebruikt ter uitvoering van deze wet en op de verkregen informatie de geheimhouding krachtens deze wet van toepassing is.
5.

De beursgenoteerde onderneming informeert de tot dusver als laatste geïdentificeerde natuurlijke persoon of rechtspersoon die tevens partij in een bewaarketen, bedoeld in het tweede lid, is, indien de hoedanigheid als laatste geïdentificeerde op een ander is overgegaan als resultaat van de informatie-uitwisseling op grond van het tweede tot en met vierde lid.

6.

Bij het beëindigen van het onderzoek, bedoeld in artikel 38, eerste lid, stelt de beursgenoteerde onderneming de als laatste geïdentificeerde natuurlijke persoon of rechtspersoon hiervan op de hoogte.

7.

De beursgenoteerde onderneming verstrekt krachtens dit artikel verkregen gegevens onverwijld aan Onze Minister en deelt aan de natuurlijke persoon of rechtspersoon, bedoeld in het tweede lid, die het bericht, bedoeld in het tweede lid, heeft doorgeleid of aan een door deze natuurlijke persoon of rechtspersoon aangewezen derde, mede dat de verzochte gegevens zijn verkregen.

Artikel 41

1.

Een beursgenoteerde onderneming:

  • a. is verplicht tot geheimhouding van de gegevens, bedoeld in artikel 40, derde lid, waarvan zij kennis neemt;
  • c. verwerkt de gegevens, bedoeld in artikel 40, derde lid, uitsluitend voor zover dit noodzakelijk is ter uitvoering van deze wet.
2.

Rechtspersonen hebben het recht om gegevens betreffende hun identiteit die door de beursgenoteerde onderneming verkregen zijn na doorgeleiding van een bericht als bedoeld in artikel 40, tweede lid, te corrigeren wanneer deze onvolledig of onjuist zijn gebleken.

3.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de wijze van verwerking van de gegevens, bedoeld in artikel 40, derde lid, en over de bewaartermijnen daarvan door de doelonderneming en door Onze Minister die deze gegevens ter uitvoering van deze wet heeft verkregen.

§ 6.4. Terugbrengen verboden zeggenschap of significante invloed

Artikel 42

1.

Indien een verwervingsactiviteit is uitgevoerd, terwijl er ten tijde van of na de uitvoering sprake is van een verbod op grond van artikel 25, tweede lid, onderdeel b, of artikel 25, derde lid, onderdeel a, en de afwikkeling van de verwervingsactiviteit heeft plaatsgevonden met gebruikmaking van een effectenafwikkelingssysteem, gelast Onze Minister de verwerver, binnen een door Onze Minister vast te stellen redelijke termijn de zeggenschap of significante invloed die met deze verwervingsactiviteit is verkregen terug te brengen of te beëindigen zodat niet meer wordt gehandeld in strijd met het opgelegde verbod.

2.

De verwerver of doelonderneming geeft uitvoering aan de last, opgelegd op grond van het eerste lid.

3.

De verwerver of doelonderneming stelt Onze Minister onverwijld op de hoogte van de wijze waarop aan de last is voldaan.

4.

Onze Minister doet mededeling aan de andere bij de verwervingsactiviteit betrokken meldingsplichtigen van een opgelegde last als bedoeld in het eerste lid. De beursgenoteerde doelonderneming informeert, indien van toepassing, de beheerder van een depot.

5.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de wijze waarop en de periode waarbinnen een last als bedoeld in eerste lid ten uitvoer wordt gelegd.

Artikel 43

1.

Indien na verloop van de termijn, bedoeld in artikel 42, eerste lid, de zeggenschap of significante invloed in een beursgenoteerde doelonderneming niet overeenkomstig de last, bedoeld in artikel 42, eerste lid, is teruggebracht:

  • a. is de beursgenoteerde doelonderneming bij uitsluiting onherroepelijk gemachtigd tot gehele vervreemding of tot terugbrenging namens en voor rekening van de verwerver van de zeggenschap of het aandelenbelang; en
  • b. is de beursgenoteerde doelonderneming verplicht een aandeel of zeggenschap te vervreemden of een aandelenbelang te vervreemden of terug te brengen namens en voor rekening van de verwerver.
2.

