Besluit van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking van 14 januari 2023, nr. Min-BuZa.2022.14764-36, tot vaststelling van beleidsregels en een subsidieplafond voor subsidiëring op grond van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 (Subsidieprogramma Bodemvruchtbaarheid)
Gelet op de artikelen 6 en 7 van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken;
Gelet op artikel 5.1. van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006;
Besluit:
Artikel 1
Voor subsidieverlening op grond van artikel 5.1 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 op het terrein van voedselzekerheid in het kader van het Subsidieprogramma Bodemvruchtbaarheid, gelden voor de periode vanaf de inwerkingtreding van dit besluit tot en met 31 december 2033 de als bijlage bij dit besluit gevoegde beleidsregels.
Artikel 2
Voor het in het artikel 1 genoemde tijdvak geldt een subsidieplafond van € 200 miljoen, onder het voorbehoud dat de begrotingswetgever voldoende middelen beschikbaar stelt.
De middelen die beschikbaar zijn op grond van het in het eerste lid genoemde subsidieplafond zijn als volgt verdeeld over de volgende twee regio’s:
- a. € 100.000.000 is beschikbaar voor subsidieverlening voor activiteiten in de Sahel/West Afrika;
- b. € 100.000.000 is beschikbaar voor subsidieverlening voor activiteiten in Oost en Centraal Afrika.
Artikel 3
Uit oogpunt van doelmatigheid geldt dat niet meer dan één subsidieaanvrager voor subsidieverlening in aanmerking zal kunnen komen ten laste van elk van de artikel 2, tweede lid, bedoelde subsidieplafonds. Van alle aanvragen die zijn gericht op ofwel de regio genoemd in artikel 2, tweede lid, sub a, ofwel de regio genoemd in artikel 2, tweede lid, sub b, en die voldoen aan de criteria, neergelegd in de in artikel 1 genoemde beleidsregels, zal slechts de aanvraag die het beste aan die criteria voldoet voor subsidie in aanmerking kunnen komen.
Artikel 4
Aanvragen voor subsidie in het kader van het Subsidieprogramma Bodemvruchtbaarheid worden ingediend in de periode vanaf 25 januari 2023 tot en met 31 maart 2023, 17.00 uur CET, aan de hand van het daartoe door de minister vastgestelde aanvraagformulier en voorzien van de op het aanvraagformulier gevraagde bescheiden.1Het aanvraagformulier wordt geplaatst op https://www.rijksoverheid.nl/ministeries/ministerie-van-buitenlandse-zaken/documenten/publicaties/2023/01/17/subsidieprogramma-bodemvruchtbaarheid. Een overzicht van welke informatie in welke fase van de selectieprocedure moet worden aangeleverd is te vinden in Hoofdstuk 6 van de bijlage bij dit besluit.
Artikel 5
Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en vervalt met ingang van 1 januari 2034, met dien verstande dat het van toepassing blijft op de subsidie die voor die tijd is verleend.
Subsidiebeleidskader subsidieprogramma bodemvruchtbaarheid
Dit subsidiebeleidskader vormt de leidraad voor de beoordeling van subsidieaanvragen in het kader van een subsidieprogramma gericht op bodemvruchtbaarheid, vanaf hier het Subsidieprogramma Bodemvruchtbaarheid genoemd. De specifieke eisen en criteria in dit subsidiebeleidskader vloeien voort uit de beleidskaders voor de inzet van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking (BHOS) in sub-Sahara Afrika op het gebied van voedselzekerheid, water en klimaat. Via internet is een Engelse vertaling van het subsidiebeleidskader beschikbaar.3https://www.rijksoverheid.nl/ministeries/ministerie-van-buitenlandse-zaken/documenten/publicaties/2023/01/17/subsidieprogramma-bodemvruchtbaarheid
1. Achtergrond en probleemstelling
Gebaseerd op de Sustainable Development Goals (SDG’s), met name SDG 2 (Zero Hunger), en in lijn met de UN Food Systems Summit van 2021, beoogt het beleid voor BHOS voedselsystemen te verduurzamen en weerbaarder te maken op een wijze die bijdraagt aan het behoud van ecosystemen, weerbaarheid tegen klimaatverandering versterkt en land- en bodemkwaliteit verbetert. Zie de Kamerbrief Voedselzekerheid ‘Op weg naar een wereld zonder honger in 2030: de Nederlandse inzet’ (Kamerstuk 33 625-280)4Platform open overheidsinformatie.
