Nader gewijzigde beleidsregel rendementstoets warmte

Type ZBO-regeling
Publication 2026-07-29
Laatst bijgewerkt 2026-08-08
State In force
Source BWB
artikelen 14
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Met de inwerkingtreding van art. 7 lid 2 tot en met 4 van de Warmtewet heeft de wetgever bepaald dat de ACM toetst of het rendement van een warmteleverancier op al zijn netten gezamenlijk hoger is dan een door de ACM vast te stellen redelijk rendement. Indien dit het geval is, kan de ACM het meer dan redelijk behaalde rendement laten verdisconteren in de tarieven van die warmteleverancier. In de beleidsregel rendementstoets warmte1Besluit van 22 augustus 2023, Staatscourant 2023 nr. 24023; in werking getreden op 26 augustus 2023. zijn nadere regels vastgesteld voor de uitvoering van deze bepalingen, gezamenlijk ook wel de rendementstoets genoemd.

De rendementstoets bestaat naast de wettelijke taak van de ACM om op grond van art. 5 Warmtewet jaarlijks maximumtarieven voor warmte vast te stellen. Indien een warmteleverancier, ondanks het hanteren van dit maximumtarief, een rendement behaalt dat hoger is dan het door de ACM vastgestelde redelijk rendement, kan de ACM hiervoor corrigeren. Omdat de warmtetarieven veelal gebaseerd zijn op het niet meer dan anders principe (de gasreferentie) en niet op de daadwerkelijke kosten van warmteleveranciers, kan het voorkomen dat een warmteleverancier op basis van de maximumtarieven van de ACM een meer dan redelijk rendement behaalt. De wetgever heeft bepaald dat dit onwenselijk is en heeft daarom de rendementstoets ingevoerd.

Deze beleidsregel is ingetrokken en gewijzigd vastgesteld bij besluit van 15 mei 20252Gewijzigde beleidsregel rendementstoets warmte, in werking getreden op 10 oktober 2025. Zie Staatscourant 2025 nr. 33271. als gevolg van de beroepsprocedure tegen het besluit WACC warmteleveranciers3Besluit van 22 augustus 2023, kenmerk ACM/UIT/600827. Zie Staatscourant 2023 nr. 24024.. De artikelen 6a (asymmetrisch reguleringsrisico) en 7a (innovatieve investeringen) met bijbehorende toelichting zijn toegevoegd. Ook is artikel 6 lid 4 vervallen.

Inmiddels is de Wet Collectieve Warmte aangenomen.4Wet van 10 december 2025, houdende regels omtrent productie, transport en levering van warmte (Wet collectieve warmte), Staatsblad 2026, 10. Daar waar warmtetarieven in de toekomst op werkelijke (efficiënte) kosten worden gebaseerd, vervalt de relevantie van de rendementstoets. Warmteleveranciers kunnen in dat geval geen tarieven meer in rekening brengen die leiden tot een onredelijk rendement en er is derhalve geen aanleiding meer voor een rendementstoets. De ACM heeft bij het schrijven van deze beleidsregel gekozen voor een aanpak die, gegeven het feit dat de rendementstoets een tijdelijke maatregel is, zowel zorgvuldig als praktisch uitvoerbaar is. Uiterlijk drie jaar na de inwerkingtreding van de gewijzigde beleidsregel zal de ACM de werking van deze beleidsregel evalueren.

Als gevolg van de beroepsprocedure gericht tegen het besluit WACC warmteleveranciers wordt deze beleidsregel nu voor de tweede keer gewijzigd. Artikel 6 lid 4 is teruggeplaatst en artikel 6a (asymmetrisch reguleringsrisico) is aangepast.

De Autoriteit Consument en Markt

Gelet op artikel 7 leden 2, 3 en 4 van de Warmtewet, in samenhang gelezen met artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht,

Besluit:

Artikel 1. Begrippen

In deze beleidsregel wordt verstaan onder:

Artikel 2. Reikwijdte

1.

De ACM toetst of het behaalde rendement van een leverancier op al zijn netten gezamenlijk hoger is dan een redelijk rendement (artikel 7, tweede lid, van de Warmtewet). Deze beleidsregel geeft invulling aan de wijze waarop de ACM deze toets uitvoert.