Indien de verwerver deelgenoot is in een depot dan wel cliënt is van een bewaarder, verstrekt de beursgenoteerde doelonderneming ter uitvoering van de verplichting, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, aan de houder van dat depot respectievelijk aan die bewaarder, de opdracht het aandelenbelang te vervreemden of terug te brengen namens en voor rekening van de verwerver.

3.

Indien een partij als houder van een depot of als bewaarder geen medewerking verleent aan de uitvoering van een opdracht tot vervreemding of terugbrenging van een tot de naar een doelonderneming te herleiden aandelenbelang, verstrekt de beursgenoteerde doelonderneming ter uitvoering van de verplichting, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, de opdracht tot het vervreemden of terugbrengen van het aandelenbelang aan de eerstvolgende:

  • a. depothouder die voor deze partij een aandelenbelang in een depot houdt dat te herleiden is tot de beursgenoteerde doelonderneming, of
  • b. bewaarder die voor deze partij een aandelenbelang bewaart, administreert of aanhoudt.

De toepassing van de vorige volzin wordt herhaald totdat aan de opdracht uitvoering is gegeven door een partij in de bewaarketen.

4.

Een houder van een depot of bewaarder waaraan een opdracht tot vervreemding of terugbrenging als bedoeld in het tweede of derde lid, is verstrekt, vermindert bij de uitvoering daarvan het tegoed in het desbetreffende depot met een hoeveelheid waarvoor de verwerver met zijn aandelenbelang direct of indirect deelgenoot is in dat depot. De vermindering vindt alleen plaats ten laste van de verwerver die direct of indirect deelgenoot is in het depot of cliënt is van een bewaarder en een eventuele opbrengst wordt verstrekt aan of komt ten bate van de verwerver.

5.

Degene tot wie een opdracht van een beursgenoteerde doelonderneming als bedoeld in het tweede of derde lid zich richt, verleent zoveel mogelijk medewerking aan de tenuitvoerlegging daarvan.

6.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over:

  • a. de termijn waarbinnen uitvoering wordt gegeven aan het eerste lid, en
  • b. de wijze waarop, voor zover van toepassing, opbrengst wordt verstrekt aan of ten bate komt van de verwerver.
7.

Op de uitvoering van een opdracht als bedoeld in het tweede of derde lid, zijn de artikelen 26, derde en vierde lid, en 45, derde en vierde lid, van de Wet giraal effectenverkeer niet van toepassing.

Artikel 44

1.

Indien ondanks een door de beursgenoteerde doelonderneming verstrekte opdracht als bedoeld in artikel 43, tweede en derde lid, geen enkele partij daaraan uitvoering geeft of kan geven, meldt de beursgenoteerde doelonderneming dit aan Onze Minister.

2.

Na een melding als bedoeld in het eerste lid te hebben gedaan, draagt Onze Minister de beursgenoteerde doelonderneming op om het aandelenbelang waarvoor de verwerver direct of indirect deelgenoot in een depot is dat door een centraal instituut of instelling wordt gehouden met uitsluiting van anderen te leveren aan de verwerver door de volgende handelingen te verrichten:

  • b. het aandelenbelang dat in dit aandeelhoudersregister geregistreerd staat op naam van een centraal instituut of instelling buiten de Europese Economische Ruimte met een functie vergelijkbaar met die van centraal instituut in dat register evenredig te verminderen met het aandelenbelang dat op naam van de verwerver is ingeschreven; en
  • c. een centraal instituut of instelling buiten de Europese Economische Ruimte met een functie vergelijkbaar met die van centraal instituut te verzoeken het door dat instituut of die instelling gehouden depot evenredig te verminderen met het tegoed dat overeenkomt met het aandelenbelang dat op naam van de verwerver is ingeschreven.
3.

