Regeling van de Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening van 1 februari 2023, nr. 2022-0000430533 houdende regels met betrekking tot de verstrekking van een specifieke uitkering aan gemeenten ten behoeve van de verduurzaming van slecht geïsoleerde woningen van eigenaar-bewoners en woningen van verenigingen van eigenaars, woonverenigingen en wooncoöperaties in het kader van het Nationaal Isolatieprogramma

Type Ministeriële regeling
Publication 2025-07-02
State In force
Source BWB
artikelen 12
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Gelet op artikel 17, tweede lid, van de Financiële-verhoudingswet juncto artikel 4:23, derde lid, onderdeel a, van de Algemene wet bestuursrecht;

Besluit:

Artikel 1. Begripsbepalingen

1.

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • bouwbedrijf: bedrijf dat in een handelsregister van een lidstaat van de Europese Unie of een van de overige staten die partij zijn bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, is ingeschreven in de sectie bouwnijverheid of een vergelijkbare sectie;
  • college: college van burgemeester en wethouders;
  • doe-het-zelfmaatregel: maatregel als bedoeld in artikel 2, tweede lid, die door een ander wordt uitgevoerd dan door een bouwbedrijf;
  • energiezuinige ventilatiemaatregelen: het voor de eerste keer aanleggen van een systeem voor een CO2-gestuurde ventilatie of het voor de eerste keer aanleggen van een systeem voor balansventilatie met warmteterugwinning met een rendement van ten minste 90%;
  • gemengde vereniging: vereniging van eigenaars, woonvereniging of wooncoöperatie ten behoeve van gebouwen waarin zich ten minste één woning van een eigenaar-bewoner bevindt;
  • minister: Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening;
  • slecht geïsoleerde woning: een woning:
  • a. van een eigenaar-bewoner met een energielabelklasse D, E, F, G of een met die labelklassen vergelijkbare energetische staat, waaronder wordt verstaan een woning waarin ten minste twee van de volgende bestaande bouwdelen niet of slecht geïsoleerd zijn:
  • 1°. de vloer en de bodem;
  • 2°. de gevel, waaronder de spouwmuur;
  • 3°. het dak en de zoldervloer en vlieringvloer;
  • 4°. de ramen, panelen in kozijnen en deuren;
  • b. in een gebouw waarvoor een gemengde vereniging bestaat en waarin ten minste twee van de volgende bestaande bouwdelen van het gebouw niet of slecht geïsoleerd zijn: en waarbij de woning fysiek grenst aan het bouwdeel van het gebouw waaraan ten minste één van de voorgenomen energiebesparende isolatiemaatregelen als bedoeld in artikel 2, tweede lid, worden getroffen; of
  • 1°. de vloer en de bodem;
  • 2°. de gevel, waaronder de spouwmuur;
  • 3°. het dak en de zoldervloer en vlieringvloer;
  • 4°. de ramen, panelen in kozijnen en deuren,
  • c. waaraan eerder energiebesparende isolatiemaatregelen als bedoeld in artikel 2, tweede lid, zijn getroffen op basis van deze regeling en die op enig daaraan voorafgaand moment kwalificeerde als slecht geïsoleerde woning als bedoeld onder a of b;
  • woonvereniging: vereniging die eigenaar is van één of meer gebouwen en waarvan de leden het recht hebben om in een bepaalde woning die onderdeel uitmaakt van dat gebouw of die gebouwen te wonen.
2.

Ondereigenaar-bewoner wordt in deze regeling verstaan een natuurlijke persoon die:

  • a. een woning in eigendom heeft waarin hij zijn hoofdverblijf heeft of direct na renovatie van deze woning zal hebben;
  • b. gerechtigde is van een bestaand appartementsrecht en in het desbetreffende appartement zijn hoofdverblijf heeft of direct na renovatie van dat appartement zal hebben;
  • c. zijn hoofdverblijf heeft of direct na renovatie van deze woning zal hebben in een woning van een wooncoöperatie en in verband daarmee lid is van die wooncoöperatie; of
  • d. op basis van zijn lidmaatschap van een woonvereniging het recht heeft om in een woning te wonen en daarin zijn hoofdverblijf heeft of direct na renovatie van deze woning zal hebben.
3.

Onder appartement wordt in deze regeling verstaan:

  • a. aandeel in een gebouw waarvoor een vereniging van eigenaars is opgericht, omvattende de bevoegdheid tot het uitsluitend gebruik van een woning;
  • b. woning in een gebouw, waarvoor een wooncoöperatie is opgericht; of
  • c. woning in een gebouw van een woonvereniging.

Artikel 2. Doel en activiteiten van de specifieke uitkering

1.

De minister kan op aanvraag van een college of ambtshalve een specifieke uitkering verstrekken aan de gemeente voor het uitvoeren van een isolatieprogramma dat gericht is op het nemen van energiebesparende isolatiemaatregelen, eventueel in samenhang met energiezuinige ventilatiemaatregelen, in slecht geïsoleerde woningen van eigenaar-bewoners en slecht geïsoleerde woningen van leden van een gemengde vereniging, met een focus op woningen die bewoond zijn door huishoudens in energiearmoede of een risico daarop. Die focus wordt in ieder geval bereikt door uitvoering te geven aan de verplichting in artikel 6, eerste lid, onderdeel b.

2.

Het college besteedt de specifieke uitkering aan:

  • a. het uitvoeren of laten uitvoeren of het subsidiëren van het uitvoeren of het laten uitvoeren van een of meer energiebesparende isolatiemaatregelen, eventueel in samenhang met energiezuinige ventilatiemaatregelen, waarbij onder energiebesparende isolatiemaatregelen wordt verstaan:
  • 1°. als het een woning van een eigenaar-bewoner betreft: energiebesparende isolatiemaatregelen als bedoeld in artikel 4.5.2, derde lid, van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies. In afwijking van dat artikellid worden hier tevens doe-het-zelf maatregelen onder verstaan. Op doe-het-zelf maatregelen zijn de in artikel 4.5.2, derde lid, van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies gestelde eisen ten aanzien van de minimaal te isoleren vierkante meters niet van toepassing en op doe-het-zelf maatregelen waarvoor op grond van artikel 3, derde of zevende lid, een aanvraag voor een specifieke uitkering is gedaan zijn daarnaast ook de in artikel 4.5.2, derde lid, van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies gestelde eisen ten aanzien van minimaal te behalen isolatiewaardes niet van toepassing; of
  • 2°. als het een woning betreft in een gebouw waarvoor een gemengde vereniging bestaat: energiebesparende isolatiemaatregelen als bedoeld in artikel 7, tweede lid, van de Subsidieregeling Verduurzaming voor Verenigingen van Eigenaars. In afwijking van dat artikellid worden hier tevens doe-het-zelf maatregelen onder verstaan. Op doe-het-zelf maatregelen zijn de in artikel 7, tweede lid, van de Subsidieregeling Verduurzaming voor Verenigingen van Eigenaars gestelde eisen ten aanzien van de minimaal te isoleren vierkante meters niet van toepassing en op doe-het-zelf maatregelen waarvoor op grond van artikel 3, derde of zevende lid, een aanvraag voor een specifieke uitkering is gedaan zijn daarnaast ook de in artikel 7, tweede lid, van de Subsidieregeling Verduurzaming voor Verenigingen van Eigenaars gestelde eisen ten aanzien van minimaal te behalen isolatiewaardes niet van toepassing;
  • b. het bieden van gerichte ondersteuning aan een eigenaar-bewoner of een gemengde vereniging of het daartoe inschakelen van derden met de benodigde expertise, waaronder in ieder geval kan vallen:
  • 1°. het adviseren over de mogelijke energiebesparende isolatiemaatregelen, eventueel in samenhang met energiezuinige ventilatiemaatregelen, en de daarmee te behalen mate van energiebesparing;
  • 2°. het begeleiden bij het doen van aanvragen op grond van subsidieregelingen en subsidieverordeningen die gericht zijn op energiebesparing;
  • 3°. het adviseren over of bemiddelen bij krediet ten behoeve van de financiering van energiebesparende isolatiemaatregelen, eventueel in samenhang met energiezuinige ventilatiemaatregelen, die de eigenaar-bewoner of gemengde vereniging wil uitvoeren of laten uitvoeren;
  • 4°. het organiseren van straatgerichte of wijkgerichte of anderszins grootschalige verduurzamingsaanpakken en het daarbij ondersteunen van eigenaar-bewoners of gemengde verenigingen; of
  • c. de inzet van ambtelijke capaciteit of de inhuur van externe capaciteit ten behoeve van de uitvoering van het isolatieprogramma.
3.

Energiebesparende isolatiemaatregelen, eventueel in samenhang met energiezuinige ventilatiemaatregelen, als bedoeld in het tweede lid kunnen alleen met behulp van de specifieke uitkering worden gefinancierd als ze na 31 december 2022 worden uitgevoerd.

4.

De specifieke uitkering wordt niet verstrekt voor BTW verschuldigd over kosten voor de uitvoering van een isolatieprogramma voor zover het bedrag van de BTW in aanmerking komt voor compensatie op grond van de Wet op het BTW-compensatiefonds of voor zover de kosten in aanmerking komen voor aftrek op grond van de Wet op de omzetbelasting 1968.

Artikel 3. Hoogte van de specifieke uitkering

1.

Een college kan gedurende het aanvraagtijdvak, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel a, een aanvraag doen voor een specifieke uitkering van ten hoogste het voor die gemeente in de voorlaatste kolom in bijlage I opgenomen totaalbedrag dat aangevraagd kan worden.

2.

Een college kan gedurende het aanvraagtijdvak, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel b, een aanvraag doen voor een specifieke uitkering van ten hoogste het voor die gemeente in de derde kolom in bijlage III opgenomen bedrag dat uitgekeerd wordt naar rato van het aantal aangevraagde woningen. Het bedrag wordt aangevuld met het volledige bedrag dat in de vierde kolom is opgenomen, hetgeen middelen betreft die worden uitgekeerd in aanvulling op middelen uit 2022.

3.

Een college kan gedurende het aanvraagtijdvak, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel b, een aanvraag doen voor een specifieke uitkering ter hoogte van het voor die gemeente in de vijfde kolom in bijlage III opgenomen bedrag, hetgeen middelen betreft die specifiek bedoeld zijn voor doe-het-zelf maatregelen.

4.

Als er gemeenten zijn waarvan het college geen aanvraag als bedoeld in het derde lid doet worden de voor die gemeenten gereserveerde bedragen in de vijfde kolom in bijlage III herverdeeld over de gemeenten waarvoor wel een aanvraag als bedoeld in het derde lid is gedaan. Bij de in de vorige zin bedoelde bedragen wordt voorafgaand aan de herverdeling € 227.000 opgeteld. De herverdeling vindt plaats naar rato van de hoogte van de bedragen die de colleges hebben aangevraagd op grond van het derde lid.

5.

Een college kan gedurende het aanvraagtijdvak, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel c, een aanvraag doen voor een specifieke uitkering van ten hoogste het voor die gemeente in de derde kolom in bijlage IV opgenomen bedrag dat uitgekeerd wordt naar rato van het aantal aangevraagde woningen. Het bedrag wordt aangevuld met het volledige bedrag dat in de vierde kolom is opgenomen, hetgeen middelen betreft die worden uitgekeerd in aanvulling op middelen uit 2022.

6.

Een college kan gedurende het aanvraagtijdvak, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel c, een extra aanvraag doen voor een specifieke uitkering voor ten hoogste 30 procent van het aantal woningen dat kan worden aangevraagd zoals bedoeld in de tweede kolom van bijlage IV.

7.

Een college kan gedurende het aanvraagtijdvak, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel c, een aanvraag doen voor een specifieke uitkering ter hoogte van het voor die gemeente in de vijfde kolom in bijlage IV opgenomen bedrag, hetgeen middelen betreft die specifiek bedoeld zijn voor doe-het-zelf maatregelen.

8.

Als er gemeenten zijn waarvan het college geen aanvraag als bedoeld in het zevende lid doet worden de voor die gemeenten gereserveerde bedragen in de vijfde kolom in bijlage IV herverdeeld over de gemeenten waarvoor wel een aanvraag als bedoeld in het zevende lid is gedaan. De herverdeling vindt plaats naar rato van de hoogte van de bedragen die de colleges hebben aangevraagd op grond van het zevende lid.

9.

Het aantal woningen waarvoor geen aanvraag wordt gedaan als bedoeld in het vijfde lid, wordt herverdeeld over de gemeenten waarvoor een aanvraag als bedoeld in het zesde lid is gedaan naar rato van het aantal woningen dat de colleges hebben aangevraagd op grond van het zesde lid. Per extra aangevraagde woning ontvangt de gemeente ten hoogste het genoemde bedrag in de zesde kolom van bijlage IV. Het aantal woningen dat wordt herverdeeld wordt opgehoogd, met een aantal waardoor het bedrag dat op grond van deze ophoging wordt uitgekeerd ten hoogste € 15.424.807 is.