2.

De uitkomsten van de rendementsmonitor (artikel 7, eerste lid, van de Warmtewet) kunnen aanleiding geven tot een toets op het behaalde rendement bij leveranciers met een vergunning zoals bedoeld in artikel 10 van de Warmtewet.

3.

Voor leveranciers zonder vergunning, maar ook voor vergunninghouders, geldt dat signalen aanleiding kunnen zijn voor een rendementstoets.

4.

Bij verzoeken tot het uitvoeren van een rendementstoets bepaalt de ACM op basis van gegevens en informatie die zij tot haar beschikking heeft of zij over gaat tot het uitvoeren van een rendementstoets.

Artikel 3. Methode – behaald rendement

1.

De ACM is van oordeel dat de ROIC de meest geschikte rendementsindicator is om behaalde rendementen te berekenen. De ROIC geeft weer wat het rendement is over het geïnvesteerd vermogen, uitgedrukt in een percentage.

2.

De ACM berekent voor de uitvoering van de rendementstoets de ROIC van een leverancier en stelt het behaalde rendement gelijk hieraan.

3.

Om de rendementen van verschillende leveranciers op uniforme wijze te kunnen berekenen, is het voor de ACM van belang dat alle leveranciers dezelfde verslaggevingsregels volgen bij de aanlevering van de gegevens die de ACM nodig heeft voor de berekening van het behaalde rendement.

4.

Deze verslaggevingsregels, de RAR, worden door de ACM in een aparte beleidsregel vastgelegd. De leveranciers zijn verplicht deze toe te passen bij het aanleveren van hun gegevens voor de bepaling van het behaalde rendement.

Artikel 4. Methode – redelijk redendement

1.

Ingevolge artikel 7, tweede lid, van de Warmtewet stelt de ACM het redelijk rendement vast.

2.

De ACM bepaalt het redelijk rendement op basis van de WACC.

3.

De ACM laat een deskundige externe partij een adviesrapport opstellen over de berekening van de WACC en weegt dit advies mee in haar vaststelling van de WACC.

4.

Afdeling 3.4 van de Awb, de uniforme openbare voorbereidingsprocedure, is van toepassing op het besluit waarin het redelijk rendement wordt vastgesteld.

5.

De ACM legt het redelijk rendement vast in een besluit van algemene strekking en publiceert dit besluit, alsmede het adviesrapport als bedoeld in het derde lid, op haar website.

Artikel 5. Vaststelling meer dan redelijk rendement

1.

Voor de uitvoering van de rendementstoets zet de ACM het over een bepaald kalenderjaar behaalde rendement van een leverancier af tegen het door de ACM in lijn met artikel 4 van deze beleidsregel vastgestelde redelijk rendement.

2.

De ACM houdt bij de vaststelling van het meer dan redelijk behaalde rendement rekening met de levenscyclus van warmtenetten op de wijze zoals beschreven in artikel 6 van deze beleidsregel, en met eventuele efficiëntiewinsten van de leverancier, zoals beschreven in artikel 7 van deze beleidsregel.

3.

Het meer dan redelijk behaalde rendement drukt de ACM uit als een absoluut bedrag in euro’s.

Artikel 6. Levenscyclus van warmtenetten

1.

Om rekening te houden met de levenscyclus van warmtenetten neemt de ACM een bepaalde periode in beschouwing. Dit betekent dat eerst het rendement wordt vastgesteld over het jaar waar de rendementstoets betrekking op heeft en dat, indien dit behaalde rendement het redelijk rendement overstijgt, de ACM rekening houdt met rendementen behaald in een eerdere periode. De ACM stelt deze periode vast op vijf jaar.5Indien het de rendementstoets over jaar n betreft, zullen de jaren (n-1) t/m (n-5) dus betrokken kunnen worden.

2.

Indien blijkt dat het gesommeerde behaalde rendement over het toetsjaar plus de vijf voorgaande jaren lager is dan het gesommeerde door de ACM vastgestelde redelijk rendement voor die periode, is er sprake van een minder dan redelijk behaald rendement.