In de uitvoering van dit beleid komt de aandacht voor bodemvruchtbaarheid vooralsnog onvoldoende uit de verf. Weliswaar vormt beheer van bodemvruchtbaarheid een integraal onderdeel van interventies gericht op duurzame ontwikkeling van voedselproductiesystemen, echter, uitkomsten op gebied van productiviteit en inkomen zijn daarbij leidend (en meetbaar) en niet bodemvruchtbaarheid. De resultaten op aantal hectare land onder duurzaam gebruik blijven daarom vooralsnog achter ten opzichte van de gestelde doelen. Dit terwijl duurzaam bodemvruchtbaarheidsbeheer op langere termijn cruciaal is voor duurzame landbouw, voedselzekerheid en rurale ontwikkeling. De Minister voor BHOS wil daarom aan de huidige voedselzekerheidsportefeuille nieuwe activiteiten op het gebied van bodemvruchtbaarheid toevoegen. Deze activiteiten zullen moeten bijdragen aan de Nederlandse inzet op SDG2: het realiseren van ecologisch houdbare voedselproductiesystemen en een significante bijdrage leveren aan de gestelde doelen voor 2030 (het verduurzamen van de productiviteit en het herstelvermogen van 8 miljoen hectare landbouwgrond).
Er is voor gekozen om een subsidieprogramma te richten op bodemvruchtbaarheid in twee regio’s in sub-Sahara Afrika: de West Afrikaanse (Sudano-)Sahel regio en de Oost Afrikaanse regio. In beide gebieden is sprake van bodemuitputting en is bodemvruchtbaarheid een van de belangrijkste limiterende factoren voor verhoging van de voedselproductie, terwijl honger en ondervoeding hoog zijn en toenemen. Het gaat hier om een samenhangende problematiek van armoede, conflict, instabiliteit, lage landbouwproductiviteit, degradatie van bodem en vegetatie, klimaatverandering, waterschaarste, bevolkingsgroei en (jeugd)werkloosheid. Daarbij zijn het overheidsbeleid en de wet- en regelgeving, en handhaving hiervan, rond land- en watergebruik en landbouwontwikkeling veelal zwak.
Met name klimaatverandering (droogte, hogere temperaturen en intensere regenval) heeft een directe weerslag op bodemvruchtbaarheid in een context waarin de productiviteit laag is, vruchtbaar land en water steeds schaarser worden en bodems degraderen als gevolg van onvoldoende/te eenzijdige bemesting, te weinig hersteltijd, te weinig gewasrotatie, erosie en overbegrazing. Tegelijkertijd kunnen juist investeringen in de landbouw en (nomadische en sedentaire) veehouderij, waarin 80–90% van de bevolking werkzaam is, een groot verschil maken met het oog op armoedebestrijding en ontwikkeling, vooral gezien de toegenomen koopkracht en afzetmogelijkheden in (klein)stedelijke centra5Cilliers et al. 2019: Prospects for the G5 Sahel countries.. Inzet op zowel weerbaarheid op korte termijn als adaptatie op de lange termijn is daarom van essentieel belang. De rol van vrouwen is hierbij cruciaal. Vrouwen spelen in de regio een sleutelrol op het gebied van beheer van natuurlijke hulpbronnen en in de voedselvoorziening en dus landbouw, te meer waar jonge mannen het platteland verlaten. Een betere toegang voor vrouwen tot, en controle over, productiemiddelen (land, mest, water, krediet, voorlichting) en kennis kan de voedselzekerheid aanzienlijk vergroten.
