Beleidsregels van de Raad van Bestuur van Zorginstituut Nederland van 8 oktober 2024, kenmerk 2024021132, voor de toekenning en vaststelling van de vereveningsbijdrage aan zorgverzekeraars 2025 (Beleidsregels Risicoverevening 2025)

Type ZBO-regeling
Publication 2026-01-20
State In force
Source BWB
artikelen 83
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

gelet op de artikelen 32, vijfde lid, en 34, vierde lid, van de Zorgverzekeringswet;

Besluit:

1 Hoofdstuk I. Algemene bepalingen

Artikel 1.1. Definities

Deze Beleidsregels verstaan onder:

  • aanpassingsklasse: een klasse waarvan het gewicht in verband met de toepassing van criteriumneutraliteit wordt aangepast;
  • belastingdienstbestand: het bij het Zorginstituut meest recent beschikbare bestand met inkomensgegevens en gepseudonimiseerde adresgegevens per gepseudonimiseerd burgerservicenummer voor een peiljaar;
  • correctiefactor: een door het Zorginstituut bepaalde factor die voor de betreffende risicoklasse van een bepaald criterium de geraamde prevalentie corrigeert voor bijzondere situaties. De toelichtingen op de bijzondere situatie en de correctiefactoren zijn opgenomen in de Verantwoording Verzekerdenraming 2025 die gepubliceerd wordt op de website www.zorginstituutnederland.nl;
  • criterium: een vereveningscriterium;
  • criteriumneutraliteit: criteriumneutraliteit corrigeert ongewenste effecten van hogere of lagere (ex post) landelijke verzekerdenaantallen dan ex ante verwacht per vereveningskenmerk. Bij toepassing van criteriumneutraliteit worden een of meer gewichten van het betreffende vereveningscriterium bij de vaststelling aangepast zodat het effect van een (landelijk) verschil tussen raming en realisatie van de verzekerdenaantallen voor het vereveningscriterium of een aantal klassen van dat vereveningscriterium teniet wordt gedaan;
  • macroverzekerdenraming: de raming van het aantal verzekerden op macroniveau voor het jaar 2025. De verantwoording van de macroverzekerdenraming is opgenomen in de Verantwoording Verzekerdenraming 2025 die gepubliceerd wordt op de website www.zorginstituutnederland.nl;
  • PER: opgave van zorgverzekeraars met per gepseudonimiseerd burgerservicenummer de persoonskenmerken geslacht, geboortemaand, geboortejaar, viercijferige postcode, identificatie verzekerde in het buitenland en gepseudonimiseerd adres. De peildatum van het bestand met gegevensjaar t is 1 mei van jaar t, de aanleverdatum is 1 juni van jaar t;
  • PKB: een door het Zorginstituut samengesteld bestand. Het Zorginstituut koppelt per gepseudonimiseerd burgerservicenummer het PER-bestand, het VPPER-bestand en het 0BSN-bestand. Het PKB-bestand voor gegevensjaar t is een koppeling van de PER, VPPER en 0BSN-bestanden over jaar t, aangeleverd op 1 juni van jaar t (PER) of t+1 (VPPER, 0BSN);
  • Rrv: Regeling risicoverevening voor het betreffende vereveningsjaar;
  • schalingsfactor: een door het Zorginstituut berekende factor (vanaf de eerste voorlopige vaststelling) als onderdeel van flankerend beleid. De factor wordt bepaald voor de bijdrage van het deelbedrag variabele zorgkosten en voor de bijdrage van het deelbedrag kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg. De factor wordt per bijdrage op landelijk niveau bepaald als de verhouding tussen de totale kosten en het herberekende normatieve bedrag;
  • seizoenarbeider: een verzekerde van 18 tot en met 64 jaar, die in het buitenland woont en die in 2025 niet het gehele jaar verzekerd is en in 2024 niet of niet het gehele jaar is verzekerd;
  • sterftecorrectiefactor: een door het Zorginstituut bepaalde factor die per leeftijds- en geslachtscategorie voor de betreffende risicoklasse van een bepaald criterium de sterfte corrigeert naar de geraamde sterfte in de ex-postsituatie;
  • trendfactor: een door het Zorginstituut bepaalde factor die per leeftijds- en geslachtscategorie voor de betreffende risicoklasse van een bepaald criterium de trendmatige ontwikkeling voor de risicoklasse weergeeft. De trendfactoren zijn opgenomen in de Verantwoording Verzekerdenraming 2025 die gepubliceerd wordt op de website www.zorginstituutnederland.nl;
  • UWV-bestand: het bij het Zorginstituut meest recent beschikbare bestand van het UWV met de inkomstenbron per gepseudonimiseerd burgerservicenummer voor een peiljaar;
  • verzekerde die in het buitenland woont: een persoon die een zorgverzekering heeft afgesloten en geen ingezetene van Nederland is. Dit wordt bepaald aan de hand van de opgave van zorgverzekeraars in het PER of VPPER;
  • VPPER: opgave van zorgverzekeraars met per gepseudonimiseerd burgerservicenummer de verzekerde periode en de persoonskenmerken geslacht, geboortemaand, geboortejaar, aanduiding voor een verzekerde die in het buitenland woont, viercijferige postcode en gepseudonimiseerd adres. De aanleverdatum van het bestand met gegevensjaar t is 1 juni t+1, de gegevens hebben betrekking op het hele gegevensjaar;
  • zelfstandigenbestand: bestand van de Belastingdienst met een uittreksel van het zelfstandigenregister. Het bestand wordt aangeleverd in de maand juli met een peildatum van 30 juni en heeft betrekking op directeur-grootaandeelhouders en overige zelfstandigen. Het Zorginstituut gebruikt het meest recente beschikbare bestand;
  • zorgprestatiemodel: de nieuwe bekostigingssystematiek per 1 januari 2022 voor geestelijke gezondheidszorg en forensische zorg;
  • zwaarte: het deel waarvoor de verzekerde meetelt in een betreffende klasse;
  • 0BSN: opgave van zorgverzekeraars over verzekerden zonder een geverifieerd burgerservicenummer en verzekerden zonder burgerservicenummer met per verzekerde de verzekerde periode en de persoonskenmerken geslacht, geboortemaand, geboortejaar en viercijferige postcode. De aanleverdatum van het bestand met gegevensjaar t is 1 juni t+1, de gegevens hebben betrekking op het hele gegevensjaar.

Artikel 1.2. Algemene bepaling

Het Zorginstituut neemt de bepalingen uit het Bzv en de Rrv in acht bij de toepassing van deze Beleidsregels.

Artikel 1.3. Zorgverzekeraars

Het Zorginstituut gaat bij de verdeling van de macro-deelbedragen 2025 en de berekening van de normatieve bedragen en de vereveningsbijdragen ervan uit dat alle zorgverzekeraars die gedurende 2024 zorgverzekeringen hebben aangeboden ook in 2025 zorgverzekeringen zullen aanbieden.

2 Hoofdstuk II. Toekenning van de vereveningsbijdrage aan een zorgverzekeraar

Artikel 2.1. Algemene bepaling voor de raming van de verzekerdenaantallen

1.

Het Zorginstituut baseert de raming van de verzekerdenaantallen 2025 op de macroverzekerdenraming en het PER 2024.

2.

Het Zorginstituut deelt verzekerden zonder burgerservicenummer en verzekerden zonder geverifieerd burgerservicenummer niet in bij een criterium.

3.

Wanneer een verzekerde tegelijkertijd bij meer zorgverzekeraars is ingeschreven, past het Zorginstituut artikel 10 van de Rrv toe.

4.

Het Zorginstituut beschrijft de wijze waarop de verzekerden zijn geraamd in de Verantwoording Verzekerdenraming 2025 die gepubliceerd wordt op de website www.zorginstituutnederland.nl.

Artikel 2.2. De verzekerdenaantallen 2025 voor het macro-deelbedrag variabele zorgkosten

1.

Het Zorginstituut deelt voor het macro-deelbedrag variabele zorgkosten verzekerden in bij de criteria L5G, FKG_C, DKG_C, FDG_C, IBZ_C, HSM_C, MHK_C, MVV_C, AVI, SES, PPA, SEI en REG_C.

2.

In afwijking van het eerste lid deelt het Zorginstituut verzekerden die in het buitenland wonen niet in bij de criteria SES, PPA en REG_C.

3.

Met inachtneming van artikel 6 van de Rrv deelt het Zorginstituut alle verzekerden die in het buitenland wonen op de volgende wijze in:

  • a. voor het criterium FKG_C in de klasse 'Geen FKG_C';
  • b. voor het criterium DKG_C in de klasse ‘Geen DKG_C’;
  • c. voor het criterium FDG_C in de klasse ‘Geen FDG_C’; en
  • d. voor het criterium HSM_C in de klasse ‘Geen HSM_C’.