Bij het verzoek, bedoeld in het tweede lid, onderdeel c, deelt de beursgenoteerde doelonderneming de identiteit van de verwerver mede en zover beschikbaar de gegevens van de eerstvolgende partij in de bewaarketen.

4.

Een centraal instituut of instelling buiten de Europese Unie met een functie vergelijkbaar met die van centraal instituut verleent medewerking aan de uitvoering van de door een beursgenoteerde doelonderneming gegeven opdracht tot levering, bedoeld in het tweede lid.

5.

Een partij in de bewaarketen die direct of indirect een aandelenbelang in een depot voor de verwerver houdt dan wel degene die een aandelenbelang bewaart, administreert of aanhoudt voor de verwerver als direct of indirect deelgenoot, vermindert het voor de verwerver in het depot aanwezige of bewaarde, geadministreerde of aangehouden aandelenbelang met de hoeveelheid aandelen die op naam van de verwerver is gesteld als bedoeld in het tweede lid.

6.

Het vijfde lid is niet van toepassing op de partij in de bewaarketen voor wie een wijziging in tenaamstelling als bedoeld in het tweede lid, heeft plaatsgevonden.

7.

De inschrijving en wijziging van tenaamstelling in het aandeelhoudersregister kan worden tegengeworpen aan een ieder die na de datum van opdracht tot tenaamstelling, bedoeld in het tweede lid, deelgenoot is geworden in een depot of voor wie na deze datum een aandelenbelang wordt bewaard, geadministreerd of aangehouden.

8.

Nadat de beursgenoteerde doelonderneming het aandelenregister heeft gewijzigd, bedoeld in het tweede lid, geeft de beursgenoteerde doelonderneming uitvoering aan de verplichting, bedoeld in artikel 43, eerste lid, en wordt een eventuele opbrengst verstrekt aan of komt een eventuele opbrengst ten bate van de verwerver.

9.

Op de uitvoering van een opdracht als bedoeld in het tweede lid, zijn de artikelen 26, derde en vierde lid en 45, derde en vierde lid, van de Wet giraal effectenverkeer niet van toepassing.

§ 6.5. Kennisgeving verwerver van schorsing uitoefening rechten

Artikel 45

1.

Een partij in de bewaarketen onthoudt zich van gedragingen waarvan hij weet of redelijkerwijs behoort te weten dat de verwerver of beursgenoteerde doelonderneming, daardoor in strijd met het bepaalde in artikel 30 kan handelen.

2.

In geval van een schorsing als bedoeld in artikel 30, verzoekt de beursgenoteerde doelonderneming een partij in de bewaarketen, een bericht door te geleiden aan de verwerver waarin het volgende wordt vermeld:

  • a. de adresgegevens van de beursgenoteerde doelonderneming en het e-mailadres waaronder deze onderneming bereikbaar is;
  • b. de mededeling dat de verwerver ingevolge het besluit van Onze Minister is geschorst in al zijn rechten met uitzondering van het recht op de opbrengsten van een onderneming, dividend en de ontvangst van uitkeringen uit de reserves van het recht op dividend en recht op uitkering uit de reserves;
  • c. de adresgegevens van Onze Minister.
3.

Een partij in de bewaarketen verleent medewerking aan een beursgenoteerde doelonderneming bij het gevolg geven aan het verzoek, bedoeld in het tweede lid.

4.

Indien de medewerking niet wordt verleend, meldt een beursgenoteerde doelonderneming dit aan Onze Minister.

5.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de wijze waarop aan de verplichting, bedoeld in artikel 31, gevolg wordt gegeven door de doelonderneming. Deze regels hebben in ieder geval betrekking op de wijze waarop:

  • a. deelname van de verwerver aan de algemene vergadering wordt verhinderd;
  • b. het verstrekken van relevante informatie aan de verwerver wordt beperkt zonder afbreuk te doen aan de informatieverplichtingen aan overige belanghebbenden;
  • c. het bestuur van de beursgenoteerde doelonderneming geen gevolg geeft aan de aanwijzingen of instructies van de verwerver voor zover deze statutair mogelijk zijn gemaakt; en
  • d. de beursgenoteerde doelonderneming andere maatregelen treft om toegang tot informatiesystemen en vestigingen van de doelonderneming en daarin aanwezige data en productiemiddelen door de verwerver te verhinderen.

