Procedure en werkwijze van het Instituut Mijnbouwschade Groningen van 14 april 2022 tot de afhandeling van schade die is ontstaan door beweging van de bodem als gevolg van de aanleg of exploitatie van een mijnbouwwerk ten behoeve van het winnen van gas uit het Groningenveld of als gevolg van de gasopslag Norg (Procedure en werkwijze van het Instituut Mijnbouwschade Groningen 2022)
Voor de gestandaardiseerde methode komen natuurlijke personen in aanmerking die op de dag van ontvangst van de aanvraag meerderjarig zijn en die in de periode vanaf 16 augustus 2012 tot de dag van ontvangst van de aanvraag op enig moment woonachtig zijn geweest in het effectgebied waar het bewijsvermoeden van toepassing is (geweest), of ten aanzien van wier woning(en) gelegen binnen dat effectgebied ten tijde van de bewoning een vergoeding is toegekend vanwege fysieke schade die het gevolg is van bodembeweging als gevolg van de aanleg of exploitatie van een mijnbouwwerk ten behoeve van het winnen van gas uit het Groningenveld of als gevolg van de gasopslag Norg of de gasopslag bij Grijpskerk.
Het Instituut beziet de volgende feiten en omstandigheden met betrekking tot de adressen waarop de aanvrager blijkens de Basisregistratie Personen (BRP) woonachtig is geweest in de periode vanaf 16 augustus 2012 tot het moment van het doen van de aanvraag, om de nadelige gevolgen van bodembeweging door mijnbouwactiviteiten op de aanvrager in te schatten:
- a. de locatie van de woning(en) van de aanvrager;
- b. de veiligheidssituatie ten aanzien van de woning(en) van de aanvrager;
- c. de omvang van de fysieke schade aan woning(en) van de aanvrager, tot uitdrukking komend in de hoogte van de daarvoor toegekende schadevergoeding;
- d. de duur van de procedure(s) tot afhandeling van de aanvraag tot vergoeding van de fysieke schade aan de woning(en) van de aanvrager.
De feiten en omstandigheden genoemd in het tweede lid kunnen een aanwijzing vormen voor het bestaan van een persoonsaantasting. Aan de hand van de combinatie en het gewicht van deze aanwijzingen bepaalt het Instituut of het een persoonsaantasting aannemelijk acht en, zo ja, welke mate van persoonsaantasting aannemelijk is en welke schadevergoeding daarvoor moet worden toegekend.
Artikel 4.3. De locatie van de woning(en)
Voor wat betreft de locatie van de woning(en) van de aanvrager maakt het Instituut onderscheid tussen de volgende situaties en de daarbij behorende aanwijzing voor een persoonsaantasting:
| Gebied | Aanwijzing persoonsaantasting | Aanwijzing persoonsaantasting |
|---|---|---|
| Het effectgebied als bedoeld in artikel 4.2, niet zijnde een van de hierna bedoelde gebieden. | 0 | Geen aanwijzing |
| Het gebied waarbinnen op grond van de adviezen van de Adviescommissie waardedaling woningen aardbevingsgebied Groningen in de periode vanaf 16 augustus 2012 tot de in artikel 3.3 bedoelde peildatum op enig moment tot 10% waardedaling is opgetreden. | 1 | Lichte aanwijzing |
| Het gebied waar ingevolge de adviezen van de Adviescommissie waardedaling woningen aardbevingsgebied Groningen in de periode vanaf 16 augustus 2012 tot de in artikel 3.3 bedoelde peildatum op enig moment minimaal 10% waardedaling is opgetreden. | 2 | Aanwijzing |
Indien de aanvrager in de periode vanaf 16 augustus 2012 tot het moment van het doen van de aanvraag op verschillende adressen woonachtig is geweest, is de locatie die de sterkste aanwijzing voor een persoonsaantasting vormt bepalend.
Artikel 4.4. De veiligheidssituatie van de woning(en)
Voor wat betreft de veiligheidssituatie van de woning(en) van de aanvrager onderscheidt het Instituut de volgende vijf situaties en de daarbij behorende aanwijzing voor een persoonsaantasting:
| Situatie | Aanwijzing persoonsaantasting | Aanwijzing persoonsaantasting |
|---|---|---|
| Geen sprake van een objectieve indicator voor onveiligheid in de periode dat de aanvrager op dit adres c.q. deze adressen woonachtig was. | 0 | Geen aanwijzing |
| De woning(en) van de aanvrager maakt naar weten van de aanvrager onderdeel uit of heeft onderdeel uitgemaakt van de versterkingsoperatie van de Nationaal Coördinator Groningen in de periode dat de aanvrager op dit adres c.q. deze adressen woonachtig was. | 1 | Lichte aanwijzing |
| Ten aanzien van de woning(en) van de aanvrager is door het bevoegd gezag een noodzaak tot het treffen van versterkingsmaatregelen vastgesteld in de periode dat de aanvrager op dit adres c.q. deze adressen woonachtig was. | 2 | Aanwijzing |
| Ten aanzien van de woning(en) van de aanvrager is door het bevoegd gezag een acuut onveilige situatie door mijnbouwschade vastgesteld in de periode dat de aanvrager op dit adres c.q. deze adressen woonachtig was. | 3 | Sterke aanwijzing |
| De woning(en) van de aanvrager konden naar het oordeel van het bevoegd gezag tijdelijk niet meer bewoond worden of zijn door het bevoegd gezag onbewoonbaar verklaard in de periode dat de aanvrager op dit adres c.q. deze adressen woonachtig was, als gevolg van een door het bevoegd gezag vastgestelde acuut onveilige situatie door mijnbouwschade dan wel als gevolg van de noodzaak tot het treffen van versterkingsmaatregelen. | 4 | Zeer sterke aanwijzing |
Indien de aanvrager in de periode vanaf 16 augustus 2012 tot het moment van het doen van de aanvraag op verschillende adressen woonachtig is geweest, is de omstandigheid die de sterkste aanwijzing voor een persoonsaantasting vormt bepalend.
Artikel 4.5. De omvang van de fysieke schade aan de woning(en)
Voor wat betreft de omvang van de fysieke schade aan de woning(en) betrekt het Instituut de som van alle uitgekeerde vergoedingen voor fysieke schade op de adressen waarop de aanvrager op enig moment gedurende de procedure tot afhandeling van die fysieke schade woonachtig was. Daarbij onderscheidt het Instituut de volgende vijf situaties en de daarbij behorende aanwijzing voor een persoonsaantasting:
| Som vergoedingen fysieke schade | Aanwijzing persoonsaantasting | Aanwijzing persoonsaantasting |
|---|---|---|
| € 0 tot € 1.000 | 0 | Geen aanwijzing |
| € 1.000 tot € 10.001 | 1 | Lichte aanwijzing |
| € 10.001 tot € 25.000 | 2 | Aanwijzing |
| € 25.000 tot € 45.000 | 3 | Sterke aanwijzing |
| € 45.000 of meer | 4 | Zeer sterke aanwijzing |
Indien de aanvrager geen eigenaar was van de woning op het adres waarop de procedure tot afhandeling van fysieke schade als bedoeld in het eerste lid betrekking heeft, wordt de vergoeding voor fysieke schade voor 50% betrokken in de som van uitgekeerde vergoedingen voor fysieke schade.
Voor de toepassing van dit artikel wordt met de eigenaar als bedoeld in het tweede lid gelijkgesteld de duurzaam samenlevende partner van de eigenaar.
Artikel 4.6. De duur van de procedure(s) tot afhandeling van de fysieke schade aan de woning(en)
Voor wat betreft de duur van de procedure(s) tot afhandeling van de fysieke schade betrekt het Instituut de som van de afhandelingsduur van alle procedures tot afhandeling van fysieke schade aan de woning(en) op de adressen waarop de aanvrager op het moment van die afhandeling woonachtig was en ten aanzien waarvan de aanvrager eigenaar was. Daarbij onderscheidt het Instituut de volgende vijf situaties en de daarbij behorende aanwijzing voor een persoonsaantasting:
| Som afhandelingsduur | Aanwijzing persoonsaantasting | Aanwijzing persoonsaantasting |
|---|---|---|
| 0 tot 2 jaar | 0 | Geen aanwijzing |
| 2 tot 4 jaar | 1 | Lichte aanwijzing |
| 4 tot 6 jaar | 2 | Aanwijzing |
| 6 tot 8 jaar | 3 | Sterke aanwijzing |
| 8 jaar of meer | 4 | Zeer sterke aanwijzing |
Voor zover de afhandeling van de fysieke schade is uitgevoerd door de NAM of het CVW, wordt de afhandelingsduur bepaald aan de hand van het tijdsverloop tussen de schademelding en de uitbetaling van de schadevergoeding.