Artikel 2.3. De verzekerdenaantallen 2025 voor het macro-deelbedrag kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg

1.

Het Zorginstituut deelt voor het macro-deelbedrag kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg verzekerden van achttien jaar of ouder in bij de criteria L5G, FKG_G, DKG_G, MHK_G, AVI, SES, PPA, SEI en REG_G.

2.

In afwijking van het eerste lid deelt het Zorginstituut verzekerden die in het buitenland wonen niet in bij de criteria SES, PPA en REG_G.

3.

Met inachtneming van artikel 6 van de Rrv deelt het Zorginstituut alle verzekerden die in het buitenland wonen op de volgende wijze in:

  • a. voor het criterium FKG_G in de klasse 'Geen FKG_G'; en
  • b. voor het criterium DKG_G in de klasse ‘Geen DKG_G’.

Artikel 2.4. De verzekerdenaantallen 2025 voor de normatieve opbrengst van het eigen risico

1.

Het Zorginstituut deelt voor de normatieve opbrengst van het eigen risico verzekerden van achttien jaar of ouder die worden ingedeeld in de klassen ‘Geen FKG_C’, ‘Geen DKG_C’, ‘Geen FDG_C’ en ‘Geen MVV_C’ en niet worden ingedeeld bij MHK_C-klasse ‘2 voorafgaande jaren variabele zorgkosten in top 15 procent’ of hoger, in bij de criteria L5G, MHK_C, AVI, SEI en REG_C.

2.

In afwijking van het eerste lid deelt het Zorginstituut verzekerden die in het buitenland wonen niet in bij het criterium REG_C.

Artikel 2.5. L5G

1.

Het Zorginstituut baseert het geraamde aantal verzekerden per zorgverzekeraar voor het criterium L5G op:

  • a. de indeling in L5G-klassen 2025 zoals weergegeven in het referentiebestand dat is opgenomen in Bijlage 1 van deze Beleidsregels; en
  • b. het PER 2024.
2.

Het Zorginstituut bepaalt op basis van het eerste lid in welke L5G-klasse een verzekerde wordt ingedeeld.

3.

Het Zorginstituut herschaalt het geraamde aantal verzekerden voor het criterium L5G naar de macroverzekerdenraming.

Artikel 2.6. FKG_C

1.

Het Zorginstituut baseert het geraamde aantal verzekerden per zorgverzekeraar voor het criterium FKG_C op:

  • a. de indeling in FKG_C-klassen 2025 zoals weergegeven in het referentiebestand dat is opgenomen in Bijlage 2 van deze Beleidsregels;
  • b. de opgave per 1 juni 2024 van declaraties farmaceutische zorg 2023 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer van de zorgverzekeraars aan het Zorginstituut;
  • c. de opgave per 1 juni 2024 van declaraties add-on geneesmiddelen 2022 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer van de zorgverzekeraars aan het Zorginstituut; en
  • d. de opgave per 1 juni 2023 van declaraties farmaceutische zorg 2022 per gepseudonimiseerd Burgerservicenummer van de zorgverzekeraars aan het Zorginstituut.
2.

Het Zorginstituut koppelt de gegevens, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b tot en met d, met het gepseudonimiseerde burgerservicenummer aan het PER 2024 en bepaalt daarmee en met inachtneming van Bijlage 2 van deze Beleidsregels, in welke FKG_C-klassen een verzekerde wordt ingedeeld. Aan de verzekerde koppelt het Zorginstituut een zwaarte gelijk aan de verzekeringsperiode in het PKB 2023 voor de betreffende klassen.

3.

Het Zorginstituut past op de verzekerden in een aantal FKG_C-klassen een sterftecorrectie toe, waarbij aan de verzekerden een zodanige zwaarte wordt gekoppeld dat de relatieve prevalentie constant blijft met het PKB 2023. Het betreft de volgende FKG_C-klassen:

  • a. ‘Groeistoornissen o.b.v. add-on’;
  • b. ‘Auto-immuunziekten o.b.v. add-on’;
  • c. ‘Nieraandoeningen o.b.v. add-on’;
  • d. ‘Immunoglobuline o.b.v. add-on’;
  • e. ‘COPD/Zware astma o.b.v. add-on’;
  • f. ‘Kanker o.b.v. add-on’;
  • g. ‘Maculadegeneratie o.b.v. add-on’;
  • h. ‘Extreem hoge kosten cluster 1’;
  • i. ‘Extreem hoge kosten cluster 2’;
  • j. ‘Extreem hoge kosten cluster 3’; en
  • k. ‘Extreem hoge kosten cluster 4’.
4.

Het Zorginstituut past per verzekerde per klasse van het criterium FKG_C de toepasselijke trendfactor toe. Het Zorginstituut vermenigvuldigt de zwaarte, bedoeld in het tweede en derde lid, met de toepasselijke trendfactor.

5.

Het Zorginstituut past op verzekerden die in het PER 2024 voor het eerst voorkomen per FKG_C-klasse de gemiddelde prevalentie van de overige verzekerden in het PER 2024 toe.

6.

Als een verzekerde niet in een andere klasse dan ‘Geen FKG_C’ valt, deelt het Zorginstituut deze verzekerde in de klasse ‘Geen FKG_C’ in.

7.

Het Zorginstituut herschaalt het geraamde aantal verzekerden voor het criterium FKG_C naar de macroverzekerdenraming.

Artikel 2.7. FKG_G

1.

Het Zorginstituut baseert het geraamde aantal verzekerden per zorgverzekeraar voor het criterium FKG_G op:

  • a. de indeling in FKG_G klassen 2025 zoals weergegeven in het referentiebestand dat is opgenomen in Bijlage 3 van deze Beleidsregels; en
  • b. de opgave per 1 juni 2024 van declaraties farmaceutische zorg 2023 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer van de zorgverzekeraars aan het Zorginstituut.
2.

Het Zorginstituut koppelt de gegevens, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, met het gepseudonimiseerde burgerservicenummer aan het PER 2024 en bepaalt daarmee en met inachtneming van Bijlage 3 van deze Beleidsregels, in welke FKG_G-klassen een verzekerde wordt ingedeeld. Aan de verzekerde koppelt het Zorginstituut een zwaarte gelijk aan de verzekeringsperiode in het PKB 2023 voor de betreffende klassen.

3.

Het Zorginstituut past per verzekerde per klasse van het criterium FKG_G de toepasselijke trendfactor toe. Het Zorginstituut vermenigvuldigt de zwaarte, bedoeld in het tweede lid, met de toepasselijke trendfactor.

4.

Het Zorginstituut past voor verzekerden die in het PER 2024 voor het eerst voorkomen per FKG_G-klasse de gemiddelde prevalentie van de overige verzekerden in het PER 2024 toe.

5.

Als een verzekerde niet in een andere klasse dan ‘Geen FKG_G’ valt, deelt het Zorginstituut deze verzekerde in de klasse ‘Geen FKG_G’ in.

6.

Het Zorginstituut herschaalt het geraamde aantal verzekerden voor het criterium FKG_G naar de macroverzekerdenraming.

Artikel 2.8. DKG_C

1.

Het Zorginstituut baseert het geraamde aantal verzekerden per zorgverzekeraar voor het criterium DKG_C op:

  • a. de indeling in DKG_C-klassen 2025 zoals weergegeven in het referentiebestand dat is opgenomen in Bijlage 4 van deze Beleidsregels; en
  • b. de opgave van de zorgverzekeraars per 1 juni 2024 aan het Zorginstituut van de declaraties per gepseudonimiseerd burgerservicenummer van dbc’s die in 2022 geopend zijn.
2.

Het Zorginstituut koppelt de gegevens, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, met het gepseudonimiseerde burgerservicenummer aan het PKB 2023 en bepaalt daarmee en met inachtneming van Bijlage 4 van deze Beleidsregels, in welke DKG_C-klassen een verzekerde wordt ingedeeld. Het Zorginstituut stelt de zwaarte van de gehele klasse gelijk aan het aantal keer dat de verzekerde in de toepasselijke risicoklasse valt vermenigvuldigd met de verzekeringsperiode in het PKB 2023.

3.

Het Zorginstituut past per verzekerde per klasse van het criterium DKG_C de toepasselijke trendfactor toe. Het Zorginstituut vermenigvuldigt de zwaarte, bedoeld in het tweede lid, met de toepasselijke trendfactor.

4.

