Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 9 maart 2023, nr. MBO/36996245, houdende regels voor de verstrekking van aanvullende bekostiging voor het verhogen van de kwaliteit van het beroepsonderwijs 2024–2027 (Regeling kwaliteitsafspraken mbo 2024–2027)
4 Na afloop van de Studentenpeiling NP Onderwijs neemt OCW het initiatief om deze indicator via een andere monitor beschikbaar te houden. Instellingen hoeven deze indicator uit een andere monitor pas mee te nemen in de jaarverslagen zodra deze indicator beschikbaar is.
5 In 2024 zijn hier middelen voor toegevoegd aan de aanvullende bekostiging die instellingen ontvangen op grond van deze regeling. Vanaf 2025 zitten deze middelen naar verwachting structureel in de lumpsum.
6 Voor het uitvoeren van deze maatregel zijn extra middelen toegevoegd aan de lumpsum. Het betreft een bedrag van € 14,5 miljoen voor extra begeleiding van school naar werk.
7 Voor het uitvoeren van deze maatregel kunnen instellingen subsidie aanvragen op basis van de Subsidieregeling nazorg mbo 2022/2024. Bekostiging mag niet worden ingezet voor activiteiten na diplomering die niet in de WEB geregeld zijn. Dit geldt ook voor aanvullende bekostiging op grond van deze regeling. Vandaar dat de aanvullende bekostiging die instellingen op grond van deze regeling ontvangen, hier niet voor mag worden gebruikt. Er is een wetsvoorstel in de maak waarmee nazorg wordt verankerd als wettelijke taak voor instellingen. Als het wetsvoorstel wordt aangenomen en de wetswijziging in werking is getreden, zal niet langer subsidie voor nazorg worden verstrekt maar worden de middelen hiervoor toegevoegd aan de lumpsum.
8 Voor dit doel is de lumpsum in 2022 opgehoogd met € 6,5 miljoen.
9 Hiervoor ontvangen instellingen extra middelen op basis van de Subsidieregeling versterking aansluiting beroepsonderwijskolom. Deze regeling is op dit moment nog niet gepubliceerd. De verwachting is dat dat voor de zomer van 2023 zal gebeuren.
10 Idem.
11 Instellingen mogen hun bekostiging en dus ook de aanvullende bekostiging die zij ontvangen op grond van deze regeling, niet aanwenden voor niet-bekostigde ofwel private activiteiten op het gebied van LLO. Voor het realiseren van deze doelstelling zijn middelen versterkt aan de gemeenten.
12 Het NGF project LLO-collectief is in 2022 gestart met twee pilotregio’s. Bij succes wordt het aantal opgeschaald naar twintig pilots binnen de looptijd van de werkagenda. Instellingen kunnen hieraan deelnemen.
13 Voor deze vier maatregelen zijn gedurende de looptijd van de kwaliteitsafspraken middelen beschikbaar via de Tijdelijke regeling aanvullende bekostiging LOB MBO 2023 die naar verwachting voor de zomer van 2023 verschijnt.
14 Instellingen mogen hun bekostiging en dus ook de aanvullende bekostiging die zij ontvangen op grond van deze regeling, niet aanwenden voor niet-bekostigde ofwel private activiteiten op het gebied van LLO. Voor het realiseren van deze doelstelling zijn middelen versterkt aan de gemeenten.
15 Er is € 30 miljoen toegevoegd aan de lumpsum voor professionalisering van docenten die hiervoor mag worden ingezet.
16 Met examenniveau worden de referentieniveaus voor Nederlands en rekenen en de vanaf 2022/2023 geldende mbo-rekenniveaus bedoeld. Studenten kunnen ook kiezen om examen af te leggen op een hoger examenniveau dan minimaal vereist voor hun opleiding.
17 Instellingen zijn niet verplicht om deze indicator op te nemen indien burgerschapsonderwijs niet als apart vak wordt gegeven, maar is ingebed in andere vakken.
