Regeling van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, van 22 juni 2026, nr. IENW/BSK-2026/101849, houdende tijdelijke regels voor subsidiëring van de vroege opschaling van de energietransitie van zeeschepen 2026 – 2030 (Tijdelijke subsidieregeling vroege opschaling energietransitie zeeschepen 2026–2030) [KetenID WGK027870]
Gelet op artikel 3, eerste lid, onderdeel e, van de Kaderwet subsidies I en M en de artikelen 4, 6, zesde lid, 8, eerste en tweede lid, 9, 10, tweede lid, 13, 15, vierde en vijfde lid, 22, tweede lid, 23, derde en vijfde lid, van het Kaderbesluit subsidies I en M;
Besluit:
Artikel 1. Begripsbepalingen
In deze regeling wordt verstaan onder:
- CEEAG: Richtsnoeren staatssteun ten behoeve van klimaat, milieubescherming en energie 2022, (2022/PBL C 80/1);
- emissievrij zeeschip: zeeschip als bedoeld in paragraaf 2.4, punt 19, onderdeel 20), onder e, sub i), van de CEEAG;
- energielijn: geheel van motoren of brandstofcellen en bijbehorende systemen, die de voortstuwing en eventuele werkfuncties van een zeeschip van energie voorzien;
- in Nederland gevestigde reder: reder met een hoofdvestiging of nevenvestiging als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdelen k en l, van de Handelsregisterwet 2007, in Nederland;
- Kaderbesluit: Kaderbesluit subsidies I en M;
- kleine en middelgrote onderneming: onderneming in de zin van paragraaf 2.4, punt 19, onderdeel 77, van de CEEAG;
- minister: Minister van Infrastructuur en Waterstaat;
- mkb-verklaring: document waarmee de subsidieaanvrager verklaart een middelgrote of kleine onderneming te zijn volgens de aanbeveling van de Europese Commissie 2003/361/EG;
- project: aanschaf en installatie van een energielijn die geschikt is voor waterstof of methanol, in verband met de nieuwbouw of retrofit van een zeeschip, eventueel gecombineerd met de aanschaf en installatie van één of meerdere energiebesparende technieken die de energiebehoefte van de voortstuwing verminderen en optioneel een batterijpakket inclusief benodigde aanpassingen aan boord, om in een haven of op volle zee elektriciteit te laden en zoveel mogelijk emissieloos een haven mee in- en uit te kunnen varen;
- RVO: Rijksdienst voor Ondernemend Nederland;
- schoon zeeschip: zeeschip als bedoeld in paragraaf 2.4, punt 19., onderdeel 20), onder e, sub ii), van de CEEAG;
- uitvoeringsinstantie: Rijksdienst voor Ondernemend Nederland;
- zeeschip: zee- of kustvaartuig bestemd voor het vervoer van goederen of passagiers, voor nautische of andere dienstverlening.
Artikel 2. Doel van de regeling
Deze regeling heeft als doel het stimuleren van de aanschaf en installatie van energielijnen die geschikt zijn voor waterstof of methanol, eventueel gecombineerd met energiebesparende technieken die de energiebehoefte van de voortstuwing verminderen in zeeschepen van in Nederland gevestigde reders om vroege fase opschaling van deze technieken in de zeevaart mogelijk te maken en daarmee een bijdrage te leveren aan een toekomstbestendige en klimaatneutrale zeevaart in 2050.
Artikel 3. Subsidiabele activiteiten
De minister kan op aanvraag subsidie verstrekken voor een project.
Na de afronding van een project dat betrekking heeft op nieuwbouw kwalificeert het zeeschip als schoon zeeschip of emissievrij zeeschip.
Na de afronding van een project dat betrekking heeft op retrofit kwalificeert het zeeschip als schoon zeeschip of emissievrij zeeschip of is het na afronding van het project in staat om waterstof of methanol te gebruiken naast of in de plaats van fossiele brandstoffen of is het in staat het aandeel waterstof of hernieuwbare methanol te verhogen.
Een project heeft slechts betrekking op één van de in artikel 2 bedoelde energielijnen per zeeschip.
Een project voor de aanschaf en installatie van een energielijn die geschikt is voor methanol, in verband met de nieuwbouw van een zeeschip met een werkfunctie, is niet subsidiabel.
Artikel 4. Subsidiabele kosten en hoogte subsidie
Als subsidiabele kosten komen uitsluitend in aanmerking:
- a. bij nieuwbouw: de totale extra kosten voor de uitvoering van een project ten opzichte van een zeeschip met eenzelfde levensduur, laadcapaciteit en operationele inzet als het schip waarop het project wordt uitgevoerd, dat is uitgerust met een conventionele verbrandingsmotor die voldoet aan de actuele regelgeving van de Europese Unie en de Internationale Maritieme Organisatie;
- b. bij retrofit: de totale retrofittingskosten, mits het zeeschip eenzelfde economische levensduur behoudt die het zonder de retrofit zou hebben.
De subsidie voor een project bedraagt ten hoogste 40% van de subsidiabele kosten.