Het Zorginstituut past op de verzekerden die in het PKB 2023 voor het eerst voorkomen per DKG_C-klasse de gemiddelde prevalentie van de overige verzekerden in het PKB 2023 toe.

5.

Vervolgens koppelt het Zorginstituut de verzekerden aan het PER 2024 en past hierop een sterftecorrectie toe, waarbij de verzekerden een zodanige zwaarte krijgen dat de relatieve prevalentie constant blijft.

6.

Het Zorginstituut past op verzekerden die in het PER 2024 voor het eerst voorkomen per DKG_C-klasse de gemiddelde prevalentie van de overige verzekerden in het PER 2024 toe.

7.

Als een verzekerde niet in een andere klasse dan ‘Geen DKG_C’ valt, deelt het Zorginstituut deze verzekerde in de klasse ‘Geen DKG_C’ in.

8.

Het Zorginstituut herschaalt het geraamde aantal verzekerden voor het criterium DKG_C naar de macroverzekerdenraming.

Artikel 2.9. DKG_G

1.

Het Zorginstituut baseert het geraamde aantal verzekerden per zorgverzekeraar voor het criterium DKG_G op:

  • a. de indeling in DKG_G klassen 2025 zoals weergegeven in het referentiebestand dat is opgenomen in Bijlage 5 van deze Beleidsregels;
  • b. de opgave van de zorgverzekeraars per 1 juni 2024 aan het Zorginstituut van de declaraties per gepseudonimiseerd burgerservicenummer van alle GGZ-prestaties in 2022;
  • c. de opgave van de zorgverzekeraars per 1 juni 2023 aan het Zorginstituut van de declaraties per gepseudonimiseerd burgerservicenummer van alle prestaties generalistische Basis-GGZ in 2021 en van alle dbc’s GGZ en zzp’s GGZ die in 2021 geopend zijn;
  • d. de opgave van de zorgverzekeraars per 1 juni 2022 aan het Zorginstituut van de declaraties per gepseudonimiseerd burgerservicenummer van dbc’s GGZ en zzp’s GGZ die in 2020 geopend zijn;
  • e. de opgave van de zorgverzekeraars per 1 juni 2021 aan het Zorginstituut van de declaraties per gepseudonimiseerd burgerservicenummer van dbc’s GGZ en zzp’s GGZ die in 2019 geopend zijn;
  • f. de opgave van Vektis per 19 juni 2023 aan het Zorginstituut van de declaraties per gepseudonomiseerd burgerservicenummer van alle prestaties generalistische Basis-GGZ in 2021 en van alle dbc’s GGZ die in 2021 geopend zijn, waarbij de prestaties representatief zijn gemaakt voor het Zorgprestatiemodel; en
  • g. de opgave van Vektis per 25 mei 2022 aan het Zorginstituut van de declaraties per gepseudonomiseerd burgerservicenummer van alle prestaties generalistische Basis-GGZ in 2020 en van alle dbc’s GGZ die in 2020 geopend zijn, waarbij de prestaties representatief zijn gemaakt voor het Zorgprestatiemodel.
2.

Het Zorginstituut selecteert de prestaties generalistische Basis-GGZ, ambulante dbc’s en de verblijfsdbc’s en zzp’s GGZ met verblijfsdagen in 2021 uit de gegevens bedoeld in het eerste lid, onderdeel c. Het Zorginstituut past een bewerking op de verblijfsdagen toe zodanig dat alleen de verblijfsdagen in 2021 meegenomen worden.

3.

Het Zorginstituut selecteert de verblijfsdbc’s GGZ met verblijfsdagen in 2021 uit de gegevens bedoeld in het eerste lid, onderdeel d. Het Zorginstituut past een bewerking op de verblijfsdagen toe zodanig dat alleen de verblijfsdagen in 2021 meegenomen worden.

4.

Het Zorginstituut selecteert de prestaties generalistische Basis-GGZ en ambulante dbc’s uit de gegevens bedoeld in het eerste lid, onderdeel f.

5.

Het Zorginstituut koppelt met het gepseudonimiseerd burgerservicenummer de gegevens uit het tweede lid aan de gegevens uit het derde en vierde lid. Bij overlappende prestaties vervangt het Zorginstituut de behandelminuten door de behandelminuten uit de gegevens bedoeld in het vierde lid.

6.

Het Zorginstituut selecteert de prestaties generalistische Basis-GGZ, ambulante dbc’s en de verblijfsdbc’s en zzp’s GGZ met verblijfsdagen in 2020 uit de gegevens bedoeld in het eerste lid, onderdeel d. Het Zorginstituut past een bewerking op de verblijfsdagen toe zodanig dat alleen de verblijfsdagen in 2020 meegenomen worden.

7.

Het Zorginstituut selecteert de verblijfsdbc’s GGZ met verblijfsdagen in 2020 uit de gegevens bedoeld in het eerste lid, onderdeel e. Het Zorginstituut past een bewerking op de verblijfsdagen toe zodanig dat alleen de verblijfsdagen in 2020 meegenomen worden.

8.

Het Zorginstituut selecteert de prestaties generalistische Basis-GGZ en ambulante dbc’s uit de gegevens bedoeld in het eerste lid, onderdeel g.

9.

Het Zorginstituut koppelt met het gepseudonimiseerd burgerservicenummer de gegevens uit het zesde lid aan de gegevens uit het zevende en achtste lid. Bij overlappende prestaties vervangt het Zorginstituut de behandelminuten door de behandelminuten uit de gegevens bedoeld in het achtste lid.

10.

Het Zorginstituut koppelt de gegevens, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, met het gepseudonimiseerde burgerservicenummer aan het resultaat van het vijfde en negende lid en aan het PKB 2023. Het Zorginstituut bepaalt daarmee en met inachtneming van Bijlage 5 van deze Beleidsregels, in welke DKG_G-klasse een verzekerde wordt ingedeeld. Het Zorginstituut stelt voor de toepasselijke klasse waarin de verzekerde valt de zwaarte gelijk aan de verzekeringsperiode in het PKB 2023.

11.

Het Zorginstituut past op de verzekerden die in het PKB 2023 voor het eerst voorkomen per DKG_G-klasse de gemiddelde prevalentie voor de betreffende klasse van de overige verzekerden in het PKB 2023 toe.

12.

Vervolgens koppelt het Zorginstituut de verzekerden aan het PER 2024 en past hierop een sterftecorrectie toe, waarbij de verzekerden een zodanige zwaarte krijgen dat de relatieve prevalentie constant blijft.

13.

Het Zorginstituut past op verzekerden die in het PER 2024 voor het eerst voorkomen per DKG_G-klasse de gemiddelde prevalentie van de overige verzekerden in het PER 2024 toe.

14.

Als een verzekerde niet in een andere klasse dan ‘Geen DKG_G’ valt, deelt het Zorginstituut deze verzekerde in de klasse ‘Geen DKG_G’ in.

15.

Het Zorginstituut herschaalt het geraamde aantal verzekerden voor het criterium DKG_G naar de macroverzekerdenraming.

Artikel 2.10. FDG_C

1.

Het Zorginstituut baseert het geraamde aantal verzekerden per zorgverzekeraar voor het criterium FDG_C op:

  • a. de indeling in FDG_C-klassen 2025 zoals weergegeven in het referentiebestand dat is opgenomen in Bijlage 6 van deze Beleidsregels;
  • b. de opgave per 1 juni 2024 van declaraties fysiotherapie en oefentherapie 2023 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer van de zorgverzekeraars aan het Zorginstituut; en
  • c. het PKB 2023.
2.

Het Zorginstituut koppelt de gegevens, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b en c, met het gepseudonimiseerde burgerservicenummer aan het PER 2024 en bepaalt daarmee en met inachtneming van Bijlage 6 van deze Beleidsregels, in welke FDG_C-klasse een verzekerde wordt ingedeeld. Het Zorginstituut stelt voor de toepasselijke klasse waarin de verzekerde valt de zwaarte gelijk aan de verzekeringsperiode in het PKB 2023.

3.

Het Zorginstituut past per verzekerde per klasse van het criterium FDG_C de toepasselijke trendfactor toe. Het Zorginstituut vermenigvuldigt de zwaarte, bedoeld in het tweede lid, met de toepasselijke trendfactor.

4.

Het Zorginstituut past op verzekerden die in het PER 2024 voor het eerst voorkomen per FDG_C-klasse de gemiddelde prevalentie van de overige verzekerden in het PER 2024 toe.

5.

Als een verzekerde niet in een andere klasse dan ‘Geen FDG_C’ valt, deelt het Zorginstituut deze verzekerde in de klasse ‘Geen FDG_C’ in.

