Beleidsregels van de Raad van Bestuur van Zorginstituut Nederland van 10 oktober 2023, kenmerk 2023018931, voor de toekenning en vaststelling van de vereveningsbijdrage aan zorgverzekeraars 2024 (Beleidsregels Risicoverevening 2024)
gelet op de artikelen 32, vijfde lid, en 34, vierde lid, van de Zorgverzekeringswet;
Besluit:
1. Hoofdstuk I Algemene bepalingen
Artikel 1.1. Definities
Deze beleidsregels verstaan onder:
- aanpassingsklasse: een klasse waarvan het gewicht in verband met de toepassing van criteriumneutraliteit wordt aangepast;
- AVI: AVI als bedoeld in artikel 1 van het Besluit zorgverzekering;
- belastingdienstbestand: het bij het Zorginstituut meest recent beschikbare bestand met inkomensgegevens en gepseudonimiseerde adresgegevens per gepseudonimiseerd burgerservicenummer voor een peiljaar;
- Bzv: Besluit zorgverzekering;
- correctiefactor: een door het Zorginstituut bepaalde factor die voor de betreffende risicoklasse van een bepaald criterium de geraamde prevalentie corrigeert voor bijzondere situaties. De toelichting op de bijzondere situatie en de correctiefactoren zijn opgenomen in de Verantwoording Verzekerdenraming 2024 die gepubliceerd wordt op de website www.zorginstituutnederland.nl;
- COVID-19: de ziekte die door het virus SARS-CoV-2 veroorzaakt wordt;
- COVID-correctiefactor: een door het Zorginstituut bepaalde factor die voor de betreffende risicoklasse van een bepaald criterium de geraamde prevalentie corrigeert voor de effecten van COVID-19. Er zijn COVID-correctiefactoren voor de criteria FKG_C, DKG_C, HKG_C en FDG_C. Deze correctiefactoren zijn opgenomen in de Verantwoording Verzekerdenraming 2024 die gepubliceerd wordt op de website www.zorginstituutnederland.nl;
- criterium: een vereveningscriterium;
- DKG_C: DKG’s als bedoeld in artikel 1 van het Bzv;
- DKG_G: DKG’s psychische aandoeningen als bedoeld in artikel 1 van het Bzv;
- FDG_C: FDG’s als bedoeld in artikel 1 van het Bzv;
- FKG_C: FKG’s als bedoeld in artikel 1 van het Bzv;
- FKG_G: FKG’s psychische aandoeningen als bedoeld in artikel 1 van het Bzv;
- het Zorginstituut: Zorginstituut Nederland, bedoeld in artikel 58, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet;
- HKC: hogekostencompensatie als bedoeld in artikel 1 van het Bzv;
- HKG_C: HKG’s als bedoeld in artikel 1 van het Bzv;
- HSM_C: HSM, historische somatische morbiditeit, een vereveningscriterium op grond waarvan verzekerden worden ingedeeld in klassen op basis van hun morbiditeit in het verleden;
- IBZ_C: IBZ, indicatie bevallingen en zwangerschappen, een vereveningscriterium op grond waarvan verzekerden worden ingedeeld in klassen op basis van zwangerschap en bevalling in het vereveningsjaar en het jaar ervoor;
- L5G: leeftijd en geslacht als bedoeld in artikel 1 van het Bzv;
- macroverzekerden-raming: de raming van het aantal verzekerden op macroniveau voor het jaar 2024. De verantwoording van de macroverzekerdenraming is opgenomen in de Verantwoording Verzekerdenraming 2024 die gepubliceerd wordt op de website www.zorginstituutnederland.nl;
- MHK_C: MHK als bedoeld in artikel 1 van het Bzv;
- MHK_G: GGZ-MHK als bedoeld in artikel 1 van het Bzv;
- MVV_C: MVV als bedoeld in artikel 1 van het Bzv;
- PER: opgave van zorgverzekeraars met per gepseudonimiseerd burgerservicenummer de persoonskenmerken geslacht, geboortemaand, geboortejaar, viercijferige postcode, identificatie verzekerde in het buitenland en gepseudonimiseerd adres. De peildatum van het bestand met gegevensjaar t is 1 mei van jaar t, de aanleverdatum is 1 juni van jaar t;
- PKB: een door het Zorginstituut samengesteld bestand. Het Zorginstituut koppelt per gepseudonimiseerd burgerservicenummer het PER-bestand, het VPPER-bestand en het 0BSN-bestand. Het PKB-bestand voor gegevensjaar t is een koppeling van de PER, VPPER en 0BSN-bestanden over jaar t, aangeleverd op 1 juni van jaar t (PER) of t+1 (VPPER, 0BSN);
- PPA: PPA als bedoeld in artikel 1 van het Bzv;
- REG_C: regio als bedoeld in artikel 1 van het Bzv;
- REG_G: GGZ-regio als bedoeld in artikel 1 van het Bzv;
- Rrv: Regeling risicoverevening voor het betreffende vereveningsjaar;
- Rzv: Regeling zorgverzekering;
- schalingsfactor: een door het Zorginstituut berekende factor (vanaf de eerste voorlopige vaststelling) als onderdeel van flankerend beleid. De factor wordt bepaald voor de bijdrage van het deelbedrag variabele zorgkosten en voor de bijdrage van het deelbedrag kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg. De factor wordt per bijdrage op landelijk niveau bepaald als de verhouding tussen de totale kosten en het herberekende normatieve bedrag;
- SEI: SEI, seizoenarbeiders, een vereveningscriterium op grond waarvan verzekerden worden ingedeeld in klassen waarbij seizoenarbeiders worden onderscheiden van overige verzekerden;
- seizoenarbeider: een verzekerde van 18 tot en met 64 jaar, die in het buitenland woont en die in 2024 niet het gehele jaar verzekerd is en in 2023 niet of niet het gehele jaar is verzekerd;
- SES: SES als bedoeld in artikel 1 van het Bzv;
- sterftecorrectiefactor: een door het Zorginstituut bepaalde factor die per leeftijds- en geslachtscategorie voor de betreffende risicoklasse van een bepaald criterium de sterfte corrigeert naar de geraamde sterfte in de ex-postsituatie;
- trendfactor: een door het Zorginstituut bepaalde factor die per leeftijds- en geslachtscategorie voor de betreffende risicoklasse van een bepaald criterium de trendmatige ontwikkeling voor de risicoklasse weergeeft. De trendfactoren zijn opgenomen in de Verantwoording Verzekerdenraming 2024 die gepubliceerd wordt op de website www.zorginstituutnederland.nl;
- UWV-bestand: het bij het Zorginstituut meest recent beschikbare bestand van het UWV met de inkomstenbron per gepseudonimiseerd burgerservicenummer voor een peiljaar;
- vereveningsbijdrage: de bijdrage, bedoeld in de artikelen 32 en 34 van de Zorgverzekeringswet;
- verzekerde die in het buitenland woont: een persoon die een zorgverzekering heeft afgesloten en geen ingezetene van Nederland is. Dit wordt bepaald aan de hand van de opgave van zorgverzekeraars in het PER of VPPER;
- VPPER: opgave van zorgverzekeraars met per gepseudonimiseerd burgerservicenummer de verzekerde periode en de persoonskenmerken geslacht, geboortemaand, geboortejaar, aanduiding voor een verzekerde die in het buitenland woont, viercijferige postcode en gepseudonimiseerd adres. De aanleverdatum van het bestand met gegevensjaar t is 1 juni t+1, de gegevens hebben betrekking op het hele gegevensjaar;
- wet: de Zorgverzekeringswet;
- zelfstandigenbestand: bestand van de Belastingdienst met een uittreksel van het zelfstandigenregister. Het bestand wordt aangeleverd in de maand juli met een peildatum van 30 juni en heeft betrekking op directeuren grootaandeelhouders en overige zelfstandigen. Het Zorginstituut gebruikt het meest recente beschikbare bestand;
- zorgprestatiemodel: de nieuwe bekostigingssystematiek per 1 januari 2022 voor geestelijke gezondheidszorg en forensische zorg;
- zwaarte: het deel waarvoor de verzekerde meetelt in een betreffende klasse;
- 0BSN: opgave van zorgverzekeraars over verzekerden zonder een geverifieerd burgerservicenummer en verzekerden zonder burgerservicenummer met per verzekerde de verzekerde periode en de persoonskenmerken geslacht, geboortemaand, geboortejaar en viercijferige postcode. De aanleverdatum van het bestand met gegevensjaar t is 1 juni t+1, de gegevens hebben betrekking op het hele gegevensjaar.
