Regeling van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, van 6 februari 2026, nr. IENW/BSK-2026/15802, houdende regels ter stimulering van het uitvoeren van projecten in het kader van de Programmatische Aanpak Grote Wateren (Regeling stimulering projecten PAGW) [KetenID WGK027450]

Type Ministeriële regeling
Publication 2026-03-01
State In force
Source BWB
artikelen 16
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Gelet op artikel 7.22d, tweede en derde lid, van de Waterwet, de artikelen 2, 3, eerste lid, aanhef en onderdeel g, 4, eerste en tweede lid, en 5 van de Kaderwet subsidies I en M, en de artikelen 2, derde lid en 4, eerste lid, van het Kaderbesluit subsidies I en M juncto artikel 17, eerste lid, van de Financiële-verhoudingswet;

BESLUIT:

Artikel 1. Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

Artikel 2. Toepasselijkheid Kaderbesluit subsidies I en M

De artikelen 6, eerste, vierde en zesde lid, 11, 12, aanhef en onderdelen b, c, e, en i, 14, eerste en vierde lid, 17, eerste lid, aanhef en onderdelen a, b, c, e en f, en tweede lid, 18, 21 en 23, eerste lid van het Kaderbesluit subsidies I en M zijn van overeenkomstige toepassing op een rijksbijdrage die op grond van deze regeling wordt verleend.

Artikel 3. Doel

Deze regeling heeft tot doel het stimuleren en faciliteren van de uitvoering van projecten als genoemd in de bijlage bij deze regeling met als oogmerk om de ecologische waterkwaliteit te verbeteren en de natuur in of bij de grote wateren te versterken.

Artikel 4. Kosten die in aanmerking komen voor een rijksbijdrage en hoogte van de rijksbijdrage

1.

De minister kan, gelet op het doel in artikel 3, op aanvraag van een provincie, gemeente of waterschap een rijksbijdrage verlenen voor een project.

2.

In de verkenningsfase en de planuitwerkingsfase van een project komen voor een rijksbijdrage in aanmerking de aan deze fase toe te rekenen kosten:

3.

In de realisatiefase van een project komen voor een rijksbijdrage in aanmerking de in deze fase aan het project toe te rekenen kosten:

4.

In de fase na realisatie van een project komen voor een rijksbijdrage in aanmerking de in deze fase aan het project toe te rekenen kosten van monitoring, evaluatie, beheer en onderhoud.

5.

Onverminderd het tweede tot en met vierde lid, komen in een fase als bedoeld in die leden voor een rijksbijdrage in aanmerking maximaal 50% van de aan die fase toe te rekenen kosten van personeel van de eigen organisatie, indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:

6.

De raming van de kosten, bedoeld in het tweede en vierde lid, vindt plaats conform de Standaardsystematiek voor Kostenramingen 2018, op basis van de meest waarschijnlijke waarde van een deterministische raming of op basis van de P85-waarde van een probabilistische raming.

7.

De raming van de kosten, bedoeld in het derde lid, vindt plaats conform de Standaardsystematiek voor Kostenramingen 2018 op basis van de P85-waarde van een probabilistische raming.

8.

De rijksbijdrage voor een project bedraagt maximaal het in de bijlage aangegeven bedrag voor dat project.

Artikel 5. Kosten die niet in aanmerking komen voor een rijksbijdrage

Op grond van deze regeling wordt geen rijksbijdrage voor een project verleend voor:

Artikel 6. Rijksbijdrageplafond

Het rijksbijdrageplafond bedraagt in totaal € 149,8 miljoen, inclusief compensabele BTW.

Artikel 7. Aanvraag verlenen rijksbijdrage

1.

Een aanvraag voor een rijksbijdrage wordt ingediend met gebruikmaking van een daartoe door de minister beschikbaar gesteld aanvraagformulier.

2.

Een aanvraag van een rijksbijdrage heeft betrekking op een fase van een project, bedoeld in het derde tot en met zesde lid.

3.

De aanvraag voor een rijksbijdrage voor de verkenningsfase van een project gaat vergezeld van:

4.

De aanvraag voor een rijksbijdrage voor de planuitwerkingsfase van een project gaat vergezeld van:

5.

De aanvraag van een rijksbijdrage voor de realisatiefase van een project gaat vergezeld van:

6.

De aanvraag voor een rijksbijdrage in de fase na realisatie van een project gaat vergezeld van:

7.

In afwijking van het derde tot en met zesde lid, kan de minister op de aanvraag voor een rijksbijdrage beslissen dat er voldoende informatie is om de rijksbijdrage te verlenen.

Artikel 8. Verlenen rijksbijdrage

Een beschikking tot verlening vermeldt in elk geval:

Artikel 9. Voorschotverlening

1.

De minister verleent een voorschot van 80% binnen zes weken na de beschikking tot verlening van een rijksbijdrage voor de verkenningsfase, planuitwerkingsfase of realisatiefase.