Hoofdstuk 7. Toezicht en handhaving

Artikel 46

Met het toezicht op de naleving van deze wet zijn belast de bij besluit van Onze Minister aangewezen ambtenaren.

Artikel 47

1.

De op grond van artikel 46 aangewezen ambtenaren zijn in afwijking van artikel 5:15, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, bevoegd een woning zonder toestemming van de bewoner binnen te treden en te doorzoeken, voor zover:

  • b. het betreft:
  • 1.°. een woning van de verwerver, bestuurder, leidinggevende of sleutelfunctionaris van de verwerver of de doelonderneming; of
  • 2.°. een woning waarin de verwerver of doelonderneming gevestigd is.
2.

Zo nodig oefenen zij de bevoegdheid tot binnentreding en doorzoeken uit met behulp van de sterke arm.

Artikel 48

1.

Voor het binnentreden en doorzoeken, bedoeld in artikel 47, eerste lid, is een voorafgaande machtiging vereist van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken bij de rechtbank Rotterdam, waaraan een verzoek van een op grond van artikel 46 aangewezen ambtenaar ten grondslag ligt. De vereiste machtiging kan bij wijze van voorzorgsmaatregel worden gevraagd. De machtiging wordt zo mogelijk getoond.

2.

Artikel 171 van het Wetboek van Strafvordering is van overeenkomstige toepassing. De rechter-commissaris kan het openbaar ministerie horen alvorens te beslissen.

3.

Tegen de beslissing van de rechter-commissaris staat voor zover het verzoek om een machtiging niet is toegewezen, voor de op grond van artikel 46 aangewezen ambtenaren binnen veertien dagen beroep open bij de rechtbank Rotterdam.

4.

Het binnentreden en doorzoeken vindt plaats onder toezicht van de rechter-commissaris.

5.

De rechter-commissaris die de machtiging heeft gegeven, kan degene die bevoegd is binnen te treden en tot doorzoeking gemachtigd is, vergezellen.

6.

Dit artikel geldt in afwijking van de artikelen 2, 3 en 8 van de Algemene wet op het binnentreden.

Artikel 49

1.

Een machtiging als bedoeld in artikel 48, eerste lid, is met redenen omkleed en ondertekend en vermeldt:

  • a. de naam van de rechter-commissaris die de machtiging heeft gegeven;
  • b. de naam of het nummer en de hoedanigheid van degene aan wie de machtiging is gegeven;
  • c. de wettelijke bepaling waarop de doorzoeking berust en het doel waartoe wordt doorzocht;
  • d. de dagtekening.
2.

Indien het doorzoeken dermate spoedeisend is dat de machtiging niet tevoren op schrift kan worden gesteld, zorgt de rechter-commissaris zo spoedig mogelijk voor de opschriftstelling.

3.

De machtiging blijft ten hoogste van kracht tot en met de derde dag na die waarop zij is gegeven.

4.

Dit artikel geldt in afwijking van artikel 6 van de Algemene wet op het binnentreden.

Artikel 50

1.

De ambtenaar die een doorzoeking als bedoeld in artikel 47, eerste lid, heeft verricht, maakt op zijn ambtseed of -belofte een schriftelijk verslag op omtrent de doorzoeking.

2.

In het verslag vermeldt hij:

  • a. zijn naam of nummer en zijn hoedanigheid;
  • b. de dagtekening van de machtiging en de naam van de rechter-commissaris die de machtiging heeft gegeven;
  • c. de wettelijke bepaling waarop de doorzoeking berust;
  • d. de plaats waar is doorzocht en de naam van degene bij wie de doorzoeking is verricht;
  • e. het tijdstip waarop de doorzoeking is begonnen en is beëindigd;
  • f. hetgeen tijdens het doorzoeken is verricht en overigens is voorgevallen;
  • g. de namen of nummers en de hoedanigheid van de overige personen die aan de doorzoeking hebben deelgenomen.
3.

