Beleidsregel van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 19 december 2022, nr. WJZ/ 22259319, houdende beleidsregels omtrent het verlagen van subsidie verleend voor plattelandsinterventies en sectorale interventies in het kader van Verordening (EU) 2021/2115 (Beleidsregel verlagen subsidie GLB)

Type Beleidsregel
Publication 2026-01-01
State In force
Source BWB
artikelen 39
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Gelet op:

artikel 59 , eerste lid, onderdeel d, van [verordening (EU) 2021/2116](32116R2021) van het Europees Parlement en de Raad van 2 december 2021 inzake de financiering, het beheer en de monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van [Verordening (EU) nr. 1306/2013](32013R1306) (PbEU 2021, L 435);

artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht;

artikel 1.6 van de Regeling Europese EZK- en LNV-subsidies 2021;

Besluit:

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1.1. Begripsbepalingen

In deze beleidsregel wordt verstaan onder:

  • –. administratieve sanctie: het verlagen, wijzigen of intrekken van de subsidie naar aanleiding van een niet-naleving;
  • –. agrarisch collectief: vereniging als bedoeld in artikel 3.1 van de SVNL 2016;
  • –. ANLb: agrarisch natuur- en landschapsbeheer op grond van paragraaf 3 van de SVNL 2016;
  • –. baselinevoorwaarden: eisen, normen, voorschriften en voorwaarden als bedoeld in artikel 70, derde lid, van verordening (EU) 2021/2115, zoals opgenomen in bijlage 3 van de onderhavige beleidsregel;
  • –. bedrijfsperceel: oppervlakte die een deelnemer als behorende tot zijn bedrijf heeft geregistreerd bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland op de door of namens de minister aangegeven wijze;
  • –. beschikte hectareprijs: het gemiddelde bedrag per hectare per jaar voor het realiseren van een leefgebied of onderdeel van een leefgebied, zoals opgenomen in de beschikking tot subsidieverlening op grond van de SVNL 2016;
  • –. betaalverzoek: verantwoording als bedoeld in artikel 3.11, onderdeel g, van de SVNL 2016;
  • –. bevoegd gezag: afhankelijk van de betreffende subsidieregeling de minister of Gedeputeerde Staten van de onderscheiden provincies;
  • –. conditionaliteiten: beheerseisen en GLMC-normen voor het in goede landbouw- en milieuconditie houden van landbouwareaal en de sociale conditionaliteiten zoals opgenomen in de bijlagen 3, 4 en 4a van de uitvoeringsregeling;
  • –. controle: uitoefening door ambtenaren van het bevoegd gezag of een controle instantie met de bevoegdheid tot toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de van toepassing zijnde wetgeving;
  • –. deelnemer: lid van een vereniging als bedoeld in artikel 3.1 van de SVNL 2016;
  • –. jaarbetaling: de naar aanleiding van een betaalverzoek jaarlijkse uitbetaling van een gedeelte van het totale bedrag zoals opgenomen in de beschikking tot subsidieverlening op grond van de SVNL 2016;
  • –. maximale vergoeding: maximale vergoeding die betaald mag worden voor het uitvoeren van een beheeractiviteit in het kader van het ANLb;
  • –. minister: Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur;
  • –. Nationaal Strategisch Plan GLB: het Nederlandse Nationaal Strategisch Plan, zijnde een strategisch GLB-plan als bedoeld in artikel 104, eerste lid, van verordening (EU) 2021/2115;
  • –. niet-naleving: overtreding van de subsidievoorwaarden of subsidieverplichtingen, inclusief een onregelmatigheid als bedoeld in artikel 2, onderdeel a, van verordening (EU) 2021/2116;
  • –. SVNL 2016: Subsidieverordening natuur- en landschapsbeheer 2016 van de onderscheiden provincies;
  • –. verordening (EU) nr. 1305/2013: Verordening (EU) nr. 1305/2013 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 17 december 2013 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (ELFPO) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad (PbEU 2013, L347);
  • –. verordening (EU) 2021/2115: Verordening (EU) 2021/2115 van het Europees Parlement en de Raad van 2 december 2021 tot vaststelling van voorschriften inzake steun voor de strategische plannen die de lidstaten in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid opstellen (strategische GLB-plannen) en die uit het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) en het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) worden gefinancierd, en tot intrekking van Verordeningen (EU) nr. 1305/2013 en (EU) nr. 1307/2013 (PbEU 2021, L 435);
  • –. verordening (EU) 2021/2116: Verordening (EU) 2021/2116 van het Europees Parlement en de Raad van 2 december 2021 inzake de financiering, het beheer en de monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 1306/2013 (PbEU 2021, L 435);
  • –. verordening (EU) 2022/126: Gedelegeerde verordening (EU) 2022/126 van de Commissie van 7 december 2021 tot aanvulling van Verordening (EU) 2021/2115 van het Europees Parlement en de Raad met aanvullende eisen voor bepaalde interventietypes die de lidstaten in het kader van die verordening in hun strategisch GLB-plan voor de periode 2023–2027 uitwerken, alsmede regels voor het aandeel in het kader van norm 1 inzake een goede landbouw- en milieuconditie (GLMC) (PbEU 2022, L 20);
  • –. verordening (EU) 2022/128: Uitvoeringsverordening (EU) 2022/128 van de Commissie van 21 december 2021 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen voor Verordening (EU) 2021/2116 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft betaalorganen en andere instanties, financieel beheer, goedkeuring van de rekeningen, controles, zekerheden en transparantie (PbEU 2022, L 20);
  • –. verordening (EU) 2022/1172: Gedelegeerde verordening (EU) 2022/1172 van de Commissie van 4 mei 2022 tot aanvulling van Verordening (EU) 2021/2116 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft het geïntegreerd beheers- en controlesysteem van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en de toepassing en berekening van administratieve conditionaliteitssancties (PbEU 2022, L 183).
Artikel 1.2. Toepassingsbereik

Deze beleidsregel is van toepassing op subsidies voor plattelandsinterventies en sectorale interventies verstrekt op grond van:

  • a. paragraaf 3 van de SVNL 2016;
Artikel 1.3. Doel
1.

Ter uitvoering van artikel 59, eerste lid, onderdeel d, van verordening (EU) 2021/2116 worden administratieve sancties vastgesteld om een doeltreffende bescherming van de financiële belangen van de Europese Unie te waarborgen.

2.

Het bevoegd gezag kan besluiten, op basis van de in de afdelingen 4.2.5 en 4.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht genoemde bevoegdheden en met inachtneming van bij of krachtens verordening (EU) 2021/2116 gestelde regels, ten aanzien van de in deze beleidsregel genoemde situaties van niet-nalevingen tot het opleggen van een administratieve sanctie.

Artikel 1.4. Overmacht en uitzonderlijke omstandigheden
1.

De subsidieontvanger die een beroep wil doen op overmacht of uitzonderlijke omstandigheden doet hiervan zo spoedig mogelijk een melding bij het bevoegd gezag op de door of namens het bevoegd gezag aangegeven wijze.

2.

Het bevoegd gezag legt in elk geval geen administratieve sanctie op in de gevallen genoemd in artikel 59, vijfde lid, tweede alinea, onderdelen a, b en c, en artikel 84, tweede lid, onderdeel c, van verordening (EU) 2021/2116.

Artikel 1.5. Kennelijke fout
1.

In aanvulling op artikel 59, zesde lid, verordening (EU) 2021/2116 kunnen de aanvraag en eventuele daarbij overgelegde bewijsstukken, na de indiening ervan worden gecorrigeerd en aangepast indien sprake is van een kennelijke fout.

2.

Van een kennelijke fout kan sprake zijn indien:

  • a. er een tegenstrijdigheid zit in de door of namens de subsidieontvanger verstrekte gegevens, die wijst op een vergissing;
  • b. de tegenstrijdigheid eenvoudig kan worden geconstateerd tijdens een administratieve controle van de subsidieaanvraag of de bewijsstukken; en
  • c. de subsidieontvanger te goeder trouw heeft gehandeld.
3.

