Besluit van de Staatssecretaris van Buitenlandse Zaken van 7 oktober 2025, nr. BZ2519842, tot vaststelling van beleidsregels en een subsidieplafond voor subsidiëring op grond van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 (Besluit FemFocus)

Type Ministeriële regeling
Publication 2025-12-13
State In force
Source BWB
artikelen 6
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Gelet op de artikelen 6 en 7 van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken;

Gelet op artikel 4.2, eerste lid, sub d, e en f, en artikel 4.3, eerste lid, sub d, e en f, van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006

Besluit:

Artikel 1

Voor subsidieverlening op grond van artikel 4.2, eerste lid, sub d, e en f, en artikel 4.3, eerste lid, sub d, e en f, van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 voor activiteiten ten behoeve van capaciteitsversterking van, dienstverlening door en het voeren van dialoog door maatschappelijke organisaties in of voor lage- en middeninkomenslanden, op de thema’s (i) stimuleren van vrouwelijk ondernemerschap, (ii) tegengaan van geweld tegen vrouwen en steun aan vrouwenrechtenverdedigers en (iii) versterken van de positie van vrouwen in vrede- en veiligheidsprocessen, gelden voor de periode vanaf inwerkingtreding van dit besluit tot en met 31 december 2030 de als bijlage bij dit besluit gevoegde beleidsregels.

Artikel 2

1.

Voor het in artikel 1 genoemde tijdvak geldt een subsidieplafond van € 209.370.000, welke middelen als volgt zijn verdeeld over de volgende thema’s:

2.

Meerjarige subsidies kunnen worden verleend onder de voorwaarde, bedoeld in artikel 4:34, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, dat daarvoor in de daarop betrekking hebbende begrotingen voldoende middelen ter beschikking worden gesteld.

Artikel 3

Aanvragen voor een subsidie in het kader van FemFocus worden ingediend in de periode 16 oktober 2025 om 12.00 uur CET, tot en met 7 januari 2026 om 23.59 uur CET, aan de hand van het daartoe door de minister vastgestelde aanvraagformulier en voorzien van de op het aanvraagformulier gevraagde bescheiden.1Het aanvraagformulier wordt geplaatst op www.rijksoverheid.nl/ministeries/ministerie-van-buitenlandse-zaken/documenten/.

Artikel 4

De verdeling van elk van de subsidieplafonds, bedoeld in artikel 2, vindt plaats op grond van een beoordeling overeenkomstig de maatstaven die in de bijlage bij dit besluit zijn neergelegd, met dien verstande dat uit alle aanvragen die voldoen aan de maatstaven, de aanvragen die daaraan het beste voldoen het eerst voor subsidieverlening in aanmerking komen.

Artikel 5

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en vervalt met ingang van 1 januari 2031, met dien verstande dat het van toepassing blijft op subsidies die voor die tijd zijn verleend.

Artikel 6

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit FemFocus.

Dit besluit zal met de bijlage, met uitzondering van de annexen bij de bijlage, in de Staatscourant worden geplaatst. Annexen bij de bijlage worden via internet bekend gemaakt.2www.rijksoverheid.nl/ministeries/ministerie-van-buitenlandse-zaken/documenten.

Bijlage. Subsidiebeleidskader FemFocus

0. Definities

In dit subsidiebeleidskader (hierna: SBK) wordt verstaan onder:

1 https://www.oecd.org/content/dam/oecd/en/topics/policy-sub-issues/oda-eligibility-and-conditions/DAC-List-of-ODA-Recipients-for-reporting-2024-25-flows.pdf

2 https://www.oecd.org/content/dam/oecd/en/topics/policy-sub-issues/oda-eligibility-and-conditions/DAC-List-of-ODA-Recipients-for-reporting-2024-25-flows.pdf

1. Inleiding, beleidsachtergrond en -uitgangspunten, rollen en verantwoordelijkheden

Dit subsidiebeleidskader FemFocus bevat beleidsregels over subsidieverlening op grond van artikel 4.2 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 (hierna: SRBZ 2006)1Zie de Regeling van de Minister van Buitenlandse Zaken van 14 juli 2025, nr. BZ2518248, tot wijziging van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 inzake subsidieverstrekking voor capaciteitsversterking van maatschappelijke organisaties in ontwikkelingslanden (Stcrt. 2025, nr. 25027).. Het maakt deel uit van het bredere Focus beleidskader voor samenwerking met maatschappelijke organisaties op het gebied van ontwikkelingssamenwerking in de periode 2026–2030, dat in totaal acht instrumenten omvat. Deze bijlage bevat de beleidsregels voor subsidieverstrekking voor drie van deze instrumenten, samengebracht in het subsidiebeleidskader FemFocus. Voor de uitvoering is een totaalbedrag van € 210 miljoen beschikbaar, verdeeld over een periode van vijf jaar. Voor een centraal uit te voeren externe evaluatie wordt 0,3% van dit budget gereserveerd, waardoor voor subsidieverlening een bedrag van maximaal € 209.370.000 resteert. Dit hoofdstuk beschrijft de beleidsachtergrond en uitgangspunten, evenals de rollen en verantwoordelijkheden van support partners en in-country partners.

1.1. Beleidsachtergrond

Het beleidskader zet in op het financieel en door middel van capaciteitsversterking ondersteunen van lokale maatschappelijke organisaties (in dit kader aangeduid als in-country partners) zodat zij beter in staat zijn om de benodigde diensten te verlenen en de dialoog te voeren die relevant zijn voor het realiseren van uiteenlopende thematische beleidsdoelen.

Het subsidiebeleidskader bevat drie subsidie-instrumenten, die zijn toegesneden op drie specifieke beleidsdoelen, elk met een eigen thematische focus, doelgroep en geografische reikwijdte. De drie instrumenten zijn:

De hoofdstukken 1 tot en met 7 van dit subsidiebeleidskader zijn op alle drie de instrumenten van toepassing. De instrumentspecifieke beleidscontext, doelstellingen, geografische focus, subsidiabele activiteiten, subsidieplafond, verdeelsystematiek en beoordelingscriteria staan per instrument verder uitgewerkt in instrumentspecifieke hoofdstukken (hoofdstuk 8, 9 en 10).

1.2. Beleidsuitgangspunten

Het subsidiebeleidskader FemFocus is onderdeel van Focus, een beleidskader van het Ministerie van Buitenlandse Zaken voor de samenwerking met maatschappelijke organisaties in ontwikkelingshulp2De kernpunten van dit beleidskader zijn uiteengezet in diverse kamerbrieven, waaronder die van 11 november 2024 (Kamerstukken II 2024/25, 36 600 XVII, nr. 13), 21 januari 2025 (Kamerstukken II 2024/25, 36 600 XVII, nr. 55), 20 februari 2025 (Kamerstukken II 2019/2020, 34 952, nr. 87) en 27 juni 2025 (Kamerstukken II 2024/25, 36 180, nr. 133).. Binnen Focus gelden beleidsuitgangspunten die van toepassing zijn op alle instrumenten. Deze beleidsuitgangspunten zijn het referentiekader voor de beoordeling en selectie van de aanvragen, evenals voor de vormgeving van de door de subsidieaanvragers te ontwikkelen en uit te voeren activiteiten.

Het versterken van de vaardigheden en kennis van in-country partners draagt bij aan zowel de effectiviteit als de efficiëntie van ontwikkelingsinitiatieven en vormt daarom een belangrijk element binnen dit SBK. Capaciteitsversterking kan betrekking hebben op uiteenlopende terreinen, zoals programmamanagement, financieel beheer of inhoudelijke activiteiten op het gebied van dialoog of dienstverlening, bijvoorbeeld de bescherming van kwetsbare groepen. Dit kan worden vormgegeven via bijvoorbeeld training, coaching of kennisuitwisseling. Hierbij wordt aangesloten bij reeds aanwezige lokale capaciteit. Deze benadering is essentieel voor het bevorderen van lokaal eigenaarschap.

Leidend voor het bredere nieuwe beleidskader Focus (waaronder FemFocus valt), is de wens om lokaal eigenaarschap binnen ontwikkelingshulp te stimuleren en te vergroten. Volgens de OESO-DAC betekent dit dat lokale actoren zelf beslissen over de vormgeving en implementatie van ontwikkelingsinitiatieven, waarbij internationale donoren en externe partners, waaronder ook Nederlandse maatschappelijke organisaties, een ondersteunende rol spelen bij het oplossen van de maatschappelijke vraagstukken waar lokale gemeenschappen voor staan. Deze ondersteuning kan onder meer bestaan uit financiële ondersteuning of capaciteitsversterking gerelateerd aan de activiteiten van de in-country partners, het faciliteren van kennisuitwisseling tussen in-country partners, of het beschikbaar stellen van technologische innovaties en wetenschappelijke inzichten.

