Wet van 24 maart 2023, houdende regels ter bevordering van goed verhuurderschap en het voorkomen en tegengaan van ongewenste verhuurpraktijken (Wet goed verhuurderschap)

Type Wet
Publication 2026-01-01
State In force
Source BWB
artikelen 34
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is om regels te stellen waarmee misstanden bij het verhuren van woon- en verblijfsruimte kunnen worden voorkomen en tegengegaan;

Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

Hoofdstuk 2. Regels inzake het bevorderen van goed verhuurderschap

Artikel 2

1.

Een verhuurder of verhuurbemiddelaar van een woon- of verblijfsruimte handelt in overeenstemming met de regels van goed verhuurderschap.

2.

Onder goed verhuurderschap wordt verstaan:

3.

Onverminderd het tweede lid wordt in het geval van verhuur van verblijfsruimte aan arbeidsmigranten:

4.

Onverminderd het tweede en derde lid handelt de verhuurbemiddelaar in overeenstemming met artikel 417, vierde lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek.

5.

Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gegeven over de informatie die een verhuurder of verhuurbemiddelaar aan de huurder verstrekt op grond van het tweede lid, onderdeel e, onder 1°.

6.

De verhuurder die een huurovereenkomst heeft opgezegd op grond van artikel 274, eerste lid, onder h, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek doet een melding bij het meldpunt als bedoeld in artikel 4, eerste lid.

Artikel 3

1.

Ter uitvoering van artikel 2 beschikt een verhuurder, verhuurbemiddelaar of beheerder van een woon- of verblijfsruimte in ieder geval over een werkwijze die gericht is op voorkoming van woondiscriminatie.

2.

De verhuurder, verhuurbemiddelaar of beheerder van een woon- of verblijfsruimte neemt in het kader van die werkwijze doeltreffende maatregelen en voert deze uit. Hij is daarbij in ieder geval gehouden werknemers die vanwege hun functie handelingen verrichten om een overeenkomst van huur van een woon- of verblijfsruimte tot stand te brengen, te informeren over voorkoming van woondiscriminatie en de maatregelen.

3.

De verhuurder, verhuurbemiddelaar of beheerder van een woon- of verblijfsruimte past de werkwijze en maatregelen aan als de daarmee opgedane ervaring daartoe aanleiding geeft.

4.

De verhuurder, verhuurbemiddelaar of beheerder van een woon- of verblijfsruimte zorgt ervoor dat eenieder kennis kan nemen van de geldende werkwijze.

5.

De verhuurder, verhuurbemiddelaar of beheerder van een woon- of verblijfsruimte legt de werkwijze en de daarbij behorende maatregelen schriftelijk vast. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de werkwijze.

Hoofdstuk 3. Meldpunt

Artikel 4

1.

Burgemeester en wethouders stellen een meldpunt in waar klachten over ongewenst verhuurgedrag en de in artikel 2, zesde lid, genoemde opzeggingen kunnen worden gemeld.

2.

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd tot het verwerken van persoonsgegevens ten behoeve van het afwikkelen van bij het meldpunt ingediende klachten. Burgemeester en wethouders zijn verwerkingsverantwoordelijke voor deze verwerking.

3.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld omtrent de verwerking van de persoonsgegevens. Deze nadere regels hebben in ieder geval betrekking op de vastlegging, de bewaartermijn en de vernietiging van de persoonsgegevens.

Hoofdstuk 3. Meldpunt

Artikel 5

1.

De gemeenteraad kan in een verhuurverordening bepalen dat het voor een verhuurder verboden is om:

2.

De gemeenteraad maakt van de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, slechts gebruik indien dat in het aangewezen gebied noodzakelijk en geschikt is voor het behoud van de leefbaarheid.

3.

Bij de voorbereiding van de vaststelling of wijziging van een verhuurverordening voeren burgemeester en wethouders overleg met burgemeester en wethouders van de overige gemeenten die deel uitmaken van de woningmarktregio, bedoeld in artikel 1, onderdeel k, van de Huisvestingswet 2014, waarin de gemeente is gelegen.

Artikel 6

1.

Een vergunning als bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel a of b, kan slechts worden aangevraagd door de verhuurder van de woon- of verblijfsruimte.

2.