Artikel 1.2. Algemene bepaling
Het Zorginstituut neemt de bepalingen uit het Bzv en de Rrv in acht bij de toepassing van deze beleidsregels.
Artikel 1.3. Zorgverzekeraars
Het Zorginstituut gaat bij de verdeling van de macro-deelbedragen 2024 en de berekening van de normatieve bedragen en de vereveningsbijdragen ervan uit dat alle zorgverzekeraars die gedurende 2023 zorgverzekeringen hebben aangeboden ook in 2024 zorgverzekeringen zullen aanbieden.
2. Hoofdstuk II Toekenning van de vereveningsbijdrage aan een zorgverzekeraar
Artikel 2.1. Algemene bepaling voor de raming van de verzekerdenaantallen
Het Zorginstituut baseert de raming van de verzekerdenaantallen 2024 op de macroverzekerdenraming en het PER 2023.
Het Zorginstituut deelt verzekerden zonder burgerservicenummer en verzekerden zonder geverifieerd burgerservicenummer niet in bij een criterium.
Wanneer een verzekerde tegelijkertijd bij meer zorgverzekeraars is ingeschreven, past het Zorginstituut artikel 10 van de Rrv toe.
Het Zorginstituut beschrijft de wijze waarop de verzekerden zijn geraamd in de Verantwoording Verzekerdenraming 2024 die gepubliceerd wordt op de website www.zorginstituutnederland.nl.
Artikel 2.2. De verzekerdenaantallen 2024 voor het macro-deelbedrag variabele zorgkosten
Het Zorginstituut deelt voor het macro-deelbedrag variabele zorgkosten verzekerden in bij de criteria L5G, FKG_C, DKG_C, HKG_C, FDG_C, IBZ_C, HSM_C, MHK_C, MVV_C, AVI, SES, PPA, SEI en REG_C.
In afwijking van het eerste lid deelt het Zorginstituut verzekerden die in het buitenland wonen niet in bij de criteria SES, PPA en REG_C.
In afwijking van het eerste lid deelt het Zorginstituut verzekerden die in Nederland wonen niet in bij het criterium SEI.
Met inachtneming van artikel 6 van de Rrv deelt het Zorginstituut alle verzekerden die in het buitenland wonen op de volgende wijze in:
- a. voor het criterium FKG_C in de klasse 'Geen FKG_C';
- b. voor het criterium DKG_C in de klasse ‘Geen DKG_C’;
- c. voor het criterium HKG_C in de klasse ‘Geen HKG_C’;
- d. voor het criterium FDG_C in de klasse ‘Geen FDG_C’; en
- e. voor het criterium HSM_C in de klasse ‘Geen HSM_C’.
Artikel 2.3. De verzekerdenaantallen 2024 voor het macro-deelbedrag kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg
Het Zorginstituut deelt voor het macro-deelbedrag kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg verzekerden van achttien jaar of ouder in bij de criteria L5G, FKG_G, DKG_G, MHK_G, AVI, SES, PPA, SEI en REG_G.
In afwijking van het eerste lid deelt het Zorginstituut verzekerden die in het buitenland wonen niet in bij de criteria SES, PPA en REG_G.
In afwijking van het eerste lid deelt het Zorginstituut verzekerden die in Nederland wonen niet in bij het criterium SEI.
Met inachtneming van artikel 6 van de Rrv deelt het Zorginstituut alle verzekerden die in het buitenland wonen op de volgende wijze in:
- a. voor het criterium FKG_G in de klasse 'Geen FKG_G'; en
- b. voor het criterium DKG_G in de klasse ‘Geen DKG_G’.
Artikel 2.4. De verzekerdenaantallen 2024 voor de normatieve opbrengst van het eigen risico
Het Zorginstituut deelt voor de normatieve opbrengst van het eigen risico verzekerden van achttien jaar of ouder die worden ingedeeld in de klassen ‘Geen FKG_C’, ‘Geen DKG_C’, ‘Geen HKG_C’, ‘Geen FDG_C’ en ‘Geen MVV_C’ en niet worden ingedeeld bij MHK_C-klasse ‘2 voorafgaande jaren variabele zorgkosten in top 10 procent’ of hoger, in bij de criteria L5G, MHK_C, AVI, SEI en REG_C.
In afwijking van het eerste lid deelt het Zorginstituut verzekerden die in het buitenland wonen niet in bij het criterium REG_C.
In afwijking van het eerste lid deelt het Zorginstituut verzekerden die in Nederland wonen niet in bij het criterium SEI.
Artikel 2.5. L5G
Het Zorginstituut baseert het geraamde aantal verzekerden per zorgverzekeraar voor het criterium L5G op:
- a. de indeling in L5G-klassen 2024 zoals weergegeven in het referentiebestand dat is opgenomen in Bijlage 1 van deze Beleidsregels; en
- b. het PER 2023.
Het Zorginstituut bepaalt op basis van het eerste lid in welke L5G-klasse een verzekerde wordt ingedeeld.
Het Zorginstituut herschaalt het geraamde aantal verzekerden voor het criterium L5G naar de macroverzekerdenraming.
Artikel 2.6. FKG_C
Het Zorginstituut baseert het geraamde aantal verzekerden per zorgverzekeraar voor het criterium FKG_C op:
- a. de indeling in FKG_C-klassen 2024 zoals weergegeven in het referentiebestand dat is opgenomen in Bijlage 2 van deze Beleidsregels;
- b. de opgave per 1 juni 2023 van declaraties farmaceutische hulp 2022 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer van de zorgverzekeraars aan het Zorginstituut;
- c. de opgave per 1 juni 2023 van declaraties add-ons duur of weesgeneesmiddel 2021 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer van de zorgverzekeraars aan het Zorginstituut; en
- d. de opgave per 1 juni 2022 van declaraties farmaceutische hulp 2021 per gepseudonimiseerd Burgerservicenummer van de zorgverzekeraars aan het Zorginstituut.
Het Zorginstituut koppelt de gegevens, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b tot en met d, met het gepseudonimiseerde burgerservicenummer aan het PER 2023 en bepaalt daarmee en met inachtneming van Bijlage 2 van deze Beleidsregels, in welke FKG_C-klassen een verzekerde wordt ingedeeld. Aan de verzekerde koppelt het Zorginstituut een zwaarte van 1 voor de betreffende klassen.
Het Zorginstituut past per verzekerde per klasse van het criterium FKG_C de toepasselijke trendfactor toe. Het Zorginstituut vermenigvuldigt de zwaarte, bedoeld in het tweede lid, met de toepasselijke trendfactor.
Het Zorginstituut past op de verzekerden in een aantal FKG_C-klassen een sterftecorrectie toe, waarbij de verzekerden een zodanige zwaarte krijgen dat de relatieve prevalentie constant blijft met het PKB 2022. Het betreft de volgende FKG_C-klassen:
- a. ‘Groeistoornissen o.b.v. add-on’;
- b. ‘Auto-immuunziekten o.b.v. add-on’;
- c. ‘Nieraandoeningen o.b.v. add-on’;
- d. ‘Immunoglobuline o.b.v. add-on’;
- e. ‘COPD/Zware astma o.b.v. add-on’;
- f. ‘Kanker o.b.v. add-on’;
- g. ‘Maculadegeneratie o.b.v. add-on’;
- h. ‘Extreem hoge kosten cluster 1’;
- i. ‘Extreem hoge kosten cluster 2’;
- j. ‘Extreem hoge kosten cluster 3’; en
- k. ‘Extreem hoge kosten cluster 4’.
Het Zorginstituut past op verzekerden die in het PER 2023 voor het eerst voorkomen per FKG_C-klasse de gemiddelde prevalentie van de overige verzekerden in het PER 2023 toe.
Als een verzekerde niet in een andere klasse dan ‘Geen FKG_C’ valt, deelt het Zorginstituut deze verzekerde in de klasse ‘Geen FKG_C’ in.
Het Zorginstituut herschaalt het geraamde aantal verzekerden voor het criterium FKG_C naar de macroverzekerdenraming.
Het Zorginstituut past per verzekerde per klasse van het criterium FKG_C de toepasselijke (COVID-)correctiefactor toe.
Artikel 2.7. FKG_G
Het Zorginstituut baseert het geraamde aantal verzekerden per zorgverzekeraar voor het criterium FKG_G op:
- a. de indeling in FKG_G klassen 2024 zoals weergegeven in het referentiebestand dat is opgenomen in Bijlage 3 van deze Beleidsregels; en
- b. de opgave per 1 juni 2023 van declaraties farmaceutische hulp 2022 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer van de zorgverzekeraars aan het Zorginstituut.
