Beleidsregel Informatieverstrekking

Type ZBO-regeling
Publication 2024-09-30
State In force
Source BWB
artikelen 1
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Inleiding

In de Beleidsregel Informatieverstrekking (hierna: de Beleidsregel) vindt u een bundeling van de interpretaties van de Autoriteit Financiële Markten (AFM) met betrekking tot informatieverstrekking. Deze interpretaties door de AFM zijn in de afgelopen jaren in projecten, formele besluiten en informele normoverdracht tot stand gekomen. De interpretaties zijn gedaan op basis van de Wet op het financieel toezicht (Wft) (met name Deel 4), de Pensioenwet (Pw), de Wet oneerlijke handelspraktijken (Wohp) en onderliggende regelgeving van de Wft zoals het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft (BGfo), de Nadere regeling gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft (Nrgfo) en relevante Europese regelgeving, zoals de Prospectusverordening. De beleidsregel moet altijd worden gezien in het licht van de geldende wet- en regelgeving welke leidend is. Deze beleidsregel is openbaar geconsulteerd.

Als we het in deze Beleidsregel hebben over ‘we/wij’ dan bedoelen we daar de AFM mee. Hebben we het over ‘u’ dan bedoelen we daarmee financiële ondernemingen en uitgevende instellingen of pensioenuitvoerders. Dit kunnen onder toezicht staande en niet onder toezicht staande ondernemingen zijn. Als we het in de Beleidsregel hebben over ‘product’, dan bedoelen we hiermee ook ‘dienst’. Als we het hebben over ‘consument’, dan bedoelen we hiermee ook ‘cliënt’ en ‘klant’.

In de regelgeving zijn door de wetgever open en gesloten normen opgenomen. Open normen zijn normen die een globaal geformuleerd doel bevatten en die aan marktpartijen de ruimte laten om zelf te bepalen op welke wijze het doel wordt gerealiseerd of aan de gedragsvoorschriften wordt voldaan. Een voorbeeld van een open norm is dat informatie aan consumenten duidelijk moet zijn. Gesloten normen zijn normen waarin heel precies is aangegeven wat een marktpartij wel of niet mag. Een voorbeeld van een gesloten norm is de verplichting om in reclame-uitingen over krediet een kredietwaarschuwing op te nemen.

Het doel van de Beleidsregel is om het beleid van de AFM op dit onderwerp voor marktpartijen inzichtelijk en toegankelijk te maken. De interpretaties gaan vooral over de open normen. Wij willen u inzicht geven in de manier waarop de AFM omgaat met deze open normen in haar toezicht. De AFM wil een oriëntatiepunt zijn voor marktpartijen, ook als het gaat om open normen.

Alle interpretaties in dit document zijn in het verleden met één of meerdere financiële ondernemingen gedeeld. Aangezien wij transparant en voorspelbaar willen zijn, hebben wij deze interpretaties verzameld en voor u gebundeld. U kunt dit document gebruiken als referentiekader voor uw informatieverstrekking. In de praktijk maken wij altijd een casusspecifieke beoordeling.

Het document is zo opgebouwd dat u stapsgewijs inzicht krijgt in de interpretaties die de AFM heeft gedaan. Deze kunnen betrekking hebben op verschillende producten. In de inhoudsopgave vindt u de vragen die we beantwoorden en de wetsartikelen die aan deze vragen zijn gekoppeld. Door middel van hyperlinks kunt u eenvoudig door dit document navigeren.

De AFM houdt in haar toezicht rekening met inzichten vanuit de gedragswetenschappen. Vanuit de gedragswetenschappen weten we immers dat consumenten niet alleen op basis van informatie beslissen. Ze worden bijvoorbeeld beïnvloed door de wijze waarop een keuze en informatie daarover worden gepresenteerd; onder andere wanneer ze online een financieel product afsluiten. Bij financiële beslissingen kan dit betekenen dat consumenten een minder goede keuze maken dan voor hen optimaal zou zijn. De AFM houdt hier in haar toezicht in brede zin rekening mee, om zo beter aan te sluiten bij het daadwerkelijke gedrag van consumenten. We bekijken bijvoorbeeld of er op een negatieve manier wordt ingespeeld op psychologische mechanismen in de keuzeomgeving van consumenten. Daarnaast stimuleren we financiële ondernemingen om gedragswetenschappelijke inzichten op een positieve manier in te zetten en te zoeken naar effectieve interventies. U kunt hier meer over lezen via Consumentengedrag (afm.nl).

Mocht u na het lezen van dit document vragen hebben, dan kunt u deze aan de AFM stellen via vragen.informatieverstrekking@afm.nl.

De Beleidsregel Informatieverstrekking is een beleidsregel als bedoeld in artikel 1:3, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De bevoegdheid van de AFM tot het vaststellen van de Beleidsregel is gebaseerd op artikel 4:81, eerste lid, Awb.

De Stichting Autoriteit Financiële Markten besluit na openbare consultatie tot het navolgende:

1. Reclame-uitingen – artikel 1:1 Wft

Voor reclame-uitingen voor financiële producten gelden wettelijke vereisten. Deze kunnen afwijken van de vereisten die gelden voor andere uitingen. Hieronder kunt u lezen wanneer er sprake is van een reclame-uiting en of alle reclame-uitingen aan de vereisten moeten voldoen.

In de Wft staat dat een reclame-uiting iedere vorm van informatieverstrekking is die dient ter aanprijzing van of een wervend karakter kent ter zake van een bepaalde financiële dienst of een bepaald financieel product (artikel 1:1 Wft). Een uiting is wervend of aanprijzend als sprake is van een selectieve weergave van met name de positieve kenmerken van een financieel product. Dat naast positieve ook negatieve kenmerken worden genoemd, maakt dat niet anders.

Het begrip reclame-uiting is in de Wft ruim gedefinieerd. De AFM legt dit begrip daarom ook ruim uit. Het gaat er om of de informatie de lezer probeert over te halen om een aankoop te doen.

Om te kunnen bepalen of een uiting een reclame-uiting is volgens de Wft, staat hieronder een aantal vragen. Wanneer u één of meerdere vragen met ‘ja’ beantwoordt, is de kans groot dat het om een reclame-uiting gaat.

Of er sprake is van een reclame-uiting hangt af van de informatie die over het product wordt gegeven. Het medium en/of middel waarmee de informatie wordt gegeven is van ondergeschikt belang. Ook bijvoorbeeld berichten via apps, berichten op sociale media en interviews op de radio of podcasts kunnen in bepaalde gevallen worden aangemerkt als reclame-uiting. Ook iedere afzonderlijke webpagina (niet alleen de startpagina) kan een reclame-uiting zijn, wanneer die wervende of aanprijzende teksten over een product bevat. Dat betekent dat iedere afzonderlijke webpagina die een reclame-uiting is, zelfstandig aan de vereisten voor reclame-uitingen moet voldoen. Het opnemen van een link naar een ander document dat wel aan deze vereisten voldoet, is niet voldoende.

Informatie die uitsluitend is bedoeld om naamsbekendheid van uw onderneming te bereiken of te vergroten, zoals shirt- of gevelreclame (waarbij u alleen uw bedrijfsnaam met eventueel uw slogan noemt), of bedoeld is om enkel een feitelijke mededeling te doen, zoals een adreswijziging, is geen reclame-uiting in de zin van de Wft.

Andere voorbeelden van uitingen die in principe geen reclame-uiting zijn, zijn de Europese standaardinformatie voor krediet, de vergelijkingskaart, het prospectus of een jaarverslag.

