Regeling van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, van 16 juni 2026, nr. IENW/BSK-2026/97745, houdende regels voor de bepaling van de energie-efficiëntieklasse en voor de vaststelling van de constanten en waarde bij de berekening van de relatieve energiezuinigheid van personenauto’s (Regeling relatieve energiezuinigheid personenauto’s 2027) [Keten-ID WGK026753]

Type Ministeriële regeling
Publication 2026-07-09
Laatst bijgewerkt 2026-07-10
State In force
Source BWB
artikelen 7
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Gelet op artikelen 6a en 8, eerste lid, van het Besluit etikettering energieverbruik personenauto’s;

Besluit:

Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

Artikel 2

1.

De energie-efficiëntieklasse van een nieuw model personenauto wordt bepaald aan de hand van de relatieve energiezuinigheid van de personenauto volgens de volgende tabel:

Energie-efficiëntieklasse Relatieve energiezuinigheid [%]
A relatieve energiezuinigheid < –15%
B –15% <= relatieve energiezuinigheid < –5%
C –5% <= relatieve energiezuinigheid < 5%
D 5% <= relatieve energiezuinigheid < 15%
E 15% <= relatieve energiezuinigheid < 25%
F 25% <= relatieve energiezuinigheid < 35%
G 35% <= relatieve energiezuinigheid
2.

Bij de vaststelling van de energie-efficiëntieklasse wordt de relatieve energiezuinigheid uitgedrukt als een percentage en niet afgerond, waarbij geldt dat wanneer verscheidene varianten of uitvoeringen onder één model personenauto zijn gegroepeerd, de op te geven energie-efficiëntieklasse van het model wordt gebaseerd op de minst zuinige variant of uitvoering van een personenauto binnen die groep.

3.

De relatieve energiezuinigheid wordt berekend volgens de volgende zes stappen a tot en met f:

4.

Voor het bepalen van de energie-efficiëntieklasse voor personenauto’s waarvoor de test, bedoeld in Verordening (EU) 2017/1151, met LPG, aardgas of E-85 als brandstof is uitgevoerd, wordt de CO2-uitstoot van de personenauto met respectievelijk LPG, aardgas en E-85 als brandstof gehanteerd.

5.

Personenauto's met een achteraf ingebouwde LPG- of aardgasinstallatie die de test van Verordening (EU) 2017/1151 met benzine als brandstof hebben ondergaan, worden beschouwd als personenauto's met benzine als brandstof.

6.

De in te vullen gegevens worden als volgt overgenomen van het certificaat van overeenstemming behorende bij het betreffende voertuig:

7.

De waarden, bedoeld in het zesde lid, worden als volgt ingevuld:

Artikel 3

1.

De constanten en waarde, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van het besluit, betreffen de volgende gegevens:

2.

De constanten en waarde, bedoeld in het eerste lid, worden berekend op basis van de gegevens van nieuwe personenauto’s die zijn verkocht in de drie kalenderjaren voorafgaand aan het jaar waarin de constanten en waarden worden vastgesteld, waarbij geldt dat bij die berekening de modellen met een lengte x breedte groter dan 11 m2 buiten beschouwing worden gelaten.

3.

De constanten C1, lengte, C2, lengte, C3, lengte van de regressieformule gemiddelde lengte, bedoeld in het eerste lid, onder a, worden berekend met behulp van de kleinste-kwadraten-methode op basis van de lengte, de breedte en de aantallen verkochte nieuwe personenauto’s.

4.

De constanten C1, verbruik, C2, verbruik en C3, verbruik van deregressieformule gemiddeld energieverbruik, bedoeld in het eerste lid, onder b, worden berekend met behulp van de kleinste-kwadraten-methode op basis van de vergelijkingswaarden voor het energieverbruik en de aantallen verkochte nieuwe personenauto’s, waarbij de vergelijkingswaarde als volgt wordt berekend:

5.

Voor respectievelijk elektrische personenauto’s, personenauto’s met benzine of diesel als brandstof, plug-in hybride personenauto’s en indien mogelijk waterstof personenauto’s worden aparte regressieformules gemiddeld energieverbruik afgeleid, waarna de regressieformule gemiddeld energieverbruik wordt gevonden als het naar verkoopaantallen gewogen gemiddelde van de regressielijnen voor voornoemde categorieën personenauto’s afzonderlijk.

6.

De waarde verbruiktotaal gem. voor het totaal gemiddeld energieverbruik, bedoeld in het eerste lid, onder c, wordt gevonden als het gemiddelde van de vergelijkingswaarden voor het energieverbruik, bedoeld in het vierde lid, van alle verkochte nieuwe personenauto’s.

Artikel 4

Wijzigt de Regeling relatieve zuinigheid personenauto’s.

Artikel 5

De Regeling relatieve zuinigheid personenauto’s wordt ingetrokken.

Artikel 6

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2027, met uitzondering van artikel 4 dat in werking treedt met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en terugwerkt tot en met 1 januari 2025.

Artikel 7

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling relatieve energiezuinigheid personenauto’s 2027.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)