Het Zorginstituut koppelt de gegevens, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, met het gepseudonimiseerde burgerservicenummer aan het PER 2023 en bepaalt daarmee en met inachtneming van Bijlage 3 van deze Beleidsregels, in welke FKG_G-klassen een verzekerde wordt ingedeeld. Aan de verzekerde koppelt het Zorginstituut een zwaarte van 1 voor de betreffende klassen.
Het Zorginstituut past per verzekerde per klasse van het criterium FKG_G de toepasselijke trendfactor toe. Het Zorginstituut vermenigvuldigt de zwaarte, bedoeld in het tweede lid, met de toepasselijke trendfactor.
Het Zorginstituut past voor verzekerden die in het PER 2023 voor het eerst voorkomen per FKG_G-klasse de gemiddelde prevalentie van de overige verzekerden in het PER 2023 toe.
Als een verzekerde niet in een andere klasse dan ‘Geen FKG_G’ valt, deelt het Zorginstituut deze verzekerde in de klasse ‘Geen FKG_G’ in.
Het Zorginstituut herschaalt het geraamde aantal verzekerden voor het criterium FKG_G naar de macroverzekerdenraming.
Artikel 2.8. DKG_C
Het Zorginstituut baseert het geraamde aantal verzekerden per zorgverzekeraar voor het criterium DKG_C op:
- a. de indeling in DKG_C-klassen 2024 zoals weergegeven in het referentiebestand dat is opgenomen in Bijlage 4 van deze Beleidsregels; en
- b. de opgave van de zorgverzekeraars per 1 juni 2023 aan het Zorginstituut van de declaraties per gepseudonimiseerd burgerservicenummer van dbc’s die in 2021 geopend zijn.
Het Zorginstituut koppelt de gegevens, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, met het gepseudonimiseerde burgerservicenummer aan het PKB 2022 en bepaalt daarmee en met inachtneming van Bijlage 4 van deze Beleidsregels, in welke DKG_C-klassen een verzekerde wordt ingedeeld. Het Zorginstituut stelt voor elke keer dat de verzekerde in de toepasselijke risicoklasse valt, de zwaarte op 1.
Het Zorginstituut past per verzekerde per klasse van het criterium DKG_C de toepasselijke trendfactor toe. Het Zorginstituut vermenigvuldigt de zwaarte, bedoeld in het tweede lid, met de toepasselijke trendfactor.
Het Zorginstituut past op de verzekerden die in het PKB 2022 voor het eerst voorkomen per DKG_C-klasse de gemiddelde prevalentie van de overige verzekerden in het PKB 2022 toe.
Vervolgens koppelt het Zorginstituut de verzekerden aan het PER 2023 en past hierop een sterftecorrectie toe, waarbij de verzekerden een zodanige zwaarte krijgen dat de relatieve prevalentie constant blijft.
Het Zorginstituut past op verzekerden die in het PER 2023 voor het eerst voorkomen per DKG_C-klasse de gemiddelde prevalentie van de overige verzekerden in het PER 2023 toe.
Als een verzekerde niet in een andere klasse dan ‘Geen DKG_C’ valt, deelt het Zorginstituut deze verzekerde in de klasse ‘Geen DKG_C’ in.
Het Zorginstituut herschaalt het geraamde aantal verzekerden voor het criterium DKG_C naar de macroverzekerdenraming.
Artikel 2.9. DKG_G
Het Zorginstituut baseert het geraamde aantal verzekerden per zorgverzekeraar voor het criterium DKG_G op:
- a. de indeling in DKG_G klassen 2024 zoals weergegeven in het referentiebestand dat is opgenomen in Bijlage 5 van deze Beleidsregels;
- b. de opgave van de zorgverzekeraars per 1 juni 2023 aan het Zorginstituut van de declaraties per gepseudonimiseerd burgerservicenummer van alle prestaties generalistische Basis-GGZ in 2021 en van alle dbc’s GGZ en zzp’s GGZ die in 2021 geopend zijn;
- c. de opgave van de zorgverzekeraars per 1 juni 2022 aan het Zorginstituut van de declaraties per gepseudonimiseerd burgerservicenummer van alle prestaties generalistische Basis-GGZ in 2020 en van alle dbc’s GGZ en zzp’s GGZ die in 2020 geopend zijn;
- d. de opgave van de zorgverzekeraars per 1 juni 2021 aan het Zorginstituut van de declaraties per gepseudonimiseerd burgerservicenummer van dbc’s GGZ en zzp’s GGZ die in 2019 geopend zijn;
- e. de vertaaltabel zoals vastgesteld in het conversieonderzoek bekostiging GGZ (WOR 1037);
- f. de opgave van Vektis per 19 juni 2023 aan het Zorginstituut van de declaraties per gepseudonomiseerd burgerservicenummer van alle prestaties generalistische Basis-GGZ in 2021 en van alle dbc’s GGZ die in 2021 geopend zijn, waarbij de prestaties representatief zijn gemaakt voor het Zorgprestatiemodel; en
- g. de opgave van Vektis per 23 mei 2022 aan het Zorginstituut van de declaraties per gepseudonomiseerd burgerservicenummer van alle prestaties generalistische Basis-GGZ in 2020 en van alle dbc’s GGZ die in 2020 geopend zijn, waarbij de prestaties representatief zijn gemaakt voor het Zorgprestatiemodel.
Het Zorginstituut selecteert de prestaties generalistische Basis-GGZ, ambulante dbc’s en de verblijfsdbc’s en zzp’s GGZ met verblijfsdagen in 2021 uit de gegevens bedoeld in het eerste lid, onderdeel b. Het Zorginstituut past een bewerking op de verblijfsdagen toe zodanig dat alleen de verblijfsdagen in 2021 meegenomen worden.
Het Zorginstituut selecteert de verblijfsdbc’s GGZ met verblijfsdagen in 2021 uit de gegevens bedoeld in het eerste lid, onderdeel c. Het Zorginstituut past een bewerking op de verblijfsdagen toe zodanig dat alleen de verblijfsdagen in 2021 meegenomen worden.
Het Zorginstituut selecteert de prestaties generalistische Basis-GGZ en ambulante dbc’s uit de gegevens bedoeld in het eerste lid, onderdeel f.
Het Zorginstituut koppelt met het gepseudonimiseerd burgerservicenummer de gegevens uit het tweede lid aan de gegevens uit het derde en vierde lid. Bij overlappende prestaties vervangt het Zorginstituut de behandelminuten door de behandelminuten uit de gegevens bedoeld in het vierde lid.
Het Zorginstituut selecteert de prestaties generalistische Basis-GGZ, ambulante dbc’s en de verblijfsdbc’s en zzp’s GGZ met verblijfsdagen in 2020 uit de gegevens bedoeld in het eerste lid, onderdeel c. Het Zorginstituut past een bewerking op de verblijfsdagen toe zodanig dat alleen de verblijfsdagen in 2020 meegenomen worden.
Het Zorginstituut selecteert de verblijfsdbc’s GGZ met verblijfsdagen in 2020 uit de gegevens bedoeld in het eerste lid, onderdeel d. Het Zorginstituut past een bewerking op de verblijfsdagen toe zodanig dat alleen de verblijfsdagen in 2020 meegenomen worden.
Het Zorginstituut selecteert de prestaties generalistische Basis-GGZ en ambulante dbc’s uit de gegevens bedoeld in het eerste lid, onderdeel g.
Het Zorginstituut koppelt met het gepseudonimiseerd burgerservicenummer de gegevens uit het zesde lid aan de gegevens uit het zevende en achtste lid. Bij overlappende prestaties vervangt het Zorginstituut de behandelminuten door de behandelminuten uit de gegevens bedoeld in het achtste lid.
Het Zorginstituut past bij de indeling van verzekerden in DKG_G-klassen de vertaaltabel, bedoeld in het eerste lid, onderdeel e, op de brongegevens in het eerste lid, onderdeel d, toe.
Het Zorginstituut koppelt de gegevens, bedoeld in het vijfde lid, met het gepseudonimiseerde burgerservicenummer aan het resultaat van het negende en tiende lid en aan het PKB 2022. Het Zorginstituut bepaalt daarmee en met inachtneming van Bijlage 5 van deze Beleidsregels, in welke DKG_G-klasse een verzekerde wordt ingedeeld. Het Zorginstituut stelt voor de toepasselijke klasse waarin de verzekerde valt de zwaarte op 1.
