Mandaatbesluit BZK 2025

Type Ministeriële regeling
Publication 2026-07-29
Laatst bijgewerkt 2026-08-04
State In force
Source BWB
artikelen 89
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

handelend in overeenstemming met de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (Digitalisering en Koninkrijksrelaties) en de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (Herstel Groningen);

gelet op artikel 3, tweede lid, van het Coördinatiebesluit organisatie en bedrijfsvoering rijksdienst;

vast te stellen het navolgende Mandaatbesluit BZK:

Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen

Artikel 1.1

In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

  • a. Ministerie: het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK);
  • b. Minister: de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties;
  • c. staatssecretaris: de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties;
  • d. bewindspersoon: de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening of de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, afhankelijk van wie het aangaat;
  • e. Staat: de Staat der Nederlanden.
  • f. directeur-generaal: een directeur-generaal en een plaatsvervangend directeur-generaal;
  • g. algemeen directeur: de algemeen directeur Logius, de algemeen directeur Rijksdienst voor Identiteitsgegevens (RvIG) en de algemeen directeur van de dienst Nationaal Coördinator Groningen (NCG);
  • h. directeur: de leidinggevende, daaronder begrepen de Nationaal Coördinator tegen Discriminatie en Racisme en de regeringscommissaris Omgevingswet, werkzaam binnen een in het Organisatiebesluit BZK 2025 genoemd dienstonderdeel die rechtstreeks ressorteert onder de secretaris-generaal, de plaatsvervangend secretaris-generaal of een directeur-generaal;
  • i. mandaat: de bevoegdheid om namens een bewindspersoon besluiten te nemen en stukken af te doen en te ondertekenen;
  • k. werkterrein: de taken van de betreffende functionaris en zijn dienstonderdeel overeenkomstig het Organisatiebesluit BZK 2025 en de daarop berustende bepalingen;
  • l. Cluster Mensen en Middelen: de directies Personeel & Organisatie (P&O), Financieel-Economische Zaken (FEZ), CIO & Informatiemanagement en het secretariaat van de Raad voor het Openbaar Bestuur;
  • m. Cluster Bestuursondersteuning: de directies Communicatie, Bestuursadvisering en Kennis, Internationaal, Europa en Macro-economie;
  • n. BZK Kerndepartement: de directoraten-generaal Openbaar Bestuur en Democratische Rechtsstaat, Volkshuisvesting en Bouwen, Koninkrijksrelaties, Digitalisering en Overheidsorganisatie, Ruimtelijke Ordening en de clusters Mensen en Middelen en Bestuursondersteuning.
Artikel 1.2

Voor de toepassing van dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt met de verlening van mandaat gelijkgesteld de verlening van:

  • a. volmacht om namens een bewindspersoon privaatrechtelijke rechtshandelingen te verrichten;
  • b. machtiging om namens een bewindspersoon handelingen te verrichten die noch een besluit noch een privaatrechtelijke rechtshandeling zijn.

Hoofdstuk 2. Uitzonderingen mandaat

Artikel 2.1

Mandaat wordt niet verleend met betrekking tot:

  • a. het vaststellen van een algemeen verbindend voorschrift;
  • b. het beslissen op een bezwaarschrift tegen een besluit dat persoonlijk door een bewindspersoon of de secretaris-generaal is genomen;
  • c. het beslissen op een beroepschrift;
  • d. het instellen van een agentschap bij het ministerie;
  • e. het oprichten van een rechtspersoon;
  • f. het geven van aanwijzingen aan een ander bestuursorgaan op grond van een wettelijk voorschrift;
  • i. het uitoefenen van de op grond van departementale regelgeving aan de minister voorbehouden bevoegdheden met betrekking tot vertrouwensfuncties en veiligheidsonderzoeken;
  • j. het instellen van een adviescommissie of klachtencommissie waarvan de voorzitter geen deel uitmaakt van het ministerie en niet werkzaam is onder verantwoordelijkheid van een bewindspersoon, en het benoemen en ontslaan van de (plaatsvervangend) voorzitter en (plaatsvervangend) leden van die commissie;
  • k. het verlenen van goedkeuring aan, het schorsen of het vernietigen van, dan wel het onthouden van goedkeuring aan besluiten van een ander bestuursorgaan;
  • l. het definitief buiten invordering stellen dan wel kwijtschelden van vorderingen op derden vanaf door de Minister van Financiën vastgestelde grensbedragen;
  • m. het definitief vaststellen van een sectorale arbeidsvoorwaardenovereenkomst waarvoor de minister verantwoordelijk is;
  • n. een stuk dat bij de ontvanger de indruk kan wekken dat de ondertekenaar persoonlijk een beslissing neemt die door een bewindspersoon behoort te worden genomen.
Artikel 2.2
1.

Mandaat wordt evenmin verleend met betrekking tot stukken bestemd voor:

  • a. de Koning;
  • b. de Raad van Ministers (van het Koninkrijk) en daaruit gevormde onderraden en commissies;
  • c. de voorzitters van de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal en de voorzitters van uit de Kamers gevormde commissies;
  • d. een Minister of een Staatssecretaris;
  • e. de Raad van State (van het Koninkrijk);
  • f. de Algemene Rekenkamer;
  • g. de Nationale ombudsman;
  • h. de Gouverneurs van Aruba, Curaçao en Sint Maarten;
  • i. de Ministers van Aruba, Curaçao en Sint Maarten;
  • j. de Gevolmachtigde Ministers van Aruba, Curaçao en Sint Maarten;
  • k. de besturen van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba;
  • l. buitenlandse autoriteiten, in rang gelijk aan of hoger dan een bewindspersoon.
2.

De beperking in het verlenen van mandaat voor de gevallen genoemd in het eerste lid, is niet van toepassing indien het een stuk betreft van louter informatieve of administratieve aard, dan wel het een aangelegenheid betreft van ondergeschikt beleidsmatig of politiek belang.

Hoofdstuk 3. Secretaris-generaal

§ 1. Mandaat secretaris-generaal

Artikel 3.1

Aan de secretaris-generaal wordt mandaat verleend ten aanzien van aangelegenheden die, gelet op het Besluit regeling functie en verantwoordelijkheid van de secretaris-generaal (Stb. 1988, 499), behoren tot het werkterrein van de secretaris-generaal.

Artikel 3.2

Onverminderd het bepaalde in dit besluit, heeft het mandaat van de secretaris-generaal in ieder geval betrekking op:

  • a. het werkterrein van de functionarissen en organisatieonderdelen van het ministerie, met uitzondering van het werkterrein van het directoraat-generaal Algemene Bestuursdienst;
  • b. het beleid en beheer inzake alle aspecten van de bedrijfsvoering van het ministerie met inbegrip van aangelegenheden op organisatorisch, personeel, financieel en materieel gebied;
  • d. het rechtstreeks leiding geven aan de plaatsvervangend secretaris-generaal, de directeuren-generaal en overige rechtstreeks onder de secretaris-generaal ressorterende functionarissen, met uitzondering van de directeur-generaal van de Algemene Bestuursdienst voor zover anders is bepaald;
  • e. het nader vaststellen van de inrichting van het ministerie;
  • f. aangelegenheden die op grond van bovendepartementale regelgeving of afspraken op centraal departementaal niveau dienen te worden afgehandeld;
  • g. het beslissen op bezwaarschriften;
  • h. het optreden als gemachtigd ambtenaar in de zin van departementale regelgeving met betrekking tot de uitvoering van de Wet open overheid voor zover dat niet aan een directeur-generaal, algemeen directeur of directeur is gemandateerd;
  • i. het behandelen van klachten ingevolge een wettelijke regeling met betrekking tot klachtrecht, waarover door een commissie wordt gerapporteerd of geadviseerd;
  • j. het vertegenwoordigen van de minister in het Decentraal Georganiseerd Overleg, zoals genoemd in paragraaf 27.2 CAO Rijk 2024–2025;
  • l. de verantwoordelijkheid voor het beheer van de archiefbescheiden bij het ministerie op grond van de geldende wet- en regelgeving;
  • m. het vertegenwoordigen van een bewindspersoon (als bestuursorgaan of namens de Staat) in gerechtelijke procedures waarbij het ministerie is betrokken;
  • o. de bevoegdheid om te beslissen op bezwaarschriften tegen namens een bewindspersoon genomen besluiten met betrekking tot de uitvoering van de begroting voor Koninkrijksrelaties, met uitzondering van besluiten die door een bewindspersoon of de secretaris-generaal zijn genomen;
  • p. het wijzigen van bijlage 1 van dit besluit;
  • q. het behandelen van geschillen met werknemers;
  • r. het benoemen en ontslaan van departementale vertrouwenspersonen;
  • s. het vaststellen van beleidsregels en circulaires met betrekking tot de aangelegenheden, bedoeld in dit artikel.