18 Toelichting uit de werkagenda mbo: instellingen stellen docenten aan op basis van het bekwaamheidsprofiel (en scholen hen waar nodig bij). Instellingen betrekken zo goed mogelijk de docenten zelf bij het opstellen van het hieruit voortvloeiende personeelsbeleid. N.B.: door het besluit van de minister in 2023 kan dit veranderen.
19 Er is € 30 miljoen toegevoegd aan de lumpsum voor professionalisering van docenten die hiervoor mag worden ingezet.
20 Voor inzet op deze doelstelling zijn middelen toegevoegd aan het budget voor deze regeling. In totaal is jaarlijks ca. € 142 miljoen specifiek voor deze doelstelling beschikbaar gemaakt.
21 Voor sommige instellingen geldt dat de inschalingsgegevens ook vo-docenten kunnen bevatten. Het is o.b.v. de gegevens van DUO niet mogelijk om vo-docenten uit te filteren.
22 Binnen de aanvullende bekostiging op grond van deze regeling is € 25 miljoen per jaar uitgetrokken voor deze maatregel.
Gelet op artikel 2.2.3, derde en vierde lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs;
Besluit:
Bijlage 3. Behorend bij artikel 8, eerste lid, van de Regeling kwaliteitsafspraken mbo 2024–2027
| Aspect | Beoordelingscriteria | Toelichting |
|---|---|---|
| 1. Interne en externe analyse De kwaliteitsagenda bevat een tweeledige analyse per doelstelling, gebaseerd op de analyseonderdelen en indicatoren uit bijlage 2. Op basis van de volledige analyse worden ambities en de maatregelen geformuleerd. De analyse bestaat ten eerste uit een intern deel gericht op de uitgangssituatie van en ontwikkelingen binnen de instelling die van belang zijn voor de kwaliteitsagenda. De uitgangssituatie wordt beschreven aan de hand van de sterke en zwakke punten van de organisatie. Verder is het mogelijk om bij de beschrijving van de ontwikkelingen een link te leggen met het strategisch meerjarenplan van de instelling. De analyse bestaat ten tweede uit een extern deel gericht op de uitgangssituatie en de ontwikkelingen binnen het werkgebied van de instelling die van belang zijn voor de kwaliteitsagenda. De uitgangssituatie wordt beschreven aan de hand van de kansen en uitdagingen binnen het werkgebied. | De score voor het aspect Interne en externe analyse is voldoende als de kwaliteitsagenda: a. een goed onderbouwde afbakening bevat van het regionale en/of sectorale werkgebied waar de instelling zich op richt, ook in relatie tot andere instellingen (zoals andere roc’s en beroepscolleges); b. een goed beeld geeft van de sterke en zwakke punten van de instelling en ontwikkelingen binnen de instelling die van belang zijn voor de kwaliteitsagenda; c. een goed beeld geeft van de kansen en uitdagingen in het werkgebied en de ontwikkelingen binnen het werkgebied, waaronder de ontwikkelingen op de arbeidsmarkt, die van belang zijn voor de kwaliteitsagenda; d. in ieder geval inzicht geeft in de analyseonderdelen uit bijlage 2 en gebruik maakt van c.q. aansluit bij beschikbare kwalitatieve en kwantitatieve informatie, waaronder in ieder geval de indicatoren uit bijlage 2. | Om goede ambities te kunnen stellen en maatregelen te treffen, is een helder beeld van de uitgangssituatie en ontwikkelingen binnen (het werkgebied van) de instelling van belang. De ontwikkelingen binnen het werkgebied betreffen in ieder geval de ontwikkelingen op de arbeidsmarkt, maar kunnen verder onder meer de demografische, regionale, landelijke, politieke en aan het onderwijs gerelateerde ontwikkelingen betreffen. Op basis van de analyse kan een gemotiveerde keuze worden gemaakt voor de ambities (opgesteld in de vorm van beoogde eindresultaten voor eind 2027) en maatregelen ten aanzien van de doelstellingen uit de werkagenda mbo. Het is aan de instelling om te bepalen wat haar werkgebied is. Het werkgebied is geen van tevoren vaststaande geografische of