Regeling van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat van 20 april 2026, nr. IENW/BSK-2026/67802, houdende vaststelling van tijdelijke regels voor het verlenen van subsidie voor de aanschaf en installatie van batterijpakketten voor zeeschepen en de noodzakelijke laadinfrastructuur daarvoor (Tijdelijke subsidieregeling batterij-elektrisch varen zeehavens 2026–2029) [KetenID WGK028108]
Gelet op de artikelen 2, eerste lid, 4, 6, zesde lid, 7, derde lid, 8, eerste lid, 9, 10, tweede lid, 13, 15, vierde en vijfde lid, en 23, derde en vijfde lid, van het Kaderbesluit subsidies I en M;
BESLUIT:
Artikel 1. Begripsbepalingen
In deze regeling wordt verstaan onder:
- AERIUS Calculator: rekenmethode van de Rijksoverheid die de stikstofdepositiebijdrage van een plan of project inzichtelijk maakt zoals voorgeschreven in artikel 6.15 van de Omgevingsregeling;
- algemene groepsvrijstellingsverordening: Verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard;
- batterijpakket: verzameling van batterijcellen of accu's die met elkaar zijn verbonden om stroom te leveren voor aandrijving van een schip of voor de hotelfunctie en werkfunctie aan boord van een schip. Daaronder valt ook een batterijbeheersysteem dat het opladen en ontladen regelt en de veiligheid en prestaties van de cellen bewaakt;
- Kaderbesluit: Kaderbesluit subsidies I en M;
- laadinfrastructuur: infrastructuur aan de wal bedoeld om een batterij voor het gebruik op zeeschepen op te laden;
- Minister: Minister van Infrastructuur en Waterstaat;
- Nederlandse reder: reder met een hoofdvestiging of nevenvestiging als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdelen k en l, van de Handelsregisterwet 2007, in Nederland;
- project: voor deze regeling subsidiabele activiteiten voor één schip;
- RVO: Rijksdienst voor Ondernemend Nederland;
- schoon zeeschip: zeeschip dat voldoet aan de definitie van schoon vervoermiddel als bedoeld in artikel 2, 102 septies, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;
- stikstofgevoelig en met stikstof overbelast Natura 2000-gebied: een Nederlands Natura 2000-gebied waarbij de daarin gelegen habitat gevoelig is voor atmosferische stikstofdepositie en overbelast is met stikstofdepositie;
- subsidiabele kosten: in aanmerking komende kosten als bedoeld in artikel 36 ter, derde lid, onder c, en artikel 56 ter, tweede lid, onder a en onder 2 bis, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;
- zeehaven: zeehaven als bedoeld in artikel 2 van verordening (EU) 2017/352 van het Europees Parlement en de Raad van 15 februari 2017 tot vaststelling van een kader voor het verrichten van havendiensten en gemeenschappelijke regels inzake de financiële transparantie van havens (PbEU 2017, L 57);
- zeeschip: zee- of kustvaartuig bestemd voor het vervoer van goederen of passagiers, voor nautische of andere dienstverlening.
Artikel 2. Doel van de regeling
Het doel van de regeling is het realiseren van een reductie van de stikstofdepositie in overbelaste stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden door middel van het stimuleren van de toepassing van batterijen aan boord van zeeschepen bestemd voor vervoer van goederen of passagiers of voor nautische of andere dienstverlening.
Artikel 3. Subsidiabele activiteiten
De Minister kan, gelet op het doel in artikel 2, aan een aanvrager subsidie verstrekken voor:
- a. de aanschaf en installatie van batterijpakketten op zeeschepen waarna het zeeschip kwalificeert als schoon zeeschip; en
- b. voor de aanschaf en installatie van laadinfrastructuur in zeehavens.
Het batterijpakket dient ten minste gebruikt te kunnen worden voor aandrijving van het schip.
De subsidie voor de laadinfrastructuur wordt alleen verleend aan aanvragers die tevens een batterijpakket aanvragen.
Artikel 4. Subsidieplafond en hoogte subsidie
Het subsidieplafond voor de periode 2026 tot 2029 bedraagt:
- a. voor de eerste tenderronde: € 7.000.000,–;
- b. voor de tweede tenderronde: € 6.570.000,–.
De subsidie wordt verleend met toepassing van artikel 36 ter en artikel 56 ter van de algemene groepsvrijstellingsverordening.
De subsidie voor de activiteiten, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder a, bedraagt ten hoogste 50% van de subsidiabele kosten, tot een bedrag van ten hoogste € 3.000.000,– per aanvrager.