Het bevoegd gezag geeft geen toepassing aan artikel 1.3, tweede lid, indien de niet-naleving het gevolg is van een kennelijke fout.

Artikel 1.6. Omzeilingsclausule

Het bevoegd gezag kan ter uitvoering van artikel 62 van verordening (EU) 2021/2116 een subsidie intrekken of wijzigen indien vast is komen te staan dat de subsidieontvanger kunstmatig de voorwaarden heeft gecreëerd om voor de subsidie in aanmerking te komen.

Artikel 1.7. Terugvordering
1.

Het bevoegd gezag geeft toepassing aan de artikelen 30 en 31 van verordening (EU) 2022/128.

2.

Indien sprake is van een onverschuldigde betaling, wordt het onverschuldigd betaalde bedrag teruggevorderd. Het bevoegd gezag zet een invordering niet voort, indien:

  • a. het van de subsidieontvanger in een kalenderjaar terug te vorderen bedrag, exclusief rente, niet hoger is dan 100 euro; of
  • b. de terugvordering onmogelijk is als gevolg van erkende insolventie van de debiteur of van de personen die juridisch aansprakelijk zijn voor de niet-naleving.
3.

Onverminderd artikel 1.5 van de REES 2021 wordt ter voldoening aan artikel 30, tweede lid, van verordening (EU) 2022/128, wettelijke rente in rekening gebracht overeenkomstig afdeling 4.4.2 van de Algemene wet bestuursrecht indien de subsidieontvanger het onverschuldigde bedrag niet binnen de gestelde termijn heeft terugbetaald.

Hoofdstuk 2. Voorschriften inzake agrarisch natuur- en landschapsbeheer

Artikel 2.1. Maximale verlagingen
1.

De administratieve sancties die op grond van dit hoofdstuk toegepast worden, kunnen niet meer dan 100% van de totale subsidie of de jaarbetaling bedragen.

2.

Artikel 1.7, tweede lid, onderdeel a, is niet van toepassing indien de onverschuldigde betaling mede samenhangt met een niet-naleving van de conditionaliteiten als bedoeld in artikel 2.11 en het totaalbedrag van de onverschuldigde betaling hierdoor hoger is dan 100 euro.

Artikel 2.2. Berekening jaarbetaling
1.

Het bevoegd gezag berekent aan de hand van het betaalverzoek en de uitgevoerde controles de jaarbetaling overeenkomstig dit artikel.

2.

Het bevoegd gezag maakt twee berekeningen, waarbij:

  • a. de eerste berekening is gebaseerd op het subsidiabel areaal landbouwgrond en landschapselementen, vermenigvuldigd met de beschikte hectareprijs;
  • b. de tweede berekening is gebaseerd op de omvang van de subsidiabele beheeractiviteiten, vermenigvuldigd met de maximale vergoeding.
3.

Op de in het tweede lid bedoelde berekeningen brengt het bevoegd gezag het totaalbedrag van administratieve sancties in mindering die op grond van de toepasselijke EU-verordeningen en het onderhavige hoofdstuk toegepast zouden moeten worden.

4.

Het bevoegd gezag betaalt, na toepassing van het tweede en derde lid, het laagste van de twee bedragen als jaarbetaling uit, met dien verstande dat het bedrag in het betaalverzoek wordt uitbetaald indien dit lager is dan het in het onderhavige lid bedoelde bedrag.

Artikel 2.3. Verlagingen in verband met beheer en herstelmogelijkheid
1.

Indien een agrarisch collectief een beheeractiviteit waartoe zij zich heeft verbonden niet of niet juist uitvoert, legt het bevoegd gezag voor die beheeractiviteit een administratieve sanctie op overeenkomstig bijlage 1.

2.

Indien een niet-naleving als bedoeld in het eerste lid wordt geconstateerd, wordt de toekenning en uitbetaling van de subsidie of jaarbetaling geschorst en het agrarisch collectief verzocht de niet-naleving te herstellen binnen een termijn van maximaal drie maanden, tenzij:

  • a. sprake is van opzet;
  • b. herstel niet meer mogelijk is.
3.

Het bevoegd gezag zorgt ervoor dat de hersteltermijn, bedoeld in het tweede lid, reëel is.

4.

Indien meerdere niet-nalevingen zijn geconstateerd, wordt per geconstateerde niet-naleving een administratieve sanctie bepaald en worden deze administratieve sancties gecumuleerd.

5.

De administratieve sanctie, bedoeld in het eerste lid, wordt toegepast op de jaarbetaling. De administratieve sanctie wordt berekend als een percentage van de maximale vergoeding voor de betreffende beheeractiviteit.

Artikel 2.4. Minimum- en maximumpercentages beheeractiviteit
1.

Indien in een beheeractiviteit is opgenomen dat die activiteit op een bepaald minimumpercentage van het leefgebied uitgevoerd moet worden en het agrarisch collectief hieraan niet voldoet, dan wordt de subsidiabele omvang van dat leefgebied voor het betreffende kalenderjaar door het bevoegd gezag zodanig verlaagd dat de oppervlakte waarop de betreffende beheeractiviteit is uitgevoerd gelijk is aan het vereiste minimumpercentage van het leefgebied.

2.

Voor de berekening of de beheeractiviteit op het vereiste minimumpercentage is uitgevoerd tellen beheeractiviteiten waarvan de wijziging of melding is gedaan na de in de derde kolom van bijlage 2 gestelde termijn niet mee.

3.

Na de toepassing van het eerste en tweede lid wordt door het bevoegd gezag voor de betreffende beheeractiviteit een administratieve sanctie opgelegd die wordt berekend door het aantal hectares van het leefgebied dat niet langer subsidiabel is te vermenigvuldigen met:

  • a. de maximale vergoeding voor die beheeractiviteit, of,
  • b. indien de betreffende beheeractiviteit meerdere minimum- of maximumpercentages kent en binnen een dergelijke groep verschillende maximale vergoedingen zijn vastgesteld, het bedrag als bedoeld in bijlage 4, onderdeel b, van de SVNL2016.
4.

Indien in een beheeractiviteit is opgenomen dat die activiteit op niet meer dan een bepaald maximumpercentage van het leefgebied uitgevoerd mag worden en het agrarisch collectief dit maximumpercentage overschrijdt, dan is de betreffende beheeractiviteit niet subsidiabel voor zover die boven dat maximumpercentage is uitgevoerd.

5.

Indien een beheeractiviteit meerdere minimum- of maximumpercentages kent, dan worden voor de toepassing van het eerste en vierde lid slechts die oppervlaktes bij elkaar geteld waarvoor hetzelfde minimum- én maximumpercentage geldt.

Artikel 2.5. Verlagingen bij onderrealisatie leefgebied
1.

Indien een agrarisch collectief ten aanzien van één of meerdere leefgebieden niet voldoet aan het minimum aantal hectares zoals opgenomen in de beschikking tot subsidieverlening, dan wordt de jaarbetaling voor het betreffende leefgebied en kalenderjaar door het bevoegde gezag:

  • a. verlaagd met het bedrag dat wordt gevormd door het verschil tussen de geconstateerde oppervlakte en het minimum aantal te realiseren hectares te vermenigvuldigen met de beschikte hectareprijs, wanneer de afwijking kleiner dan of gelijk is aan 5%;
  • b. verlaagd met twee keer het bedrag dat voortvloeit uit onderdeel a, wanneer de afwijking meer dan 5% bedraagt, maar kleiner of gelijk is aan 25%;
  • c. verlaagd met drie keer het bedrag dat voortvloeit uit onderdeel a, wanneer de afwijking meer dan 25% bedraagt, maar kleiner of gelijk is aan 50%;
  • d. niet verstrekt wanneer de afwijking meer dan 50% bedraagt.
2.