6.

Het Zorginstituut herschaalt het geraamde aantal verzekerden voor het criterium FDG_C naar de macroverzekerdenraming.

Artikel 2.11. IBZ_C

1.

Het Zorginstituut baseert het geraamde aantal verzekerden per zorgverzekeraar voor het criterium IBZ_C op:

  • a. de indeling in IBZ_C-klassen 2025 zoals weergegeven in het referentiebestand dat is opgenomen in Bijlage 7 van deze Beleidsregels;
  • b. de som van de kosten over 2022 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer zoals zorgverzekeraars die op 1 mei 2024 aan het Zorginstituut hebben aangeleverd van:
  • –. verloskunde en verloskunde via integrale geboortezorg; en
  • –. kraamzorg en kraamzorg via integrale geboortezorg;
  • c. de som van de kosten 2021 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer zoals zorgverzekeraars die op 1 mei 2024 aan het Zorginstituut hebben aangeleverd van:
  • –. verloskunde en verloskunde via integrale geboortezorg; en
  • –. kraamzorg en kraamzorg via integrale geboortezorg;
  • d. de opgave per 18 juni 2024 van kosten verloskunde voor medisch-specialistische zorg en verblijf gezonde zuigelingen 2022 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer van Vektis aan het Zorginstituut; en
  • e. de opgave per 6 juni 2024 van kosten verloskunde voor medisch-specialistische zorg en verblijf gezonde zuigelingen 2021 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer van Vektis aan het Zorginstituut.
2.

Het Zorginstituut koppelt de gegevens, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b tot en met e, met het gepseudonimiseerde burgerservicenummer aan het PKB 2022 en bepaalt daarmee en met inachtneming van Bijlage 7 van deze Beleidsregels, in welke IBZ_C-klasse een verzekerde wordt ingedeeld. Het Zorginstituut stelt voor de toepasselijke klasse waarin de verzekerde valt de zwaarte gelijk aan de verzekeringsperiode in het PKB 2023.

3.

Vervolgens koppelt het Zorginstituut de verzekerden aan het PKB 2023 en past hierop een sterftecorrectie toe, waarbij de verzekerden een zodanige zwaarte krijgen dat de relatieve prevalentie constant blijft.

4.

Het Zorginstituut past per verzekerde per klasse van het criterium IBZ_C de toepasselijke trendfactor toe. Het Zorginstituut past op de verzekerden die in het PKB 2023 voor het eerst voorkomen per IBZ_C-klasse de gemiddelde prevalentie voor de betreffende klasse van de overige verzekerden in het PKB 2023 toe.

5.

Vervolgens koppelt het Zorginstituut de verzekerden aan het PER 2024 en past hierop een sterftecorrectie toe, waarbij de verzekerden een zodanige zwaarte krijgen dat de relatieve prevalentie constant blijft.

6.

Het Zorginstituut past op verzekerden die in het PER 2024 voor het eerst voorkomen per IBZ_C-klasse de gemiddelde prevalentie van de overige verzekerden in het PER 2024 toe.

7.

Als een verzekerde niet in een andere klasse dan ‘Geen IBZ_C’ valt, deelt het Zorginstituut deze verzekerde in de klasse ‘Geen IBZ_C’ in.

8.

Het Zorginstituut herschaalt het geraamde aantal verzekerden in alle klassen van het criterium IBZ_C naar de macroverzekerdenraming.

Artikel 2.12. HSM_C

1.

Het Zorginstituut baseert het geraamde aantal verzekerden per zorgverzekeraar voor het criterium HSM_C op:

  • a. de indeling in HSM_C-klassen 2025 zoals weergegeven in het referentiebestand dat is opgenomen in Bijlage 8 van deze Beleidsregels; en
  • b. de kenmerkindelingen in FKG_C, DKG_C, FDG_C, MHK_C, MVV_C voor vereveningsjaar 2022 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer zoals bepaald door het Zorginstituut ten behoeve van de eerste voorlopige vaststelling volgens de Beleidsregels Risicoverevening 2022.
2.

Het Zorginstituut koppelt de gegevens, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, met het gepseudonimiseerde burgerservicenummer aan het PER 2024 en bepaalt daarmee en met inachtneming van Bijlage 8 van deze Beleidsregels, in welke HSM_C-klasse een verzekerde wordt ingedeeld. Het Zorginstituut stelt voor de toepasselijke klasse waarin de verzekerde valt de zwaarte gelijk aan de verzekeringsperiode in het PKB 2023.

3.

Het Zorginstituut past hierop een sterftecorrectie toe op basis van de uitval tussen PKB 2023 en 2022.

4.

Het Zorginstituut deelt de verzekerden die in het PER 2024 voor het eerst voorkomen in bij de klasse ‘Geen HSM_C’.

5.

Als een verzekerde niet in een andere klasse dan ‘Geen HSM_C’ valt, deelt het Zorginstituut deze verzekerde in de klasse ‘Geen HSM_C’ in.

6.

Het Zorginstituut herschaalt het geraamde aantal verzekerden voor het criterium HSM_C naar de macroverzekerdenraming.

Artikel 2.13. MHK_C

1.

Het Zorginstituut baseert het geraamde aantal verzekerden per zorgverzekeraar voor het criterium MHK_C op:

  • a. de indeling in MHK_C-klassen 2025 zoals weergegeven in het referentiebestand dat is opgenomen in Bijlage 9 van deze Beleidsregels;
  • b. de kosten over 2020 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer voor het deelbedrag variabele zorgkosten tot en met 31 december 2022, zoals zorgverzekeraars die op 1 mei 2023 bij het Zorginstituut hebben aangeleverd, exclusief kosten verpleging en verzorging;
  • c. de opgave per 31 mei 2023 van kosten kraamzorg, kosten verloskunde en kosten integrale geboortezorg 2020 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer van Vektis aan het Zorginstituut;
  • d. de kosten over 2021 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer voor het deelbedrag variabele zorgkosten tot en met 31 december 2023, zoals zorgverzekeraars die op 1 mei 2024 bij het Zorginstituut hebben aangeleverd, exclusief kosten van:
  • –. verpleging en verzorging;
  • –. kraamzorg en kraamzorg via integrale geboortezorg; en
  • –. verloskunde en verloskunde via integrale geboortezorg;
  • e. de kosten over 2022 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer voor het deelbedrag variabele zorgkosten, zoals zorgverzekeraars die op 1 mei 2024 bij het Zorginstituut hebben aangeleverd, exclusief kosten van:
  • –. verpleging en verzorging;
  • –. kraamzorg en kraamzorg via integrale geboortezorg; en
  • –. verloskunde en verloskunde via integrale geboortezorg;
  • f. de opgave per 18 juni 2024 van kosten verloskunde voor medisch-specialistische zorg en verblijf gezonde zuigelingen 2022 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer van Vektis aan het Zorginstituut;
  • g. de opgave per 6 juni 2024 van kosten verloskunde voor medisch-specialistische zorg en verblijf gezonde zuigelingen 2021 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer van Vektis aan het Zorginstituut;
  • h. de opgave per 6 juni 2024 van kosten verloskunde voor medisch-specialistische zorg en verblijf gezonde zuigelingen 2020 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer van Vektis aan het Zorginstituut;
  • i. de opgave van de zorgkantoren per 1 juni 2024 aan het Zorginstituut van de declaraties per gepseudonimiseerd burgerservicenummer van alle Wlz-prestaties in 2023;
  • j. de opgave per 6 juni 2024 van extramurale prestaties van het persoonsgebonden budget 2023 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer van Vektis aan het Zorginstituut; en
  • k. het PKB 2020, PKB 2021 en PKB 2022.
2.

Het Zorginstituut koppelt de gegevens, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b tot en met k, met het gepseudonimiseerde burgerservicenummer aan het PKB 2023 en bepaalt daarmee en met inachtneming van Bijlage 9 van deze Beleidsregels, in welke MHK_C-klasse een verzekerde wordt ingedeeld.

3.

Het Zorginstituut past op de verzekerden die in het PKB 2023 voor het eerst voorkomen de relatieve prevalentie van verzekerden die voor het eerst voorkomen in het PKB 2021 toe.

4.

Vervolgens koppelt het Zorginstituut de verzekerden aan het PER 2024. Op de verzekerden die in het PER 2024 voor het eerst voorkomen past het Zorginstituut de relatieve prevalentie van verzekerden die voor het eerst voorkomen in het PKB 2022 toe.

5.

Vervolgens past het Zorginstituut een sterftecorrectie toe, waarbij de verzekerden een zodanige zwaarte krijgen dat de relatieve prevalentie constant blijft.