2. Afbakening
2.1. Doelstelling en aanpak
Om in aanmerking te kunnen komen voor subsidie in het kader van het Subsidieprogramma Bodemvruchtbaarheid dienen activiteiten uitvoering te geven aan een door de aanvrager ontwikkelde Theory of Change (ToC) gericht op de volgende doelstelling:
Realiseren van duurzaam bodemvruchtbaarheidsbeheer, dat bijdraagt aan een ecologisch houdbare voedselproductiviteitsverbetering en toegenomen weerbaarheid en schokbestendigheid van kleinschalige boeren en/of veehouders in de Sahel/West Afrika en Oost en Centraal Afrika.
2.2. Kader voor de Theory of Change
Om bovenstaand doel te bereiken dient een Theory of Change te worden uitgewerkt.
In de Theory of Change dient aangegeven te worden hoe de volgende duurzame impact gerealiseerd wordt:
Om deze impact te bewerkstellingen heeft het Subsidieprogramma Bodemvruchtbaarheid een looptijd van 10 jaar.
Aanpak
Bodemvruchtbaarheidsbeheer vormt de kern van aanpak en resultaatbereik. Ecologische houdbaarheid wordt daarbij context-specifiek ingevuld (geen one-size-fits-all oplossingen), met het oog op duurzame impact. Dat laatste vereist een brede benadering. Zie schematische weergave hieronder.
Met als uitgangspunt bodemvruchtbaarheidsbeheer is het van belang dat relevante aspecten van het landbouw- en voedselsysteem in ogenschouw worden genomen, in zoverre ze noodzakelijk zijn om de duurzaamheid van verbeterde bodemvruchtbaarheid te garanderen. Omdat dit subsidieprogramma zich voornamelijk richt op bodemvruchtbaarheid, is het zaak dat wordt aangesloten bij andere programma’s/interventies die inzetten op de bovengenoemde relevante aspecten (landschap, randvoorwaarden).
Er dient nadrukkelijk te worden voortgebouwd op in de afgelopen decennia opgebouwde kennis en ervaring. De nadruk kan zowel liggen op het uitbreiden en opschalen van bewezen effectieve benaderingen en interventies als op innovaties, beide in aansluiting op grotere regionale initiatieven. Om schaal te bereiken is het bovendien belangrijk dat activiteiten goed ingebed zijn in de lokale context en een aanzienlijk bereik hebben. Aansluiting bij vigerende nationaal/lokaal beleid en strategieën evenals het betrekken van lokale actoren is essentieel, evenals een expliciete exit-strategie.
Voor het zo effectief en efficiënt mogelijk bijdragen aan de algemene doelstelling van het Subsidieprogramma Bodemvruchtbaarheid zijn voor de aanpak de volgende punten van belang:
Landen/geografische keuze
Bodemvruchtbaarheid wordt bepaald door een combinatie van algemene biofysische bodemeigenschappen en klimatologische omstandigheden en locatie-specifieke variaties in bodemgesteldheid, reliëf en waterhuishouding. Daarnaast is bodembeheer op lokaal niveau een belangrijke factor. Afhankelijk van de problematiek zal verbetering van bodemvruchtbaarheid dan ook lokale, nationale en/of regionale actie vereisen. Het uitgangspunt is hier de regionale insteek en aansluiting bij bestaande regionale initiatieven met een specifieke contextualisering naar nationale en lokale context, waarbij de wisselwerking tussen deze niveaus (lokaal-nationaal-regionaal) een belangrijke rol speelt. Het Subsidieprogramma Bodemvruchtbaarheid zal daarom gericht zijn op twee specifieke regio’s in sub Sahara Afrika waar het voedselzekerheidsbeleid van de Minister voor BHOS zich op richt:
Minimaal de helft van de door de aanvrager gekozen landen waarin hij de activiteiten waarvoor hij subsidie vraagt wil gaan uitvoeren moet een voedselzekerheid-focusland zijn van de Minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking6De voedselzekerheid focuslanden van de Minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking zijn voor Sahel/West Afrika: Burkina Faso, Mali, Niger en Benin. En voor Oost/Centraal Afrika: Ethiopië, Soedan, Zuid Soedan, Kenia, Oeganda, Burundi en Mozambique.. De landenkeuze dient gebaseerd te zijn op mogelijkheden voor regionale coherentie en synergie; versnippering over te veel landen dient te worden voorkomen.