Voor zover de afhandeling van de fysieke schade is uitgevoerd door de TCMG of het IMG, wordt de afhandelingsduur bepaald aan de hand van het tijdsverloop tussen de datum van de aanvraag tot schadevergoeding en de datum waarop het besluit op de aanvraag is genomen. In geval van bezwaar- en (hoger) beroepsprocedures die gegrond zijn bevonden, worden de termijnen waarbinnen de afhandeling heeft plaatsgevonden bij elkaar opgeteld om de totale afhandelingsduur van de schademelding te bepalen.
Bij het bepalen van de som van de afhandelingsduur als bedoeld in het eerste lid, kan het Instituut rekening houden met de termijn waarbinnen de afhandeling van de procedure(s) op verzoek van de aanvrager is opgeschort of anderszins te wijten is aan omstandigheden die redelijkerwijs voor rekening van de aanvrager dienen te worden gelaten.
Voor de toepassing van dit artikel wordt met de eigenaar als bedoeld in het eerste lid gelijkgesteld de duurzaam samenlevende partner van de eigenaar.
Artikel 4.7. Weging en vaste bedragen
Aan de hand van het cumulatieve gewicht van de individuele aanwijzingen voor een persoonsaantasting zoals bedoeld in de artikelen 4.3 tot en met 4.6, af te leiden uit het getal dat de intensiteit van de aanwijzing voor de persoonsaantasting aanduidt, acht het Instituut de volgende (mate van) persoonsaantasting aannemelijk:
| Cumulatieve gewicht aanwijzingen | Persoonsaantasting | Persoonsaantasting | Vergoeding |
|---|---|---|---|
| 0 t/m 3 | A | Geen persoonsaantasting | - |
| 4 t/m 6 | B | Persoonsaantasting | € 1.500 |
| 7 t/m 9 | C | Ernstige persoonsaantasting | € 3.000 |
| 10 t/m 14 | D | Bijzonder ernstige persoonsaantasting | € 5.000 |
Behoudens het bepaalde in artikel 4.8, kent het Instituut aan de aanvrager, afhankelijk van het bestaan en de mate van persoonsaantasting, de in het eerste lid opgenomen tabel genoemde schadevergoeding toe.
Het Instituut kent, in afwijking van het tweede lid, aan de aanvrager een vergoeding van € 5.000 toe, indien het Instituut een aanwijzing (2) of een zeer sterke aanwijzing (4), als bedoeld in artikel 4.4, eerste lid, heeft aangenomen.
Indien op grond van artikel 4.1a, tweede lid, of het tweede of derde lid van dit artikel of artikel 4.8, aan een lid van het huishouden van de aanvrager een hogere vergoeding voor immateriële schade is toegekend dan waarvoor de aanvrager in aanmerking komt of zou komen op grond van artikel 4.1a, tweede lid, het tweede of derde lid van dit artikel, of artikel 4.8, wordt aan die aanvrager krachtens dit lid eveneens die hogere vergoeding toegekend.
In afwijking van het vierde lid, wordt de aan de aanvrager toe te kennen vergoeding niet gelijk getrokken met de in het vierde lid eerstgenoemde hogere vergoeding, indien:
- a. geen aanwijzing voor een persoonsaantasting voor de aanvrager of het andere lid van het huishouden is aangenomen voor de veiligheidssituatie van de woning, als bedoeld in artikel 4.4, eerste lid, of in verband met de omvang van de fysieke schade van de woning als bedoeld in artikel 4.5, eerste lid, of
- b. op grond van artikel 4.1a, tweede lid, een vergoeding is of wordt toegekend en het gelet op de omstandigheden van het geval naar het oordeel van het Instituut niet redelijk is de vergoeding gelijk te trekken.
Voor de toepassing van dit artikel wordt onder een lid van het huishouden verstaan de meerderjarige natuurlijke persoon die een besluit op de aanvraag tot vergoeding van immateriële schade van het Instituut heeft ontvangen en met wie de aanvrager minimaal zes maanden heeft samengewoond op een in artikel 4.2, tweede lid, bedoeld adres.
Artikel 4.8. Persoonlijke impact analyse
De aanvrager kan de hiervoor beschreven feiten en omstandigheden aanvullen door middel van een door het Instituut vastgestelde en gevalideerde vragenlijst waarmee de persoonlijke impact van bodembeweging door mijnbouwactiviteiten op de persoon van de aanvrager kan worden ingeschat.
Bij deze inschatting betrekt het Instituut de volgende elementen:
- 1). persoonlijk welbevinden,
- 2). invloed op het dagelijks functioneren (gedrag) en
- 3). invloed op sociale relaties. Om de mate van leedervaring te bepalen wordt voor elk van deze elementen de ervaring van de aanvrager vergeleken met een representatieve referentiegroep.
Het Instituut schat de persoonlijke impact van bodembeweging door mijnbouwactiviteiten op de persoon van de aanvrager op basis van het cumulatieve gewicht van de drie elementen in op een van de volgende profielen:
Profiel 1 = tot licht ervaren leed
Profiel 2 = enigszins ernstig ervaren leed
Profiel 3 = ernstig ervaren leed
Profiel 4 = bijzonder ernstig ervaren leed
Indien de aanvrager de persoonlijke impact analyse, bedoeld in het eerste lid, heeft ingevuld, acht het Instituut aan de hand van het cumulatieve gewicht van de aanwijzingen voor een persoonsaantasting in combinatie met het profiel vanuit de persoonlijke impact analyse, als volgt het bestaan en de mate van persoonsaantasting aannemelijk:
| Cumulatieve gewicht aanwijzingen | Profiel persoonlijke impact analyse | Persoonsaantasting | Persoonsaantasting | Vergoeding |
|---|---|---|---|---|
| 0 t/m 2 | 1, 2, 3 of 4 | A | Geen persoonsaantasting | - |
| 3 | 1 | A | Geen persoonsaantasting | - |
| 3 | 2, 3 of 4 | B | Persoonsaantasting | € 1.500 |
| 4 | 1, 2, 3 of 4 | B | Persoonsaantasting | € 1.500 |
| 5 t/m 6 | 1 of 2 | B | Persoonsaantasting | € 1.500 |
| 5 t/m 6 | 3 of 4 | C | Ernstige persoonsaantasting | € 3.000 |
| 7 | 1, 2, 3 of 4 | C | Ernstige persoonsaantasting | € 3.000 |
| 8 t/m 9 | 1, 2 of 3 | C | Ernstige persoonsaantasting | € 3.000 |
| 8 t/m 9 | 4 | D | Bijzonder ernstige persoonsaantasting | € 5.000 |
| 10 t/m 14 | 1, 2, 3 of 4 | D | Bijzonder ernstige persoonsaantasting | € 5.000 |
Het Instituut kent aan de aanvrager, afhankelijk van het bestaan en de mate van persoonsaantasting, de in het vierde lid opgenomen tabel genoemde schadevergoeding toe.
Paragraaf 4.3. Immateriële schade van minderjarige natuurlijke personen
Hoofdstuk 5. Acuut onveilige situatie
Hoofdstuk 6. Bezwaar
Hoofdstuk 7. Slot
Deze werkwijze wordt met de toelichting in de Staatscourant geplaatst.
Paragraaf 3.1. Waardedaling van woningen
Paragraaf 2c.2. Herstel aannemer Instituut
Hoofdstuk 4. Immateriële schade
Deze werkwijze wordt met de toelichting in de Staatscourant geplaatst.
Paragraaf 2c.1. Algemeen
Paragraaf 3.2. Waardedaling niet-woningen
Hoofdstuk 3. Schade bestaande uit waardedaling
Hoofdstuk 4. Immateriële schade
Deze werkwijze wordt met de toelichting in de Staatscourant geplaatst.
Paragraaf 3.2. Waardedaling niet-woningen
Artikel 4.1. Immateriële schade
Dit hoofdstuk is uitsluitend van toepassing op aanvragen tot vergoeding van immateriële schade als bedoeld in artikel 6:106 Burgerlijk Wetboek.