bestuurlijk-administratieve eenheid, maar het gebied dat de instelling zelf als de meest effectieve schaal ziet voor een optimale vervulling van haar wettelijke taken en de uitvoering van de kwaliteitsagenda. Voor de roc’s is dat werkgebied in beginsel een geografische regio. Voor de beroepscolleges kan het werkgebied in bepaalde gevallen ook het hele land omvatten of een of meer branches betreffen. Bovendien hoeft het werkgebied niet voor de hele instelling en voor alle doelstellingen uit de werkagenda hetzelfde te zijn. Er kunnen bijvoorbeeld verschillen zijn tussen locaties, opleidingen, opleidingsniveaus, opleidingsdomeinen, et cetera. De instelling heeft de ruimte om hier in haar kwaliteitsagenda zelf invulling aan te geven. De commissie beoordeelt of de instelling hierin logische keuzes heeft gemaakt die passen bij haar opgave. |
| 2. Ambities en beoogde resultaten De instelling heeft een ambitie per doelstelling geformuleerd op het niveau van het werkgebied en maakt daarbij duidelijk welke concrete beoogde resultaten voor eind 2027 zijn beoogd. De gestelde ambities zijn zowel ambitieus als realistisch. | De score voor het aspect Ambities en beoogde resultaten is voldoende als: a. op iedere doelstelling uit bijlage 2 waar verplichte maatregelen aan gekoppeld zijn een passende ambitie is geformuleerd die logisch aansluit bij de analyse; b. op iedere doelstelling uit bijlage 2 waarvoor alleen ‘pas toe of leg uit’- maatregelen gelden, ofwel een ambitie is geformuleerd die logisch aansluit bij de analyse, ofwel op basis van de analyse afdoende is gemotiveerd waarom ervoor is gekozen geen ambitie te stellen; c. het ambitieniveau van de kwaliteitsagenda als geheel groot genoeg is in het licht van de omvang van het budget dat de instelling voor de werkagenda mbo ontvangt; d. de ambities (overwegend) geformuleerd zijn in termen van concrete beoogde resultaten voor eind 2027, die meetbaar of merkbaar en toetsbaar geformuleerd zijn; e. aannemelijk is dat de beoogde eindresultaten te behalen zijn met de voorgestelde maatregelen, middelen en aanpak binnen de beschikbare tijd. | De instelling formuleert in haar kwaliteitsagenda een ambitie per doelstelling. Niet elke ambitie hoeft even ambitieus te zijn. Voor doelstellingen waar een of meer verplichte maatregelen aan zijn verbonden, geldt dat de instelling een ambitieniveau moet hanteren dat past bij de verplichte maatregel(en). Voor de rest staat het de instelling vrij om keuzes te maken in het ambitieniveau van de verschillende doelstellingen. De instelling kan er ook voor kiezen om op een bepaalde doelstelling geen inzet te plegen en dus geen ambitie te stellen. Dit onderbouwt zij aan de hand van de analyse, bijvoorbeeld door uit te leggen waarom zij andere doelstellingen prioriteert of waarom het al goed genoeg gaat in het werkgebied ten aanzien van deze doelstelling. Wel moet de kwaliteitsagenda als geheel voldoende ambitieus zijn om de investeringen die instellingen ontvangen om uitvoering te geven aan de werkagenda mbo, te rechtvaardigen. Om die reden levert de instelling ook een inzichtelijke indicatieve begroting aan en stelt zij haar ambities op in de vorm van concrete beoogde resultaten voor eind 2027 (SMART geformuleerd) die zich logisch verhouden tot de analyse, bijvoorbeeld doordat het beoogde resultaat een gewenste uitkomst van een indicator bevat. |
