Tijdelijke regeling van de Staatssecretaris van Klimaat en Groene Groei van 15 juli 2026, nr. WJZ/103913058, houdende regels voor het verstrekken van een eenmalige specifieke uitkering voor gebiedsinvesteringen bij hoogspanningsprojecten op land (Regeling gebiedsinvesteringen hoogspanning op land 220/380 kV) [KetenID WGK28734]

Type Ministeriële regeling
Publication 2026-10-01
State In force
Source BWB
artikelen 19
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Gelet op artikelen 2b en 3, eerste lid, van de Kaderwet EZ-, LVVN- en KGG-subsidies;

Besluit:

Artikel 1. Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • bestedingsplan: een beschrijving en onderbouwing overeenkomstig artikel 11 van de wijze waarop de specifieke uitkering ingezet gaat worden;
  • betrokkenen: natuurlijke persoon of rechtspersoon in de omgeving van een netuitbreidingsproject (220/380 kV) die gevolgen ondervindt voor zijn leefkwaliteit als gevolg van dit netuitbreidingsproject, waaronder omwonenden;
  • leefkwaliteit: de kwaliteit van de fysieke leefomgeving voor zover die bepalend is voor betrokkenen in de omgeving van een netuitbreidingsproject (220/380 kV);
  • leefkwaliteitproject: een project ter verbetering van de leefkwaliteit van betrokkenen;
  • minister: de Minister van Klimaat en Groene Groei;
  • netuitbreidingsproject (220/380 kV): project voor de uitbreiding van het nationale 220/380 kV hoogspanningsnet waarvoor een projectbesluit of een ander besluitvormingsinstrument onder de Omgevingswet is vastgesteld in de periode van 1 januari 2024 tot en met 31 december 2030, inhoudende de realisatie van nieuwe hoogspanningsstations, de substantiële uitbreiding van bestaande hoogspanningsstations en nieuwe bovengrondse hoogspanningsverbindingen, of een project voor de uitbreiding van het nationale 220/380 kV hoogspanningsnet waarbij meer dan 8 bovengrondse hoogspanningsverbindingen samenkomen en waarvan de bouw start in de periode van 1 januari 2024 tot en met 31 december 2030, waaronder de projecten genoemd in bijlage 1 bij deze regeling;
  • participatieplan: een document waarin de gemeente overeenkomstig artikel 9, eerste lid uiteenzet hoe het participatietraject over het leefkwaliteitproject wordt ingericht;
  • participatieverslag: een document waarin de gemeente overeenkomstig artikel 9, tweede lid, verslag uitbrengt over het participatietraject dat gevolgd is voor het leefkwaliteitproject;
  • projectbesluit: een projectbesluit, wijziging van het omgevingsplan (omgevingsplanwijziging), buitenplanse omgevingsplanactiviteit (bopa) of instructiebesluit (van Rijk of provincie aan lagere overheden) dat bedoeld is om complexe hoogspanningsprojecten met een publiek belang in de fysieke leefomgeving toe te staan;
  • raadsbesluit: formele bindende beslissing die door de gemeenteraad is genomen over de verbetering van de leefkwaliteit in het gebied waarin het netuitbreidingsproject gerealiseerd wordt;

Artikel 2. Doel van de regeling

Deze regeling heeft tot doel om de leefkwaliteit te verbeteren van betrokkenen die impact ervaren van een netuitbreidingsproject (220/380 kV).

Artikel 3. Activiteiten

De minister kan op aanvraag aan een gemeente een eenmalige specifieke uitkering verstrekken die wordt ingezet voor het verbeteren van de leefkwaliteit van betrokkenen in het gebied waarin een netuitbreidingsproject (220/380 kV) impact heeft.

Artikel 4. Netuitbreidingsprojecten

1.

De volgende netuitbreidingsprojecten (220/380 kV) hebben impact op de leefkwaliteit van betrokkenen en komen in aanmerking voor een gebiedsinvestering:

  • a. nieuwe hoogspanningsstations (220/380 kV);
  • b. substantiële uitbreiding van bestaande hoogspanningsstations (220/380 kV), inhoudende een voor de realisatie van het netuitbreidingsproject noodzakelijke wijziging van de planologische functie van een gebied aangrenzend aan een bestaand hoogspanningsstation (220/380 kV) binnen de gemeente, waarbij sprake is van:
  • 1°. een toename in de omvang van deze noodzakelijke planologische functie van minimaal 100%; of
  • 2°. een toename in omvang van het gebied van deze noodzakelijke planologische functie van minimaal 5 hectare;
  • c. nieuwe bovengrondse hoogspanningsverbindingen (220/380 kV).
2.