6.

Als een verzekerde niet in een andere klasse dan ‘Geen MHK_C’ valt, deelt het Zorginstituut deze verzekerde in de klasse ‘Geen MHK_C’ in.

7.

Het Zorginstituut herschaalt het geraamde aantal verzekerden voor het criterium MHK_C naar de macroverzekerdenraming. De relatieve prevalentie van verzekerden die in Nederland wonen wordt per klasse bepaald met de relatieve prevalentie zoals die volgt uit de kosten van de gegevensjaren 2022, 2021 en 2020 van de Overall Toets 2025.

Artikel 2.14. MHK_G

1.

Het Zorginstituut baseert het geraamde aantal verzekerden per zorgverzekeraar voor het criterium MHK_G op:

  • a. de indeling in MHK_G-klassen 2025 zoals weergegeven in het referentiebestand dat is opgenomen in Bijlage 10 van deze Beleidsregels;
  • b. de kosten over 2018 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer voor het deelbedrag kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg exclusief kosten voor langdurige geestelijke gezondheidszorg tot en met 31 december 2020, zoals zorgverzekeraars die op 1 mei 2021 bij het Zorginstituut hebben aangeleverd;
  • c. de kosten over 2019 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer voor het deelbedrag kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg exclusief kosten voor langdurige geestelijke gezondheidszorg tot en met 31 december 2021, zoals zorgverzekeraars die op 1 mei 2022 bij het Zorginstituut hebben aangeleverd;
  • d. de kosten over 2020 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer voor het deelbedrag kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg inclusief kosten voor langdurige geestelijke gezondheidszorg tot en met 31 december 2022, zoals zorgverzekeraars die op 1 mei 2023 bij het Zorginstituut hebben aangeleverd;
  • e. de kosten over 2021 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer voor het deelbedrag kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg inclusief kosten voor langdurige geestelijke gezondheidszorg tot en met 31 december 2023, zoals zorgverzekeraars die op 1 mei 2024 bij het Zorginstituut hebben aangeleverd;
  • f. de kosten over 2022 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer voor het deelbedrag kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg, zoals zorgverzekeraars die op 1 mei 2024 bij het Zorginstituut hebben aangeleverd; en
  • g. het PKB 2018, PKB 2019, PKB 2020, PKB 2021 en PKB 2022.
2.

Het Zorginstituut koppelt de gegevens, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b tot en met g, met het gepseudonimiseerde burgerservicenummer aan het PKB 2023 en bepaalt daarmee en met inachtneming van Bijlage 10 van deze Beleidsregels, in welke MHK_G-klasse een verzekerde wordt ingedeeld.

3.

Het Zorginstituut past op de verzekerden die in het PKB 2023 voor het eerst voorkomen de relatieve prevalentie van verzekerden die voor het eerst voorkomen in het PKB 2021 toe.

4.

Vervolgens koppelt het Zorginstituut de verzekerden aan het PER 2024. Op de verzekerden die in het PER 2024 voor het eerst voorkomen past het Zorginstituut de relatieve prevalentie van verzekerden die voor het eerst voorkomen in het PKB 2022 toe.

5.

Vervolgens past het Zorginstituut een sterftecorrectie toe, waarbij de verzekerden een zodanige zwaarte krijgen dat de relatieve prevalentie constant blijft.

6.

Als een verzekerde niet in een andere klasse dan ‘Geen MHK_G’ valt, deelt het Zorginstituut de verzekerde in de klasse ‘Geen MHK_G’ in.

7.

Het Zorginstituut herschaalt het geraamde aantal verzekerden voor het criterium MHK_G naar de macroverzekerdenraming. De relatieve prevalentie voor verzekerden die in Nederland wonen wordt per klasse bepaald met de relatieve prevalentie zoals die volgt uit de kosten van de gegevensjaren 2021, 2020, 2019, 2018 en 2017 van de Overall Toets 2024.

Artikel 2.15. MVV_C

1.

Het Zorginstituut baseert het geraamde aantal verzekerden per zorgverzekeraar voor het criterium MVV_C op:

  • a. de indeling in MVV_C-klassen 2025 zoals weergegeven in het referentiebestand dat is opgenomen in Bijlage 11 van deze Beleidsregels;
  • b. de leeftijd volgens het PKB 2023;
  • c. de kosten verpleging en verzorging 2020 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer tot en met 31 december 2022, zoals zorgverzekeraars die op 1 mei 2023 bij het Zorginstituut hebben aangeleverd;
  • d. de kosten verpleging en verzorging 2021 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer tot en met 31 december 2023, zoals zorgverzekeraars die op 1 mei 2024 bij het Zorginstituut hebben aangeleverd;
  • e. de kosten verpleging en verzorging 2022 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer, zoals zorgverzekeraars die op 1 mei 2024 bij het Zorginstituut hebben aangeleverd;
  • f. de opgave van de zorgkantoren per 1 juni 2024 aan het Zorginstituut van de declaraties per gepseudonimiseerd burgerservicenummer van alle Wlz-prestaties in 2023;
  • g. de opgave per 6 juni 2024 van extramurale prestaties van het persoonsgebonden budget 2023 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer van Vektis aan het Zorginstituut; en
  • h. het PKB 2020, PKB 2021 en PKB 2022.
2.

Het Zorginstituut koppelt de gegevens, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b tot en met h, met het gepseudonimiseerde burgerservicenummer aan het PKB 2023 en bepaalt daarmee en met inachtneming van Bijlage 11 van deze Beleidsregels, in welke MVV_C-klasse een verzekerde wordt ingedeeld.

3.

Het Zorginstituut past op de verzekerden die in het PKB 2023 voor het eerst voorkomen de relatieve prevalentie van verzekerden die voor het eerst voorkomen in het PKB 2021 toe.

4.

Vervolgens koppelt het Zorginstituut de verzekerden aan het PER 2024. Op de verzekerden die in het PER 2024 voor het eerst voorkomen past het Zorginstituut de relatieve prevalentie van verzekerden die voor het eerst voorkomen in het PKB 2022 toe.

5.

Vervolgens past het Zorginstituut een sterftecorrectie toe, waarbij de verzekerden een zodanige zwaarte krijgen dat de relatieve prevalentie constant blijft.

6.

Als een verzekerde niet in een andere klasse dan ‘Geen MVV_C’ valt, deelt het Zorginstituut deze verzekerde in de klasse ‘Geen MVV_C’ in.

7.

Het Zorginstituut herschaalt het geraamde aantal verzekerden voor het criterium MVV_C naar de macroverzekerdenraming. De relatieve prevalentie voor verzekerden die in Nederland wonen wordt per klasse bepaald met de relatieve prevalentie zoals die volgt uit de kosten van de gegevensjaren 2022, 2021 en 2020 van de Overall Toets 2025.

Artikel 2.16. AVI

1.

Het Zorginstituut baseert het geraamde aantal verzekerden per zorgverzekeraar voor het criterium AVI op:

  • a. de indeling in AVI-klassen 2025 zoals weergegeven in het referentiebestand dat is opgenomen in Bijlage 12 van deze Beleidsregels;
  • b. de leeftijd volgens het PKB 2023;
  • c. de zelfstandigen volgens het zelfstandigenbestand 2024;
  • d. de zelfstandigen volgens het zelfstandigenbestand 2023;
  • e. de duurzaam en volledig arbeidsongeschikten, de overige arbeidsongeschikten, de bijstandsgerechtigden, de werklozen en de loontrekkers volgens het UWV-bestand met peildatum 30 juni 2023 en de eerdere UWV-bestanden tot en met 2018;
  • f. de studenten en hoogopgeleiden volgens de opgave van DUO per gepseudonimiseerd burgerservicenummer met peildatum 1 juni 2023;
  • g. het gepseudonimiseerde adres per gepseudonimiseerd burgerservicenummer in het belastingdienstbestand over 2023;
  • h. het gepseudonimiseerde adres in het PKB 2023 in het geval een verzekerde niet is opgenomen in het belastingdienstbestand over 2023; en
  • i. de historische indeling van AVI uit 2018 tot en met 2022.
2.

Het Zorginstituut koppelt de gegevens, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b tot en met i, met het gepseudonimiseerde burgerservicenummer aan het PKB 2023 en bepaalt daarmee en met inachtneming van Bijlage 12 van deze Beleidsregels, in welke AVI-klasse een verzekerde wordt ingedeeld.

3.

Vervolgens koppelt het Zorginstituut de verzekerden aan het PER 2024, waarbij de verzekerden een zodanige zwaarte krijgen dat de relatieve prevalentie constant blijft.