3.

Het gesommeerde minder dan redelijk behaalde rendement in de vijf jaren voorafgaand aan het jaar waarover de rendementstoets wordt uitgevoerd, brengt de ACM voor de correctie op het toekomstig tarief in mindering op het meer dan redelijk behaalde rendement zoals beschreven in artikel 5 van deze beleidsregel.

4.

Indien blijkt dat het gesommeerde behaalde rendement over het toetsjaar plus de vijf voorgaande jaren hoger is dan het gesommeerde door de ACM vastgestelde redelijk rendement voor die periode, kan de ACM afzien van correctie voor dat deel van het hoger dan redelijk behaalde rendement. De ACM zal hier in ieder geval van afzien indien de leverancier er een gemotiveerd beroep op heeft gedaan dat het meer dan redelijk behaalde rendement compenseert voor aanloopverliezen uit de periode direct voorafgaand aan het toetsjaar plus de vijf voorgaande jaren én nadat de leverancier dit op basis van financiële gegevens genoegzaam heeft aangetoond.

Artikel 6a. Asymmetrisch reguleringsrisico

1.

Van asymmetrische regulering is sprake als meer dan redelijke rendementen worden afgeroomd, zonder dat lagere rendementen dan het redelijk rendement worden gecompenseerd.

2.

De ACM stelt een opslag vast van 0,5 procentpunt waarmee dit asymmetrisch reguleringsrisico wordt gecompenseerd. Deze opslag wordt geactiveerd nadat aanloopverliezen zoals bedoeld in artikel 6, vierde lid, van deze beleidsregel zijn verrekend.

3.

De opslag zoals bedoeld in het tweede lid van dit artikel vervalt na twee opeenvolgende jaren waarin de leverancier een meer dan redelijk rendement heeft behaald.

4.

Indien de leverancier na twee opeenvolgende jaren van een meer dan redelijk rendement twee opeenvolgende jaren een lager dan redelijk rendement behaalt, wordt de opslag zoals bedoeld in het tweede lid van dit artikel weer geactiveerd.

Artikel 7. Efficiëntiewinsten

1.

De wetgever constateert dat een meer dan redelijk behaald rendement bij een leverancier het gevolg kan zijn van efficiëntiemaatregelen ten aanzien van de bedrijfsvoering.

2.

De ACM onderscheidt ten aanzien van de rendementstoets twee soorten efficiëntiewinsten:

3.

De ACM laat in beginsel het volledige meer dan redelijk behaalde rendement toevallen aan de verbruikers.

4.

De ACM kan, in uitzondering op het derde lid van dit artikel, het meer dan redelijk rendement als gevolg van efficiëntiewinst gelijkelijk verdelen over leverancier en verbruikers. De ACM gaat hiertoe over nadat de leverancier er een gemotiveerd beroep op heeft gedaan dat het meer dan redelijk behaalde rendement het gevolg is van specifieke handelingen zoals bedoeld in het tweede lid, onder a, van dit artikel én nadat de leverancier dit op basis van financiële gegevens genoegzaam heeft aangetoond.

5.

De ACM betrekt de volgende aspecten in haar toetsing:

Artikel 7a. Innovatieve investeringen

1.

De ACM sluit aan op de door de Europese Commissie gehanteerde definitie van innovatie conform het innovatiefonds (INNOVFUND).

2.

Van een innovatieve investering is sprake als een technologie, productieproces of bedrijfsmodel een doorbraak vertegenwoordigt en nog niet commercieel beschikbaar is. Het betreft dus een eerste commerciële toepassing van een technologie, proces of model dat eerder is bewezen op een pilot- of kleinschalige demonstratie-installatie.

3.

Wanneer de voorgestelde investering aantoonbaar innovatiever is dan de commerciële en technologische standaard bestempelt de ACM de investering als innovatief. Dit houdt in dat:

4.

Een investering die eerder al als innovatief is aangemerkt door de ACM, kan niet zonder meer opnieuw als zodanig worden bestempeld.

5.

In lijn met het innovatiefonds van de Europese Commissie past de ACM een opslag op het redelijk rendement toe van 3% voor het gedeelte van het geïnvesteerd vermogen dat als innovatief kan worden aangemerkt.