Met de instrumenten onder dit SBK beoogt de minister bij te dragen aan gendergelijkheid. Dit verhoogt de sociale en economische weerbaarheid van gemeenschappen en versterkt de effectiviteit en relevantie van ontwikkelingshulp. Om te kunnen kwalificeren voor een subsidie binnen dit SBK is het dan ook een vereiste dat de projectvoorstellen een score van 2 van de OESO-DAC gendermarker halen (gendergelijkheid is het hoofddoel van het project/de programma’s en vormt een fundamenteel uitgangspunt bij het ontwerp en de beoogde resultaten)3https://canwach.ca/wp-content/uploads/2020/10/Handbook-OECD-DAC-Gender-Equality-Policy-Marker.pdf.

Aanvragers worden uitgenodigd om in het projectvoorstel een beschrijving en analyse op te nemen van de context van klimaatverandering, inclusief een beoordeling van klimaatrisico’s en klimaatkwetsbaarheden die relevant zijn voor het programma.

Te allen tijde geldt dat de minister wil voorkomen dat de gesubsidieerde activiteiten bijdragen aan het verergeren van conflicten. Bij alle activiteiten die worden gesubsidieerd, moet daarom rekening worden gehouden met de context waarin deze worden uitgevoerd. Dit houdt in dat activiteiten dusdanig moeten worden ontwikkeld dat bewust negatieve effecten en onbedoelde bijdragen aan conflicten worden vermeden of geminimaliseerd, en dat bewust positieve effecten op de conflictdynamiek worden gecreëerd en kansen voor vrede en inclusie worden versterkt. Risico’s met betrekking tot het verergeren van conflicten moeten in kaart worden gebracht in de contextanalyses. Dit vereist het vermogen om (i) de operationele context waarin activiteiten plaatsvinden te analyseren en te begrijpen; (ii) dat begrip te vertalen naar consequenties voor activiteiten en interacties met die context; en (iii) conflictsensitiviteit in de hele activiteitscyclus te integreren en te actualiseren. Gelet op het belang dat de minister hecht aan het onderwerp geestelijke gezondheid en psychosociale ondersteuning als onderdeel van inzet in fragiele staten en conflictgebieden, is het van belang om als onderdeel van conflictsensitiviteit ook mentale gezondheid en psychosociale dimensies en dynamiek mee te nemen in het analyseren en begrijpen van de contexten waarin activiteiten plaatsvinden.

In aansluiting op het beleidsuitgangspunt van conflictsensitiviteit geldt het do no harm-principe: gesubsidieerde activiteiten mogen geen negatieve gevolgen hebben voor de lokale bevolking, bestaande verhoudingen of bredere ontwikkelingsdoelen. Subsidieontvangers zijn daarom verplicht mogelijke risico’s tijdig te identificeren en maatregelen te treffen om schadelijke effecten te voorkomen of te beperken.

1.3. Rollen en verantwoordelijkheden van de support Partners en in-country partners

Dit subsidiebeleidskader maakt gebruik van een intermediaire structuur met ‘support partners’ en ‘in-country partners’. Deze structuur en de rollen en verantwoordelijkheden van support en in-country partners worden in het hiernavolgende uiteengezet en toegelicht.

1.3.1. Rollen en verantwoordelijkheden van de support partner

De support partner is de maatschappelijke organisatie die subsidie ontvangt van het Ministerie van Buitenlandse Zaken (BZ) in het kader van een van de instrumenten van FemFocus. Hij fungeert als intermediair tussen BZ en de in-country partners. De support partner handelt op eigen naam en titel en op basis van eigen deskundigheid, zonder mandaat of opdracht van het ministerie. De support partner is zelf verantwoordelijk voor een rechtmatige en doeltreffende uitvoering van de gesubsidieerde activiteiten. De support partner voert zelf geen activiteiten uit op het gebied van dienstverlening of dialoog, maar is verantwoordelijk voor het werven, selecteren, financieel en anderszins ondersteunen van in-country partners binnen de thematische kaders van het betreffende instrument. In alle gevallen moet de uitvoering van de activiteiten binnen de looptijd van dit subsidiebeleidskader plaatsvinden. De support partner draagt zorg voor tijdige afronding van de activiteiten, zodat bij de aanvraag tot vaststelling van de subsidie aan alle rapportageverplichtingen is voldaan.

Iets nader uitgewerkt houden deze verantwoordelijkheden het volgende in:

De support partner zet de van het Ministerie van Buitenlandse Zaken ontvangen subsidie in voor het uitvoeren van financieringsactiviteiten en capaciteitsversterking ten behoeve van in-country partners. Deze twee hoofdactiviteiten van de support partner worden verder toegelicht in hoofdstuk 2. Voorbeelden van projecten die in-country partners kunnen uitvoeren met de financiering die zij ontvangen van de support partner, zijn opgenomen in de instrumentspecifieke hoofdstukken (8, 9 en 10).

De kosten die support partners opvoeren voor het financieel beheer van de verstrekte ondersteuning mogen maximaal 20% bedragen van het totaal van de directe en indirecte kosten die in-country partners maken (zie ook Annex 4.1 ‘handleiding budgetmodel’).

Indirecte kosten mogen niet meer bedragen dan 15% van het totaal van de directe en indirecte kosten van de aanvrager (support partner).

1.3.2. Rollen en verantwoordelijkheden van in-country partners

In-country partners zijn lokale maatschappelijke organisaties in lage- en middeninkomenslanden (LMIL) met relevante thematische en context-specifieke expertise. Zij worden via een selectiemechanisme geselecteerd door de support partner en ontvangen van deze partner financiering en/of capaciteitsversterking die uitgaat van hun eigen verzoeken en behoeften.

De in-country partners zijn primair verantwoordelijk voor het inhoudelijk ontwerpen en uitvoeren van projectvoorstellen waarvoor zij ondersteuning vragen aan de support partner, die via zijn selectiemechanisme er zorg voor draagt dat door hem te ondersteunen projectvoorstellen – relevant zijn voor de doelstellingen van dit subsidiebeleidskader. De instrumentspecifieke hoofdstukken (8, 9 en 10) bevatten de thematische en geografische focus waarbinnen support partners steun kunnen bieden aan projecten van in-country partners.

Daarnaast zijn in-country partners verantwoordelijk voor het zorgvuldig beheren van door de support partner verstrekte middelen, het bijdragen aan monitoring- en leerprocessen, en het bevorderen van transparantie en wederzijdse verantwoording.

In-country partners zijn de uiteindelijke uitvoerder van dienstverlening- of dialoogactiviteiten en financieren zelf niet door naar nog een derde laag. De support partner dient dan ook uit te sluiten in het door hem te ontwikkelen selectiemechanisme dat door hem aan in-country partners geboden ondersteuning daarvoor wordt aangewend.

Indirecte kosten mogen niet meer bedragen dan 15% van het totaal van de directe en indirecte kosten van de in-country partner.

1.4. Opbouw van dit subsidiebeleidskader en onderliggende instrumenten

Dit subsidiebeleidskader bestaat uit twee onderdelen:

2. Type activiteiten waarvoor subsidie wordt verstrekt

Binnen dit subsidiebeleidskader zijn twee hoofdtypen activiteiten subsidiabel voor support partners:

Dit geldt voor alle drie de instrumenten van dit subsidiebeleidskader. De specifieke invulling per instrument, inclusief voorbeelden van activiteiten die in-country partners met financiële ondersteuning van een support partner kunnen uitvoeren, is uitgewerkt in hoofdstukken 8 t/m 10.

2.1. Financieringsactiviteiten

De support partner verstrekt financiële ondersteuning aan in-country partners voor de uitvoering van activiteiten die relevant zijn voor de doelstellingen en thematische prioriteiten van het instrument waaruit subsidie aan de support partner is toegekend.

FemFocus-subsidies mogen worden aangewend voor financiële ondersteuning van twee soorten activiteiten van in-country partners:

De support partners ontwikkelen selectiemechanismen die passen binnen dit subsidiebeleidskader. Zij geven hierin duidelijke randvoorwaarden en richting. Tegelijk laten zij in-country partners zoveel mogelijk ruimte om eigen keuzes te maken die aansluiten op de lokale context.

Minimaal 30% van de subsidiemiddelen die in totaal worden gevraagd voor inzet voor financiering van projecten van in-country partners moet worden aangewend voor ondersteuning van dienstverlening door in-country partners. Dit vereiste is niet van toepassing op subsidiemiddelen die worden ingezet voor capaciteitsversterking (paragraaf 2.2).

De specifieke invulling van dienstverlening en dialoogactiviteiten kan per instrument verschillen. Voor nadere toelichting en voorbeelden wordt verwezen naar de instrumentspecifieke hoofdstukken (hoofdstukken 8 t/m 10).