Het subsidiebedrag voor laadinfrastructuur, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder b, bedraagt ten hoogste 40% van de subsidiabele kosten tot een bedrag ten hoogste € 1.200.000,– per project.
Een project waarin activiteiten bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder a en onder b worden gecombineerd heeft een subsidiemaximum van € 3.000.000,– per aanvrager.
De Minister verdeelt het beschikbare bedrag op basis van de volgorde van rangschikking van de aanvragen, bedoeld in artikel 9.
Artikel 5. Standaardberekeningswijze van uurtarieven
Als standaardberekeningswijze voor de berekening van uurtarieven in het kader van subsidiabele kosten worden door de aanvrager:
- a. een berekening op basis van integrale kostensystematiek;
- b. een berekening op basis van kosten per kostendrager vermeerderd met een forfaitair vastgestelde opslag voor indirecte kosten; of
- c. een forfaitair vastgesteld uurtarief voor loonkosten gehanteerd.
Artikel 6. Berekening subsidiabele kosten bij toepassing integrale kostensystematiek
Bij het hanteren van uurtarieven die tot stand zijn gekomen met de standaardberekeningswijze bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel a, worden de directe en indirecte kosten per kostendrager in een tarief per eenheid van deze kostendrager berekend.
De subsidiabele kosten worden berekend door het aantal eenheden van de kostendrager te vermenigvuldigen met het ingevolge het eerste lid berekende tarief, vermeerderd met de aan derden betaalde kosten voor zover deze geen deel uitmaken van het ingevolge het eerste lid vastgestelde tarief.
Artikel 7. Berekening subsidiabele kosten bij toepassing kosten per kostendrager met opslag
Bij het hanteren van uurtarieven die tot stand zijn gekomen met de standaardberekeningswijze bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel b, worden de directe loonkosten per uur vermenigvuldigd met het aantal uren dat direct bij de subsidiabele activiteiten betrokken personen ten behoeve van deze activiteiten hebben gewerkt.
De subsidiabele kosten worden berekend door het ingevolge het eerste lid berekende bedrag te vermeerderen met:
- a. een vaste opslag voor indirecte kosten van 50 procent van de loonkosten;
- b. kosten van het gebruik van apparatuur en de kosten van verbruikte materialen en hulpmiddelen indien deze in de administratie te onderscheiden zijn; en
- c. aan derden betaalde kosten.
Voor zover er geen loonkosten worden gemaakt, maar niettemin arbeid wordt verricht, wordt voor de berekening van de kosten van de arbeid uitgegaan van € 80,– per uur.
Artikel 8. Berekening met forfaitair uurtarief loonkosten
Bij het hanteren van uurtarieven die tot stand zijn gekomen met de standaardberekeningswijze bedoeld in artikel 5, onderdeel c, wordt een uurtarief gehanteerd van € 80,– per uur.
De subsidiabele kosten worden berekend door het ingevolge het eerste lid gehanteerde bedrag te vermenigvuldigen met het aantal uren dat de direct bij de subsidiabele activiteiten betrokken personen ten behoeve van deze activiteiten hebben gewerkt en te vermeerderen met:
- a. kosten van het gebruik van apparatuur en de kosten van verbruikte materialen en hulpmiddelen indien deze in de administratie te onderscheiden zijn; en
- b. aan derden betaalde kosten.
Artikel 9. Rangschikkingscriteria
De Minister kent, bij het beoordelen van een project, aan een aanvraag een hoger aantal punten toe naarmate:
- a. de in artikel 10, zesde lid, onder a, bedoelde berekende gemiddelde stikstofdepositiereductie, uitgedrukt in mol/hectare/jaar/euro subsidiebedrag, groter is voor activiteiten als bedoeld in artikel 3 in stikstofgevoelige en met stikstof overbelaste Natura 2000-gebieden binnen een straal van 25 kilometer rondom de verwachtte vaarroutes van het schip;
- b. de kwaliteit van de onderbouwing van de in het eerste lid aangeleverde berekening met gebruik van de stukken als bedoeld in artikel 10, zesde lid, onder b, hoger is;
- c. de kwaliteit van het plan voor de uitvoering van het project, inclusief een gedegen onderbouwde begroting, hoger is.
De Minister kent aan de onderdelen genoemd in het eerste lid in totaal ten hoogste 100 punten toe, waarvan ten hoogste 70 punten aan onderdeel a, ten hoogste 15 punten aan onderdeel b en ten hoogste 15 punten aan onderdeel c.