In afwijking van het eerste lid komt een netuitbreidingsproject (220/380 kV) dat in zijn geheel is gelegen op gronden met een industrie- of bedrijvenbestemming en waarvoor dus geen aanpassing van de planologische bestemming noodzakelijk is, niet in aanmerking voor een gebiedsinvestering.

Artikel 5. Hoogte, plafond en verdeling

1.

Het totale bedrag dat voor de specifieke uitkeringen beschikbaar is gesteld, is € 193.400.000 inclusief afdracht aan het BTW-compensatiefonds.

2.

De minister verdeelt het beschikbaar gestelde bedrag op volgorde van ontvangst van volledige aanvragen.

3.

De uitkering bestaat per netuitbreidingsproject (220/380 kV) uit een vast bedrag van:

  • a. € 6.000.000,– inclusief BTW voor de realisatie van een nieuw hoogspanningsstation;
  • b. € 3.000.000,– inclusief BTW voor de uitbreiding van een bestaand hoogspanningsstation;
  • c. € 150.000,– inclusief BTW per kilometer nieuwe bovengrondse hoogspanningsverbinding (overeenkomstig het projectbesluit) voor zover minimaal 1 kilometer nieuwe bovengrondse hoogspanningsverbindingen binnen de grenzen van de gemeente wordt gerealiseerd, waarbij de kilometers hoogspanningsverbindingen worden afgerond op één decimaal achter de komma.

Artikel 6. Aanvraag

1.

Een aanvraag voor een specifieke uitkering wordt ingediend in de periode 15 oktober 2026, 9:00 uur tot 31 maart 2031, 17:00 uur met gebruikmaking van het door de minister beschikbaar gestelde middel en heeft betrekking op de netuitbreidingsprojecten (220/380 kV) als bedoeld in artikel 4, eerste lid.

2.

Een aanvraag voor de aanleg van een nieuwe bovengrondse hoogspanningsverbinding (220/380 kV), kan worden gecombineerd met de aanvraag voor de realisatie van een nieuw hoogspanningsstation (220/380 kV) of de substantiële uitbreiding van een bestaand hoogspanningsstation (220/380 kV).

3.

Een aanvraag bevat in ieder geval:

  • a. de naam van de gemeente, het nummer waarmee de gemeente is geregistreerd bij de Kamer van Koophandel en bankgegevens van de gemeente;
  • b. de contactgegevens van de contactpersoon bij de gemeente;
  • c. de datum van de aanvraag;
  • d. een verwijzing naar het projectbesluit betreffende het netuitbreidingsproject waarvoor een aanvraag wordt ingediend;
  • e. het bedrag waarvoor de specifieke uitkering wordt aangevraagd en de berekening daarvan overeenkomstig artikel 5, derde lid; en
4.

Op de volledige aanvraag wordt binnen 8 weken na ontvangst een beslissing genomen.

5.

De in het vierde lid bedoelde termijn kan eenmalig met ten hoogste 8 weken worden verlengd.

Artikel 7. In aanmerking komende kosten

1.

Voor een specifieke uitkering komen de redelijk gemaakte kosten in aanmerking die direct verbonden zijn met de uitvoering van de in artikel 3 genoemde activiteiten en die gemaakt zijn in de periode vanaf 1 oktober 2026 tot en met 31 december 2036.

2.

In afwijking van het eerste lid wordt de specifieke uitkering niet geacht te zien op bedragen voor verschuldigde omzetbelasting, tenzij de gemeente aantoonbaar de omzetbelasting niet kan verrekenen of hiervoor geen compensatie kan krijgen op grond van de Wet op het BTW-compensatiefonds.

Artikel 8. Voorschotten

1.

De minister verstrekt ambtshalve twee voorschotten aan een gemeente.

2.

Het eerste voorschot van 20% van de toegekende specifieke uitkering exclusief BTW wordt verstrekt binnen twee weken na de datum van de beschikking tot verlening van de specifieke uitkering.

3.

Het tweede voorschot van 80% van de toegekende specifieke uitkering exclusief BTW wordt verstrekt binnen acht weken na ontvangst van het raadsbesluit met alle bijbehorende documenten zoals bedoeld in artikel 10.