Een aanvraag tot vergoeding van immateriële schade ten behoeve van een natuurlijk persoon die op de dag van ontvangst van de aanvraag meerderjarig is, wordt behandeld met toepassing van het bepaalde in de artikelen 4.1a tot en met 4.8.
Een aanvraag tot vergoeding van immateriële schade ten behoeve van een natuurlijk persoon die op de dag van ontvangst van de aanvraag minderjarig is, als bedoeld in artikel 1:233 Burgerlijk Wetboek, wordt behandeld met toepassing van het bepaalde in de artikelen 4.9 tot en met 4.11.
Paragraaf 3.2. Waardedaling niet-woningen
Artikel 4.2. Gestandaardiseerde methode
Voor de gestandaardiseerde methode komen natuurlijke personen in aanmerking die op de dag van ontvangst van de aanvraag meerderjarig zijn en die in de periode vanaf 16 augustus 2012 tot de dag van ontvangst van de aanvraag op enig moment woonachtig zijn geweest in het effectgebied waar het bewijsvermoeden van toepassing is (geweest), of ten aanzien van wier woning(en) gelegen binnen dat effectgebied ten tijde van de bewoning een vergoeding is toegekend vanwege fysieke schade die het gevolg is van bodembeweging als gevolg van de aanleg of exploitatie van een mijnbouwwerk ten behoeve van het winnen van gas uit het Groningenveld of als gevolg van de gasopslag Norg of de gasopslag bij Grijpskerk.
Het Instituut beziet de volgende feiten en omstandigheden met betrekking tot de adressen waarop de aanvrager blijkens de Basisregistratie Personen (BRP) woonachtig is geweest in de periode vanaf 16 augustus 2012 tot het moment van het doen van de aanvraag, om de nadelige gevolgen van bodembeweging door mijnbouwactiviteiten op de aanvrager in te schatten:
- a. de locatie van de woning(en) van de aanvrager;
- b. de veiligheidssituatie ten aanzien van de woning(en) van de aanvrager;
- c. de omvang van de fysieke schade aan woning(en) van de aanvrager, tot uitdrukking komend in de hoogte van de daarvoor toegekende schadevergoeding;
- d. de duur van de procedure(s) tot afhandeling van de aanvraag tot vergoeding van de fysieke schade aan de woning(en) van de aanvrager.
De feiten en omstandigheden genoemd in het tweede lid kunnen een aanwijzing vormen voor het bestaan van een persoonsaantasting. Aan de hand van de combinatie en het gewicht van deze aanwijzingen bepaalt het Instituut of het een persoonsaantasting aannemelijk acht en, zo ja, welke mate van persoonsaantasting aannemelijk is en welke schadevergoeding daarvoor moet worden toegekend.
Artikel 4.3. De locatie van de woning(en)
Voor wat betreft de locatie van de woning(en) van de aanvrager maakt het Instituut onderscheid tussen de volgende situaties en de daarbij behorende aanwijzing voor een persoonsaantasting:
| Gebied | Aanwijzing persoonsaantasting | Aanwijzing persoonsaantasting |
|---|---|---|
| Het effectgebied als bedoeld in artikel 4.2, niet zijnde een van de hierna bedoelde gebieden. | 0 | Geen aanwijzing |
| Het gebied waarbinnen op grond van de adviezen van de Adviescommissie waardedaling woningen aardbevingsgebied Groningen in de periode vanaf 16 augustus 2012 tot de in artikel 3.3 bedoelde peildatum op enig moment tot 10% waardedaling is opgetreden. | 1 | Lichte aanwijzing |
| Het gebied waar ingevolge de adviezen van de Adviescommissie waardedaling woningen aardbevingsgebied Groningen in de periode vanaf 16 augustus 2012 tot de in artikel 3.3 bedoelde peildatum op enig moment minimaal 10% waardedaling is opgetreden. | 2 | Aanwijzing |
Indien de aanvrager in de periode vanaf 16 augustus 2012 tot het moment van het doen van de aanvraag op verschillende adressen woonachtig is geweest, is de locatie die de sterkste aanwijzing voor een persoonsaantasting vormt bepalend.
Artikel 4.4. De veiligheidssituatie van de woning(en)
Voor wat betreft de veiligheidssituatie van de woning(en) van de aanvrager onderscheidt het Instituut de volgende vijf situaties en de daarbij behorende aanwijzing voor een persoonsaantasting:
| Situatie | Aanwijzing persoonsaantasting | Aanwijzing persoonsaantasting |
|---|---|---|
| Geen sprake van een objectieve indicator voor onveiligheid in de periode dat de aanvrager op dit adres c.q. deze adressen woonachtig was. | 0 | Geen aanwijzing |
| De woning(en) van de aanvrager maakt naar weten van de aanvrager onderdeel uit of heeft onderdeel uitgemaakt van de versterkingsoperatie van de Nationaal Coördinator Groningen in de periode dat de aanvrager op dit adres c.q. deze adressen woonachtig was. | 1 | Lichte aanwijzing |
| Ten aanzien van de woning(en) van de aanvrager is door het bevoegd gezag een noodzaak tot het treffen van versterkingsmaatregelen vastgesteld in de periode dat de aanvrager op dit adres c.q. deze adressen woonachtig was. | 2 | Aanwijzing |
| Ten aanzien van de woning(en) van de aanvrager is door het bevoegd gezag een acuut onveilige situatie door mijnbouwschade vastgesteld in de periode dat de aanvrager op dit adres c.q. deze adressen woonachtig was. | 3 | Sterke aanwijzing |
| De woning(en) van de aanvrager konden naar het oordeel van het bevoegd gezag tijdelijk niet meer bewoond worden of zijn door het bevoegd gezag onbewoonbaar verklaard in de periode dat de aanvrager op dit adres c.q. deze adressen woonachtig was, als gevolg van een door het bevoegd gezag vastgestelde acuut onveilige situatie door mijnbouwschade dan wel als gevolg van de noodzaak tot het treffen van versterkingsmaatregelen. | 4 | Zeer sterke aanwijzing |
Indien de aanvrager in de periode vanaf 16 augustus 2012 tot het moment van het doen van de aanvraag op verschillende adressen woonachtig is geweest, is de omstandigheid die de sterkste aanwijzing voor een persoonsaantasting vormt bepalend.
Artikel 4.5. De omvang van de fysieke schade aan de woning(en)
Voor wat betreft de omvang van de fysieke schade aan de woning(en) betrekt het Instituut de som van alle uitgekeerde vergoedingen voor fysieke schade op de adressen waarop de aanvrager op enig moment gedurende de procedure tot afhandeling van die fysieke schade woonachtig was. Daarbij onderscheidt het Instituut de volgende vijf situaties en de daarbij behorende aanwijzing voor een persoonsaantasting:
| Som vergoedingen fysieke schade | Aanwijzing persoonsaantasting | Aanwijzing persoonsaantasting |
|---|---|---|
| € 0 tot € 1.000 | 0 | Geen aanwijzing |
| € 1.000 tot € 10.001 | 1 | Lichte aanwijzing |
| € 10.001 tot € 25.000 | 2 | Aanwijzing |
| € 25.000 tot € 45.000 | 3 | Sterke aanwijzing |
| € 45.000 of meer | 4 | Zeer sterke aanwijzing |
Indien de aanvrager geen eigenaar was van de woning op het adres waarop de procedure tot afhandeling van fysieke schade als bedoeld in het eerste lid betrekking heeft, wordt de vergoeding voor fysieke schade voor 50% betrokken in de som van uitgekeerde vergoedingen voor fysieke schade.
Voor de toepassing van dit artikel wordt met de eigenaar als bedoeld in het tweede lid gelijkgesteld de duurzaam samenlevende partner van de eigenaar.
Artikel 4.6. De duur van de procedure(s) tot afhandeling van de fysieke schade aan de woning(en)
Voor wat betreft de duur van de procedure(s) tot afhandeling van de fysieke schade betrekt het Instituut de som van de afhandelingsduur van alle procedures tot afhandeling van fysieke schade aan de woning(en) op de adressen waarop de aanvrager op het moment van die afhandeling woonachtig was en ten aanzien waarvan de aanvrager eigenaar was. Daarbij onderscheidt het Instituut de volgende vijf situaties en de daarbij behorende aanwijzing voor een persoonsaantasting:
| Som afhandelingsduur | Aanwijzing persoonsaantasting | Aanwijzing persoonsaantasting |
|---|---|---|
| 0 tot 2 jaar | 0 | Geen aanwijzing |
| 2 tot 4 jaar | 1 | Lichte aanwijzing |
| 4 tot 6 jaar | 2 | Aanwijzing |
| 6 tot 8 jaar | 3 | Sterke aanwijzing |
| 8 jaar of meer | 4 | Zeer sterke aanwijzing |
Voor zover de afhandeling van de fysieke schade is uitgevoerd door de NAM of het CVW, wordt de afhandelingsduur bepaald aan de hand van het tijdsverloop tussen de schademelding en de uitbetaling van de schadevergoeding.