2.

De minister verleent een voorschot van 100% binnen zes weken na de beschikking tot verlening van een rijksbijdrage voor de fase na realisatie.

Artikel 10. Verplichtingen van de ontvanger

1.

De minister kan bij de beschikking tot verlening de verplichting opleggen om binnen twaalf maanden na de dagtekening van de beschikking tot verlening te beginnen met de uitvoering van de activiteiten waarvoor de rijksbijdrage is verleend.

2.

De ontvanger meldt een wijziging ten opzichte van de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 7, zo snel mogelijk maar uiterlijk op 15 februari dan wel op 15 augustus van het jaar waarin de wijziging heeft plaatsgevonden aan de minister, voor zover die wijziging van invloed is op de reikwijdte, effectiviteit, kosten, kwaliteit, doelbereik of voortgang van het project en gevolgen kan hebben voor de hoogte van de rijksbijdrage.

3.

De ontvanger van een rijksbijdrage maakt binnen zes maanden na voltooiing van de fase hiervan melding aan de minister.

4.

Bij een melding als bedoeld in het derde lid, verstrekt de ontvanger een inhoudelijk eindverslag over de in die fase behaalde resultaten.

5.

Op verzoek van de minister verstrekt de aanvrager jaarlijks voor 1 juli informatie over de voortgang van het project over het voorgaande kalenderjaar.

6.

Een ontvanger werkt mee aan een door de minister ingesteld evaluatieonderzoek ten behoeve van een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van de rijksbijdrage in de praktijk als bedoeld in artikel 14.

Artikel 11. Financiële verantwoording

1.

Provincies en gemeenten leggen verantwoording af over de besteding van de rijksbijdrage op de wijze bepaald in artikel 17a van de Financiële-verhoudingswet.

2.

Waterschappen leggen verantwoording af over de besteding van de rijksbijdrage overeenkomstig het bij de beschikking tot verlening gevoegde controleprotocol.

3.

In afwijking van het tweede lid, kan de minister bij de beschikking tot verlening voor een waterschap een andere wijze van het afleggen van verantwoording over de besteding van de rijksbijdrage opleggen.

Artikel 12. Vaststelling en terugvordering

1.

De minister stelt de rijksbijdrage vast, uiterlijk op 31 december van het jaar waarin de laatste verantwoording, bedoeld in artikel 11, heeft plaatsgevonden.

2.

De minister kan een onverschuldigd betaalde rijksbijdrage terugvorderen.

Artikel 13. Hardheidsclausule

1.

De minister kan bij het vaststellen van de rijksbijdrage afwijken van artikel 4, zesde en zevende lid, voor zover toepassing daarvan, gelet op doel of strekking van deze bepalingen, voor de ontvanger zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

2.

De minister kan bij het vaststellen van de rijksbijdrage afwijken van een of meer bepalingen van deze regeling, voor zover toepassing daarvan, gelet op schriftelijke afspraken van de minister met de ontvanger die dateren van voor de inwerkingtreding van de regeling, voor de ontvanger zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

Artikel 14. Evaluatie

De minister publiceert uiterlijk op 1 maart 2031 en daarna ten minste eenmaal in de vijf jaren een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van de rijksbijdrage in de praktijk als bedoeld in artikel 4:24 van de Algemene wet bestuursrecht.

Artikel 15. Inwerkingtreding

1.

Deze regeling treedt in werking op 1 maart 2026.

2.

Deze regeling vervalt met ingang van 1 januari 2060, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op rijksbijdragen die voor die datum zijn aangevraagd.

Artikel 16. Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling stimulering projecten PAGW.

Bijlage. bedoeld in artikel 4, achtste lid, van de Regeling stimulering projecten PAGW

Project Rijksbijdrage (in mln. €), inclusief compensabele BTW
Oostvaardersoevers – deelproject De Blocq van Kuffeler 2,7
Wieringerhoek – deelproject Noordkop 5,0
Wieringerhoek – deelproject Klimaatbuffer 15,0
Friese IJsselmeerkust 23,0
Vismigratierivier Kornwerderzand 7,9
Noord-Hollandse Markermeerkust 17,5
Koehool – Lauwersmeer: meekoppeling met dijkversterking (1DYK) 20,0
Eemszijlen 18,0
Vergroten laag-dynamisch riviermilieu als onderdeel van HWBP-project Meanderende Maas 8,1
IJsselvechtdelta – deelproject ontwikkelen Binnendelta Zwarte Meer/Ketelmeer 5,0
Toekomstbestendig/Versterking Lauwersmeergebied 8,9
Natuurinclusieve dijkversterking Moerdijk-Drimmelen (meekoppeling HWBP) 2,5
Getijdenmaas bij Lith-Bokhoven (meekoppeling HWBP) 12,5
Ecologische inrichting vooroevers IJsselmeerdijken (meekoppeling HWBP) 3,7

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)