§ 2. Beperkingen mandaat secretaris-generaal

Artikel 3.3
1.

Het mandaat van de secretaris-generaal is niet van toepassing op:

  • a. beslissingen ten aanzien van de directeur-generaal voor de Algemene Bestuursdienst, voor zover deze samenhangen met het werkterrein van het directoraat- generaal Algemene Bestuursdienst;
  • c. de bevoegdheden die zijn toebedeeld aan het bestuur en de voorzitter van de Huurcommissie;
  • d. de bevoegdheden die zijn toebedeeld aan het bestuur en de voorzitter van de Toelatingsorganisatie Kwaliteitsborging Bouw.
2.

Voor het aangaan van (meerjarige) verplichtingen op het terrein van ICT boven de 10 miljoen euro inclusief BTW per (meerjarige) verplichting heeft de secretaris-generaal volmacht samen met de plaatsvervangend secretaris-generaal respectievelijk de betreffende directeur-generaal.

§ 3. Ondermandaat en plaatsvervanging

Artikel 3.4
1.

De secretaris-generaal is, voor zover niet anders is bepaald, bevoegd tot het verlenen van ondermandaat aan onder hem ressorterende functionarissen respectievelijk tot het beperken of het intrekken daarvan.

2.

De secretaris-generaal kan, voor zover niet anders is bepaald, bij het verlenen van ondermandaat tevens de bevoegdheid toekennen tot het verlenen van ondermandaat aan een rechtstreeks onder de gemandateerde ressorterende functionaris of in bijzondere gevallen aan een andere functionaris.

3.

De secretaris-generaal is bevoegd om in bijzondere gevallen, naast of in plaats van deze paragraaf, mondeling of schriftelijk ondermandaat te verlenen aan een onder hem ressorterende functionaris voor een bepaald geval.

Artikel 3.5

De secretaris-generaal verleent ondermandaat bij schriftelijk besluit, met uitzondering van de in artikel 3.4, derde lid, beschreven situatie, na advies van de directeur Constitutionele Zaken en Wetgeving, de directeur FEZ en de directeur P&O.

Artikel 3.6

Bij tijdelijke afwezigheid of verhindering van de secretaris-generaal worden diens taken uitgeoefend door de plaatsvervangend secretaris-generaal. Bij diens afwezigheid wordt één van de directeuren-generaal belast, naar anciënniteit van de benoeming in de functie van directeur-generaal binnen BZK Kerndepartement.

Hoofdstuk 4. Plaatsvervangend secretaris-generaal

§ 1. Mandaat plaatsvervangend secretaris-generaal

Artikel 4.1

Aan de plaatsvervangend secretaris-generaal wordt mandaat verleend ten aanzien van aangelegenheden die behoren tot het werkterrein van de plaatsvervangend secretaris-generaal en de onder de plaatsvervangend secretaris-generaal ressorterende functionarissen en dienstonderdelen.

Artikel 4.2

Onverminderd het bepaalde in dit besluit, heeft het mandaat van de plaatsvervangend secretaris-generaal in ieder geval betrekking op:

  • a. het vervangen van de secretaris-generaal bij diens afwezigheid of verhindering. Hij treedt alsdan in de verantwoordelijkheden en bevoegdheden van de secretaris-generaal;
  • b. het beleid en beheer inzake alle aspecten van de bedrijfsvoering van het ministerie met inbegrip van aangelegenheden op organisatorisch, personeel, financieel en materieel gebied;
  • c. het vaststellen van de capaciteitsplannen binnen de door de secretaris-generaal vastgestelde formatie van de onder de plaatsvervangend secretaris-generaal ressorterende dienstonderdelen;
  • e. het leiding geven aan de rechtstreeks onder de plaatsvervangend secretaris-generaal ressorterende functionarissen;
  • f. het vertegenwoordigen van een bewindspersoon (als bestuursorgaan of namens de Staat) in gerechtelijke procedures waarbij het dienstonderdeel is betrokken;
  • g. het vaststellen van beleidsregels en circulaires met betrekking tot aangelegenheden op het werkterrein van de plaatsvervangend secretaris-generaal;
  • h. het beheer van de archiefbescheiden van de onder de plaatsvervangend secretaris-generaal ressorterende dienstonderdelen op grond van de desbetreffende departementale regelgeving;
  • i. het beslissen op bezwaarschriften gericht tegen besluiten inzake aangelegenheden die behoren tot zijn werkterrein met uitzondering van die besluiten die door een bewindspersoon, de secretaris-generaal, de plaatsvervangend secretaris-generaal of de directeur-generaal zijn genomen, onverminderd artikel 5.3 en voor zover in wet- en regelgeving niet anders is bepaald;
  • j. het inschakelen van de Landsadvocaat voor ondersteuning en vertegenwoordiging van het ministerie;
  • k. het behandelen van geschillen met werknemers die werkzaam zijn bij het dienstonderdeel dat onder de plaatsvervangend secretaris-generaal ressorteert;
  • l. het optreden als gemachtigd ambtenaar in de zin van departementale regelgeving met betrekking tot uitvoering van de Wet open overheid voor zover het aangelegenheden op het werkterrein van de plaatsvervangend secretaris-generaal betreft;
  • m. het afnemen van de eed of de belofte van ambtenaren werkzaam binnen het ministerie.

§ 2. Beperking mandaat plaatsvervangend secretaris-generaal

Artikel 4.3
1.

Het mandaat van de plaatsvervangend secretaris-generaal is niet van toepassing op:

  • a. het nader vaststellen van de inrichting van de onder de plaatsvervangend secretaris-generaal ressorterende dienstonderdelen op basis van het Organisatiebesluit BZK 2025;
  • b. aangelegenheden die op grond van bovendepartementale regelgeving of afspraken op centraal departementaal niveau dienen te worden afgehandeld;
  • c. het vertegenwoordigen van de minister in het Decentraal Georganiseerd Overleg, zoals genoemd in de CAO Rijk 2024–2025;
  • e. het optreden als werkgever als bedoeld in hoofdstuk 13 en bijlage 13 van de CAO Rijk 2024–2025;
  • g. het vaststellen en ondertekenen van beleidsregels en circulaires met betrekking tot de aangelegenheden, bedoeld in dit artikel;
  • h. het toekennen van vergoeding van representatiekosten op grond van paragraaf 11.3 CAO Rijk 2024–2025.
2.

Het eerste lid is niet van toepassing indien er sprake is van een situatie bedoeld in artikel 4.2, onder a.

Artikel 4.4
1.

Het mandaat van de plaatsvervangend secretaris-generaal met betrekking tot het aangaan van financiële verplichtingen en het doen van uitgaven is beperkt tot het budget dat aan de plaatsvervangend secretaris-generaal ter beschikking is gesteld op basis van een door de secretaris-generaal en de directeur FEZ goedgekeurde budgettaire uitwerking van dat deel van de begroting waarvoor de plaatsvervangend secretaris-generaal verantwoordelijk is, met een maximumbedrag per (meerjarige) verplichting als vermeld in bijlage 1 van dit besluit.

2.