Het Zorginstituut past op de verzekerden die in het PKB 2022 voor het eerst voorkomen per DKG_G-klasse de gemiddelde prevalentie voor de betreffende klasse van de overige verzekerden in het PKB 2022 toe.
Vervolgens koppelt het Zorginstituut de verzekerden aan het PER 2023 en past hierop een sterftecorrectie toe, waarbij de verzekerden een zodanige zwaarte krijgen dat de relatieve prevalentie constant blijft.
Het Zorginstituut past op verzekerden die in het PER 2023 voor het eerst voorkomen per DKG_G-klasse de gemiddelde prevalentie van de overige verzekerden in het PER 2023 toe.
Als een verzekerde niet in een andere klasse dan ‘Geen DKG_G’ valt, deelt het Zorginstituut deze verzekerde in de klasse ‘Geen DKG_G’ in.
Het Zorginstituut herschaalt het geraamde aantal verzekerden voor het criterium DKG_G naar de macroverzekerdenraming.
Artikel 2.10. HKG_C
Het Zorginstituut baseert het geraamde aantal verzekerden per zorgverzekeraar voor het criterium HKG_C op:
- a. de indeling in HKG_C-klassen 2024 zoals weergegeven in het referentiebestand dat is opgenomen in Bijlage 6 van deze Beleidsregels; en
- b. de opgave per 1 juni 2022 van declaraties hulpmiddelen 2021 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer van de zorgverzekeraars aan het Zorginstituut.
Het Zorginstituut koppelt de gegevens, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, met het gepseudonimiseerde burgerservicenummer aan het PKB 2022 en bepaalt daarmee en met inachtneming van Bijlage 6 van deze Beleidsregels, in welke HKG_C-klassen een verzekerde wordt ingedeeld. Het Zorginstituut stelt voor de toepasselijke klassen waarin de verzekerde valt de zwaarte op 1.
Het Zorginstituut past per verzekerde per klasse van het criterium HKG_C de toepasselijke trendfactor toe. Het Zorginstituut vermenigvuldigt de zwaarte, bedoeld in het tweede lid, met de toepasselijke trendfactor.
Het Zorginstituut past op de verzekerden die in het PKB 2022 voor het eerst voorkomen per HKG_C-klasse de gemiddelde prevalentie van de overige verzekerden in het PKB 2022 toe.
Vervolgens koppelt het Zorginstituut de verzekerden aan het PER 2023 en past hierop een sterftecorrectie toe, waarbij de verzekerden een zodanige zwaarte krijgen dat de relatieve prevalentie constant blijft.
Het Zorginstituut past op verzekerden die in het PER 2023 voor het eerst voorkomen per HKG_C-klasse de gemiddelde prevalentie van de overige verzekerden in het PER 2023 toe.
Als een verzekerde niet in een andere klasse dan ‘Geen HKG_C’ valt, deelt het Zorginstituut deze verzekerde in de klasse ‘Geen HKG_C’ in.
Het Zorginstituut herschaalt het geraamde aantal verzekerden voor het criterium HKG_C naar de macroverzekerdenraming.
Het Zorginstituut past per verzekerde per klasse van het criterium HKG_C de toepasselijke COVID-correctiefactor toe.
Artikel 2.11. FDG_C
Het Zorginstituut baseert het geraamde aantal verzekerden per zorgverzekeraar voor het criterium FDG_C op:
- a. de indeling in FDG_C-klassen 2024 zoals weergegeven in het referentiebestand dat is opgenomen in Bijlage 7 van deze Beleidsregels;
- b. de opgave per 1 juni 2023 van declaraties fysiotherapie en oefentherapie 2022 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer van de zorgverzekeraars aan het Zorginstituut; en
- c. het PKB 2022.
Het Zorginstituut koppelt de gegevens, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b en c, met het gepseudonimiseerde burgerservicenummer aan het PER 2023 en bepaalt daarmee en met inachtneming van Bijlage 7 van deze Beleidsregels, in welke FDG_C-klasse een verzekerde wordt ingedeeld. Het Zorginstituut stelt voor de toepasselijke klasse waarin de verzekerde valt de zwaarte op 1.
Het Zorginstituut past per verzekerde per klasse van het criterium FDG_C de toepasselijke trendfactor toe. Het Zorginstituut vermenigvuldigt de zwaarte, bedoeld in het tweede lid, met de toepasselijke trendfactor.
Het Zorginstituut past op verzekerden die in het PER 2023 voor het eerst voorkomen per FDG_C-klasse de gemiddelde prevalentie van de overige verzekerden in het PER 2023 toe.
Als een verzekerde niet in een andere klasse dan ‘Geen FDG_C’ valt, deelt het Zorginstituut deze verzekerde in de klasse ‘Geen FDG_C’ in.
Het Zorginstituut herschaalt het geraamde aantal verzekerden voor het criterium FDG_C naar de macroverzekerdenraming.
Artikel 2.12. IBZ_C
Het Zorginstituut baseert het geraamde aantal verzekerden per zorgverzekeraar voor het criterium IBZ_C op:
- a. de indeling in IBZ_C-klassen 2024 zoals weergegeven in het referentiebestand dat is opgenomen in Bijlage 8 van deze Beleidsregels; en
- b. de opgave per 31 mei 2023 van kosten kraamzorg, kosten verloskundige zorg en kosten integrale geboortezorg 2020 en 2021 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer van Vektis aan het Zorginstituut.
Het Zorginstituut koppelt de gegevens, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, met het gepseudonimiseerde burgerservicenummer aan het PKB 2021 en bepaalt daarmee en met inachtneming van Bijlage 8 van deze Beleidsregels, in welke IBZ_C-klasse een verzekerde wordt ingedeeld. Het Zorginstituut stelt voor de toepasselijke klasse waarin de verzekerde valt de zwaarte op 1.
Vervolgens koppelt het Zorginstituut de verzekerden aan het PKB 2022 en past hierop een sterftecorrectie toe, waarbij de verzekerden een zodanige zwaarte krijgen dat de relatieve prevalentie constant blijft.
Het Zorginstituut past per verzekerde per klasse van het criterium IBZ_C de toepasselijke trendfactor toe. Het Zorginstituut past op de verzekerden die in het PKB 2022 voor het eerst voorkomen per IBZ_C-klasse de gemiddelde prevalentie voor de betreffende klasse van de overige verzekerden in het PKB 2022 toe.
Vervolgens koppelt het Zorginstituut de verzekerden aan het PER 2023 en past hierop een sterftecorrectie toe, waarbij de verzekerden een zodanige zwaarte krijgen dat de relatieve prevalentie constant blijft.
Het Zorginstituut past op verzekerden die in het PER 2023 voor het eerst voorkomen per IBZ_C-klasse de gemiddelde prevalentie van de overige verzekerden in het PER 2023 toe.
Als een verzekerde niet in een andere klasse dan ‘Geen IBZ_C’ valt, deelt het Zorginstituut deze verzekerde in de klasse ‘Geen IBZ_C’ in.
Het Zorginstituut herschaalt het geraamde aantal verzekerden in alle klassen van het criterium IBZ_C naar de macroverzekerdenraming.
Het Zorginstituut past per verzekerde per klasse van het criterium IBZ_C de toepasselijke correctiefactor toe.
Artikel 2.13. HSM_C
Het Zorginstituut baseert het geraamde aantal verzekerden per zorgverzekeraar voor het criterium HSM_C op:
- a. de indeling in HSM_C-klassen 2024 zoals weergegeven in het referentiebestand dat is opgenomen in Bijlage 9 van deze Beleidsregels; en
- b. de kenmerkindelingen in FKG_C, DKG_C, HKG_C, FDG_C, MHK_C, MVV_C voor vereveningsjaar 2021 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer zoals bepaald door het Zorginstituut ten behoeve van de eerste voorlopige vaststelling volgens Beleidsregels vereveningsbijdrage Zvw 2021.
Het Zorginstituut koppelt de gegevens, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, met het gepseudonimiseerde burgerservicenummer aan het PER 2023 en bepaalt daarmee en met inachtneming van Bijlage 9 van deze Beleidsregels, in welke HSM_C-klasse een verzekerde wordt ingedeeld. Het Zorginstituut stelt voor de toepasselijke klasse waarin de verzekerde valt de zwaarte op 1.
Het Zorginstituut past hierop een sterftecorrectie toe, waarbij de verzekerden een zodanige zwaarte krijgen dat de relatieve prevalentie constant blijft.