De subsidie bedraagt tot 1 januari 2028 ten hoogste € 4.000.000,– per project en vanaf 1 januari 2028 ten hoogste € 3.500.000,– per project.
De subsidie voor energiebesparende technieken die de energiebehoefte van de voortstuwing verminderen bedraagt maximaal € 400.000,– per project en valt binnen het in het derde lid genoemde maximumbedrag.
De subsidie voor een batterijpakket bedraagt maximaal € 400.000,– per project en valt binnen het in het derde lid genoemde maximumbedrag.
Het percentage genoemd in het tweede lid wordt verhoogd met 10 procentpunten voor een emissievrij zeeschip en 10 procentpunten voor middelgrote ondernemingen of 20 procentpunten voor kleine ondernemingen.
Artikel 5. Subsidieplafond en wijze van verdeling
Voor de periode tot en met 31 december 2029 is voor de subsidiëring van projecten als bedoeld in artikel 3 ten hoogste € 102.800.000,– beschikbaar:
- a. € 29.000.000,– voor 2027;
- b. € 29.000.000,– voor 2028;
- c. € 44.800.000,– voor 2029.
De minister verdeelt het beschikbare bedrag op basis van de volgorde van rangschikking van de aanvragen als bedoeld in artikel 6.
Artikel 6. Rangschikkingscriteria
De minister kent, bij het beoordelen van een project als bedoeld in artikel 3, aan een aanvraag een hoger aantal punten toe naarmate:
- a. het beoogde vaarprofiel en toeleveringsketen van waterstof of methanol meer vertrouwen geeft in daadwerkelijke vermindering van broeikasgasemissies, met een maximum van 30 punten;
- b. de bijdrage aan broeikasgasemissiereductie volgens een onderbouwde berekening hoger is, met een maximum van 25 punten;
- c. de kwaliteit van het plan voor de uitvoering van het project, inclusief een gedegen onderbouwing en onderbouwde begroting, hoger is, met een maximum van 25 punten;
- d. de Europese betrokkenheid hoger is, er meer gebruik wordt gemaakt van Europese makers en toeleveranciers, en de ketensamenwerking groter is, met een maximum van 15 punten;
- e. het project een grotere bijdrage levert aan de ontwikkeling van Digitaal Samenwerken – Joint Maritime Digital Platform, met een maximum van 5 punten.
Indien twee of meer projecten na rangschikking op dezelfde plaats terechtkomen en het resterende bedrag van het subsidieplafond onvoldoende is om beide projecten te subsidiëren wordt door middel van loting de definitieve plaats in de rangschikking bepaald.
Artikel 7. Adviescommissie
Er is een adviescommissie Tijdelijke subsidieregeling vroege opschaling energietransitie zeeschepen 2026–2030, die tot taak heeft de minister op zijn verzoek te adviseren omtrent de toekenning van punten op basis van de rangschikkingscriteria, bedoeld in artikel 6.
De commissie bestaat uit ten minste 3 en ten hoogste 5 leden.
De voorzitter en de andere leden van de commissie worden door de minister voor een termijn van één jaar benoemd.
Artikel 8. Aanvraag
Een subsidieaanvraag wordt ingediend door een in Nederland gevestigde reder.
Een subsidieaanvraag heeft betrekking op één zeeschip.
Een aanvrager kan bij de minister een subsidieaanvraag indienen met behulp van een daartoe vastgesteld digitaal middel dat beschikbaar is via de website van RVO.
Onverminderd artikel 10 van het Kaderbesluit subsidies I en M bevat de subsidieaanvraag ten minste een:
- a. projectplan conform een op de website van RVO beschikbaar gesteld digitaal format;
- b. mkb-verklaring indien de aanvrager een klein- of middelgrote onderneming is.
In de subsidieaanvraag toont de aanvrager aan dat het zeeschip als gevolg van het project als schoon zeeschip of emissievrij zeeschip zal kwalificeren of, indien van toepassing bij retrofit, dat het zeeschip in staat zal zijn om waterstof of hernieuwbare methanol te gebruiken naast of in de plaats van fossiele brandstoffen of dat het in staat zal zijn het aandeel waterstof of hernieuwbare methanol te verhogen.
Een subsidieaanvraag voor 2027 kan worden ingediend van 6 oktober 2026, 9.00 uur tot en met 9 februari 2027, 17.00 uur.
De minister stelt de aanvraagperiode voor de opvolgende jaren jaarlijks vast en maakt dit voor aanvang van het tijdvak waarvoor het wordt vastgesteld bekend in de Staatscourant.