4.

Het Zorginstituut herschaalt het geraamde aantal verzekerden voor het criterium AVI naar de macroverzekerdenraming, waarbij de verzekerden een zodanige zwaarte krijgen dat de relatieve prevalentie per AVI-klasse constant blijft.

Artikel 2.17. SES

1.

Het Zorginstituut baseert het geraamde aantal verzekerden per zorgverzekeraar voor het criterium SES op:

  • a. de indeling in SES-klassen 2025 zoals weergegeven in het referentiebestand dat is opgenomen in Bijlage 13 van deze Beleidsregels;
  • b. de leeftijd volgens het PKB 2023;
  • c. het inkomen volgens de opgave per gepseudonimiseerd burgerservicenummer in het belastingdienstbestand over 2021;
  • d. het inkomen volgens de opgave per gepseudonimiseerd burgerservicenummer in het belastingdienstbestand over 2022 wanneer voor 2021 geen gegevens beschikbaar zijn;
  • e. het gepseudonimiseerde adres per gepseudonimiseerd burgerservicenummer in het belastingdienstbestand over 2023;
  • f. het gepseudonimiseerde adres per gepseudonimiseerd burgerservicenummer volgens het PKB 2023 wanneer een verzekerde niet is opgenomen in het belastingdienstbestand over 2023;
  • g. de opgave van de zorgkantoren per 1 juni 2024 aan het Zorginstituut van de declaraties per gepseudonimiseerd burgerservicenummer van alle Wlz-prestaties in 2023;
  • h. de opgave per 6 juni 2024 van extramurale prestaties van het persoonsgebonden budget 2023 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer van Vektis aan het Zorginstituut; en
  • i. de indeling in DKG_G-klassen zoals beschreven in Artikel 2.9.
2.

Het Zorginstituut koppelt de gegevens, bedoeld in het eerste lid onderdeel b tot en met i, met het gepseudonimiseerde burgerservicenummer aan het PKB 2023 en bepaalt daarmee en met inachtneming van Bijlage 13 van deze Beleidsregels, in welke SES-klasse een verzekerde wordt ingedeeld.

3.

Vervolgens koppelt het Zorginstituut de verzekerden aan het PER 2024, waarbij de verzekerden een zodanige zwaarte krijgen dat de relatieve prevalentie constant blijft.

4.

Het Zorginstituut herschaalt het geraamde aantal verzekerden voor het criterium SES naar de macroverzekerdenraming, waarbij de verzekerden een zodanige zwaarte krijgen dat de relatieve prevalentie per SES-klasse constant blijft.

Artikel 2.18. PPA

1.

Het Zorginstituut baseert het geraamde aantal verzekerden per zorgverzekeraar voor het criterium PPA op:

  • a. de indeling in PPA-klassen 2025 zoals weergegeven in het referentiebestand PPA dat is opgenomen in Bijlage 14 van deze Beleidsregels;
  • b. de leeftijd volgens het PKB 2023;
  • c. het gepseudonimiseerde adres per gepseudonimiseerd burgerservicenummer in het belastingdienstbestand over 2022;
  • d. het gepseudonimiseerde adres per gepseudonimiseerd burgerservicenummer volgens het PKB 2022 wanneer een verzekerde niet is opgenomen in het belastingdienstbestand over 2022;
  • e. het gepseudonimiseerde adres per gepseudonimiseerd burgerservicenummer in het belastingdienstbestand over 2023 wanneer een verzekerde ook niet is opgenomen in het PKB 2022;
  • f. het gepseudonimiseerde adres per gepseudonimiseerd burgerservicenummer volgens het PKB 2023 wanneer een verzekerde ook niet is opgenomen in het belastingdienstbestand over 2023;
  • g. de opgave van de zorgkantoren per 1 juni 2024 aan het Zorginstituut van de declaraties per gepseudonimiseerd burgerservicenummer van alle Wlz-prestaties in 2023; en
  • h. de opgave per 6 juni 2024 van extramurale prestaties van het persoonsgebonden budget 2023 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer van Vektis aan het Zorginstituut;
2.

Het Zorginstituut koppelt de gegevens, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b tot en met h, met het gepseudonimiseerde burgerservicenummer aan het PKB 2023 en bepaalt daarmee en met inachtneming van Bijlage 14 van deze Beleidsregels, in welke PPA-klasse een verzekerde wordt ingedeeld.

3.

Vervolgens koppelt het Zorginstituut de verzekerden aan het PER 2024, waarbij de verzekerden een zodanige zwaarte krijgen dat de relatieve prevalentie constant blijft.

4.

Het Zorginstituut herschaalt het geraamde aantal verzekerden voor het criterium PPA naar de macroverzekerdenraming, waarbij de verzekerden een zodanige zwaarte krijgen dat de relatieve prevalentie per klasse constant blijft.

Artikel 2.19. SEI

1.

Het Zorginstituut baseert het geraamde aantal verzekerden per zorgverzekeraar voor het criterium SEI op:

  • a. de indeling in SEI-klassen 2025 zoals weergegeven in het referentiebestand dat is opgenomen in Bijlage 15 van deze Beleidsregels; en
  • b. het PER 2024.
2.

Het Zorginstituut herschaalt het aantal verzekerden uit het eerste lid, onderdeel b naar de macroverzekerdenraming.

3.

Het Zorginstituut selecteert uit de gegevens bedoeld in het tweede lid de verzekerden die in het buitenland wonen.

4.

Het Zorginstituut merkt op basis van het PKB 2023 en het PKB 2022 verzekerden als seizoenarbeider aan overeenkomstig de definitie in Artikel 1.1.

5.

Het Zorginstituut bepaalt het aandeel seizoenarbeiders door het aantal seizoenarbeiders in 2023 uit het vierde lid te delen door het aantal verzekerden dat in het buitenland woont volgens het PKB 2023.

6.

Het Zorginstituut bepaalt vervolgens het geraamde aantal seizoenarbeiders door het aandeel seizoenarbeiders toe te passen op het geraamde aantal verzekerden dat in het buitenland woont uit het derde lid.

7.

Het Zorginstituut bepaalt het geraamde aantal overige verzekerden dat in het buitenland woont door het verschil te nemen tussen het geraamde aantal verzekerden dat in het buitenland woont uit het derde lid en het geraamde aantal seizoenarbeiders uit het zesde lid.

8.

Het Zorginstituut bepaalt het geraamde aantal ingezetenen door het verschil te nemen tussen het geraamde aantal verzekerden uit het tweede lid en het derde lid

Artikel 2.20. REG_C

1.

Het Zorginstituut baseert het geraamde aantal verzekerden per zorgverzekeraar voor het criterium REG_C op:

  • a. de indeling in REG_C-klassen 2025 zoals weergegeven in het referentiebestand dat is opgenomen in Bijlage 16 van deze Beleidsregels; en
  • b. de viercijferige postcode volgens het PER 2024.
2.

Het Zorginstituut bepaalt op basis van het eerste lid in welke REG_C-klasse een verzekerde wordt ingedeeld.

3.

Het Zorginstituut herschaalt het geraamde aantal verzekerden voor het criterium REG_C naar de macroverzekerdenraming.

Artikel 2.21. REG_G

1.

Het Zorginstituut baseert het geraamde aantal verzekerden per zorgverzekeraar voor het criterium REG_G op:

  • a. de indeling in REG_G-klassen 2025 zoals weergegeven in het referentiebestand dat is opgenomen in Bijlage 17 van deze Beleidsregels; en
  • b. de viercijferige postcode volgens het PER 2024.
2.

Het Zorginstituut bepaalt op basis van het eerste lid in welke REG_G-klasse een verzekerde wordt ingedeeld.

3.

Het Zorginstituut herschaalt het geraamde aantal verzekerden voor het criterium REG_G naar de macroverzekerdenraming.

Artikel 2.22. Gewichten voor het deelbedrag variabele zorgkosten

Voor de verdeling van het macro-deelbedrag variabele zorgkosten gaat het Zorginstituut uit van de gewichten, bedoeld in bijlage 1 van de Rrv.

Artikel 2.23. De verdeling van het macro-deelbedrag variabele zorgkosten en de berekening van het deelbedrag variabele zorgkosten

1.

Het Zorginstituut vermenigvuldigt per zorgverzekeraar, per criterium voor de criteria L5G, FKG_C, DKG_C, FDG_C, IBZ_C, HSM_C, MHK_C, MVV_C, AVI, SES, PPA, SEI en REG_C de gewichten, bedoeld in Artikel 2.22, per klasse met het geraamde aantal verzekerden in de overeenkomstige klasse.