Het Zorginstituut past op de verzekerden die in het PER 2023 voor het eerst voorkomen per HSM_C-klasse de gemiddelde prevalentie van de overige verzekerden in het PER 2023 toe.
Als een verzekerde niet in een andere klasse dan ‘Geen HSM_C’ valt, deelt het Zorginstituut deze verzekerde in de klasse ‘Geen HSM_C’ in.
Het Zorginstituut herschaalt het geraamde aantal verzekerden voor het criterium HSM_C naar de macroverzekerdenraming.
Artikel 2.14. MHK_C
Het Zorginstituut baseert het geraamde aantal verzekerden per zorgverzekeraar voor het criterium MHK_C op:
- a. de indeling in MHK_C-klassen 2024 zoals weergegeven in het referentiebestand dat is opgenomen in Bijlage 10 van deze Beleidsregels;
- b. declaraties over 2019 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer voor het deelbedrag variabele zorgkosten exclusief declaraties verpleging en verzorging tot en met 31 december 2021, zoals zorgverzekeraars die op 1 mei 2022 bij het Zorginstituut hebben aangeleverd;
- c. declaraties over 2020 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer voor het deelbedrag variabele zorgkosten exclusief declaraties verpleging en verzorging tot en met 31 december 2022, zoals zorgverzekeraars die op 1 mei 2023 bij het Zorginstituut hebben aangeleverd;
- d. declaraties over 2021 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer voor het deelbedrag variabele zorgkosten exclusief declaraties verpleging en verzorging, zoals zorgverzekeraars die op 1 mei 2023 bij het Zorginstituut hebben aangeleverd; en
- e. het PKB 2019, PKB 2020 en PKB 2021.
Het Zorginstituut koppelt de gegevens, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b tot en met e, met het gepseudonimiseerde burgerservicenummer aan het PKB 2022 en bepaalt daarmee en met inachtneming van Bijlage 10 van deze Beleidsregels, in welke MHK_C-klasse een verzekerde wordt ingedeeld.
Het Zorginstituut past op de verzekerden die in het PKB 2022 voor het eerst voorkomen de relatieve prevalentie van verzekerden die voor het eerst voorkomen in het PKB 2020 toe.
Vervolgens koppelt het Zorginstituut de verzekerden aan het PER 2023. Op de verzekerden die in het PER 2023 voor het eerst voorkomen past het Zorginstituut de relatieve prevalentie van verzekerden die voor het eerst voorkomen in het PKB 2021 toe.
Vervolgens past het Zorginstituut een sterftecorrectie toe, waarbij de verzekerden een zodanige zwaarte krijgen dat de relatieve prevalentie constant blijft.
Als een verzekerde niet in een andere klasse dan ‘Geen MHK_C’ valt, deelt het Zorginstituut deze verzekerde in de klasse ‘Geen MHK_C’ in.
Het Zorginstituut herschaalt het geraamde aantal verzekerden voor het criterium MHK_C naar de macroverzekerdenraming en stemt de relatieve prevalentie van verzekerden die in Nederland wonen per klasse af op de Overall Toets 2024 waarbij de gegevens een jaar geactualiseerd zijn.
Artikel 2.15. MHK_G
Het Zorginstituut baseert het geraamde aantal verzekerden per zorgverzekeraar voor het criterium MHK_G op:
- a. de indeling in MHK_G-klassen 2024 zoals weergegeven in het referentiebestand dat is opgenomen in Bijlage 11 van deze Beleidsregels;
- b. declaraties over 2017 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer voor het deelbedrag kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg tot en met 31 december 2019, zoals zorgverzekeraars die op 1 mei 2020 bij het Zorginstituut hebben aangeleverd;
- c. declaraties over 2018 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer voor het deelbedrag kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg exclusief kosten voor langdurige geestelijke gezondheidszorg tot en met 31 december 2020, zoals zorgverzekeraars die op 1 mei 2021 bij het Zorginstituut hebben aangeleverd;
- d. declaraties over 2019 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer voor het deelbedrag kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg exclusief kosten voor langdurige geestelijke gezondheidszorg tot en met 31 december 2021, zoals zorgverzekeraars die op 1 mei 2022 bij het Zorginstituut hebben aangeleverd;
- e. declaraties over 2020 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer voor het deelbedrag kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg inclusief kosten voor langdurige geestelijke gezondheidszorg tot en met 31 december 2022, zoals zorgverzekeraars die op 1 mei 2023 bij het Zorginstituut hebben aangeleverd;
- f. declaraties over 2021 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer voor het deelbedrag kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg inclusief kosten voor langdurige geestelijke gezondheidszorg, zoals zorgverzekeraars die op 1 mei 2023 bij het Zorginstituut hebben aangeleverd; en
- g. het PKB 2017, PKB 2018, PKB 2019, PKB 2020 en PKB 2021.
Het Zorginstituut koppelt de gegevens, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b tot en met g, met het gepseudonimiseerde burgerservicenummer aan het PKB 2022 en bepaalt daarmee en met inachtneming van Bijlage 11 van deze Beleidsregels, in welke MHK_G-klasse een verzekerde wordt ingedeeld.
Het Zorginstituut past op de verzekerden die in het PKB 2022 voor het eerst voorkomen de relatieve prevalentie van verzekerden die voor het eerst voorkomen in het PKB 2020 toe.
Vervolgens koppelt het Zorginstituut de verzekerden aan het PER 2023. Op de verzekerden die in het PER 2023 voor het eerst voorkomen past het Zorginstituut de relatieve prevalentie van verzekerden die voor het eerst voorkomen in het PKB 2021 toe.
Vervolgens past het Zorginstituut een sterftecorrectie toe, waarbij de verzekerden een zodanige zwaarte krijgen dat de relatieve prevalentie constant blijft.
Als een verzekerde niet in een andere klasse dan ‘Geen MHK_G’ valt, deelt het Zorginstituut de verzekerde in de klasse ‘Geen MHK_G’ in.
Het Zorginstituut herschaalt het geraamde aantal verzekerden voor het criterium MHK_G naar de macroverzekerdenraming en stemt de relatieve prevalentie van verzekerden die in Nederland wonen per klasse af op de Overall Toets 2024.
Artikel 2.16. MVV_C
Het Zorginstituut baseert het geraamde aantal verzekerden per zorgverzekeraar voor het criterium MVV_C op:
- a. de indeling in MVV_C-klassen 2024 zoals weergegeven in het referentiebestand dat is opgenomen in Bijlage 12 van deze Beleidsregels;
- b. de leeftijd volgens het PKB 2022;
- c. de kosten volgens declaraties kosten verpleging en verzorging 2019 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer tot en met 31 december 2021, zoals zorgverzekeraars die op 1 mei 2022 bij het Zorginstituut hebben aangeleverd;
- d. de kosten volgens declaraties kosten verpleging en verzorging 2020 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer tot en met 31 december 2022, zoals zorgverzekeraars die op 1 mei 2023 bij het Zorginstituut hebben aangeleverd;
- e. de kosten volgens declaraties kosten verpleging en verzorging 2021 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer, zoals zorgverzekeraars die op 1 mei 2023 bij het Zorginstituut hebben aangeleverd;
- f. bewoners Wlz-instelling volgens Wlz-declaraties december 2021 en Wlz-declaraties december 2022; en
- g. het PKB 2019, PKB 2020 en PKB 2021.
Het Zorginstituut koppelt de gegevens, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b tot en met g, met het gepseudonimiseerde burgerservicenummer aan het PKB 2022 en bepaalt daarmee en met inachtneming van Bijlage 12 van deze Beleidsregels, in welke MVV_C-klasse een verzekerde wordt ingedeeld.
Het Zorginstituut past op de verzekerden die in het PKB 2022 voor het eerst voorkomen de relatieve prevalentie van verzekerden die voor het eerst voorkomen in het PKB 2020 toe.
Vervolgens koppelt het Zorginstituut de verzekerden aan het PER 2023. Op de verzekerden die in het PER 2023 voor het eerst voorkomen past het Zorginstituut de relatieve prevalentie van verzekerden die voor het eerst voorkomen in het PKB 2021 toe.
Vervolgens past het Zorginstituut een sterftecorrectie toe, waarbij de verzekerden een zodanige zwaarte krijgen dat de relatieve prevalentie constant blijft.
Als een verzekerde niet in een andere klasse dan ‘Geen MVV_C’ valt, deelt het Zorginstituut deze verzekerde in de klasse ‘Geen MVV_C’ in.
