Staffelbesluit pensioenen
De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten.
Dit besluit is een actualisering van het Staffelbesluit pensioenen van 20 december 2019, nr. 2019-21333 in verband met de inwerkingtreding van de Wet toekomst pensioenen per 1 juli 2023. Tevens zijn de berekeningsgrondslagen geactualiseerd.
1. Inleiding
De inwerkingtreding van de Pensioenwet per 1 januari 2007 heeft in de praktijk geleid tot de ontwikkeling van zowel individuele als collectieve premieovereenkomsten en kapitaalovereenkomsten. Na inwerkingtreding van de Wet toekomst pensioenen per 1 juli 2023 zijn deze overeenkomsten niet meer toegestaan. Echter, met toepassing van artikel 220i van de Pensioenwet, dan wel artikel 214g van de Wet verplichte beroepspensioenregeling en artikel 38q van de Wet op de loonbelasting 1964 kunnen bestaande overeenkomsten ook na 30 juni 2023 tijdelijk worden voortgezet. Gebleken is dat de fiscale kwalificaties van de individuele en collectieve premieovereenkomsten en kapitaalovereenkomsten niet duidelijk waren. Daarom verduidelijkt dit besluit, evenals de voorgaande besluiten de fiscale regels voor pensioenregelingen die de Pensioenwet tot 1 juli 2023 aanduidde als een premie- of kapitaalovereenkomst. Ook wijst het besluit sommige soorten premie- en kapitaalovereenkomsten aan als fiscale pensioenregelingen. Net als de voorgenoemde besluiten bevat dit besluit ‘nettostaffels’. Deze staffels bevatten geen opslag voor kosten en ook geen opslag voor premievrijstelling bij arbeidsongeschiktheid. Het gebruik van de staffels kan bijdragen aan betere transparantie van kosten in pensioenregelingen. De aanwijzingen als pensioenregeling in dit besluit berusten op artikel 19d, onderdeel a, juncto artikel 38q van de Wet op de loonbelasting 1964 en vinden plaats met instemming van de Minister voor Armoedebeleid, Participatie en Pensioenen.
1.1. Wijzigingen
Dit besluit is een actualisering van het Staffelbesluit pensioenen van 20 december 2019, nr. 2019-21333, in verband met de inwerkingtreding van de Wet toekomst pensioenen per 1 juli 2023. Tevens zijn de berekeningsgrondslagen geactualiseerd.
Afgezien van enkele redactionele verbeteringen, zijn de volgende wijzigingen aangebracht:
1.2. Indeling
Dit besluit is aanvullend gewijzigd bij besluit van 12 juni 2024, nr. 2024-10674, (Stcrt. 2024-xxxx). De wijzigingen betreffen de aanpassing van onderdeel 9.2. Daarnaast zijn de staffels in bijlage I, IV en VII uitgebreid. Ook zijn enkele redactionele wijzigingen aangebracht. In onderdeel 9. worden onder bepaalde voorwaarden regelingen met een premieovereenkomst waarin voor werknemers van 18 jaar of 19 jaar wordt uitgegaan van het premiepercentage voor de leeftijdsklasse van 20 jaar tot en met 24 jaar, aangewezen als pensioenregeling. Onderdeel 9.2. bevat deze voorwaarden. Twee voorwaarden (voorwaarden a en c) zijn aangepast. De premiestaffels in bijlage I, IV en VII zijn uitgebreid voor werknemers die doorwerken nadat ze de leeftijd van 68 jaar hebben bereikt tot ten hoogste het moment waarop de leeftijd wordt bereikt van vijf jaar na de AOW-leeftijd.
1.2. Indeling
1.3. Gebruikte begrippen en afkortingen
In artikel 10 PW is bepaald dat een pensioenovereenkomst kan inhouden:
In artikel 10 PW is bepaald dat een pensioenovereenkomst kan inhouden:
In artikel 10 PW is bepaald dat een pensioenovereenkomst kan inhouden:
Blijkens de memorie van toelichting (Kamerstukken II 2005/06, 30 413, nr. 3, blz. 32–33) maken partijen bij een premieovereenkomst primair een afspraak over de hoogte van de periodiek ten behoeve van pensioen beschikbaar te stellen premie.
3. De zuivere premieovereenkomst en de premieovereenkomst waarbij de premie onmiddellijk wordt omgezet in een aanspraak op kapitaal
3. De zuivere premieovereenkomst en de premieovereenkomst waarbij de premie onmiddellijk wordt omgezet in een aanspraak op kapitaal
De in onderdeel 2., onder a, genoemde zuivere premieovereenkomst is fiscaal altijd een beschikbare-premieregeling. Deze pensioenregeling moet voldoen aan de fiscale kaders die zijn beschreven in artikel 18a, derde lid, Wet LB. Ook de in onderdeel 2., onder b, genoemde premieovereenkomst waarbij de premie onmiddellijk wordt omgezet in een aanspraak op kapitaal moet fiscaal voldoen aan de fiscale kaders die zijn beschreven in artikel 18a, derde lid, Wet LB. Een dergelijke premieovereenkomst vertoont na de omzetting van de premie in een aanspraak op kapitaal grote overeenkomsten met een kapitaalovereenkomst in de zin van artikel 10 PW. Een groot verschil tussen beide is echter dat bij de premieovereenkomst waarbij de premie onmiddellijk wordt omgezet in een aanspraak op kapitaal de overeengekomen premie is toegezegd en deze premie daarom niet kan worden verlaagd. Deze mogelijkheid moet wel aanwezig zijn bij de zuivere kapitaalovereenkomst. Zie bijlage II, voorwaarde b, onder 4. De beschikbare premie moet daarom bij de premieovereenkomst waarbij de premie onmiddellijk wordt omgezet in een aanspraak op kapitaal voldoen aan de uitgangspunten van artikel 18a, derde lid, Wet LB.
De in onderdeel 2., onder a, genoemde zuivere premieovereenkomst is fiscaal altijd een beschikbare-premieregeling. Deze pensioenregeling moet voldoen aan de fiscale kaders die zijn beschreven in artikel 18a, derde lid, Wet LB. Ook de in onderdeel 2., onder b, genoemde premieovereenkomst waarbij de premie onmiddellijk wordt omgezet in een aanspraak op kapitaal moet fiscaal voldoen aan de fiscale kaders die zijn beschreven in artikel 18a, derde lid, Wet LB. Een dergelijke premieovereenkomst vertoont na de omzetting van de premie in een aanspraak op kapitaal grote overeenkomsten met een kapitaalovereenkomst in de zin van artikel 10 PW. Een groot verschil tussen beide is echter dat bij de premieovereenkomst waarbij de premie onmiddellijk wordt omgezet in een aanspraak op kapitaal de overeengekomen premie is toegezegd en deze premie daarom niet kan worden verlaagd. Deze mogelijkheid moet wel aanwezig zijn bij de zuivere kapitaalovereenkomst. Zie bijlage II, voorwaarde b, onder 4. De beschikbare premie moet daarom bij de premieovereenkomst waarbij de premie onmiddellijk wordt omgezet in een aanspraak op kapitaal voldoen aan de uitgangspunten van artikel 18a, derde lid, Wet LB.
3.2. Grondslagen en uitgangspunten
Onderdeel 3.2. geeft de grondslagen voor de vaststelling van de nettostaffels. Onderdeel 3.3. bevat de aanwijzing van regelingen die de staffels hanteren. In bijlage I zijn de staffels zelf opgenomen tezamen met de voorwaarden en aandachtspunten die bij de toepassing ervan van belang zijn.
Artikel 18a, derde lid, Wet LB bepaalt dat een op een beschikbare-premiestelsel gebaseerd OP tijdsevenredig moet worden opgebouwd. Het stelsel moet zijn gericht op een pensioen dat na 40 jaren opbouw niet meer bedraagt dan 75 percent van het gemiddelde pensioengevend loon tot dat tijdstip. Het artikel bevat verder voorschriften voor de vaststelling van de premie (vaststelling per leeftijdsklasse, de in beginsel te veronderstellen loopbaanontwikkeling en de te hanteren rekenrente en inflatie). Voor het PP op basis van een beschikbare-premiestelsel bepaalt artikel 18b, derde lid, Wet LB dat de uitgangspunten van artikel 18a, derde lid, Wet LB van overeenkomstige toepassing zijn.
