Regeling van het College voor toetsen en examens van 3 februari 2025, Cvte-25.00469, houdende vaststelling van de toetswijzer voor de doorstroomtoets in het primair onderwijs op Bonaire (Regeling toetswijzer doorstroomtoets PO Bonaire)

Type ZBO-regeling
Publication 2025-08-01
State In force
Source BWB
artikelen 3
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Het schrijven van teksten doet een beroep op veel zogenaamde hogere denkvaardigheden. Zeker wanneer leerlingen in een vreemde taal moeten leren schrijven is de cognitieve belasting extra hoog. De woordenschat is bij het schrijven in een vreemde taal beperkter en de grammatica en spelling wijken af van de taal of talen die leerlingen van huis uit kennen. Daarnaast moeten leerlingen tijdens het schrijven de hogere orde denkvaardigheden tegelijkertijd uitvoeren: ideeën verzamelen en ordenen, formuleren, tekstkenmerken kennen en toepassen, afstemmen op doel en publiek, reviseren. Bij jonge leerlingen leidt dit tot cognitieve overbelasting. Om deze te verminderen is het heel belangrijk dat leerlingen met effectieve instructie ondersteund worden bij het schrijven. Dit helpt hen om te leren om hun aanpak van knowledge telling (idee bedenken, opschrijven, volgende idee, opschrijven, tekst is klaar als ideeën op zijn) te veranderen in een effectieve aanpak van knowledge transforming (ideeën verzamelen en evalueren en ze bewerken in het licht van het doel en het publiek van de tekst). Effectieve ondersteuning kan bij het toetsen van schrijfvaardigheid gegeven worden met een heldere schrijfopdracht die duidelijk maakt wat er op de belangrijke aspecten van schrijfvaardigheid van leerlingen verwacht wordt.

Algemene communicatieve schrijfvaardigheid wordt in het ERK als volgt gedefinieerd:

De volgende subcategorieën, taken en sleutelbegrippen worden beschreven:

Kwaliteitseisen voor de toetsing van schrijven:

5.10.3. Taalactiviteiten productief mondelinge interactie (gesprekken voeren)

De grens tussen spreken in monologen of in gesprekken is vaag. Sommige mensen houden lange monologen tijdens gesprekken en ook de duur van beurten in gesprekken kunnen flink uiteenlopen. Bij het voeren van gesprekken staat de interactie centraal en het is dan ook geen wonder dat het ERK gespreksvaardigheid als mondelinge interactie aanduidt. Het gaat om situaties waarin leerlingen met een of meerdere gesprekspartner(s) in het hier en nu communiceren, afwisselend de rol van spreker en luisteraar hebben en op elkaar reageren door in te gaan op elkaars gespreksbijdragen. Het voeren van gesprekken is voor het leren van een vreemde taal uitermate belangrijk: de directe communicatie door de aanwezigheid van en interactie met gesprekdeelnemer(s) biedt steun bij actieve taalproductie die op haar beurt belangrijk is voor het leren van een taal.

Algemene gespreksvaardigheid wordt in het ERK als volgt gedefinieerd:

De volgende subcategorieën, taken en sleutelbegrippen worden beschreven:

Kwaliteitseisen voor de toetsing van gespreksvaardigheid:

5.10.4. Strategieën

Een strategie kan kort gedefinieerd worden als “een plan van (mentaal) handelen om een doel te bereiken. Dergelijke plannen kan men zich voorstellen in de vorm van ‘als...dan’-combinaties: Als ik ...wil bereiken, dan doe ik...”.30Bimmel & Stawski (1996). Talleerstrategieen in het vreemde talenonderwijs. Levende Talen Magazine,83(510), 263-267. In het ERK worden strategieën gedefinieerd als ‘de acties die ondernomen worden om de communicatie beter te laten slagen’.

Voor het leren van (vreemde) talen is strategiegebruik heel belangrijk. Ervaren taalleerders maken al dan niet bewust gebruik van strategieën. Voorbeelden van zulke strategieën zijn: een schematische opzet voor een artikel dat je gaat schrijven, kennis van andere talen gebruiken bij het leren van een taal (transfer) en woordbetekenis afleiden uit de context.