2.2. Capaciteitsversterkende activiteiten

De support partner biedt, afgestemd op de behoeften van de in-country partners, ondersteuning bij de versterking van hun capaciteit met het oog op hun rol als dienstverlener en bij het voeren van een (kritische) dialoog. Dergelijke activiteiten zijn gericht op effectievere werking, grotere autonomie en duurzaamheid van zowel de organisatie als de programmatische inzet van in-country partners. Capaciteitsversterking kan plaatsvinden op drie terreinen:

Deze ondersteuning kan:

Capaciteitsversterking kan plaatsvinden op:

2.3. Activiteiten die niet in aanmerking komen voor subsidie

Onder dit subsidiebeleidskader komen niet voor subsidie in aanmerking:

2.4. Specifieke invulling van activiteiten per instrument

De instrumentspecifieke hoofdstukken 8, 9 en 10 bevatten de specifieke vereisten per instrument, inclusief voorbeelden van dienstverlening en dialoog waarvoor support partners met behulp van subsidie financiële ondersteuning kunnen geven en voorbeelden van capaciteitsversterking die voor subsidie in aanmerking kunnen komen. Subsidieaanvragen dienen te voldoen aan zowel de algemene vereisten (hoofdstukken 1 t/m 7) als de specifieke vereisten per instrument (hoofdstukken 8 t/m 10).

2.5. Monitoren, Evaluatie en Leren (MEL)

Ook binnen de instrumenten van het beleidskader Focus is het doel van Monitoring, Evaluatie en Leren (MEL) het systematisch volgen van de voortgang, kwaliteit en resultaten van de gesubsidieerde activiteiten. Dit maakt het mogelijk om continu te leren, waar nodig strategische aanpassingen in de activiteiten door te voeren (daarbij blijvend binnen de vereisten van dit subsidiebeleidskader) en verantwoording af te leggen over de behaalde resultaten.

Voor alle instrumenten onder dit subsidiebeleidskader geldt dat het Ministerie van Buitenlandse Zaken (BZ) verantwoordelijk is voor het laten uitvoeren van een externe, kaderbrede baselinestudie en een Mid-Term Evaluatie (MTE). De support partner draagt de verantwoordelijkheid voor het monitoren en leren gedurende de looptijd van de subsidie. De support partners zijn gedurende de gehele looptijd van de subsidie verantwoordelijk om de rapportageverplichtingen, zoals die opgenomen zullen worden in de subsidieverleningsbeschikkingen, na te leven. Het ministerie vereist van de support partner monitoring op output-niveau, maar moedigt support partners aan om ook monitoringsinstrumenten gericht op hogere resultaatniveaus in te zetten.

Bij de subsidieaanvraag dient een eerste opzet van de MEL-systematiek te worden ingediend. Hierbij moet ook worden toegelicht hoe deze eerste opzet in de inceptiefase verder zal worden uitgewerkt in samenwerking met in-country partners. Gedurende de inceptiefase faciliteert het ministerie afstemming tussen de verschillende support partners binnen hetzelfde instrument om waar mogelijk synergie te creëren en indicatoren te harmoniseren.

Deze systematiek moet voldoen aan de volgende criteria (hierover zal in de subsidieverleningsbeschikkingen een verplichting worden opgenomen):

De methodologische toelichting bij deze indicatoren wordt door het ministerie verstrekt na subsidieverlening, voorafgaand aan of tijdens de inceptiefase.

2.6. Inceptiefase

Na subsidieverlening doorlopen alle subsidieontvangers een inceptiefase van (maximaal) zes maanden, die ingaat op de dag van de begindatum van het subsidietijdvak zoals vermeld in de subsidieverleningsbeschikking. Over deze fase wordt een inceptierapport opgesteld, dat als bijlage bij het eerste jaarplan moet worden ingediend.

Tijdens de inceptiefase selecteert de support partner (ten minst een deel van) de te ondersteunen in-country partners. Dit kan via een volledige selectie aan het begin van het programma (zie hoofdstuk 8.3) of een gefaseerde aanpak, waarbij gedurende de looptijd later geselecteerde partners ondersteuning kunnen aanvragen (zie hoofdstuk 9.3 en 10.3).

Met die in-country partners die reeds in de inceptiefase zijn geselecteerd, ontwikkelt de support partner het programma van activiteiten. Hierbij worden de beleidsdoelstellingen en thematische kaders van het betreffende instrument in acht genomen. De support partner vervult hierin een faciliterende rol, waarbij de aard en vorm van de ondersteuning in overleg met de in-country partner worden vastgesteld.

Een belangrijk onderdeel van de inceptiefase is het in kaart brengen van de capaciteitsversterkingsbehoeften van de in-country partners die reeds geselecteerd zijn. Op basis hiervan wordt gezamenlijk bepaald hoe deze versterking het best kan worden vormgegeven: via directe ondersteuning door de support partner, inzet van externe partijen, of financiering waarmee de in-country partner zelf ondersteuning kan organiseren.

Tevens wordt in deze fase de MEL-systematiek (Monitoring, Evaluatie en Leren) en de risicoanalyse verder uitgewerkt. Waar relevant faciliteert BZ afstemming tussen support partners binnen hetzelfde instrument, met het oog op het creëren van synergie en het harmoniseren van indicatoren.

Wanneer meerdere support partners actief zijn in hetzelfde land, vindt tijdens de inceptiefase onderlinge afstemming plaats over de programmatische inzet. Dit voorkomt dubbele financiering, overlappende capaciteitsversterking en inhoudelijke overlap tussen programma’s.

De inceptiefase wordt afgesloten met een inceptierapport. Hierin zijn de uitgewerkte programmering, de selectie van de te ondersteunen in-country partners, de MEL-systematiek en een gedetailleerde risicoanalyse opgenomen. Het ministerie stelt hiervoor een standaardformat beschikbaar.

Na afronding van de inceptiefase wordt het inceptierapport, uiterlijk zes maanden na aanvang van het subsidietijdvak zoals genoemd in de subsidieverleningsbeschikking bij het ministerie ingediend als annex van het jaarplan voor het daarop volgende uitvoeringskalenderjaar. Na de subsidieverlening verstrekt het ministerie een verdere toelichting op de inceptiefase, de rapportageverplichtingen van de aanvrager en de hiermee gepaard gaande tijdslijn.

3. Wie en wat kan voor subsidie in aanmerking komen?

Subsidieaanvragen worden eerst getoetst aan de in dit hoofdstuk opgenomen drempelcriteria. Alleen aanvragen die deze toets doorstaan, worden verder beoordeeld (zie hoofdstuk 7).

3.1. Drempelcriteria

Een aanvraag komt uitsluitend voor subsidie in aanmerking indien aan alle onderstaande drempelcriteria is voldaan. Indien aan één of meer van de criteria niet wordt voldaan, wordt de aanvraag afgewezen en niet verder inhoudelijk (op kwaliteit) beoordeeld.

Drempelcriteria met betrekking tot de aanvragende organisatie (support partner)

Drempelcriteria met betrekking tot de door de support partner voorgestelde activiteiten

De bezoldiging van de individuele leden van management en bestuur van de aanvrager bedraagt, uiterlijk met ingang van het tijdvak waarvoor subsidie wordt gevraagd, per kalenderjaar niet meer dan de hieronder vermelde maxima:

3.2. Financiële onafhankelijkheid aanvragers en omvang van aanvragen

De activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd hebben een looptijd van maximaal 60 maanden, starten op zijn vroegst op de dag nadat de subsidieaanvraag is ingediend en niet eerder dan 1 januari 2026.4NB: Als een aanvrager start met de uitvoering van activiteiten voordat op de aanvraag voor subsidie voor deze activiteiten is beslist, doet hij dat op eigen risico.

Individuele aanvragers komen in het kader van dit subsidiebeleidskader voor maximaal één subsidie in aanmerking. Indien meerdere aanvragen worden ingediend, wordt alleen de eerst ontvangen aanvraag in behandeling genomen; latere aanvragen worden afgewezen.

De aanvraag heeft geen betrekking op de volgende activiteiten:

Naast de bovengenoemde drempelcriteria gelden voor subsidietoekenning ook vereisten met betrekking tot organisatiecapaciteit en integriteitsbeleid. Deze vereisten, evenals een nadere uitwerking van criterium D.2 inzake de financiële onafhankelijkheid van de aanvrager en criterium D.9b inzake de omvang van een aanvraag, worden in de volgende twee paragrafen toegelicht.

N.B. Nadere informatie over de voor dit criterium aan te leveren documentatie bij de aanvraag is te vinden in Annex 2.

Volgens drempelcriterium D.2 is een vereiste om in aanmerking te kunnen komen voor subsidie onder de instrumenten van dit subsidiebeleidskader dat van de totale jaarlijkse inkomsten van de aanvragende organisatie in 2022, 2023 en 2024 gemiddeld per jaar minimaal 25% afkomstig was uit bronnen *anders* dan die van het Ministerie van Buitenlandse Zaken.