De afwijking, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a tot en met d, wordt berekend door de som van de te realiseren minimum aantal hectares van elk leefgebied zoals opgenomen in de beschikking tot subsidieverlening te vergelijken met de som van het gerealiseerde aantal subsidiabele hectares van elk leefgebied, waarbij voor deze berekening het gerealiseerde aantal subsidiabele hectares per leefgebied niet groter kan zijn dan het maximum aantal hectares dat is opgenomen in de beschikking tot subsidieverlening voor het betreffende leefgebied.

3.

Indien de verlaging die op grond van dit artikel opgelegd moet worden groter is dan de jaarvergoeding voor het betreffende leefgebied, dan:

  • a. verrekent het bevoegd gezag het nog openstaande bedrag overeenkomstig artikel 31 van verordening (EU) 2022/128 of, indien dit niet mogelijk is;
  • b. vordert het bevoegd gezag het nog openstaande bedrag terug overeenkomstig artikel 1.7.
Artikel 2.6. Intekenen buiten bedrijfsperceel

Indien een agrarisch collectief in het betaalverzoek oppervlaktes opgeeft die geen bedrijfsperceel zijn, verstrekt het bevoegd gezag voor die oppervlaktes geen subsidie.

Artikel 2.7. Verhinderen controle of monitoringswerkzaamheden
1.

De jaarbetaling wordt door het bevoegd gezag geweigerd indien het agrarisch collectief verhindert dat door of namens het bevoegd gezag een controle ter plaatse wordt uitgevoerd.

2.

In afwijking van het eerste lid wordt, indien een deelnemer de uitvoering van de controle ter plaatse verhindert, door het bevoegd gezag geen jaarbetaling verstrekt voor de hectares waarmee die deelnemer in het betreffende jaar deelneemt aan het beheer.

3.

Indien het agrarisch collectief of een deelnemer verhindert dat door of namens het bevoegd gezag monitoringswerkzaamheden inzake het beheer worden uitgevoerd, wordt de jaarbetaling voor de beheeractiviteiten die zijn uitgevoerd op de oppervlakte waarop de monitoringswerkzaamheden betrekking hadden door het bevoegd gezag geweigerd of, indien de jaarbetaling voor die beheeractiviteiten reeds is uitbetaald, teruggevorderd overeenkomstig artikel 1.7.

Artikel 2.8. Niet-naleving administratieve verplichtingen
1.

Indien een agrarisch collectief niet voldoet aan de verplichtingen, bedoeld in artikel 3.11, onderdelen b en g, van de SVNL 2016, wordt de jaarbetaling door het bevoegd gezag verlaagd met 1% per werkdag dat niet voldaan wordt aan de betreffende subsidieverplichting.

2.

In afwijking van het eerste lid wordt de jaarbetaling door het bevoegd gezag geweigerd indien een agrarisch collectief de in artikel 3.11, onderdelen b en g, van de SVNL 2016 genoemde termijnen met meer dan 25 werkdagen overschrijdt.

3.

Indien een agrarisch collectief een opgave, wijziging of melding doet na het verstrijken van de daarvoor in de derde kolom van bijlage 2 gestelde termijn, wordt de jaarbetaling voor de betreffende beheeractiviteit door het bevoegd gezag verlaagd met 1% per werkdag dat niet voldaan wordt aan de betreffende termijn.

4.

In afwijking van het derde lid wordt de jaarbetaling voor de betreffende beheeractiviteit door het bevoegd gezag geweigerd indien een agrarisch collectief een opgave, wijziging of melding doet na het verstrijken van de daarvoor in de vierde kolom van bijlage 2 gestelde termijn.

5.

Indien uit het betaalverzoek blijkt dat een agrarisch collectief niet heeft voldaan aan de verplichting, bedoeld in artikel 3.11, onderdeel m, van de SVNL 2016, dan wordt door het bevoegd gezag geen jaarbetaling verstrekt voor de beheeractiviteit waarvan het leefgebied en de beheerfunctie niet overeenkomt met het leefgebied en de beheerfunctie van de als eerste opgegeven beheeractiviteit.

6.

Indien uit het betaalverzoek blijkt dat een agrarisch collectief niet heeft voldaan aan de verplichting, bedoeld in artikel 3.11, onderdeel n, van de SVNL 2016, dan wordt door het bevoegd gezag geen jaarbetaling verstrekt voor de beheeractiviteiten die op de betreffende oppervlakte zijn uitgevoerd, tenzij de overdracht van het recht tot gebruik van de betreffende oppervlakte plaatsvindt op of na 1 oktober.

7.

Indien een deelnemer niet heeft voldaan aan de verplichting, bedoeld in artikel 3.11a van de SVNL 2016, dan wordt door het bevoegd gezag geen jaarbetaling verstrekt voor de beheeractiviteiten die door de betreffende deelnemer op de betreffende oppervlakte zijn uitgevoerd, tenzij de overdracht van het recht tot gebruik van de betreffende oppervlakte plaatsvindt na 1 september.

8.

Indien een agrarisch collectief een activiteit wijzigt nadat het voornemen om een controle ter plaatse te verrichten kenbaar is gemaakt waarbij vervolgens een niet-naleving wordt geconstateerd, of nadat zij kennis krijgt dat bij een niet-aangekondigde controle ter plaatse een niet-naleving is geconstateerd, wordt de jaarbetaling voor die gewijzigde activiteit door het bevoegd gezag geweigerd.

9.

Indien een agrarisch collectief of een deelnemer binnen de daartoe gestelde termijn niet heeft voldaan aan de verplichting, bedoeld in artikel 3.11b van de SVNL 2016, wordt de jaarbetaling voor de betreffende activiteit door het bevoegd gezag geweigerd.

Artikel 2.9. Herhaalde niet-naleving
1.

In geval van een herhaalde niet-naleving van de in artikel 2.4, eerste lid, artikel 2.5, eerste lid, of artikel 2.8, eerste of derde lid, bedoelde subsidieverplichtingen, worden de in die artikelen genoemde administratieve sancties door het bevoegde gezag verhoogd met:

  • a. 1% bij een eerste herhaling van dezelfde niet-naleving;
  • b. 5% bij een tweede of verdere herhaling van dezelfde niet-naleving.
2.

In geval van een herhaalde niet-naleving van de in artikel 2.3, eerste lid, bedoelde subsidieverplichting, wordt de in dat artikel genoemde administratieve sanctie door het bevoegde gezag verhoogd met:

  • a. 5% bij een eerste herhaling van dezelfde niet-naleving;
  • b. 10% bij een tweede of verdere herhaling van dezelfde niet-naleving.
3.

Er is sprake van een herhaalde niet-naleving als bedoeld in het eerste lid wanneer dezelfde niet-naleving zich eenmaal herhaalt binnen drie opeenvolgende kalenderjaren vanaf en met inbegrip van het jaar waarin de niet-naleving heeft plaatsgevonden, doch niet eerder dan 2023.

Artikel 2.10. Niet-naleving van baselinevoorwaarden
1.

Indien een deelnemer één of meerdere baselinevoorwaarden als bedoeld in bijlage 3 niet naleeft, wordt voor de hectares waarop de niet-naleving heeft plaatsgevonden door het bevoegd gezag geen jaarbetaling verstrekt.

2.

Het bevoegd gezag past de in het eerste lid bedoelde administratieve sanctie slechts toe voor zover de niet-naleving verband houdt met het beheer waarmee de deelnemer in het betreffende jaar deelneemt, tenzij er sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 2.12, tweede lid.

3.

Indien de betreffende baselinevoorwaarde tevens een conditionaliteit is, laat de toepassing van het eerste en tweede lid de op het bevoegd gezag rustende verplichting onverlet om over de resterende hectares waarmee de deelnemer in het betreffende jaar deelneemt aan het beheer een administratieve sanctie overeenkomstig artikel 2.11 toe te passen.

Artikel 2.11. Niet-naleving van de conditionaliteiten
1.