Artikel 18a, derde lid, Wet LB bepaalt dat een op een beschikbare-premiestelsel gebaseerd OP tijdsevenredig moet worden opgebouwd. Het stelsel moet zijn gericht op een pensioen dat na 40 jaren opbouw niet meer bedraagt dan 75 percent van het gemiddelde pensioengevend loon tot dat tijdstip. Het artikel bevat verder voorschriften voor de vaststelling van de premie (vaststelling per leeftijdsklasse, de in beginsel te veronderstellen loopbaanontwikkeling en de te hanteren rekenrente en inflatie). Voor het PP op basis van een beschikbare-premiestelsel bepaalt artikel 18b, derde lid, Wet LB dat de uitgangspunten van artikel 18a, derde lid, Wet LB van overeenkomstige toepassing zijn.
3.3. Aanwijzing
In bijlage I van dit besluit geef ik een beperkt aantal algemeen toepasbare nettostaffels. Deze staffels zijn gericht op een opbouw volgens het middelloonstelsel. Ze bevatten geen opslag voor kosten en ook geen opslag voor premievrijstelling bij arbeidsongeschiktheid. De variatie in opbouw als gevolg van de AOW-franchise wordt in de staffels voorkomen door uit te gaan van een percentage van de pensioengrondslag in plaats van een percentage van het pensioengevend loon.
3.3. Aanwijzing
4. De kapitaalovereenkomst
Dit onderdeel betreft de fiscale behandeling van de pensioenovereenkomsten die artikel 10 PW aanduidt als kapitaalovereenkomsten. Onderdeel 4.3. bevat de aanwijzing van deze kapitaalovereenkomsten als pensioenregeling. In bijlage II volgen de voorwaarden voor aanwijzing.
4.1. Inleiding
Dit onderdeel betreft de fiscale behandeling van de pensioenovereenkomsten die artikel 10 PW aanduidt als kapitaalovereenkomsten. Onderdeel 4.3. bevat de aanwijzing van deze kapitaalovereenkomsten als pensioenregeling. In bijlage II volgen de voorwaarden voor aanwijzing.
4.2. Indeling kapitaalovereenkomsten
In de praktijk kan onduidelijkheid bestaan over de fiscale behandeling van kapitaalovereenkomsten. Hoofdstuk IIB Wet LB (tekst vanaf 1 juli 2023) in combinatie met artikel 38q Wet LB (tekst vanaf 1 juli 2023) kent geen pensioenregelingen met kapitaalovereenkomsten, maar alleen uitkeringsovereenkomsten zoals eindloonregelingen en middelloonregelingen enerzijds en beschikbare-premieregelingen anderzijds. Kapitaalovereenkomsten hebben met beschikbare-premieregelingen gemeen dat de te verkrijgen pensioenuitkeringen niet van tevoren vaststaan. Regelingen met kapitaalovereenkomsten voldoen evenwel niet aan de in artikel 18a, derde lid, Wet LB genoemde voorwaarden voor beschikbare-premieregelingen. Daarom bestaat er aanleiding deze regelingen aan te wijzen als pensioenregeling.
4.3. Aanwijzing
Ik wijs regelingen met een kapitaalovereenkomst aan als pensioenregeling. Het moet gaan om pensioenregelingen die in overeenstemming zijn met de in bijlage II opgenomen voorwaarden en bijzonderheden. De regelingen moeten overigens verder ook voldoen aan de voorwaarden van hoofdstuk IIB Wet LB (tekst vanaf 1 juli 2023) in combinatie met artikel 38q Wet LB (tekst vanaf 1 juli 2023).
5. De premieovereenkomst waarbij de premie direct verplicht wordt omgezet in een aanspraak op een uitkering
Een regeling met een premieovereenkomst waarbij de pensioenovereenkomst bepaalt dat de premie direct verplicht wordt omgezet in een aanspraak op een uitkering moet primair worden getoetst aan de fiscale kaders voor beschikbare-premieregelingen van artikel 18a, derde lid, Wet LB, dan wel bijlage I. Na de omzetting van de premie in een recht op uitkering ontstaat evenwel een regeling die vergelijkbaar is met een middelloonregeling. Hoewel dergelijke regelingen voor de toepassing van de PW zijn te duiden als een premieovereenkomst, zijn deze regelingen fiscaal veelal aan te merken als een middelloonregeling. De aan te kopen middelloonaanspraken, inclusief een eventueel recht op indexatie, moeten binnen de kaders van hoofdstuk IIB Wet LB (tekst vanaf 1 juli 2023) in combinatie met artikel 38q Wet LB (tekst vanaf 1 juli 2023) blijven. Premieovereenkomsten waarbij de premie direct wordt omgezet in een aanspraak op een uitkering, maken gebruik van elementen van zowel het middelloon- als het beschikbare-premiestelsel. Dit in tegenstelling tot echte uitkeringsovereenkomsten, zoals eindloon- en middelloonregelingen, die direct kunnen worden getoetst aan de kaders van hoofdstuk IIB Wet LB (tekst vanaf 1 juli 2023) in combinatie met artikel 38q Wet LB (tekst vanaf 1 juli 2023). Om de fiscale aanvaardbaarheid buiten twijfel te stellen, wijs ik deze regelingen voor zover dat nodig is hierna aan als pensioenregeling.
5.1. Aanwijzing
Ik wijs, voor zover nodig, regelingen met een premieovereenkomst waarbij de premie direct wordt omgezet in een aanspraak op een uitkering aan als pensioenregeling. Hierbij gelden de voorwaarden en bijzonderheden van bijlage III bij dit besluit. De regelingen moeten overigens verder ook voldoen aan de voorwaarden van hoofdstuk IIB Wet LB (tekst vanaf 1 juli 2023) in combinatie met artikel 38q Wet LB (tekst vanaf 1 juli 2023).
In de praktijk hanteren verzekeraars van zowel individuele als collectieve pensioenproducten premieovereenkomsten die niet binnen de huidige kaders van artikel 18a, derde lid, Wet LB blijven. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan premieovereenkomsten waarbij de beschikbare premie in afwijking van de grondslagen, genoemd in artikel 18a, derde lid, Wet LB, wordt berekend tegen een rekenrente van 3%. Met deze premies in combinatie met de resultaten uit de beleggingen streeft men naar de opbouw van een pensioen binnen de maximale fiscale grenzen van een middelloonpensioen.
In de praktijk hanteren verzekeraars van zowel individuele als collectieve pensioenproducten premieovereenkomsten die niet binnen de huidige kaders van artikel 18a, derde lid, Wet LB blijven. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan premieovereenkomsten waarbij de beschikbare premie in afwijking van de grondslagen, genoemd in artikel 18a, derde lid, Wet LB, wordt berekend tegen een rekenrente van 3%. Met deze premies in combinatie met de resultaten uit de beleggingen streeft men naar de opbouw van een pensioen binnen de maximale fiscale grenzen van een middelloonpensioen.
6.1. Aanwijzing van regelingen met een premieovereenkomst gericht op een fiscaal aanvaardbaar maximaal middelloonpensioen
In beide gevallen is het streven om een pensioen op te bouwen dat vergelijkbaar is met een fiscaal maximaal middelloonpensioen. Dit gegeven vormt voor mij aanleiding om de twee beschreven varianten van de afwijkende premieovereenkomst hierna aan te wijzen als pensioenregeling.
6.1. Aanwijzing van regelingen met een premieovereenkomst gericht op een fiscaal aanvaardbaar maximaal middelloonpensioen
Ik wijs regelingen met een premieovereenkomst die maximaal kunnen leiden tot een middelloonpensioen binnen de kaders van hoofdstuk IIB Wet LB (tekst vanaf 1 juli 2023) in combinatie met artikel 38q Wet LB (tekst vanaf 1 juli 2023) aan als pensioenregeling. Hierbij gelden de voorwaarden en bijzonderheden van bijlage IV bij dit besluit. De regelingen moeten ook overigens voldoen aan de voorwaarden van hoofdstuk IIB Wet LB (tekst vanaf 1 juli 2023) in combinatie met artikel 38q Wet LB (tekst vanaf 1 juli 2023).