Artikel 9. Afwijzingsgronden
In aanvulling op de artikelen 11 en 12 van het Kaderbesluit wordt een subsidieaanvraag afgewezen indien:
- a. er al een subsidie is verleend op grond van deze regeling voor hetzelfde project;
- b. de aanvrager een onderneming in moeilijkheden is als bedoeld in punt 14 van de CEEAG;
- c. verplichtingen voor het project zijn aangegaan of de werkzaamheden van het project zijn aangevangen, voordat de aanvraag voor dat project is ingediend;
- d. tegen de aanvrager een bevel tot terugvordering openstaat ingevolge een besluit van de Europese Commissie waarbij eerder steun onrechtmatig en onverenigbaar is verklaard;
- e. het aantal bij rangschikking toegekende punten aan een van de criteria genoemd in artikel 6, eerste lid, onderdelen a en c, minder is dan de helft van het maximum aantal te behalen punten voor dat onderdeel;
- f. de subsidiabele kosten minder dan € 500.000,– bedragen;
- g. de subsidieverstrekking niet in overeenstemming is met enige andere bepaling van de CEEAG.
De subsidie mag niet gecumuleerd worden met andere staatssteun als bedoeld in artikel 107 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, noch met andere communautaire financiering als de gecumuleerde steun daardoor de maxima die vastgesteld zijn in de CEEAG zou overschrijden.
Artikel 10. Subsidieverlening
Voor zover de subsidie wordt verleend ten laste van een nog niet door de Staten-Generaal aangenomen rijksbegroting, onderdeel Infrastructuur en Waterstaat, wordt in de beschikking tot verlening van een subsidie vermeld dat de verlening plaatsvindt onder de voorwaarde dat voldoende gelden ter beschikking worden gesteld in de Wet tot vaststelling van de rijksbegroting, onderdeel Infrastructuur en Waterstaat.
Artikel 11. Verplichtingen subsidieontvanger
De subsidieontvanger is verplicht binnen zes maanden na de subsidieverlening met de uitvoering van het project te starten.
Het project wordt binnen drie jaar na de start van het project afgerond.
Tot twee kalenderjaren na de aanvraag tot subsidievaststelling, bedoeld in artikel 14 toont de subsidieontvanger bij een steekproefsgewijze controle aan dat het zeeschip nog steeds in bezit is van een in Nederland gevestigde reder.
De subsidieontvanger is verplicht medewerking te verlenen aan controles die kunnen worden verricht door de uitvoeringsinstantie of door de subsidieontvanger aan de verplichtingen uit de regeling is of wordt voldaan.
Artikel 12. Voorschot
De minister verstrekt ambtshalve een voorschot, verdeeld over de volgende termijnen:
- a. 30% bij de subsidieverlening;
- b. 50% bij de start van het project.
De minister verstrekt het resterende bedrag bij de vaststelling van de subsidie.
Uitbetaling van de voorschotten bedoeld in het eerste lid, onder a en b, kan plaatsvinden in het kalenderjaar volgend op respectievelijk de subsidieverlening of de start van het project.
Artikel 13. Verplichtingen betreffende voorlichting
Op verzoek van de minister verleent de subsidieontvanger medewerking aan het verspreiden van de resultaten van zijn op grond van deze regeling gesubsidieerde activiteiten.
De subsidieontvanger verstrekt gedurende de looptijd van het project jaarlijks een voortgangsrapportage, conform een op de website van RVO beschikbaar gesteld digitaal format, die de minister kan gebruiken voor de openbare brede verspreiding van niet-bedrijfsgevoelige kennis en informatie die met het project worden opgedaan.
De subsidieontvanger maakt niet bedrijfsgevoelige kennis en informatie die met het project worden opgedaan na afloop van het project openbaar in een verslag dat naar het oordeel van de minister van voldoende kwaliteit is.
De verplichting, bedoeld in het eerste lid, geldt vanaf de datum van de beschikking tot subsidieverlening tot vijf jaar na de datum van de beschikking tot subsidievaststelling.
Artikel 14. Subsidievaststelling
Binnen dertien weken nadat het project is afgerond dient de subsidieontvanger een aanvraag tot subsidievaststelling in met gebruikmaking van een digitaal formulier dat beschikbaar wordt gesteld op de website van RVO.
Onverminderd artikel 24, vierde lid, van het Kaderbesluit worden bij de aanvraag tot vaststelling van de subsidie in elk geval de volgende gegevens verstrekt:
- a. een omschrijving van de projectresultaten;
- b. de wijze waarop het project heeft bijgedragen aan het doel bedoeld in artikel 2;
- c. een eindrapport conform een op de website van RVO beschikbaar gesteld format.
In de beschikking tot subsidievaststelling stelt de minister de subsidie vast op basis van de gegevens die bij de aanvraag tot subsidievaststelling zijn ingediend.
Artikel 15. Evaluatie
De minister publiceert in 2031 een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van de subsidie.
De subsidieontvanger verleent medewerking aan een evaluatie van de effecten van de door hem op grond van deze regeling uitgevoerde activiteiten, voor zover medewerking redelijkerwijs van hem kan worden gevraagd.
De verplichting, bedoeld in het tweede lid, geldt gedurende vijf jaar na de datum van de beschikking tot subsidievaststelling.
Artikel 16. Inwerkingtreding en horizonbepaling
Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en vervalt met ingang van 1 juli 2031, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op subsidies die voor die datum zijn aangevraagd.
Artikel 17. Citeertitel
Deze regeling wordt aangehaald als: Tijdelijke subsidieregeling vroege opschaling energietransitie zeeschepen 2026–2030.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)