Indien een deelnemer één of meerdere conditionaliteiten niet naleeft, wordt de jaarbetaling door het bevoegd gezag verlaagd.

2.

De administratieve sanctie, bedoeld in het eerste lid, wordt berekend overeenkomstig de artikelen 84, eerste lid, 85 van verordening (EU) 2021/2116 en hoofdstuk III van verordening (EU) 2022/1172, met dien verstande dat het daaruit resulterende verlagingspercentage wordt toegepast op het bedrag dat voortvloeit uit de vermenigvuldiging van de beschikte hectareprijs en het aantal hectares waarmee de deelnemer in het betreffende jaar deelneemt aan het beheer.

3.

De artikelen 32, 33 en 35 van de uitvoeringsregeling zijn van overeenkomstige toepassing. Waar in voornoemde artikelen gesproken wordt van ‘landbouwer’ en ‘de minister’ wordt voor de toepassing van het onderhavige artikel gelezen ‘deelnemer’ respectievelijk ‘het bevoegd gezag’.

4.

Het bevoegd gezag geeft geen toepassing aan artikel 84, tweede lid, onderdeel b, en artikel 88, tweede lid, onderdeel a, van verordening (EU) 2021/2116.

5.

In afwijking van het eerste lid wordt de jaarvergoeding door het bevoegd gezag niet verlaagd indien het landbouwareaal dat op 15 mei van het betreffende kalenderjaar tot het bedrijf van de betreffende deelnemer behoort, niet groter is dan 10 hectare.

Artikel 2.12. Inzet ANLb-beheer als bufferstrook
1.

Voor zover een deelnemer een oppervlakte waarmee hij in het betreffende jaar deelneemt aan het beheer inzet als bufferstrook, bedoeld in artikel 32, onderdeel b, in samenhang met bijlage 4, onder 4 en 4.a, van de uitvoeringsregeling, wordt door het bevoegd gezag geen jaarbetaling verstrekt voor zover in die bufferstrook een beheeractiviteit wordt uitgevoerd die is gericht op het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen of meststoffen, dan wel het geheel of gedeeltelijk afzien daarvan.

2.

Het in het kader van het beheer gebruiken van meststoffen of chemische gewasbeschermingsmiddelen in de in het eerste lid bedoelde bufferstrook is een niet-naleving als bedoeld in artikel 2.10.

3.

In afwijking van het tweede lid is geen sprake van een niet-naleving als in de bufferstrook chemische gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt voor de bestrijding van:

  • a. knolcyperus en invasieve exoten waarvoor een bestrijdingsverplichting geldt en door het bevoegde gezag een gewasaanzegging is gedaan of een teeltverbod is opgelegd, met inachtneming van de nationale regelgeving met betrekking tot de teeltvrije zone;
  • b. wilde haver waarvoor een bestrijdingsverplichting geldt, mits er een melding is gedaan bij het daartoe bevoegde gezag en bij de controle aantoonbaar kan worden gemaakt dat er sprake was van wilde haver op het perceel, met inachtneming van de nationale regelgeving met betrekking tot de teeltvrije zone.
Artikel 2.13. Intrekken certificaat

De beschikking tot subsidieverlening wordt met terugwerkende kracht tot de ingangsdatum van -het subsidietijdvak ingetrokken indien het in artikel 3.11, onderdeel h, van de SVNL 2016 bedoelde certificaat van het agrarisch collectief ingetrokken wordt.

Hoofdstuk 3. Voorschriften inzake overige plattelandsinterventies en sectorale interventies

Paragraaf 1. Algemene bepalingen

Artikel 3.1. Toepassingsbereik
1.

Deze paragraaf is van toepassing op plattelandsinterventies, met uitzondering van agrarisch natuur- en landschapsbeheer, en op sectorale interventies.

2.

In aanvulling op het eerste lid is paragraaf 2 van dit hoofdstuk van toepassing op subsidies die worden verstrekt op grond van hoofdstuk 5, titel 5.2 en 5.3, van de REES 2021.

3.

Dit hoofdstuk is, met uitzondering van paragraaf 3, niet van toepassing op subsidies verstrekt op grond van hoofdstuk 5, titel 5.5, van de REES 2021.

Artikel 3.2. Subsidie verlagen
1.

Het bevoegd gezag besluit over het verlagen van de subsidies, bedoeld in artikel 3.1, overeenkomstig hoofdstuk 1 en dit hoofdstuk en bijlage 4.

2.

De administratieve sanctie wordt bij de subsidievaststelling toegepast op het, overeenkomstig bijlage 4, tabel I, bepaalde verleende of vastgestelde, subsidiebedrag van de activiteit waarop de niet-naleving betrekking heeft.

3.

In afwijking van het tweede lid geldt voor de sectorale interventies dat de administratieve sanctie bij de vaststelling van een activiteit of uitgavenpost wordt toegepast op het aangevraagde subsidiebedrag voor die activiteit of uitgavenpost.

4.

In afwijking van het eerste lid kan het bevoegd gezag een hoger verlagingspercentage toepassen indien de ernst, omvang of het permanente karakter van de niet-naleving daar aanleiding toe geven.

5.

Indien sprake is van een andere niet-naleving dan bedoeld in bijlage 4, wordt een administratieve sanctie toegepast waarbij voor het verlagingspercentage wordt aangesloten bij de verlagingspercentages zoals opgenomen in Bijlage 4, deel I.

Artikel 3.3. Herstelmogelijkheden
1.

Het bevoegd gezag geeft pas toepassing aan artikel 3.2 nadat zij heeft geconstateerd dat een herstelmogelijkheid niet passend is.

2.

Een herstelmogelijkheid is in ieder geval niet passend als de niet-naleving een permanent karakter heeft of indien niet alsnog aan de gestelde verplichtingen kan worden voldaan.

3.

Het bevoegd gezag zorgt ervoor dat de hersteltermijn reëel is.

Artikel 3.4. Herhaalde niet-naleving
1.

In geval van een herhaalde niet-naleving verhoogt het bevoegd gezag de in bijlage 4, tabel I, genoemde percentages met:

  • a. 1 procentpunt bij de eerste herhaling van dezelfde niet-naleving;
  • b. 5 procentpunten bij de tweede of frequentere herhaling van dezelfde niet-naleving.
2.

Er is sprake is van een herhaalde niet-naleving als de niet-naleving binnen een subsidieverlening al eerder is geconstateerd ten aanzien van dezelfde begunstigde.

3.

In afwijking van het tweede lid wordt voor de sectorale interventie groenten en fruit bekeken of de niet-naleving binnen één operationeel programma wordt herhaald.

Artikel 3.5. Stapeling niet-nalevingen
1.

In geval van stapelingen van niet-nalevingen past het bevoegd gezag verlagingen toe in de volgorde van de hoogte van de op te leggen verlagingen, van hoog naar laag. Bij de achtereenvolgende verlagingen wordt steeds rekening gehouden met de reeds toegepaste verlaging.

2.

Bij meerdere aanbestedingsfouten in één en dezelfde opdracht is slechts de hoogste van de van toepassing zijnde verlagingen van toepassing.

3.

Het verlagingspercentage bedraagt maximaal 100% van de subsidieverlening.

Artikel 3.6. Aanbesteding
1.

Het bevoegd gezag past alleen een verlaging toe voor het niet naleven van de aanbestedingsregels als:

  • a. de subsidieontvanger aanbestedingsplichtig is op grond van de Aanbestedingswet 2012;
  • c. sprake is van een overtreding genoemd in bijlage 4, tabel II.
2.

Het bevoegd gezag past geen verlaging toe voor het niet naleven van de aanbestedingsregels als de niet-naleving slechts van formele aard is, zonder mogelijke financiële gevolgen.

Artikel 3.7. Controle verhinderen

Indien de begunstigde of zijn vertegenwoordiger de uitvoering van een controle verhindert, wordt de betrokken steun- of betalingsaanvraag afgewezen, behalve in gevallen als bedoeld in artikel 1.4.