Artikel 4. De aanvraag

1.

Een aanvraag voor een specifieke uitkering kan worden ingediend met ingang van:

  • a. 1 maart 2023 vanaf 9:00 uur tot en met 31 oktober 2023 tot 17:00 uur;
  • b. 1 juli 2024 vanaf 9:00 uur tot en met 31 oktober 2024 tot 17:00 uur; en
  • c. 1 april 2025 vanaf 9:00 uur tot en met 30 juni 2025 tot 17:00 uur.
2.

Een aanvraag bevat een omschrijving van het isolatieprogramma, waaronder in ieder geval wordt verstaan:

  • b. een opgave van het aantal slecht geïsoleerde woningen waarvoor de gemeente het bedrag van de specifieke uitkering aanvraagt en ten aanzien waarvan zij energiebesparende isolatiemaatregelen als bedoeld in artikel 2, tweede lid, wil bewerkstelligen. Een woning waaraan reeds energiebesparende isolatiemaatregelen als bedoeld in artikel 2 zijn getroffen op basis van deze regeling wordt niet nogmaals opgegeven;
  • c. de hoogte van het bedrag van de gevraagde specifieke uitkering dat op grond van de op grond van artikel 3 bij het betreffende aanvraagtijdvak behorende bijlage bij deze regeling samenhangt met het aantal slecht geïsoleerde woningen als bedoeld in onderdeel b;
  • d. een omschrijving van de wijze waarop de gemeente voornemens is om voldoende woningen met een WOZ-waarde als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel b, in het isolatieprogramma te betrekken; en
  • e. een opgave van het bedrag dat de gemeente op grond van een eigen inschatting aan BTW verschuldigd is over de kosten voor de uitvoering van het isolatieprogramma.
3.

Op een aanvraag als bedoeld in artikel 3, derde of zevende lid, zijn in afwijking van het tweede lid onderdelen b en c niet van toepassing.

4.

De minister beslist binnen acht weken na het indienen van de aanvraag over de toekenning van een specifieke uitkering. Indien de beschikking niet binnen deze termijn kan worden genomen, deelt de minister dit aan de aanvrager mede en noemt daarbij een zo kort mogelijke termijn van ten hoogste acht aanvullende weken waarbinnen de beschikking wordt genomen.

5.

Een aanvraag wordt ingediend via een formulier dat beschikbaar wordt gesteld op de website van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland.

Artikel 5. Wijze van betaling en uitkeringsbeschikking

1.

De in artikel 3, tweede en derde lid, onderscheidenlijk artikel 3, vijfde tot en met zevende lid, bedoelde specifieke uitkeringen worden in één keer uitbetaald.

2.

De uitkeringsbeschikking vermeldt in elk geval:

  • a. de hoogte van het bedrag van de uitkering;
  • b. het moment van uitbetaling van de uitkering;
  • c. de wijze van verantwoording over de besteding van de uitkering; en
  • d. de periode waarbinnen de uitkering moet zijn besteed en de activiteiten moeten zijn afgerond.

Artikel 6. Verplichtingen

1.

De gemeente die een specifieke uitkering ontvangt is verplicht om:

  • a. energiebesparende isolatiemaatregelen, eventueel in samenhang met energiezuinige ventilatiemaatregelen, als bedoeld in artikel 2, tweede lid, te bewerkstelligen in het aantal slecht geïsoleerde woningen dat de gemeente in de aanvraag heeft opgegeven op grond van artikel 4, tweede lid, onderdeel b, met dien verstande dat:
  • 2°. voor 10% van het aantal slecht geïsoleerde woningen dat het college in de aanvraag heeft opgegeven de eisen ten aanzien van de minimaal te isoleren vierkante meters niet gelden;
  • b. ervoor zorg te dragen dat ten minste 80% van de slecht geïsoleerde woningen waarbij de gemeente energiebesparende isolatiemaatregelen, eventueel in samenhang met energiezuinige ventilatiemaatregelen, als bedoeld in artikel 2, tweede lid, bewerkstelligt, een WOZ-waarde heeft die:
  • 1º. lager is dan de gemiddelde WOZ-waarde van alle koopwoningen in de betreffende gemeente, uitgaande van de waarde die is opgenomen in de laatste kolom van bijlage I; of
  • 2º. lager is dan € 477.000; en
  • d. indien het een specifieke uitkering betreft die is aangevraagd op grond van artikel 3, derde of zevende lid, deze volledig te besteden aan doe-het-zelf maatregelen en de activiteiten, bedoeld in artikel 2, tweede lid voor zover die activiteiten gericht zijn op het tot stand brengen van doe-het-zelf maatregelen.
2.

De Minister kan op gemotiveerd verzoek van het college de in het eerste lid, onderdeel c, genoemde termijn, tweemaal met ten hoogste één jaar verlengen, indien sprake is van onvoorziene omstandigheden op grond waarvan het aannemelijk is dat de uitvoering van de activiteiten waar de specifieke uitkering voor is verstrekt niet binnen die termijn kan worden afgerond.

Artikel 7. Afwijzingsgronden

De minister wijst een aanvraag voor een specifieke uitkering gedeeltelijk af, voor zover het aangevraagde bedrag het bedrag overstijgt dat het college op grond van artikel 3 ten hoogste kan aanvragen.

Artikel 8. Informatievoorziening na uitkering

Het college van een gemeente die een specifieke uitkering ontvangt informeert de minister ieder jaar op uiterlijk 1 maart over de voortgang van de activiteiten waarvoor de specifieke uitkering is verstrekt door een rapportage aan te leveren met gebruikmaking van een daartoe door de minister beschikbaar gesteld digitaal formulier dat is geplaatst op de website van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland.

Artikel 9. Verantwoording, terugvordering en vaststelling

1.

Het college legt verantwoording af over de besteding van de specifieke uitkering, bedoeld in artikel 2, op de wijze bepaald in artikel 17a van de Financiële-verhoudingswet.

2.

Indien uit de verantwoordingsinformatie, bedoeld in artikel 17a, eerste lid, van de Financiële-verhoudingswet, blijkt dat de specifieke uitkering, bedoeld in artikel 2, niet, niet volledig of onrechtmatig is besteed, dat niet is voldaan aan de verplichtingen gesteld in artikel 6, of niet is voldaan aan de verantwoordingsplicht, bedoeld in het eerste lid, kan de uitkering ter hoogte van het niet of onrechtmatig bestede deel door de minister worden teruggevorderd. De minister doet binnen een jaar na ontvangst van de verantwoordingsinformatie, bedoeld in het eerste lid, mededeling van de terugvordering aan het college.