Voor zover de afhandeling van de fysieke schade is uitgevoerd door de TCMG of het IMG, wordt de afhandelingsduur bepaald aan de hand van het tijdsverloop tussen de datum van de aanvraag tot schadevergoeding en de datum waarop het besluit op de aanvraag is genomen. In geval van bezwaar- en (hoger) beroepsprocedures die gegrond zijn bevonden, worden de termijnen waarbinnen de afhandeling heeft plaatsgevonden bij elkaar opgeteld om de totale afhandelingsduur van de schademelding te bepalen.
Bij het bepalen van de som van de afhandelingsduur als bedoeld in het eerste lid, kan het Instituut rekening houden met de termijn waarbinnen de afhandeling van de procedure(s) op verzoek van de aanvrager is opgeschort of anderszins te wijten is aan omstandigheden die redelijkerwijs voor rekening van de aanvrager dienen te worden gelaten.
Voor de toepassing van dit artikel wordt met de eigenaar als bedoeld in het eerste lid gelijkgesteld de duurzaam samenlevende partner van de eigenaar.
Artikel 4.7. Weging en vaste bedragen
Aan de hand van het cumulatieve gewicht van de individuele aanwijzingen voor een persoonsaantasting zoals bedoeld in de artikelen 4.3 tot en met 4.6, af te leiden uit het getal dat de intensiteit van de aanwijzing voor de persoonsaantasting aanduidt, acht het Instituut de volgende (mate van) persoonsaantasting aannemelijk:
| Cumulatieve gewicht aanwijzingen | Persoonsaantasting | Persoonsaantasting | Vergoeding |
|---|---|---|---|
| 0 t/m 3 | A | Geen persoonsaantasting | - |
| 4 t/m 6 | B | Persoonsaantasting | € 1.500 |
| 7 t/m 9 | C | Ernstige persoonsaantasting | € 3.000 |
| 10 t/m 14 | D | Bijzonder ernstige persoonsaantasting | € 5.000 |
Behoudens het bepaalde in artikel 4.8, kent het Instituut aan de aanvrager, afhankelijk van het bestaan en de mate van persoonsaantasting, de in het eerste lid opgenomen tabel genoemde schadevergoeding toe.
Het Instituut kent, in afwijking van het tweede lid, aan de aanvrager een vergoeding van € 5.000 toe, indien het Instituut een aanwijzing (2) of een zeer sterke aanwijzing (4), als bedoeld in artikel 4.4, eerste lid, heeft aangenomen.
Indien op grond van artikel 4.1a, tweede lid, of het tweede of derde lid van dit artikel of artikel 4.8, aan een lid van het huishouden van de aanvrager een hogere vergoeding voor immateriële schade is toegekend dan waarvoor de aanvrager in aanmerking komt of zou komen op grond van artikel 4.1a, tweede lid, het tweede of derde lid van dit artikel, of artikel 4.8, wordt aan die aanvrager krachtens dit lid eveneens die hogere vergoeding toegekend.
In afwijking van het vierde lid, wordt de aan de aanvrager toe te kennen vergoeding niet gelijk getrokken met de in het vierde lid eerstgenoemde hogere vergoeding, indien:
- a. geen aanwijzing voor een persoonsaantasting voor de aanvrager of het andere lid van het huishouden is aangenomen voor de veiligheidssituatie van de woning, als bedoeld in artikel 4.4, eerste lid, of in verband met de omvang van de fysieke schade van de woning als bedoeld in artikel 4.5, eerste lid, of
- b. op grond van artikel 4.1a, tweede lid, een vergoeding is of wordt toegekend en het gelet op de omstandigheden van het geval naar het oordeel van het Instituut niet redelijk is de vergoeding gelijk te trekken.
Voor de toepassing van dit artikel wordt onder een lid van het huishouden verstaan de meerderjarige natuurlijke persoon die een besluit op de aanvraag tot vergoeding van immateriële schade van het Instituut heeft ontvangen en met wie de aanvrager minimaal zes maanden heeft samengewoond op een in artikel 4.2, tweede lid, bedoeld adres.
Artikel 4.8. Persoonlijke impact analyse
De aanvrager kan de hiervoor beschreven feiten en omstandigheden aanvullen door middel van een door het Instituut vastgestelde en gevalideerde vragenlijst waarmee de persoonlijke impact van bodembeweging door mijnbouwactiviteiten op de persoon van de aanvrager kan worden ingeschat.
Bij deze inschatting betrekt het Instituut de volgende elementen:
- 1). persoonlijk welbevinden,
- 2). invloed op het dagelijks functioneren (gedrag) en
- 3). invloed op sociale relaties. Om de mate van leedervaring te bepalen wordt voor elk van deze elementen de ervaring van de aanvrager vergeleken met een representatieve referentiegroep.
Het Instituut schat de persoonlijke impact van bodembeweging door mijnbouwactiviteiten op de persoon van de aanvrager op basis van het cumulatieve gewicht van de drie elementen in op een van de volgende profielen:
Profiel 1 = tot licht ervaren leed
Profiel 2 = enigszins ernstig ervaren leed
Profiel 3 = ernstig ervaren leed
Profiel 4 = bijzonder ernstig ervaren leed
Indien de aanvrager de persoonlijke impact analyse, bedoeld in het eerste lid, heeft ingevuld, acht het Instituut aan de hand van het cumulatieve gewicht van de aanwijzingen voor een persoonsaantasting in combinatie met het profiel vanuit de persoonlijke impact analyse, als volgt het bestaan en de mate van persoonsaantasting aannemelijk:
| Cumulatieve gewicht aanwijzingen | Profiel persoonlijke impact analyse | Persoonsaantasting | Persoonsaantasting | Vergoeding |
|---|---|---|---|---|
| 0 t/m 2 | 1, 2, 3 of 4 | A | Geen persoonsaantasting | - |
| 3 | 1 | A | Geen persoonsaantasting | - |
| 3 | 2, 3 of 4 | B | Persoonsaantasting | € 1.500 |
| 4 | 1, 2, 3 of 4 | B | Persoonsaantasting | € 1.500 |
| 5 t/m 6 | 1 of 2 | B | Persoonsaantasting | € 1.500 |
| 5 t/m 6 | 3 of 4 | C | Ernstige persoonsaantasting | € 3.000 |
| 7 | 1, 2, 3 of 4 | C | Ernstige persoonsaantasting | € 3.000 |
| 8 t/m 9 | 1, 2 of 3 | C | Ernstige persoonsaantasting | € 3.000 |
| 8 t/m 9 | 4 | D | Bijzonder ernstige persoonsaantasting | € 5.000 |
| 10 t/m 14 | 1, 2, 3 of 4 | D | Bijzonder ernstige persoonsaantasting | € 5.000 |
Het Instituut kent aan de aanvrager, afhankelijk van het bestaan en de mate van persoonsaantasting, de in het vierde lid opgenomen tabel genoemde schadevergoeding toe.
Hoofdstuk 5. Acuut onveilige situatie
Deze werkwijze wordt met de toelichting in de Staatscourant geplaatst.
Paragraaf 3.3. Waardedaling agrarische cultuurgronden
Artikel 3.11. Waardedaling agrarische cultuurgronden
Het Instituut wijst aanvragen voor vergoeding van waardedaling van agrarische cultuurgronden af en verwijst daarbij op de voet van artikel 3:49 Algemene wet bestuursrecht naar het advies Waardevermindering agrarische gronden in Groningen als gevolg van gaswinning van 22 november 2023 van de Adviescommissie waardedaling niet-woningen aardbevingsgebied Groningen.