6.2. Aanwijzing van regelingen met een premieovereenkomst op basis van ten hoogste de kostprijs van een fiscaal aanvaardbaar middelloonpensioen
7. Variabele pensioenuitkeringen, bedoeld in artikel 10a, tweede lid, PW, en overgangsrecht pensioenregelingen met uitkeringen in beleggingseenheden
Artikel 10a, tweede lid, PW biedt sinds 1 september 2016 aanspraakgerechtigden met een premie- of kapitaalovereenkomst de mogelijkheid om te kiezen tussen vaste of variabele pensioenuitkeringen. Bij de keuze voor een variabele pensioenuitkering wordt het kapitaal voor de pensioengerechtigde gedeeltelijk risicodragend doorbelegd in de uitkeringsfase. Dit vermindert de afhankelijkheid van de rentestand op één aankoopmoment. De keuze tussen vaste of variabele pensioenuitkeringen moet uiterlijk op de pensioeningangsdatum worden gemaakt. De hierdoor optredende variatie in de omvang van pensioenuitkeringen komt op basis van artikel 18d, vierde lid, Wet LB niet in strijd met de voorwaarde uit artikel 18d, eerste lid, onderdeel b, Wet LB waarin staat dat de hoogte van de uitkeringen en de mate van variatie uiterlijk op de pensioeningangsdatum worden vastgesteld.
7.1. Variabele pensioenuitkeringen, bedoeld in artikel 10a, tweede lid, PW
Artikel 10a, tweede lid, PW biedt sinds 1 september 2016 aanspraakgerechtigden met een premie- of kapitaalovereenkomst de mogelijkheid om te kiezen tussen vaste of variabele pensioenuitkeringen. Bij de keuze voor een variabele pensioenuitkering wordt het kapitaal voor de pensioengerechtigde gedeeltelijk risicodragend doorbelegd in de uitkeringsfase. Dit vermindert de afhankelijkheid van de rentestand op één aankoopmoment. De keuze tussen vaste of variabele pensioenuitkeringen moet uiterlijk op de pensioeningangsdatum worden gemaakt. De hierdoor optredende variatie in de omvang van pensioenuitkeringen komt op basis van artikel 18d, vierde lid, Wet LB niet in strijd met de voorwaarde uit artikel 18d, eerste lid, onderdeel b, Wet LB waarin staat dat de hoogte van de uitkeringen en de mate van variatie uiterlijk op de pensioeningangsdatum worden vastgesteld.
In het bij besluit van 23 oktober 2007, nr. CPP2007/552M (Stcrt. 2007, nr. 212) ingetrokken besluit van 1 maart 2004, nr. CPP2003/2813M heb ik aangegeven dat pensioenregelingen met uitkeringen in beleggingseenheden niet voldoen aan de bepalingen van hoofdstuk IIB Wet LB. Bij de fiscale beoordeling van een pensioenregeling moeten de rechten uitgedrukt in euro’s het uitgangspunt zijn. De pensioenuitkeringen moeten ook na de pensioeningangsdatum worden getoetst aan de grenzen van hoofdstuk IIB Wet LB (tekst vanaf 1 juli 2023) in combinatie met artikel 38q Wet LB (tekst vanaf 1 juli 2023). Daarbij zijn andere overschrijdingen dan die zijn genoemd in artikel 18d Wet LB niet toegestaan.
In het bij besluit van 23 oktober 2007, nr. CPP2007/552M (Stcrt. 2007, nr. 212) ingetrokken besluit van 1 maart 2004, nr. CPP2003/2813M heb ik aangegeven dat pensioenregelingen met uitkeringen in beleggingseenheden niet voldoen aan de bepalingen van hoofdstuk IIB Wet LB. Bij de fiscale beoordeling van een pensioenregeling moeten de rechten uitgedrukt in euro’s het uitgangspunt zijn. De pensioenuitkeringen moeten ook na de pensioeningangsdatum worden getoetst aan de grenzen van hoofdstuk IIB Wet LB (tekst vanaf 1 juli 2023) in combinatie met artikel 38q Wet LB (tekst vanaf 1 juli 2023). Daarbij zijn andere overschrijdingen dan die zijn genoemd in artikel 18d Wet LB niet toegestaan.
8. Nettopensioenregelingen bedoeld in afdeling 5.3B van de Wet IB 2001
Artikel 12, eerste lid, IAPW, bepaalt dat artikel 11 van de PW slechts geldt voor pensioenaanspraken die worden verworven na de inwerkingtreding van laatstgenoemd artikel. Artikel 11 PW (tekst tot 1 september 2016) is in werking getreden op 1 januari 2008. De in het besluit van 1 maart 2004, nr. CPP2003/2813M gegeven tijdelijke aanwijzing blijft daarom van kracht op pensioenaanspraken die tot 1 januari 2008 zijn verworven. Uitkeringen die berusten op aanspraken die zijn verworven vóór 2008 kunnen worden gedaan in beleggingseenheden. Voor zover van toepassing blijven voor deze aanspraken en uitkeringen, ook na 1 januari 2008, de voorwaarden gelden van het hiervoor genoemde besluit. Deze voorwaarden zijn opgenomen in bijlage VI.
Opbouw van nettopensioen is mogelijk over het bedrag dat ingevolge artikel 18ga Wet LB niet tot het pensioengevend loon behoort. De voorwaarden voor de nettopensioenregeling zijn opgenomen in afdeling 5.3B Wet IB 2001. De nettopensioenregeling voorziet in een afzonderlijke box 3-vrijstelling voor arbeidsgerelateerd nettopensioen. Voor de vormgeving en begrenzing van de box 3-vrijstelling voor nettopensioen is zo veel mogelijk aangesloten bij de regels voor beschikbare-premieregelingen van hoofdstuk IIB Wet LB (tekst vanaf 1 juli 2023) in combinatie met artikel 38q Wet LB (tekst vanaf 1 juli 2023).
8.1. Aanwijzing nettopensioen op basis van een 4%-staffel
De maximale omvang van de beschikbare premie voor een nettopensioen is geregeld in de artikelen 5.17a, 5.17b en 5.17c Wet IB 2001. Daar is bepaald dat de beschikbare premie voor een nettopensioen ten hoogste kan worden bepaald met inachtneming van de uitgangspunten, bedoeld in artikel 18a, derde lid, onderdelen a, b en c, Wet LB. In bijlage VII is een premiestaffel opgenomen die is berekend tegen een rekenrente van 4% en die kan worden gebruikt als staffel die voldoet aan de hiervoor genoemde wettelijke grondslagen. Ook is in die bijlage een premiestaffel opgenomen op basis van een rekenrente van 3% met een eventtoets en uitkeringsbegrenzing.
8.1. Aanwijzing nettopensioen op basis van een 4%-staffel
Ik wijs regelingen die gebruikmaken van de premiestaffel voor de nettopensioenregeling op basis van 4% rekenrente in bijlage VII (tabel 1), aan als pensioenregeling in de zin van afdeling 5.3B Wet IB 2001. Het moet gaan om beschikbare-premieregelingen die in overeenstemming zijn met de in die bijlage genoemde voorwaarden en bijzonderheden. De regelingen moeten overigens verder ook voldoen aan de voorwaarden van afdeling 5.3B Wet IB 2001.
8.2. Aanwijzing nettopensioen op basis van een 3%-staffel
Ik wijs regelingen die gebruikmaken van de premiestaffel voor de nettopensioenregeling op basis van 3% rekenrente in bijlage VII (tabel 2), aan als pensioenregeling in de zin van afdeling 5.3B Wet IB 2001. Het moet gaan om beschikbare-premieregelingen die in overeenstemming zijn met de in die bijlage genoemde voorwaarden en bijzonderheden. De regelingen moeten overigens verder ook voldoen aan de voorwaarden van afdeling 5.3B Wet IB 2001.
9. Verlaging van de minimale leeftijd voor het verwerven van pensioenaanspraken van 21 jaar naar 18 jaar
Per 1 juli 2023 is de WTP inwerking getreden. Onderdeel van deze wet is dat vanaf 1 januari 2024 er een lagere minimale leeftijd voor het verwerven van pensioenaanspraken geldt.
9.1. Aanwijzing regelingen die voor werknemers van 18 of 19 jaar uitgaan van het premiepercentage van de leeftijdsklasse van 20 jaar tot en met 24 jaar
Onder de hierna gestelde voorwaarden wijs ik regelingen met een premieovereenkomst waarin voor werknemers van 18 of 19 jaar wordt uitgegaan van het premiepercentage voor de leeftijdsklasse van 20 jaar tot en met 24 jaar aan als pensioenregeling in de zin van de Wet LB.