Paragraaf 2. Specifieke bepalingen sectorale interventie groenten en fruit

Artikel 3.8. Algemeen niet-naleving
1.

Wanneer aan het einde van het meerjarige operationeel programma niet is voldaan aan de voorwaarden van artikel 50, derde lid en zevende lid, onderdelen a, b en c van verordening (EU) 2021/2115, wordt de totale steunbetaling voor het laatste jaar van het operationeel programma verlaagd naar evenredigheid van de bedragen aan verleende uitgaven over het meerjarige operationeel programma die niet aan de betreffende doelstellingen zijn besteed en wordt het kortingsbedrag met 2% verhoogd voor elk jaar van het meerjarige operationeel programma vanaf uitvoeringsjaar 2025 waarin niet aan de voorwaarden is voldaan.

2.

Indien over de volledige looptijd van een operationeel programma het maximum voor de uitgaven voor interventies, bedoeld in artikel 50, zevende lid, onderdeel d, van verordening 2021/2115, wordt overschreden, wordt de subsidie verlaagd tot het bedrag dat overeenkomt met dat percentage.

3.

Indien in aanvulling op artikel 3.7, een producentenorganisatie, inclusief haar leden of relevante vertegenwoordigers, de uitvoering van een controle verhindert in het kader van een verzoek tot erkenning of controle op de erkenningsvoorwaarden, wordt de goedkeuring van een operationeel programma of een vaststellingsaanvraag afgewezen.

Artikel 3.9. Uit de markt nemen
1.

Indien bij de in artikel 5.3.174 van de REES 2021 bedoelde controle blijkt dat producten niet voldoen aan de kwaliteitseisen of niet overeenkomen met de hoeveelheden die in de artikel 5.3.174 van de REES 2021 bedoelde melding zijn opgenomen, dan wordt slechts toestemming tot het uit de markt nemen van producten verleend, voor dat deel van de melding dat overeenkomt met de geconstateerde hoeveelheden of de hoeveelheden die voldoen aan de kwaliteitseisen.

2.

Indien blijkt dat de uit de markt genomen producten zijn weggewerkt in strijd met artikel 5.3.177 van de REES 2021 of indien het uit de markt nemen negatieve ecologische of fytosanitaire gevolgen heeft gehad, wordt de subsidie verlaagd tot het bedrag waarvoor de producten wel zijn weggewerkt in overeenstemming met artikel 5.3.177 van de REES 2021 of zonder negatieve ecologische of fytosanitaire gevolgen.

3.

Indien blijkt dat ontvangers van uit de markt genomen producten niet voldoen aan de aan hen gestelde eisen, worden zij:

  • a. uitgesloten van het recht op ontvangst van de producten die uit de markt zijn genomen; en
  • b. verplicht de waarde van door hen ontvangen producten plus de betrokken sorteer-, verpakkings- en vervoerskosten aan de minister te betalen;
4.

De in derde lid, onderdeel a, bedoelde uitsluiting wordt onmiddellijk van kracht en duurt ten minste één jaar met de mogelijkheid van verlenging.

Artikel 3.10. Niet oogsten
1.

Indien bij de in artikel 5.3.182 van de REES 2021 bedoelde controle blijkt dat producten niet voldoen aan de in artikel 17 van verordening (EU) 2022/126 gestelde eisen of het areaal niet overeenkomt met het areaal dat is opgegeven in de artikel 5.3.182 van de REES 2021 bedoelde melding, dan wordt slechts toestemming tot het niet oogsten gegeven voor dat areaal dat voldoet aan de gestelde eisen of dat overeenkomt met het geconstateerde areaal.

2.

Indien blijkt dat de niet geoogste producten zijn weggewerkt in strijd met artikel 5.3.184 van de REES 2021 of indien het niet oogsten negatieve ecologische of fytosanitaire gevolgen heeft gehad, wordt de subsidie verlaagd tot het bedrag waarvoor de producten wel zijn weggewerkt in overeenstemming met artikel 5.3.184 van de REES 2021 of zonder negatieve ecologische of fytosanitaire gevolgen.

Artikel 3.11. Groen oogsten
1.

Indien bij de in artikel 5.3.182 van de REES 2021 bedoelde controle blijkt dat producten niet voldoen aan de in artikel 17 van verordening (EU) 2022/126 gestelde eisen of het areaal niet overeenkomt met het areaal dat is opgegeven in de artikel 5.3.182 van de REES 2021 bedoelde melding, dan wordt slechts toestemming tot het groen oogsten gegeven voor dat areaal dat voldoet aan de gestelde eisen of dat overeenkomt met het geconstateerde areaal.

2.

Indien blijkt dat de groen geoogste producten zijn weggewerkt in strijd met artikel 5.3.184 van de REES 2021 of indien het groen oogsten negatieve ecologische of fytosanitaire gevolgen heeft gehad, wordt de subsidie verlaagd tot het bedrag waarvoor de producten wel zijn weggewerkt in overeenstemming met artikel 5.3.184 van de REES 2021 of zonder negatieve ecologische of fytosanitaire gevolgen.

Artikel 3.12. Inspanning producentenorganisatie

Indien een producentenorganisatie, na daartoe een dwingende aanwijzing te hebben ontvangen, naar het oordeel van de minister onvoldoende inspanningen heeft verricht om de projecten op zodanige wijze uit te voeren, dat alles in het werk is gesteld om de verwachte meetbare resultaten te behalen, dan wordt het vast te stellen subsidiebedrag verlaagd met het bedrag dat is gerelateerd aan de betreffende sectorale doelstelling van het betreffende project.

Artikel 3.13. Stoppen operationeel programma en beëindiging erkenning
1.

Indien een producentenorganisatie of unie van producentenorganisaties de uitvoering van haar operationele programma, ook in het geval van al dan niet vrijwillige intrekking van de erkenning, vóór het einde van de geplande looptijd ervan stopzet, worden geen verdere betalingen aan die organisatie of unie gedaan voor acties die na de datum van stopzetting worden uitgevoerd.

2.

De steun die vóór de stopzetting van het operationele programma is ontvangen voor subsidiabele acties, wordt teruggevorderd, indien:

  • a. de producentenorganisatie of unie van producentenorganisaties niet aan de erkenningscriteria heeft voldaan;
  • b. de in artikel 5.2.45 van de REES 2021 bedoelde meetbare resultaten, zoals vastgelegd in het operationele programma, niet zijn verwezenlijkt op het moment van stopzetting; of
  • c. de investeringen die met bijstand uit het actiefonds zijn gefinancierd, niet in het bezit blijven van en gebruikt worden door de producentenorganisatie, unie van producentenorganisaties of haar dochternemingen die aan het vereiste van 90% als bedoeld in artikel 31, zevende lid, van Verordening (EU) 2022/126 voldoen of haar leden tot ten minste het einde van de in artikel 5.2.63 van de REES 2021 bedoelde periode.

Paragraaf 3. Specifieke bepalingen brede weersverzekering

Artikel 3.14. Voorschriften inzake brede weersverzekering

Voor subsidies die worden verstrekt op grond van hoofdstuk 5, titel 5.5, van de REES 2021 geldt dat:

  • a. indien de verstrekte subsidie lager is dan de aangevraagde subsidie als gevolg van een bij besluit van de minister vastgestelde verlaging van de subsidie, de landbouwer de met dit verschil overeenkomende premie dient te voldoen aan de verzekeraar vóór 1 juli volgend op het jaar van de aanvraag;
  • b. indien de landbouwer niet of niet geheel het in onderdeel a bedoelde bedrag tijdig heeft betaald, de subsidie evenredig percentueel wordt verlaagd met het verschil tussen het bedrag dat tijdig is betaald en het bedrag dat had moeten zijn betaald;
  • c. indien blijkt dat de totale oppervlakte van de te verzekeren percelen zoals aangegeven in de subsidieaanvraag lager is dan de oppervlakte vermeld in de verzekeringspolis, de subsidie evenredig procentueel wordt verlaagd met het vastgestelde verschil.