2.3. Resultaten en indicatoren
Het Subsidieprogramma Bodemvruchtbaarheid beoogt activiteiten te subsidiëren waarmee direct en meetbaar wordt bijgedragen aan (tenminste) de volgende resultaatsgebieden van het Nederlandse voedselzekerheid-, water- en klimaatbeleid:
Om die bijdrage inzichtelijk te maken op output en outcome niveau, is het van belang dat in ieder geval de volgende standaardindicatoren uit het BZ-resultatenraamwerk op voedselzekerheid en water worden gehanteerd (Appendix 4), te meten volgens een internationaal gevalideerde methodologie (inclusief baselines en counterfactuals voor outcomes):
Output (jaarlijks bereik)
Outcome (verandering ten opzichte van baseline)
Attribueerbaar te bemeten realisatie van:
Attribueerbaar te bemeten en/of middels contributie analyse te bepalen bijdrage aan:
Aanvullend kunnen context-specifieke (kwantitatieve en kwalitatieve) indicatoren worden toegevoegd om ondersteunende- en procesresultaten te meten, bijvoorbeeld op gebied van wet- en regelgeving, capaciteitsopbouw, landrechten, klimaatadaptatie en/of mitigatie, energie, water, biodiversiteit, systeemverandering e.a.
Aanvragers laten de door hen te hanteren indicatoren zien in hun concept notitie. Indien zij worden geselecteerd voor fase 2 van de selectieprocedure van dit subsidieprogramma werken zij de indicatoren verder uit in een Monitoring, Evaluation & Learning Framework.
Ex ante kunnen geen precieze targets per indicator worden geformuleerd, aangezien de omvang van output/bereik samenhangt met de te verwachten impact. Als indicatie geldt dat het Subsidieprogramma Bodemvruchtbaarheid streeft naar een bereik (output) en gemeten verandering (outcome) van in totaal tussen de 1 en 5 miljoen kleinschalige voedselproducenten en tussen de 1 en 5 miljoen hectare landbouwgrond per regio, waarbij er een duidelijke link is tussen de omvang van het bereik en de grootte van het beoogde effect/impact.
3. Subsidieverstrekking Subsidieprogramma Bodemvruchtbaarheid in hoofdlijnen
Voor subsidieverlening in het kader van het Subsidieprogramma Bodemvruchtbaarheid stelt de Minister € 200.000.000 beschikbaar voor een periode van tien jaar. De beschikbare middelen kwalificeren als ODA8Official development assistance – definition and coverage – OECD en worden als volgt verdeeld over de twee regio’s:
De specifieke landenkeuze moet onderbouwd worden en gereflecteerd worden in een evenwichtige verdeling van beoogd bereik en budget.
Elke subsidieaanvraag dient zich te richten op een van beide regio’s. Voor elk van bovenstaande regio’s kan uit oogpunt van doelmatigheid maximaal één aanvraag worden gehonoreerd.
3.1. Activiteiten waarvoor subsidie wordt verstrekt
De in het kader van het Subsidieprogramma Bodemvruchtbaarheid beschikbare subsidiemiddelen zijn bedoeld voor activiteiten die uitvoering geven aan een door de aanvrager ontwikkelde Theory of Change (ToC) gericht op de algemene doelstelling van het Subsidieprogramma Bodemvruchtbaarheid zoals benoemd onder hoofdstuk 2.1.
Voor subsidie komen niet in aanmerking die activiteiten genoemd onder drempelcriterium 13.
3.2. Wie kunnen voor subsidie in aanmerking komen?
Organisaties: soort en structuur
3.3. Looptijd activiteiten
De looptijd van de subsidie is van 1 november 2023 tot en met 31 december 2033. Per regio wordt het te verlenen bedrag in twee fases beschikbaar gesteld: periode 2023 t/m 2028 (fase 1) en 2029 t/m 31-12-2033 (fase 2). Het subsidiebedrag wordt in periodieke jaarlijkse voorschotten betaald op basis van liquiditeitsprognoses.