Zodra een uiting een reclame-uiting is, moet deze uiting zelfstandig aan de wettelijke vereisten voldoen die van toepassing zijn op die uiting. Het is niet voldoende om te verwijzen naar een ander document of de consument de mogelijkheid te geven om door te klikken naar aanvullende informatie. Dit betekent bijvoorbeeld dat banners en gesponsorde koppelingen bij Google zelfstandig aan de wettelijke vereisten moeten voldoen, zoals het verplicht opnemen van de kredietwaarschuwing in het geval van een reclame-uiting voor krediet.

Wanneer een reclame-uiting bestaat uit twee verschillende delen, dan zijn dit zelfstandige reclame-uitingen. Een voorbeeld hiervan is een televisiecommercial die bestaat uit twee delen die worden gescheiden door andere reclames binnen één reclameblok. Dit betekent dat per deel gekeken moet worden of er sprake is van een reclame-uiting. Voor iedere reclame-uiting gelden dan de vereisten voor een reclame-uiting.

Nee, een reclame-uiting hoeft niet alle relevante kenmerken van een product te bevatten. Artikel 4:20 Wft stelt dat de financiële onderneming, voorafgaand aan een overeenkomst, informatie verstrekt aan consumenten die alle relevante kenmerken van het product moet bevatten. Hierin wordt niet gesteld dat elke informatiedrager zelfstandig aan deze regels dient te voldoen. Een reclame-uiting moet echter wel een juist beeld van het product geven en een consument niet op het verkeerde been zetten. Dit wordt nader uitgelegd in paragraaf 2.2 bij de vraag ‘Wanneer is wervende en aanprijzende informatie niet duidelijk en/of misleidend?’ en in paragraaf 6.2.

Ook als een uiting zich uitsluitend richt tot bestaande consumenten kan het nog steeds om een reclame-uiting gaan.

2. Correct, duidelijk en niet misleidend – artikel 4:19, tweede lid, Wft

In het tweede lid van artikel 4:19 Wft staat dat door een financiële onderneming verstrekte informatie correct, duidelijk en niet misleidend moet zijn. Vaak is de scheidslijn tussen niet-correcte, niet-duidelijke en misleidende informatie niet gemakkelijk te trekken, er kan overlap zijn. Hieronder geven wij nadere uitleg over wat wij onder correcte, duidelijke en niet-misleidende informatie verstaan.

Wij benadrukken dat de kwalificatie van informatie als niet-correct, niet-duidelijk of als misleidend geen verschil maakt voor de vraag of artikel 4:19, tweede lid, Wft is overtreden. Aan alle drie de eisen (correct, duidelijk en niet misleidend) moet de informatieverstrekking zelfstandig voldoen.

2.1. Correcte informatie

Bij de beoordeling of de informatie correct is, kijken wij in ieder geval of:

2.2. Duidelijke en niet-misleidende informatie

Wij kijken of informatie eenvoudig inzicht geeft in de relevante kenmerken van het product en of de informatie de consument niet op het verkeerde been zet. Dit betekent dat de informatie in ieder geval vindbaar, begrijpelijk en evenwichtig moet zijn voor de doelgroep.

Immers, een consument die een vraag heeft en de daarvoor benodigde relevante informatie niet kan vinden, kan zijn vraag niet beantwoorden. Als hij de relevante informatie wél gevonden heeft, dan moet hij deze ook kunnen begrijpen. In de beoordeling of er sprake is van duidelijke of niet-misleidende informatie kunnen wij een consumentenonderzoek van de onderneming in kwestie op positieve wijze meenemen. Hieruit moet dan volgen dat het percentage consumenten dat het antwoord op zijn vraag kan vinden en vervolgens ook kan begrijpen, op een voldoende niveau ligt. Dit kan een consumentenonderzoek zijn dat wij uitvoeren of laten uitvoeren, maar dit kan ook een consumentenonderzoek zijn dat uitgevoerd is of wordt door u.

Als een onderneming wervende of aanprijzende informatie verstrekt over een product, moet de informatie een juist beeld van het product geven en mag de informatie de consument niet op het verkeerde been zetten. Om een juist beeld van een product te geven moet u in ieder geval ook informatie geven over de (beperkende) voorwaarden of risico’s die verband houden met de kenmerken die worden benoemd in de informatie. Daarnaast moeten niet-marktconforme kenmerken van het product nagenoeg altijd worden vermeld.

Ook moet u alle redelijkerwijs relevante informatie geven over het kenmerk waarmee u adverteert. Bijvoorbeeld als er gesproken wordt over een fiscale aftrek bij een lijfrenteproduct, dan moet ook worden vermeld dat de consument op een later moment alsnog belasting moet betalen. In paragraaf 2.3 behandelen we meer voorbeelden.

2.2.1. Wanneer is informatie vindbaar?

De vindbaarheid van informatie hangt af van de structuur van de informatiedragers. Het is van belang dat de informatiedragers goed gestructureerd/gelaagd zijn. De gekozen structuur (paragrafen, kopteksten) moet goed aansluiten bij de behoefte van de lezer. Ook moeten informatiedragers onderling een duidelijke samenhang vertonen. De consument moet gemakkelijk zijn weg vinden in de verstrekte informatie. Het gaat hierbij dus niet om de beschikbaarheid van informatie, maar om de vindbaarheid van informatie binnen een website, binnen een document of binnen een pakket aan documenten. Consumentenonderzoek is een goed hulpmiddel om te bepalen of informatie vindbaar is voor de doelgroep.

Bij de beoordeling of de informatie vindbaar is, kijken wij in ieder geval of:

2.2.2. Wanneer is informatie begrijpelijk?

Bij de beoordeling of de informatie begrijpelijk is, kijken wij in ieder geval of:

Consumentenonderzoek is een goed hulpmiddel om te bepalen of informatie begrijpelijk is voor de doelgroep.

2.2.3. Wanneer is informatie evenwichtig?

Evenwichtige informatie:

2.3. Wat zijn voorbeelden van niet-duidelijke en/of misleidende informatie?

Informatie is misleidend als de lezer op het verkeerde been wordt gezet. Dit is overigens niet beperkt tot tekstuele informatie; ook afbeeldingen en grafieken en dergelijke kunnen niet-duidelijk en/of misleidend zijn. Ook door de presentatie van de informatie mag de consument niet op een misleidende wijze worden beïnvloed in zijn beslissing. Of sprake is van niet-duidelijke informatie of van misleiding, hangt af van de specifieke casus. Het is hierbij niet van belang of de opsteller van de informatie bewust of onbewust de consument misleidt. Voorbeelden van niet-duidelijke en/of misleidende informatie zijn hieronder opgenomen:

2.4. Door wie wordt de informatie verstrekt of beschikbaar gesteld?

In het tweede lid van artikel 4:19 Wft staat dat ‘door’ een financiële onderneming verstrekte of beschikbaar gestelde informatie, waaronder reclame-uitingen, correct, duidelijk en niet misleidend moet zijn.

Met de opkomst van adverteren via een blog, podcast, socialemediakanalen of website van een derde, ook wel ‘affiliate marketing’ genoemd, is het belangrijk om duiding te hebben wanneer er sprake is van ‘door’ een financiële onderneming verstrekte of beschikbaar gestelde informatie. Het is immers belangrijk om duidelijk te hebben of een overtreding van artikel 4:19, tweede lid, Wft, kan worden toegerekend aan de financiële onderneming.

Er is sprake van ‘door een financiële onderneming verstrekte of beschikbaar gestelde informatie’ als de informatie zelf door de financiële onderneming wordt verstrekt of beschikbaar wordt gesteld of als de informatie in opdracht van de financiële onderneming wordt verstrekt of beschikbaar wordt gesteld.