Paragraaf 4.2. Immateriële schade van meerderjarige natuurlijke personen
Paragraaf 4.3. Immateriële schade van minderjarige natuurlijke personen
Artikel 2.11. Definities
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
- –. adres: adres als bedoeld in artikel 1, onderdeel a, van de Wet basisregistratie adressen en gebouwen;
- –. constructeur: een constructeur met een afgeronde opleiding op minimaal hbo-niveau in de civiele techniek of bouwkunde en minimaal drie jaar relevante werkervaring als constructeur;
- –. constructieve herstelmaatregel: een aan de hand van het technisch kader vastgestelde en op de website van het Instituut geplaatste herstelmaatregel die naar het oordeel van het Instituut passend en redelijk is gelet op het geconstateerde gebrek aan de constructie en als doel heeft het geconstateerde constructieve gebrek te verhelpen, niet zijnde een herstelmaatregel als bedoeld in de laatstelijk vastgestelde Werkinstructie Herstel & Calculatie, als geplaatst op de website van het Instituut;
- –. constructieve schade: schade die samenhangt met een gebrek aan de constructie, welk gebrek heeft geleid tot minimaal objectclassificatie DS3 of tot scheefstand zoals omschreven in het technisch kader;
- –. daadwerkelijk herstel: het herstellen van schade aan:
- (i). gebouwen;
- (ii). gemetselde constructies;
- (iii). constructies van brosse materialen; of
- (iv). bestrating, indien sinds de aanleg van de bestrating een trilling van 25 mm/s of hoger heeft plaatsgevonden;
- –. eerder beoordeelde schade: schade die eerder is beoordeeld door de Nederlandse Aardolie Maatschappij N.V., het Centrum Veilig Wonen, de burgerlijke rechter, de Tijdelijke Commissie Mijnbouwschade Groningen of het Instituut;
- –. finaliteit: als bedoeld in artikel 2.10, eerste lid, of artikel 2.15, eerste lid;
- –. gebouw: bouwwerk dat een voor mensen toegankelijke overdekte geheel met wanden omsloten ruimte vormt;
- –. herstel aannemer Instituut: daadwerkelijk herstel dat geschiedt op basis van een overeenkomst die de aanvrager heeft gesloten met de Staat der Nederlanden;
- –. herstel eigen aannemer: daadwerkelijk herstel dat plaatsvindt door een door de aanvrager gekozen aannemer waarmee het Instituut namens de Staat der Nederlanden een overeenkomst heeft gesloten;
- –. kadastrale aanduiding: kadastrale aanduiding als bedoeld in artikel 2 van het Kadasterbesluit;
- –. klein duurzaam herstel: maatregelen met beperkte kosten die constructieve verbeteringen aan een gebouw opleveren, zijn vermeld op de website van het Instituut en worden uitgevoerd overeenkomstig de richtlijnen van het Instituut;
- –. mm/s: mm/s te berekenen via de methode van Bommer [2019], met een overschrijdingskans van 1%;
- nieuwe schade: schade die:
- (i). niet is opgenomen in het deskundigenrapport dat behoort bij het besluit tot daadwerkelijk herstel;
- (ii). niet identiek is aan een schade die eerder is beoordeeld; en
- (iii). geen schade is die is hersteld onder daadwerkelijk herstel en weer is teruggekomen, tenzij zich een situatie als bedoeld in artikel 2.10, derde lid, heeft voorgedaan of het terugkomen van de schade redelijkerwijs mede een gevolg kan zijn van een gebrek aan de constructie van het gebouw dat niet verholpen is met een constructieve herstelmaatregel;
- –. onderneming: onderneming in de zin van de artikelen 101, eerste lid, en 107, eerste lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie;
- –. schade: fysieke schade die naar haar aard redelijkerwijs zou kunnen zijn ontstaan door beweging van de bodem als gevolg van de aanleg of exploitatie van een mijnbouwwerk ten behoeve van het winnen van gas uit het Groningenveld of als gevolg van de gasopslag Norg of de gasopslag bij Grijpskerk;
- –. stabiliserende maatregel: een door het Instituut goedgekeurde herstelmaatregel die gelet op het geconstateerde gebrek aan de constructie passend en redelijk is om een verdere verslechtering van de constructie zoveel mogelijk te voorkomen, niet zijnde een herstelmaatregel als bedoeld in de laatstelijk vastgestelde Werkinstructie Herstel & Calculatie, als geplaatst op de website van het Instituut;
- –. technisch kader: laatstelijk vastgesteld technisch kader voor de toepassing van Duurzaam herstel, als bedoeld in de Beleidsregel duurzaam herstel 2026 en geplaatst op de website van het Instituut;
- –. woonfunctie: wonen anders dan recreatief, logies of tijdelijk verblijf.
Artikel 2.12. Daadwerkelijk herstel
Het Instituut kan bij besluit een recht op daadwerkelijk herstel vaststellen. Aan het besluit tot toekenning van een recht op daadwerkelijk herstel worden door het Instituut voorschriften en beperkingen verbonden.
Indien er sprake is van een situatie als bedoeld inartikel 1a.1 van de Regeling Tijdelijke wet Groningen en de aanvrager hierom vraagt, kan het Instituut besluiten dat de aanvrager het bedrag dat beschikbaar is voor daadwerkelijk herstel in geld krijgt uitgekeerd in plaats van het uitvoeren van daadwerkelijk herstel.
Het maximale bedrag voor daadwerkelijk herstel bedraagt € 60.000, inclusief btw, per volledig object zijnde een onroerende zaak met een eigen kadastrale aanduiding met ten minste een eigen adres en, indien van toepassing, de aangrenzende onroerende zaken met een eigen kadastrale aanduiding die aanhorig zijn aan het object.
Daadwerkelijk herstel is uitsluitend mogelijk voor schades, met uitzondering van schades aan mestkelders, die zijn opgenomen in het rapport van een deskundige dat behoort bij het besluit tot daadwerkelijk herstel of nieuwe schades die gemeld en beoordeeld zijn overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 2.17, tweede lid, of 2.21. Indien er sprake is van een eerder beoordeelde schade wordt tevens aan het bepaalde in artikel 2.14 voldaan.
Indien het gebouw ligt binnen het gebied als bedoeld in artikel 2.8, tweede lid, onderdeel d, subonderdeel ii, en niet valt binnen de reikwijdte van artikel 2.8, tweede lid, onderdeel d, subonderdelen i of iii, is daadwerkelijk herstel, in afwijking van het eerste lid, uitsluitend mogelijk voor zetting- of zakkingschades.
Daadwerkelijk herstel kan uitsluitend betrekking hebben op constructieve verbeteringen, indien:
- a. sprake is van klein duurzaam herstel;
- b. aan een gebouw sprake is van nieuwe constructieve schade, met inbegrip van schade die eerder is behandeld en na herstel opnieuw is ontstaan en schade die substantieel is toegenomen ten opzichte van de laatste schadeopname van het gebouw, en een stabiliserende maatregel naar het oordeel van het Instituut mogelijk is voor deze schade; of
- c. aan een gebouw sprake is van nieuwe constructieve schade, met inbegrip van schade die eerder is behandeld en na herstel opnieuw is ontstaan en schade die substantieel is toegenomen ten opzichte van de laatste schadeopname van het gebouw, een stabiliserende maatregel naar het oordeel van het Instituut niet mogelijk is en in plaats daarvan naar het oordeel van het Instituut een constructieve herstelmaatregel mogelijk is voor deze schade.
Indien voor het herstel, bedoeld in het zesde lid, onderdelen b en c, noodzakelijk is dat de constructie van een of meer andere gebouwen die constructief verbonden zijn met het gebouw van de aanvrager ook worden verbeterd, kan het herstel alleen plaatsvinden voor zover de eigenaar van dat gebouw of de houder van het beklemrecht, het recht van opstal of het recht van erfpacht daarmee schriftelijk instemt.
Stabiliserende maatregelen en constructieve herstelmaatregelen als bedoeld in het zesde lid, onderdelen b en c, zijn uitsluitend mogelijk als de Beleidsregel duurzaam herstel 2026 niet in de toepassing van deze maatregelen voorziet.