Het ERK bevat geen algemene omschrijving van taalstrategieën voor de verschillende niveaus gedefinieerd. Wel worden strategieën onderscheiden voor de taalactiviteiten. Deze zijn ingedeeld in: receptieve strategieën, productieve strategieën, mediation en strategieën om een tekst te vereenvoudigen.

Bij receptieve strategieën gaat het om het herkennen en afleiden van aanwijzingen uit tekst (bij lezen) en context (bij luisteren). De can-do beschrijvingen hebben voornamelijk betrekking op woordenschat en zijn aan bod gekomen bij de verplichte taalactiviteiten lezen en luisteren. Het gaat daarbij om vaardigheden die je bij het lezen en luisteren (al dan niet bewust) inzet voor het bereiken van het lees of luisterdoel. Een voorbeeld van een can-do beschrijving op niveau B1 bij lezen is: kan elementaire gevolgtrekkingen of voorspellingen maken met betrekking tot de inhoud van een tekst op basis van koppen en titels.

De productieve strategieën zijn ingedeeld in: planning, compensatie, monitoring en herstel, interactie, mediation en strategieën om een tekst te vereenvoudigen. Voor de complexere subcategorieën, zoals planning, monitoring en herstel zijn er veelal geen can-do beschrijvingen voor het niveau A2 voorhanden.

Kwaliteitseisen voor de toetsing van strategieën:

5.10.5. Mediation

De vierde modus mediation komt niet in aanmerking voor toetsing op de niveaus A2 en B1. Hierom volstaan we met een korte beschrijving en argumentatie. Bij mediation gaat het om bemiddeling van tekst, concepten, of communicatie. Bij mediation (van communicatie) zijn alle taalactiviteiten in het geding die de communicatie bevorderen en vergemakkelijken zoals: schakelen tussen verschillende talen, samenvatten in meertalige context, uitleggen, vertellen, parafraseren en bemiddelen tussen twee sprekers. Bij mediation van tekst gaat het om specifieke informatie doorgeven, gegevens uitleggen, vertalen, aantekeningen maken e.d. Bij mediation van concepten gaat het om samenwerken in een groep, groepswerk leiden of dialogen over concepten aanmoedigen.

Met name bij mediation van tekst is het inzetten van de voordelen van meertalige taalsituaties, zoals op Bonaire het geval is, aan de orde. Wanneer de beheersing van de te leren taal (taal A) tekort schiet, kan een andere taal (taal B) ingezet worden om communicatie mogelijk te maken. Helaas zijn deze can-do beschrijvingen niet valide en betrouwbaar te toetsen. Het gaat steeds om vaardigheden in beide talen waardoor het onmogelijk is om de taalprestaties in de vreemde taal te beoordelen.

Ook het toetsen van mediation van communicatie heeft bij het optreden als intermediair in informele situaties te maken met de inzet van de eigen taal om over te brengen wat in een andere taal is gezegd.

Bij de subcategorieën ‘pluri-culturele ruimte mogelijk maken’ en ‘communicatie mogelijk maken in gevoelige situaties’ zijn de can-do beschrijvingen dermate van een algemeen communicatieve aard dat ze weinig aangrijpingspunten geven voor toetsing. Een voorbeeld van een can-do beschrijving op het niveau B1 is: ‘kan op een ondersteunende manier optreden bij cross-culturele ontmoetingen en de gevoelens en verschillende wereldbeelden van ander leden van de groep herkennen’.

Mediation van concepten is sterk gericht op samenwerking in het algemeen. Het overlapt voor het aspect taal sterk met wat bij spreken aan bod komt en levert te weinig aanknopingspunten voor de toetsing van specifieke taalactiviteiten.

5.10.6. Taalcompetenties

De communicatieve taalcompetenties beschrijven de verschillende aspecten van de taalbeheersing in de communicatie: algemeen linguïstisch bereik, beheersing en bereik van de woordenschat, grammaticale nauwkeurigheid, fonologische beheersing, orthografische beheersing, sociolinguïstische trefzekerheid, flexibiliteit, het woord (de beurt) nemen, thematische ontwikkeling, coherentie en cohesie, propositionele nauwkeurigheid, en vloeiendheid. Voor een algemene beschrijving van deze aspecten verwijzen we naar paragraaf 5.1.