De plaatsvervangend secretaris-generaal is bevoegd om in afwijking van het eerste lid financiële verplichtingen aan te gaan en uitgaven te doen, voor zover aan hem daartoe uitdrukkelijk en schriftelijk mandaat is verleend door een bewindspersoon of de secretaris-generaal, met instemming van de directeur FEZ.

3.

De plaatsvervangend secretaris-generaal legt over het door hem gevoerde financiële beheer verantwoording af aan de secretaris-generaal.

§ 3. Ondermandaat en plaatsvervanging

Artikel 4.5
1.

De plaatsvervangend secretaris-generaal is, voor zover niet anders is bepaald, bevoegd tot het verlenen van ondermandaat aan onder hem ressorterende functionarissen ten aanzien van aangelegenheden op het werkterrein van deze functionarissen, respectievelijk tot het beperken of intrekken daarvan.

2.

De plaatsvervangend secretaris-generaal is, voor zover de plaatsvervangend secretaris-generaal leiding geeft aan een dienst of agentschap, tevens bevoegd tot het verlenen van ondermandaat aan rechtstreeks onder de plaatsvervangend secretaris-generaal ressorterende functionarissen van de betreffende dienst of het agentschap voor het uitoefenen van integraal management met inbegrip van aangelegenheden op organisatorisch, personeel, financieel en materieel gebied.

3.

De plaatsvervangend secretaris-generaal kan bij toepassing van de bevoegdheid tot het verlenen van ondermandaat, bedoeld in het eerste lid, afwijken van hetgeen in artikel 7.5 van dit besluit is bepaald over het mandaat van de directeur, met uitzondering van het bepaalde in artikel 7.6 van dit besluit.

4.

De plaatsvervangend secretaris-generaal is bevoegd om in bijzondere gevallen, naast of in plaats van het bepaalde in het eerste, tweede en derde lid, mondeling of schriftelijk ondermandaat te verlenen aan een onder hem ressorterende functionaris voor een bepaald geval.

5.

De plaatsvervangend secretaris-generaal kan, voor zover niet anders is bepaald, bij het verlenen van ondermandaat tevens de bevoegdheid toekennen tot het verlenen van ondermandaat aan een rechtstreeks onder de gemandateerde ressorterende functionaris of in bijzondere gevallen aan een andere functionaris.

6.

Het verlenen van ondermandaat door de plaatsvervangend secretaris-generaal voor het aangaan van financiële verplichtingen en het doen van uitgaven is enkel mogelijk aan in bijlage 1 van dit besluit genoemde onder hem ressorterende functionarissen met inachtneming van het aldaar genoemde maximumgrensbedrag per (meerjarige) verplichting.

Artikel 4.6
1.

De plaatsvervangend secretaris-generaal verleent ondermandaat bij schriftelijk besluit, met uitzondering van de in artikel 4.5, vierde lid, beschreven situatie, in overeenstemming met de secretaris-generaal en na advies van de directeur FEZ en de directeur P&O.

2.

De voorgeschreven overeenstemming uit het eerste lid is niet van toepassing op het verlenen van financieel ondermandaat door de plaatsvervangend secretaris-generaal aan de in bijlage 1 van dit besluit genoemde onder hem ressorterende functionarissen voor zover dit een bedrag van € 50.000 niet te boven gaat.

Artikel 4.7
1.

Bij tijdelijke afwezigheid of verhindering van de plaatsvervangend secretaris-generaal worden diens taken uitgeoefend door de clusterdirecteur Mensen & Middelen of de clusterdirecteur Bestuursondersteuning. Bij diens afwezigheid geschiedt de aanwijzing van een plaatsvervanger voor de plaatsvervangend secretaris-generaal door de plaatsvervangend secretaris-generaal in overeenstemming met de secretaris-generaal.

2.

Van het eerste lid kan worden afgeweken indien de plaatsvervangend secretaris-generaal daartoe overeenstemming heeft bereikt met de secretaris-generaal.

Hoofdstuk 5. Directeuren-generaal

§ 1. Mandaat directeuren-generaal

Artikel 5.1

Aan de directeur-generaal wordt mandaat verleend ten aanzien van aangelegenheden die behoren tot het werkterrein van de directeur-generaal en de onder de directeur-generaal ressorterende functionarissen en dienstonderdelen.

Artikel 5.2
1.

Onverminderd het bepaalde in dit besluit, heeft het mandaat van de directeur-generaal in ieder geval betrekking op:

  • a. het uitoefenen van integraal management met inbegrip van aangelegenheden op organisatorisch, personeel, financieel en materieel gebied;
  • b. het vaststellen van de capaciteitsplannen binnen de door de secretaris-generaal vastgestelde formatie van de onder de directeuren-generaal ressorterende dienstonderdelen;
  • c. het leiding geven aan de rechtstreeks onder de directeur-generaal ressorterende functionarissen;
  • d. het optreden als bestuurder in de zin van de Wet op de ondernemingsraden in het overleg met de ondernemingsraad van de onder de directeur-generaal ressorterende dienstonderdelen, voor zover niet een onder de directeur-generaal ressorterende functionaris als zodanig optreedt;
  • e. het vertegenwoordigen van een bewindspersoon (als bestuursorgaan of namens de Staat) in gerechtelijke procedures waarbij het dienstonderdeel is betrokken;
  • f. het vaststellen van beleidsregels en circulaires met betrekking tot aangelegenheden op het werkterrein van de directeur-generaal;
  • g. het beheer van de archiefbescheiden van de onder de directeur-generaal ressorterende dienstonderdelen op grond van de desbetreffende departementale regelgeving;
  • h. het afnemen van de eed of de belofte van ambtenaren die werkzaam zijn bij een onder de directeur-generaal ressorterend dienstonderdeel;
  • i. het beslissen op bezwaarschriften gericht tegen besluiten inzake aangelegenheden die behoren tot zijn werkterrein met uitzondering van die besluiten die door een bewindspersoon, de secretaris-generaal of de directeur-generaal zijn genomen, onverminderd artikel 5.3 en voor zover in wet- en regelgeving niet anders is bepaald;
  • j. het inschakelen van de Landsadvocaat voor ondersteuning of vertegenwoordiging van het ministerie;
  • k. het behandelen van geschillen met werknemers die werkzaam zijn bij het dienstonderdeel dat onder de directeur-generaal ressorteert;
  • l. het optreden als gemachtigd ambtenaar in de zin van departementale regelgeving met betrekking tot de uitvoering van de Wet open overheid voor zover het aangelegenheden op het werkterrein van de directeur-generaal betreft.
2.

Het eerste lid, onder a, b, d en k, is niet van toepassing op de directeuren-generaal van BZK Kerndepartement.

§ 2. Bijzonder mandaat directeur-generaal

Artikel 5.3
1.

Het mandaat van de directeur-generaal en van de plaatsvervangend directeur-generaal Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst omvat tevens de bevoegdheid om te besluiten op aanvragen als bedoeld in hoofdstuk 5 van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing op bezwaarschriften dienaangaande.

Artikel 5.4
1.

Het mandaat van de directeur-generaal en van de plaatsvervangend directeur-generaal Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst omvat tevens de bevoegdheid om te besluiten op aanvragen als bedoeld in hoofdstuk 5 van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing op bezwaarschriften dienaangaande.