Om te kunnen bepalen of informatie in opdracht is verstrekt of in opdracht beschikbaar is gesteld, kijken wij bijvoorbeeld naar de volgende elementen en zullen deze elementen altijd in samenhang worden bezien:

3. Geen afbreuk doen aan – artikel 4:19, eerste lid, Wft

In de Wft staat dat een financiële onderneming ervoor moet zorgen dat verstrekte of beschikbaar gestelde informatie over een financieel product, financiële dienst of nevendienst, waaronder reclame-uitingen, geen afbreuk mag doen aan ingevolge deze wet te verstrekken of beschikbaar te stellen informatie. Dit staat in artikel 4:19, eerste lid, Wft.

Een voorbeeld van informatie die afbreuk doet aan verplicht te verstrekken informatie: als een risico-indicator weergeeft dat het risico van een product zeer groot is, terwijl in de reclame-uiting over hetzelfde product staat dat het risico ‘relatief laag’ is, dan doet dit afbreuk aan de risico-indicator.

4. Relevante kenmerken – artikel 4:20 Wft

In de Wft staat dat u consumenten, voorafgaand aan het aangaan van een overeenkomst, over een financieel product informatie moet verstrekken die redelijkerwijs relevant is voor een adequate beoordeling van dat product (artikel 4:20, eerste lid, Wft). Deze informatie noemen wij de relevante kenmerken van het product. Wat een relevant kenmerk is en wat wij in ieder geval zien als relevante kenmerken voor verschillende producten beschrijven wij hieronder. Niet voor alle producten heeft de AFM interpretaties gedaan, vandaar dat wij niet voor alle producten hebben bepaald wat de relevante kenmerken zijn. Ook betreffen de genoemde relevante kenmerken geen limitatieve opsomming. U kunt dit hoofdstuk gebruiken om voor vergelijkbare producten de relevante kenmerken te bepalen. De persoonlijke lening (hierover hebben wij geen interpretaties opgenomen) kent bijvoorbeeld overeenkomsten met het doorlopend krediet, waardoor de relevante kenmerken van deze producten logischerwijs overlap zullen kennen.

Naast de relevante kenmerken moet op basis van de van toepassing zijnde regelgeving over een aantal producten meer informatie worden gegeven. Deze verplichte informatie is hier niet opgenomen. Hierbij kunt u bijvoorbeeld denken aan verplichtingen voor consumptief krediet, die zijn opgenomen in het BGfo, zoals de standaardinformatie inzake consumptief krediet en het Europees gestandaardiseerd informatieblad hypothecair krediet.

In artikel 4:20, eerste lid, Wft is ook opgenomen dat voorafgaand aan het adviseren, het verlenen van een beleggingsdienst of nevendienst aan consumenten relevante informatie over de dienstverlening moet worden verstrekt.

Een relevant kenmerk van een product is een productkenmerk waarover de consument informatie nodig heeft om een product te kunnen begrijpen. De consument moet na het lezen van de relevante kenmerken weten wat hij mag verwachten van het product.

U moet de consument informeren over de volgende kenmerken, als deze van toepassing zijn op het product:

De wet geeft geen eenduidig antwoord op deze vraag. Alle relevante kenmerken moeten worden verstrekt voorafgaand aan de totstandkoming van de overeenkomst. Deze informatie dient onder andere duidelijk te zijn. Voor consumenten is het in ieder geval duidelijk als alle relevante kenmerken in één informatiedrager, zoals een website of een brochure, terug te vinden zijn.

4.1. Sparen: wat zijn relevante kenmerken?

Relevante kenmerken van spaarproducten zijn op hoofdlijnen in te delen in rente, kosten, risico’s, beperkende voorwaarden, depositogarantiestelsel en niet-marktconforme voorwaarden. De belangrijkste valkuilen bij het verstrekken van informatie over spaarproducten zijn het niet of niet duidelijk weergeven van de termijn waarbinnen het rentepercentage van toepassing is en het niet of onjuist uitleggen van het depositogarantiestelsel. Hieronder staan enkele relevante kenmerken die op alle spaarproducten van toepassing kunnen zijn. Het is echter geen limitatieve opsomming. Specifieke typen spaarproducten hebben relevante kenmerken die alleen op die producten van toepassing zijn. Die zijn opgenomen in de paragrafen 4.1.2 tot en met 4.1.4.

4.1.1. Wat zijn relevante kenmerken van spaarproducten?

Als voorbeeld een omschrijving van de volgende situaties:

4.1.2. Wat zijn relevante kenmerken van een spaardeposito?

Naast de relevante kenmerken die voor alle spaarproducten gelden, hebben spaardeposito’s in ieder geval nog drie andere kenmerken die voor een consument relevant zijn:

4.1.3. Wat zijn relevante kenmerken van een achtergesteld deposito?

Naast de relevante kenmerken die voor alle spaarproducten en spaardeposito’s gelden, hebben achtergestelde deposito’s in ieder geval nog drie andere kenmerken die voor een consument relevant zijn:

4.1.4. Wat zijn relevante kenmerken van een fiscaal gefaciliteerde spaarrekening?

De fiscale behandeling en deblokkering zijn relevante kenmerken bij fiscaal gefaciliteerde spaarrekeningen. U moet daarom uitleggen dat de fiscale aftrekbaarheid, de toekomstige belasting van de periodieke uitkeringen, de looptijd van het product en de bandbreedte van jaarlijkse stortingen een rol kunnen spelen bij de fiscale behandeling. Een relevant kenmerk is ook dat deblokkeren vergaande fiscale gevolgen heeft.

4.2. Lenen: wat zijn relevante kenmerken?

Relevante kenmerken van leningen zijn op hoofdlijnen in te delen in kosten (rente), voorwaarden, opnemen/aflossen, wijzigen/opzeggen en waar van toepassing fiscaliteit. Hieronder zijn voor een doorlopend krediet en een hypotheek enkele relevante kenmerken opgenomen die mogelijk van toepassing zijn op uw product. Het is echter geen limitatieve opsomming. Voor informatieverstrekking over leningen zijn er daarnaast ook normen opgenomen in het BGfo. Interpretaties met betrekking tot krediet kunt u vinden in hoofdstuk 10.

4.2.1. Wat zijn relevante kenmerken van een doorlopend krediet?

Niet-marktconforme kenmerken zijn kenmerken van een product die voor deze productgroep niet gebruikelijk zijn in de markt.

4.2.2. Wat zijn relevante kenmerken van een hypotheek?

De fiscale behandeling van een hypotheek resulteert in verschillende relevante kenmerken, waaronder de maximale hypotheekrenteaftrek van 30 jaar. U moet de desbetreffende generieke relevante kenmerken benoemen en de consequenties hiervan toelichten.

Niet-marktconforme kenmerken zijn kenmerken van een product die voor deze productgroep niet gebruikelijk zijn in de markt.

4.3. Verzekeren: wat zijn relevante kenmerken?

Relevante kenmerken van verzekeringen zijn, afhankelijk van het soort verzekering, op hoofdlijnen in te delen in informatie over de dekking, de premie, het opzeggen van de polis en de beperkende voorwaarden. Hieronder staat voor een aantal verzekeringen aangegeven welke kenmerken de AFM in de afgelopen jaren heeft benoemd als relevante kenmerken. Dit is geen limitatieve opsomming en staat los van de rechten en plichten die vanuit zelfregulering voortvloeien. Naast deze kenmerken zijn er in het BGfo specifieke bepalingen opgenomen voor informatieverstrekking over verzekeringen. Deze worden hier niet behandeld, maar zijn te vinden in het BGfo.

Voor alle verzekeringen heeft de AFM hieronder vier elementen weergegeven die relevant zijn voor een consument en die u in ieder geval moet vermelden:

Let op! Per 1 oktober 2018 is de richtlijn verzekeringsdistributie 2016/97/EU geïmplementeerd in de nationale regelgeving, waarin informatieverstrekkingsvereisten staan. Zo volgt uit artikel 65b BGfo de verplichting om voor schadeverzekeringen het ‘informatiedocument over het verzekeringsproduct’ op te stellen.