Het verslag wordt uiterlijk op de vierde dag na die waarop de doorzoeking is beëindigd, toegezonden aan de rechter-commissaris die de machtiging heeft gegeven.

4.

Een afschrift van het verslag wordt uiterlijk op de vierde dag na die waarop de doorzoeking is beëindigd, aan degene bij wie de doorzoeking is verricht, uitgereikt of toegezonden. Indien het doel waartoe is doorzocht daartoe noodzaakt, kan deze uitreiking of toezending worden uitgesteld. Uitreiking of toezending geschiedt in dat geval, zodra het belang van dit doel het toestaat. Indien het niet mogelijk is het afschrift uit te reiken of toe te zenden, houdt de rechter-commissaris of de ambtenaar die de doorzoeking heeft verricht, het afschrift gedurende zes maanden beschikbaar voor degene bij wie de doorzoeking is verricht.

Artikel 51

  • a. een last onder bestuursdwang opleggen; en
  • b. een bestuurlijke boete opleggen.
2.
3.

De bestuurlijke boete, bedoeld in het eerste en tweede lid, bedraagt ten hoogste een geldboete van het bedrag van de zesde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht of, indien de zesde categorie geen passende bestraffing toelaat, ten hoogste 10% van de omzet van de desbetreffende onderneming.

4.

Onze Minister kan in het geval van een overtreding van de artikelen 38, derde lid, 40, tweede lid, 43, vierde lid, 44, vierde lid en vijfde lid, 45, eerste lid en 45, derde lid, de overtreder een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste 10% van de omzet van de groep waarvan de desbetreffende partij in de bewaarketen, deel uitmaakt.

Hoofdstuk 8. Wijziging van andere wetten

Artikel 52

Wijzigt de Algemene wet bestuursrecht.

Artikel 53

Wijzigt deze wet.

Artikel 54

Wijzigt de Handelsregisterwet 2007.

Artikel 55

Wijzigt de Telecommunicatiewet.

Artikel 56

Wijzigt de Uitvoeringswet screeningsverordening buitenlandse directe investeringen.

Artikel 57

Wijzigt de Wet op de economische delicten.

Hoofdstuk 9. Slotbepalingen

Artikel 58

1.

Indien bij Onze Minister een op redelijke gronden gebaseerd vermoeden is ontstaan dat een verwervingsactiviteit die heeft plaatsgevonden voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze wet, maar na 8 september 2020, een risico voor de nationale veiligheid zou kunnen opleveren, kan Onze Minister de betrokkenen bij de verwervingsactiviteit binnen acht maanden na de inwerkingtreding van deze wet gelasten alsnog een melding te doen, waarna Onze Minister de verwervingsactiviteit kan beoordelen op risico’s voor de nationale veiligheid en op basis van deze beoordeling een mededeling als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdeel a, kan doen of een ambtshalve toetsingsbesluit kan nemen.

2.

De betrokkenen geven uitvoering aan de last, opgelegd op grond van het eerste lid, tot het doen van melding, waarop artikel 11, tweede tot en met vijfde lid, eerste volzin, van overeenkomstige toepassing is.

3.

Op het nemen van een ambtshalve toetsingsbesluit is artikel 16, derde lid, en artikel 18, eerste en derde lid, van overeenkomstige toepassing.

4.

Het eerste lid is niet van toepassing op een verwervingsactiviteit die betrekking heeft op een doelonderneming:

  • a. die actief is op het gebied van sensitieve technologie, die is aangewezen op grond van artikel 8, derde lid;
  • b. die dat is door zeggenschap of significante invloed uit te oefenen op een doelonderneming als bedoeld in onderdeel a; of
  • c. zijnde een beheerder van een bedrijfscampus.

Artikel 59

Onze Minister zendt vijf jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk.

Artikel 60

Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.

Artikel 61

Deze wet wordt aangehaald als: Wet veiligheidstoets investeringen, fusies en overnames.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)