De can-do beschrijvingen bij de communicatieve taalcompetenties hebben betrekking op receptieve en productieve taalactiviteiten en zijn voor de niveaus A2 en B1 beschreven in het ERK. De can-do beschrijvingen van de communicatieve taalcompetenties vertonen veel overlap met de can-do beschrijvingen van de taalactiviteiten die al in deze toetswijzer aan bod gekomen zijn. Deze can-do beschrijving komt ook aan bod bij spreekvaardigheid. Bereik en beheersing van de woordenschat zijn in deze toetswijzer meegenomen bij leesvaardigheid. Daarnaast kan het bereik van de woordenschat optioneel apart getoetst worden.

Andere aspecten zoals grammaticale nauwkeurigheid, fonologische en orthografische beheersing, propositionele nauwkeurigheid beschrijven taalkundige kennis- en vaardigheden die ondersteunend zijn aan de uitvoering van communicatieve taaltaken. De can-do beschrijvingen in het ERK geven aan dat de communicatieve functie van taal voorop staat. Omdat het bij het leren van een vreemde taal op de niveaus t/m B1 onvermijdelijk is dat er grammaticale, fonologische, of orthografische fouten gemaakt worden, worden deze fouten gezien als passend bij de stadia van taalbeheersing. Een voorbeeld van een can-do beschrijving voor grammaticale nauwkeurigheid op niveau B1 is: ‘vertoont over het algemeen een goede grammaticale beheersing hoewel met merkbare invloed uit de moedertaal. Fouten komen voor, maar het is duidelijk wat die probeert uit te drukken’.

De aspecten flexibiliteit en het woord (de beurt) nemen vertonen veel overlap met spreekvaardigheid. Thematische ontwikkeling overlapt met spreek- en schrijfvaardigheid vanwege de aandacht voor het structureren van teksten. Een voorbeeld van een can-do beschrijving op A2 niveau is: ‘beschrijving met simpele opsomming’, en op niveau B1: ‘chronologische volgorde in een verhaal’. Coherentie en cohesie hebben eveneens betrekking op de productieve taalactiviteiten. Het gaat hierbij met name om gebruik van verbindingswoorden en het aanbrengen van alinea-indelingen. Propositionele nauwkeurigheid heeft betrekking op het overbrengen van informatie en overlapt met mediation van een tekst. Vloeiendheid ten slotte gaat over het gemak waarmee een spreker zich kan uitdrukken.

Kwaliteitseisen voor de toetsing van taalcompetenties:

Meertalige en pluriculturele competenties komen niet in aanmerking voor toetsing op de niveaus A2 en B1. We volstaan met een korte beschrijving en argumentatie.

Bij meertalige en pluriculturele competenties gaat het bij het onderdeel meertalig begrip om het kunnen inzetten van vaardigheden en kennis in één taal voor het begrijpen van en zich kunnen uitdrukken in een andere taal. Het verschil met mediation van tekst is dat het hier gaat om gebruik maken van parallellen tussen verschillende talen (bijvoorbeeld Haus/huis/house).

Voortbouwen op pluricultureel repertoire gaat over culturele conventies in de communicatie: verschillende vormen van begroeten, conventies m.b.t lichaamshouding, oogcontact e.d. Hoewel deze conventies heel belangrijk zijn om te kennen bij het gebruiken van een vreemde taal, ligt (afzonderlijke) toetsing ervan niet voor de hand. Het zijn vaardigheden die vanaf niveau B2 het niveau van het respecteren van eenvoudige conventies overstijgt. Een voorbeeld van een can-do beschrijving op niveau B2 is: ‘kan de standpunten en gebruiken van diens eigen en andere sociale groepen beschrijven en evalueren en toont daarbij bewustzijn van de impliciete waarden waarop (voor)oordelen zijn gebaseerd’.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)