3.

Indien niet voldaan is aan de informatieverplichting, bedoeld in artikel 8, kan de minister de specifieke uitkering geheel of gedeeltelijk terugvorderen.

4.

De minister stelt de specifieke uitkering uiterlijk vast op 31 december van het jaar waarin het college, op de in het eerste lid bedoelde wijze, de eindverantwoording aan de minister heeft verstrekt.

5.

Indien de uiterlijke datum voor het afronden van de activiteiten, bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel d, of de op grond van artikel 6, tweede lid, verlengde termijn, is verstreken en het college geen eindverantwoording heeft verstrekt, stelt de minister de specifieke uitkering vast aan de hand van de eerstvolgende verantwoordingsinformatie.

Artikel 10. Inwerkingtreding en vervaldatum

Deze regeling treedt in werking op 1 maart 2023 en vervalt met ingang van 1 januari 2029, met dien verstande dat deze regeling van toepassing blijft op specifieke uitkeringen die voor die datum zijn verstrekt.

Bijlage I. Met de bedragen, bedoeld in artikel 3, en gemiddelde woz-waarde als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel b, subonderdeel 1°

Naam gemeente Bedrag dat vanuit de 100 miljoen extra middelen wordt uitgekeerd in 2023 Bedrag dat maximaal in totaal wordt uitgekeerd in 2023 Bedrag dat maximaal wordt uitgekeerd in 2024 Totaal aantal woningen dat aangevraagd kan worden Totaalbedrag dat aangevraagd kan worden Gemiddelde WOZ-waarde koopwoningen 2022 (x € 1.000)
Aa en Hunze € 302.220 € 699.340 € 226.300 634 € 925.640 340
Aalsmeer € 122.640 € 284.700 € 91.980 258 € 376.680 498
Aalten € 316.820 € 734.380 € 237.980 666 € 972.360 295
Achtkarspelen € 369.380 € 855.560 € 277.400 776 € 1.132.960 270
Alblasserdam € 125.560 € 290.540 € 93.440 263 € 383.980 327
Albrandswaard € 67.160 € 154.760 € 49.640 140 € 204.400 419
Alkmaar € 670.140 € 1.551.980 € 502.240 1407 € 2.054.220 346
Almelo € 608.820 € 1.410.360 € 456.980 1279 € 1.867.340 281
Almere € 416.100 € 965.060 € 312.440 875 € 1.277.500 348
Alphen aan den Rijn € 490.560 € 1.137.340 € 367.920 1031 € 1.505.260 362
Alphen-Chaam € 77.380 € 178.120 € 58.400 162 € 236.520 437
Altena € 372.300 € 862.860 € 278.860 782 € 1.141.720 363
Ameland € 51.100 € 118.260 € 37.960 107 € 156.220 351
Amersfoort € 440.920 € 1.022.000 € 331.420 927 € 1.353.420 441
Amstelveen € 185.420 € 429.240 € 140.160 390 € 569.400 608
Amsterdam € 1.086.240 € 2.606.100 € 865.780 2378 € 3.471.880 582
Apeldoorn € 1.024.920 € 2.372.500 € 767.960 2151 € 3.140.460 370
Arnhem € 560.640 € 1.297.940 € 420.480 1177 € 1.718.420 348
Assen € 402.960 € 934.400 € 302.220 847 € 1.236.620 286
Asten € 118.260 € 273.020 € 87.600 247 € 360.620 411
Baarle-Nassau € 55.480 € 127.020 € 42.340 116 € 169.360 403
Baarn € 151.840 € 351.860 € 112.420 318 € 464.280 505
Barendrecht € 116.800 € 270.100 € 87.600 245 € 357.700 409
Barneveld € 256.960 € 595.680 € 192.720 540 € 788.400 439
Beek € 154.760 € 359.160 € 116.800 326 € 475.960 290
Beekdaelen € 410.260 € 950.460 € 308.060 862 € 1.258.520 296
Beesel € 129.940 € 302.220 € 97.820 274 € 400.040 288
Berg en Dal € 261.340 € 604.440 € 197.100 549 € 801.540 364
Bergeijk € 167.900 € 389.820 € 125.560 353 € 515.380 424
Bergen (L.) € 150.380 € 347.480 € 113.880 316 € 461.360 313
Bergen (NH.) € 243.820 € 565.020 € 183.960 513 € 748.980 561
Bergen op Zoom € 423.400 € 979.660 € 318.280 889 € 1.297.940 322
Berkelland € 432.160 € 1.001.560 € 324.120 908 € 1.325.680 345
Bernheze € 205.860 € 477.420 € 154.760 433 € 632.180 425
Best € 172.280 € 398.580 € 129.940 362 € 528.520 404
Beuningen € 166.440 € 385.440 € 124.100 349 € 509.540 375
Beverwijk € 217.540 € 505.160 € 163.520 458 € 668.680 344
Bladel € 169.360 € 392.740 € 127.020 356 € 519.760 410
Blaricum € 43.800 € 102.200 € 33.580 93 € 135.780 867
Bloemendaal € 78.840 € 182.500 € 58.400 165 € 240.900 985
Bodegraven-Reeuwijk € 197.100 € 456.980 € 147.460 414 € 604.440 427
Boekel € 89.060 € 205.860 € 67.160 187 € 273.020 383
Borger-Odoorn € 369.380 € 855.560 € 277.400 776 € 1.132.960 285
Borne € 162.060 € 375.220 € 121.180 340 € 496.400 354
Borsele € 226.300 € 524.140 € 169.360 475 € 693.500 292
Boxtel € 191.260 € 442.380 € 143.080 401 € 585.460 391
Breda € 838.040 € 1.940.340 € 627.800 1759 € 2.568.140 426
Bronckhorst € 341.640 € 791.320 € 256.960 718 € 1.048.280 399
Brummen € 167.900 € 388.360 € 125.560 352 € 513.920 376
Brunssum € 348.940 € 807.380 € 262.800 733 € 1.070.180 219
Bunnik € 74.460 € 172.280 € 55.480 156 € 227.760 481
Bunschoten € 141.620 € 327.040 € 106.580 297 € 433.620 409
Buren € 204.400 € 473.040 € 151.840 428 € 624.880 420