§ 3. Beperkingen mandaat directeuren-generaal

Artikel 5.5

Het mandaat van de directeur-generaal Digitalisering en Overheidsorganisatie omvat tevens:

  • a. de leiding van het overleg in de Raad voor het Overheidspersoneelsbeleid tussen de werkgevers of verenigingen van werkgevers van de overheidssectoren en de aangesloten centrales van overheidspersoneel;
  • b. de leiding van het Sectoroverleg Rijk, zoals genoemd in paragraaf 27.1 van de CAO Rijk 2024–2025.
Artikel 5.6

Het mandaat van de directeur-generaal is niet van toepassing op:

  • a. de dienstonderdeel overstijgende kaders van het beleid en beheer inzake alle aspecten van de bedrijfsvoering van het ministerie met inbegrip van aangelegenheden op organisatorisch, personeel, financieel en materieel gebied en aangelegenheden met betrekking tot het verrichten van privaatrechtelijke rechtshandelingen;
  • b. het nader vaststellen van de inrichting van de onder de directeuren-generaal ressorterende dienstonderdelen op basis van het Organisatiebesluit BZK 2025;
  • c. aangelegenheden die op grond van bovendepartementale regelgeving of afspraken op centraal departementaal niveau dienen te worden afgehandeld;
  • d. het vertegenwoordigen van de minister in het Decentraal georganiseerd overleg, zoals genoemd in de CAO Rijk 2024–2025;
  • f. het optreden als werkgever als bedoeld in hoofdstuk 13 en bijlage 13 van de CAO Rijk 2024–2025;
  • h. het vaststellen en ondertekenen van beleidsregels en circulaires met betrekking tot de aangelegenheden, bedoeld in dit artikel;
  • i. het toekennen van vergoeding van representatiekosten op grond van paragraaf 11.3 CAO Rijk 2024–2025.

§ 4. Ondermandaat en plaatsvervanging

Artikel 5.7
1.

Het mandaat van de directeur-generaal met betrekking tot het aangaan van financiële verplichtingen en het doen van uitgaven is beperkt tot het budget dat aan de directeur-generaal ter beschikking is gesteld op basis van een door de secretaris-generaal en de directeur FEZ goedgekeurde budgettaire uitwerking van dat deel van de begroting waarvoor de directeur-generaal verantwoordelijk is, met een maximumbedrag per (meerjarige) verplichting als vermeld in de bijlage 1 van dit besluit.

2.

De directeur-generaal is bevoegd om in afwijking van het eerste lid financiële verplichtingen aan te gaan en uitgaven te doen, voor zover aan hem daartoe uitdrukkelijk en schriftelijk mandaat is verleend door een bewindspersoon of de secretaris-generaal, met instemming van de directeur FEZ.

3.

De directeur-generaal legt over het door hem gevoerde financiële beheer verantwoording af aan de secretaris-generaal.

Artikel 5.8
1.

De directeur-generaal is, voor zover niet anders is bepaald, bevoegd tot het verlenen van ondermandaat aan onder hem ressorterende functionarissen ten aanzien van aangelegenheden op het werkterrein van deze functionarissen, respectievelijk tot het beperken of het intrekken daarvan.

2.

De directeur-generaal die leiding geeft aan een agentschap is tevens bevoegd tot het verlenen van ondermandaat voor het uitoefenen van integraal management met inbegrip van aangelegenheden op organisatorisch, personeel, financieel en materieel gebied.

3.

De directeur-generaal kan bij toepassing van de bevoegdheid tot het verlenen van ondermandaat, bedoeld in het eerste lid, afwijken van hetgeen in artikel 7.5 van dit besluit is bepaald over het mandaat van de directeur, met uitzondering van het bepaalde in artikel 7.6 van dit besluit.

4.

De directeur-generaal is bevoegd om in bijzondere gevallen, naast of in plaats van het bepaalde in het eerste, tweede en derde lid, mondeling of schriftelijk ondermandaat te verlenen aan een onder hem ressorterende functionaris voor een bepaald geval.

5.

De directeur-generaal kan, voor zover niet anders is bepaald, bij het verlenen van ondermandaat tevens de bevoegdheid toekennen tot het verlenen van ondermandaat aan een rechtstreeks onder de gemandateerde ressorterende functionaris of in bijzondere gevallen aan een andere functionaris.

6.

Het verlenen van ondermandaat door de directeur-generaal, niet zijnde een directeur-generaal die leiding geeft aan een agentschap, voor het aangaan van financiële verplichtingen en het doen van uitgaven is enkel mogelijk aan in bijlage 1 van dit besluit genoemde onder hem ressorterende functionarissen met inachtneming van het aldaar genoemde maximumgrensbedrag per (meerjarige) verplichting.

7.

In aanvulling op het eerste lid kan de directeur-generaal van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst ondermandaat verlenen aan daartoe aangewezen niet-ondergeschikte functionarissen, werkzaam bij het Ministerie van Defensie, voor het uitoefenen van daartoe aangewezen personele en financiële bevoegdheden met toestemming van de gemandateerde en met toestemming van de Minister van Defensie.

8.

In aanvulling op het eerste lid kan de directeur-generaal van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst ondermandaat verlenen aan daartoe aangewezen niet-ondergeschikte functionarissen, werkzaam bij het Ministerie van Defensie, voor het uitoefenen van daartoe aangewezen bevoegdheden betreffende het afgeven van Verklaringen van geen bezwaar met toestemming van de gemandateerde en met toestemming van de Minister van Defensie.

9.

De directeur-generaal kan voor de in artikel 5.3 genoemde bevoegdheden uitsluitend ondermandaat verlenen aan directeuren, afdelingshoofden en sectiehoofden van het Rijksvastgoedbedrijf.

Artikel 5.9
1.

De directeur-generaal verleent ondermandaat bij schriftelijk besluit, met uitzondering van de in artikel 5.7, vierde lid, beschreven situatie, in overeenstemming met de secretaris-generaal en na advies van de directeur FEZ en de directeur P&O.

2.

De voorgeschreven overeenstemming uit het eerste lid is niet van toepassing op het verlenen van financieel ondermandaat door de directeur-generaal aan de in bijlage 1 van dit besluit genoemde onder hem ressorterende functionarissen voor zover dit een bedrag van € 50.000 niet te boven gaat.

Hoofdstuk 6. Algemeen directeuren

§ 1. Mandaat algemeen directeuren

Artikel 6.1

Aan de algemeen directeur wordt mandaat verleend ten aanzien van aangelegenheden die behoren tot het werkterrein van de algemeen directeur en de onder de algemeen directeur ressorterende functionarissen.

Artikel 6.2

Onverminderd het bepaalde in dit besluit, heeft het mandaat van de algemeen directeur in ieder geval betrekking op:

  • a. het uitoefenen van integraal management met inbegrip van aangelegenheden op organisatorisch, personeel, financieel en materieel gebied;
  • b. het vaststellen van de capaciteitsplannen binnen de door de secretaris-generaal vastgestelde formatie;
  • c. het leiding geven aan de rechtstreeks onder de algemeen directeur ressorterende functionarissen;
  • d. het optreden als bestuurder in de zin van de Wet op de ondernemingsraden in het overleg met de ondernemingsraad van het desbetreffende dienstonderdeel;
  • e. het vertegenwoordigen van een bewindspersoon (als bestuursorgaan of namens de Staat) in gerechtelijke procedures waarbij het dienstonderdeel is betrokken;
  • f. het vaststellen van beleidsregels en circulaires met betrekking tot aangelegenheden op het werkterrein van de algemeen directeur;
  • g. het beheer van de archiefbescheiden van het onder de algemeen directeur ressorterende dienstonderdeel op grond van de desbetreffende departementale regelgeving;
  • h. het afnemen van de eed of de belofte van ambtenaren bij het dienstonderdeel waarover de algemeen directeur de leiding voert;
  • i. het beslissen op bezwaarschriften gericht tegen besluiten inzake aangelegenheden die behoren tot zijn werkterrein met uitzondering van die besluiten die door een bewindspersoon, de secretaris-generaal, de plaatsvervangend secretaris-generaal, de directeur-generaal of de algemeen directeur zijn genomen, voor zover in wet- en regelgeving niet anders is bepaald;
  • j. het behandelen van geschillen met werknemers die werkzaam zijn bij het onderdeel dat onder de algemeen directeur ressorteert;
  • k. het inschakelen van de Landsadvocaat voor ondersteuning of vertegenwoordiging van het ministerie;
  • l. het optreden als gemachtigd ambtenaar in de zin van departementale regelgeving met betrekking tot de uitvoering van de Wet open overheid voor zover het aangelegenheden op het werkterrein van de algemeen directeur betreft.
Artikel 6.2a
1.