Het Zorginstituut herschaalt het geraamde aantal verzekerden voor het criterium MVV_C naar de macroverzekerdenraming en stemt de relatieve prevalentie voor verzekerden die in Nederland wonen per klasse af op de Overall Toets 2024 waarbij de gegevens een jaar geactualiseerd zijn.
Artikel 2.17. AVI
Het Zorginstituut baseert het geraamde aantal verzekerden per zorgverzekeraar voor het criterium AVI op:
- a. de indeling in AVI-klassen 2024 zoals weergegeven in het referentiebestand dat is opgenomen in Bijlage 13 van deze Beleidsregels;
- b. de leeftijd volgens het PKB 2022;
- c. de zelfstandigen volgens het zelfstandigenbestand 2023;
- d. de zelfstandigen volgens het zelfstandigenbestand 2022;
- e. de duurzaam en volledig arbeidsongeschikten, de overige arbeidsongeschikten, de bijstandsgerechtigden, de werklozen en de loontrekkers volgens het UWV-bestand met peildatum 30 juni 2022;
- f. de studenten en hoogopgeleiden volgens de opgave van DUO per gepseudonimiseerd burgerservicenummer met peildatum 1 juni 2022;
- g. het gepseudonimiseerde adres per gepseudonimiseerd burgerservicenummer in het belastingdienstbestand over 2022;
- h. het gepseudonimiseerde adres in het PKB 2022 in het geval een verzekerde niet is opgenomen in het belastingdienstbestand over 2022; en
- i. de historische indeling van AVI uit 2017 tot en met 2021.
Het Zorginstituut koppelt de gegevens, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b tot en met i, met het gepseudonimiseerde burgerservicenummer aan het PKB 2022 en bepaalt daarmee en met inachtneming van Bijlage 13 van deze Beleidsregels, in welke AVI-klasse een verzekerde wordt ingedeeld.
Vervolgens koppelt het Zorginstituut de verzekerden aan het PER 2023, waarbij de verzekerden een zodanige zwaarte krijgen dat de relatieve prevalentie constant blijft.
Het Zorginstituut herschaalt het geraamde aantal verzekerden voor het criterium AVI naar de macroverzekerdenraming, waarbij de verzekerden een zodanige zwaarte krijgen dat de relatieve prevalentie per AVI-klasse constant blijft.
Artikel 2.18. SES
Het Zorginstituut baseert het geraamde aantal verzekerden per zorgverzekeraar voor het criterium SES op:
- a. de indeling in SES-klassen 2024 zoals weergegeven in het referentiebestand dat is opgenomen in Bijlage 14 van deze Beleidsregels;
- b. de leeftijd volgens het PKB 2022;
- c. het inkomen volgens de opgave per gepseudonimiseerd burgerservicenummer in het belastingdienstbestand over 2020;
- d. het inkomen volgens de opgave per gepseudonimiseerd burgerservicenummer in het belastingdienstbestand over 2021 wanneer voor 2020 geen gegevens beschikbaar zijn;
- e. het gepseudonimiseerde adres per gepseudonimiseerd burgerservicenummer volgens het belastingdienstbestand over 2022;
- f. het gepseudonimiseerde adres per gepseudonimiseerd burgerservicenummer volgens het PKB 2022 wanneer een verzekerde niet is opgenomen in het belastingdienstbestand over 2022;
- g. bewoners Wlz-instelling volgens Wlz-declaraties december 2021 en Wlz-declaraties december 2022; en
- h. de indeling in DKG_G-klassen zoals beschreven in Artikel 2.9.
Het Zorginstituut koppelt de gegevens, bedoeld in het eerste lid onderdeel b tot en met h, met het gepseudonimiseerde burgerservicenummer aan het PKB 2022 en bepaalt daarmee en met inachtneming van Bijlage 14 van deze Beleidsregels, in welke SES-klasse een verzekerde wordt ingedeeld.
Vervolgens koppelt het Zorginstituut de verzekerden aan het PER 2023, waarbij de verzekerden een zodanige zwaarte krijgen dat de relatieve prevalentie constant blijft.
Het Zorginstituut herschaalt het geraamde aantal verzekerden voor het criterium SES naar de macroverzekerdenraming, waarbij de verzekerden een zodanige zwaarte krijgen dat de relatieve prevalentie per SES-klasse constant blijft.
Het Zorginstituut past een correctie toe vanwege de verruiming van de Wlz per 2021 voor verzekerden met een psychische stoornis.
Artikel 2.19. PPA
Het Zorginstituut baseert het geraamde aantal verzekerden per zorgverzekeraar voor het criterium PPA op:
- a. de indeling in PPA-klassen 2024 zoals weergegeven in het referentiebestand PPA dat is opgenomen in Bijlage 15 van deze Beleidsregels;
- b. de leeftijd volgens het PKB 2022;
- c. het gepseudonimiseerde adres per gepseudonimiseerd burgerservicenummer volgens het belastingdienstbestand over 2021;
- d. het gepseudonimiseerde adres per gepseudonimiseerd burgerservicenummer volgens het PKB 2021 wanneer een verzekerde niet is opgenomen in het belastingdienstbestand over 2021;
- e. het gepseudonimiseerde adres per gepseudonimiseerd burgerservicenummer volgens het belastingdienstbestand over 2022 wanneer een verzekerde ook niet is opgenomen in het PKB 2021;
- f. het gepseudonimiseerde adres per gepseudonimiseerd burgerservicenummer volgens het PKB 2022 wanneer een verzekerde ook niet is opgenomen in het belastingdienstbestand over 2022;
- g. bewoners Wlz-instelling blijvend volgens Wlz-declaraties december 2021; en
- h. bewoners Wlz-instelling instromend volgens Wlz-declaraties december 2022 en Wlz-declaraties december 2021.
Het Zorginstituut koppelt de gegevens, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b tot en met h, met het gepseudonimiseerde burgerservicenummer aan het PKB 2022 en bepaalt daarmee en met inachtneming van Bijlage 15 van deze Beleidsregels, in welke PPA-klasse een verzekerde wordt ingedeeld.
Vervolgens koppelt het Zorginstituut de verzekerden aan het PER 2023, waarbij de verzekerden een zodanige zwaarte krijgen dat de relatieve prevalentie constant blijft.
Het Zorginstituut herschaalt het geraamde aantal verzekerden voor het criterium PPA naar de macroverzekerdenraming, waarbij de verzekerden een zodanige zwaarte krijgen dat de relatieve prevalentie per klasse constant blijft.
Het Zorginstituut past een correctie toe vanwege de verruiming van de Wlz per 2021 voor verzekerden met een psychische stoornis.
Artikel 2.20. SEI
Het Zorginstituut baseert het geraamde aantal verzekerden per zorgverzekeraar voor het criterium SEI op het PER 2023.
Het Zorginstituut selecteert uit het PER 2023 de verzekerden die in het buitenland wonen.
Het Zorginstituut herschaalt het aantal verzekerden dat overblijft na toepassing van het tweede lid naar de macroverzekerdenraming.
Het Zorginstituut merkt op basis van het PKB 2022 en het PKB 2021 verzekerden als seizoenarbeider aan overeenkomstig de definitie in Artikel 1.1.
Het Zorginstituut bepaalt het aandeel seizoenarbeiders door het aantal seizoenarbeiders in 2022 uit het vierde lid te delen door het aantal verzekerden dat in het buitenland woont volgens het PKB 2022.
Het Zorginstituut bepaalt vervolgens het geraamde aantal seizoenarbeiders door het aandeel seizoenarbeiders toe te passen op het geraamde aantal verzekerden dat in het buitenland woont uit het derde lid.
Het Zorginstituut bepaalt het geraamde aantal overige verzekerden dat in het buitenland woont door het verschil te nemen tussen het geraamde aantal verzekerden dat in het buitenland woont uit het derde lid en het geraamde aantal seizoenarbeiders uit het zesde lid.
Artikel 2.21. REG_C
Het Zorginstituut baseert het geraamde aantal verzekerden per zorgverzekeraar voor het criterium REG_C op:
- a. de indeling in REG_C-klassen 2024 zoals weergegeven in het referentiebestand dat is opgenomen in Bijlage 16 van deze Beleidsregels; en
- b. de viercijferige postcode volgens het PER 2023.
Het Zorginstituut bepaalt op basis van het eerste lid in welke REG_C-klasse een verzekerde wordt ingedeeld.
Het Zorginstituut herschaalt het geraamde aantal verzekerden voor het criterium REG_C naar de macroverzekerdenraming.