| 3. Maatregelen en budget De instelling geeft een overzicht van maatregelen om de ambities te realiseren en presenteert een daarbij behorende indicatieve meerjarenbegroting. | De score voor het aspect Maatregelen en budget is voldoende als: a. de ambities zijn vertaald in maatregelen, zijnde in elk geval de maatregelen die de instelling zelf gaat treffen. Daarbij is rekening gehouden met het onderscheid tussen: – de verplichte maatregelen uit bijlage 2; en – de pas-toe-of-leg-uit-maatregelen uit bijlage 2. Voor de laatste categorie geldt dat de instelling aan de hand van de analyse en de indicatoren uit bijlage 2 kan motiveren waarom de maatregel niet zal worden uitgevoerd; b. de kwaliteitsagenda een realistische indicatieve meerjarenbegroting bevat waarop kosten van de maatregelen op de thema’s extra ondersteuning voor studenten in niveau 2, carrièreperspectief voor onderwijspersoneel en practoraten, genoemd in resp. de doelstellingen 1.3, 3.3 en 3.4 uit bijlage 2, afzonderlijk vermeld zijn in de begroting en eventuele verschillen met de hiermee samenhangende posten binnen de aanvullende bekostiging zijn toegelicht; c. het aannemelijk is dat de maatregelen haalbaar en uitvoerbaar zijn, gelet op de interne analyse en de structuren en processen van de instelling; d. het is aannemelijk dat de maatregelen leiden tot een duidelijke verbetering op het gebied van de doelstellingen uit de werkagenda mbo binnen het werkgebied van de instelling. | Bij dit aspect gaat het om het operationaliseren van de ambities in termen van maatregelen en budget, zodat (op hoofdlijnen) inzichtelijk wordt hoe de instelling de ambities gaat realiseren. Voor de beoordeling van de kwaliteitsagenda wordt enkel gekeken naar de maatregelen die de instellingen zelf nemen; eventuele maatregelen van partners kunnen als contextinformatie worden opgenomen in de kwaliteitsagenda maar vallen buiten de beoordeling. Begin 2023 zijn de instellingen over de te verstrekken bedragen op grond van deze regeling geïnformeerd, zodat hier bij het opstellen van de indicatieve begroting rekening mee kan worden gehouden. Voor sommige onderdelen uit de werkagenda mbo zijn naast de kwaliteitsmiddelen andere financieringsstromen beschikbaar.1 Deze kunnen worden benoemd in de indicatieve begroting met als doel inzichtelijk te maken of de kwaliteitsagenda realistisch en ambitieus genoeg is in het licht van het daarvoor beschikbare budget. Dat betekent vervolgens dat het totaalbedrag van de indicatieve begroting niet per se gelijk hoeft te zijn aan, en waarschijnlijk groter zal zijn dan, de aanvullende bekostiging die de instelling op grond van deze regeling ontvangt. Verder is de aanvullende bekostiging op grond van deze regeling ook samengesteld uit verschillende posten. Aan het oorspronkelijke budget zijn extra middelen toegevoegd voor de thema’s extra ondersteuning voor studenten in niveau 2, carrièreperspectief voor onderwijspersoneel en practoraten, genoemd in resp. de doelstellingen 1.3, 3.3 en 3.4 uit bijlage 2. De instelling wordt gevraagd om de indicatieve kosten van de inzet op deze drie thema’s afzonderlijk in de begroting te vermelden en eventuele verschillen met de hiermee samenhangende posten binnen de aanvullende bekostiging toe te lichten. Dat de kwaliteitsmiddelen mede uit deze posten zijn samengesteld, leidt overigens niet tot bestedingsvoorwaarden: instellingen mogen de kwaliteitsmiddelen naar eigen inzicht besteden aan de uitvoering van de kwaliteitsagenda of andere bekostigde activiteiten. |
| 4. Intern draagvlak en externe samenwerking De kwaliteitsagenda wordt gedragen door interne samenwerkingspartners. Externe samenwerkingspartners zijn door de instelling actief betrokken bij de kwaliteitsagenda. | De score voor het aspect Intern draagvlak en externe samenwerking is voldoende als: a. er sprake is van gerichtheid op draagvlak en samenwerking met de interne samenwerkingspartners, namelijk de studenten en het onderwijspersoneel. De studentenraad en de ondernemingsraad hebben met de kwaliteitsagenda ingestemd; b. er sprake is van een aanpak om de ouders van de studenten te betrekken bij de voor hen relevante ambities en maatregelen; c. logisch onderbouwd is wie de relevante externe samenwerkingspartners