Het mandaat van de algemeen directeur dienst Nationaal Coördinator Groningen omvat tevens, voor zover het aangelegenheden op het eigen werkterrein betreft:

  • b. het optreden als gemachtigd ambtenaar in de zin van departementale regelgeving met betrekking tot de uitvoering van de Algemene Verordening Gegevensbescherming en de Wet hergebruik van overheidsinformatie.
2.

Bijlage 1 van dit besluit is niet van toepassing op de aangelegenheden uit het vorige lid.

§ 2. Beperkingen mandaat algemeen directeuren

Artikel 6.3

Het mandaat van de algemeen directeur is niet van toepassing op:

  • a. de dienstonderdeel overstijgende kaders van het beleid en beheer inzake alle aspecten van de bedrijfsvoering van het ministerie met inbegrip van aangelegenheden op organisatorisch, personeel, financieel en materieel gebied en aangelegenheden met betrekking tot het verrichten van privaatrechtelijke rechtshandelingen;
  • b. het nader vaststellen van de inrichting van de onder de algemeen directeuren ressorterende dienstonderdelen op basis van het Organisatiebesluit BZK 2025;
  • c. aangelegenheden die op grond van bovendepartementale regelgeving of afspraken op centraal departementaal niveau dienen te worden afgehandeld;
  • d. het vertegenwoordigen van de minister in het Decentraal georganiseerd overleg zoals genoemd in paragraaf 27.2 CAO Rijk 2024–2025;
  • f. het optreden als gemachtigd ambtenaar in de zin van departementale regelgeving met betrekking tot de uitvoering van de Wet open overheid;
  • g. het optreden als werkgever als bedoeld in hoofdstuk 13 en bijlage 13 CAO Rijk 2024–2025;
  • i. het vaststellen en ondertekenen van beleidsregels en circulaires met betrekking tot de aangelegenheden, bedoeld in dit artikel;
  • j. het toekennen van vergoeding van representatiekosten op grond van paragraaf 11.3 CAO Rijk 2024–2025.
Artikel 6.4
1.

Het mandaat van de algemeen directeur met betrekking tot het aangaan van financiële verplichtingen en het doen van uitgaven is beperkt tot het budget dat aan de algemeen directeur ter beschikking is gesteld op basis van een door de secretaris-generaal en de directeur FEZ goedgekeurde budgettaire uitwerking van dat deel van de begroting waarvoor de algemeen directeur verantwoordelijk is, met een maximumbedrag per (meerjarige) verplichting als vermeld in de bijlage 1 van dit besluit.

2.

De algemeen directeur is bevoegd om in afwijking van het eerste lid financiële verplichtingen aan te gaan en uitgaven te doen, voor zover aan hem daartoe uitdrukkelijk en schriftelijk mandaat is verleend door een bewindspersoon of de secretaris-generaal, met instemming van de directeur FEZ.

3.

De algemeen directeur legt over het door hem gevoerde financiële beheer verantwoording af aan de secretaris-generaal.

4.

De algemeen directeur van een agentschap is verantwoordelijk voor een kostendekkende exploitatie binnen de afspraken die hij met opdrachtgevers en de eigenaar heeft gemaakt. Voor het aangaan van financiële verplichtingen en het doen van uitgaven geldt voor de algemeen directeur een maximum bedrag per (meerjarige) verplichting als vermeld in bijlage 1 van dit besluit.

§ 3. Ondermandaat en plaatsvervanging

Artikel 6.5
1.

De algemeen directeur is, voor zover niet anders is bepaald, bevoegd tot het verlenen van ondermandaat aan onder hem ressorterende functionarissen ten aanzien van aangelegenheden op het werkterrein van deze functionarissen, respectievelijk tot het beperken of het intrekken daarvan.

2.

De algemeen directeur is tevens bevoegd tot het verlenen van ondermandaat voor het uitoefenen van integraal management met inbegrip van aangelegenheden op organisatorisch, personeel, financieel en materieel gebied.

3.

De algemeen directeur kan, voor zover niet anders is bepaald, bij het verlenen van ondermandaat tevens de bevoegdheid toekennen tot het verlenen van ondermandaat aan een rechtstreeks onder de gemandateerde ressorterende functionaris ten aanzien van aangelegenheden op het werkterrein van de functionaris.

4.

De algemeen directeur is bevoegd om in bijzondere gevallen, naast het bepaalde in het eerste, tweede en derde lid, mondeling of schriftelijk ondermandaat te verlenen aan een onder hem ressorterende functionaris voor een bepaald geval.

5.

Het verlenen van ondermandaat door de algemeen directeur voor het aangaan van financiële verplichtingen en het doen van uitgaven is enkel mogelijk aan in bijlage 1 van dit besluit genoemde onder hem ressorterende functionarissen met inachtneming van het aldaar genoemde maximumgrensbedrag per (meerjarige) verplichting.

Artikel 6.6
1.

De algemeen directeur verleent ondermandaat bij schriftelijk besluit, met uitzondering van de in artikel 6.5, vierde lid, beschreven situatie, in overeenstemming met de secretaris-generaal en na advies van de directeur P&O en de directeur FEZ.

2.

De door de algemeen directeur gemandateerde, bedoeld in artikel 6.6, eerste lid, verleent ondermandaat bij schriftelijk besluit, in overeenstemming met de algemeen directeur en na advies van de directeur P&O en de directeur FEZ.

3.

De voorgeschreven overeenstemming uit het eerste lid is niet van toepassing op het verlenen van financieel ondermandaat door de algemeen directeur aan de in bijlage 1 van dit besluit genoemde onder hem ressorterende functionarissen voor zover dit een bedrag van € 50.000 niet te boven gaat.

Artikel 6.7
1.

Bij tijdelijke afwezigheid of verhindering van de algemeen directeur worden diens taken volledig uitgeoefend door de plaatsvervangend algemeen directeur.

2.

De aanwijzing van een plaatsvervangend algemeen directeur geschiedt door de algemeen directeur met inachtneming van het Organisatiebesluit BZK 2025 en in overeenstemming met de secretaris-generaal.

3.

Bij gelijktijdige tijdelijke afwezigheid of verhindering van de algemeen directeur en de plaatsvervangend algemeen directeur worden de taken van de algemeen directeur bij wijze van plaatsvervanging uitgeoefend door de secretaris-generaal. Dit lid is niet van toepassing op de dienst Nationaal Coördinator Groningen.

4.

In afwijking van het vorige lid kan de plaatsvervanging van de algemeen directeur die leiding geeft aan een agentschap volledig worden uitgeoefend door de functionaris die daartoe door de algemeen directeur in overeenstemming met de leidinggevende van de algemeen directeur is aangewezen.

Hoofdstuk 7. Directeuren

§ 1. Mandaat directeuren

Artikel 7.1

Aan de directeur wordt mandaat verleend ten aanzien van aangelegenheden die behoren tot het werkterrein van de directeur en de onder de directeur ressorterende functionarissen en dienstonderdelen.

Artikel 7.2
1.

Onverminderd het bepaalde in dit besluit, heeft het mandaat van de directeur in ieder geval betrekking op:

  • a. het uitoefenen van integraal management met inbegrip van aangelegenheden op organisatorisch, personeel, financieel en materieel gebied;
  • b. het leiding geven aan de rechtstreeks onder de directeur ressorterende functionarissen;
  • c. het optreden als bestuurder in de zin van de Wet op de ondernemingsraden in het overleg met de ondernemingsraad van het desbetreffende dienstonderdeel, voor zover de directeur-generaal niet als zodanig optreedt;
  • d. het vertegenwoordigen van een bewindspersoon (als bestuursorgaan of namens de Staat) in gerechtelijke procedures waarbij het dienstonderdeel is betrokken;
  • e. het afnemen van de eed of de belofte van ambtenaren bij het dienstonderdeel waarover de directeur de leiding voert voor zover het een agentschap betreft;
  • f. het beslissen op bezwaarschriften gericht tegen besluiten inzake aangelegenheden die behoren tot zijn werkterrein met uitzondering van die besluiten die door een bewindspersoon, de secretaris-generaal, de plaatsvervangend secretaris-generaal, de directeur-generaal, de algemeen directeur of de directeur zijn genomen, voor zover in wet- en regelgeving niet anders is bepaald;
  • g. het behandelen van geschillen met werknemers die werkzaam zijn bij het onderdeel dat onder de directeur ressorteert;
  • h. het optreden als gemachtigd ambtenaar in de zin van departementale regelgeving met betrekking tot de uitvoering van de Wet open overheid voor zover het aangelegenheden op het werkterrein van de directeur betreft, met uitzondering van politiek gevoelige dossiers;
  • i. het inschakelen van de Landsadvocaat voor ondersteuning of vertegenwoordiging van het ministerie.
2.