Artikel 2.13. Voorwaarden daadwerkelijk herstel
Een aanvrager kan in aanmerking komen voor daadwerkelijk herstel, indien op het moment van de aanvraag aan de onderdelen a tot en met i is voldaan en op het moment van het nemen van een beslissing op die aanvraag aan alle onderdelen hieronder is voldaan:
- a. er is ten minste één schade die niet identiek is aan een eerder beoordeelde schade aan een gebouw dat in aanmerking komt voor daadwerkelijk herstel;
- b. de aanvraag betrekking heeft op:
- i. een volledig object, zijnde een onroerende zaak met een eigen kadastrale aanduiding met ten minste één adres als bedoeld in de BAG; en
- ii. indien van toepassing, de aangrenzende onroerende zaken met een eigen kadastrale aanduiding die aanhorig zijn aan het object;
- c. de aanvrager:
- i. een natuurlijk persoon is die de eigendom heeft van het object en, indien van toepassing, de aanhorige onroerende zaak, tenzij die eigendom is belast met een beklemrecht, een recht van opstal of een recht van erfpacht; of
- ii. een natuurlijk persoon is die het beklemrecht, het recht van opstal of het recht van erfpacht op het object en, indien van toepassing, op de aanhorige onroerende zaken, heeft;
- d. de aanvraag is ingediend door alle eigenaren onderscheidenlijk alle houders van de onder c bedoelde rechten;
- e. aan een voorwaarde als bedoeld in artikel 2.8, tweede lid, onderdeel d, is voldaan;
- f. de aanvrager nog niet voor drie verschillende objecten van een vaste vergoeding of daadwerkelijk herstel gebruik heeft gemaakt, of, indien de aanvraag wordt ingediend namens meerdere personen gezamenlijk, geen van de aanvragers voor drie verschillende objecten van een vaste vergoeding of daadwerkelijk herstel gebruik heeft gemaakt;
- g. indien de aanvrager een rechtspersoon is, er nog geen drie keer van daadwerkelijk herstel gebruik is gemaakt, of, indien de rechtspersoon tevens een onderneming is, de rechtspersonen die onderdeel uitmaken van de onderneming, geen drie keer van daadwerkelijk herstel gebruik hebben gemaakt en natuurlijke personen die onderdeel uitmaken van de onderneming, geen drie keer van daadwerkelijk herstel of voor drie verschillende objecten van een vaste vergoeding gebruik hebben gemaakt;
- h. er geen sprake van fraude of misbruik is geweest en er bestaat bij het Instituut ook geen gegronde vrees hiervoor;
- i. op het object rust geen finaliteit, tenzij in een vaststellingsovereenkomst een spijtoptantenbepaling is opgenomen en de aanvrager aan de voorwaarden van die bepaling voldoet;
- j. indien de aanvrager een rechtspersoon is, ondertekent hij de door het Instituut versterkte standaardverklaring dat voldaan is aan het bepaalde onder g;
- k. indien aan de aanvrager na het indienen van de aanvraag de keuze voor een individuele maatwerkbeoordeling als bedoeld in hoofdstuk 2a, een vaste vergoeding als bedoeld in hoofdstuk 2b of daadwerkelijk herstel is voorgelegd en de aanvrager heeft niet voor de individuele maatwerkbeoordeling of de vaste vergoeding gekozen, tenzij in een vaststellingsovereenkomst een spijtoptantenbepaling is opgenomen en de aanvrager aan de voorwaarden van die bepaling voldoet;
- l. de aanvrager heeft alle schade laten opnemen, indien het Instituut om een nulmeting heeft verzocht;
- m. de aanvrager de door het Instituut aangeboden vaststellingsovereenkomst sluit met de Staat der Nederlanden; en
- n. indien voor het object een besluit als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van de Regeling Stuwmeer Tijdelijke Commissie Mijnbouwschade Groningen is genomen, de aanvrager ermee instemt dat er geen nieuwe facturen worden ingediend.
Daadwerkelijk herstel is niet mogelijk, indien:
- a. een gebouw geen intacte bouwschil of ernstig achterstallig onderhoud heeft;
- b. het een tijdelijk gebouw betreft;
- c. het gebouw wordt afgebroken;
- d. geen van de gebouwen een woonfunctie heeft en de oppervlakte van het gebouw of de gebouwen groter is dan een door het Instituut te bepalen oppervlakte;
- e. geen enkel gebouw een verblijfsfunctie heeft; of
- f. het een mestsilo of mestsleuf betreft;
tenzij naar het oordeel van het Instituut voor een categorie van deze onderdelen of in een concrete situatie het redelijk is daadwerkelijk herstel toch mogelijk te maken.
Daadwerkelijk herstel is eveneens niet mogelijk, indien;
- a. een gebouw geen woonfunctie heeft en het in de gegeven situatie naar het oordeel van het Instituut niet passend is daadwerkelijk herstel mogelijk te maken;
- b. er een andere natuurlijke persoon of rechtspersoon eigenaar of mede-eigenaar is geworden, dan wel houder van het beklemrecht, het recht van opstal of het recht van erfpacht, van het object waarop het recht op daadwerkelijk herstel ziet en er na verkrijging geen beving van 5 mm/s of hoger, te berekenen via de methode van Bommer, met een overschrijdingskans van 1%, heeft plaatsgevonden.
Indien niet voldaan is aan het eerste of tweede lid, of het derde lid van toepassing is, weigert het Instituut de aanvraag.
Het Instituut kan een besluit tot daadwerkelijk herstel geheel of gedeeltelijk intrekken, indien er sprake is van fraude, misbruik of het maximum in het eerste lid, onderdelen f of g, is overschreden. Bij intrekking blijft de finaliteit, bedoeld in artikel 2.15, eerste lid, gelden, tenzij het Instituut anders beslist.
Artikel 2.14. Eerder beoordeelde schades
Daadwerkelijk herstel vindt niet plaats in een ruimte met alleen identieke schades die eerder beoordeeld zijn.
Indien zich in een ruimte schades bevinden die eerder beoordeeld zijn en zich in die ruimte ook schades bevinden die niet identiek aan de eerdere beoordeling zijn, dan bepaalt het Instituut het maximum bedrag dat beschikbaar is voor daadwerkelijk herstel voor die ruimte. Dit bedrag wordt op dezelfde wijze bepaald als bij een maatwerkbeoordeling als bedoeld in hoofdstuk 2a.
Het Instituut kan, in afwijking van het tweede lid, besluiten dat voor het herstel van eerder beoordeelde schades als bedoeld in het tweede lid, een bedrag ter grootte van ten hoogste de post onvoorzien, zoals opgenomen in het deskundigenrapport dat behoort bij het besluit tot daadwerkelijk herstel, aangewend mag worden. Het Instituut besluit hiertoe alleen indien naar het oordeel van het Instituut dat herstel nodig is om andere schades te kunnen herstellen in de betreffende ruimte.
De aanvrager sluit voor werkzaamheden die niet onder daadwerkelijk herstel vallen een afzonderlijke overeenkomst met degene die deze werkzaamheden verricht.
Artikel 2.15. Finaal karakter van het besluit tot daadwerkelijk herstel
Met het besluit tot daadwerkelijk herstel en een besluit als bedoeld in artikel 2.12, tweede lid, wordt alle schade aan het object finaal afgehandeld overeenkomstig het bepaalde in dit hoofdstuk en dat besluit.
De finaliteit, bedoeld in het eerste lid, geldt niet voor mestkelders, indien na de bouw een trilling met een snelheid van 10 mm/s of hoger is berekend op het adres.
De aanvrager ontvangt een vaste eenmalige en finale vergoeding ter hoogte van € 2.000,– voor alle bijkomende kosten, materiële gevolgschade en overlast. De vergoeding, bedoeld in de vorige volzin, ziet niet op:
- a. kosten, bedoeld in artikel 2.6, tweede lid, onderdeel d, en het derde lid, onderdelen b, c en d;
- b. daadwerkelijk gemaakte onderzoeks- en ontwerpkosten die noodzakelijk en redelijk zijn om de maatregelen, als bedoeld in artikel 2.12, zesde lid, onderdelen b en c, te kunnen laten uitvoeren door een eigen aannemer, tot een maximum van € 10.000, inclusief btw, per toegekend recht op daadwerkelijk herstel;
- c. legeskosten die zijn gemaakt ten behoeve van een vergunningaanvraag voor het in uitvoering laten brengen van de maatregelen door een eigen aannemer, als bedoeld in artikel 2.12, zesde lid, onderdelen b en c, met dien verstande dat ten hoogste de legeskosten van de betreffende gemeente worden vergoed die horen bij bouwkosten van ten hoogste € 60.000, inclusief btw, die worden vergoed onder daadwerkelijk herstel;
- d. waardedaling als bedoeld in hoofdstuk 3; en
- e. immateriële schade als bedoeld in hoofdstuk 4.