Onder ‘inkomsten van het Ministerie van Buitenlandse Zaken’ vallen:

Aan aanvragers die voldoen aan dit minimale percentage van 25% ‘niet-BZ inkomsten’ kan op jaarbasis een subsidie of bijdrage verstrekt worden van maximaal het bedrag dat die organisatie in 2022, 2023 en 2024 gemiddeld per jaar aan ‘niet-BZ inkomsten’ ontving. Voor de hele looptijd van het programma gaat dit dan om vijf keer dit bedrag in totaal, aangezien subsidies voor vijf jaar worden toegekend; uiteraard zullen ook geen subsidies worden verleend die het plafond zouden overschrijden dat beschikbaar is voor het instrument waaronder subsidie wordt aangevraagd.

3.3. Organisatiecapaciteit en integriteitsbeleid

N.B. Nadere informatie over de voor dit criterium aan te leveren documentatie bij de aanvraag is te vinden in Annex 2.

Aanvragers die *niet voldoen aan het minimale percentage van 25% ‘niet-BZ inkomsten’ (i.e. zij halen dus meer dan 75% van hun inkomen uit BZ-subsidies en -bijdragen), komen niet* in aanmerking voor subsidie in het kader van de instrumenten van dit subsidiebeleidskader. Alleen voor organisaties die in aanmerking komen voor maatwerk (zie hierna) geldt dit vereiste niet. Zij kunnen mogelijk ook voor meer subsidie in aanmerking komen dan vijf keer het bedrag dat zij gemiddeld in 2022, 2023 en 2024 aan ‘niet-BZ inkomsten’ hadden.

Voor specialistische organisaties wordt een uitzondering gemaakt op de vereisten voor financiële onafhankelijkheid zoals hierboven toegelicht. Ook kleine, zuidelijke organisaties vallen niet onder dit criterium. Voor beide soorten organisaties geldt dus 1) dat ze niet hoeven te voldoen aan de eis dat gemiddeld minimaal 25% van hun inkomsten in 2022, 2023 en 2024 afkomstig was uit bronnen anders dan die van het Ministerie van Buitenlandse Zaken of de begroting voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, en 2) dat zij per jaar voor méér middelen in aanmerking kunnen komen dan hun gemiddelde jaarlijkse niet-BZ-inkomsten over de afgelopen drie jaar.

3.4. Wie komt niet voor subsidie in aanmerking

Aanvragers die aanspraak maken op maatwerk als specialistische organisatie (zie paragraaf 3.2), wordt gevraagd om uitvoering van de werkzaamheden door de accountant op basis van het accountantsprotocol (Annex 9), wat resulteert in een rapport van overeengekomen specifieke werkzaamheden (Standaard 4400). Dit rapport hoeft nog niet te worden meegestuurd met de aanvraag, maar pas later (zie paragraaf 6.1). N.B. Goedkeuring van de drempeltoets op basis van de bij de drempeltoets aangeleverde informatie is voorwaardelijk. Indien blijkt dat niet is aangetoond dat aan de vereisten om te worden aangemerkt als specialistische organisatie wordt voldaan, wordt de aanvraag afgewezen en niet verder beoordeeld.

3.3. Organisatiecapaciteit en integriteitsbeleid

Tevens gelden om in aanmerking te kunnen komen voor subsidie in het kader van de instrumenten van dit subsidiebeleidskader de volgende twee vereisten, waarop aanvragers die de drempeltoets hebben gehaald worden beoordeeld.

De werking van deze twee vereisten is gelijk aan de werking van de criteria opgenomen in de drempeltoets; wordt niet aan de vereisten voldaan, dan komt de aanvrager niet in aanmerking voor subsidie.

BZ hanteert hiervoor de ORIA (Organizational Risk and Integrity Assessment). Alleen aanvragers die een positieve beoordeling van bovenstaande drempelcriteria hebben ontvangen, worden separaat door BZ uitgenodigd om een ORIA aan te leveren. Deze hoeft dus niet te worden meegestuurd met de aanvraag. Het tijdig aanleveren van een volledig ingevulde ORIA (inclusief bijlagen) en een positieve beoordeling van de verplichte onderdelen van de ORIA is verplicht om voor subsidietoekenning in aanmerking te kunnen komen. Indien een organisatie een nog geldige positief beoordeelde ORIA of een geldig Partos certificaat heeft, moet deze worden aangeleverd.

Hoofdstuk 7 bevat algemene bepalingen over beoordeling en selectie. De verdeelsystematiek van de beschikbare middelen is per specifiek instrument uitgewerkt in resp. paragraaf 8.5, 9.5 en 10.5.

5. Subsidiabele kosten

Slechts de kosten die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de activiteiten waarvoor subsidie wordt gevraagd en die redelijkerwijs niet uit eigen middelen of op andere wijze kunnen worden bekostigd, zijn subsidiabel12Artikel 14, eerste lid, Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken..

Voor subsidieverlening in het kader van de instrumenten van dit subsidiebeleidskader stelt de Minister van Buitenlandse Zaken voor de periode 1 januari 2026 tot en met 31 december 2030 een totaalbedrag van € 209.370.0009Voor de uitvoering is een totaalbedrag van € 210 miljoen beschikbaar, verdeeld over een periode van vijf jaar. Voor een centraal uit te voeren externe evaluatie wordt 0,3% van dit budget gereserveerd, waardoor voor subsidieverlening een bedrag van € 209.370.000 resteert. beschikbaar voor subsidieverlening voor een periode van vijf jaar.

6. Aanvraagprocedure

6.1. Proces en tijdslijnen

Hoofdstuk 7 bevat algemene bepalingen over beoordeling en selectie. De verdeelsystematiek van de beschikbare middelen is per specifiek instrument uitgewerkt in resp. paragraaf 8.5, 9.5 en 10.5.

Aanvragen dienen volledig en zonder voorbehoud te worden ingediend, rechtsgeldig ondertekend door de daartoe namens de aanvragende organisatie bevoegde persoon met vermelding van naam en functie. Het is niet mogelijk om een voorlopige aanvraag in te dienen.

Slechts de kosten die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de activiteiten waarvoor subsidie wordt gevraagd en die redelijkerwijs niet uit eigen middelen of op andere wijze kunnen worden bekostigd, zijn subsidiabel10Artikel 14, eerste lid, Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken..

Activiteiten die reeds zijn gestart voor de datum waarop de subsidie aanvraag is ingediend zijn niet subsidiabel, en dus zijn de daarmee gemoeide kosten niet subsidiabel11Artikel 9 Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken.. De subsidiabele kosten worden genoemd en toegelicht in het budgetmodel dat verplicht moet worden gehanteerd voor de bij de aanvraag in te dienen begroting (Annex 4.2 bij dit subsidiebeleidskader).

Het heeft de uitdrukkelijke voorkeur dat aanvragen per e-mail in.pdf-formaat worden ingediend, met daarbij het budget in Excel. Aanvragen per e-mail worden ingediend door deze te sturen naar: DSO-MM@minbuza.nl onder vermelding van aanvraag FemFocus [+ naam instrument] subsidiebeleidskader.

Als moment van indiening geldt het tijdstip waarop de e-mail door het systeem voor gegevensverwerking van het Ministerie van Buitenlandse Zaken is ontvangen. Houd er rekening mee dat bestanden groter dan 14MB niet kunnen worden ontvangen. E-mails groter dan 14MB dienen in kleinere e-mails te worden verdeeld. Hierbij geldt dat het moment waarop de gehele aanvraag, inclusief de laatste e-mail, is ontvangen geldt als tijdstip waarop de aanvraag is ingediend. Daarbij dienen de e-mails genummerd te worden in de onderwerp-regel, waarbij duidelijk is hoeveel e-mails de aanvraag in totaal behelst.14Bijvoorbeeld: e-mail 1 van 5, e-mail van 2 van 5 etc.****

In het kader van de aanvraagprocedure wordt met nadruk gewezen op artikel 7, derde lid, van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken. Mocht een aanvraag niet voldoen aan de formele vereisten die op grond van dit subsidiebeleidskader aan aanvragen worden gesteld, dan kan de minister vragen om een aanvulling. Als datum en tijd van ontvangst van de aanvraag zal vervolgens gelden de datum en tijd waarop de aangevulde aanvraag is ontvangen. Hoe korter voor het verstrijken van de deadline voor het indienen van aanvragen een aanvraag wordt ingediend, hoe groter het risico dat de minister geen toepassing zal geven aan zijn bevoegdheid om een aanvulling te vragen; dit in verband met de tijd die is gemoeid met het controleren van alle aanvragen op volledigheid en de tijd die nodig is om een aanvulling te vragen en in te dienen. In dat geval zal de aanvraag derhalve niet meer kunnen worden aangevuld, maar zal deze worden beoordeeld zoals hij primair is ingediend. Dit kan leiden tot een lagere rangschikking of zelfs afwijzing van de subsidieaanvraag.

Aanvragen dienen volledig en zonder voorbehoud te worden ingediend, rechtsgeldig ondertekend door de daartoe namens de aanvragende organisatie bevoegde persoon met vermelding van naam en functie. Het is niet mogelijk om een voorlopige aanvraag in te dienen.