Het eerste lid, onder a, c, e, en g zijn niet van toepassing op de directeuren van BZK Kerndepartement.

3.

Het eerste lid, onder i, is niet van toepassing op de directeuren van het Rijksvastgoedbedrijf.

§ 2. Bijzonder mandaat directeuren

Artikel 7.3

Het mandaat van de directeur FEZ omvat tevens:

  • b. het geven van instructies aan de onderdelen die verantwoordelijk zijn voor de financiële bedrijfsvoering en control;
  • c. het inhoudelijk aansturen van onderdelen die zijn betrokken bij het bewaken van en adviseren over de uitvoering van de bedrijfsvoering in brede zin.
Artikel 7.4

Het mandaat van de directeur P&O omvat tevens:

  • a. het verder in behandeling nemen van geschillen met werknemers indien een uitspraak van de geschillencommissie, genoemd in paragraaf 16.2 CAO Rijk 2024–2025 in een geschil niet wordt opgevolgd door de werkgever;
  • b. het vertegenwoordigen van een bewindspersoon namens de Staat in gerechtelijke procedures met betrekking tot een personele aangelegenheid;
  • c. het inschakelen van de Landsadvocaat voor ondersteuning of vertegenwoordiging van het ministerie inzake rechtspositionele vraagstukken;
  • d. het ondertekenen van stukken met betrekking tot het voeren van de salarisadministratie bij de directie;
  • e. het aangaan van directie overstijgende departementale (raam)overeenkomsten behorend tot het vakgebied Personeel & Organisatie voor zover hier niet in wordt voorzien vanuit categoriemanagement;
  • f. de vergoeding van representatiekosten op grond van paragraaf 11.3 CAO Rijk 2024–2025;
  • g. het geven van vakinhoudelijke instructies aan de Personeel & Organisatieafdelingen van alle dienstonderdelen en tot het geven van advies aan managers op het gebied van Personeel & Organisatiezaken van het ministerie;
  • h. het op verzoek van de minister aanwijzen van bedrijfshulpverleners;
  • i. het op verzoek van de minister sluiten van stageovereenkomsten.

§ 3. Beperkingen mandaat directeuren

Artikel 7.5
1.

Het mandaat van de directeur is niet van toepassing op:

  • a. personele aangelegenheden ten aanzien van rechtstreeks onder de secretaris-generaal, de plaatsvervangend secretaris-generaal, de directeur-generaal of de algemeen directeur ressorterende functionarissen;
  • b. het opleggen van een straf;
  • c. het schorsen van een ambtenaar in zijn ambt;
  • d. het aanwijzen van een ambtenaar als VWNW-kandidaat;
  • e. het vaststellen van beleidsregels en circulaires ten aanzien van aangelegenheden op het werkterrein van de directeur-generaal, tenzij deze bevoegdheid in hogere regelgeving aan de desbetreffende functionaris is toegekend;
  • f. het beslissen tot een reorganisatie;
  • g. het toekennen van materiële schadevergoeding vanaf € 2.500,- of immateriële schadevergoeding;
  • h. het vaststellen van de formatie van de onder de plaatsvervangend secretaris-generaal, de directeuren-generaal en algemeen directeuren ressorterende (dienst)onderdelen;
2.

De beperkingen genoemd in het eerste lid, onderdeel b tot en met d, zijn niet van toepassing op het mandaat van de Clusterdirecteur Mensen & Middelen en de Clusterdirecteur Bestuursondersteuning, de directeur die leiding geeft aan een agentschap en de directeur die leiding geeft aan een kasdienst.

Artikel 7.6
1.

Het mandaat van de directeur met betrekking tot het aangaan van financiële verplichtingen en het doen van uitgaven is beperkt tot het budget dat aan de directeur ter beschikking is gesteld op basis van een door de plaatsvervangend secretaris-generaal respectievelijk de directeur-generaal en de FEZ-controller goedgekeurde budgettaire uitwerking van dat deel van de begroting waarvoor de directeur verantwoordelijk is met een maximum bedrag per (meerjarige) verplichting als vermeld in bijlage 1 van dit besluit.

2.

De directeur is bevoegd om in afwijking van het eerste lid financiële verplichtingen aan te gaan en uitgaven te doen, voor zover aan hem daartoe uitdrukkelijk en schriftelijk mandaat is verleend door een bewindspersoon, de secretaris-generaal, de plaatsvervangend secretaris-generaal of de directeur-generaal, met instemming van de FEZ-Controller en binnen het vastgestelde budget dat aan de plaatsvervangend secretaris-generaal respectievelijk de directeur-generaal ter beschikking is gesteld.

3.

De directeur legt over het door hem gevoerde financiële beheer verantwoording af aan zijn leidinggevende.

4.

In afwijking van het derde lid legt de directeur binnen het cluster Mensen en Middelen respectievelijk binnen het cluster Bestuursondersteuning over het door hem gevoerde financiële beheer verantwoording af aan de plaatsvervangend secretaris-generaal, met uitzondering van de directeur FEZ.

5.

De directeur van een agentschap is verantwoordelijk voor een kostendekkende exploitatie binnen de afspraken die hij met opdrachtgevers en de eigenaar heeft gemaakt. Voor het aangaan van financiële verplichtingen en het doen van uitgaven geldt voor de directeur een maximum bedrag per (meerjarige) verplichting als vermeld in bijlage 1 van dit besluit.

§ 4. Ondermandaat en plaatsvervanging

Artikel 7.7
1.

De directeur is, voor zover niet anders is bepaald, bevoegd tot het verlenen van ondermandaat aan onder hem ressorterende functionarissen ten aanzien van aangelegenheden op het werkterrein van deze functionarissen, respectievelijk tot het beperken of het intrekken daarvan.

2.

De directeur die leiding geeft aan een agentschap of kasdienst is tevens bevoegd tot het verlenen van ondermandaat voor het uitoefenen van integraal management met inbegrip van aangelegenheden op organisatorisch, personeel, financieel en materieel gebied.

3.

De directeur kan, voor zover niet anders is bepaald, bij het verlenen van ondermandaat tevens de bevoegdheid toekennen tot het verlenen van ondermandaat aan een rechtstreeks onder de gemandateerde ressorterende functionaris ten aanzien van aangelegenheden op het werkterrein van de functionaris.

4.

De directeur is bevoegd om in bijzondere gevallen, naast het bepaalde in het eerste, tweede en derde lid, mondeling of schriftelijk ondermandaat te verlenen aan een onder hem ressorterende functionaris voor een bepaald geval.

5.

Het verlenen van ondermandaat door de directeur, niet zijnde een directeur die leiding geeft aan een agentschap, voor het aangaan van financiële verplichtingen en het doen van uitgaven is enkel mogelijk aan in bijlage 1 van dit besluit genoemde onder hem ressorterende functionarissen met inachtneming van het aldaar genoemde maximumgrensbedrag per (meerjarige) verplichting.

Artikel 7.8
1.

De directeur verleent ondermandaat bij schriftelijk besluit, met uitzondering van de in artikel 7.7, vierde lid, beschreven situatie, in overeenstemming met de directeur-generaal en na advies van de directeur P&O en de directeur FEZ.