Hoofdstuk 4. Slotbepalingen

Artikel 4.1. Intrekking en overgangsrecht

De Beleidsregel verlagen subsidie POP wordt ingetrokken maar blijft van toepassing ten aanzien van subsidieverleningen voor plattelandsontwikkeling in het kader van verordening (EU) nr. 1305/2013.

Artikel 4.2. Citeertitel

Deze beleidsregel wordt aangehaald als: Beleidsregel verlagen subsidie GLB.

Artikel 4.3. Inwerkingtreding

Deze beleidsregel treedt in werking met ingang 1 januari 2023.

Bijlage 1. Verlagingen ANLb-beheer als bedoeld in artikel 2.3, eerste lid

Omvang, ernst en duur Effect op 0%–25% van de beheerde oppervlakte Effect op 25%–50% van de beheerde oppervlakte Effect op 50%–100% van de beheerde oppervlakte
Afwijking heeft weinig effect op het realiseren van de doelstelling van de beheeractiviteit, en is binnen een termijn van maximaal 3 maanden te herstellen Geen verlaging Geen verlaging Geen verlaging
Heeft weinig effect op de realisatie doelstelling van de beheeractiviteit. Verlaging bedraagt 10% van de betaling in het jaar dat de niet-naleving heeft plaatsgevonden. Verlaging bedraagt 15% van de betaling in het jaar dat de niet-naleving heeft plaatsgevonden. Verlaging bedraagt 30% van de betaling in het jaar dat de niet-naleving heeft plaatsgevonden.
Heeft een aanzienlijk effect op de realisatie van de doelstelling van de beheeractiviteit. Verlaging bedraagt 15% van de betaling in het jaar dat de niet-naleving heeft plaatsgevonden. Verlaging bedraagt 30% van de betaling in het jaar dat de niet-naleving heeft plaatsgevonden. Verlaging bedraagt 60% van de betaling in het jaar dat de niet-naleving heeft plaatsgevonden.
De realisatie van de doelstelling van de beheeractiviteit komt in gevaar. Verlaging bedraagt 30% van de betaling in het jaar dat de niet-naleving heeft plaatsgevonden. Verlaging bedraagt 60% van de betaling in het jaar dat de niet-naleving heeft plaatsgevonden. Verlaging bedraagt 100% van de betaling in het jaar dat de niet-naleving heeft plaatsgevonden.

Bijlage 1. Verlagingen ANLb-beheer als bedoeld in artikel 2.3, eerste lid

Omvang, ernst en duur Effect op 0%–25% van de beheerde oppervlakte Effect op 25%–50% van de beheerde oppervlakte Effect op 50%–100% van de beheerde oppervlakte
Afwijking heeft weinig effect op het realiseren van de doelstelling van de beheeractiviteit, en is binnen een termijn van maximaal 3 maanden te herstellen Geen verlaging Geen verlaging Geen verlaging
Heeft weinig effect op de realisatie doelstelling van de beheeractiviteit. Verlaging bedraagt 10% van de betaling in het jaar dat de niet-naleving heeft plaatsgevonden. Verlaging bedraagt 15% van de betaling in het jaar dat de niet-naleving heeft plaatsgevonden. Verlaging bedraagt 30% van de betaling in het jaar dat de niet-naleving heeft plaatsgevonden.
Heeft een aanzienlijk effect op de realisatie van de doelstelling van de beheeractiviteit. Verlaging bedraagt 15% van de betaling in het jaar dat de niet-naleving heeft plaatsgevonden. Verlaging bedraagt 30% van de betaling in het jaar dat de niet-naleving heeft plaatsgevonden. Verlaging bedraagt 60% van de betaling in het jaar dat de niet-naleving heeft plaatsgevonden.
De realisatie van de doelstelling van de beheeractiviteit komt in gevaar. Verlaging bedraagt 30% van de betaling in het jaar dat de niet-naleving heeft plaatsgevonden. Verlaging bedraagt 60% van de betaling in het jaar dat de niet-naleving heeft plaatsgevonden. Verlaging bedraagt 100% van de betaling in het jaar dat de niet-naleving heeft plaatsgevonden.

Bijlage 1. Verlagingen ANLb-beheer als bedoeld in artikel 2.3, eerste lid

Omvang, ernst en duur Effect op 0%–25% van de beheerde oppervlakte Effect op 25%–50% van de beheerde oppervlakte Effect op 50%–100% van de beheerde oppervlakte
Afwijking heeft weinig effect op het realiseren van de doelstelling van de beheeractiviteit, en is binnen een termijn van maximaal 3 maanden te herstellen Geen verlaging Geen verlaging Geen verlaging
Heeft weinig effect op de realisatie doelstelling van de beheeractiviteit. Verlaging bedraagt 10% van de betaling in het jaar dat de niet-naleving heeft plaatsgevonden. Verlaging bedraagt 15% van de betaling in het jaar dat de niet-naleving heeft plaatsgevonden. Verlaging bedraagt 30% van de betaling in het jaar dat de niet-naleving heeft plaatsgevonden.
Heeft een aanzienlijk effect op de realisatie van de doelstelling van de beheeractiviteit. Verlaging bedraagt 15% van de betaling in het jaar dat de niet-naleving heeft plaatsgevonden. Verlaging bedraagt 30% van de betaling in het jaar dat de niet-naleving heeft plaatsgevonden. Verlaging bedraagt 60% van de betaling in het jaar dat de niet-naleving heeft plaatsgevonden.
De realisatie van de doelstelling van de beheeractiviteit komt in gevaar. Verlaging bedraagt 30% van de betaling in het jaar dat de niet-naleving heeft plaatsgevonden. Verlaging bedraagt 60% van de betaling in het jaar dat de niet-naleving heeft plaatsgevonden. Verlaging bedraagt 100% van de betaling in het jaar dat de niet-naleving heeft plaatsgevonden.

Bijlage 2. Opgave-, wijzigings- en meldingstermijnen ANLb als bedoeld in de artikelen 2.4, tweede lid, en 2.8, derde en vierde lid