In het geval van een aanvraag voor een vergunning als bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel a of b, betrekking heeft op een woon- of verblijfsruimte of het gebouw waarin die woon- of verblijfsruimte is gelegen en voor de realisatie van deze functie een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, onderdeel a, of tweede lid, aanhef en onderdeel a, van de Omgevingswet, of een vergunning als bedoeld in artikel 21, eerste lid, van de Huisvestingswet 2014 is aangevraagd, maar nog niet is verleend, wordt de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, aangehouden tot dat een beslissing is genomen op de aanvraag van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, onderdeel a, of tweede lid, aanhef en onderdeel a, van de Omgevingswet, of een vergunning als bedoeld in artikel 21, eerste lid, van de Huisvestingswet 2014.

Artikel 7

1.

Een vergunning als bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel a of b, wordt geweigerd indien voor de realisatie van die woon- of verblijfsruimte een vereiste omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onderdeel a, of tweede lid, aanhef en onderdeel a, van de Omgevingswet, of indien de betrokken woon- of verblijfsruimte is gerealiseerd en op grond van artikel 4.3, eerste lid, onderdeel a, van de Omgevingswet bij algemene maatregel van bestuur is bepaald dat het feitelijk in gebruik nemen van het bouwwerk of de bouwwerken die onderdeel uitmaken van een bouwactiviteit verboden is zonder voorafgaande melding, of een vergunning als bedoeld in artikel 21, eerste lid, van de Huisvestingswet 2014, vereist is en de verhuurder de vereiste vergunning of melding of een aanvraag voor die vergunning waarop het bevoegd gezag nog niet heeft beslist, niet heeft overgelegd bij de aanvraag.

2.

Een vergunning als bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel a of b, kan uitsluitend worden geweigerd:

3.

Voordat toepassing wordt gegeven aan het tweede lid, onderdeel c, kan het Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, bedoeld in artikel 8 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, om een advies als bedoeld in artikel 9 van die wet worden gevraagd.

4.

Indien de vergunning, bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel a of b, wordt geweigerd en deze vergunning betrekking heeft op een woon- of verblijfsruimte die op het moment van de weigering van de vergunning is verhuurd, kunnen burgemeester en wethouders een besluit nemen als bedoeld in artikel 12, eerste lid.

Artikel 8

1.

Burgemeester en wethouders kunnen aan een vergunning als bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel a, voorwaarden verbinden die uitsluitend betrekking hebben op:

2.

Burgemeester en wethouders kunnen aan een vergunning als bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel b, voorwaarden verbinden die uitsluitend betrekking hebben op:

3.

Indien de verblijfsruimte een woonruimte betreft die bestemd is of gebruikt wordt voor de huisvesting van arbeidsmigranten, kunnen burgemeester en wethouders, onverminderd het tweede lid, aan een vergunning als bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel b, ook de voorwaarden bedoeld in het eerste lid, onderdeel b verbinden.

4.

De voorwaarde, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, kan uitsluitend aan de vergunning, bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel b, worden verbonden voor verblijfsruimte die in gebruik wordt genomen na inwerkingtreding van deze wet. Voor verblijfsruimte die reeds in gebruik was voor inwerkingtreding van deze wet of waarvoor een vergunning als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, onderdeel a, of tweede lid, aanhef en onderdeel a, van de Omgevingswet, is verstrekt voor inwerkingtreding van deze wet, kunnen burgemeester en wethouders de voorwaarde aan de vergunning verbinden dat de desbetreffende verblijfsruimte binnen drie jaar na inwerkingtreding van deze wet aan de voorwaarde, bedoeld in het tweede lid onderdeel b, moet voldoen.

Artikel 9

1.

Burgemeester en wethouders beslissen op de aanvraag, bedoeld in artikel 6, eerste lid, binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag.

2.

Burgemeester en wethouders kunnen de termijn, bedoeld in het eerste lid, eenmaal verlengen met ten hoogste zes weken. Zij maken hun besluit daartoe bekend binnen de termijn, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 10

1.

Burgemeester en wethouders kunnen een vergunning als bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel a of b, uitsluitend intrekken voor één of meerdere woon- of verblijfsruimten indien:

2.

De vergunning, bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel a of b, kan voorts worden ingetrokken in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur.

3.

Voordat toepassing wordt gegeven aan het tweede lid, kan het Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, bedoeld in artikel 8 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, om een advies als bedoeld in artikel 9 van die wet worden gevraagd.

4.

Indien de vergunning, bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel a of b, wordt ingetrokken en deze vergunning betrekking heeft op een woon- of verblijfsruimte die op het moment van de intrekking is verhuurd, nemen burgemeester en wethouders een besluit als bedoeld in artikel 12, tweede lid.