Indien twee of meer aanvragen op dezelfde plaats in de rangschikking terechtkomen, wordt de definitieve plaats in de rangschikking bepaald door middel van loting.
Artikel 10. Aanvraag
Een aanvraag voor subsidie heeft betrekking op één project.
Een aanvraag tot subsidie kan worden ingediend door een Nederlandse reder die voornemens is een project uit te voeren als bedoeld in deze regeling. De Nederlandse reder is eigenaar of, in geval van een nieuwbouwschip, de toekomstige eigenaar, van het schip dat onderdeel is van het project.
Een aanvraag tot subsidie wordt ingediend met gebruikmaking van een door de Minister beschikbaar gesteld digitaal formulier dat wordt geplaatst op de website van de RVO.
Een aanvraag kan worden ingediend bij RVO:
- a. in de eerste tenderronde die loopt vanaf 19 mei 2026 om 9.00 uur tot en met 10 september 2026 om 17.00 uur;
- b. in de tweede tenderronde. Deze tenderronde wordt door de Minister vastgesteld voor aanvang van het tijdvak waarvoor deze wordt vastgesteld en wordt bekend gemaakt in de Staatscourant.
Onverminderd artikel 10, vierde lid, van het Kaderbesluit bevat een aanvraag de gegevens bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening.
De aanvraag gaat ten minste vergezeld met:
- a. een met de AERIUS-calculator uitgevoerde berekening van de stikstofdepositiereductie per hexagoon met stikstof overbelaste Natura 2000-gebieden binnen een straal van 25 kilometer rondom de toekomstige route;
- b. de stukken ten behoeve van de onderbouwing van de AERIUS berekening, bestaande uit:
- i. een onderbouwing van de link tussen het schip en een Nederlandse zeehaven;
- ii. een onderbouwing van de scheepsbewegingen die het schip waarschijnlijk zal gaan ondernemen;
- iii. een onderbouwing van de afstand die het schip elektrisch kan varen door middel van een beschrijving van de grootte (hoeveelheid energie in MWh) van het aan te schaffen batterijpakket in relatie tot het verwachte gemiddelde energieverbruik in kwh/km;
- iv. gegevens van de scheepsbewegingen van de afgelopen 3 jaar, indien beschikbaar.
- c. in het geval van een bestaand schip, een bewijs van eigenaarschap van het schip waarop het project betrekking heeft;
- d. een onderbouwing van de begroting;
- e. de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 10, vierde lid, van het Kaderbesluit.
Artikel 11. Specifieke afwijzingsgronden
Onverminderd de artikelen 11 en 12 van het Kaderbesluit wordt een subsidieaanvraag afgewezen indien:
- a. reeds subsidie is verstrekt voor hetzelfde project op grond van:
- i. deze regeling; of
- ii. andere staatssteun als vermeld in artikel 107 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, noch met andere communautaire financiering als de gecumuleerde steun daardoor de maxima die vastgesteld zijn in de AGVV zou overschrijden.
- b. sprake is van een onderneming in moeilijkheden als bedoeld in artikel 2, achttiende lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;
- c. de werkzaamheden aan het project reeds zijn aangevangen voordat de aanvraag voor de subsidie van dat project is ingediend;
- d. de subsidieverstrekking niet in overeenstemming is met enige andere bepaling in de algemene groepsvrijstellingsverordening;
- e. het aantal bij rangschikking toegekende punten aan de onderdelen b en c, genoemd in artikel 9, eerste lid, minder is dan 8.
Artikel 12. Subsidieverlening
Voor zover de subsidie wordt verleend ten laste van een nog niet door de Staten-Generaal aangenomen rijksbegroting, onderdeel Infrastructuur en Waterstaat, wordt in de beschikking tot verlening van een subsidie vermeld dat de verlening plaatsvindt onder de voorwaarde dat voldoende gelden ter beschikking worden gesteld in de Wet tot vaststelling van de rijksbegroting, onderdeel Infrastructuur en Waterstaat.
Artikel 13. Verplichtingen van de subsidieontvanger
De te subsidiëren activiteiten bedoeld in artikel 3 worden binnen 36 maanden na de startdatum afgerond. Bij een schip dat nieuw gebouwd wordt, wordt het te subsidiëren project binnen 60 maanden na de startdatum van het project afgerond. De startdatum is maximaal 3 maanden na de subsidieverlening.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.