4.3.1. Wat zijn relevante kenmerken van een overlijdensrisicoverzekering?

4.3.2. Wat zijn relevante kenmerken van een uitvaartverzekering?

Wij hebben in 2011 het rapport Onderzoek naar de distributie van uitvaartverzekeringen’ gepubliceerd. In dit rapport staat onder andere een toelichting op onderstaande relevante kenmerken van een uitvaartverzekering.

4.3.3. Wat zijn relevante kenmerken van een autoverzekering?

4.3.4. Wat zijn relevante kenmerken van een arbeidsongeschiktheidsverzekering?

Wij hebben in 2011 het rapport ‘Arbeidsongeschiktheidsverzekeringen voor zelfstandigen’ gepubliceerd. In dit rapport staat onder andere een toelichting op onderstaande relevante kenmerken van een arbeidsongeschiktheidsverzekering.

4.3.5. Wat zijn relevante kenmerken van een lijfrente

Wij hebben in 2013 het rapport ‘Onderzoek naar expirerende lijfrentes’ gepubliceerd. In dit rapport staat onder andere een toelichting op onderstaande relevante kenmerken van een lijfrente:

4.4. Beleggen: wat zijn relevante kenmerken?

Relevante kenmerken van beleggen zijn op hoofdlijnen in te delen in de werking van het product, de risico’s, het rendement, de kosten en de verhandelbaarheid. Een belangrijke valkuil bij informatie over beleggingsproducten is dat er wel veel aandacht is voor de positieve kenmerken zoals het rendement, maar dat er weinig aandacht is voor negatieve kenmerken zoals de risico’s en de kosten. Sommige typen beleggingsproducten hebben relevante kenmerken die alleen op die productsoort van toepassing zijn. Voor alle verpakte retailbeleggingsproducten moet een Essentieel informatiedocument (Eid) worden opgesteld en verstrekt. Veel productkenmerken die de AFM beschouwt als relevante kenmerken worden opgenomen in het Eid. Hieronder worden producten behandeld waarvan wij in de afgelopen jaren bepaalde kenmerken hebben benoemd als relevante kenmerken. Het is echter geen limitatieve opsomming. Voor sommige beleggingsproducten hebben wij in het verleden meer interpretaties gedaan dan voor andere.

Sommige beleggingsproducten kunnen worden gekwalificeerd als een effect. Effecten worden uitgegeven door een uitgevende instelling, zie hiervoor hoofdstuk 6. Op uitgevende instellingen is niet Deel 4 van de Wft, maar de Prospectusverordening (EU) 2017/1129 van toepassing. Echter, als een beleggingsonderneming een beleggingsdienst verleent met betrekking tot effecten is deel 4 wel van toepassing. Hetzelfde geldt voor rechten van deelneming in een beleggingsinstelling of icbe. Zie hiervoor artikel 4:20, eerste lid, Wft.

Let op! Zowel in de wet- en regelgeving op nationaal als op Europees niveau zijn specifieke bepalingen opgenomen voor informatieverstrekking. Voorbeelden hiervan zijn de Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/565 (ter aanvulling van Markets in Financial Instruments Directive – MiFID II) en de Verordening (EU) Nr. 1286/2014 over essentiële-informatiedocumenten voor verpakte retailbeleggingsproducten en verzekeringsgebaseerde beleggingsproducten (PRIIPs).

4.4.1. Wat zijn relevante kenmerken van een recht van deelneming in een beleggingsinstelling?

Voor rechten van deelneming in een beleggingsinstelling hebben wij geen lijst opgesteld met relevante kenmerken waarover de belegger moet worden geïnformeerd. Wel hebben wij eerder de volgende interpretatie gedaan over rechten van deelneming in een beleggingsinstelling:

4.4.2. Wat zijn relevante kenmerken van een effect?

Voor effecten hebben wij geen lijst opgesteld met relevante kenmerken waarover de belegger moet worden geïnformeerd. Wel hebben wij eerder de volgende interpretatie gedaan over effecten:

4.4.3. Wat zijn relevante kenmerken van een scheepsinvestering?

Informeer de consument over de variabelen die een grote invloed hebben op het rendement en over de wijze waarop deze variabelen het rendement beïnvloeden.

Informeer de consument over de kosten die hij naast zijn inleg moet betalen. Leg daarnaast uit dat een groot deel van de kosten om het schip te bouwen en te exploiteren vaste kosten zijn en dat hierdoor het rendement op de investering snel vermindert bij tegenvallende opbrengsten.

Scheepsinvesteringen zijn niet altijd verhandelbaar, waardoor de kans bestaat dat de consument gedurende de looptijd niet over zijn geld kan beschikken. Leg dit uit en vertel ook over de wijze waarop hij zijn participatie kan verkopen.

Scheepsinvesteringen worden aangeboden in verschillende beleggingsvormen die verschillende consequenties hebben voor de aansprakelijkheid van de consument. De aansprakelijkheid kan tijdens de looptijd veranderen. Informeer de consument over zijn aansprakelijkheid en over welk deel van zijn vermogen hij kan verliezen.

Het schip wordt vaak voor een groot deel gefinancierd met een hypothecaire geldlening. Dit heeft grote consequenties voor de belegging. Informeer de consument over de consequenties die de financiering van het schip kan hebben.

Als er een fiscale regeling van toepassing is, moet de consument geïnformeerd worden over de voorwaarden voor het gebruik van deze regeling en welke consequenties dit voor hem heeft. Vertel ook aan welke voorwaarden hij moet voldoen om gebruik te kunnen maken van de regeling.

5. Tijdigheid – artikel 4:20 Wft

Informatie over de relevante kenmerken van een product moet voorafgaand aan de overeenkomst worden verstrekt. Informatie over de relevante kenmerken van een dienst moet voorafgaand aan de dienstverlening worden verstrekt. Dit is bepaald in artikel 4:20, eerste lid, Wft. Dit noemen wij ‘tijdig’ verstrekken van informatie. De consument moet op deze manier in staat worden gesteld om een adequate beoordeling te kunnen maken van een financieel product.

Informatie moet u verstrekken voordat de consument een beslissing neemt over de aanschaf van een product. Als er sprake is van een offerte voorafgaand aan de totstandkoming van de overeenkomst, dan moet de informatie over de relevante productkenmerken worden verstrekt voorafgaand aan of gelijktijdig met de offerte. Omdat de (beperkende) voorwaarden tot de relevante productkenmerken behoren, moet u deze ook voorafgaand of gelijktijdig met de offerte verstrekken. Hierdoor kan de consument alle relevante informatie tot zich nemen voordat de overeenkomst tot stand komt.

Als een consument direct een product kan afsluiten, bijvoorbeeld via internet, moet u de informatie ook tijdig verstrekken. Als de consument via een verwijzing in een banner direct het product kan afsluiten moet in dit proces ook de relevante kenmerken worden verstrekt. Hetzelfde geldt voor een advertentie waarin een telefoonnummer is opgenomen waar consumenten direct een product kunnen afsluiten. U moet er in deze situaties voor zorgen dat in het proces voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst de relevante kenmerken daadwerkelijk aan de consument zijn verstrekt. Om hierover geen twijfel te laten bestaan kunt u overwegen om het verstrekken van de informatie over deze kenmerken vast te leggen, bijvoorbeeld door ondertekening door de consument. Het is niet voldoende om de informatie alleen op uw website beschikbaar te hebben. Ook het achteraf toesturen van brochures of voorwaarden is niet tijdig.