Artikel 2.10, derde lid, is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de finaliteit niet eerder dan vijf jaar, gerekend vanaf de dag na het sluiten van de vaststellingsovereenkomst, kan worden doorbroken, tenzij er na een aardbeving in het Groningenveld of de gasopslag Norg of de gasopslag bij Grijpskerk die op het adres van het object heeft geleid tot een trillingssnelheid van 5 mm/s of hoger, nieuwe schade geconstateerd wordt en het maximale bedrag voor daadwerkelijk herstel van € 60.000, inclusief btw, ontoereikend is om ook die nieuwe schade te herstellen.
Onderzoeks- en ontwerpkosten, als bedoeld in het derde lid, onderdeel b, komen uitsluitend voor vergoeding in aanmerking indien:
- a. het Instituut voorafgaand aan het maken van deze kosten toestemming heeft verleend;
- b. het ontwerp wordt opgesteld door een constructeur;
- c. eventuele aanvullende onderzoeken, op advies van deze constructeur, noodzakelijk zijn om het advies van de deskundige over het herstel van de betreffende schade om te zetten in een uitvoeringsontwerp; en
- d. de aanvrager ter onderbouwing van de kosten:
- i. een onderzoeksrapport overlegt waarin de constructeur zijn bevindingen en conclusies heeft opgenomen; en
- ii. een factuur van de gemaakte kosten overlegt.
het Instituut verleent in ieder geval geen voorafgaande toestemming, bedoeld in het vijfde lid, onderdeel a, indien het Instituut serieuze twijfels heeft over de geschiktheid van de constructeur.
Indien een andere natuurlijke persoon of rechtspersoon eigenaar of mede-eigenaar is geworden, dan wel houder van het beklemrecht, het recht van opstal of het recht van erfpacht, van het object waarop het besluit tot daadwerkelijk herstel ziet en dit recht is overgegaan op de nieuwe rechthebbende, kan het Instituut het besluit op naam stellen van de rechthebbende, indien hij een vaststellingsovereenkomst als bedoeld in artikel 2.13, eerste lid, onderdeel m, sluit voor het resterende deel van het recht op daadwerkelijk herstel. Artikel 2.13, eerste en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 2.16. Keuze voor herstel aannemer Instituut of herstel eigen aannemer
De aanvrager die in aanmerking komt voor daadwerkelijk herstel, deelt het Instituut voor het sluiten van de vaststellingsovereenkomst mede of hij kiest voor herstel aannemer Instituut onderscheidenlijk herstel eigen aannemer.
Het Instituut kan bepalen dat door hem te bepalen categorieën van aanvragen niet in aanmerking komen voor herstel aannemer Instituut.
Het Instituut deelt de aanvrager voor het maken van de keuze, bedoeld in het eerste lid, mede wat de geschatte wachttijd is voor herstel aannemer Instituut.
Artikel 2.17. Herstel aannemer Instituut
Bij herstel aannemer Instituut vindt het herstel plaats overeenkomstig het bepaalde in de vaststellingsovereenkomst.
Een aanvrager die gekozen heeft voor herstel aannemer Instituut kan binnen vijf jaar, gerekend vanaf de dag na het sluiten van de vaststellingsovereenkomst, maximaal vijf keer nieuwe schades melden bij het Instituut. Het Instituut kan voor de toepassing van de vorige volzin bepalen dat meerdere schademeldingen als één melding worden aangemerkt, indien de nieuwe schades tijdens het herstel worden geconstateerd en het aannemelijk is dat het geclusterd melden van nieuwe schades tot vertraging van de herstelwerkzaamheden zou kunnen leiden.
Het Instituut maakt uitsluitend onderzoeks- en ontwerpkosten die noodzakelijk en redelijk zijn om de maatregelen, als bedoeld in artikel 2.12, zesde lid, onderdelen b en c, te kunnen uitvoeren door een aannemer van het Instituut, indien deze kosten naar inschatting van het Instituut € 10.000, inclusief btw, of minder zullen bedragen, tenzij de aanvrager het door het Instituut verwachte verschil wenst te bekostigen en binnen de door het Instituut gestelde termijn overgaat tot bijbetaling.
Artikel 2.18. Keuze van de eigen aannemer
Het herstel vindt plaats door een aannemer waarmee de Staat der Nederlanden een overeenkomst als bedoeld in artikel 2.19 heeft gesloten en waaraan de aanvrager de opdracht tot herstel heeft gegeven.
Het Instituut vergoedt uitsluitend de kosten van daadwerkelijk herstel, indien het Instituut de offerte van de aannemer vooraf bij besluit heeft goedgekeurd.
Een offerte wordt uiterlijk binnen vijf jaar, gerekend vanaf de dag na het sluiten van de vaststellingsovereenkomst, ingediend of, indien dit leidt tot een langere periode, één jaar na het melden van een nieuwe schade.
Een factuur wordt uiterlijk binnen vijf jaar, gerekend vanaf de dag na het sluiten van de vaststellingsovereenkomst, ingediend of, indien dit leidt tot een langere periode, één jaar nadat de offerte is goedgekeurd door het Instituut.
Het Instituut kan de termijnen, bedoeld in het derde en vierde lid, verlengen, indien de aanvrager aannemelijk maakt dat die termijnen gegeven de situatie redelijkerwijs te kort waren. Aan een verlenging kunnen voorschriften verbonden worden.
Artikel 2.19. Toegelaten aannemers
Het Instituut biedt iedere aannemer die voldoet aan de door het Instituut gestelde voorwaarden de mogelijkheid aan een overeenkomst te sluiten met de Staat der Nederlanden over de voorwaarden waaronder daadwerkelijk herstel mogelijk is. Het Instituut stelt hiertoe een modelovereenkomst op. Het Instituut kan de modelovereenkomst wijzigen.
Een aannemer kan worden uitgesloten van het aanbieden van daadwerkelijk herstel of de overeenkomst kan worden opgezegd, indien niet aan de minimale voorwaarden is voldaan of er anderszins serieuze twijfels zijn over de geschiktheid. De artikelen 2.86, eerste, derde en vierde lid, 2.87, eerste lid, aanhef, onderdeel c, d, g, h en j, van de Aanbestedingswet 2012 zijn van overeenkomstige toepassing.
De minimale voorwaarden gesteld aan een aannemer, bedoeld in eerste lid, hebben in elk geval betrekking op:
- a. de financiële positie van de aannemer;
- b. de kwaliteit van de aannemer; en
- c. het behandelen van geschillen.
In de modelovereenkomst, bedoeld in het eerste lid, staan in elk geval afspraken over:
- a. de voorwaarden waaraan een offerte voor de aanvrager moet voldoen;
- b. de voorwaarden waaraan een factuur voor de aanvrager moet voldoen;
- c. de betaling door het Instituut aan de aannemer;
- d. de bewijzen van herstel die aangeleverd moeten worden;
- e. het melden van nieuwe schades;
- f. het borgen van de belangen waarvoor minimale voorwaarden zijn gesteld of waarop een aannemer kan worden uitgesloten krachtens het tweede lid;
- g. wat de gevolgen zijn indien de aannemer niet meer voldoet aan de minimale voorwaarden of de overeenkomst wordt opgezegd; en
- h. de minimale looptijd van de overeenkomst tussen de Staat der Nederlanden en de aannemer en de voorwaarden waaronder de overeenkomst kan worden gewijzigd.
Het Instituut plaatst de modelovereenkomst op zijn website en maakt eveneens op die website de minimale voorwaarden, bedoeld in het derde lid, kenbaar.
Artikel 2.20. Aanvrager geeft opdracht tot herstel
De aanvrager legt voordat tot herstel wordt overgegaan een offerte ter voorafgaande goedkeuring voor aan het Instituut. Het Instituut keurt een offerte in elk geval goed indien de offerte voldoet aan de door het Instituut gestelde eisen, het geoffreerde bedrag gelet op de te maken kosten niet onredelijk is, en:
- a. het gegeven hersteladvies wordt gevolgd; of
- b. in het geval van herstelmaatregelen als bedoeld in artikel 2.12, zesde lid, onderdelen b en c, de offerte in overeenstemming is met het deskundigenrapport dat ten grondslag ligt aan het besluit tot daadwerkelijk herstel en de kosten binnen de bandbreedte van de daarbij verstrekte kostenraming vallen.
Een bedrag is in elk geval onredelijk, indien het bedrag hoger is dan volgt uit het geldende calculatiemodel van het Instituut.