2.

De door de directeur gemandateerde, bedoeld in artikel 7.9, eerste lid, verleent ondermandaat bij schriftelijk besluit, in overeenstemming met de directeur en na advies van de directeur P&O en de directeur FEZ.

3.

De voorgeschreven overeenstemming uit het eerste lid is niet van toepassing op het verlenen van financieel ondermandaat door de directeur aan de in bijlage 1 van dit besluit genoemde onder hem ressorterende functionarissen voor zover dit een bedrag van € 50.000 niet te boven gaat.

Artikel 7.9
1.

De rechtstreeks onder de directeur ressorterende leidinggevenden zijn, voor zover door de directeur met toepassing van artikel 7.8, eerste lid, niet anders is bepaald, ten aanzien van de onder hen ressorterende functionarissen bevoegd tot:

  • a. het vaststellen van het wekelijkse werkrooster;
  • b. het verlenen van vakantieverlof;
  • c. het verlenen van kortdurend bijzonder verlof;
  • d. het accorderen van binnenlandse dienstreizen en daarbij gebruikte vervoermiddel;
  • e. het voeren respectievelijk de verslaglegging van het personeelsgesprek, zoals genoemd in paragraaf 12.1 CAO Rijk 2024–2025.
Artikel 7.10
1.

Bij tijdelijke afwezigheid of verhindering van de directeur worden diens taken volledig uitgeoefend door de plaatsvervangend directeur.

2.

De aanwijzing van een plaatsvervangend directeur geschiedt door de directeur met inachtneming van het Organisatiebesluit BZK 2025 en in overeenstemming met de leidinggevende van de directeur.

3.

Bij gelijktijdige tijdelijke afwezigheid of verhindering van de directeur en de plaatsvervangend directeur worden de taken van de directeur bij wijze van plaatsvervanging uitgeoefend door de leidinggevende van de directeur.

4.

In afwijking van het vorige lid kan de plaatsvervanging van de directeur die leiding geeft aan een agentschap volledig worden uitgeoefend door de functionaris die daartoe door de directeur in overeenstemming met de leidinggevende van de directeur is aangewezen.

Hoofdstuk 8. Mandaat rijksbrede aangelegenheden

Artikel 8.1

Het mandaat van de directeur Ambtenaar en Organisatie omvat tevens:

  • a. het centraal opdrachtgeverschap aan P-Direkt voor de uitvoering van de standaard dienstverlening;
  • b. het beheer van het budget dat in het kader van de centrale bekostiging is overgedragen.
Artikel 8.2

Het mandaat van de directeur Inkoop-, Facilitair- en Huisvestingbeleid Rijk omvat tevens:

  • a. het centraal opdrachtgeverschap aan FMHaaglanden voor de uitvoering van de standaard dienstverlening;
  • b. het beheer van het budget dat in het kader van de centrale bekostiging is overgedragen.
Artikel 8.3
1.

Het mandaat van de plaatsvervangend secretaris-generaal omvat tevens het eigenaarschap van de rijksbrede inkoopcategorie Vervoer en Verblijf.

2.

De uitvoering van de rijksbrede inkoopcategorie Vervoer en Verblijf is belegd bij de Rijksinkoopsamenwerking.

3.

Voor het aangaan van (meerjarige) verplichtingen voor de rijksbrede inkoopcategorie Vervoer & Verblijf heeft de plaatsvervangend secretaris-generaal mandaat.

Artikel 8.4
1.

Het mandaat van de plaatsvervangend secretaris-generaal omvat tevens het eigenaarschap van de rijksbrede inkoopcategorie Energie.

2.

De uitvoering van de rijksbrede inkoopcategorie Energie is belegd bij de Rijksinkoopsamenwerking.

3.

Voor het aangaan van (meerjarige) verplichtingen voor de rijksbrede inkoopcategorie Energie heeft de plaatsvervangend secretaris-generaal mandaat.

4.

Voor het aangaan van (meerjarige) verplichtingen tot € 4.800.000,– inclusief btw voor de rijksbrede inkoopcategorie Energie heeft (ook) de categoriemanager Energie mandaat.

5.

Voor het verhandelen van groencertificaten tot € 85.000,– inclusief btw t.b.v. de rijksbrede inkoopcategorie Energie heeft de Strategisch Adviseur Categorie Energie mandaat.

Artikel 8.5
1.

De maximumbedragen voor het aangaan van financiële verplichtingen en het doen van uitgaven, als vermeld in bijlage 1 van dit besluit, zijn niet van toepassing op de in dit hoofdstuk verleende mandaten.

Hoofdstuk 9. Algemene bepalingen inzake mandaat

Artikel 9.1

De uitoefening van een mandaat geschiedt met inachtneming van:

  • a. algemene en bijzondere aanwijzingen van de mandaatgever ten aanzien van de uitoefening van het mandaat;
  • b. departementale richtlijnen met betrekking tot paraaf en medeparaaf en het voorleggen en afdoen van stukken;
Artikel 9.2
1.

De uitoefening van een mandaat geschiedt binnen de door de (plaatsvervangend) secretaris-generaal vastgestelde kaders met betrekking tot het beleid en beheer inzake de bedrijfsvoering van het ministerie.

2.

De uitoefening van een mandaat geschiedt met inachtneming van de departementale procedures en richtlijnen.

3.

Afwijking van het eerste lid ten aanzien van een onder de plaatsvervangend secretaris-generaal respectievelijk onder het directeur-generaal ressorterend dienstonderdeel is slechts mogelijk in overeenstemming met de secretaris-generaal, de directeur FEZ en de directeur P&O die het aangaat en wordt schriftelijk vastgelegd.

Artikel 9.3
1.

De gemandateerde is verantwoordelijk voor het bijhouden van een of meer doelmatig ingerichte administraties die inzicht bieden in het door en namens de gemandateerde gevoerde financiële beheer en beheer van niet-geldelijke zaken op grond van diens mandaat.

2.

De directeur FEZ is bevoegd om de administraties, bedoeld in het eerste lid, te onderzoeken ten behoeve van de uitvoering van taken behorende tot hun werkterrein.

Artikel 9.4
1.

Ondertekening van besluiten en stukken op grond van mandaat vindt plaats op de volgende wijze:

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties/in voorkomend geval een van de overige bewindspersonen van het ministerie

namens deze,

(handtekening)

(naam)

(aanduiding functie gemandateerde)

2.

Bij ondertekening van besluiten en stukken op grond van volmacht wordt de aanduiding van de bewindspersoon voorafgegaan door: Namens de Staat der Nederlanden.

3.

Bij ondertekening van besluiten en stukken door een plaatsvervanger wordt de handtekening voorafgegaan door: b/a.

Artikel 9.5

In gevallen waarin dit besluit niet voorziet, beslist de bewindspersoon, de secretaris-generaal of de directeur-generaal over de doorverlening van zijn mandaat.

Hoofdstuk 10. Beheer

Artikel 10.1
1.

De directeur P&O is belast met het beheer van dit besluit.

2.

De secretaris-generaal, de plaatsvervangend secretaris-generaal, de directeuren-generaal en de (algemeen) directeuren, ieder voor zover het hen aangaat, zijn verantwoordelijk voor een juiste, volledige en tijdige aanlevering aan de directeur P&O van de gegevens die een goed beheer van dit besluit mogelijk maken.

3.

Het beheer en de aanlevering van gegevens geschieden met inachtneming van de desbetreffende (richtlijnen inzake) administratieve organisatiebeschrijvingen.

4.

De directeur P&O rapporteert aan de bewindspersonen en de secretaris-generaal over het beheer van dit besluit.

Artikel 10.2

Wijziging van dit besluit geschiedt op initiatief van de directeur P&O na advies van de directeur FEZ en de directeur Constitutionele Zaken en Wetgeving.

Hoofdstuk 11. Slotbepalingen

Artikel 11.1
1.