Let op! Op uw situatie kan ook een uitzondering van toepassing zijn. Dit is bijvoorbeeld het geval indien u met een consument een verzekeringsovereenkomst op afstand sluit. Voor de uitzonderingen zijn bepalingen opgenomen in het BGfo, onder andere in artikel 78.

6. Reclame-uitingen in het kader van prospectussen – artikel 22 Prospectusverordening

Het is verboden in Nederland effecten aan te bieden aan het publiek zonder dat daarbij een door de AFM goedgekeurd prospectus algemeen verkrijgbaar wordt gesteld. Dit verbod geldt ook voor het toelaten van effecten tot de handel op een gereglementeerde markt. De AFM toetst het prospectus op volledigheid, begrijpelijkheid en consistentie. Een prospectus moet in ieder geval op de website van de uitgevende instelling algemeen verkrijgbaar zijn. Reclame-uitingen die gedaan worden in het kader van een prospectusplichtige aanbieding of toelating tot de handel op een gereglementeerde markt moeten voldoen aan verschillende vereisten. Deze vereisten zijn neergelegd in de leden 2 tot en met 5 van artikel 22 verordening (EU) 2017/1129 (de Prospectusverordening) en elke afzonderlijke reclame-uiting moet aan deze vereisten voldoen. Deze normen zijn verder uitgewerkt in artikel 13 tot en met 17 van de Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/979. De vereisten worden hieronder toegelicht. In bepaalde gevallen kan een uitzondering op deze prospectusplicht gelden of kan gebruik worden gemaakt van een vrijstelling. In dat geval zijn de vereisten van artikel 22 Prospectusverordening niet van toepassing.

6.1. Vermelding publicatie en vindplaats van het prospectus

In het tweede lid van artikel 22 Prospectusverordening is bepaald dat in alle reclame vermeld dient te worden dat er een prospectus is, of zal worden gepubliceerd en dient tevens aangegeven te worden waar beleggers het prospectus kunnen verkrijgen.

6.2. Accuraat en niet misleidend en in overeenstemming met het prospectus

In artikel 22, lid 3, Prospectusverordening is bepaald dat reclame-uitingen duidelijk als zodanig herkenbaar zijn en informatie bevat die accuraat, niet misleidend en in overeenstemming is met de informatie in (het nog te publiceren) het prospectus. Hieronder geven wij een nadere uitleg over wat wij verstaan onder inaccuraat, misleidend en niet in overeenstemming met het prospectus. Bij de geschetste voorbeelden kan er overlap bestaan.

6.2.1. Wanneer is informatie in een reclame-uiting inaccuraat?

Informatie in een reclame-uiting is inaccuraat als deze niet overeenkomt met de werkelijkheid.

Voorbeelden van inaccurate informatie zijn:

6.2.2. Wanneer is informatie in een reclame-uiting misleidend?

Informatie kan misleidend zijn als het beeld dat de informatie wekt, niet overeenkomt met de werkelijkheid. De belegger mag ook niet op het verkeerde been gezet worden. Dat betekent dat de informatie in een reclame-uiting in ieder geval evenwichtig moet zijn. Het betekent ook dat de presentatie van de informatie niet op een misleidende wijze de belegger mag beïnvloeden in zijn beslissing. Dit is overigens niet beperkt tot tekstuele informatie; ook afbeeldingen en grafieken en dergelijke kunnen misleidend zijn. Om een evenwichtig en juist beeld van een product te kunnen geven, moet in ieder geval informatie over de belangrijkste risico’s, kosten en (beperkende) voorwaarden gegeven worden en geen verkeerde indruk worden gewekt. Vermelde positieve kenmerken van het product moeten in goede verhouding staan tot de negatieve kenmerken van het product. Daarnaast zullen niet-marktconforme kenmerken van het product nagenoeg altijd vermeld moeten worden om een evenwichtig en juist beeld te geven. Voorbeelden van misleidende informatie zijn:

6.2.3. Wanneer is informatie in een reclame-uiting niet in overeenstemming met het prospectus?

Wanneer informatie in een reclame-uiting de informatie in het prospectus tegenspreekt of daarmee in strijd is, is de informatie niet in overeenstemming met het prospectus. Informatie kan ook niet in overeenstemming met het prospectus zijn als de indruk die de informatie wekt, niet in overeenstemming is met het beeld zoals dat uit het prospectus blijkt. Dit is bijvoorbeeld het geval als in de reclame-uiting een opsomming is opgenomen die de indruk geeft volledig te zijn, terwijl het prospectus meer informatie bevat op dat punt. Ook wanneer in de reclame-uiting een risico of feit als een positief kenmerk wordt neergezet terwijl dat volgens de informatie in het prospectus geen positief kenmerk betreft, is de informatie niet in overeenstemming. Dat is bijvoorbeeld het geval als de mogelijke verhandelbaarheid van het effect als positief kenmerk wordt neergezet terwijl juist de beperking op de verhandelbaarheid als risico in het prospectus is beschreven.

Ook mag er geen onevenwichtig beeld gegeven worden van informatie in het prospectus, bijvoorbeeld door negatieve aspecten van die informatie minder prominent te presenteren dan de positieve aspecten, door weglating, of door selectieve weergave van bepaalde informatie. Om evenwichtig te zijn dienen daarom de vermelde positieve kenmerken van de effecten in goede verhouding te staan tot de negatieve kenmerken. Positieve aspecten zijn bijvoorbeeld de gestelde goede vooruitzichten van een propositie, het rendement, of de gunstige marktpositie. Negatieve aspecten zijn bijvoorbeeld beperkte verhandelbaarheid, beperkende voorwaarden of de (materiële) risico’s zoals beschreven in het prospectus. Aangezien de risico’s een belangrijk onderdeel vormen van het prospectus en reclame een materieel evenwichtige presentatie dient te zijn van de informatie van dat prospectus, is het opnemen van de risico’s – in het geval er positieve aspecten van de aanbieding beschreven staan – nodig om de informatie voldoende in evenwicht te brengen.

7. Correct, duidelijk, evenwichtig en tijdig – Artikel 48 Pw en 59 Wvb

Voor informatieverstrekking van pensioenuitvoerders aan deelnemers gelden wettelijke vereisten.1Waar de AFM spreekt van deelnemers bedoelt zij actieve deelnemers, gewezen deelnemers, gewezen partners, andere aanspraakgerechtigden en pensioengerechtigden, tenzij dit expliciet anders wordt aangegeven. In artikel 48, eerste lid, Pensioenwet (Pw) en artikel 59, eerste lid, Wet verplichte beroepspensioenregeling (Wvb) (hierna wordt uitsluitend gesproken over de artikelen in Pw) staat dat informatie die de pensioenuitvoerder verstrekt of beschikbaar stelt correct, duidelijk en evenwichtig is. Daarnaast wordt de informatie tijdig verstrekt of beschikbaar gesteld. Hieronder geven we aan wat wij onder correct, duidelijk, evenwichtig en tijdig in de zin van artikel 48 Pw verstaan.

De vereisten in artikel 48, eerste lid, Pw tonen overeenkomsten met de vereisten uit artikel 4:19 Wft (zie hoofdstuk 2), die van toepassing zijn op financiële ondernemingen. De voorwaarde dat informatie niet-misleidend mag zijn, staat niet in de Pw. In de Pw staat naast ‘correct’ en ‘duidelijk’ dat informatie ‘evenwichtig’ moet zijn. Een ander verschil met de vereisten uit de Wft is dat informatie doorlopend ‘tijdig’ moet worden verstrekt aan de deelnemer. Hierbij gaat het om een overkoepelende tijdigheidsnorm die ziet op alle informatieverstrekking aan deelnemers. Daarnaast kent informeren over pensioenen enkele specifieke uitdagingen: zo is de interesse in pensioen veelal beperkt, wordt het onderwerp door deelnemers als complex ervaren, is de looptijd lang en het belang voor de deelnemer groot. Die uitdagingen moeten meegenomen worden bij het correct, duidelijk, evenwichtig en tijdig informeren.