2.

Het Zorginstituut sommeert de op grond van het eerste lid berekende producten per zorgverzekeraar.

3.

Het resultaat na toepassing van het tweede lid wordt aangeduid als het deelbedrag variabele zorgkosten 2025.

Artikel 2.24. De verdeling van het macro-deelbedrag vaste zorgkosten en de berekening van het deelbedrag vaste zorgkosten

1.

Op grond van artikel 3.5 van het Bzv berekent het Zorginstituut het gewicht vaste zorgkosten 2025 door het macro-deelbedrag vaste zorgkosten te delen door het landelijk totaal van het aantal geraamde verzekerden 2025 en het resultaat af te ronden op twee decimalen.

2.

Het Zorginstituut vermenigvuldigt per zorgverzekeraar het geraamde aantal verzekerden 2025 met het gewicht vaste zorgkosten 2025, zoals berekend in het eerste lid.

3.

Het resultaat na toepassing van het tweede lid wordt aangeduid als het deelbedrag vaste zorgkosten 2025.

Artikel 2.25. Gewichten voor het deelbedrag kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg

Voor de verdeling van het macro-deelbedrag kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg gaat het Zorginstituut uit van de gewichten, bedoeld in bijlage 3 van de Rrv.

Artikel 2.26. De verdeling van het macro-deelbedrag kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg en de berekening van het deelbedrag kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg

1.

Het Zorginstituut vermenigvuldigt per zorgverzekeraar, per criterium voor de criteria L5G, FKG_G, DKG_G, MHK_G, AVI, SES, PPA, SEI en REG_G de gewichten, bedoeld in Artikel 2.25, per klasse met het geraamde aantal verzekerden in de overeenkomstige klasse.

2.

Het Zorginstituut sommeert de op grond van het eerste lid berekende producten per zorgverzekeraar.

3.

Het resultaat na toepassing van het tweede lid wordt aangeduid als het deelbedrag kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg 2025.

Artikel 2.27. Gewichten en forfaitair bedrag voor de opbrengst van het eigen risico

1.

Voor de berekening van de normatieve opbrengst van het eigen risico voor verzekerden die zijn ingedeeld in de klassen ‘Geen FKG_C’, ‘Geen DKG_C’, ‘Geen FDG_C’, en ‘Geen MVV_C’ en niet zijn ingedeeld bij de MHK_C-klasse ‘2 voorafgaande jaren variabele zorgkosten in top 15 procent’ of hoger, gaat het Zorginstituut uit van de gewichten, bedoeld in bijlage 5 van de Rrv.

2.

Voor de berekening van de normatieve opbrengst van het eigen risico voor verzekerden die niet bedoeld zijn in het eerste lid, hanteert het Zorginstituut de geraamde opbrengst per verzekerde, bedoeld in artikel 8, vierde lid, van de Rrv.

Artikel 2.28. De berekening van de normatieve opbrengst van het eigen risico

1.

Het Zorginstituut vermenigvuldigt per zorgverzekeraar, per criterium voor de criteria L5G, MHK_C, AVI, SEI en REG_C de gewichten, bedoeld in Artikel 2.27, per klasse met het geraamde aantal verzekerden in de overeenkomstige klasse.

2.

Het Zorginstituut sommeert de op grond van het eerste lid berekende producten per zorgverzekeraar.

3.

Het Zorginstituut vermenigvuldigt per zorgverzekeraar de geraamde opbrengst per verzekerde met de verzekerden van achttien jaar of ouder die niet bedoeld zijn in Artikel 2.27, eerste lid. De uitkomsten worden per zorgverzekeraar gesommeerd en toegevoegd aan het resultaat na toepassing van het tweede lid.

4.

Voor de toepassing van artikel 8, eerste lid, van de Rrv, vermindert het Zorginstituut per zorgverzekeraar de uitkomst van het derde lid met de detentiefactor van 0,06837 procent.

5.

Het resultaat na toepassing van het vierde lid wordt aangeduid als normatieve opbrengst van het eigen risico 2025.

Artikel 2.29. De berekening van het normatieve bedrag en de berekening en toekenning van de vereveningsbijdrage

1.

Het Zorginstituut berekent het normatieve bedrag 2025 van een zorgverzekeraar als de som van het deelbedrag variabele zorgkosten 2025, het deelbedrag vaste zorgkosten 2025 en het deelbedrag kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg 2025.

2.

Het Zorginstituut berekent de opbrengst van de nominale rekenpremie 2025 per zorgverzekeraar door de geraamde aantallen verzekerden van achttien jaar of ouder 2025 per zorgverzekeraar te vermenigvuldigen met de nominale rekenpremie 2025.

3.

Voor de toepassing van artikel 7, derde lid, van de Rrv, vermindert het Zorginstituut het resultaat na toepassing van het tweede lid met de detentiefactor van 0,06837 procent.

4.

Het Zorginstituut berekent de vereveningsbijdrage 2025 voor een zorgverzekeraar door op het normatieve bedrag 2025, bedoeld in het eerste lid, de normatieve opbrengst van het eigen risico 2025 zoals bepaald in Artikel 2.28, vijfde lid, en de op grond van het tweede en derde lid berekende opbrengst van de nominale rekenpremie 2025 in mindering te brengen.

3 Hoofdstuk III. De herberekening van de toegekende bijdrage (lenteherberekening)

Artikel 3.1. Herberekeningen als gevolg van splitsing van de zorgverzekeraar

1.

Indien een zorgverzekeraar na de toekenning van de vereveningsbijdrage 2025 besluit zich te splitsen, verzoekt het Zorginstituut de zorgverzekeraar om mee te delen hoe naar zijn verwachting de geraamde verzekerdenaantallen 2025 verdeeld zullen worden, over nieuwe dan wel bestaande zorgverzekeraars als gevolg van de splitsing.

2.

Het Zorginstituut kan de toegekende vereveningsbijdrage herzien en bijdragen aan nieuwe dan wel bestaande zorgverzekeraars toekennen, rekening houdend met de meegedeelde geraamde verzekerdenaantallen en het tijdstip waarop de splitsing wordt gerealiseerd.

Artikel 3.2. De herberekening en herziening van de toegekende bijdrage 2025

1.

Het Zorginstituut baseert de herberekening van de vereveningsbijdrage op de verzekerdenaantallen 2025 volgens de opgaven van de zorgverzekeraars aan het Zorginstituut op 7 maart 2025.

2.

Het Zorginstituut herberekent de vereveningsbijdrage 2025, zoals toegekend op grond van Artikel 2.29, vierde lid, per zorgverzekeraar en betrekt daarbij de verzekerden die, volgens opgave van Vektis, op peildatum 15 februari 2025 zijn ingeschreven bij die zorgverzekeraar.

3.

Het Zorginstituut voert de herberekening van de toegekende vereveningsbijdrage 2025 als volgt uit: Het Zorginstituut deelt per zorgverzekeraar het totaal aantal verzekerden uit de opgaven, bedoeld in het eerste lid, door het geraamde totaal aantal verzekerden 2025 uit het tweede lid en vermenigvuldigt per zorgverzekeraar de uitkomst hiervan met de op grond van het tweede lid herberekende vereveningsbijdrage 2025.

4.

Het Zorginstituut herziet de op grond van Artikel 2.29, vierde lid, toegekende vereveningsbijdrage 2025 overeenkomstig de herberekening bedoeld in het derde lid.

4 Hoofdstuk IV. De eerste voorlopige vaststelling van de vereveningsbijdrage voor een zorgverzekeraar

Artikel 4.1. Algemene bepaling verzekerdenaantallen

1.

Het Zorginstituut voert de correcties door die de Nederlandse Zorgautoriteit heeft toegepast over 2025 bij de vaststelling van de verzekerdenaantallen 2025.

2.

Het Zorginstituut bepaalt de verzekerdenaantallen 2025 met inachtneming van het bepaalde in dit artikel en met inachtneming vanArtikel 2.2, 2.3 en 2.4.

3.

Het Zorginstituut baseert de bepaling van de verzekerdenaantallen per zorgverzekeraar op het PKB 2025.

4.

Het Zorginstituut deelt verzekerden zonder burgerservicenummer en verzekerden zonder geverifieerd burgerservicenummer uitsluitend in bij de criteria L5G, REG_C en REG_G.

5.

Wanneer een verzekerde tegelijkertijd bij meer dan één zorgverzekeraar is ingeschreven, past het Zorginstituut artikel 10 van de Rrv toe.

6.

Het Zorginstituut past het bepaalde in het eerste tot en met vijfde lid toe bij Artikel 4.20, Artikel 4.21, Artikel 4.23, Artikel 4.25 en Artikel 5.2.