Bij het opstellen van de subsidieaanvraag is het kortheidshalve verwijzen naar andere onderdelen van de aanvraag of bijlagen niet voldoende, tenzij in de aanvraagdocumenten uitdrukkelijk is aangegeven dat daarmee (geheel of gedeeltelijk) kan worden volstaan. Indien onderdelen van het aanvraagformulier – met inbegrip van bijlages – niet worden ingevuld, loopt de aanvrager het risico op afwijzing van de aanvraag.

6.2. Vereiste documenten bij de aanvraag

Het heeft de uitdrukkelijke voorkeur dat aanvragen per e-mail in.pdf-formaat worden ingediend, met daarbij het budget in Excel. Aanvragen per e-mail worden ingediend door deze te sturen naar: DSO-MM@minbuza.nl onder vermelding van aanvraag FemFocus [+ naam instrument] subsidiebeleidskader.

I. Verplichte documenten en bijlagen

Eventuele (technische) problemen bij verzending komen voor rekening en risico van aanvrager.

II. Verplichte bijlagen voor aanvragers die menen in aanmerking te komen voor maatwerk in verband met het drempelcriterium D.2

Vragen naar aanleiding van dit document of andere zaken kunt u uitsluitend per e-mail en uiterlijk tot en met 29 oktober 2025 richten aan DSO-MM@minbuza.nl. Waar nodig samengevoegd met andere vragen vindt geanonimiseerde beantwoording hiervan plaats middels een Q&A en op deze website.

Voor een specialistische organisatie:

Bij het indienen van een aanvraag geldt dat dit volgens de verplichte formats moet worden gedaan. Hieronder volgt een overzicht van deze verplicht bij een aanvraag aan te leveren documenten en bijlagen.

7. Beoordelings- en selectieprocedure

*Voor zowel het trackrecord ten behoeve van de drempeltoets (Annex 5) als het trackrecord als onderdeel van het voorstel (Annex 3.1) geldt dat het ministerie externe referenties kan raadplegen met betrekking tot de ingediende track records om zo nodig aanvullende verificaties uit te voeren.

De onderstaande bijlagen hoeven alleen te worden aangeleverd door aanvragers die menen in aanmerking te komen voor maatwerk in verband met het drempelcriterium D.2 over financiële onafhankelijkheid (zie uitleg onder paragraaf 3.2). Deze aanvragers sturen de volgende informatie met de aanvraag mee (zie ook het in te vullen formulier in Annex 2):

Voor een specialistische organisatie:

*Voor een kleine, zuidelijke organisatie:*

Een positieve beoordeling van de verplichte onderdelen van de ORIA is noodzakelijk om voor subsidieverlening in aanmerking te kunnen komen. BZ voert de ORIA-beoordeling gelijktijdig uit met de op de drempeltoets volgende inhoudelijke beoordeling van de subsidieaanvraag.

De bepalingen in de Algemene wet bestuursrecht, het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken en de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 zijn onverkort van toepassing op de beoordeling van aanvragen in het kader van dit subsidiebeleidskader. Aanvragen worden beoordeeld met inachtneming van deze regelgeving en overeenkomstig de in dit subsidiebeleidskader opgenomen criteria.

Tijdig ontvangen aanvragen worden behandeld volgens de volgende beoordelings- en selectieprocedure. De aanvrager en de activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd, dienen allereerst te voldoen aan alle drempelcriteria. De drempelcriteria staan vermeld in paragraaf 3.1 van dit subsidiebeleidskader. Bij het niet voldoen aan één (of meer) van de drempelcriteria wordt de aanvraag afgewezen en niet verder beoordeeld.

Aanvragers van wie de aanvraag voldoet aan de drempelcriteria ontvangen vanuit BZ bericht hierover. Deze mededeling zal steeds onder voorbehoud zijn gelet het bepaalde in paragraaf 3.3 inzake de nog aan te leveren vereiste documenten voor de Organisational Risk and Integrity Assessment (ORIA), of een geldig Partos certificaat, met het oog op de beoordeling aan de criteria over organisatiecapaciteit en integriteitsbeleid.

Aanvragers die aanspraak maken op maatwerk als specialistische organisatie (zie paragraaf 3.2), wordt gevraagd om uitvoering van de werkzaamheden door de accountant op basis van het accountantsprotocol (Annex 9), wat resulteert in een rapport van overeengekomen specifieke werkzaamheden (Standaard 4400). Dit rapport hoeft nog niet te worden meegestuurd met de aanvraag, maar pas later (zie paragraaf 6.1).

N.B. Goedkeuring van de drempeltoets op basis van de bij de drempeltoets aangeleverde informatie is voorwaardelijk. Indien blijkt dat niet is aangetoond dat aan de vereisten om te worden aangemerkt als specialistische organisatie wordt voldaan, wordt de aanvraag afgewezen en niet verder beoordeeld.

8. Instrument 1: Stimuleren Vrouwelijk Ondernemerschap

8.1. Beleidscontext en doelstelling

Om voor subsidie in aanmerking te kunnen komen, moet de algehele kwaliteit van de aanvraag ten minste als ruim voldoende worden beoordeeld. Dit betekent een totaalscore van minimaal 75 punten van de maximaal 110 punten. Daarnaast moet ook ieder afzonderlijk onderdeel ten minste als ruim voldoende worden beoordeeld, blijkend uit de in bovenstaande tabel genoemde te behalen minimumscore (Let op: om de vereiste minimum score van 75 punten te behalen volstaat het niet om per onderdeel van de aanvraag het minimum aantal punten te behalen). Aanvragen die niet aan deze vereisten ten aanzien van kwaliteit voldoen worden afgewezen.

De verdeelsystematiek van de beschikbare middelen is per specifiek instrument uitgewerkt in resp. paragraaf 8.5, 9.5 en 10.5.

De besluitvorming zal plaatsvinden met oog voor artikel 10 van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken13wetten.nl – Regeling – Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken – BWBR0018039. De minister kan subsidieverlening weigeren als het verlenen van subsidie niet verenigbaar is met zijn beleid op het gebied van de buitenlandse betrekkingen en de ontwikkelingshulp; het moet daarbij gaan om publiekelijk kenbaar beleid, bijvoorbeeld uit de memorie van toelichting bij de begroting van het ministerie, uit Kamerstukken of uit beleidsregels op grond van artikel 6, eerste lid, van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken.

Op basis van deze inzichten kiest dit instrument voor de volgende beleidsdoelstellingen:

Vrouwen met kleinschalige ondernemingen hebben vaak moeilijk toegang tot bestaande financiering van donoren, private investeringen of ontwikkelingsbanken. Lokaal gevestigde maatschappelijke organisaties zijn beter gepositioneerd om deze ondernemers te bereiken en te ondersteunen. Daarom wordt middels dit subsidiebeleidskader ingezet op het financieel en middels capaciteitsversterking ondersteunen van dergelijke organisaties. Succesvolle participatie in de formele economie vereist vaak een gefaseerde aanpak. Dit instrument richt zich op de beginfase, namelijk op de versterking van de individuele vrouwelijk ondernemer en haar omgeving. Voor de duurzaamheid van de resultaten is het belangrijk dat dit instrument mogelijkheden biedt voor aansluiting van programmering op andere Nederlandse, nationale en internationale programma’s die zich richten op de vervolgfase zoals de toegankelijkheid van financiële producten van banken, om er voor te zorgen dat vrouwelijke ondernemers de kans krijgen om volgende stappen te kunnen zetten in de groei van hun bedrijf.

Vrouwelijk ondernemerschap is een krachtige motor voor sociaal-economische groei en duurzame ontwikkeling. Vrouwen investeren hun winst vaak in gezinnen en gemeenschappen, wat bijdraagt aan lokale werkgelegenheid en een beter investeringsklimaat.14https://www.imf.org/external/pubs/ft/fandd/2012/03/revenga.htm + AFAWA (2019 act nr 4000003081) Toch ondervinden vrouwelijke ondernemers in veel ontwikkelingslanden aanzienlijke barrières, zoals beperkte toegang tot formele markten en financiering, en sociaal-culturele normen die hun deelname aan de formele economie beperken. Vooral kleinschalige ondernemers in de informele economie zijn extra kwetsbaar in geval van crises, wat negatieve gevolgen kan hebben voor nationale economieën en stabiliteit.

8.2. Geografische focus

Onderzoek16We-Fi_Evidence-Paper-Oct2022.pdf, CAREs-Women-Mean-Business-Global-Report.pdf, Theory of Change WEMAN.pdf, publication4_guidelines_v2_revas_cc12dic_0.pdf toont aan dat effectieve programma’s voor vrouwelijk ondernemerschap vaak een twee-sporenaanpak hanteren. Deze aanpak combineert:

Op basis van deze inzichten kiest dit instrument voor de volgende beleidsdoelstellingen:

Vrouwen met kleinschalige ondernemingen hebben vaak moeilijk toegang tot bestaande financiering van donoren, private investeringen of ontwikkelingsbanken. Lokaal gevestigde maatschappelijke organisaties zijn beter gepositioneerd om deze ondernemers te bereiken en te ondersteunen. Daarom wordt middels dit subsidiebeleidskader ingezet op het financieel en middels capaciteitsversterking ondersteunen van dergelijke organisaties. Succesvolle participatie in de formele economie vereist vaak een gefaseerde aanpak. Dit instrument richt zich op de beginfase, namelijk op de versterking van de individuele vrouwelijk ondernemer en haar omgeving. Voor de duurzaamheid van de resultaten is het belangrijk dat dit instrument mogelijkheden biedt voor aansluiting van programmering op andere Nederlandse, nationale en internationale programma’s die zich richten op de vervolgfase zoals de toegankelijkheid van financiële producten van banken, om er voor te zorgen dat vrouwelijke ondernemers de kans krijgen om volgende stappen te kunnen zetten in de groei van hun bedrijf.