Het herstel van schades opgenomen in het deskundigenrapport dat ten grondslag ligt aan het besluit tot daadwerkelijk herstel is opgenomen in één offerte van één aannemer, tenzij het Instituut anders beslist.
Een factuur is niet hoger dan het bedrag goedgekeurd in de offerte, vermeerderd met de post onvoorzien die het Instituut in het geldende calculatiemodel hanteert. Indien gebruik wordt gemaakt van de post wordt op de factuur gespecificeerd welke noodzakelijke extra werkzaamheden zijn verricht.
Het Instituut kan besluiten de factuur geheel of gedeeltelijk niet te voldoen indien:
- a. de offerte niet vooraf is goedgekeurd door het Instituut of artikel 2.21, vierde lid, niet in acht is genomen;
- b. de werkzaamheden die op de offerte staan niet zijn verricht;
- c. het vierde lid niet in acht is genomen of de extra werkzaamheden, bedoeld in het vierde lid, redelijkerwijs niet nodig zijn voor het herstel; of
- d. de aannemer de overeenkomst, bedoeld in artikel 2.19, eerste lid, niet is nagekomen wat betreft de voorwaarden die aan de factuur of de oplevering worden gesteld.
De betaling van de factuur geschiedt aan de aannemer, nadat de aanvrager aan het Instituut de opdracht tot betaling heeft gegeven en heeft verklaard dat de geoffreerde werkzaamheden, de extra werkzaamheden, bedoeld in het vierde lid, tweede volzin, of het herstel van nieuwe schades, als bedoeld in artikel 2.21, vierde lid, zijn uitgevoerd.
Artikel 2.21. Melden nieuwe schades of meerwerk
Een aanvrager die gekozen heeft voor herstel eigen aannemer, kan maximaal vijf keer nieuwe schades melden bij het Instituut binnen vijf jaar, gerekend vanaf de dag na het sluiten van de vaststellingsovereenkomst. Het Instituut kan voor de toepassing van de vorige volzin bepalen dat meerdere schademeldingen als één melding worden aangemerkt, indien de nieuwe schades tijdens het herstel worden geconstateerd en het aannemelijk is dat het geclusterd melden van nieuwe schades tot vertraging van de herstelwerkzaamheden zou kunnen leiden. Artikel 2.20 is van overeenkomstige toepassing.
De aanvrager verstrekt bij de melding de door het Instituut gevraagde informatie over de locatie van de schade, de omvang van de schade en het beeldmateriaal.
Het Instituut laat nieuwe schades opnemen door een deskundige of opnemer, tenzij het Instituut beslist dat volstaan kan worden met de informatie die de aanvrager heeft verstrekt.
In afwijking van het eerste lid, derde volzin, is de aanvrager gerechtigd de post onvoorzien, zoals volgend uit het geldende calculatiemodel van het Instituut, te laten gebruiken voor het herstel van nieuwe schades, nadat het Instituut de aanvrager heeft medegedeeld dat de schade door mijnbouw kan zijn ontstaan.
Het Instituut kan op verzoek van de aanvrager besluiten meerwerk te vergoeden dat noodzakelijk is voor het herstel van een schade, indien:
- a. de informatie over het verwachte meerwerk aan het Instituut is verstrekt, op grond waarvan het Instituut kan bepalen of er sprake is van meerwerk dat voor vergoeding in aanmerking komt;
- b. niet tot herstel is overgegaan dan nadat een offerte voor het meerwerk is goedgekeurd door het Instituut; en
- c. het geoffreerde bedrag vermeerderd met de post onvoorzien, zoals volgend uit het geldende calculatiemodel van het Instituut, ontoereikend is voor het herstel. Artikel 2.20, tweede, vijfde en zesde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Paragraaf 3.1. Waardedaling van woningen
Hoofdstuk 4. Immateriële schade
Artikel 2.8b. Aanvullende vaste vergoeding
Het Instituut kan een aanvullende vaste vergoeding toekennen, indien:
- a. de aanvraag betrekking heeft op:
- i. een volledig object, zijnde een onroerende zaak met een eigen kadastrale aanduiding met ten minste één adres als bedoeld in de BAG; en
- ii. indien van toepassing, de aangrenzende onroerende zaken met een eigen kadastrale aanduiding die aanhorig zijn aan het object;
- b. fysieke schade aan dat object eerder is behandeld door de NAM, het CVW, de burgerlijke rechter, de TCMG of het Instituut;
- c. de vastgestelde vergoedingen, bedoeld in de onderdelen a tot en met d van het derde lid, voor dat object gezamenlijk minder dan € 10.000 bedragen dan wel minder dan € 5.000, indien het een object als bedoeld in artikel 2.8a betreft;
- d. door de aanvrager nieuwe schade als bedoeld in artikel 2.11 wordt gemeld in het geval de huidige rechthebbende niet eerder voor het object een melding voor fysieke schade heeft gedaan bij de NAM, CVW, burgerlijke rechter, TCMG of het Instituut;
- e. voor het object een besluit als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van de Regeling Stuwmeer Tijdelijke Commissie Mijnbouwschade Groningen is genomen, de aanvrager ermee instemt dat er geen nieuwe facturen worden ingediend;
- f. aan het bepaalde in artikel 2.8, tweede lid, onderdelen b, c, d en f, is voldaan; en
- g. het Instituut de eigenaar heeft benaderd om een aanvraag voor een aanvullende vaste vergoeding in te dienen of een object gelegen is in een postcodegebied waarvan het Instituut op zijn website heeft aangegeven dat een aanvraag voor de aanvullende vaste vergoeding kan worden ingediend.
De hoogte van de aanvullende vaste vergoeding bedraagt per object ten hoogste € 10.000, dan wel ten hoogste € 5.000, indien het een object als bedoeld in artikel 2.8a betreft.
Op de maximum bedragen, bedoeld in het tweede lid, wordt per object in mindering gebracht:
- a. de vastgestelde vergoedingen voor fysieke schade door de NAM, het CVW en de burgerlijke rechter;
- b. de bij besluit van de TCMG of het Instituut vastgestelde vergoedingen voor fysieke schade;
- c. de vaste vergoeding van € 5.000, toegekend krachtens artikel 2.8 of artikel 3, eerste lid, van de Regeling Stuwmeer Tijdelijke Commissie Mijnbouwschade Groningen; en
- d. de vergoede facturen, indien voor het object een besluit als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van de Regeling Stuwmeer Tijdelijke Commissie Mijnbouwschade Groningen is genomen.
Zo nodig in afwijking van het derde lid, bedraagt de aanvullende vaste vergoeding minimaal € 5.000, dan wel minimaal € 2.500, indien het een object als bedoeld in artikel 2.8a betreft en zich een aardbeving heeft voorgedaan in het Groningenveld of de gasopslag Norg of de gasopslag bij Grijpskerk die op het adres van het object heeft geleid tot een trillingssnelheid van 2 mm/s, te berekenen met de methode van Bommer met 1% overschrijdingskans, sinds de laatste opname bij de individuele maatwerkprocedure.
Het Instituut bepaalt of de schade dient te worden opgenomen overeenkomstig artikel 2.9.
Artikel 2.8c. Definitief aanbod aanvullende vaste vergoeding
Het Instituut kan de aanvrager een definitief aanbod voor een aanvullende vaste vergoeding doen. Onderdeel van het aanbod is het bepaalde met betrekking tot de finaliteit in artikel 2.10. Als de aanvrager het aanbod accepteert, komt een vaststellingsovereenkomst als bedoeld in artikel 7:900 BW tot stand.
Nadat de vaststellingsovereenkomst als bedoeld in het eerste lid tot stand is gekomen, neemt het Instituut een besluit op de aanvraag en keert het de aanvullende vaste vergoeding uit.
Het Instituut doet geen definitief aanbod als bedoeld in het eerste lid, of wijst een aanvraag voor een aanvullende vaste vergoeding af, indien:
- a. niet aan één van de in artikel 2.8b genoemde voorwaarden is voldaan;
- b. het Instituut heeft bepaald dat een opname van de schade plaats dient te vinden en deze opname door toedoen van de aanvrager niet heeft plaatsgevonden;
- c. de aanvrager nog niet voor drie verschillende objecten van een vaste vergoeding of daadwerkelijk herstel gebruik heeft gemaakt, of, indien de aanvraag wordt ingediend namens meerdere personen gezamenlijk, geen van de aanvragers voor drie verschillende objecten van een vaste vergoeding of daadwerkelijk herstel gebruik heeft gemaakt;
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)