Besluit van de Minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking van 4 augustus 2026, nr. BZ2630259, tot vaststelling van beleidsregels en een subsidieplafond voor subsidiëring op grond van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 (Subsidieprogramma Dutch Diamonds Partnerships)
Gelet op de artikelen 6 en 7 van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken;
Gelet op artikel 5.1, sub a, b, g, en h, van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006;
Besluit:
Artikel 1
Voor subsidieverlening op grond van artikel 5.1, sub a, b, g, en h, van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 met het oog op subsidiëring van activiteiten van partnerschappen die gericht zijn op duurzame, klimaatvriendelijke sectorverandering en marktontwikkeling in water en voedselzekerheid en specifieke andere sectoren en waardeketens als bedoeld in annex 1 van de bij dit besluit gevoegde beleidsregels, gelden voor de periode vanaf inwerkingtreding van dit besluit tot en met 31 december 2036 de als bijlage bij dit besluit gevoegde beleidsregels.
Artikel 2
Aanvragen voor subsidie in het kader van het Subsidieprogramma Dutch Diamonds Partnerships worden ingediend vanaf 7 december 2026 09:00 uur tot en met 15 februari 2027 17:00 uur Nederlandse tijd.
Aanvragen voor subsidie in het kader van het Subsidieprogramma Dutch Diamonds Partnerships worden ingediend aan de hand van een door de minister beschikbaar gesteld formulier en voorzien van de op het aanvraagformulier gevraagde bescheiden.1https://www.rvo.nl/subsidies-financiering/ddp
Artikel 3
Voor subsidieverlening in het kader van het Subsidieprogramma Dutch Diamonds Partnerships geldt voor aanvragen als bedoeld in artikel 2, eerste lid, een subsidieplafond van € 51.000.000, onderverdeeld in de volgende subsidieplafonds:
- a. € 10.000.000 voor activiteiten gericht op het thema waterzekerheid en -veiligheid;
- b. € 10.000.000 voor activiteiten gericht op het thema voedselzekerheid;
- c. € 10.000.000 voor activiteiten gericht op het thema water-voedselzekerheid-nexus;
- d. € 21.000.000 voor activiteiten gericht op het thema duurzame marktontwikkeling in specifieke sectoren en waardeketens gekoppeld aan specifieke partnerlanden (als bedoeld in annex 1 bij de bijlage bij deze beleidsregels).
Artikel 4
De verdeling van elk van de subsidieplafonds, bedoeld in artikel 3, vindt plaats op grond van een beoordeling overeenkomstig de maatstaven die in de bijlage bij dit besluit zijn neergelegd, met dien verstande dat uit alle aanvragen die voldoen aan de maatstaven, de aanvragen die het beste voldoen aan die maatstaven het eerst voor subsidieverlening in aanmerking komen, binnen het raam van een evenwichtige spreiding van de beschikbare middelen als bedoeld in artikel 8, derde lid, onderdeel d, van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken.
Artikel 5
Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en vervalt met ingang van 1 januari 2037, met dien verstande dat het besluit van toepassing blijft op aanvragen die voor die datum zijn ingediend en subsidies die voor die datum zijn verleend.
Artikel 6
Dit besluit wordt aangehaald als: Subsidieprogramma Dutch Diamonds Partnerships.
Bijlage
1. Algemeen
1.1. Achtergrond
De beleidsbrief van het Ministerie van Buitenlandse Zaken van 24 april 20262Tweede Kamer, vergaderjaar 2025-2026, 36 800, Beleidsbrief Buitenlandse Zaken 2026, 24 april 2026. vraagt om een hernieuwde inzet vanuit het ministerie op het gebied van water en voedselzekerheid, economische ontwikkeling en private sector development via publiek-private partnerschappen. Met sterke en gelijkwaardige economische partnerschappen, die met oog voor mens en milieu zorgen voor groei en welvaart in het mondiale Zuiden, kan Europa ook tegenwicht bieden aan de economische invloed van andere grote blokken. Daarbij wordt actief ingezet op gelijkwaardige partnerschappen en de Europese Global Gateway strategie3De Global Gateway-strategie is een initiatief van de Europese Unie om wereldwijd ontwikkelingssamenwerking, handel en diplomatie te bundelen.. De zogenaamde Dutch Diamond jaagt dit aan: overheid, bedrijfsleven, kennisinstellingen en maatschappelijke organisaties bundelen daarbij hun expertise op klimaatadaptatie, watermanagement, voedselzekerheid, biodiversiteit, energie, transport, financiering en gezondheid.