Verplichting Korting met 1% per werkdag indien de onderstaande termijnen worden overschreden: Geen jaarbetaling indien de onderstaande termijnen worden overschreden:
Artikel 3.11, onderdeel d, van de SVNL 2016 (opgave en wijzigen van beheeractiviteiten) • Opvoeren nieuwe activiteiten c.q. wijzigen van activiteiten Uiterlijk 7 kalenderdagen voor het starten van de activiteit Daags voor de start van de activiteit
Artikel 3.11, onderdeel d, van de SVNL 2016 (opgave en wijzigen van beheeractiviteiten) • periode verlengen (=verlengen rustperiode of inundatieperiode) 7 kalenderdagen vóór de oorspronkelijke einddatum Daags voor de oorspronkelijke einddatum
Artikel 3.11, onderdeel d, van de SVNL 2016 (opgave en wijzigen van beheeractiviteiten) • periode verkorten (=verkorten of naar voren halen rustperiode of inundatieperiode) 7 kalenderdagen voor de nieuwe einddatum Daags voor de nieuwe einddatum
Artikel 3.11, onderdeel d, van de SVNL 2016 (opgave en wijzigen van beheeractiviteiten) • Opvoeren c.q. wijzigen startdatum1 7 kalenderdagen voor de (nieuwe) startdatum Daags voor de (nieuwe) startdatum
Artikel 3.11, onderdeel d, van de SVNL 2016 (opgave en wijzigen van beheeractiviteiten) • Opvoeren c.q. wijzigen ingangsdatum aanwezigheid gewasresten (activiteit 9)2 7 kalenderdagen voor de (nieuwe) ingangsdatum aanwezigheid van de gewasresten Daags voor de (nieuwe) ingangsdatum aanwezigheid van de gewasresten
Artikel 3.11, onderdeel l, van de SVNL 2016 (melden uitvoeren van beheeractiviteiten) • Activiteit 5 (melden van startdatum rustperiode)3 n.v.t. 7 kalenderdagen na startdatum rustperiode
Artikel 3.11, onderdeel l, van de SVNL 2016 (melden uitvoeren van beheeractiviteiten) • Activiteit 6 (bemesten met vaste strorijke mest (ruige stalmest) of het gebruik van een bodemverbeteraar) n.v.t. Uiterlijk 14 kalenderdagen na uitvoering4
Artikel 3.11, onderdeel l, van de SVNL 2016 (melden uitvoeren van beheeractiviteiten) • Activiteit 16 (schoonmaken van watergangen) 14 kalenderdagen na uitvoering4 Uiterlijk 28 kalenderdagen na uitvoering4
Artikel 3.11, onderdeel l, van de SVNL 2016 (melden uitvoeren van beheeractiviteiten) • Activiteit 22 (snoeien) 14 kalenderdagen na uitvoering, doch uiterlijk 28 maart (m.b.t. snoeien in de periode 16 juli jaar x-1 tot 15 maart jaar x)5 Uiterlijk 28 kalenderdagen na uitvoering, doch uiterlijk 11 april (m.b.t. snoeien in de periode 16 juli jaar x-1 tot 15 maart jaar x)5
Artikel 3.11, onderdeel l, van de SVNL 2016 (melden uitvoeren van beheeractiviteiten) • Activiteit 23 (maaien en/of schonen) 14 kalenderdagen na uitvoering4 Uiterlijk 28 kalenderdagen na uitvoering4
Artikel 3.11, onderdeel l, van de SVNL 2016 (melden uitvoeren van beheeractiviteiten) • Activiteit 26 (spuiten van bagger) n.v.t. Uiterlijk 14 kalenderdagen na uitvoering4
Artikel 3.11, onderdeel l, van de SVNL 2016 (melden uitvoeren van beheeractiviteiten) • Activiteit 30 (onderwerken bodemverbeteraar) n.v.t. Uiterlijk 14 kalenderdagen na uitvoering4

1 Het opvoeren van de startdatum van de rustperiode in het kader van activiteit 5 valt hier niet onder. Een eventuele wijziging van de startdatum wél.

2 Melding is niet nodig indien de periode van aanwezigheid van de gewasresten al gedefinieerd is.

3 Melding is niet nodig indien de startdatum van de rustperiode al gedefinieerd is.

4 Zie artikel 2.8a.

5 Het snoeien in de periode 16 juli t/m 31 december 2022 telt niet mee voor het beheerjaar 2023.

Deze beleidsregel zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Artikel 2.8a. Subsidiabiliteit activiteiten 6, 16, 23, 26 en 30 van de SVNL2016
1.

In afwijking van artikel 2.8, derde en vierde lid, zijn de activiteiten 6, 16, 23, 26 of 30, bedoeld in bijlage 2, indien deze worden uitgevoerd na 17 november, voor het betreffende kalenderjaar alleen subsidiabel indien:

  • a. de activiteiten uiterlijk 15 december zijn uitgevoerd, en;
  • b. in afwijking van hetgeen in de derde en vierde kolom van bijlage 2 ten aanzien van de hierboven genoemde activiteiten is bepaald, de melding door het agrarisch collectief is gedaan binnen de termijn die voortvloeit uit de toepassing van het tweede en derde lid van dit artikel.
2.

De uiterste meldingstermijn, bedoeld in bijlage 2, derde kolom, wordt telkens met één kalenderdag verminderd voor elke kalenderdag dat de betreffende activiteit na 1 december wordt uitgevoerd.

3.

De uiterste meldingstermijn, bedoeld in bijlage 2, vierde kolom, wordt telkens met één kalenderdag verminderd voor elke kalenderdag dat de betreffende activiteit na 17 november wordt uitgevoerd.

4.

Indien de betreffende activiteit wordt uitgevoerd tussen 18 november en 1 december, maar de melding van het uitvoeren daarvan door het agrarisch collectief wordt gedaan op of ná 2 december, wordt de jaarbetaling voor de betreffende activiteit door het bevoegd gezag verlaagd met 1% per werkdag dat de melding méér dan 14 kalenderdagen na de uitvoering daarvan is gedaan.

5.

De jaarbetaling voor de betreffende beheeractiviteit wordt door het bevoegd gezag geweigerd indien de melding van het uitvoeren daarvan door het agrarisch collectief wordt gedaan ná 15 december.

Hoofdstuk 3. Voorschriften inzake overige plattelandsinterventies en sectorale interventies