Wij benadrukken dat alle informatie die de pensioenuitvoerder verstrekt of beschikbaar stelt, zelfstandig en in samenhang met andere informatie-uitingen bezien aan elk van de vereisten uit artikel 48 Pw moet voldoen. Dit geldt voor alle communicatie-uitingen, ongeacht of deze verplicht of vrijwillig worden verstrekt.

7.1. Correcte informatie

Bij de beoordeling of informatie correct is, kijken wij in ieder geval of:

7.2. Duidelijke informatie

Wij kijken of informatie vindbaar en begrijpelijk is voor de doelgroep. Als deelnemers de voor hen relevante informatie niet kunnen vinden, is die informatie niet duidelijk. Als zij de relevante informatie wél gevonden hebben, dan moet deze informatie ook inhoudelijk te volgen zijn. Dat houdt in dat onderwerpen zo duidelijk en concreet mogelijk worden verwoord. Wat begrijpelijk is zal per onderwerp of per doelgroep verschillen. Ook kan bijvoorbeeld meespelen in hoeverre deelnemers eerder over het onderwerp zijn geïnformeerd. Wij verwachten dat de pensioenuitvoerders ervoor zorgen dat hun deelnemers de informatie kunnen begrijpen, bijvoorbeeld door de informatie bij deelnemers te toetsen.

In de beoordeling of er sprake is van duidelijke informatie kunnen wij een deelnemersonderzoek van de pensioenuitvoerder in kwestie meenemen. Hieruit kan dan bijvoorbeeld volgen dat het percentage deelnemers dat het antwoord op zijn vraag kan vinden en vervolgens ook kan begrijpen, op een voldoende niveau ligt.

Bij de beoordeling of informatie duidelijk is, kijken wij in ieder geval of:

7.3. Evenwichtige informatie

Alle informatie verstrekt door de pensioenuitvoerder moet evenwichtig zijn. Evenwichtig informeren betekent dat er een juiste balans is in de informatieverstrekking. Bijvoorbeeld een juiste balans tussen de relevante voor- en nadelen, kenmerken en de risico’s. Als de informatie niet evenwichtig is en een deelnemer niet voldoende op de hoogte is van de beperkende voorwaarden of risico’s, kan hij ten onrechte een verkeerde conclusie trekken over zijn pensioenregeling.

Bij de beoordeling of informatie evenwichtig is, kijken wij in ieder geval of:

7.4. Tijdige informatie

Informatie is tijdig als de deelnemer deze tot zich kan nemen op het moment dat hij naar aanleiding daarvan besluiten moet nemen of wanneer de informatie op een andere wijze relevant voor hem is. De besluiten die de deelnemer moet nemen hoeven niet noodzakelijkerwijs in pensioencontext te zijn. Wanneer de uitkering wordt aangepast en bijvoorbeeld naar beneden gaat5Denk bijvoorbeeld aan het aanpassen van een variabele uitkering, het ingaan van laag bij een hoog-laag uitkering, en het korten van een DB-uitkering., moet de deelnemer tijd hebben om zijn uitgavenpatroon hierop aan te passen. Voor een aantal informatiedragers heeft de wetgever bepaald wat tijdig is. Een brief bij de start van de deelneming aan de pensioenregeling moet bijvoorbeeld binnen drie maanden na die start aan de deelnemer worden verstuurd.6Zie artikel 21 Pw. Het UPO moet elk jaar worden verstrekt7Zie artikel 38 Pw voor actieve deelnemers en artikel 44 Pw voor pensioengerechtigden. Voor gewezen deelnemers geldt in beginsel ook dat het UPO jaarlijks verstrekt wordt, tenzij de uitzondering in artikel 40, derde lid, Pw wordt toegepast. Het UPO aan gewezen partners wordt elke 5 jaar verstrekt., waarbij actieve deelnemers hun UPO op grond van de Beleidsregel tijdige verstrekking Uniforme Pensioen Overzichten vóór 1 oktober moeten ontvangen. Voor een aantal informatieverplichtingen geldt dat de wet niet invult wanneer deze ‘tijdig’ zijn verstrekt.

Bij de beoordeling of informatie tijdig verstrekt of beschikbaar gesteld is, kijkt de AFM in ieder geval of:

8. Beleggingsondernemingen – artikel 44 Gedelegeerde Verordening bij MiFID II

Vanuit artikel 4:19, tweede lid, Wft, zijn beleggingsondernemingen verplicht correcte, duidelijke en niet-misleidende informatie te verstrekken. Dit artikel staat in hoofdstuk 2 toegelicht. Daarnaast staan in artikel 44 van de Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/5658Uitwerking van artikel 24, lid 3, van Richtlijn 2014/65/EU (MiFID II)vereisten inzake correcte, duidelijke en niet-misleidende informatie voor beleggingsondernemingen. Hieronder staan de interpretaties die wij op basis van deze norm hebben gedaan.

Wanneer op de mogelijke voordelen van een beleggingsdienst of financieel instrument wordt gewezen, moet een correcte en duidelijke indicatie van de desbetreffende risico’s worden gegeven. Ten behoeve van de duidelijkheid moet vervolgens bij het geven van deze indicatie in de informatie gebruik worden gemaakt van zowel een lettergrootte die ten minste gelijk is aan de lettergrootte die overwegend in het geheel van de verstrekte informatie wordt gebruikt, als van een lay-out die de duidelijkheid van de indicatie in kwestie waarborgt. Een duidelijke indicatie moet de risico’s concreet maken. Dit kan bijvoorbeeld met een passage zoals: ‘Beleggen kent risico’s. U kunt uw inleg verliezen.’ De indicatie moet zodanig zijn vormgegeven dat deze de duidelijkheid van de indicatie waarborgt. De lezer of luisteraar moet deze redelijkerwijs tot zich kunnen nemen.

Het is niet toegestaan om in de informatie de naam van de bevoegde autoriteit zodanig te gebruiken dat daarmee wordt aangegeven of gesuggereerd dat deze autoriteit de producten of diensten steunt of aanbeveelt.

Een voorbeeld van het gebruik van de naam van de bevoegde autoriteit zodat wordt aangegeven of wordt gesuggereerd dat deze autoriteit de producten of diensten steunt of aanbeveelt is:

9. Beheerders – artikel 4 CBDF9Verordening (EU) 2019/1156 betreffende het faciliteren van de grensoverschrijdende distributie van instellingen voor collectieve belegging, ook wel aangeduid als de cross-border distribution of funds directive (CBDF Verordening).

Volgens artikel 4, eerste lid, CBDF Verordening, moeten beheerders10Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat de CBDF Verordening van toepassing is op beheerders van alternatieve beleggingsinstellingen, icbe-beheermaatschappijen, met inbegrip van icbe’s die geen icbe-beheermaatschappij hebben aangewezen, EuVECA-beheerders en EuSEF-beheerders (conform artikel 2 CBDF Verordening) er zorg voor dragen dat publicitaire mededelingen als zodanig herkenbaar zijn, dat de risico’s en voordelen op even opvallende wijze worden beschreven, en dat alle informatie in publicitaire mededelingen correct, duidelijk en niet-misleidend is. Voor de inwerkingtreding van de CBDF in 2021, waren beheerders vanuit artikel 4:19, tweede lid, Wft, verplicht correcte, duidelijke en niet-misleidende informatie te verstrekken. Ter kleuring van deze norm verwijzen wij u naar hoofdstuk 2, waar artikel 4:19, tweede lid, Wft verder wordt toegelicht.