Eerder al is naar aanleiding van de motie Amhaouch van 6 juli 20234Tweede Kamer, vergaderjaar 2022–2023, 33 625, motie-Amhaouch, 6 juli 2023. toegezegd om te onderzoeken waar publiek-private programma’s kunnen worden opgeschaald om daarmee met Nederlandse kennis en kunde bij te dragen aan de lokale ontwikkeling van een duurzame agri- en watersector. De motie (Amhaouch) bouwt voort op al afgeronde programma’s van het ministerie, zoals het Subsidieprogramma Ghana WASH Window van Fonds Duurzaam Water (GWW) en het Subsidieprogramma Faciliteit Duurzaam Ondernemen en Voedselzekerheid (FDOV). Intussen lopen huidige programma’s van het Ministerie van Buitenlandse Zaken af, zoals het Subsidieprogramma SDG Partnerschapfaciliteit (SDGP) en het Subsidieprogramma Fonds Duurzaam Water (FDW).
Met het Subsidieprogramma Dutch Diamonds Partnerships (hierna: subsidieprogramma) wil de minister bijdragen aan activiteiten van publiek-private partnerschappen die zich richten op duurzame, klimaatvriendelijke sectorverandering en marktontwikkeling in water, voedselzekerheid en specifieke andere sectoren en waardeketens (zie voor de specifieke sectoren en waardeketens per partnerland annex 1 bij dit subsidieprogramma), waarin Nederland waardevolle kennis en kunde heeft en Nederland tevens kennis en kunde opdoet door het werken in de partnerlanden. De partnerschappen richten zich op vragen en noden vanuit het partnerland. Een gunstig neveneffect kan zijn het versterken van het (toekomstige) Nederlandse verdienvermogen.
Nederland heeft wereldwijd een sterke reputatie op het gebied van watermanagement. Veel Nederlandse organisaties zetten hun kennis al in om partnerlanden te ondersteunen met innovatieve en duurzame oplossingen voor hun waterproblemen. Tevens doet Nederland ervaring op in de partnerlanden op bijvoorbeeld het gebied van droogte of overstromingen. Het subsidieprogramma biedt de mogelijkheid om krachten binnen de watersector tussen de overheden, maatschappelijke organisaties, kennisinstellingen en ondernemingen te bundelen, zodat landen beter kunnen omgaan met te veel, te weinig en te vies water, en zich kunnen wapenen tegen extreem weer.
Ook op het gebied van voedselzekerheid beschikken Nederlandse organisaties over waardevolle kennis en ervaring, bijvoorbeeld in duurzame landbouw, het ontwikkelen van sterk plantmateriaal en het verbeteren van bodemkwaliteit. In veel partnerlanden is er grote behoefte aan dit soort gespecialiseerde expertise. Via partnerschappen kan er kennis internationaal worden ingezet en onderling uitgewisseld. Zo wordt er een belangrijke bijdrage geleverd aan het versterken van voedselzekerheid wereldwijd, en ontstaan er ook nieuwe zakelijke kansen.
1.2. Duurzame ontwikkelingsdoelstellingen5Sustainable development goals; SDG’s; https://www.rijksoverheid.nl/themas/internationale-samenwerking/vn/duurzame-ontwikkelingsdoelen.
Met partnerschappen gericht op voedselzekerheid wordt er direct bijgedragen aan SDG 2, door bijvoorbeeld duurzame landbouw en bodembeheer te versterken, de voedselkwaliteit te verbeteren, boeren economisch te ondersteunen en toekomstbestendige voedselsystemen op te bouwen.
Interventies gericht op waterzekerheid en waterveiligheid sluiten aan bij SDG 6 door schoon en voldoende water toegankelijk te maken, sanitaire voorzieningen te verbeteren, duurzaam watergebruik te bevorderen, watervoorzieningen te verbeteren, en gemeenschappen weerbaarder te maken tegen waterschaarste en overstromingen. Daarnaast wordt er een belangrijke bijdrage geleverd aan SDG 8, omdat een publiek-privaat-samenwerkingsverband kan zorgen voor aanhoudende, inclusieve en duurzame economische groei, en waardig werk voor iedereen. Ook wordt invulling gegeven aan SDG 17 door met partnerschappen internationale samenwerking te stimuleren als motor voor alle duurzame ontwikkelingsdoelstellingen.