6.

Voor de toepassing van de opslag volgt de ACM het innovatiefonds van de Europese Commissie en hanteert zij eveneens een termijn van tien jaar.

7.

Voor de toepassing van de opslag vereist de ACM dat de aangedragen innovatieve investering(en) in een gegeven toetsjaar ten minste 3% van het geïnvesteerd vermogen bedragen.

8.

De ACM betrekt de onderbouwing van de aangedragen innovatieve investering van de leverancier in haar toetsing voor de toekenning van een opslag.

Artikel 8. Vaststelling meer dan redelijk rendement

1.

De ACM stelt vast, met inachtneming van de artikelen 5, 6, 6a, 7 en 7a van deze beleidsregel, wat het meer dan redelijk behaalde rendement van de leverancier is, uitgedrukt in euro’s.

2.

De ACM kan op basis hiervan, en met inachtneming van artikel 10 van deze beleidsregel, een correctie vaststellen zoals bedoeld in artikel 9 van deze beleidsregel. De ACM past in een individueel tariefbesluit deze correctie toe op het warmtetarief van een toekomstig kalenderjaar.

Artikel 9. Correctie

1.

De ACM verdisconteert het meer dan redelijk behaalde rendement, zoals bedoeld in artikel 5, derde lid, en met inachtneming van de artikelen 6, 6a, 7, 7a en 8 van deze beleidsregel, middels een correctie op het toekomstige leveringstarief van de betreffende leverancier. Deze correctie op het tarief behelst een vast bedrag per verbruiker.

2.

De ACM is, mede vanuit het oogpunt van de uitvoerbaarheid, van oordeel dat het vaste leveringstarief het meest geschikt is om de correctie op te verdisconteren. De verdiscontering geschiedt middels een tarievenbesluit gericht aan een individuele leverancier. De ACM publiceert een dergelijk tarievenbesluit op haar eigen website.

3.

De ACM stelt de periode waarbinnen een door haar vastgestelde correctie terug moet vloeien naar de verbruiker vast op twaalf maanden. De ACM biedt leveranciers daarnaast de mogelijkheid om de correctie gelijktijdig met de verrekening van de jaarlijkse voorschotten middels een eenmalige compensatie terug te laten vloeien naar de verbruiker.

Artikel 10. Mate van overschrijding en discretionaire bevoegdheid

1.

De ACM maakt bij overschrijding van het redelijk rendement in ieder geval gebruik van haar discretionaire bevoegdheid om tot verdiscontering van het meer dan redelijk rendement in toekomstige tarieven over te gaan, indien, naar het oordeel van de ACM, het aan de verbruikers te vergoeden bedrag voldoende materieel is. De ACM behoudt daarin beoordelingsvrijheid en beoordeelt per geval in hoeverre verdiscontering in toekomstige tarieven verbruikers deugdelijk beschermt tegen meer dan redelijk behaalde rendementen.

2.

Indien een overschrijding van het redelijk rendement wordt geconstateerd bij een leverancier, kunnen er zwaarwegende redenen bestaan om van verdiscontering in toekomstige tarieven af te zien. De ACM acht een zwaarwegende reden om van verdiscontering af te zien in ieder geval aanwezig indien verdiscontering leidt tot een zodanige verslechtering van de financiële draagkracht van de leverancier dat de leveringszekerheid in het geding komt.

3.

Een andere zwaarwegende reden om (gedeeltelijk) van verdiscontering af te zien is een significant gestegen marktrente op het moment van toetsing ten opzichte van de marktrente zoals deze is gebruikt ter vaststelling van het redelijk rendement en waartegen het behaalde rendement wordt afgewogen.

Artikel 11. Evaluatie

De werking van deze beleidsregel wordt uiterlijk drie jaar na de inwerkingtreding van de gewijzigde beleidsregel rendementstoets warmte geëvalueerd.

Artikel 12. Inwerkingtreding

1.

Dit besluit wordt met toelichting in de Staatscourant geplaatst.

2.

Deze beleidsregel treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin hij wordt geplaatst.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)