Artikel 2.22. REG_G
Het Zorginstituut baseert het geraamde aantal verzekerden per zorgverzekeraar voor het criterium REG_G op:
- a. de indeling in REG_G-klassen 2024 zoals weergegeven in het referentiebestand dat is opgenomen in Bijlage 17 van deze Beleidsregels; en
- b. de viercijferige postcode volgens het PER 2023.
Het Zorginstituut bepaalt op basis van het eerste lid in welke REG_G-klasse een verzekerde wordt ingedeeld.
Het Zorginstituut herschaalt het geraamde aantal verzekerden voor het criterium REG_G naar de macroverzekerdenraming.
Artikel 2.23. Gewichten voor het deelbedrag variabele zorgkosten
Voor de verdeling van het macro-deelbedrag variabele zorgkosten gaat het Zorginstituut uit van de gewichten, bedoeld in bijlage 1 van de Rrv.
Voor de verdeling van het macro-deelbedrag variabele zorgkosten hanteert het Zorginstituut met inachtneming van artikel 6 van de Rrv voor verzekerden die in het buitenland wonen voor de volgende criteria de volgende gewichten als uitgangspunt:
- a. 75% van het gewicht van de FKG_C-klasse ‘Geen FKG_C’;
- b. 75% van het gewicht voor de DKG_C-klasse ‘Geen DKG_C’;
- c. 75% van het gewicht voor de HKG_C-klasse ‘Geen HKG_C’; en
- d. 90% van het gewicht voor de FDG_C-klasse ‘Geen FDG_C’.
Het Zorginstituut rondt de gewichten, bedoeld in het tweede lid, af op twee decimalen.
Artikel 2.24. De verdeling van het macro-deelbedrag variabele zorgkosten en de berekening van het deelbedrag variabele zorgkosten
Het Zorginstituut vermenigvuldigt per zorgverzekeraar, per criterium voor de criteria L5G, FKG_C, DKG_C, HKG_C, FDG_C, IBZ_C, HSM_C, MHK_C, MVV_C, AVI, SES, PPA, SEI en REG_C de gewichten, bedoeld in Artikel 2.23, per klasse met het geraamde aantal verzekerden in de overeenkomstige klasse.
Het Zorginstituut sommeert de op grond van het eerste lid berekende producten per zorgverzekeraar.
Het resultaat na toepassing van het tweede lid wordt aangeduid als het deelbedrag variabele zorgkosten 2024.
Artikel 2.25. De verdeling van het macro-deelbedrag vaste zorgkosten en de berekening van het deelbedrag vaste zorgkosten
Op grond van artikel 3.5 van het Bzv berekent het Zorginstituut het gewicht vaste zorgkosten 2024 door het macro-deelbedrag vaste zorgkosten te delen door het landelijk totaal van het aantal geraamde verzekerden 2024 en het resultaat af te ronden op twee decimalen.
Het Zorginstituut vermenigvuldigt per zorgverzekeraar het geraamde aantal verzekerden 2024 met het gewicht vaste zorgkosten 2024, zoals berekend in het eerste lid.
Het resultaat na toepassing van het tweede lid wordt aangeduid als het deelbedrag vaste zorgkosten 2024.
Artikel 2.26. Gewichten voor het deelbedrag kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg
Voor de verdeling van het macro-deelbedrag kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg gaat het Zorginstituut uit van de gewichten, bedoeld in bijlage 3 van de Rrv.
Voor de verdeling van het macro-deelbedrag kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg hanteert het Zorginstituut met inachtneming van artikel 6 van de Rrv voor verzekerden die in het buitenland wonen voor de volgende criteria de volgende gewichten als uitgangspunt:
- a. 65% van het gewicht voor de FKG_G-klasse ‘Geen FKG_G’; en
- b. 40% van het gewicht voor de DKG_G-klasse ‘Geen DKG_G’.
Het Zorginstituut rondt de gewichten, bedoeld in het tweede lid, af op twee decimalen.
Artikel 2.27. De verdeling van het macro-deelbedrag kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg en de berekening van het deelbedrag kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg
Het Zorginstituut vermenigvuldigt per zorgverzekeraar, per criterium voor de criteria L5G, FKG_G, DKG_G, MHK_G, AVI, SES, PPA, SEI en REG_G de gewichten, bedoeld in Artikel 2.26, per klasse met het geraamde aantal verzekerden in de overeenkomstige klasse.
Het Zorginstituut sommeert de op grond van het eerste lid berekende producten per zorgverzekeraar.
Het resultaat na toepassing van het tweede lid wordt aangeduid als het deelbedrag kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg 2024.
Artikel 2.28. Gewichten en forfaitair bedrag voor de opbrengst van het eigen risico
Voor de berekening van de normatieve opbrengst van het eigen risico voor verzekerden die zijn ingedeeld in de klassen ‘Geen FKG_C’, ‘Geen DKG_C’, ‘Geen HKG_C’, ‘Geen FDG_C’, en ‘Geen MVV_C’ en niet zijn ingedeeld bij de MHK_C-klasse ‘2 voorafgaande jaren variabele zorgkosten in top 10 procent’ of hoger, gaat het Zorginstituut uit van de gewichten, bedoeld in bijlage 5 van de Rrv.
Voor de berekening van de normatieve opbrengst van het eigen risico voor verzekerden die niet bedoeld zijn in het eerste lid, hanteert het Zorginstituut de geraamde opbrengst per verzekerde, bedoeld in artikel 8, vierde lid, van de Rrv.
Artikel 2.29. De berekening van de normatieve opbrengst van het eigen risico
Het Zorginstituut vermenigvuldigt per zorgverzekeraar, per criterium voor de criteria L5G, MHK_C, AVI, SEI en REG_C de gewichten, bedoeld in Artikel 2.28, per klasse met het geraamde aantal verzekerden in de overeenkomstige klasse.
Het Zorginstituut sommeert de op grond van het eerste lid berekende producten per zorgverzekeraar.
Het Zorginstituut vermenigvuldigt per zorgverzekeraar de geraamde opbrengst per verzekerde met de verzekerden van achttien jaar of ouder die niet bedoeld zijn in Artikel 2.28, eerste lid. De uitkomsten worden per zorgverzekeraar gesommeerd en toegevoegd aan het resultaat na toepassing van het tweede lid.
Voor de toepassing van artikel 8, eerste lid, van de Rrv, vermindert het Zorginstituut per zorgverzekeraar de uitkomst van het derde lid met de detentiefactor van 0,06185 procent.
Het resultaat na toepassing van het vierde lid wordt aangeduid als normatieve opbrengst van het eigen risico 2024.
Artikel 2.30. De berekening van het normatieve bedrag en de berekening en toekenning van de vereveningsbijdrage
Het Zorginstituut berekent het normatieve bedrag 2024 van een zorgverzekeraar als de som van het deelbedrag variabele zorgkosten 2024, het deelbedrag vaste zorgkosten 2024 en het deelbedrag kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg 2024.
Het Zorginstituut berekent de opbrengst van de nominale rekenpremie 2024 per zorgverzekeraar door de geraamde aantallen verzekerden van achttien jaar of ouder 2024 per zorgverzekeraar te vermenigvuldigen met de nominale rekenpremie 2024.
Voor de toepassing van artikel 7, derde lid, van de Rrv, vermindert het Zorginstituut het resultaat na toepassing van het tweede lid met de detentiefactor van 0,06185 procent.
Het Zorginstituut berekent de vereveningsbijdrage 2024 voor een zorgverzekeraar door op het normatieve bedrag 2024, bedoeld in het eerste lid, de normatieve opbrengst van het eigen risico 2024 zoals bepaald in Artikel 2.29, vijfde lid, en de op grond van het tweede en derde lid berekende opbrengst van de nominale rekenpremie 2024 in mindering te brengen.
Het Zorginstituut berekent per zorgverzekeraar de uitkering voor uitvoeringskosten van verzekerden jonger dan achttien jaar 2024. De hoogte van deze uitkering is het product van het aantal geraamde verzekerden jonger dan achttien jaar en het bedrag in artikel 20 van de Rrv.
Het Zorginstituut kent aan de zorgverzekeraar de som van de vereveningsbijdrage 2024 en de uitkering voor de uitvoeringskosten toe.
3. Hoofdstuk III De herberekening van de toegekende bijdrage (lenteherberekening)
Artikel 3.1. Herberekeningen als gevolg van splitsing van de zorgverzekeraar
Indien een zorgverzekeraar na de toekenning van de vereveningsbijdrage 2024 besluit zich te splitsen, verzoekt het Zorginstituut de zorgverzekeraar om mee te delen hoe naar zijn verwachting de geraamde verzekerdenaantallen 2024 verdeeld zullen worden, over nieuwe dan wel bestaande zorgverzekeraars als gevolg van de splitsing.