Bijlage I. Aanwijzing als bedoeld in ONDERDEEL 3.3.
Staffels met uitgangspunten, toelichting, voorwaarden en bijzonderheden
1. Staffels
2. Uitgangspunten
Het volgende besluit is ingetrokken met ingang van de inwerkingtreding van dit besluit:
3. Toelichting op het gebruik van de staffels
4. Voorwaarden en bijzonderheden
a. Collectief en individueel
Dit besluit wordt aangehaald als: Staffelbesluit pensioenen.
Staffels met uitgangspunten, toelichting, voorwaarden en bijzonderheden
Als de AOW-franchise geheel is verwerkt bij de berekening van de pensioengrondslag uit het structurele loon, kunnen partijen de premiepercentages rechtstreeks toepassen op incidentele beloningen. Bij een gedeeltelijke verwerking van de franchise moet men het nog niet in aanmerking genomen deel hiervan verrekenen bij de pensioenopbouw over het incidentele loon.
1. Staffels
Bij de staffels gelden de volgende uitgangspunten:
3. Toelichting op het gebruik van de staffels
De premies uit de staffels bevatten geen opslag voor premievrijstelling bij arbeidsongeschiktheid. Partijen kunnen de premies uit de staffel verhogen met de werkelijke premie voor premievrijstelling bij arbeidsongeschiktheid. Deze risicopremies kunnen partijen niet aanwenden voor hogere aanspraken op OP of PP.
4. Voorwaarden en bijzonderheden
De staffels zijn collectief en individueel toepasbaar.
b. Incidentele beloning
Als de AOW-franchise geheel is verwerkt bij de berekening van de pensioengrondslag uit het structurele loon, kunnen partijen de premiepercentages rechtstreeks toepassen op incidentele beloningen. Bij een gedeeltelijke verwerking van de franchise moet men het nog niet in aanmerking genomen deel hiervan verrekenen bij de pensioenopbouw over het incidentele loon.
c. Op risicobasis verzekerd PP
Partijen kunnen de beschikbare premies uit kolom 4 (OP en direct ingaand bereikbaar PP) alleen hanteren als de pensioenverzekeraar de premies voor de risicoverzekering daadwerkelijk onttrekt aan de ontvangen premie of aan de beleggingswaarde van de pensioenverzekering. Op deze wijze wordt voorkomen dat deze premies ten onrechte worden gebruikt voor opbouw van het OP. Immers, alleen een opgebouwd PP is beschikbaar voor een eventuele ruil voor OP.
d. Opslag voor premievrijstelling bij arbeidsongeschiktheid
De premies uit de staffels bevatten geen opslag voor premievrijstelling bij arbeidsongeschiktheid. Partijen kunnen de premies uit de staffel verhogen met de werkelijke premie voor premievrijstelling bij arbeidsongeschiktheid. Deze risicopremies kunnen partijen niet aanwenden voor hogere aanspraken op OP of PP.
e. Arbeidsongeschiktheids- en nabestaandenoverbruggingspensioen
Partijen kunnen de premies uit de staffels verhogen met premies voor een arbeidsongeschiktheidspensioen of een nabestaandenoverbruggingspensioen. Uiteraard moeten zij deze risico’s dan ook daadwerkelijk voor die premies verzekeren. Ook deze risicopremies kunnen partijen niet aanwenden voor hogere aanspraken op OP of PP.
f. Kostenopslag
De staffels bevatten geen kostenopslag. Partijen kunnen de werkelijke kosten afzonderlijk in rekening brengen. De kosten voor het afdekken van beleggingsrisico, zoals het kopen van een beleggingsgarantie, moeten worden betaald uit de voor pensioen te beleggen nettopremie (de nettopremie uit de staffel). De vergoeding voor kosten kunnen partijen niet aanwenden voor hogere aanspraken op OP of PP.
g. Gelijkblijvende premie(percentage)s
Bij een beschikbare-premieregeling mag de premie voor alle werknemers worden uitgedrukt in een vast bedrag of een vast percentage van de pensioengrondslag. Hierbij mogen partijen voor de beoordeling van het vaste bedrag of het vaste percentage uitgaan van de premie voor de leeftijdsklasse 20- tot en met 24-jarigen. Als de jongste werknemer 25 jaar of ouder is, is de premie ten hoogste gelijk aan de premie voor de leeftijdsklasse waartoe de jongste werknemer behoort.
Bijlage II. Aanwijzing als bedoeld in ONDERDEEL 4.3.
h. Overlevingstafels
i. Leeftijd
i. Leeftijd
Pensioen wordt tijdsevenredig opgebouwd. Partijen mogen voor de opbouw in een maand en voor de premie over (een deel van) die maand uitgaan van de leeftijd van de werknemer aan het einde van de maand.
j. Inhaal van niet-gebruikte premieruimte
k. Lager ambitieniveau
k. Lager ambitieniveau
Als partijen in de pensioenregeling lagere ambitieniveaus zijn overeengekomen dan de fiscale maxima die gelden voor middelloonregelingen moeten zij de premiepercentages uit de staffels evenredig daarmee verlagen.
Kapitaalovereenkomsten
Bij de berekening van het kapitaal dat nodig is voor het PP bij overlijden van de werknemer vóór de pensioendatum mogen partijen afwijken van de hiervoor onder b opgenomen voorschriften. Zij mogen dan het te verzekeren kapitaal bij overlijden vóór de pensioendatum berekenen op basis van de markttarieven voor een direct ingaand, levenslang, vast nageïndexeerd PP. Ook hier geldt dat de vaste indexatie ten hoogste 3% mag zijn.
Voorwaarden en bijzonderheden
De pensioenregeling is een kapitaalovereenkomst in de zin van artikel 10 PW. De regeling kent daartoe een bepaling waaruit blijkt dat het te verzekeren kapitaal de pensioentoezegging is. De pensioenpremie wordt bepaald door het verzekerde kapitaal. Op de pensioendatum koopt de pensioengerechtigde met het kapitaal pensioenuitkeringen aan.
Bijlage III. Aanwijzing als bedoeld in ONDERDEEL 5.1.
b. Te verzekeren pensioenkapitaal
Voorwaarden en bijzonderheden bij de aanwijzing:
Bijlage IV. Aanwijzing als bedoeld in ONDERDEEL 6.1.
e. Partnerpensioen op risicobasis
Bij de berekening van het kapitaal dat nodig is voor het PP bij overlijden van de werknemer vóór de pensioendatum mogen partijen afwijken van de hiervoor onder b opgenomen voorschriften. Zij mogen dan het te verzekeren kapitaal bij overlijden vóór de pensioendatum berekenen op basis van de markttarieven voor een direct ingaand, levenslang, vast nageïndexeerd PP. Ook hier geldt dat de vaste indexatie ten hoogste 3% mag zijn.
Bij de berekening van het kapitaal dat nodig is voor het PP bij overlijden van de werknemer vóór de pensioendatum mogen partijen afwijken van de hiervoor onder b opgenomen voorschriften. Zij mogen dan het te verzekeren kapitaal bij overlijden vóór de pensioendatum berekenen op basis van de markttarieven voor een direct ingaand, levenslang, vast nageïndexeerd PP. Ook hier geldt dat de vaste indexatie ten hoogste 3% mag zijn.
Bij een inkomende waardeoverdracht wordt het pensioenkapitaal zoveel mogelijk behandeld overeenkomstig voorgaande voorwaarden. Artikel 18d, eerste lid, aanhef en onderdeel c, Wet LB is hierbij van overeenkomstige toepassing.
Bij een inkomende waardeoverdracht wordt het pensioenkapitaal zoveel mogelijk behandeld overeenkomstig voorgaande voorwaarden. Artikel 18d, eerste lid, aanhef en onderdeel c, Wet LB is hierbij van overeenkomstige toepassing.
Bijlage III. Aanwijzing als bedoeld in ONDERDEEL 5.1.
Regelingen met een premieovereenkomst waarbij in de pensioenovereenkomst is opgenomen dat de premie direct verplicht wordt omgezet in een aanspraak op een uitkering
Voorwaarden en bijzonderheden bij de aanwijzing:
Bijlage IV. Aanwijzing als bedoeld in ONDERDEEL 6.1.