zijn per doelstelling; d. bij de kwaliteitsagenda in elk geval externe samenwerkingspartners betrokken zijn uit het onderwijs, de overheid en het bedrijfsleven, waarvan de betrokken partners binnen de overheid zowel het economisch als het sociaal domein dienen te vertegenwoordigen; e. de externe samenwerkingspartners door de instelling actief zijn betrokken bij de ambitievorming; f. er wordt beschreven hoe de instelling met de samenwerkingspartners bij de uitvoering van de kwaliteitsagenda gaan samenwerken, waaronder tenminste een jaarlijkse evaluatie van de voortgang van de realisatie van de ambities en van de ontwikkelingen in de samenwerking. | In de kwaliteitsagenda wordt beschreven hoe de interne en externe samenwerkingspartners zijn betrokken bij de totstandkoming van de kwaliteitsagenda. Een goede verbinding met het werkgebied is van cruciaal belang voor elke instelling. Samen met de interne en externe samenwerkingspartners in het werkgebied wordt gewerkt aan de toekomst van de studenten. Omdat instellingen (deels) actief kunnen zijn in dezelfde regio, kan samenwerking met andere mbo-instellingen op sommige doelstellingen vanzelfsprekend zijn. Bij het opstellen en uitvoeren van de kwaliteitsagenda dient te worden samengewerkt met externe samenwerkingspartners binnen de overheid, onderwijs en bedrijfsleven. Voor partners binnen het onderwijs kan worden gedacht aan vmbo-scholen, andere mbo-instellingen en hbo-instellingen. Voor partners binnen de overheid aan maatschappelijke organisaties en lokale en regionale overheden. Er dienen in elk geval samenwerkingspartners binnen de overheid te worden gevonden die: 1) het economisch domein vertegenwoordigen, zoals Economic Boards of vergelijkbare provinciale overleggen; en 2) het sociaal domein vertegenwoordigen, zoals de RMC-contractgemeente(n) van de RMC-regio(’s) of de centrumgemeenten van de arbeidsmarktregio(’s) waar de instelling deel vanuit maakt. Instellingen kiezen verder zelf wie de voor hen relevante externe samenwerkingspartners zijn per doelstelling en moeten dit in de kwaliteitsagenda logisch kunnen onderbouwen. De mate van samenwerking is bij de start van de regeling per instelling, regio en samenwerkingspartner, verschillend. Belangrijk is dat in de kwaliteitsagenda kan worden aangetoond, ofwel dat er stappen zijn of worden gezet om een beweging op gang te krijgen waarin nieuwe samenwerking wordt opgezet, ofwel dat bestaande samenwerking wordt verdiept of geïntensiveerd. Bij iedere instelling dient tijdens de fase van planvorming een ontwikkeling op dit vlak op gang te zijn gebracht. De jaarlijkse evaluatie kan de instelling zelf vormgeven en mag per jaar en samenwerkingspartner verschillen. Randvoorwaarde is dat ieder jaar de samenwerkingspartners worden betrokken bij de voor hen relevante onderdelen. De beroepscolleges zullen mogelijk (deels) een ander werkgebied en andere samenwerkingspartners hebben dan roc’s. Daarbij kan sectorale afstemming een grotere weging hebben dan bij roc’s het geval is. |
| 5. Duurzaamheid De kwaliteitsagenda leidt tot duurzame verbetering. | De score voor het aspect Duurzaamheid is voldoende als: aannemelijk is dat de maatregelen leiden tot duurzame resultaten en tot blijvende meetbare, merkbare en bespreekbare effecten voor studenten, medewerkers en het werkgebied. | In de kwaliteitsagenda wordt aangegeven hoe gezorgd wordt voor duurzame verbetering, zowel binnen de instelling als in samenwerking met de samenwerkingspartners. Dit kan bijvoorbeeld door een betere verankering van maatregelen binnen de instelling door opname in de reguliere PDCA-cyclus of door betere verankering van de samenwerking met regionale partners. |
1 Deze staan opgesomd in de toelichting bij de regeling.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)