Hoofdstuk 5. De inbeheername

Artikel 11

In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder beheer:

Artikel 12

1.

Burgemeester en wethouders kunnen de verhuurder verplichten tot het aan een beheerder in beheer geven van een woon- of verblijfsruimte of een gebouw waarin die woon- of verblijfsruimte is gelegen, indien:

2.

Burgemeester en wethouders verplichten de verhuurder tot het aan een beheerder in beheer geven van een woon- of verblijfsruimte of een gebouw waarin die woon- of verblijfsruimte is gelegen, in het geval genoemd in artikel 10, vierde lid.

3.

Het is de verhuurder tot wie het besluit, bedoeld in het eerste of tweede lid, is gericht, gedurende de termijn waarvoor de woon- of verblijfsruimte of het gebouw waarin die woon- of verblijfsruimte gelegen is in beheer is genomen, verboden om beheershandelingen te verrichten.

4.

De beoogde beheerder is niet verplicht de beheersopdracht te aanvaarden.

Artikel 13

In het besluit, bedoeld in artikel 12, eerste of tweede lid, stellen burgemeester en wethouders de huurprijs van de woon- of verblijfsruimte vast op een bedrag dat redelijk is in het economisch verkeer en voldoet aan de voor de betreffende huurprijs geldende wettelijke regels die de beheerder in rekening mag brengen bij de gebruikers van de woon- of verblijfsruimte.

Artikel 14

1.

Indien een woon- of verblijfsruimte of het gebouw waarin die woon- of verblijfsruimte gelegen is, noodzakelijke voorzieningen of aanpassingen behoeft, kunnen burgemeester en wethouders besluiten dat de beheerder binnen een in dat besluit bepaalde termijn die voorzieningen aanbrengt of aanpassingen uitvoert.

2.

De uitvoering van de voorzieningen of aanpassingen, bedoeld in het eerste lid, geschiedt op kosten van de verhuurder.

Artikel 15

1.

In het besluit, bedoeld in artikel 12, eerste of tweede lid, bepalen burgemeester en wethouders een kostendekkende beheervergoeding die de verhuurder aan hen is verschuldigd ten behoeve van het beheer.

2.

Burgemeester en wethouders verrekenen de door de beheerder geïnde huur voor de woonruimte of vergoeding voor het gebruik van de verblijfsruimte met de beheervergoeding en de verschuldigde kosten van de voorzieningen of aanpassingen, bedoeld in artikel 14, eerste lid.

3.

Op basis van de verrekening bepalen burgemeester en wethouders het bedrag dat de beheerder verschuldigd is aan de verhuurder.

4.

Indien blijkt uit de verrekening dat de geïnde huur van de woonruimte of vergoeding voor het gebruik van de verblijfsruimte lager zijn dan de som van de beheervergoeding en de verschuldigde kosten, bedoeld in artikel 14, tweede lid, kunnen burgemeester en wethouders het resterende bedrag bij de verhuurder invorderen bij dwangbevel.

Artikel 16

1.

Burgemeester en wethouders beëindigen het beheer:

2.

Indien het eigendom van de woon- of verblijfsruimte of het gebouw waarin die woon- of verblijfsruimte is gelegen door de verhuurder is overgedragen aan een nieuwe eigenaar beëindigen burgemeester en wethouders het beheer:

Hoofdstuk 6. Handhaving en toezicht

Artikel 17

Burgemeester en wethouders dragen zorg voor de bestuursrechtelijke handhaving van het bij of krachtens deze wet bepaalde.

Artikel 18

1.

Met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens deze wet bepaalde zijn belast de bij besluit van burgemeester en wethouders aangewezen ambtenaren.

2.

Van een besluit als bedoeld in het eerste lid wordt mededeling gedaan door plaatsing in het Gemeenteblad.

3.

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd tot het opleggen van een bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 19.

Artikel 19

1.

De bestuurlijke boete ter zake van het handelen in strijd met de regels van goed verhuurderschap, bedoeld in de artikelen 2 en 3 of artikel 2a, of het verbod, bedoeld in artikel 2b, bedraagt ten hoogste:

2.

Indien de gemeenteraad een verhuurverordening vaststelt, bepaalt hij dat een bestuurlijke boete kan worden opgelegd ter zake van het overtreden van de verboden, bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel a of b, of artikel 12, derde lid, of de op basis van artikel 8, eerste of tweede lid, aan een vergunning als bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel a of b, verbonden voorwaarden.

3.