Regelingen met een premieovereenkomst gericht op een fiscaal aanvaardbaar maximaal middelloonpensioen
1. Algemene voorwaarden
De voorwaarden a tot en met d zijn uitgewerkt in de navolgende staffels:
2. Tariefgrondslagen bij het berekenen van het aantal beleggingseenheden op de ingangsdatum van het pensioen
3. Gevolgen van het overlijden van gerechtigden
Regelingen met een premieovereenkomst op basis van de kostprijs van een fiscaal maximaal middelloonpensioen
Regelingen met een premieovereenkomst op basis van de kostprijs van een fiscaal maximaal middelloonpensioen
1. Peildatum uitkering
Bij de berekening van de per vervallen termijn verschuldigde uitkering in geld mag worden uitgegaan van de waarde van een beleggingseenheid op een vaste peildatum in de maand van betaling respectievelijk in de voorafgaande maand.
A. Voorwaarden voor aanwijzing
De uitkeringen van het OP, het overbruggingspensioen en het prepensioen worden op de respectievelijke ingangsdata per pensioensoort uitgedrukt in een aantal beleggingseenheden (units).
2. Tariefgrondslagen bij het berekenen van het aantal beleggingseenheden op de ingangsdatum van het pensioen
Het bovenstaande (onderdelen A en B) geldt niet voor uitkeringen die vóór 1 juni 2004 zijn ingegaan en die berusten op een regeling met uitkeringen in beleggingseenheden waarop de wetgeving van toepassing is zoals die luidde vóór 1 juni 1999. Deze reeds ingegane regelingen behoeven niet te worden aangepast aan de voorwaarden van dit besluit. Voor zover nodig zijn deze regelingen in het besluit van 1 maart 2004, nr. CPP2003/2813M zonder voorwaarden aangewezen als zuivere pensioenregelingen met toepassing van artikel 11, vijfde lid, Wet LB (tekst per 1 januari 1999).
Bijlage VII. Aanwijzing als bedoeld in ONDERDEEL 8.
4. Jaarlijkse actuariële verwerking van de rekenrente en de sterfte
B. Toegelaten afwijkingen
1. Peildatum uitkering
2. Vaste uitkeringen gedurende het verzekeringsjaar
Dit besluit zal met de bijlagen in de Staatscourant worden geplaatst.
Dit besluit is vervolgens gewijzigd bij besluit van 13 september 2023 nr. 2023-20266 (Stcrt. 2023, 25923) De wijzigingen betreffen de toevoeging van een nieuw onderdeel 9. Daarnaast zijn enkele redactionele wijzigingen aangebracht. De invoering van de maatregelen van de Wet toekomst pensioenen leidt ertoe dat de minimale leeftijd voor het verwerven van pensioenaanspraken wordt verlaagd van 21 jaar naar 18 jaar. Deze bepaling treedt in werking per 1 januari 2024. In verband met de korte invoeringstermijn wijs ik onder voorwaarden in onderdeel 9. (nieuw) regelingen die bij de toepassing van bijlagen I, IV en V, voor de werknemers met een leeftijd van 18 of 19 jaar steeds uitgaan van het percentage van de leeftijdsklasse 20 tot en met 24 aan als pensioenregeling.
1.2. Indeling
Onderdeel 2. van dit besluit bevat een beschrijving van de soorten premieovereenkomsten die bij de behandeling van de Pensioenwet aan de orde zijn geweest en die met toepassing van artikel 220i van de Pensioenwet, artikel 214g van de Wet verplichte beroepspensioenregeling en artikel 38q van de Wet op de loonbelasting 1964 tijdelijk kunnen worden voortgezet. De onderdelen 3.en 5. behandelen de fiscale kwalificatie van die soorten premieovereenkomsten. Onderdeel 4. gaat over de kapitaalovereenkomsten. Voorts wijs ik in onderdeel 6. twee soorten afwijkende premieovereenkomsten aan als pensioenregeling. In onderdeel 7. is het overgangsrecht opgenomen voor pensioenregelingen met uitkeringen in beleggingseenheden. Onderdeel 8. van dit besluit bevat de beschrijving van nettopensioen als bedoeld in artikel 10a.27 van de Wet inkomstenbelasting 2001 en afdeling 5.3B van de Wet inkomstenbelasting 2001 (tekst 30 juni 2023). Onderdeel 9. bevat een aanwijzing in verband met de verlaging van de minimale leeftijd voor het verwerven van pensioenaanspraken van 21 jaar naar 18 jaar. Onderdeel 10. voorziet in de intrekking van het voorgaande besluit. Onderdeel 11. bevat de inwerkingtreding van dit besluit. De voorwaarden en bijzonderheden die bij de aanwijzingen gelden zijn te vinden in de bijlagen bij dit besluit.
1.3. Gebruikte begrippen en afkortingen
Er zijn in beginsel drie soorten premieovereenkomsten te onderscheiden:
3. De zuivere premieovereenkomst en de premieovereenkomst waarbij de premie onmiddellijk wordt omgezet in een aanspraak op kapitaal
De in onderdeel 2., onder a, genoemde zuivere premieovereenkomst is fiscaal altijd een beschikbare-premieregeling. Deze pensioenregeling moet voldoen aan de fiscale kaders die zijn beschreven in artikel 18a, derde lid, Wet LB. Ook de in onderdeel 2., onder b, genoemde premieovereenkomst waarbij de premie onmiddellijk wordt omgezet in een aanspraak op kapitaal moet fiscaal voldoen aan de fiscale kaders die zijn beschreven in artikel 18a, derde lid, Wet LB. Een dergelijke premieovereenkomst vertoont na de omzetting van de premie in een aanspraak op kapitaal grote overeenkomsten met een kapitaalovereenkomst in de zin van artikel 10 PW. Een groot verschil tussen beide is echter dat bij de premieovereenkomst waarbij de premie onmiddellijk wordt omgezet in een aanspraak op kapitaal de overeengekomen premie is toegezegd en deze premie daarom niet kan worden verlaagd. Deze mogelijkheid moet wel aanwezig zijn bij de zuivere kapitaalovereenkomst. Zie bijlage II, voorwaarde b, onder 4. De beschikbare premie moet daarom bij de premieovereenkomst waarbij de premie onmiddellijk wordt omgezet in een aanspraak op kapitaal voldoen aan de uitgangspunten van artikel 18a, derde lid, Wet LB.
3.2. Grondslagen en uitgangspunten
De bepalende factoren voor een staffel zijn:
3.3. Aanwijzing
Ik wijs regelingen die gebruikmaken van de staffels in bijlage I aan als pensioenregeling. Het moet gaan om beschikbare-premieregelingen die in overeenstemming zijn met de in die bijlage genoemde voorwaarden en bijzonderheden. De regelingen moeten overigens verder ook voldoen aan de voorwaarden van hoofdstuk IIB Wet LB (tekst vanaf 1 juli 2023) in combinatie met artikel 38q Wet LB (tekst vanaf 1 juli 2023).
4. De kapitaalovereenkomst
Dit onderdeel betreft de fiscale behandeling van de pensioenovereenkomsten die artikel 10 PW aanduidt als kapitaalovereenkomsten. Onderdeel 4.3. bevat de aanwijzing van deze kapitaalovereenkomsten als pensioenregeling. In bijlage II volgen de voorwaarden voor aanwijzing.
4.2. Indeling kapitaalovereenkomsten
In de praktijk kan onduidelijkheid bestaan over de fiscale behandeling van kapitaalovereenkomsten. Hoofdstuk IIB Wet LB (tekst vanaf 1 juli 2023) in combinatie met artikel 38q Wet LB (tekst vanaf 1 juli 2023) kent geen pensioenregelingen met kapitaalovereenkomsten, maar alleen uitkeringsovereenkomsten zoals eindloonregelingen en middelloonregelingen enerzijds en beschikbare-premieregelingen anderzijds. Kapitaalovereenkomsten hebben met beschikbare-premieregelingen gemeen dat de te verkrijgen pensioenuitkeringen niet van tevoren vaststaan. Regelingen met kapitaalovereenkomsten voldoen evenwel niet aan de in artikel 18a, derde lid, Wet LB genoemde voorwaarden voor beschikbare-premieregelingen. Daarom bestaat er aanleiding deze regelingen aan te wijzen als pensioenregeling.