Artikel 9. Participatie

1.

Het in artikel 6, derde lid, onderdeel f, bedoelde participatieplan bevat in ieder geval de volgende onderdelen:

  • a. een globale beschrijving van de verschillende categorieën betrokkenen;
  • b. een globale beschrijving van de wijze waarop de betrokkenen worden geïnformeerd en in de gelegenheid worden gesteld om inbreng te leveren;
  • c. een globale beschrijving van de wijze waarop de inbreng van betrokkenen wordt verwerkt en hoe aan hen daarover terugkoppeling wordt gegeven;
  • d. een globale planning of tijdlijn van de participatie.
2.

Het in artikel 10, tweede lid, onderdeel b, bedoelde participatieverslag bevat in ieder geval de volgende onderdelen:

  • a. een globaal overzicht van de uitgevoerde participatieactiviteiten (al dan niet digitaal), waaronder:
  • 1°. de datum van de bijeenkomst(en); en
  • 2°. het aantal deelnemers per bijeenkomst;
  • b. een globale beschrijving van de wijze waarop betrokkenen zijn geïnformeerd over de participatiemogelijkheden en de datum waarop deze informatievoorziening heeft plaatsgevonden;
  • c. een globaal overzicht van de ontvangen inbrengen;
  • d. een globaal overzicht van de verwerking van deze inbrengen, waaronder:
  • 1°. welke inbreng betrokken is bij de besluitvorming over de besteding en op welke wijze; en
  • 2°. welke inbreng niet betrokken is bij de besluitvorming en om welke reden;
  • e. een beschrijving van de wijze en het moment waarop betrokkenen zijn geïnformeerd over de uitkomsten van de participatie;
  • f. de geanonimiseerde verslagen van de gehouden bijeenkomst(en) en de uitnodiging of oproep tot deelname aan de participatie.

Artikel 10. Raadsbesluit

1.

De gemeente verstrekt de minister binnen 2 jaar na de datum van de beschikking tot verlening van de specifieke uitkering een afschrift van het raadsbesluit met gebruikmaking van het door de minister beschikbaar gestelde middel.

2.

Als bijlage bij het raadsbesluit verstrekt de gemeente in ieder geval:

  • a. een bestedingsplan als bedoeld in artikel 11;
  • c. notulen van de raadsvergadering waarin het raadsbesluit is vastgesteld.

Artikel 11. Bestedingsplan

Het in artikel 10, tweede lid, onderdeel a, bedoelde bestedingsplan bevat in ieder geval de volgende onderdelen:

  • a. een beschrijving van de te financieren projecten, waaronder de beoogde effecten op de leefkwaliteit; en
  • b. een financiële onderbouwing van de projecten.

Artikel 12. Verplichtingen

1.

De gemeente zorgt ervoor dat de in artikel 3 genoemde activiteiten uiterlijk zijn uitgevoerd binnen 3 jaar na het raadsbesluit.

2.

De in het eerste lid genoemde termijn kan in uitzonderlijke gevallen op verzoek van de gemeente met een redelijke termijn worden verlengd.

3.

De gemeente draagt er zorg voor dat de specifieke uitkering uitsluitend wordt ingezet ten behoeve van het in artikel 2 genoemde doel, overeenkomstig de in deze regeling opgenomen voorwaarden en verplichtingen en op zodanige wijze dat er geen sprake is van ongeoorloofde staatssteun.

4.

Iedere publicatie door of met medewerking van de gemeente over een leefkwaliteitproject wordt voorzien van de vermelding dat het project wordt uitgevoerd met een specifieke uitkering het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat.

Artikel 13. Afwijsgronden

De minister besluit afwijzend op een aanvraag indien er gegronde redenen bestaan om aan te nemen dat de gemeente niet zal voldoen aan de in deze regeling opgenomen verplichtingen.

Artikel 14. Informatieverplichtingen

De gemeente doet onverwijld schriftelijk mededeling aan de minister zodra aannemelijk is dat:

  • a. de in artikel 3 genoemde activiteiten niet, niet tijdig of niet geheel zullen worden verricht; of
  • b. niet, niet tijdig of niet geheel aan de aan de specifieke uitkering verbonden verplichtingen zal worden voldaan.

Artikel 15. Verantwoording en terugvordering

1.