De op grond van het tweede lid op te leggen bestuurlijke boete bedraagt ten hoogste:

Artikel 20

1.

Burgemeester en wethouders maken het feit dat een bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 19, is opgelegd voor het handelen in strijd met de regels van goed verhuurderschap, bedoeld in de artikelen 2 en 3 of artikel 2a, overtreding van de verboden, bedoeld in artikel 2b, artikel 5, eerste lid, onderdeel a of b, of een besluit als bedoeld in artikel 12, eerste of tweede lid, is genomen, openbaar teneinde de naleving ervan te bevorderen, woningzoekenden en huurders te informeren en inzicht te geven in het uitvoeren van toezicht op de naleving van deze artikelen, met dien verstande dat:

2.

De openbaarmaking geschiedt niet eerder dan nadat tien werkdagen zijn verstreken na de dag waarop het besluit van openbaarmaking aan belanghebbende bekend is gemaakt.

3.

Bij de openbaarmaking wordt vermeld of tegen een besluit tot oplegging van een bestuurlijke boete een rechtsmiddel is ingesteld dan wel of daartoe de mogelijkheid bestaat.

4.

Indien wordt verzocht om een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht, wordt de openbaarmaking opgeschort totdat de voorzieningenrechter een uitspraak heeft gedaan.

5.

Indien de openbaarmaking in strijd is of zou kunnen komen met het doel van het toezicht op de naleving dat door de door burgemeester en wethouders aangewezen ambtenaren wordt uitgeoefend, blijft openbaarmaking achterwege.

6.

De openbaarmaking van het feit dat een bestuurlijke boete is opgelegd voor het handelen in strijd met de regels van goed verhuurderschap, bedoeld in de artikelen 2 en 3 of artikel 2a, of overtreding van de verboden, bedoeld in artikel 2b of artikel 5, eerste lid, onderdeel a of b, wordt verwijderd vier jaar na de dagtekening van het besluit van openbaarmaking.

7.

De openbaarmaking van het feit dat een besluit als bedoeld in artikel 12, eerste of tweede lid, is genomen wordt verwijderd op het moment dat burgemeester en wethouders besluiten tot het beëindigen van het beheer op grond van artikel 16.

8.

Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld met betrekking tot de openbaar te maken gegevens, waaronder de mogelijke reactie van een belanghebbende in verband met de openbaarmaking van zijn gegevens, de termijn waarop deze gegevens beschikbaar worden gesteld en de wijze waarop de openbaarmaking plaatsvindt.

Hoofdstuk 7. Wijziging van andere wetten

Artikel 21

Wijzigt de Woningwet.

Artikel 22

Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 7.

Hoofdstuk 8. Overgangs- en samenloopbepalingen

Artikel 23

1.

De verplichting tot het schriftelijk vastleggen van de huurovereenkomst, bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel d, is uitsluitend van toepassing op huurovereenkomsten die worden afgesloten na het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet.

2.

Het schriftelijk verstrekken van informatie aan de huurder, bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel e, vindt plaats:

3.

De verplichting tot het afzonderlijk vastleggen van de huurovereenkomst van de arbeidsovereenkomst, bedoeld in artikel 2, derde lid, onderdeel a, is uitsluitend van toepassing op huurovereenkomsten die worden afgesloten na het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet.

4.

Het schriftelijk verstrekken van informatie aan de huurder, bedoeld in artikel 2, derde lid, onderdeel b, vindt plaats:

5.

Het tijdvak van acht jaar, bedoeld in artikel 7, tweede lid, onderdeel a, met betrekking tot de regels van goed verhuurderschap, bedoeld in artikel 7, tweede lid, onderdeel a, onder 1°, het tijdvak van vier jaar, bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdeel a, vangt aan op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet.

6.

Het tijdvak van acht jaar, bedoeld in artikel 7, tweede lid, onderdeel a met betrekking tot een verbod als bedoeld in artikel 7, tweede lid, onderdeel a, onder 2°, en de voorwaarden, bedoeld in artikel 7, tweede lid, onderdeel a, onder 4°, vangt aan op het tijdstip waarop het verbod, bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel a of b, in werking treedt.

7.

In afwijking van het tweede lid geldt dat de informatie, bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel e, onder 6°, enkel schriftelijk wordt verstrekt aan de huurder voor huurovereenkomsten die zijn afgesloten na het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet betaalbare huur.