8.3. Specifieke invulling van subsidiabele activiteiten

Binnen dit instrument omvatten de subsidiabele activiteiten zowel financiering als capaciteitsversterking, zoals toegelicht in paragrafen 2.1 en 2.2. De activiteiten moeten bijdragen aan de beleidsdoelstellingen van dit instrument, zoals beschreven in paragraaf 8.1.

De geografische focus van dit instrument ligt op het Afrikaanse continent, waar Nederland belangrijke handels- en economische belangen heeft en het aandeel vrouwelijke ondernemers in de informele sector relatief hoog is. Om in aanmerking te kunnen komen voor subsidie binnen het instrument Stimuleren Vrouwelijk Ondernemerschap, moeten de voorgestelde activiteiten plaatsvinden in of gericht zijn op landen waar Nederland een handels- en economisch belang heeft.

Aanvragen binnen dit instrument dienen zich daarom te richten op minimaal twee van de volgende landen:

Egypte, Ghana, Ivoorkust, Kenia, Marokko, Nigeria, Senegal, Zuid-Afrika, Benin, Ethiopië, Mozambique, Oeganda, Tunesië, Democratische Republiek Congo (DRC).

De support partner ondersteunt in-country partners bij de versterking van hun capaciteit, in lijn met de generieke uitgangspunten zoals beschreven in paragraaf 2.2. Deze ondersteuning is gericht op het vergroten van de effectiviteit, autonomie en duurzaamheid van in-country partners, en is niet direct gericht op de doelgroep.

Binnen dit instrument omvatten de subsidiabele activiteiten zowel financiering als capaciteitsversterking, zoals toegelicht in paragrafen 2.1 en 2.2. De activiteiten moeten bijdragen aan de beleidsdoelstellingen van dit instrument, zoals beschreven in paragraaf 8.1.

Bij dit instrument selecteert de support partner aan de start van het subsidietijdvak alle in-country partners die gedurende de volledige looptijd van vijf jaar een rol zullen vervullen. In de inceptiefase werkt de support partner samen met de geselecteerde in-country partners het programmavoorstel verder uit.

8.4. Subsidieplafond en omvang aanvraag

In het kader van dit instrument kunnen support partners in-country partners financieel steunen bij activiteiten gericht op onder andere (niet limitatief):

De support partner ondersteunt in-country partners bij de versterking van hun capaciteit, in lijn met de generieke uitgangspunten zoals beschreven in paragraaf 2.2. Deze ondersteuning is gericht op het vergroten van de effectiviteit, autonomie en duurzaamheid van in-country partners, en is niet direct gericht op de doelgroep.

8.5. Verdeling beschikbare middelen binnen het instrument

Aanvragers dienen in hun begroting een onderscheid te maken tussen financieringsactiviteiten en capaciteitsversterkende activiteiten. Financieringsactiviteiten kunnen zowel zien op dienstverlening als dialoog (zie hoofdstuk 2). Minimaal 30% van het voor financieringsactiviteiten aangevraagde budget dient te worden besteed aan financiële ondersteuning van dienstverlening.

De verdeling van middelen vindt plaats via een subsidietender, oftewel op basis van kwaliteit, zoals beschreven in hoofdstuk 4. De kwaliteit wordt beoordeeld door beoordeling van aanvragen op grond van de kwalitatieve criteria neergelegd in paragraaf 8.6. De uitkomsten van deze beoordeling leiden tot een rangorde van de aanvragen op basis van kwaliteit. Aanvragen die niet van ten minste ruim voldoende kwaliteit zijn worden niet meegenomen in deze rangschikking.

Het subsidieplafond voor dit instrument bedraagt € 54.835.000 voor de periode 2026–2030 (5 jaar).

De omvang van een aanvraag bedraagt minimaal 33,3% en maximaal 50% van het voor dit instrument (Stimuleren vrouwelijk ondernemerschap) beschikbare budget van € 54.835.000. Dit betekent dat een aanvraag minimaal € 18.260.055 en maximaal € 27.417.500 bedraagt.

Een aanvrager ontvangt een besluit op zijn aanvraag, waarin wordt aangegeven of sprake is van een volledige toekenning, een gedeeltelijke toekenning/gedeeltelijke afwijzing of een volledige afwijzing. Van een (gedeeltelijke) afwijzing zal sprake zijn indien de kwaliteit van een aanvraag niet ruim voldoende is, of de voor dit instrument beschikbare middelen niet toereikend zijn om alle kwalificerende aanvragen te honoreren.

8.6. Kwalitatieve criteria

De verdeling van middelen vindt plaats via een subsidietender, oftewel op basis van kwaliteit, zoals beschreven in hoofdstuk 4. De kwaliteit wordt beoordeeld door beoordeling van aanvragen op grond van de kwalitatieve criteria neergelegd in paragraaf 8.6. De uitkomsten van deze beoordeling leiden tot een rangorde van de aanvragen op basis van kwaliteit. Aanvragen die niet van ten minste ruim voldoende kwaliteit zijn worden niet meegenomen in deze rangschikking.

Onderdeel I. Track Record (maximaal 35 punten)

Onderdeel II. Voorstel (maximaal 65 punten)

Onderdeel III. Beleidsprincipes (maximaal 10 punten)

8.6. Kwalitatieve criteria

9.1. Beleidscontext en doelstelling

De mate waarin de aanvrager ervaring heeft met het opzetten en beheren van systemen voor het beschikbaar stellen en verantwoorden van middelen aan in-country partners, op een wijze die ruimte laat voor transparantie, wederzijds vertrouwen en een passende mate van verantwoordelijkheid bij deze partners.

De mate waarin de aanvrager beschikt over een voor de beleidsdoelstellingen van het instrument relevant en divers netwerk van in-country partners in de door hem gekozen landen, dat aantoont dat de aanvrager stevig is ingebed in de lokale context.

De mate waarin de aanvrager aantoonbaar succesvolle ervaring heeft met het zelf opzetten en uitvoeren van programma’s gericht op de beleidsdoelstellingen van het instrument vrouwelijk ondernemerschap (zie 8.1), óf met het (financieel) ondersteunen van organisaties die dergelijke programma’s uitvoeren.

De mate waarin de aanvrager een heldere visie en aanpak presenteert voor het stimuleren van lokaal eigenaarschap, met inzicht in de rolverdeling tussen de aanvrager en in-country partners bij het maken van programmatische keuzes.

9.2. Geografische focus

De mate waarin de risico’s voor het voorgestelde programma inzichtelijk zijn gemaakt en zijn voorzien van passende mitigerende maatregelen.

De mate waarin de benodigde middelen, en de verdeling daarvan, opgenomen in de begroting bij de aanvraag, in evenredige verhouding staan tot de context-, stakeholder- en probleemanalyse, de uit te voeren activiteiten en de te realiseren resultaten.

9. Instrument 2: Tegengaan van Geweld Tegen Vrouwen & Ondersteunen van Vrouwenrechten-en Vrouwelijke Mensenrechtenverdedigers (TGTV-WHRD’s)

Binnen dit instrument omvatten de subsidiabele activiteiten zowel financiering als capaciteitsversterking, zoals toegelicht in paragrafen 2.1 en 2.2. De activiteiten moeten bijdragen aan de beleidsdoelstellingen van dit instrument, zoals beschreven in paragraaf 9.1.

Eén op de drie vrouwen en meisjes wereldwijd krijgt te maken met seksueel of gender-gerelateerd geweld. De oorzaken van geweld tegen vrouwen en meisjes zijn complex en contextgebonden. De mentale en fysieke impact op slachtoffers, families en gemeenschappen is groot. Door dit geweld tegen vrouwen en meisjes nemen vrouwen minder deel aan het openbare leven, zijn de zorgkosten voor vrouwen en voor de maatschappij hoger en neemt het risico op geweld in de toekomst toe. Wereldwijd staat de beweging voor mensenrechten en specifiek vrouwenrechten steeds meer onder druk; er zijn meer anti-rechtenorganisaties actief, ze zijn beter gefinancierd en georganiseerd, en er zijn meer overheden die soms direct met hen samenwerken. Verdedigers van vrouwenrechten staan hierdoor in toenemende mate onder druk, zowel offline als online. Dit heeft directe consequenties voor hun veiligheid, vermogen om op te treden en voor het realiseren van maatschappelijke verbeteringen omtrent vrouwenrechten.