Artikel 4 , eerste lid, CBDF Verordening is verder uitgewerkt in de [Richtsnoeren](https://www.esma.europa.eu/sites/default/files/library/esma34-45-1272_guidelines_on_marketing_communications_nl.pdf)11Richtsnoeren betreffende de publicitaire mededelingen uit hoofde van de verordening inzake de grensoverschrijdende distributie van fondsen. In de Richtsnoeren staat het begrip publicitaire mededelingen uitgelegd. Hoewel de Richtsnoeren gedetailleerd zijn, hebben wij enkele interpretaties gedaan die hieronder per richtsnoer zijn benoemd.

In richtsnoer 30 komt aan bod dat in publicitaire mededelingen de naam van een nationale bevoegde autoriteit niet op zodanige wijze mag worden genoemd dat dit goedkeuring of instemming impliceert of als verkoopargument wordt gebruikt. Dit gebeurt onder andere wanneer een visueel teken van goedkeuring, zoals een duimpje omhoog, groen vinkje of stempel, bij de naam van een nationale bevoegde autoriteit wordt geplaatst.

In richtsnoer 38 komt aan bod dat in een publicitaire mededeling duidelijk moet worden vermeld dat de belegging niet liquide van aard is, wanneer dit het geval is. Een fonds waar beleggers slechts op kwartaalbasis kunnen uittreden en het tevens kan voorkomen dat beleggers de participaties niet (volledig) kunnen verkopen doordat de beheerder geen verplichting heeft deze in te kopen, is in ieder geval niet liquide. Derhalve dient dit te worden vermeld in publicitaire mededelingen.

10. Krediet – artikel 53 BGfo Wft

De wettelijke vereisten voor informatieverstrekking over krediet zijn onder meer opgenomen in artikel 53 BGfo. Deze regels zijn enkel van toepassing op informatie die wordt verstrekt aan consumenten (zoals bepaald in artikel 1:1 Wft). Hieronder gaan we in op een aantal vragen over deze regelgeving.

10.1. De kredietwaarschuwing

Nee. In alle reclame-uitingen voor krediet gericht op de Nederlandse markt moet het vaste format worden gebruikt dat is opgesteld door de AFM. Dit format is te vinden op de website van de AFM.

Nee. De kredietwaarschuwing is uitsluitend beschikbaar in het Nederlands. Het is dus niet mogelijk om de kredietwaarschuwing in een andere taal te tonen.

Om consumenten volledig te informeren kunt u er eventueel voor kiezen om in een vreemde taal een korte tekstuele toelichting op de kredietwaarschuwing te geven, waaruit het doel van de afbeelding blijkt. Vanzelfsprekend mag de tekstuele toelichting geen afbreuk doen aan de kredietwaarschuwing.

Ja, ook wanneer u adverteert met 0% rente moet u zowel de kredietwaarschuwing als de krediettabel opnemen in de reclame-uiting. De kredietwaarschuwing en krediettabel moeten worden opgenomen in elke (zelfstandige) reclame-uiting voor krediet. Voor de krediettabel geldt dat deze moet worden opgenomen in alle reclame-uitingen voor krediet waarin een debetrentevoet of andere gegevens over de kosten van een krediet worden vermeld. Dit geldt ook bij een lening waar 0% rente in rekening wordt gebracht.

Elke webpagina moet afzonderlijk beoordeeld worden op de aanwezigheid van reclame-uitingen. Het is hierdoor (mogelijk) niet voldoende de kredietwaarschuwing alleen op de startpagina te tonen. Als een website bestaat uit meerdere pagina’s, dan moet u de kredietwaarschuwing opnemen op alle pagina’s die als reclame-uiting kwalificeren. Het idee hierachter is dat de onderliggende pagina’s ook zelfstandig te bekijken zijn zonder dat de startpagina geopend hoeft te worden.

Reclame-uitingen op internet zijn minder statisch dan schriftelijke reclame-uitingen. Dit houdt in dat ook bewegende reclame-uitingen (zoals een bewegende banner en filmpjes in bannerformaat) mogelijk zijn. Ook in deze reclame-uitingen op internet moet de kredietwaarschuwing getoond worden.

In een reclame-uiting voor een creditcard moet de kredietwaarschuwing worden opgenomen als er ook reclame wordt gemaakt voor de kredietfaciliteit van de creditcard. Bijvoorbeeld als een rentepercentage of de mogelijkheid tot gespreid terugbetalen wordt genoemd.

Als slechts een deel van de internetpagina kan worden aangemerkt als reclame-uiting, moet de kredietwaarschuwing opgenomen worden in het gedeelte van de website dat wordt aangemerkt als reclame-uiting. Hierbij gelden voor het opnemen van de kredietwaarschuwing de reguliere regels voor het opnemen van de kredietwaarschuwing in een reclame-uiting.

Reclame-uitingen voor krediet die via radio of internet te beluisteren zijn, moeten een geluidsfragment met een kredietwaarschuwing bevatten. Het format voor het geluidsfragment is hier te vinden. Het geluidsfragment moet direct aansluitend aan de reclame-uiting worden afgespeeld. Hiermee wordt bedoeld dat de kredietwaarschuwing meteen na het einde van de reclame-uiting moet worden afgespeeld. Reclame-uitingen met geluid maar zonder beeld (bijvoorbeeld op internet) moeten aan dezelfde eisen voldoen als reclame-uitingen via de radio.

De kredietwaarschuwing moet gecentreerd bovenaan in de reclame-uiting worden getoond. Bij een banner die uit meerdere of bewegende beelden bestaat (bijvoorbeeld een flashbanner) moet de kredietwaarschuwing in elk beeld worden opgenomen.

U moet de kredietwaarschuwing opnemen op de eerste pagina van de reclame-uiting. Als de voorpagina van de reclame-uiting al wervend is, dan wordt deze pagina aangemerkt als eerste pagina.

In de kredietwaarschuwing is een figuur opgenomen met een ‘blok aan zijn been’, dat volgens het format voor de kredietwaarschuwing rood gekleurd moet zijn. Als in een reclame-uiting geen kleur is opgenomen, dan is het toegestaan om af te wijken van het vaste format door de kredietwaarschuwing zwart/wit op te nemen.

10.2. Goederenkrediet

Hieronder bespreken we een voorbeeld van een uiting die een reclame-uiting voor goederenkrediet is. U dient vervolgens zelf, in lijn met deze uitleg en de geldende wet- en regelgeving, te bepalen of uw reclame-uiting een uiting voor goederenkrediet is.

In een reclame-uiting staat dat het mogelijk is om een nieuwe televisie (het goed) te betalen in termijnen. De koper sluit dus een krediet af om het goed mee te betalen: een goederenkrediet.

In de Wft staat dat de ‘roerende zaak’ (in dit voorbeeld de televisie) die op afbetaling wordt gekocht, behoort tot de eigenschappen van het goederenkrediet. Andere eigenschappen van het goederenkrediet kunnen bijvoorbeeld zijn: kredietlimiet, kredietsom, totale prijs van het krediet, maandlast, (effectief) rentepercentage, etc.

Let op! Er is volgens de Wft ook sprake van goederenkrediet als het, in plaats van om een roerende zaak, om een financieel instrument of een beleggingsobject gaat.

Om de televisie aan te prijzen, worden eigenschappen genoemd van het goederenkrediet, namelijk de prijs van de televisie (het totale kredietbedrag), de maandlast, en de televisie zelf (de roerende zaak). Omdat dit eigenschappen zijn van het goederenkrediet die wervend en/of aanprijzend zijn, maakt dit de uiting een reclame-uiting. Hier is ook sprake van als er geen maandlast wordt genoemd, maar als er in plaats daarvan bijvoorbeeld staat: ‘Kopen op afbetaling mogelijk’.