Het subsidieprogramma draagt direct bij aan SDG 2, 6 en 8. SDG 13 wordt nagestreefd doordat onder andere klimaatbestendige landbouw en duurzaam waterbeheer6Watermanagement en waterbeheer worden vaak als synoniemen gebruikt, maar in essentie is waterbeheer de uitvoerende taak en watermanagement de bredere, strategische planning. Beide termen richten zich op het beheersen van waterstromen, waterkwaliteit en het tegengaan van overstromingen en droogte. worden bevorderd, en de weerbaarheid van lokale gemeenschappen tegen klimaatverandering wordt vergroot. Verder is er aandacht voor biodiversiteit en ecosystemen (SDG 14 en 15), bijvoorbeeld door agroforestry, nature-based solutions, en geïntegreerd plaagbeheer te stimuleren en de uitgangspunten voor een Basiskwaliteit Natuur in acht te nemen. Ten slotte wordt gendergelijkheid SDG 5 versterkt door strategieën te stimuleren die gelijkwaardige toegang tot middelen, trainingen en markten bevorderen voor alle doelstellingen.
2. Uitvoerder
De minister heeft de uitvoering van het subsidieprogramma opgedragen aan de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO), agentschap van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat. RVO zal het subsidieprogramma uitvoeren namens de minister op grond van een aan RVO verleend mandaat.
3. Begrippen
In het subsidieprogramma wordt verstaan onder:
4. Subsidieprogramma Dutch Diamonds Partnerships
4.1. Hoofdoel en subdoelen
Hoofddoel:
Het subsidieprogramma heeft als hoofddoel het versterken van duurzame, klimaatvriendelijke sectorverandering en marktontwikkeling in water, voedselzekerheid en specifieke andere sectoren en waardeketens (zie annex 1 bij dit subsidieprogramma), waar Nederland waardevolle kennis en kunde heeft – middels het werken in gelijkwaardige partnerschappen. Als positief neveneffect wordt verwacht dat het (toekomstige) Nederlandse verdienvermogen wordt versterkt op de thema’s voedselzekerheid, water en specifieke sectoren en waardeketens. Dwarsdoorsnijdend geldt dat de onderwerpen klimaat, gender en biodiversiteit van belang zijn.
Met de drie hieronder aan elkaar gerelateerde subdoelstellingen, voortkomend uit de verandertheorie (Theory of Change) van het subsidieprogramma (zie annex 2 bij dit subsidieprogramma), wordt ingezet op het verbeteren van duurzame, klimaatvriendelijke sectorverandering en marktontwikkeling in water, voedselzekerheid en specifieke andere sectoren en waardeketens (zie voor de specifieke sectoren en waardeketens per partnerland annex 1 bij dit subsidieprogramma) in partnerlanden.
Een Theory of Change (ToC) is een expliciete beschrijving van hoe en waarom een bepaalde interventie, in dit geval een project, naar verwachting zal leiden tot de gewenste verandering. Kernonderdelen van een Theory of Change zijn:
Een Theory of Change is dus zowel een denkkader om interventies te ontwerpen, en een visualisatie/tekst (bijvoorbeeld schema of narratief) waarin de causale keten en aannames expliciet worden gemaakt, als basis voor monitoring, evaluatie en bijsturing.
Subdoelen:
Een enabling environment zorgt ervoor dat de juiste randvoorwaarden worden geschapen voor partnerschappen om hun producten, diensten en/of services te leveren aan de hand van innovatieve verdienmodellen en marketingstrategieën. Het is derhalve van belang om in te zetten op de elementen uit de enabling environment die de verbetering van de markt in een bepaalde sector hinderen. De interventies zullen dus deels gericht moeten zijn op sectorverandering. Dit zal gebeuren in nauwe samenwerking met de partnerlanden, specifieke overheden en andere donoren. Het is belangrijk om vanaf het begin brede partnerschappen te vormen met relevante lokale stakeholders die invloed kunnen uitoefenen om hindernissen te verminderen.