Met dit instrument, Tegengaan van Geweld Tegen Vrouwen & Ondersteunen van Vrouwenrechten- en Vrouwelijke Mensenrechtenverdedigers (TGTV-WHRD’s), ondersteunt BZ via support partners in-country partners in West-Afrika, de Hoorn van Afrika en in het Midden-Oosten en Noord-Afrika (MENA). De beleidsdoelstellingen van dit instrument zijn:

Deze beleidsdoelstellingen wordt geconcretiseerd via de volgende subdoelen/resultaatsgebieden:

Voor overige generieke beleidsuitgangspunten, zoals capaciteitsversterking van maatschappelijke organisaties en lokaal geleide ontwikkeling, wordt verwezen naar het overkoepelend deel, paragraaf 1.2.

De invulling wordt afgestemd op de behoefte van de in-country partner en in beginsel overeengekomen in de inceptiefase, doch kan, indien de partner in een latere fase een aanvraag indient, op een later moment worden overeengekomen. Voor dit instrument kan capaciteitsversterking bijvoorbeeld bestaan uit (niet limitatief):

Om in aanmerking te kunnen komen voor een subsidie binnen het TGTV-WHRD’s instrument dienen aanvragen zich te richten op landen in de regio’s West-Afrika, de Hoorn van Afrika en het Midden-Oosten en Noord Afrika (MENA), zie de landenlijst in Annex 6.

9.4. Subsidieplafond en omvang aanvraag

Het subsidieplafond voor dit instrument bedraagt € 114.655.000 voor de periode 2026-2030 (5 jaar).

Binnen dit instrument omvatten de subsidiabele activiteiten zowel financiering als capaciteitsversterking, zoals toegelicht in paragrafen 2.1 en 2.2. De activiteiten moeten bijdragen aan de beleidsdoelstellingen van dit instrument, zoals beschreven in paragraaf 9.1.

Bij dit instrument wordt gewerkt met een gefaseerde aanpak. In de inceptiefase wordt op basis van input van een selectie van relevante lokale organisaties het voorstel voor het programma verder uitgewerkt. Het programma kan bestaan uit meerdere loketten met verschillende looptijden, passend bij de context van het land en de doelen van dit instrument. De lokale organisaties die geconsulteerd zijn in de inceptiefase hebben geen garantie op ondersteuning vanuit het programma. Gedurende de looptijd van het programma kunnen lokale partners aanvragen indienen bij de supportpartner.

De support partner ondersteunt in-country partners financieel bij de uitvoering van activiteiten die aansluiten bij het bestrijden van geweld tegen vrouwen en het ondersteunen van vrouwenrechtenverdedigers (WHRD’s), zie ook paragraaf 2.1. De in-country partners zijn verantwoordelijk voor het ontwikkelen en uitvoeren van deze activiteiten. De support partner faciliteert dit door een transparant aanvraagproces op te zetten en te hanteren voor selectie, financiering en begeleiding.

9.5. Verdeling beschikbare middelen binnen het instrument

De support partner ondersteunt in-country partners bij de versterking van hun capaciteit, in lijn met de generieke uitgangspunten zoals beschreven in paragraaf 2.2. Deze ondersteuning is gericht op het vergroten van de effectiviteit, autonomie en duurzaamheid van in-country partners, en is niet direct gericht op de doelgroep.

De invulling wordt afgestemd op de behoefte van de in-country partner en in beginsel overeengekomen in de inceptiefase, doch kan, indien de partner in een latere fase een aanvraag indient, op een later moment worden overeengekomen. Voor dit instrument kan capaciteitsversterking bijvoorbeeld bestaan uit (niet limitatief):

Aanvragers dienen in hun begroting een onderscheid te maken tussen financieringsactiviteiten en capaciteitsversterkende activiteiten. Financieringsactiviteiten omvatten zowel dienstverlening als dialoog (zie hoofdstuk 2). Minimaal 30% van het voor financieringsactiviteiten aangevraagde budget dient te worden besteed aan financiële ondersteuning van dienstverlening.

De minister besluit per regio tot subsidieverlening overeenkomstig deze rangorde (op kwaliteit), waarbij per regio de best scorende (deel-)aanvraag wordt gehonoreerd, mits deze van ten minste ruim voldoende kwaliteit is.

Het subsidieplafond voor dit instrument bedraagt € 114.655.000 voor de periode 2026–2030 (5 jaar).

Binnen een aanvraag voor dit instrument kan een voorstel worden ingediend voor één of twee regio’s. Wanneer een aanvraag betrekking heeft op twee regio’s, wordt dit beschouwd als één aanvraag met twee deelaanvragen.

De omvang van een (deel-)aanvraag bedraagt per regio 33,3% van het voor dit instrument (TGTV-WHRD’s) beschikbare budget van € 114.655.000. Dit betekent dat een (deel-)aanvraag € 38.180.115 bedraagt.

9.6. Kwalitatieve criteria

De ingediende aanvraag wordt, na positieve uitkomst van toetsing op de drempelcriteria zoals genoemd in paragraaf 3.1, beoordeeld op basis van de volgende kwalitatieve criteria. Zie ook het aanvraagformulier in Annex 1.

Onderdeel I. Track Record (maximaal 35 punten)

Onderdeel II. Voorstel (maximaal 65 punten)

Onderdeel III. Beleidsprincipes (maximaal 10 punten)

10. Instrument 3: Vrouwen, Vrede en Veiligheid

10.1. Beleidscontext en doelstelling

Indien na subsidieverlening aan de beste (deel-)aanvraag per regio eventueel nog middelen resteren, worden de nog niet-gehonoreerde (deel-)aanvragen die van ten minste ruim voldoende kwaliteit zijn in een rangorde opgenomen, waarna de nog beschikbare middelen worden verdeeld overeenkomstig deze rangorde.

Een aanvrager ontvangt een besluit op zijn aanvraag, waarin wordt aangegeven of sprake is van een volledige toekenning, een gedeeltelijke toekenning/gedeeltelijke afwijzing, of een volledige afwijzing. Van een (gedeeltelijke) afwijzing is sprake:

Internationaal wordt de rol van vrouwen in vrede- en veiligheidsprocessen erkend, onder meer via VN-Veiligheidsraadresolutie 1325 en opvolgende resoluties.21VNVR Resolutie 1325 en opvolgende resoluties 1820 (2008), 1888 (2009), 1889 (2009), 1960 (2010), 2106 (2013), 2122 (2013), 2242 (2015), 2467 (2019), 2493 (2019) en 2538 (2020). Nederland committeert zich aan de uitvoering van deze resoluties door middel van het vierde Nationaal Actieplan 1325 (NAP 1325-IV). Ondanks deze internationale afspraken en beleidskaders zijn vrouwen wereldwijd nog steeds ondervertegenwoordigd in formele vredesonderhandelingen en besluitvormingsprocessen met betrekking tot vrede en veiligheid. In 2023 was slechts 10% van de onderhandelaars, 14% van de bemiddelaars en 27% van de ondertekenaars van vredes- en staak-het-vurenovereenkomsten vrouw.22Secretary General of the UN, Report on Women, Peace and Security (2024), pagina 9.,23Traditionele rollen in de samenleving, stereotypen en discriminatie dragen bij aan uitsluiting van vrouwen van deze processen. Bovendien krijgen vrouwen die wel actief zijn in vredesprocessen of conflictbemiddeling te maken met geweld en haatdragende taal, zowel offline als online (bron: NAP1325-IV). Bovendien krijgen vrouwen(rechten)organisaties in conflictgebieden onvoldoende structurele steun en financiering om hun werk effectief te kunnen doen.24Secretary General of the UN, Report Conflict-related sexual violence (2025).

De ingediende aanvraag wordt, na positieve uitkomst van toetsing op de drempelcriteria zoals genoemd in paragraaf 3.1, beoordeeld op basis van de volgende kwalitatieve criteria. Zie ook het aanvraagformulier in Annex 1.

De mate waarin de aanvrager beschikt over een voor de beleidsdoelstellingen van dit instrument relevant en divers netwerk van in-country partners in de gekozen landen, dat aantoont dat de aanvrager stevig is ingebed in de lokale context.

De mate waarin de aanvrager aantoonbaar succesvolle ervaring heeft met het zelf opzetten en uitvoeren van programma’s gericht op de beleidsdoelstellingen van het instrument tegengaan van geweld tegen vrouwen en het ondersteun en van vrouwenrechten- en vrouwelijke mensenrechtenverdedigers (zie paragraaf 9.1), óf met het (financieel) ondersteunen van organisaties die dergelijke programma’s uitvoeren.

De mate waarin de aanvrager een heldere visie en aanpak presenteert voor het stimuleren van lokaal eigenaarschap, met inzicht in de rolverdeling tussen de aanvrager en in-country partners bij het maken van programmatische keuzes.