In het laatste jaar van fase 1, in Q2 van 2028, laat het Ministerie van Buitenlandse Zaken een externe evaluatie uitvoeren van de tot dan toe behaalde resultaten en een inschatting van de kans op succesvol resultaatbereik in de tweede fase.
Tegelijk met het jaarplan voor 2029 dient met het oog op die tweede fase een uitwerking van de in fase 2 van het selectieproces ingediende opschalings- en exit-strategie te worden ingediend, samen met een bijgewerkt/geactualiseerd overzicht van werkzaamheden, doelstellingen, resultaten, verwachte effecten en een liquiditeitsbehoefte voor de periode 2029 t/m 2033.
Bij een voldoende positieve evaluatie en voldoende positief oordeel van genoemde strategie worden de kosten verbonden aan de activiteiten uit te voeren in de tweede fase subsidiabel waarna het resterende subsidiebedrag via periodieke voorschotten wordt betaald. Ten behoeve van het laatste financieringsjaar wordt maximaal 90% van de voor dat jaar aangevraagde middelen als voorschot betaald. Na vaststelling van de subsidie vindt de finale verrekening plaats.
De rapportages aan de minister over de uitvoering van de gesubsidieerde activiteiten en over de daarmee behaalde resultaten strekken zich uit tot en met 31 december 2033. Gedurende het genoemde subsidietijdvak (2023 t/m 2033) dient de subsidieontvanger aan de doelstellingen van de subsidie en verplichtingen van de subsidie te blijven voldoen en blijven de in dit subsidiebeleidskader neergelegde beleidsregels van toepassing. Nadere informatie over de aan de subsidies te verbinden verplichtingen is te vinden in hoofdstuk 5.
3.4. Subsidiabele kosten
De subsidiabele kosten worden genoemd en toegelicht in het budgetmodel dat verplicht moet worden gehanteerd voor de in fase 2 van het selectieproces in te dienen begroting (Appendix 5).
Voor het bepalen van (de omvang van) de kosten die in aanmerking komen bij het bepalen van de subsidie gelden de volgende uitgangspunten:
In alle gevallen geldt dat de middelen zoveel mogelijk ten goede moeten komen aan en ingezet worden op de beoogde veranderingen voor de doelgroep. Indirecte kosten – zoals gedefinieerd in het budgetmodel – dienen tot een minimum te worden beperkt, waarbij een absoluut maximum geldt van 15% van het totaal aangevraagde subsidiebedrag. Dat laatste is, in geval er geen sprake is van aanvullende financiering van derden, gelijk aan het totaal van alle subsidiabele kosten van de aanvrager of van de gezamenlijke alliantiepartners voor de uitvoering van de gesubsidieerde activiteiten. Nadere informatie hierover is te vinden in het budgetmodel (Appendix 5).
Niet subsidiabel zijn in ieder geval de volgende kosten:
Deze uitgangspunten moeten gehanteerd worden bij de in te dienen begroting, die wordt meegestuurd met het programmavoorstel in fase 2.
4. Selectieprocedure en verdeling van beschikbare middelen
De bepalingen in de Algemene wet bestuursrecht, het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken en de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 zijn onverkort van toepassing op de beoordeling van aanvragen in het kader van het Subsidieprogramma Bodemvruchtbaarheid. Aanvragen worden beoordeeld met inachtneming van deze regelgeving en overeenkomstig de in dit subsidiebeleidskader opgenomen criteria.
Een subsidieaanvrager vraagt minimaal EUR 98.000.000 en maximaal EUR 100.000.000 aan.
Het proces van selectie van de subsidieontvangers voor beide in hoofdstuk 3 genoemde regio’s verloopt in twee stappen:
4.1. Drempelcriteria (fase 1.A)
Voor de drempelcriteria geldt dat een aanvraag aan alle criteria moet voldoen (fase 1.A). Indien een aanvraag niet aan alle drempelcriteria voldoet, wordt zij afgewezen en niet verder beoordeeld.