Kortom, uit dit voorbeeld volgt dat wanneer u in een reclame-uiting een product koppelt aan een kredietfaciliteit, er sprake is van een reclame-uiting voor goederenkrediet. Daarom moet u in deze reclame-uiting een kredietwaarschuwing opnemen.

In een reclame-uiting voor goederenkrediet, volstaat het de kredietwaarschuwing direct onder de zinsnede: ‘xx euro per maand’ te plaatsen. Hier kan bijvoorbeeld ook staan ‘koop op afbetaling mogelijk’. De kredietwaarschuwing moet minstens even breed zijn als deze zinsnede, en moet goed leesbaar zijn. De kredietwaarschuwing hoeft dus niet te worden geplaatst onder de gehele reclame-uiting inclusief het aangeboden goed. U kunt er ook voor kiezen om de kredietwaarschuwing onderaan en over de gehele breedte van de reclame-uiting op te nemen. Bijvoorbeeld wanneer u een pagina opneemt in de catalogus, waarop meerdere producten getoond worden.

10.3. Debetrentevoet

Hoe moet u omgaan met verplicht te verstrekken informatie als u in een reclame-uiting ook de debetrentevoet van een andere onderneming noemt?

U moet in dit geval ook de verplicht te verstrekken informatie van de andere onderneming opnemen in de reclame-uiting. Dit geldt ook indien u reclame maakt voor een hypothecair krediet.

11. Vrijstellingsvermelding – wel of geen toezicht van de AFM?

Op basis van de Wft kunnen producten zijn vrijgesteld van vergunningplicht of prospectusplicht. Dit is voor de vergunningplicht bijvoorbeeld het geval bij beleggingen van tenminste € 100.000 per beleggingsobject. Om gebruik te mogen maken van de vrijstelling moet er een vrijstellingsvermelding worden opgenomen in reclame-uitingen en andere documenten waarin een aanbod in het vooruitzicht wordt gesteld. In de Nrgfo wordt uitgelegd hoe de vrijstellingsvermelding, per medium, moet worden opgenomen. In de Toelichting wordt dit nader toegelicht. De onderstaande interpretaties zijn daar een aanvulling op. Om gebruik te mogen maken van de € 5 miljoen-vrijstelling van de prospectusplicht, geldt per 1 oktober 2017 tevens de verplichting om het informatiedocument voor aanbiedingen van effecten op te stellen en te verstrekken. Deze informatie moet evenwichtig en begrijpelijk zijn.

De vrijstellingsvermelding moet zichtbaar zijn op elke vermeldingsuiting. Onder een vermeldingsuiting vallen een aanbod, een reclame-uiting, een document waarin een dergelijk aanbod in het vooruitzicht wordt gesteld en andere onverplichte precontractuele informatie. Een website bestaande uit meerdere pagina’s of tabbladen kan meerdere vermeldingsuitingen bevatten. In dat geval moet de website meerdere vrijstellingsvermeldingen bevatten.

U moet de vrijstellingsvermelding opnemen op de allereerste pagina. Dit kan ook het voorblad of de voorkant zijn. Het gaat niet om de eerste ‘tekstpagina’.

12. Wet oneerlijke handelspraktijken (Wohp)

Op informatieverstrekking over financiële producten is de Wft van toepassing. Daarnaast is de Wet oneerlijke handelspraktijken (Wohp), die is vastgelegd in het Burgerlijk Wetboek, Boek 6, Titel 3, afdeling 3a, van toepassing. Hierin zijn onder meer regels opgenomen waaraan informatieverstrekking moet voldoen. De Wohp geldt ook voor vrijgestelde financiële producten. Hieronder gaan we in op een aantal interpretaties.

12.1. Wanneer geldt de Wohp voor mijn product?

U moet er rekening mee houden dat naast de Wft, ook de Wohp van toepassing is. U moet aan beide wetten voldoen. Dit geldt zowel als u een vergunning heeft van de AFM, als voor producten die zijn vrijgesteld van vergunning- en/of prospectusplicht. Voor producten die zijn vrijgesteld is de Wft beperkt van toepassing en voor die producten zal de AFM dus eerder naar de Wohp kijken.

12.2. Wanneer is er sprake van een misleidende handelspraktijk?

Informatie mag niet misleidend zijn. Een consument wordt misleid als hij door de informatie over een product op het verkeerde been wordt gezet. Zijn verwachting klopt dan niet met de werkelijkheid.

Ook informatie over vrijgestelde producten mag niet misleidend zijn. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om informatie over de aard van het product, de voornaamste kenmerken van het product of de prijs.

Hieronder is een aantal voorbeelden gegeven waarbij de informatie aan consumenten mogelijk misleidend is:

Het is misleidend als de gebruikte benchmark niet dezelfde risico’s of samenstelling kent als het vergeleken product, terwijl deze verschillen niet worden verklaard. Wanneer u gebruik maakt van een benchmark, moet het duidelijk zijn wat er met elkaar vergeleken wordt en wat de verschillen zijn. Dit om te voorkomen dat het misleidende beeld ontstaat dat de producten vergelijkbaar zijn, terwijl dit niet zo is. Een voorbeeld is een vergelijking tussen de AEX-index en een specifiek beleggingsfonds of obligatielening.

12.3. Wat is essentiële informatie volgens de Wohp?

Essentiële informatie is informatie die een consument in ieder geval nodig heeft om een weloverwogen besluit te kunnen nemen. Als essentiële informatie wordt weggelaten is er sprake van een misleidende omissie. In de Wohp staat dat de essentiële informatie die een consument nodig heeft om een besluit te nemen over een overeenkomst hem niet onthouden mag worden. De essentiële informatie mag niet verborgen worden gehouden of op onduidelijke, onbegrijpelijke, dubbelzinnige wijze of laat verstrekt worden. Logischerwijs kan niet alle essentiële informatie in alle typen informatie worden opgenomen. Bijvoorbeeld in reclame-uitingen. U moet de consument wel in staat stellen om deze informatie tot zich te nemen voorafgaand aan een aankoop.

We hebben in het verleden een aantal kenmerken van een product aangemerkt als essentiële informatie. Deze kenmerken staan hieronder. De onderstaande opsomming is geen uitputtende lijst, maar informatie die in ieder geval moet worden opgenomen als een kenmerk van toepassing is.

12.4. Bij een vrijgesteld product mag niet de indruk worden gewekt dat dit product onder toezicht staat

Als u de suggestie wekt dat een product of onderneming onder toezicht staat, terwijl dit niet het geval is, is er sprake van misleiding. Bij consumenten schept dit mogelijk een misleidend beeld over de voornaamste kenmerken van het product, namelijk dat er sprake is van toezicht. Dit kan door consumenten (ten onrechte) geassocieerd worden met veiligheid. In de volgende voorbeelden wordt in de informatieverstrekking de indruk gewekt dat de aanbieding onder toezicht staat:

13. Slotbepalingen

13.1. Wanneer wordt de Beleidsregel geëvalueerd?

Deze Beleidsregel wordt periodiek geëvalueerd.

13.2. Wanneer treedt de Beleidsregel in werking?

De Beleidsregel treedt in werking op 30 september 2024. Deze Beleidsregel wordt in de Staatscourant geplaatst.

13.3. Wat is de citeertitel van de Beleidsregel?

Deze Beleidsregel wordt aangehaald als: Beleidsregel Informatieverstrekking.

13.4. Intrekking Beleidsregel Informatieverstrekking 2018

De Beleidsregel Informatieverstrekking van 31 december 2018 wordt ingetrokken.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)