Capelle aan den IJssel € 172.280 € 398.580 € 129.940 362 € 528.520 336
Castricum € 259.880 € 601.520 € 195.640 546 € 797.160 452
Coevorden € 427.780 € 991.340 € 321.200 899 € 1.312.540 293
Cranendonck € 201.480 € 465.740 € 151.840 423 € 617.580 368
Culemborg € 129.940 € 302.220 € 97.820 274 € 400.040 354
Dalfsen € 224.840 € 519.760 € 169.360 472 € 689.120 392
Dantumadiel € 254.040 € 589.840 € 191.260 535 € 781.100 301
De Bilt € 186.880 € 432.160 € 140.160 392 € 572.320 592
De Fryske Marren € 567.940 € 1.315.460 € 426.320 1193 € 1.741.780 324
De Ronde Venen € 175.200 € 405.880 € 131.400 368 € 537.280 509
De Wolden € 237.980 € 550.420 € 178.120 499 € 728.540 371
Delft € 230.680 € 534.360 € 173.740 485 € 708.100 404
Den Helder € 440.920 € 1.020.540 € 329.960 925 € 1.350.500 223
Deurne € 227.760 € 527.060 € 170.820 478 € 697.880 389
Deventer € 588.380 € 1.362.180 € 440.920 1235 € 1.803.100 340
Diemen € 65.700 € 151.840 € 48.180 137 € 200.020 467
Dijk en Waard € 496.400 € 1.149.020 € 373.760 1043 € 1.522.780 350
Dinkelland € 267.180 € 617.580 € 200.020 560 € 817.600 380
Doesburg € 70.080 € 163.520 € 52.560 148 € 216.080 314
Doetinchem € 385.440 € 892.060 € 289.080 809 € 1.181.140 317
Dongen € 192.720 € 445.300 € 144.540 404 € 589.840 344
Dordrecht € 724.160 € 1.676.080 € 543.120 1520 € 2.219.200 308
Drechterland € 167.900 € 388.360 € 125.560 352 € 513.920 381
Drimmelen € 237.980 € 550.420 € 178.120 499 € 728.540 376
Dronten € 188.340 € 436.540 € 140.160 395 € 576.700 324
Druten € 110.960 € 256.960 € 83.220 233 € 340.180 358
Duiven € 129.940 € 300.760 € 96.360 272 € 397.120 328
Echt-Susteren € 362.080 € 838.040 € 271.560 760 € 1.109.600 290
Edam-Volendam € 267.180 € 619.040 € 201.480 562 € 820.520 393
Ede € 601.520 € 1.394.300 € 451.140 1264 € 1.845.440 393
Eemnes € 45.260 € 105.120 € 35.040 96 € 140.160 490
Eemsdelta € 588.380 € 1.362.180 € 440.920 1235 € 1.803.100 218
Eersel € 129.940 € 302.220 € 97.820 274 € 400.040 447
Eijsden-Margraten € 220.460 € 511.000 € 164.980 463 € 675.980 346
Eindhoven € 775.260 € 1.795.800 € 582.540 1629 € 2.378.340 394
Elburg € 164.980 € 381.060 € 124.100 346 € 505.160 355
Emmen € 1.273.120 € 2.947.740 € 954.840 2673 € 3.902.580 252
Enkhuizen € 140.160 € 324.120 € 105.120 294 € 429.240 317
Enschede € 1.179.680 € 2.731.660 € 884.760 2477 € 3.616.420 303
Epe € 255.500 € 592.760 € 191.260 537 € 784.020 428
Ermelo € 167.900 € 389.820 € 125.560 353 € 515.380 431
Etten-Leur € 235.060 € 544.580 € 176.660 494 € 721.240 357
Geertruidenberg € 141.620 € 327.040 € 106.580 297 € 433.620 337
Geldrop-Mierlo € 251.120 € 581.080 € 188.340 527 € 769.420 384
Gemert-Bakel € 230.680 € 534.360 € 173.740 485 € 708.100 391
Gennep € 138.700 € 321.200 € 103.660 291 € 424.860 331
Gilze en Rijen € 167.900 € 389.820 € 125.560 353 € 515.380 363
Goeree-Overflakkee € 332.880 € 770.880 € 249.660 699 € 1.020.540 339
Goes € 274.480 € 635.100 € 205.860 576 € 840.960 321
Goirle € 148.920 € 344.560 € 112.420 313 € 456.980 402
Gooise Meren € 292.000 € 677.440 € 219.000 614 € 896.440 634
Gorinchem € 122.640 € 284.700 € 91.980 258 € 376.680 342
Gouda € 359.160 € 832.200 € 268.640 754 € 1.100.840 331
Groningen € 840.960 € 1.947.640 € 632.180 1767 € 2.579.820 338
Gulpen-Wittem € 140.160 € 324.120 € 105.120 294 € 429.240 332
Haaksbergen € 213.160 € 493.480 € 159.140 447 € 652.620 349
Haarlem € 772.340 € 1.788.500 € 579.620 1622 € 2.368.120 514
Haarlemmermeer € 575.240 € 1.331.520 € 430.700 1207 € 1.762.220 446
Halderberge € 235.060 € 544.580 € 176.660 494 € 721.240 355
Hardenberg € 573.780 € 1.328.600 € 430.700 1205 € 1.759.300 309
Harderwijk € 202.940 € 468.660 € 153.300 426 € 621.960 380
Hardinxveld-Giessendam € 116.800 € 270.100 € 87.600 245 € 357.700 335
Harlingen € 143.080 € 329.960 € 108.040 300 € 438.000 255
Hattem € 99.280 € 229.220 € 75.920 209 € 305.140 417
Heemskerk € 192.720 € 445.300 € 144.540 404 € 589.840 401
Heemstede € 99.280 € 229.220 € 75.920 209 € 305.140 734
Heerde € 157.680 € 365.000 € 119.720 332 € 484.720 389
Heerenveen € 478.880 € 1.109.600 € 360.620 1007 € 1.470.220 327
Heerlen € 687.660 € 1.591.400 € 515.380 1443 € 2.106.780 219
Heeze-Leende € 102.200 € 236.520 € 75.920 214 € 312.440 455
Heiloo € 156.220 € 362.080 € 118.260 329 € 480.340 476
Hellendoorn € 354.780 € 821.980 € 267.180 746 € 1.089.160 365
Helmond € 436.540 € 1.010.320 € 328.500 917 € 1.338.820 349
Hendrik-Ido-Ambacht € 141.620 € 327.040 € 106.580 297 € 433.620 375
Hengelo € 605.900 € 1.403.060 € 455.520 1273 € 1.858.580 300
Het Hogeland € 678.900 € 1.572.420 € 509.540 1426 € 2.081.960 247
Heumen € 102.200 € 236.520 € 75.920 214 € 312.440 400
Heusden € 275.940 € 638.020 € 207.320 579 € 845.340 395