4.2. Kwalitatieve criteria organisatie/track record en concept notitie (fase 1.B)
Fase 1.B van het selectieproces bevat een kwalitatieve toets van organisatie/track record en van concept notitie aan de hand van de criteria genoemd onder 4.2.1 respectievelijk 4.2.2. Om in aanmerking te kunnen komen voor een subsidie zal voor beide onderdelen van fase 1.B in elk geval 65% van het maximaal aantal per onderdeel te behalen punten moeten worden gescoord.
4.2.1. Organisatie- en track recordtoets: kwalitatieve criteria ten aanzien van de organisatie en track record van de aanvrager of, in geval van een alliantie, de alliantie
Via onderstaande criteria wordt de kwaliteit van organisatie en track record van de aanvrager, dan wel alliantie als geheel, beoordeeld.13Ten aanzien van het aantonen en beoordelen van de aanwezige ervaring geldt dat de aanvrager, dan wel de penvoerder en mede-indieners gezamenlijk, ook die ervaring mogen opvoeren die door personeel van aanvrager, penvoerder of mede-indieners is opgedaan in dienst van een andere organisatie dan de organisatie waar het betreffende personeelslid op het moment van indienen in dienst is.
4.2.2. Concept notitie-toets: Kwalitatieve criteria ten aanzien van de concept notitie
4.3. Kwalitatieve criteria programmavoorstel (fase 2)
In fase 2 vindt een kwalitatieve toets plaats van de tijdig ingediende volledige programmavoorstellen (programmavoorstel toets). Ten einde in aanmerking te kunnen komen voor subsidie dient in elk geval 70% van het maximaal aantal te behalen punten te worden gescoord. De kwaliteit van de programmavoorstellen wordt beoordeeld via de volgende criteria:
5. Rapportage- en andere aan de subsidieverlening te verbinden verplichtingen
Aan de subsidieverlening worden verplichtingen verbonden, die worden opgenomen in de subsidieverleningsbeschikking. Deze verplichtingen hebben onder andere betrekking op een meldingsplicht ten aanzien van feiten en omstandigheden die van belang kunnen zijn voor de subsidie, zoals het niet (geheel of tijdig) kunnen uitvoeren van de gesubsidieerde activiteiten, en op verplichtingen over verantwoordingsrapportages, zoals inhoudelijke en financiële tussen- en eindrapportages. Specifiek hierin opgenomen is de eis dat de subsidieontvanger aan het eind van het subsidietijdvak een (externe) impact-evaluatie laat uitvoeren om de impact van de gesubsidieerde activiteiten te bepalen.
Indien na de looptijd van de beschikking bij de vaststelling van de subsidie blijkt dat er middelen over zijn van de verleende subsidie, zullen deze terugvloeien naar het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Hierover zal een verplichting worden opgenomen in de subsidieverleningsbeschikking.
6. Aanvraagprocedure
Aanvragen kunnen worden ingediend vanaf 25 januari 2023 tot en met uiterlijk 31 maart 2023 om 17.00 uur CET. Aanvragen die later dan genoemde datum en tijd worden ingediend, worden afgewezen. Als moment van indiening geldt het moment waarop de aanvraag door het Ministerie is ontvangen (zie ook hierna). De aanvragende organisatie is de enige verantwoordelijke voor een tijdige en volledige indiening van een aanvraag.
Voor aanvragen voor subsidie (Fase 1 (zie Hst. 4.1 en 4.2)) geldt het volgende:
Voor het programmavoorstel (Fase 2 (zie hst. 4.3)) geldt het volgende. Enkel daartoe geselecteerde aanvragers worden aan het eind van Fase 1 uitgenodigd om een volledig programmavoorstel in te dienen voor Fase 2 (Zie Hst. 4). Het programmavoorstel bevat:
Nadere informatie over de vorm van het programmavoorstel volgt met de uitnodiging voor Fase 2.