4.3. Aanwijzing
Ik wijs regelingen met een kapitaalovereenkomst aan als pensioenregeling. Het moet gaan om pensioenregelingen die in overeenstemming zijn met de in bijlage II opgenomen voorwaarden en bijzonderheden. De regelingen moeten overigens verder ook voldoen aan de voorwaarden van hoofdstuk IIB Wet LB (tekst vanaf 1 juli 2023) in combinatie met artikel 38q Wet LB (tekst vanaf 1 juli 2023).
5. De premieovereenkomst waarbij de premie direct verplicht wordt omgezet in een aanspraak op een uitkering
Een regeling met een premieovereenkomst waarbij de pensioenovereenkomst bepaalt dat de premie direct verplicht wordt omgezet in een aanspraak op een uitkering moet primair worden getoetst aan de fiscale kaders voor beschikbare-premieregelingen van artikel 18a, derde lid, Wet LB, dan wel bijlage I. Na de omzetting van de premie in een recht op uitkering ontstaat evenwel een regeling die vergelijkbaar is met een middelloonregeling. Hoewel dergelijke regelingen voor de toepassing van de PW zijn te duiden als een premieovereenkomst, zijn deze regelingen fiscaal veelal aan te merken als een middelloonregeling. De aan te kopen middelloonaanspraken, inclusief een eventueel recht op indexatie, moeten binnen de kaders van hoofdstuk IIB Wet LB (tekst vanaf 1 juli 2023) in combinatie met artikel 38q Wet LB (tekst vanaf 1 juli 2023) blijven. Premieovereenkomsten waarbij de premie direct wordt omgezet in een aanspraak op een uitkering, maken gebruik van elementen van zowel het middelloon- als het beschikbare-premiestelsel. Dit in tegenstelling tot echte uitkeringsovereenkomsten, zoals eindloon- en middelloonregelingen, die direct kunnen worden getoetst aan de kaders van hoofdstuk IIB Wet LB (tekst vanaf 1 juli 2023) in combinatie met artikel 38q Wet LB (tekst vanaf 1 juli 2023). Om de fiscale aanvaardbaarheid buiten twijfel te stellen, wijs ik deze regelingen voor zover dat nodig is hierna aan als pensioenregeling.
5.1. Aanwijzing
Ik wijs, voor zover nodig, regelingen met een premieovereenkomst waarbij de premie direct wordt omgezet in een aanspraak op een uitkering aan als pensioenregeling. Hierbij gelden de voorwaarden en bijzonderheden van bijlage III bij dit besluit. De regelingen moeten overigens verder ook voldoen aan de voorwaarden van hoofdstuk IIB Wet LB (tekst vanaf 1 juli 2023) in combinatie met artikel 38q Wet LB (tekst vanaf 1 juli 2023).
6. Afwijkende premieovereenkomsten
Een variatie op de hierboven vermelde afwijkende premieovereenkomst is de volgende. Een (pensioen)verzekeraar voert een premieovereenkomst uit. De beschikbaar gestelde premie wordt gebaseerd op de kostprijs van een middelloonpensioen, eventueel bepaald op basis van een doorsneepremie. Ook hier streeft men naar een pensioen dat binnen de fiscaal maximale grenzen van een middelloonstelsel blijft. Hiertoe wordt jaarlijks de premie vastgesteld die is gebaseerd op de kostprijs van de middelloonregeling die de (pensioen)verzekeraar zou kunnen uitvoeren. De gehanteerde rekenrente voor de berekening van de premie is echter soms lager dan 4%, maar volgt de ontwikkeling van de rente welke medebepalend is voor de hoogte van de kostprijs van de (fictieve) middelloonregeling.
6.1. Aanwijzing van regelingen met een premieovereenkomst gericht op een fiscaal aanvaardbaar maximaal middelloonpensioen
Ik wijs regelingen met een premieovereenkomst die maximaal kunnen leiden tot een middelloonpensioen binnen de kaders van hoofdstuk IIB Wet LB (tekst vanaf 1 juli 2023) in combinatie met artikel 38q Wet LB (tekst vanaf 1 juli 2023) aan als pensioenregeling. Hierbij gelden de voorwaarden en bijzonderheden van bijlage IV bij dit besluit. De regelingen moeten ook overigens voldoen aan de voorwaarden van hoofdstuk IIB Wet LB (tekst vanaf 1 juli 2023) in combinatie met artikel 38q Wet LB (tekst vanaf 1 juli 2023).
6.2. Aanwijzing van regelingen met een premieovereenkomst op basis van ten hoogste de kostprijs van een fiscaal aanvaardbaar middelloonpensioen
Ik wijs regelingen met een premieovereenkomst waarbij de premie ten hoogste gelijk is aan de kostprijs van een door de (pensioen)verzekeraar uit te voeren (fictief) middelloonpensioen binnen de kaders van hoofdstuk IIB Wet LB (tekst vanaf 1 juli 2023) in combinatie met artikel 38q Wet LB (tekst vanaf 1 juli 2023) aan als pensioenregeling. Hierbij gelden de voorwaarden en bijzonderheden van bijlage V bij dit besluit. Hierbij worden voor een door een PPI uitgevoerde premieovereenkomst aanvullende voorwaarden gesteld. De regelingen moeten ook overigens voldoen aan de voorwaarden van hoofdstuk IIB Wet LB (tekst vanaf 1 juli 2023) in combinatie met artikel 38q Wet LB (tekst vanaf 1 juli 2023).
7. Variabele pensioenuitkeringen, bedoeld in artikel 10a, tweede lid, PW, en overgangsrecht pensioenregelingen met uitkeringen in beleggingseenheden
Artikel 10a, tweede lid, PW biedt sinds 1 september 2016 aanspraakgerechtigden met een premie- of kapitaalovereenkomst de mogelijkheid om te kiezen tussen vaste of variabele pensioenuitkeringen. Bij de keuze voor een variabele pensioenuitkering wordt het kapitaal voor de pensioengerechtigde gedeeltelijk risicodragend doorbelegd in de uitkeringsfase. Dit vermindert de afhankelijkheid van de rentestand op één aankoopmoment. De keuze tussen vaste of variabele pensioenuitkeringen moet uiterlijk op de pensioeningangsdatum worden gemaakt. De hierdoor optredende variatie in de omvang van pensioenuitkeringen komt op basis van artikel 18d, vierde lid, Wet LB niet in strijd met de voorwaarde uit artikel 18d, eerste lid, onderdeel b, Wet LB waarin staat dat de hoogte van de uitkeringen en de mate van variatie uiterlijk op de pensioeningangsdatum worden vastgesteld.
7.2. Overgangsrecht pensioenregelingen met uitkeringen in beleggingseenheden opgebouwd tot 1 januari 2008 voor zover deze niet voldoen aan de Wet verbeterde premieregeling
In het besluit van 1 maart 2004, nr. CPP2003/2813M heb ik de genoemde regelingen tijdelijk aangewezen als pensioenregeling. Ik heb daarbij meegedeeld dat ik mijn beleid zou bezien bij de invoering van de PW. Artikel 11 PW (tekst tot 1 september 2016) bepaalde dat de uitkering in het kader van een pensioenovereenkomst wordt vastgesteld in een wettig Nederlands betaalmiddel. Het beleid is daarom bij besluit van 23 oktober 2007, nr. CPP2007/552M (Stcrt. 2007, nr. 212) herzien en de aanwijzing uit het besluit van 1 maart 2004, nr. CPP2003/2813M is daarbij ingetrokken. Deze intrekking van het beleid blijft van kracht, ook na intrekking van het besluit CPP2007/552M met ingang van 1 januari 2014. De beleidsherziening geldt ook voor pensioenregelingen met uitkeringen in beleggingseenheden die niet onder de PW vallen. Reden hiervoor is de hierboven vermelde strijdigheid van deze regelingen met de wettelijke bepalingen in de loonbelasting. Daarnaast is een gelijke fiscale behandeling gewenst van alle pensioenregelingen met uitkeringen in beleggingseenheden.
8. Nettopensioenregelingen bedoeld in afdeling 5.3B van de Wet IB 2001
Opbouw van nettopensioen is mogelijk over het bedrag dat ingevolge artikel 18ga Wet LB niet tot het pensioengevend loon behoort. De voorwaarden voor de nettopensioenregeling zijn opgenomen in afdeling 5.3B Wet IB 2001. De nettopensioenregeling voorziet in een afzonderlijke box 3-vrijstelling voor arbeidsgerelateerd nettopensioen. Voor de vormgeving en begrenzing van de box 3-vrijstelling voor nettopensioen is zo veel mogelijk aangesloten bij de regels voor beschikbare-premieregelingen van hoofdstuk IIB Wet LB (tekst vanaf 1 juli 2023) in combinatie met artikel 38q Wet LB (tekst vanaf 1 juli 2023).