Besluiten of handelingen die op grond van het Mandaatbesluit BZK 2023 zijn genomen of verricht in de periode tot de datum van inwerkingtreding van dit besluit en waarin op het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit niet is voorzien, worden aangemerkt als te zijn genomen of verricht namens de bewindspersoon.

2.

Vóór het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit van kracht zijnde mandaten, ondermandaten, volmachten en machtigingen, waarin op het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit niet is voorzien, blijven van kracht totdat op grond van dit besluit is voorzien in mandaat, ondermandaat, volmacht of machtiging dan wel is voorzien in intrekking daarvan.

Artikel 11.2

Het Mandaatbesluit BZK 2023 wordt ingetrokken.

Artikel 11.3

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 juli 2025.

Artikel 11.4

Dit besluit wordt aangehaald als: Mandaatbesluit BZK 2025.

Bijlage 1

Maximumbedragen voor het aangaan van financiële verplichtingen en het doen van uitgaven, als bedoeld in de artikelen 5.6, eerste lid, 6.4, eerste en vierde lid, en 7.6 eerste en vijfde lid, van het Mandaatbesluit BZK 2025.

Bedragen zijn per (meerjarige) verplichting, in euro’s en inclusief BTW.

Deze bijlage is niet van toepassing op het Rijksvastgoedbedrijf. Deze bijlage is ook niet van toepassing op de dienst Nationaal Coördinator Groningen, voor zover het beslissingen betreft die zien op de taakuitvoering van de dienst Nationaal Coördinator Groningen (zie artikel 6.2a Mandaatbesluit BZK 2025).

BZK Kerndepartement en Algemene Bestuursdienst (ABD) BZK Kerndepartement en Algemene Bestuursdienst (ABD)
Plaatsvervangend secretaris-generaal, directeur-generaal, clusterdirecteur Mensen & Middelen en clusterdirecteur Bestuursondersteuning tot € 10.000.000
Directeur SSO-CN1, voor zover het de salarisbetalingen betreft tot € 5.000.000
Directeur tot € 2.000.000
Manager SSO-CN tot € 230.000
Middenmanager, programmamanager, afdelingshoofd en bureauhoofd tot € 50.000
Team- en projectleiders SSO-CN tot € 46.000
Managementondersteuner, (directie)secretaresse, directiesecretaris tot € 2.000
Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD)
Directeur-generaal tot € 10.000.000
Directeur tot € 2.000.000
Unit-huishoofden tot € 250.000
Afdelingshoofd tot € 50.000
Teamhoofd en bureauhoofd tot € 5.000
FMHaaglanden FMHaaglanden
Directeur tot € 5.000.000
Manager tot € 125.000
Facilitair manager (op locatie), centraal afdelingshoofd, leveranciersmanager tot € 125.000
Afdelingshoofd tot € 30.000
Teamleider (op locatie) tot € 30.000
Logius Logius
Algemeen directeur tot € 5.000.000
Directeur, Chief information Officer (CIO), algemeen manager van de directie KOOP tot € 500.000
Productmanager, afdelingshoofd Resourcing & Flow, manager/ business owner van de waardestroom/ stafonderdeel van de directie KOOP tot € 145.000
HR manager tot € 100.000
Afdelingshoofd tot € 30.000
Clustermanager, ondersteuner secretariaat van de directie KOOP tot € 2.500
SSC-ICT SSC-ICT
Directeur tot € 5.000.000
Chief Operations Officer (COO) tot € 2.500.000
Chief Technology Officer (CTO), Chief Financial Officer (CFO) en Business Unit Manager (BUM) tot € 1.000.000
Afdelingsmanager tot € 50.000
Teammanager tot € 15.000
Rijksdienst voor Identiteitsgegevens (RvIG) Rijksdienst voor Identiteitsgegevens (RvIG)
Algemeen directeur tot € 5.000.000
Directeur tot € 500.000
Rijksorganisatie Beveiliging en Logistiek (RBL)
Directeur RBL tot € 5.000.000
Manager IPKD, Manager RBO/Operatie, Manager Bedrijfsvoering, Manager SBZ tot € 500.000
Regiomanager RBO, Manager K&T/RD, Coördinerend specialistisch adviseurs en operationeel manager binnen Bedrijfsvoering, Teamleiders SBZ tot € 150.000
Managementondersteuners en de daartoe door de directeur RBL aangewezen overige functionarissen binnen RBL tot € 1.000
Organisatie & Personeel Rijk (O&P-Rijk)
Directeur tot € 5.000.000
Manager organisatie-eenheid tot € 500.000
Afdelingshoofd tot € 30.000
Teamleider tot € 15.000
Rijksorganisatie voor Ontwikkeling Digitalisering en Innovatie (ODI)
Directeur tot € 5.000.000
Manager organisatie-eenheid tot € 500.000
Afdelingshoofd tot € 30.000
Teamleider tot € 15.000
Kasdienst Rijksorganisatie voor Informatiehuishouding (RvIHH) Kasdienst Rijksorganisatie voor Informatiehuishouding (RvIHH)
Directeur tot € 5.000.000
Plaatsvervangend directeur RvIHH tot € 5.000.000
Manager organisatie-eenheid tot € 500.000
Afdelingshoofd tot € 30.000
Teamleider tot € 15.000
Kasdienst Rijksinkoopsamenwerking (RIS) Kasdienst Rijksinkoopsamenwerking (RIS)
Directeur tot € 2.000.000
Manager organisatie-eenheid tot € 500.000
Afdelingshoofd tot € 30.000
Teamleider tot € 15.000
Kasdienst Organisatie voor Bedrijfsvoering en Financiën (OBF) Kasdienst Organisatie voor Bedrijfsvoering en Financiën (OBF)
Directeur tot € 2.000.000
Manager organisatie-eenheid tot € 500.000
Afdelingshoofd tot € 30.000
Teamleider tot € 15.000
De dienst Nationaal Coördinator Groningen (NCG)
Algemeen directeur tot € 5.000.000

1 De functiebenaming directeur SSO-CN, zoals in deze bijlage 1 opgenomen, is in lijn met het Organisatiebesluit BZK 2025. De werktitel behorend bij deze functie betreft Directeur-generaal SSO-CN.

Origineel slotformulier en ondertekening

Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

§ 2. Bijzonder mandaat directeur-generaal

Artikel 5.3
1.

Het mandaat van de directeur-generaal en van de plaatsvervangend directeur-generaal Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst omvat tevens de bevoegdheid om te besluiten op aanvragen als bedoeld in hoofdstuk 5 van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing op bezwaarschriften dienaangaande.

§ 3. Beperkingen mandaat directeuren-generaal

§ 4. Ondermandaat en plaatsvervanging

Hoofdstuk 6. Algemeen directeuren

§ 1. Mandaat algemeen directeuren

§ 2. Beperkingen mandaat algemeen directeuren

§ 3. Ondermandaat en plaatsvervanging

Hoofdstuk 7. Directeuren

§ 1. Mandaat directeuren

§ 2. Bijzonder mandaat directeuren

§ 3. Beperkingen mandaat directeuren

§ 4. Ondermandaat en plaatsvervanging

Hoofdstuk 8. Mandaat rijksbrede aangelegenheden

Hoofdstuk 9. Algemene bepalingen inzake mandaat

Hoofdstuk 10. Beheer

Hoofdstuk 11. Slotbepalingen

Bijlage 1

Maximumbedragen voor het aangaan van financiële verplichtingen en het doen van uitgaven, als bedoeld in de artikelen 5.6, eerste lid, 6.4, eerste en vierde lid, en 7.6 eerste en vijfde lid, van het Mandaatbesluit BZK 2025.

Bedragen zijn per (meerjarige) verplichting, in euro’s en inclusief BTW.

Deze bijlage is niet van toepassing op het Rijksvastgoedbedrijf. Deze bijlage is ook niet van toepassing op de dienst Nationaal Coördinator Groningen, voor zover het beslissingen betreft die zien op de taakuitvoering van de dienst Nationaal Coördinator Groningen (zie artikel 6.2a Mandaatbesluit BZK 2025).

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)