De mate waarin het selectieproces van in-country partners zorgvuldig, objectief en inclusief is ingericht. Daarbij is van belang dat er duidelijke procedures zijn voor het selecteren van nieuwe partners en voor het herbeoordelen van bestaande partners, waarvan de organisatiecapaciteit eerder als voldoende is beoordeeld om voor ondersteuning in aanmerking te komen.

10.2. Geografische focus

De mate waarin de benodigde middelen, en de verdeling daarvan, opgenomen in de begroting bij de aanvraag, in evenredige verhouding staan tot de context-, stakeholder- en probleemanalyse, de uit te voeren activiteiten en de te realiseren resultaten.

Binnen een aanvraag kan een voorstel worden ingediend voor één of twee regio’s, met per regio minimaal twee landen waarin de activiteiten worden uitgevoerd of waarop de voorgestelde activiteiten zich richten.25Er kan gekozen worden om activiteiten uit te voeren gericht op (de doelgroep van) de implementatielanden vanuit een ander land, mits goed onderbouwd. De selectie van deze landen moet passen bij de doelstellingen van het instrument. De gekozen landen blijven gedurende de volledige looptijd van de subsidie gelden als implementatielanden.

Indien uitvoering van activiteiten door de in-country partner in een specifiek land niet (meer) mogelijk is vanwege veiligheidsoverwegingen, kan uitvoering vanuit een buurland worden toegestaan, mits dit goed wordt onderbouwd en passend binnen de vereisten van dit subsidiebeleidskader.

10.3. Specifieke invulling van subsidiabele activiteiten

Tegelijkertijd spelen vrouwen een cruciale rol in conflictpreventie, conflictbemiddeling en vredesopbouw. Zij treden op als bemiddelaars, bieden eerste hulp aan slachtoffers van CRSV en dragen bij aan duurzame vrede en veiligheid. Vrede heeft een grotere kans van slagen als vrouwen betrokken zijn.

Internationaal wordt de rol van vrouwen in vrede- en veiligheidsprocessen erkend, onder meer via VN-Veiligheidsraadresolutie 1325 en opvolgende resoluties.19VNVR Resolutie 1325 en opvolgende resoluties 1820 (2008), 1888 (2009), 1889 (2009), 1960 (2010), 2106 (2013), 2122 (2013), 2242 (2015), 2467 (2019), 2493 (2019) en 2538 (2020). Nederland committeert zich aan de uitvoering van deze resoluties door middel van het vierde Nationaal Actieplan 1325 (NAP 1325-IV). Ondanks deze internationale afspraken en beleidskaders zijn vrouwen wereldwijd nog steeds ondervertegenwoordigd in formele vredesonderhandelingen en besluitvormingsprocessen met betrekking tot vrede en veiligheid. In 2023 was slechts 10% van de onderhandelaars, 14% van de bemiddelaars en 27% van de ondertekenaars van vredes- en staak-het-vurenovereenkomsten vrouw.20Secretary General of the UN, Report on Women, Peace and Security (2024), pagina 9.,21Traditionele rollen in de samenleving, stereotypen en discriminatie dragen bij aan uitsluiting van vrouwen van deze processen. Bovendien krijgen vrouwen die wel actief zijn in vredesprocessen of conflictbemiddeling te maken met geweld en haatdragende taal, zowel offline als online (bron: NAP1325-IV). Bovendien krijgen vrouwen(rechten)organisaties in conflictgebieden onvoldoende structurele steun en financiering om hun werk effectief te kunnen doen.22Secretary General of the UN, Report Conflict-related sexual violence (2025).

Het Vrouwen, Vrede en Veiligheid-instrument (VVV) draagt bij aan de uitvoering van Resolutie 1325, NAP 1325-IV en de Beleidsbrief Ontwikkelingshulp van 20 februari 2025.

Het VVV-instrument heeft als beleidsdoelstelling het versterken van het leiderschap van (jonge) vrouwen in vrede- en veiligheidsprocessen. Dit leiderschap betreft onder meer hun rol als bemiddelaars, eerstelijnswerkers en vredesonderhandelaars. Het ministerie ondersteunt via support in-country partners in drie regio’s: de Hoorn van Afrika, West-Afrika en het Midden-Oosten en Noord-Afrika (MENA). Dit gebeurt door middel van financierings- en capaciteitsversterkingsactiviteiten van een support partner richting in-country partners actief op Vrouwen, Vrede en Veiligheid.

Het instrument draagt bij aan drie subdoelen:

Deze subdoelen corresponderen in het bijzonder met onderstaande pijlers van resolutie 1325 en het NAP 1325-IV:

Voor overige generieke beleidsuitgangspunten, zoals capaciteitsversterking van maatschappelijke organisaties en lokaal geleide ontwikkeling, wordt verwezen naar het overkoepelend deel, paragraaf 1.2.

10.2. Geografische focus

Om in aanmerking te kunnen komen voor een subsidie binnen het VVV-instrument dienen aanvragen zich te richten op landen in de regio’s de West-Afrika, de Hoorn van Afrika en het Midden-Oosten en Noord-Afrika (MENA), zie Annex 6.

Binnen een aanvraag kan een voorstel worden ingediend voor één of twee regio’s, met per regio minimaal twee landen waarin de activiteiten worden uitgevoerd of waarop de voorgestelde activiteiten zich richten.23Er kan gekozen worden om activiteiten uit te voeren gericht op (de doelgroep van) de implementatielanden vanuit een ander land, mits goed onderbouwd. De selectie van deze landen moet passen bij de doelstellingen van het instrument. De gekozen landen blijven gedurende de volledige looptijd van de subsidie gelden als implementatielanden.

Indien uitvoering van activiteiten door de in-country partner in een specifiek land niet (meer) mogelijk is vanwege veiligheidsoverwegingen, kan uitvoering vanuit een buurland worden toegestaan, mits dit goed wordt onderbouwd en passend binnen de vereisten van dit subsidiebeleidskader.

De aanvraag is bij het indienen op twee regio’s dus 66,66% van het voor dit instrument (Vrouwen, Vrede Veiligheid|) beschikbare budget van € 39.880.000. Dit betekent dat een aanvraag die betrekking heeft op twee regio’s € 26.560.080 bedraagt.

10.5. Verdeling beschikbare middelen binnen het instrument

Bij dit instrument wordt gewerkt met een gefaseerde aanpak. In de inceptiefase wordt op basis van input van een selectie van relevante lokale organisaties het voorstel voor het programma verder uitgewerkt. Het programma kan bestaan uit meerder loketten voor verschillende looptijden, passend bij de context van het land en de doelen van dit instrument. De lokale organisaties die meewerkten aan de inceptiefase hebben geen garantie op ondersteuning vanuit het programma. Gedurende de looptijd van het programma kunnen lokale partners aanvragen indienen bij de supportpartner.

De support partner ondersteunt in-country partners financieel bij de uitvoering van activiteiten die aansluiten bij de beleidsdoelen van dit instrument, zie ook paragraaf 2.1. De in-country partners zijn verantwoordelijk voor het ontwikkelen en uitvoeren van deze activiteiten. De support partner faciliteert dit door een transparant aanvraagproces op te zetten en te hanteren voor selectie, financiering en begeleiding.

In het kader van dit instrument kunnen support partners in-country partners financieel steunen bij activiteiten zoals (niet limitatief):

De support partner ondersteunt in-country partners bij de versterking van hun capaciteit, in lijn met de generieke uitgangspunten zoals beschreven in paragraaf 2.2. Deze ondersteuning is gericht op het vergroten van de effectiviteit, autonomie en duurzaamheid van in-country partners, en is niet direct gericht op de doelgroep.

De invulling wordt afgestemd op de behoefte van de in-country partner en in beginsel overeengekomen tijdens de inceptiefase, maar kan – indien de partner in een latere fase een aanvraag indient – ook op een later moment worden vastgesteld. Voor dit instrument kan capaciteitsversterking bijvoorbeeld bestaan uit (niet limitatief):

Aanvragers dienen in hun begroting een onderscheid te maken tussen financieringsactiviteiten en capaciteitsversterkende activiteiten. Financieringsactiviteiten omvatten zowel dienstverlening als dialoog (zie hoofdstuk 2). Minimaal 30% van het voor financieringsactiviteiten aangevraagde budget dient te worden besteed aan financiële ondersteuning van dienstverlening.

Een aanvrager ontvangt een besluit op zijn aanvraag, waarin wordt aangegeven of sprake is van een volledige toekenning, een gedeeltelijke toekenning/gedeeltelijke afwijzing, of een volledige afwijzing. Van een (gedeeltelijke) afwijzing is sprake:

10.6. Kwalitatieve criteria

Binnen een aanvraag voor dit instrument kan een voorstel worden ingediend voor één of twee regio’s. Wanneer een aanvraag betrekking heeft op twee regio’s, wordt dit beschouwd als één aanvraag met twee deelaanvragen.

Onderdeel I: Track Record (maximaal 35 punten)

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)