Artikel 4.2. L5G

1.

Het Zorginstituut baseert het aantal verzekerden per zorgverzekeraar voor het criterium L5G op:

  • a. de indeling in L5G-klassen 2025 zoals weergegeven in het referentiebestand dat is opgenomen in Bijlage 1 van deze Beleidsregels; en
  • b. het PKB 2025.
2.

Het Zorginstituut bepaalt op basis van het eerste lid in welke L5G-klasse een verzekerde wordt ingedeeld.

Artikel 4.3. FKG_C

1.

Het Zorginstituut baseert het aantal verzekerden per zorgverzekeraar voor het criterium FKG_C op:

  • a. de indeling in FKG_C-klassen 2025 zoals weergegeven in het referentiebestand dat is opgenomen in Bijlage 2 van deze Beleidsregels;
  • b. de opgave per 1 juni 2025 van declaraties farmaceutische zorg 2024 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer van de zorgverzekeraars aan het Zorginstituut; en
  • c. de opgave per 1 juni 2026 van declaraties add-on geneesmiddelen 2024 van de zorgverzekeraars aan het Zorginstituut.
2.

Het Zorginstituut koppelt de gegevens, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b en c, met het gepseudonimiseerde burgerservicenummer aan het PKB 2025 en bepaalt daarmee en met inachtneming van Bijlage 2 van deze Beleidsregels, in welke FKG_C-klassen een verzekerde wordt ingedeeld.

3.

Als een verzekerde niet in een andere klasse dan ‘Geen FKG_C’ valt, deelt het Zorginstituut deze verzekerde in de klasse ‘Geen FKG_C’ in.

Artikel 4.4. FKG_G

1.

Het Zorginstituut baseert het aantal verzekerden per zorgverzekeraar voor het criterium FKG_G op:

  • a. de indeling in FKG_G-klassen 2025 zoals weergegeven in het referentiebestand dat is opgenomen in Bijlage 3 van deze Beleidsregels; en
  • b. de opgave per 1 juni 2025 van declaraties farmaceutische zorg 2024 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer van de zorgverzekeraars aan het Zorginstituut.
2.

Het Zorginstituut koppelt de gegevens, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, met het gepseudonimiseerde burgerservicenummer aan het PKB 2025 en bepaalt daarmee en met inachtneming van Bijlage 3 van deze Beleidsregels, in welke FKG_G-klassen een verzekerde wordt ingedeeld.

3.

Als een verzekerde niet in een andere klasse dan ‘Geen FKG_G’ valt, deelt het Zorginstituut deze verzekerde in de klasse ‘Geen FKG_G’ in.

Artikel 4.5. DKG_C

1.

Het Zorginstituut baseert het aantal verzekerden per zorgverzekeraar voor het criterium DKG_C op:

  • a. de indeling in DKG_C-klassen 2025 zoals weergegeven in het referentiebestand dat is opgenomen in Bijlage 4 van deze Beleidsregels; en
  • b. de opgave van de zorgverzekeraar per 1 juni 2026 aan het Zorginstituut van de declaraties per gepseudonimiseerd burgerservicenummer van dbc’s die in 2024 geopend zijn;
2.

Het Zorginstituut koppelt de gegevens, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, met het gepseudonimiseerde burgerservicenummer aan het PKB 2025 en bepaalt daarmee en met inachtneming van Bijlage 4 van deze Beleidsregels, in welke DKG_C-klassen een verzekerde wordt ingedeeld.

3.

Als een verzekerde niet in een andere klasse dan ‘Geen DKG_C’ is ingedeeld, deelt het Zorginstituut deze verzekerde in de klasse ‘Geen DKG_C’ in.

Artikel 4.6. DKG_G

1.

Het Zorginstituut baseert het aantal verzekerden per zorgverzekeraar voor het criterium DKG_G op:

  • a. de indeling in DKG_G-klassen 2025 zoals weergegeven in het referentiebestand dat is opgenomen in Bijlage 5 van deze Beleidsregels;
  • b. de opgave van de zorgverzekeraar per 1 juni 2026 aan het Zorginstituut van de declaraties per gepseudonimiseerd burgerservicenummer van alle GGZ-prestaties in 2024;
  • c. de opgave van de zorgverzekeraar per 1 juni 2025 aan het Zorginstituut van de declaraties per gepseudonimiseerd burgerservicenummer van alle GGZ-prestaties in 2023;
  • d. de opgave van de zorgverzekeraar per 1 juni 2024 aan het Zorginstituut van de declaraties per gepseudonimiseerd burgerservicenummer van alle GGZ-prestaties in 2022; en
  • e. de raming van de Nederlandse Zorgautoriteit van de directe en indirecte behandelminuten per prestatie onder het Zorgprestatiemodel, zoals vastgelegd in de Verantwoording tarieven Zorgprestatiemodel.
2.

Het Zorginstituut bepaalt een ophoogfactor per prestatie met de gegevens, bedoeld in het eerste lid, onderdeel e, door de som van de directe en indirecte behandelminuten te delen door het aantal directe behandelminuten.

3.

Het Zorginstituut past op de gegevens, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, c en d, per prestatie de toepasselijke ophoogfactor toe op het aantal gedeclareerde behandelminuten.

4.

Het Zorginstituut koppelt de gegevens, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b tot en met d, na toepassing van het derde lid, met het gepseudonimiseerde burgerservicenummer aan het PKB 2025. Het Zorginstituut bepaalt daarmee en met inachtneming van Bijlage 5 van deze Beleidsregels, in welke DKG_G-klasse een verzekerde wordt ingedeeld.

5.

Als een verzekerde niet in een andere klasse dan ‘Geen DKG_G’ valt, deelt het Zorginstituut deze verzekerde in de klasse ‘Geen DKG_G’ in.

Artikel 4.7. FDG_C

1.

Het Zorginstituut baseert het aantal verzekerden per zorgverzekeraar voor het criterium FDG_C op:

  • a. de indeling in FDG_C klassen 2025 zoals weergegeven in het referentiebestand dat is opgenomen in Bijlage 6 van deze Beleidsregels;
  • b. de opgave per 1 juni 2025 van declaraties fysiotherapie en oefentherapie 2024 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer van de zorgverzekeraars aan het Zorginstituut; en
  • c. het PKB 2024.
2.

Het Zorginstituut koppelt de gegevens, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b en c, met het gepseudonimiseerde burgerservicenummer aan het PKB 2025 en bepaalt daarmee en met inachtneming van Bijlage 6 van deze Beleidsregels, in welke FDG_C klasse een verzekerde wordt ingedeeld.

3.

Als een verzekerde niet in een andere klasse dan ‘Geen FDG_C’ valt, deelt het Zorginstituut deze verzekerde in de klasse ‘Geen FDG_C’ in.

Artikel 4.8. IBZ_C

1.

Het Zorginstituut baseert het aantal verzekerden per zorgverzekeraar voor het criterium IBZ_C op:

  • a. de indeling in IBZ_C klassen 2025 zoals weergegeven in het referentiebestand dat is opgenomen in Bijlage 7 van deze Beleidsregels;
  • b. de som van de kosten 2024 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer zoals zorgverzekeraars die op 1 mei 2026 bij het Zorginstituut hebben aangeleverd van:
  • –. verloskunde en verloskunde via integrale geboortezorg;
  • –. kraamzorg en kraamzorg via integrale geboortezorg; en
  • –. verloskunde voor medisch-specialistische zorg en verblijf gezonde zuigelingen;
  • c. de som van de kosten 2023 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer tot en met 31 december 2025, zoals zorgverzekeraars die op 1 mei 2026 bij het Zorginstituut hebben aangeleverd van:
  • –. verloskunde en verloskunde via integrale geboortezorg;
  • –. kraamzorg en kraamzorg via integrale geboortezorg; en
  • –. verloskunde voor medisch-specialistische zorg en verblijf gezonde zuigelingen.
2.

Het Zorginstituut koppelt de gegevens, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b en c, met het gepseudonimiseerde burgerservicenummer aan het PKB 2025 en bepaalt daarmee en met inachtneming van Bijlage 7 van deze Beleidsregels, in welke IBZ_C klasse een verzekerde wordt ingedeeld.

3.

Als een verzekerde niet in een andere klasse dan ‘Geen IBZ_C’ valt, deelt het Zorginstituut deze verzekerde in de klasse ‘Geen IBZ_C’ in.

Artikel 4.9. HSM_C

1.

Het Zorginstituut baseert het aantal verzekerden per zorgverzekeraar voor het criterium HSM_C op:

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)