Paragraaf 1. Algemene bepalingen

Paragraaf 2. Specifieke bepalingen sectorale interventie groenten en fruit

Paragraaf 3. Specifieke bepalingen brede weersverzekering

Hoofdstuk 4. Slotbepalingen

Bijlage 3. Baselinevoorwaarden ANLb als bedoeld in artikel 2.10

Nr. beheeractiviteit Nederlands wetgevingskader Artikelen Onderwerp van controle Aanvullende opmerking
1 Besluit activiteiten leefomgeving Artikel 11.37 Het verbod om bepaalde vogelsoorten te doden, te vangen of te verstoren, alsmede om hun nesten, rustplaatsen of eieren te vernielen, te beschadigen of weg te nemen. Alleen voor zover de activiteit gericht is op het beschermen van vogels.
5 Besluit activiteiten leefomgeving Artikel 11.37 Het verbod om bepaalde vogelsoorten te doden, te vangen of te verstoren, alsmede om hun nesten, rustplaatsen of eieren te vernielen, te beschadigen of weg te nemen. Alleen voor zover de activiteit gericht is op het beschermen van vogels d.m.v. een rustperiode, nestenclave of nestbeschermer.
6 Meststoffenwet in samenhang met de Uitvoeringsregeling meststoffenwet Artikel 7 jo. de artikelen 8, onderdeel a en b, 9-en 12, eerste -lid, van de Meststoffenwet jo. de artikelen 24 tot en met 27c van de Uitvoeringsregeling meststoffenwet Het verbod in enig kalenderjaar op een bedrijf meststoffen op of in de bodem te brengen, tenzij de gebruiksnorm voor dierlijke meststoffen in acht is genomen. Alleen voor zover de activiteit gericht is op het uitrijden van vaste strorijke mest (ruige stalmest) of het gebruik van een toegestane bodemverbeteraar1 die geheel of gedeeltelijk bestaat uit vaste mest.
6 Meststoffenwet in samenhang met de Uitvoeringsregeling meststoffenwet Artikel 7 jo. de artikelen 8, onderdelen b en c, 10, 11 en 12, tweede tot en met vijfde lid, van de Meststoffenwet jo. de artikelen 28 tot en met 33c van de Uitvoeringsregeling meststoffenwet Het verbod in enig kalenderjaar op een bedrijf meststoffen op of in de bodem te brengen, tenzij de stikstofgebruiksnorm en de fosfaatgebruiksnorm in acht is genomen. Alleen voor zover de activiteit gericht is op het uitrijden van vaste strorijke mest (ruige stalmest) of het gebruik van een toegestane bodemverbeteraar die tevens een meststof is.
6 Besluit activiteiten leefomgeving Artikel 4.1187 Het verbod op het gebruik, voor zover het vaste mest betreft, in de van de grondsoort afhankelijke periode. Alleen voor zover de activiteit gericht is op het uitrijden van vaste strorijke mest (ruige stalmest) of het gebruik van een toegestane bodemverbeteraar1 die geheel of gedeeltelijk bestaat uit vaste mest.
6 Besluit activiteiten leefomgeving Artikel 4.723i Het verbod om in een teeltvrije zone meststoffen te gebruiken, tenzij de daarbij behorende voorschriften in acht zijn genomen. Alleen voor zover de activiteit in een teeltvrije zone wordt uitgevoerd.
6 Besluit activiteiten leefomgeving Artikel 4.723j Het verbod om op braakliggende landbouwgrond binnen 50 cm vanaf de insteek van een oppervlaktewaterlichaam meststoffen te gebruiken. Alleen voor zover de activiteit in de in de hiernaast bedoelde zone wordt uitgevoerd.
6 Besluit activiteiten leefomgeving Artikel 4.1199c Het verbod om in een verplichte bufferstrook meststoffen te gebruiken. Alleen voor zover de activiteit in een verplichte bufferstrook wordt uitgevoerd.
Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen in samenhang met de Vrijstellingsregeling plantenresten Artikel 3, eerste en tweede lid, onderdeel c, van het Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen in samenhang met artikel 2 van de Vrijstellinsgregeling plantenresten Het verbod plantenresten in of op de bodem te brengen tenzij hiervoor een vrijstelling geldt, en mits de daarbij behorende voorwaarden in acht worden genomen Alleen voor zover de activiteit gericht is op het gebruik van een toegestane bodemverbeteraar, niet zijnde een meststof
7 Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden Artikel 20, eerste lid, slechts in samenhang met artikel 55, eerste en tweede zin, van Verordening (EG) nr. 1107/2009 De verplichting dat een middel dat gebruikt wordt als gewasbeschermingsmiddel, in Nederland toegelaten moet zijn. Het gewasbeschermingsmiddel moet gebruikt worden volgens de voorschriften die ‘overeenkomstig artikel 31 zijn vastgesteld en op het etiket nader zijn aangegeven’.
7 Besluit activiteiten leefomgeving Artikel 4.723d jo. de artikelen 4.723e tot en met 4.723g Het verbod om in een teeltvrije zone gewasbeschermingsmiddelen te gebruiken, tenzij de daarbij behorende voorschriften in acht zijn genomen. Alleen voor zover de activiteit in een teeltvrije zone wordt uitgevoerd.
7 Besluit activiteiten leefomgeving Artikel 4.723h Het verbod om op braakliggende landbouwgrond binnen 50cm vanaf de insteek van een oppervlaktewaterlichaam gewasbeschermingsmiddelen te gebruiken. Alleen voor zover de activiteit in de in de hiernaast bedoelde zone wordt uitgevoerd.
7 Uitvoeringsregeling GLB 2023 in samenhang met de Beleidregel verlagen subsidie GLB Artikel 32, onderdeel b, jo. bijlage 4, paragraaf 2, onder 4 en 4a van de Uitvoeringsregeling GLB 2023 in samenhang met artikel 2.12, derde lid van de Beleidsregel verlagen subsidie GLB Het verbod om in een verplichte bufferstrook chemische gewasbeschermingsmiddelen of biociden te gebruiken, tenzij dit nodig is ter bestrijding van de in artikel 2.12, derde lid, bedoelde plantensoorten en de daarbij horende voorschriften in acht zijn genomen. Alleen voor zover de activiteit in een verplichte bufferstrook wordt uitgevoerd.
19a Besluit activiteiten leefomgeving Artikel 11.54, eerste lid, onderdeel c jo. bijlage, onderdeel IX, onder B Het verbod om bepaalde vaatplanten in hun natuurlijke verspreidingsgebied te plukken, te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Alleen voor zover de activiteit gericht is op het beschermen van vaatplanten van de soort akkerboterbloem, bosboterbloem, groene nachtorchis, kalkboterbloem, kleine ereprijs, liggende ereprijs of vroege ereprijs.
22 Besluit activiteiten leefomgeving Artikelen 11.126, 11.128 en 11.129 Het verbod om een houtopstand (anders dan bij wijze van dunning) zonder voorafgaande tijdige kennisgeving of in strijd met een kapverbod te (doen) vellen, of te (doen) vellen zonder deze te herbeplanten op een bosbouwkundig verantwoorde wijze. Geldt niet zover de activiteit wordt uitgevoerd op een houtopstand als bedoeld in artikel 11.111, tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving
22 Uitvoeringsregeling GLB 2023 Artikel 32, onderdeel b, jo. bijlage 4, paragraaf 4, onder 8, negende lid Het verbod om heggen en bomen te snoeien in de periode 15 maart t/m 15 juli en in het geval buiten die periode door vogels wordt gebroed.
30 Meststoffenwet in samenhang met de Uitvoeringsregeling meststoffenwet Artikel 7 jo. de artikelen 8, onderdelen b en c, 10, 11 en 12, tweede tot en met vijfde lid, van de Meststoffenwet jo. de artikelen 28 tot en met 33c van de Uitvoeringsregeling meststoffenwet Het verbod in enig kalenderjaar op een bedrijf meststoffen op of in de bodem te brengen, tenzij de stikstofgebruiksnorm en de fosfaatnorm in acht zijn genomen. Alleen voor zover de activiteit gericht is op het gebruik van een toegestane bodemverbeteraar1 in de vorm van compost
30 Besluit activiteiten leefomgeving Artikel 4.723i Het verbod om in een teeltvrije zone meststoffen te gebruiken, tenzij de daarbij behorende voorschriften in acht zijn genomen. Alleen voor zover de activiteit in een teeltvrije zone wordt uitgevoerd.
30 Besluit activiteiten leefomgeving Artikel 4.723j Het verbod om op braakliggende landbouwgrond binnen 50cm vanaf de insteek van een oppervlaktewaterlichaam meststoffen te gebruiken. Alleen voor zover de activiteit in de in de hiernaast bedoelde zone wordt uitgevoerd.
30 Besluit activiteiten leefomgeving Artikel 4.1199c Het verbod om in een verplichte bufferstrook meststoffen te gebruiken. Alleen voor zover de activiteit in een verplichte bufferstrook wordt uitgevoerd.
Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen in samenhang met de Vrijstellingsregeling plantenresten Artikel 3, eerste en tweede lid, onderdeel c, van het Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen in samenhang met artikel 2 van de Vrijstellinsgregeling plantenresten Het verbod plantenresten in of op de bodem te brengen tenzij hiervoor een vrijstelling geldt, en mits de daarbij behorende voorwaarden in acht worden genomen Alleen voor zover de activiteit gericht is op het gebruik van een toegestane bodemverbeteraar1, niet zijnde een meststof
Wet milieubeheer in samenhang met de Uitvoeringsregeling GLB 2023 Artikel 10.63, eerste lid, van de Wet milieubeheer in samenhang met artikel 32, onderdeel b, jo. bijlage 4, paragraaf 1, onder 3, van de Uitvoeringsregeling GLB 2023 Het verbod om gewasresten op bouwland na de oogst te verbranden zonder vergunning van het college van Burgemeester en Wethouders.
38 Besluit activiteiten leefomgeving Artikel 11.54, eerste lid, onderdelen a en b jo. bijlage IX, onder A Het verbod om in het wild levende zoogdieren, bedoeld in bijlage IX, onder A, van het Besluit activiteiten leefomgeving opzettelijk te doden of te vangen, alsmede om hun vaste voortplantings- en rustplaatsen opzettelijk te beschadigen of te vernielen. Alleen voor zover het gaat om de predatorsoort vos
38 Wet dieren Artikel 2.1 Het verbod bij een dier zonder redelijk doel of op onevenredige wijze pijn of letsel te veroorzaken, dan wel de gezondheid en welzijn van het dier te benadelen Alleen voor zover het gaat om de predatorsoorten vos en (verwilderde) kat
38 Wet dieren jo. Besluit houders van dieren Artikel 2.10 Wet dieren jo. artikel 1.9 Besluit houders van dieren Het verbod bepaalde diersoorten te doden Alleen voor zover het gaat om de predatorsoort (verwilderde) kat

1 Zie www.bij12.nl/onderwerpen/natuur-en-landschap/subsidiestelsel-natuur-en-landschap/agrarisch-natuurbeheer-anlb/

Deze beleidsregel zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Artikel 3.13a. Redelijke werkelijke kosten

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)