Hillegom € 137.240 € 318.280 € 102.200 288 € 420.480 395
Hilvarenbeek € 105.120 € 243.820 € 80.300 222 € 324.120 432
Hilversum € 473.040 € 1.095.000 € 354.780 993 € 1.449.780 510
Hoeksche Waard € 592.760 € 1.372.400 € 445.300 1245 € 1.817.700 347
Hof van Twente € 299.300 € 693.500 € 223.380 628 € 916.880 352
Hollands Kroon € 443.840 € 1.027.840 € 334.340 933 € 1.362.180 327
Hoogeveen € 480.340 € 1.112.520 € 360.620 1009 € 1.473.140 266
Hoorn € 309.520 € 716.860 € 232.140 650 € 949.000 338
Horst aan de Maas € 381.060 € 883.300 € 286.160 801 € 1.169.460 326
Houten € 77.380 € 178.120 € 58.400 162 € 236.520 475
Huizen € 160.600 € 372.300 € 119.720 337 € 492.020 487
Hulst € 318.280 € 737.300 € 239.440 669 € 976.740 276
IJsselstein € 109.500 € 254.040 € 81.760 230 € 335.800 404
Kaag en Braassem € 125.560 € 290.540 € 93.440 263 € 383.980 439
Kampen € 378.140 € 874.540 € 283.240 793 € 1.157.780 322
Kapelle € 110.960 € 256.960 € 83.220 233 € 340.180 320
Katwijk € 249.660 € 578.160 € 186.880 524 € 765.040 414
Kerkrade € 383.980 € 889.140 € 289.080 807 € 1.178.220 211
Koggenland € 185.420 € 429.240 € 140.160 390 € 569.400 366
Krimpen aan den IJssel € 137.240 € 318.280 € 102.200 288 € 420.480 365
Krimpenerwaard € 344.560 € 798.620 € 258.420 724 € 1.057.040 382
Laarbeek € 194.180 € 449.680 € 146.000 408 € 595.680 389
Land van Cuijk € 712.480 € 1.649.800 € 534.360 1496 € 2.184.160 346
Landgraaf € 395.660 € 916.880 € 296.380 831 € 1.213.260 247
Landsmeer € 56.940 € 132.860 € 42.340 120 € 175.200 562
Lansingerland € 192.720 € 446.760 € 146.000 406 € 592.760 453
Laren € 65.700 € 151.840 € 48.180 137 € 200.020 929
Leeuwarden € 1.087.700 € 2.519.960 € 816.140 2285 € 3.336.100 268
Leiden € 376.680 € 871.620 € 281.780 790 € 1.153.400 454
Leiderdorp € 97.820 € 226.300 € 74.460 206 € 300.760 414
Leidschendam-Voorburg € 303.680 € 703.720 € 229.220 639 € 932.940 422
Lelystad € 340.180 € 786.940 € 255.500 714 € 1.042.440 307
Leudal € 424.860 € 984.040 € 318.280 892 € 1.302.320 307
Leusden € 121.180 € 280.320 € 91.980 255 € 372.300 437
Lingewaard € 328.500 € 760.660 € 245.280 689 € 1.005.940 366
Lisse € 115.340 € 267.180 € 86.140 242 € 353.320 416
Lochem € 278.860 € 645.320 € 208.780 585 € 854.100 432
Loon op Zand € 138.700 € 321.200 € 103.660 291 € 424.860 360
Lopik € 93.440 € 217.540 € 70.080 197 € 287.620 424
Losser € 230.680 € 534.360 € 173.740 485 € 708.100 335
Maasdriel € 186.880 € 432.160 € 140.160 392 € 572.320 388
Maasgouw € 273.020 € 632.180 € 204.400 573 € 836.580 295
Maashorst € 346.020 € 801.540 € 259.880 727 € 1.061.420 395
Maassluis € 108.040 € 251.120 € 80.300 227 € 331.420 322
Maastricht € 433.620 € 1.004.480 € 325.580 911 € 1.330.060 353
Medemblik € 376.680 € 871.620 € 281.780 790 € 1.153.400 369
Meerssen € 200.020 € 462.820 € 150.380 420 € 613.200 341
Meierijstad € 503.700 € 1.166.540 € 379.600 1059 € 1.546.140 394
Meppel € 242.360 € 562.100 € 182.500 510 € 744.600 308
Middelburg € 391.280 € 906.660 € 294.920 823 € 1.201.580 281
Midden-Delfland € 65.700 € 151.840 € 48.180 137 € 200.020 470
Midden-Drenthe € 343.100 € 795.700 € 256.960 721 € 1.052.660 305
Midden-Groningen € 763.580 € 1.769.520 € 573.780 1605 € 2.343.300 247
Moerdijk € 277.400 € 642.400 € 207.320 582 € 849.720 322
Molenlanden € 268.640 € 623.420 € 201.480 565 € 824.900 397
Montferland € 334.340 € 773.800 € 251.120 702 € 1.024.920 297
Montfoort € 87.600 € 202.940 € 65.700 184 € 268.640 408
Mook en Middelaar € 51.100 € 118.260 € 37.960 107 € 156.220 390
Neder-Betuwe € 147.460 € 341.640 € 110.960 310 € 452.600 356
Nederweert € 127.020 € 293.460 € 94.900 266 € 388.360 357
Nieuwegein € 208.780 € 483.260 € 157.680 439 € 640.940 337
Nieuwkoop € 154.760 € 359.160 € 116.800 326 € 475.960 421
Nijkerk € 220.460 € 511.000 € 164.980 463 € 675.980 433
Nijmegen € 589.840 € 1.365.100 € 442.380 1238 € 1.807.480 395
Nissewaard € 391.280 € 906.660 € 294.920 823 € 1.201.580 285
Noardeast-Fryslân € 665.760 € 1.541.760 € 500.780 1399 € 2.042.540 266
Noord-Beveland € 112.420 € 259.880 € 84.680 236 € 344.560 287
Noordenveld € 332.880 € 770.880 € 249.660 699 € 1.020.540 342
Noordoostpolder € 321.200 € 744.600 € 240.900 675 € 985.500 302
Noordwijk € 217.540 € 502.240 € 163.520 456 € 665.760 506
Nuenen, Gerwen en Nederwetten € 125.560 € 290.540 € 93.440 263 € 383.980 454
Nunspeet € 185.420 € 429.240 € 140.160 390 € 569.400 412
Oegstgeest € 75.920 € 175.200 € 56.940 159 € 232.140 572
Oirschot € 154.760 € 357.700 € 115.340 324 € 473.040 455
Oisterwijk € 198.560 € 459.900 € 148.920 417 € 608.820 479
Oldambt € 592.760 € 1.372.400 € 445.300 1245 € 1.817.700 239
Oldebroek € 134.320 € 310.980 € 100.740 282 € 411.720 375