Artikel 24

Indien de gemeenteraad een verhuurverordening vaststelt, geldt voor verhuurders die een woon- of verblijfsruimte voor de inwerkingtreding van het verbod, bedoeld in artikel 5, onderdeel a of b, verhuurden, dat dit verbod niet eerder dan zes maanden na de inwerkingtreding ervan geldt.

Artikel 25

In afwijking van artikel 122 van de Gemeentewet, vervallen de onderdelen van gemeentelijke verordeningen die voorzien in regelingen inzake een verhuurdervergunning, de exploitatie van verhuurbemiddelingsbedrijven en het tegengaan van uitbuiting en onevenredige benadeling van huurders van rechtswege één jaar na inwerkingtreding van deze wet.

Artikel 26

Wijzigt deze wet.

Artikel 27

Wijzigt deze wet.

Artikel 28

Artikel 8, eerste lid, onderdeel b, zoals dat onderdeel luidde voor het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet betaalbare huur, blijft gedurende een jaar na dat tijdstip van toepassing op vergunningen die voor dat tijdstip zijn verleend.

Hoofdstuk 9. Slotbepalingen

Artikel 29

Onze Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening zendt binnen drie jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk.

Artikel 30

Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.

Artikel 31

Deze wet wordt aangehaald als: Wet goed verhuurderschap.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Artikel 2a

1.

Het is verhuurders, toegelaten instellingen en dochtermaatschappijen verboden een zelfstandige woonruimte te verhuren met een huurprijs die hoger is dan de krachtens artikel 10, eerste lid, van de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte geldende maximale huurprijs.

2.

Het verbod, bedoeld in het eerste lid, is niet van toepassing op een overeenkomst van huur en verhuur van een zelfstandige woonruimte met een geldende maximale huurprijs die hoger is dan het in artikel 3, tweede lid, van de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte bedoelde bedrag.

3.

Het is verhuurders, toegelaten instellingen en dochtermaatschappijen verboden een onzelfstandige woonruimte te verhuren met een huurprijs die hoger is dan de krachtens artikel 10, eerste lid, van de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte geldende maximale huurprijs.

4.

Het is verhuurders, toegelaten instellingen en dochtermaatschappijen verboden een huurverhoging toe te passen die een bij of krachtens artikel 10 van de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte vastgesteld maximaal toegestaan huurverhogingspercentage overschrijdt.

Hoofdstuk 3. Meldpunt

Hoofdstuk 4. Verhuurvergunning

Hoofdstuk 5. De inbeheername

Hoofdstuk 6. Handhaving en toezicht

Hoofdstuk 7. Wijziging van andere wetten

Hoofdstuk 8. Overgangs- en samenloopbepalingen

Hoofdstuk 9. Slotbepalingen

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Artikel 2b

Het is verhuurders, toegelaten instellingen en dochtermaatschappijen verboden om in geval van een huurovereenkomst als bedoeld in artikel 247 of artikel 247a van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, behoudens artikel 255a van dat boek, de huurprijs te verhogen met een percentage dat hoger is dan het percentage, bedoeld in artikel 10, derde lid, van de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte.

Hoofdstuk 4. Verhuurvergunning

Hoofdstuk 5. De inbeheername

Hoofdstuk 6. Handhaving en toezicht

Hoofdstuk 7. Wijziging van andere wetten

Hoofdstuk 8. Overgangs- en samenloopbepalingen

Artikel 23a

1.

Artikel 2a, eerste lid, is niet van toepassing op huurovereenkomsten die zijn afgesloten voor het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet betaalbare huur.

2.

In afwijking van het eerste lid is artikel 2a, eerste lid, van toepassing op voor het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet betaalbare huur afgesloten huurovereenkomsten die betrekking hebben op zelfstandige woonruimten met een op dat tijdstip krachtens artikel 10 van de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte geldende maximale huurprijs die niet hoger is dan het bedrag, genoemd in artikel 13, eerste lid, onderdeel a, van de Wet op de huurtoeslag, en indien de feitelijke huurprijs niet hoger is dan dat bedrag.

3.

In afwijking van het eerste lid is artikel 2a, eerste lid, een jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet betaalbare huur van toepassing op de voor dat tijdstip afgesloten huurovereenkomsten die betrekking hebben op zelfstandige woonruimten met een op dat tijdstip krachtens artikel 10 van de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte geldende maximale huurprijs die lager is dan het bedrag, genoemd in artikel 13, eerste lid, onderdeel a, van de Wet op de huurtoeslag, indien de feitelijke huurprijs hoger is dan dat bedrag.

Hoofdstuk 9. Slotbepalingen

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)