Het Zorginstituut kan de toegekende vereveningsbijdrage herzien en bijdragen aan nieuwe dan wel bestaande zorgverzekeraars toekennen, rekening houdend met de meegedeelde geraamde verzekerdenaantallen en het tijdstip waarop de splitsing wordt gerealiseerd.
Artikel 3.2. De herberekening en herziening van de toegekende bijdrage 2024
Het Zorginstituut baseert de herberekening van de vereveningsbijdrage op de verzekerdenaantallen 2024 volgens de opgaven van de zorgverzekeraars aan het Zorginstituut op 7 maart 2024.
Het Zorginstituut herberekent de vereveningsbijdrage 2024, zoals toegekend op grond van Artikel 2.30, zesde lid, per zorgverzekeraar en betrekt daarbij de verzekerden die, volgens opgave van Vektis, op peildatum 15 februari 2024 zijn ingeschreven bij die zorgverzekeraar.
Het Zorginstituut voert de herberekening van de toegekende vereveningsbijdrage 2024 als volgt uit: Het Zorginstituut deelt per zorgverzekeraar het totaal aantal verzekerden uit de opgaven, bedoeld in het eerste lid, door het geraamde totaal aantal verzekerden 2024 uit het tweede lid en vermenigvuldigt per zorgverzekeraar de uitkomst hiervan met de op grond van het tweede lid herberekende vereveningsbijdrage 2024.
Het Zorginstituut herziet de op grond van Artikel 2.30, zesde lid, toegekende vereveningsbijdrage 2024 overeenkomstig de herberekening bedoeld in het derde lid.
4. Hoofdstuk IV De eerste voorlopige vaststelling van de vereveningsbijdrage voor een zorgverzekeraar
Artikel 4.1. Algemene bepaling verzekerdenaantallen
Het Zorginstituut voert de correcties door die de Nederlandse Zorgautoriteit heeft toegepast over 2024 bij de vaststelling van de verzekerdenaantallen 2024.
Het Zorginstituut bepaalt de verzekerdenaantallen 2024 met inachtneming van het bepaalde in dit artikel en met inachtneming van Artikel 2.2, 2.3 en 2.4.
Het Zorginstituut baseert de bepaling van de verzekerdenaantallen per zorgverzekeraar op het PKB 2024.
Het Zorginstituut deelt verzekerden zonder burgerservicenummer en verzekerden zonder geverifieerd burgerservicenummer uitsluitend in bij de criteria L5G, REG_C en REG_G.
Wanneer een verzekerde tegelijkertijd bij meer dan één zorgverzekeraar is ingeschreven, past het Zorginstituut artikel 10 van de Rrv toe.
Het Zorginstituut past het bepaalde in het eerste tot en met vijfde lid toe bij Artikel 4.21, Artikel 4.22, Artikel 4.24, Artikel 4.25 en Artikel 5.2.
Artikel 4.2. L5G
Het Zorginstituut baseert het aantal verzekerden per zorgverzekeraar voor het criterium L5G op:
- a. de indeling in L5G-klassen 2024 zoals weergegeven in het referentiebestand dat is opgenomen in Bijlage 1 van deze Beleidsregels; en
- b. het PKB 2024.
Het Zorginstituut bepaalt op basis van het eerste lid in welke L5G-klasse een verzekerde wordt ingedeeld.
Artikel 4.3. FKG_C
Het Zorginstituut baseert het aantal verzekerden per zorgverzekeraar voor het criterium FKG_C op:
- a. de indeling in FKG_C-klassen 2024 zoals weergegeven in het referentiebestand dat is opgenomen in Bijlage 2 van deze Beleidsregels;
- b. de opgave per 1 juni 2024 van declaraties farmaceutische hulp 2023 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer van de zorgverzekeraars aan het Zorginstituut; en
- c. de opgave per 1 juni 2025 van declaraties add-ons duur- of weesgeneesmiddel 2023 van de zorgverzekeraars aan het Zorginstituut.
Het Zorginstituut koppelt de gegevens, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b en c, met het gepseudonimiseerde burgerservicenummer aan het PKB 2024 en bepaalt daarmee en met inachtneming van Bijlage 2 van deze Beleidsregels, in welke FKG_C-klassen een verzekerde wordt ingedeeld.
Als een verzekerde niet in een andere klasse dan ‘Geen FKG_C’ valt, deelt het Zorginstituut deze verzekerde in de klasse ‘Geen FKG_C’ in.
Artikel 4.4. FKG_G
Het Zorginstituut baseert het aantal verzekerden per zorgverzekeraar voor het criterium FKG_G op:
- a. de indeling in FKG_G-klassen 2024 zoals weergegeven in het referentiebestand dat is opgenomen in Bijlage 3 van deze Beleidsregels; en
- b. de opgave per 1 juni 2024 van declaraties farmaceutische hulp 2023 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer van de zorgverzekeraars aan het Zorginstituut.
Het Zorginstituut koppelt de gegevens, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, met het gepseudonimiseerde burgerservicenummer aan het PKB 2024 en bepaalt daarmee en met inachtneming van Bijlage 3 van deze Beleidsregels, in welke FKG_G-klassen een verzekerde wordt ingedeeld.
Als een verzekerde niet in een andere klasse dan ‘Geen FKG_G’ valt, deelt het Zorginstituut deze verzekerde in de klasse ‘Geen FKG_G’ in.
Artikel 4.5. DKG_C
Het Zorginstituut baseert het aantal verzekerden per zorgverzekeraar voor het criterium DKG_C op:
- a. de indeling in DKG_C-klassen 2024 zoals weergegeven in het referentiebestand dat is opgenomen in Bijlage 4 van deze Beleidsregels; en
- b. de opgave van de zorgverzekeraar per 1 juni 2025 aan het Zorginstituut van de declaraties per gepseudonimiseerd burgerservicenummer van dbc’s die in 2023 geopend zijn;
Het Zorginstituut koppelt de gegevens, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, met het gepseudonimiseerde burgerservicenummer aan het PKB 2024 en bepaalt daarmee en met inachtneming van Bijlage 4 van deze Beleidsregels, in welke DKG_C-klassen een verzekerde wordt ingedeeld.
Als een verzekerde niet in een andere klasse dan ‘Geen DKG_C’ is ingedeeld, deelt het Zorginstituut deze verzekerde in de klasse ‘Geen DKG_C’ in.
Artikel 4.6. DKG_G
Het Zorginstituut baseert het aantal verzekerden per zorgverzekeraar voor het criterium DKG_G op:
- a. de indeling in DKG_G-klassen 2024 zoals weergegeven in het referentiebestand dat is opgenomen in Bijlage 5 van deze Beleidsregels;
- b. de opgave van de zorgverzekeraar per 1 juni 2025 aan het Zorginstituut van de declaraties per gepseudonimiseerd burgerservicenummer van alle GGZ-prestaties in 2023;
- c. de opgave van de zorgverzekeraar per 1 juni 2024 aan het Zorginstituut van de declaraties per gepseudonimiseerd burgerservicenummer van alle GGZ-prestaties in 2022;
- d. de opgave van de zorgverzekeraar per 1 juni 2023 aan het Zorginstituut van de declaraties per gepseudonimiseerd burgerservicenummer van alle dbc’s GGZ die in 2021 geopend zijn; en
- e. de raming van de NZa van de directe en indirecte behandelminuten per prestatie onder het Zorgprestatiemodel, zoals vastgelegd in de Verantwoording tarieven Zorgprestatiemodel.
Het Zorginstituut bepaalt een ophoogfactor per prestatie met de gegevens, bedoeld in het eerste lid, onderdeel e, door de som van de directe en indirecte behandelminuten te delen door het aantal directe behandelminuten.
Het Zorginstituut past op de gegevens, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b en c, per prestatie de toepasselijke ophoogfactor toe op het aantal gedeclareerde behandelminuten.
Het Zorginstituut koppelt de gegevens, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b tot en met d, na toepassing van het derde lid, met het gepseudonimiseerde burgerservicenummer aan het PKB 2024. Het Zorginstituut bepaalt daarmee en met inachtneming van Bijlage 5 van deze Beleidsregels, in welke DKG_G-klasse een verzekerde wordt ingedeeld.
Als een verzekerde niet in een andere klasse dan ‘Geen DKG_G’ valt, deelt het Zorginstituut deze verzekerde in de klasse ‘Geen DKG_G’ in.
Artikel 4.7. HKG_C
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)