Oldenzaal € 229.220 € 531.440 € 172.280 482 € 703.720 336
Olst-Wijhe € 138.700 € 321.200 € 103.660 291 € 424.860 371
Ommen € 151.840 € 351.860 € 112.420 318 € 464.280 361
Oost Gelre € 296.380 € 686.200 € 223.380 623 € 909.580 288
Oosterhout € 297.840 € 689.120 € 224.840 626 € 913.960 360
Ooststellingwerf € 341.640 € 789.860 € 256.960 717 € 1.046.820 309
Oostzaan € 55.480 € 127.020 € 42.340 116 € 169.360 482
Opmeer € 97.820 € 226.300 € 74.460 206 € 300.760 358
Opsterland € 341.640 € 789.860 € 256.960 717 € 1.046.820 325
Oss € 553.340 € 1.281.880 € 416.100 1163 € 1.697.980 350
Oude IJsselstreek € 420.480 € 973.820 € 315.360 883 € 1.289.180 313
Ouder-Amstel € 30.660 € 71.540 € 24.820 66 € 96.360 619
Oudewater € 55.480 € 129.940 € 42.340 118 € 172.280 415
Overbetuwe € 283.240 € 655.540 € 213.160 595 € 868.700 375
Papendrecht € 170.820 € 395.660 € 128.480 359 € 524.140 323
Peel en Maas € 354.780 € 821.980 € 267.180 746 € 1.089.160 332
Pekela € 214.620 € 496.400 € 160.600 450 € 657.000 192
Pijnacker-Nootdorp € 140.160 € 324.120 € 105.120 294 € 429.240 448
Purmerend € 383.980 € 889.140 € 289.080 807 € 1.178.220 381
Putten € 157.680 € 365.000 € 119.720 332 € 484.720 482
Raalte € 267.180 € 617.580 € 200.020 560 € 817.600 363
Reimerswaal € 229.220 € 529.980 € 172.280 481 € 702.260 266
Renkum € 110.960 € 256.960 € 83.220 233 € 340.180 411
Renswoude € 24.820 € 56.940 € 18.980 52 € 75.920 448
Reusel-De Mierden € 110.960 € 256.960 € 83.220 233 € 340.180 417
Rheden € 347.480 € 804.460 € 261.340 730 € 1.065.800 347
Rhenen € 118.260 € 274.480 € 89.060 249 € 363.540 424
Ridderkerk € 243.820 € 565.020 € 183.960 513 € 748.980 330
Rijssen-Holten € 273.020 € 632.180 € 204.400 573 € 836.580 356
Rijswijk € 153.300 € 354.780 € 113.880 321 € 468.660 387
Roerdalen € 267.180 € 617.580 € 200.020 560 € 817.600 285
Roermond € 385.440 € 892.060 € 289.080 809 € 1.181.140 298
Roosendaal € 543.120 € 1.258.520 € 407.340 1141 € 1.665.860 310
Rotterdam € 1.703.820 € 3.944.920 € 1.278.960 3578 € 5.223.880 364
Rozendaal € 5.840 € 14.600 € 5.840 14 € 20.440 646
Rucphen € 216.080 € 499.320 € 162.060 453 € 661.380 364
Schagen € 375.220 € 868.700 € 281.780 788 € 1.150.480 349
Scherpenzeel € 89.060 € 205.860 € 67.160 187 € 273.020 383
Schiedam € 303.680 € 703.720 € 229.220 639 € 932.940 309
Schiermonnikoog € 11.680 € 27.740 € 8.760 25 € 36.500 387
Schouwen-Duiveland € 350.400 € 811.760 € 261.340 735 € 1.073.100 347
's-Gravenhage € 1.746.160 € 4.044.200 € 1.311.080 3668 € 5.355.280 425
's-Hertogenbosch € 565.020 € 1.308.160 € 423.400 1186 € 1.731.560 419
Simpelveld € 108.040 € 251.120 € 80.300 227 € 331.420 256
Sint-Michielsgestel € 223.380 € 516.840 € 167.900 469 € 684.740 442
Sittard-Geleen € 871.620 € 2.017.720 € 654.080 1830 € 2.671.800 265
Sliedrecht € 143.080 € 329.960 € 108.040 300 € 438.000 308
Sluis € 278.860 € 646.780 € 210.240 587 € 857.020 294
Smallingerland € 465.740 € 1.077.480 € 348.940 977 € 1.426.420 285
Soest € 217.540 € 505.160 € 163.520 458 € 668.680 469
Someren € 134.320 € 310.980 € 100.740 282 € 411.720 402
Son en Breugel € 84.680 € 197.100 € 62.780 178 € 259.880 446
Stadskanaal € 446.760 € 1.035.140 € 334.340 938 € 1.369.480 246
Staphorst € 103.660 € 239.440 € 77.380 217 € 316.820 345
Stede Broec € 181.040 € 420.480 € 135.780 381 € 556.260 325
Steenbergen € 204.400 € 473.040 € 151.840 428 € 624.880 320
Steenwijkerland € 442.380 € 1.024.920 € 332.880 930 € 1.357.800 319
Stein € 318.280 € 737.300 € 239.440 669 € 976.740 272
Stichtse Vecht € 283.240 € 655.540 € 213.160 595 € 868.700 453
Súdwest-Fryslân € 963.600 € 2.232.340 € 722.700 2024 € 2.955.040 295
Terneuzen € 601.520 € 1.392.840 € 449.680 1262 € 1.842.520 244
Terschelling € 45.260 € 105.120 € 35.040 96 € 140.160 434
Texel € 156.220 € 362.080 € 118.260 329 € 480.340 378
Teylingen € 159.140 € 369.380 € 119.720 335 € 489.100 467
Tholen € 259.880 € 601.520 € 195.640 546 € 797.160 257
Tiel € 220.460 € 511.000 € 164.980 463 € 675.980 316
Tilburg € 1.036.600 € 2.400.240 € 776.720 2176 € 3.176.960 339
Tubbergen € 160.600 € 372.300 € 119.720 337 € 492.020 400
Twenterand € 312.440 € 722.700 € 235.060 656 € 957.760 324
Tynaarlo € 324.120 € 750.440 € 243.820 681 € 994.260 381
Tytsjerksteradiel € 440.920 € 1.020.540 € 329.960 925 € 1.350.500 283
Uitgeest € 74.460 € 172.280 € 55.480 156 € 227.760 408
Uithoorn € 100.740 € 233.600 € 74.460 211 € 308.060 420
Urk € 118.260 € 274.480 € 89.060 249 € 363.540 314
Utrecht € 763.580 € 1.769.520 € 573.780 1605 € 2.343.300 488
Utrechtse Heuvelrug € 254.040 € 589.840 € 191.260 535 € 781.100 507
Vaals € 75.920 € 175.200 € 56.940 159 € 232.140 274