8.1. Aanwijzing nettopensioen op basis van een 4%-staffel
Ik wijs regelingen die gebruikmaken van de premiestaffel voor de nettopensioenregeling op basis van 4% rekenrente in bijlage VII (tabel 1), aan als pensioenregeling in de zin van afdeling 5.3B Wet IB 2001. Het moet gaan om beschikbare-premieregelingen die in overeenstemming zijn met de in die bijlage genoemde voorwaarden en bijzonderheden. De regelingen moeten overigens verder ook voldoen aan de voorwaarden van afdeling 5.3B Wet IB 2001.
8.2. Aanwijzing nettopensioen op basis van een 3%-staffel
Ik wijs regelingen die gebruikmaken van de premiestaffel voor de nettopensioenregeling op basis van 3% rekenrente in bijlage VII (tabel 2), aan als pensioenregeling in de zin van afdeling 5.3B Wet IB 2001. Het moet gaan om beschikbare-premieregelingen die in overeenstemming zijn met de in die bijlage genoemde voorwaarden en bijzonderheden. De regelingen moeten overigens verder ook voldoen aan de voorwaarden van afdeling 5.3B Wet IB 2001.
9. Verlaging van de minimale leeftijd voor het verwerven van pensioenaanspraken van 21 jaar naar 18 jaar
Per 1 juli 2023 is de WTP inwerking getreden. Onderdeel van deze wet is dat per 1 januari 2024 er een lagere minimale leeftijd voor het verwerven van pensioenaanspraken geldt.
9.2. Voorwaarden
Bij deze aanwijzing gelden de volgende voorwaarden:
10. Ingetrokken regeling
Het volgende besluit is ingetrokken met ingang van de inwerkingtreding van dit besluit:
11. Inwerkingtreding
Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 juli 2023.
12. Citeertitel
Dit besluit wordt aangehaald als: Staffelbesluit pensioenen.
Bijlage I. Aanwijzing als bedoeld in ONDERDEEL 3.3.
Staffels met uitgangspunten, toelichting, voorwaarden en bijzonderheden
3. Toelichting op het gebruik van de staffels
h. Overlevingstafels
De berekening van de staffels is gebaseerd op de overlevingstafels GBM/GBV 2016–2021 met leeftijdsverlagingen van 5 jaar voor mannen en 6 jaar voor vrouwen. Partijen mogen deze staffels hanteren als de pensioenverzekeraar een levensverzekeringsmaatschappij is die binnen de pensioenverzekering uitgaat van individuele tarieven. Met individueel tarief wordt hier bedoeld: het tarief dat de verzekeraar in individuele gevallen hanteert (het standaardtarief). Als de pensioenverzekeraar en de werkgever na onderhandelingen een van het standaardtarief afwijkend collectief tarief zijn overeengekomen waarbij men uitgaat van lichtere sterftegrondslagen, moet de werkgever de beschikbare-premiepercentages dienovereenkomstig verlagen.
Pensioen wordt tijdsevenredig opgebouwd. Partijen mogen voor de opbouw in een maand en voor de premie over (een deel van) die maand uitgaan van de leeftijd van de werknemer aan het einde van de maand.
j. Inhaal van niet-gebruikte premieruimte
Een pensioenregeling kan de mogelijkheid bieden om de in een jaar niet-gebruikte beschikbare-premieruimte in een later jaar in te halen. De niet-gebruikte premieruimte moet dan in euro’s worden vastgesteld. Hierbij moet rekening worden gehouden met het actuele fiscale kader van het jaar waarin de inhaal plaatsvindt. Werkgever en werknemer mogen die premie in enig later jaar alsnog storten. De werknemer mist dan het rendement over de inhaalpremie dat in de tussenliggende jaren had kunnen worden behaald. Daarom mogen partijen de inhaalpremie vermenigvuldigen met een samengestelde interestfactor van 1,04 voor elk jaar gelegen tussen het einde van het in te halen jaar en de aanvang van het jaar waarin de inhaal plaatsvindt. De Belastingdienst heeft voor de inhaal van niet-gebruikte premieruimte een handreiking gepubliceerd op https://centraalaanspreekpuntpensioenen.belastingdienst.nl/.
Als partijen in de pensioenregeling lagere ambitieniveaus zijn overeengekomen dan de fiscale maxima die gelden voor middelloonregelingen moeten zij de premiepercentages uit de staffels evenredig daarmee verlagen.
Bijlage II. Aanwijzing als bedoeld in ONDERDEEL 4.3.
Kapitaalovereenkomsten
b. Te verzekeren pensioenkapitaal
c. Gelijkblijvende premies
Partijen kunnen naast de opbouw van een OP ook de opbouw van een PP zijn overeengekomen. Zij kunnen in dat geval het beoogde pensioenkapitaal op de pensioeningangsdatum mede baseren op een in 40 jaar op te bouwen PP van 46,4% van het actuele loon (inclusief inbouw van de AOW).
f. Inkomende waardeoverdracht
Bijlage III. Aanwijzing als bedoeld in ONDERDEEL 5.1.
Regelingen met een premieovereenkomst waarbij in de pensioenovereenkomst is opgenomen dat de premie direct verplicht wordt omgezet in een aanspraak op een uitkering
Voorwaarden en bijzonderheden bij de aanwijzing:
Bijlage IV. Aanwijzing als bedoeld in ONDERDEEL 6.1.
Regelingen met een premieovereenkomst gericht op een fiscaal aanvaardbaar maximaal middelloonpensioen
Voorwaarden en bijzonderheden bij de aanwijzing:
Voorwaarden en bijzonderheden bij de aanwijzing:
De berekeningsgrondslagen van deze staffels zijn, afgezien van de rekenrente, gelijk aan de berekeningsgrondslagen en voorwaarden van de staffels zoals opgenomen in bijlage I. Het zijn nettostaffels op basis van een rekenrente van 3%. De tabellen 2 en 3 zijn van toepassing als partijen gebruikmaken van artikel 10aa UBLB 1965. Tabel 2 geldt bij een opbouw op basis van 1,701% middelloon en tabel 3 bij een opbouw op basis van 1,788% middelloon. Beide opbouwpercentages zijn gebaseerd op artikel 10aa UBLB 1965.
Bijlage V. Aanwijzing als bedoeld in ONDERDEEL 6.2.
Voorwaarden en bijzonderheden bij de aanwijzing:
Bijlage VI. Voorwaarden voor tijdelijke aanwijzing als bedoeld in ONDERDEEL 7.2. voor pensioenregelingen met uitkeringen in beleggingseenheden, welke zijn aangewezen in het vervallen BESLUIT VAN 1 MAART 2004, NR. CPP2003/2813M
A. Voorwaarden voor aanwijzing
2. Tariefgrondslagen bij het berekenen van het aantal beleggingseenheden op de ingangsdatum van het pensioen
3. Gevolgen van het overlijden van gerechtigden
Bij de berekening van de per vervallen termijn verschuldigde uitkering in geld mag worden uitgegaan van de waarde van een beleggingseenheid op een vaste peildatum in de maand van betaling respectievelijk in de voorafgaande maand.
Ook is het toegestaan de uitkeringen in geld bij aanvang van een verzekeringsjaar vast te stellen en deze uitkering gedurende dat jaar als een vaste uitkering te hanteren. Hierbij moet de hoogte van de uitkering in geld worden bepaald op basis van de werkelijke waarde van een beleggingseenheid per een vaste peildatum in een van de laatste twee maanden voorafgaand aan het verzekeringsjaar. De afwijkingen tussen de voor de uitkering te onttrekken beleggingseenheden en de overeengekomen uitkering in beleggingseenheden worden alsdan rechtgetrokken bij de herrekening van de waarde van een beleggingseenheid voor het op het betreffende verzekeringsjaar volgende verzekeringsjaar.