De gemeente legt verantwoording af over de besteding van de specifieke uitkering op de wijze, bedoeld in artikel 17a van de Financiële-verhoudingswet.

2.

Indien uit de verantwoordingsinformatie blijkt dat de specifieke uitkering niet volledig is besteed aan het doel waarvoor deze is verleend, of onrechtmatig is besteed, kan de specifieke uitkering ter hoogte van het niet of onrechtmatig bestede doel door de minister worden teruggevorderd. De minister doet binnen een jaar na ontvangst van de verantwoordingsinformatie mededeling van de terugvordering aan de gemeente.

3.

Indien het projectbesluit vernietigd wordt nadat de gemeente de specifieke uitkering heeft ontvangen, wordt de specifieke uitkering op grond van artikel 16, onderdeel a, vastgesteld.

Artikel 16. Vaststelling

De minister stelt de specifieke uitkering ambtshalve overeenkomstig de verlening vast uiterlijk op 31 december van het jaar waarin de minister de verantwoordingsinformatie, bedoeld in artikel 17a van de Financiële-verhoudingswet, over de uitkeringsperiode van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties heeft ontvangen, tenzij:

  • a. de activiteiten waarvoor de specifieke uitkering is verleend niet of niet geheel zijn uitgevoerd, of
  • b. niet is voldaan aan de aan de specifieke uitkering verbonden verplichtingen.

Artikel 17. Vervaltermijn

Deze regeling vervalt met ingang van 1 augustus 2031, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op specifieke uitkeringen die voor die datum zijn verleend.

Artikel 18. Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 oktober 2026.

Artikel 19. Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling gebiedsinvesteringen hoogspanning op land 220/380 kV.

Bijlage I. – Projectenlijst

1. Inleiding

In deze bijlage is een lijst opgenomen van projecten die op basis van de actuele stand van zaken (d.d. 17 juli 2026) in aanmerking komen voor een specifieke uitkering. Het gaat daarbij om nieuwe hoogspanningsstations 220kV/380kV, substantiële uitbreidingen van bestaande hoogspanningsstations 220kV/380kV en nieuwe bovengrondse hoogspanningsverbindingen (220kV/380 kV).

Deze bijlage is gebaseerd op onder meer de planning van TenneT, input van projectleiders EZK en wordt in beginsel jaarlijks herzien.

Omdat de specificaties van projecten waarvoor de besluitvorming nog niet genomen is nog kan wijzigen (bij nog lopende of toekomstige projectprocedures), kunnen projecten nog afvallen of worden toegevoegd. Bijvoorbeeld als het betreffende hoogspanningsstation uiteindelijk in zijn geheel op gronden met een industrie- of bedrijvenbestemming te liggen komt (zie ook artikel 4, tweede lid van de regeling). Dit blijft dus afhankelijk van de voortgang in de lopende (of nog te starten) ruimtelijke procedures en de uiteindelijke besluitvorming. Voor projecten waarvoor de specificaties vaststaan, geldt dat zij definitief op de projectenlijst staan (tenzij een projectbesluit alsnog wordt vernietigd, zie ook de toelichting paragraaf 3 onder ‘reikwijdte regeling’).

Voor verbindingen geldt daarbij specifiek dat het definitieve aantal kilometers pas kan worden bepaald op het moment dat het projectbesluit daadwerkelijk is genomen. Om die reden zijn in onderstaande tabel voor deze projecten (nog) geen (geschatte) aantallen kilometers opgenomen.

Meer specifiek nog lopende of toekomstige projectprocedures met betrekking tot ‘substantiële uitbreidingen’ geldt dat deze projecten nog onvoldoende definitief zijn en dus nog onderhevig aan mogelijke wijzigingen, bijvoorbeeld qua technische oplossing en ruimtelijke uitgangspunten. Om die reden zijn in bijlage 1 vooralsnog alleen de substantiële uitbreidingen voor de jaren 2024, 2025 en 2026 opgenomen (deze hebben reeds plaatsgevonden). Bij elke jaarlijkse herziening van bijlage 1 worden tevens de substantiële uitbreidingen voor het daaropvolgende jaar toegevoegd.

2. Nieuwe hoogspanningsstations (220/380 kV)

3. Substantiële uitbreidingen hoogspanningsstations (220/380 kV)

4. Nieuwe hoogspanningsverbindingen (220/380 kV)

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)