Valkenburg aan de Geul € 141.620 € 327.040 € 106.580 297 € 433.620 331
Valkenswaard € 192.720 € 446.760 € 146.000 406 € 592.760 390
Veendam € 385.440 € 892.060 € 289.080 809 € 1.181.140 212
Veenendaal € 245.280 € 567.940 € 185.420 516 € 753.360 366
Veere € 252.580 € 584.000 € 189.800 530 € 773.800 360
Veldhoven € 245.280 € 567.940 € 185.420 516 € 753.360 435
Velsen € 341.640 € 789.860 € 256.960 717 € 1.046.820 431
Venlo € 779.640 € 1.806.020 € 585.460 1638 € 2.391.480 290
Venray € 293.460 € 680.360 € 220.460 617 € 900.820 323
Vijfheerenlanden € 303.680 € 702.260 € 227.760 637 € 930.020 389
Vlaardingen € 316.820 € 734.380 € 237.980 666 € 972.360 307
Vlieland € 5.840 € 13.140 € 4.380 12 € 17.520 419
Vlissingen € 363.540 € 840.960 € 273.020 763 € 1.113.980 247
Voerendaal € 119.720 € 277.400 € 90.520 252 € 367.920 319
Voorne aan Zee € 367.920 € 852.640 € 275.940 773 € 1.128.580 361*
Voorschoten € 93.440 € 217.540 € 70.080 197 € 287.620 506
Voorst € 189.800 € 439.460 € 141.620 398 € 581.080 419
Vught € 140.160 € 324.120 € 105.120 294 € 429.240 533
Waadhoeke € 626.340 € 1.451.240 € 470.120 1316 € 1.921.360 239
Waalre € 110.960 € 256.960 € 83.220 233 € 340.180 481
Waalwijk € 353.320 € 819.060 € 265.720 743 € 1.084.780 349
Waddinxveen € 138.700 € 321.200 € 103.660 291 € 424.860 372
Wageningen € 93.440 € 217.540 € 70.080 197 € 287.620 433
Wassenaar € 78.840 € 182.500 € 58.400 165 € 240.900 836
Waterland € 115.340 € 267.180 € 86.140 242 € 353.320 471
Weert € 433.620 € 1.004.480 € 325.580 911 € 1.330.060 317
West Betuwe € 348.940 € 807.380 € 262.800 733 € 1.070.180 393
West Maas en Waal € 162.060 € 375.220 € 121.180 340 € 496.400 368
Westerkwartier € 708.100 € 1.639.580 € 531.440 1487 € 2.171.020 300
Westerveld € 217.540 € 502.240 € 163.520 456 € 665.760 365
Westervoort € 73.000 € 169.360 € 55.480 154 € 224.840 306
Westerwolde € 442.380 € 1.024.920 € 332.880 930 € 1.357.800 274
Westland € 500.780 € 1.159.240 € 375.220 1051 € 1.534.460 424
Weststellingwerf € 312.440 € 722.700 € 235.060 656 € 957.760 308
Wierden € 207.320 € 480.340 € 156.220 436 € 636.560 379
Wijchen € 254.040 € 589.840 € 191.260 535 € 781.100 362
Wijdemeren € 154.760 € 359.160 € 116.800 326 € 475.960 553
Wijk bij Duurstede € 96.360 € 223.380 € 73.000 203 € 296.380 397
Winterswijk € 316.820 € 734.380 € 237.980 666 € 972.360 290
Woensdrecht € 219.000 € 508.080 € 164.980 461 € 673.060 325
Woerden € 224.840 € 519.760 € 169.360 472 € 689.120 414
Wormerland € 105.120 € 242.360 € 78.840 220 € 321.200 410
Woudenberg € 74.460 € 172.280 € 55.480 156 € 227.760 439
Zaanstad € 842.420 € 1.950.560 € 632.180 1769 € 2.582.740 369
Zaltbommel € 175.200 € 405.880 € 131.400 368 € 537.280 370
Zandvoort € 93.440 € 217.540 € 70.080 197 € 287.620 537
Zeewolde € 43.800 € 100.740 € 32.120 91 € 132.860 371
Zeist € 210.240 € 487.640 € 157.680 442 € 645.320 586
Zevenaar € 421.940 € 976.740 € 316.820 886 € 1.293.560 313
Zoetermeer € 299.300 € 693.500 € 223.380 628 € 916.880 350
Zoeterwoude € 48.180 € 112.420 € 36.500 102 € 148.920 447
Zuidplas € 176.660 € 408.800 € 132.860 371 € 541.660 402
Zundert € 192.720 € 445.300 € 144.540 404 € 589.840 389
Zutphen € 305.140 € 706.640 € 230.680 642 € 937.320 314
Zwartewaterland € 162.060 € 375.220 € 121.180 340 € 496.400 299
Zwijndrecht € 254.040 € 586.920 € 191.260 533 € 778.180 316
Zwolle € 484.720 € 1.122.740 € 363.540 1018 € 1.486.280 374

*Voorne aan Zee is samengesteld uit de voormalige gemeente Brielle, Hellevoetsluis en Westvoorne. De gemiddelde WOZ waarde is gebaseerd op het gewogen gemiddelde van het aantal koopwoningen in deze voormalige gemeenten.

Lasten en bevelen dat deze regeling met de daarbij behorende toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst.

Artikel 4a. Ambtshalve toekenning

1.

Indien het college van een gemeente een aanvraag heeft gedaan op grond van artikel 3, eerste lid, wordt een specifieke uitkering aan het college verstrekt ter hoogte van het bedrag dat voor die gemeente is opgenomen in de tweede kolom van bijlage II.

2.

Indien het college van een gemeente een aanvraag heeft gedaan op grond van artikel 3, eerste lid, wordt aanvullend een specifieke uitkering aan het college verstrekt ter hoogte van het bedrag dat voor die gemeente is opgenomen in de derde kolom van bijlage II, naar rato van het aantal woningen waarvoor door die gemeente een aanvraag is gedaan op grond van artikel 3, eerste lid.

Bijlage I. met de bedragen, bedoeld in artikel 3, eerste lid, en gemiddelde WOZ-waarde als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel b, subonderdeel 1°

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)