Aanvragen dienen volledig en zonder voorbehoud te worden ingediend, rechtsgeldig ondertekend door de daartoe namens de aanvragende organisatie bevoegde persoon met vermelding van naam en functie. Het is niet mogelijk om een voorlopige aanvraag in te dienen.
In het kader van de aanvraagprocedure wordt met nadruk gewezen op artikel 7, derde lid, van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken. Mocht een aanvraag niet voldoen aan de formele vereisten die op grond van dit subsidiebeleidskader aan aanvragen worden gesteld, dan kan de minister vragen om een aanvulling. Als datum en tijd van ontvangst van de aanvraag zal vervolgens gelden de datum en tijd waarop de aangevulde aanvraag is ontvangen. Hoe korter voor het verstrijken van de deadline voor het indienen van aanvragen een aanvraag wordt ingediend, hoe groter het risico dat de minister geen toepassing zal geven aan zijn bevoegdheid om een aanvulling te vragen; dit in verband met de tijd die is gemoeid met het controleren van alle aanvragen op volledigheid en de tijd die nodig is om een aanvulling te vragen en in te dienen. In dat geval zal de aanvraag derhalve niet meer kunnen worden aangevuld, maar zal deze worden beoordeeld zoals hij primair is ingediend. Dit kan leiden tot een lagere rangschikking of zelfs afwijzing van de subsidieaanvraag.
Ook op artikel 9 van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken wordt in het bijzonder gewezen. Een aanvraag die betrekking heeft op activiteiten die reeds zijn gestart op het moment waarop de subsidie wordt aangevraagd, wordt afgewezen.
Bij het opstellen van de subsidieaanvraag is het kortheidshalve verwijzen naar andere onderdelen van de aanvraag of annexen niet voldoende, tenzij in de aanvraagdocumenten uitdrukkelijk is aangegeven dat daarmee (geheel of gedeeltelijk) kan worden volstaan. Indien onderdelen van het aanvraagformulier – met inbegrip van annexen – niet worden ingevuld, loopt de aanvrager het risico op afwijzing van de aanvraag.
De aanvraag dient te worden opgesteld in de Engelse taal. Annexen die zijn opgesteld in een andere taal dan het Engels dienen voorzien te zijn van een vertaling in het Engels. Additionele informatie (zoals illustratieve boekwerken, CD-roms, USB-sticks of dvd’s van een organisatie) worden niet meegenomen in de beoordeling van een aanvraag.
Het heeft de uitdrukkelijke voorkeur dat aanvragen per e-mail in .pdf-formaat worden ingediend. Aanvragen per e-mail worden ingediend door deze te sturen naar het e-mailadres: IGG@minbuza.nl onder vermelding van ‘Subsidieaanvraag Subsidieprogramma Bodemvruchtbaarheid’.
Als moment van indiening geldt het tijdstip waarop de e-mail door het systeem voor gegevensverwerking van het Ministerie van Buitenlandse Zaken is ontvangen. Houd er rekening mee dat bestanden groter dan 14MB niet kunnen worden ontvangen. E-mails groter dan 14MB dienen in kleinere e-mails te worden verdeeld. Hierbij geldt dat het moment waarop de gehele aanvraag, inclusief de laatste e-mail, is ontvangen geldt als tijdstip waarop de aanvraag is ingediend. Daarbij dienen de e-mails genummerd te worden in de onderwerp-regel, waarbij duidelijk is hoeveel e-mails de aanvraag in totaal behelst.15Bijvoorbeeld: e-mail 1 van 5, e-mail van 2 van 5 etc.
Eventuele (technische) problemen bij verzending komen voor rekening en risico van aanvrager.