C. Overgangsregeling: aanwijzing oude regelingen
Het bovenstaande (onderdelen A en B) geldt niet voor uitkeringen die vóór 1 juni 2004 zijn ingegaan en die berusten op een regeling met uitkeringen in beleggingseenheden waarop de wetgeving van toepassing is zoals die luidde vóór 1 juni 1999. Deze reeds ingegane regelingen behoeven niet te worden aangepast aan de voorwaarden van dit besluit. Voor zover nodig zijn deze regelingen in het besluit van 1 maart 2004, nr. CPP2003/2813M zonder voorwaarden aangewezen als zuivere pensioenregelingen met toepassing van artikel 11, vijfde lid, Wet LB (tekst per 1 januari 1999).
Bijlage VII. Aanwijzing als bedoeld in ONDERDEEL 8.
Staffels met uitgangspunten, voorwaarden en bijzonderheden
Staffels met uitgangspunten, voorwaarden en bijzonderheden
1. Premiestaffel voor de nettopensioenregeling op basis van 4% rekenrente
2. Premiestaffel voor de nettopensioenregeling op basis van 3% rekenrente
Dit besluit zal met de bijlagen in de Staatscourant worden geplaatst.
Onderdeel 2. van dit besluit bevat een beschrijving van de soorten premieovereenkomsten die bij de behandeling van de Pensioenwet aan de orde zijn geweest en die met toepassing van artikel 220i van de Pensioenwet, artikel 214g van de Wet verplichte beroepspensioenregeling en artikel 38q van de Wet op de loonbelasting 1964 tijdelijk kunnen worden voortgezet. De onderdelen 3.en 5. behandelen de fiscale kwalificatie van die soorten premieovereenkomsten. Onderdeel 4. gaat over de kapitaalovereenkomsten. Voorts wijs ik in onderdeel 6. twee soorten afwijkende premieovereenkomsten aan als pensioenregeling. In onderdeel 7. is het overgangsrecht opgenomen voor pensioenregelingen met uitkeringen in beleggingseenheden. Onderdeel 8. van dit besluit bevat de beschrijving van nettopensioen als bedoeld in artikel 10a.27 van de Wet inkomstenbelasting 2001 en afdeling 5.3B van de Wet inkomstenbelasting 2001 (tekst 30 juni 2023). Onderdeel 9. bevat een aanwijzing in verband met de verlaging van de minimale leeftijd voor het verwerven van pensioenaanspraken van 21 jaar naar 18 jaar. Onderdeel 10. voorziet in de intrekking van het voorgaande besluit. Onderdeel 11. bevat de inwerkingtreding van dit besluit. De voorwaarden en bijzonderheden die bij de aanwijzingen gelden zijn te vinden in de bijlagen bij dit besluit.
2. Premieovereenkomsten
Voor de fiscale beoordeling van een pensioenregeling is het voor de pensioenopbouw gebruikte pensioenstelsel van belang. De pensioenopbouw moet plaatsvinden volgens een eindloonstelsel, een middelloonstelsel of een beschikbare-premiestelsel. In een aantal gevallen bevatten premieovereenkomsten naast kenmerken van een beschikbare-premiestelsel ook elementen van een eindloon- of middelloonstelsel. In dergelijke regelingen is sprake van samenloop van verschillende pensioenstelsels. Voor de fiscale kwalificatie worden alle elementen van de pensioenregeling tezamen en in onderlinge samenhang bezien. Vervolgens wordt vastgesteld onder welke van de drie stelsels de regeling valt (artikel 4.3 URLB 2011). Is een dergelijke kwalificatie niet mogelijk vanwege de kenmerken van de regeling, dan kan de regeling met toepassing van artikel 19d Wet LB (tekst vanaf 1 juli 2023) worden aangewezen als pensioenregeling.
3.1. Inleiding
3.2. Grondslagen en uitgangspunten
Ik wijs regelingen die gebruikmaken van de staffels in bijlage I aan als pensioenregeling. Het moet gaan om beschikbare-premieregelingen die in overeenstemming zijn met de in die bijlage genoemde voorwaarden en bijzonderheden. De regelingen moeten overigens verder ook voldoen aan de voorwaarden van hoofdstuk IIB Wet LB (tekst vanaf 1 juli 2023) in combinatie met artikel 38q Wet LB (tekst vanaf 1 juli 2023).
6. Afwijkende premieovereenkomsten
Ik wijs regelingen met een premieovereenkomst waarbij de premie ten hoogste gelijk is aan de kostprijs van een door de (pensioen)verzekeraar uit te voeren (fictief) middelloonpensioen binnen de kaders van hoofdstuk IIB Wet LB (tekst vanaf 1 juli 2023) in combinatie met artikel 38q Wet LB (tekst vanaf 1 juli 2023) aan als pensioenregeling. Hierbij gelden de voorwaarden en bijzonderheden van bijlage V bij dit besluit. Hierbij worden voor een door een PPI uitgevoerde premieovereenkomst aanvullende voorwaarden gesteld. De regelingen moeten ook overigens voldoen aan de voorwaarden van hoofdstuk IIB Wet LB (tekst vanaf 1 juli 2023) in combinatie met artikel 38q Wet LB (tekst vanaf 1 juli 2023).
7.2. Overgangsrecht pensioenregelingen met uitkeringen in beleggingseenheden opgebouwd tot 1 januari 2008 voor zover deze niet voldoen aan de Wet verbeterde premieregeling
8. Nettopensioenregelingen bedoeld in afdeling 5.3B van de Wet IB 2001
Als gevolg van de verlaging van de minimale leeftijd voor het verwerven van pensioenaanspraken van 21 jaar naar 18 jaar, moesten veel regelingen met een premieovereenkomst worden aangepast in een relatief korte periode. Een eenvoudige wijze, waarop deze aanpassing kon plaatsvinden, was door het premiepercentage voor de leeftijdsklasse 20 jaar tot en met 24 jaar ook te gebruiken voor werknemers van 18 en 19 jaar.
9.1. Aanwijzing regelingen die voor werknemers van 18 of 19 jaar uitgaan van het premiepercentage van de leeftijdsklasse van 20 jaar tot en met 24 jaar
Onder de hierna gestelde voorwaarden wijs ik regelingen met een premieovereenkomst waarin voor werknemers van 18 of 19 jaar wordt uitgegaan van het premiepercentage voor de leeftijdsklasse van 20 jaar tot en met 24 jaar aan als pensioenregeling in de zin van de Wet LB.
9.2. Voorwaarden
Bij deze aanwijzing gelden de volgende voorwaarden:
10. Ingetrokken regeling
11. Inwerkingtreding
Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 juli 2023.
12. Citeertitel
Bijlage I. Aanwijzing als bedoeld in ONDERDEEL 3.3.
2. Uitgangspunten
Bij de staffels gelden de volgende uitgangspunten:
a. Collectief en individueel
De staffels zijn collectief en individueel toepasbaar.
b. Incidentele beloning
Als de AOW-franchise geheel is verwerkt bij de berekening van de pensioengrondslag uit het structurele loon, kunnen partijen de premiepercentages rechtstreeks toepassen op incidentele beloningen. Bij een gedeeltelijke verwerking van de franchise moet men het nog niet in aanmerking genomen deel hiervan verrekenen bij de pensioenopbouw over het incidentele loon.
c. Op risicobasis verzekerd PP
Partijen kunnen de beschikbare premies uit kolom 4 (OP en direct ingaand bereikbaar PP) alleen hanteren als de pensioenverzekeraar de premies voor de risicoverzekering daadwerkelijk onttrekt aan de ontvangen premie of aan de beleggingswaarde van de pensioenverzekering. Op deze wijze wordt voorkomen dat deze premies ten onrechte worden gebruikt voor opbouw van het OP. Immers, alleen een opgebouwd PP is beschikbaar voor een eventuele ruil voor OP.
d. Opslag voor premievrijstelling bij arbeidsongeschiktheid
De premies uit de staffels bevatten geen opslag voor premievrijstelling bij arbeidsongeschiktheid. Partijen kunnen de premies uit de staffel verhogen met de werkelijke premie voor premievrijstelling bij arbeidsongeschiktheid. Deze risicopremies kunnen partijen niet aanwenden voor hogere aanspraken op OP of PP.
e. Arbeidsongeschiktheids- en nabestaandenoverbruggingspensioen
Partijen kunnen de premies uit de staffels verhogen met premies voor een arbeidsongeschiktheidspensioen of een nabestaandenoverbruggingspensioen. Uiteraard moeten zij deze risico’s dan ook daadwerkelijk voor die premies verzekeren. Ook deze risicopremies kunnen partijen niet aanwenden voor hogere aanspraken op OP of PP.
f. Kostenopslag
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)