Indiening van aanvragen per post wordt afgeraden16Indien u daar niettemin voor kiest dient de aanvraag per aangetekende post gestuurd worden naar: Ministerie van Buitenlandse Zaken, Secretariaat IGG o.v.v. subsidieprogramma Bodemvruchtbaarheid, Postbus 20061, 2500 EB Den Haag. Indien de aanvraag niet aangetekend wordt verzonden berust het risico dat de aanvraag niet of te laat wordt ontvangen door het ministerie geheel bij de aanvrager. Indien de aanvraag per post wordt ingediend (anders dan met de aanduiding ‘port betaald’) wordt de aanvraag nog als tijdig ingediend beschouwd, als de aanvraag voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, waarbij het datumstempel van de post doorslaggevend is, en niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen. Bij gebruikmaking van een envelop met de aanduiding ‘port betaald’ is de datum van ontvangst bepalend bij het vaststellen of de aanvraag tijdig, d.w.z. uiterlijk 31-03-2023 – 17.00 uur CET, is ingediend. Houdt hierbij rekening met de omstandigheid dat de datum van ontvangst wordt vastgesteld aan de hand van het tijdstip van inschrijving en dat ’s avonds en op zaterdag en zondag geen post wordt ingeschreven.. Indien u daar niettemin voor kiest, of voor indienen in persoon of koerier, neemt u dan contact op met het ministerie via het e-mailadres: IGG@minbuza.nl onder vermelding van ‘Subsidieaanvraag Subsidieprogramma Bodemvruchtbaarheid’.
Vragen naar aanleiding van dit document of andere zaken kunt u uitsluitend per e-mail en uiterlijk tot en met 15 maart 2023 richten aan IGG@minbuza.nl onder vermelding van ‘subsidieaanvraag Bodemvruchtbaarheid programma’. Waar nodig samengevoegd met andere vragen vindt geanonimiseerde beantwoording hiervan elke 14 dagen plaats op locatie van de Q&A’s.17https://www.rijksoverheid.nl/ministeries/ministerie-van-buitenlandse-zaken/documenten/publicaties/2023/01/17/subsidieprogramma-bodemvruchtbaarheid
7. Tijdspad
De relevante data:
Nb. De aanvragers van wie de concept notitie uit fase 1 is geselecteerd voor fase 2, ontvangen een uitnodiging om een uitgewerkt programmavoorstel in te dienen. De overige aanvragen worden afgewezen.
8. Administratieve lasten
De administratieve lasten voor de uitvoering van dit subsidiebeleidskader bedragen € 645.300 voor de totale subsidieperiode. Administratieve lasten zijn de lasten die gepaard gaan met informatieverplichtingen in verband met het doen van de aanvraag en in geval subsidie wordt verstrekt het voldoen aan de daaraan verbonden verantwoordingsverplichtingen. Het bedrag van € 645.300 komt neer op 0,3 procent van het totale subsidiebudget. De berekening is gebaseerd op de inschatting dat maximaal 9 aanvragers/allianties interesse hebben voor het subsidiebeleidskader en een aanvraag zullen indienen die kan worden gehonoreerd.
Bij de totstandkoming van het subsidiebeleidskader is kritisch bezien dat ten eerste de criteria voor de subsidieaanvragers en de beoogde resultaten helder zijn geformuleerd en ten tweede duidelijkheid bestaat over de wijze waarop de financiering en verantwoording van de toegekende subsidies plaatsvindt. Hiermee moet een aanvrager de afweging kunnen maken of met de indiening van een subsidieaanvraag kans bestaat op een toekenning. Het ministerie beoogt op deze wijze de administratieve lasten voor de subsidieaanvragers tot een minimum te beperken. Mede om deze reden heeft het ministerie gekozen voor een subsidietender waarbij in de eerste fase enkel wordt gewerkt met concept notitie.
9. Appendices
Voor Fase 1 van de subsidieaanvraag (drempeltoets en concept notitie):
Voor Fase 2 van de subsidieaanvraag (volledig uitgewerkt programmavoorstel):
Dit besluit zal met de bijlage, met uitzondering van de appendices bij de bijlage, in de Staatscourant worden geplaatst. Appendices bij de bijlage worden via internet bekend gemaakt.2https://www.rijksoverheid.nl/ministeries/ministerie-van-buitenlandse-zaken/documenten/publicaties/2023/01/17/subsidieprogramma-bodemvruchtbaarheid
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)