Wanneer publieke en private organisaties samen met kennisinstellingen en maatschappelijke organisaties uit Nederland en partnerlanden langjarige partnerschappen vormen, en daarbij vraaggestuurd en op bewijs van effectiviteit gebaseerd te werk gaan, kunnen zij betaalbare, duurzame en klimaatbestendige producten en/of diensten ontwikkelen die aansluiten bij de lokale context en concrete behoeften. Deze producten en diensten zijn gericht op het oplossen van uitdagingen rondom waterzekerheid en waterveiligheid, dan wel op het verbeteren van voedselzekerheid.
Het gaat om het in de praktijk testen, aanpassen en opschalen van inclusieve business cases en de link met de markt te versterken. Om de beoogde producten en/of diensten langdurig aan de samenleving te kunnen leveren, is het belangrijk dat er inclusieve, financieel haalbare en rendabele business cases van partnerschappen inclusief begunstigden, door de markt wordt opgenomen.
4.2. Begunstigden
Met het subsidieprogramma wil de minister de doelgroep in de partnerlanden (begunstigden) ondersteunen die baat heeft bij de beoogde verbetering van duurzame, klimaatvriendelijke sectorverandering en marktontwikkeling in water en voedselzekerheid en specifieke andere sectoren en waardeketens in partnerlanden.
Deze doelgroep kan onder meer bestaan uit:
Met betrekking tot producenten en gebruikers van voedsel, water en in specifieke waardeketens, is het van belang dat er in het bijzonder aandacht is voor vrouwen en minderheden.
4.3. Wie kunnen in aanmerking komen voor een subsidie
Met het subsidieprogramma wil de minister partnerschappen ondersteunen die activiteiten gaan uitvoeren die gericht zijn op het versterken van duurzame, klimaatvriendelijke sectorverandering en marktontwikkeling in water en voedselzekerheid en specifieke andere sectoren en waardeketens. Subsidies worden aangevraagd door een penvoerder namens een partnerschap.
De rol van penvoerder wordt vervuld door een organisatie met een statutaire zetel in Nederland of een organisatie met een statutaire zetel in het buitenland én een vestiging of vaste inrichting in Nederland. De penvoerder moet zelf ook belang hebben bij het behalen van de doelen.
Het partnerschap bestaat uit maximaal zes partners en omvat in ieder geval:
Brancheorganisaties kunnen ook als partner deelnemen in een partnerschap, maar partnerschappen dienen niet per se een brancheorganisatie als partner te hebben.
In het bijzonder voor een partnerschap onder het thema water-voedselzekerheid-nexus geldt dat het partnerschap moet bestaan uit organisaties die komen uit zowel de sectoren water als voedselzekerheid.
Voor elk partnerschap geldt dat de statutaire doelstelling van de partners moet passen bij het doel van de subsidieverstrekking en dat de partners in staat moeten zijn tot een adequaat financieel beheer, en door ervaringsdeskundigheid met betrekking tot activiteiten als waarvoor subsidie wordt gevraagd, een doelgerichte en doelmatige uitvoering van de activiteiten kunnen waarborgen8Zie ook artikel 4 van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken..
Een organisatie kan per openstelling maximaal bij twee aanvragen als penvoerder in aanmerking komen voor een subsidie. Deelname als partner niet zijnde penvoerder in andere aanvragen (in diezelfde openstelling) is toegestaan. Als een partner betrokken is bij meerdere aanvragen (dan wel als penvoerder, dan wel als partner niet zijnde penvoerder) dan moeten deze aanvragen wel verschillende partnerlanden of verschillende thema’s betreffen. Een partner mag dus per partnerland en per thema maar betrokken zijn bij één aanvraag. Als hieraan niet wordt voldaan, wordt alleen de eerst ingediende aanvraag in behandeling genomen en de later ingediende aanvraag/aanvragen afgewezen.
In de referentieperiode van de afgelopen vijf boekjaren (peilmoment: datum indienen aanvraag) is gemiddeld ten minste 50% van de totale jaarlijkse inkomsten9De totale jaarinkomsten is de som van al het geld dat een organisatie in één kalenderjaar heeft ontvangen. van de penvoerder afkomstig uit andere bronnen dan subsidie of bijdragen (direct of indirect verkregen) van het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Als in deze periode gemiddeld meer dan 50% van de totale jaarlijkse inkomsten van de penvoerder afkomstig is uit directe en indirecte subsidies of bijdragen ten laste van de begroting van het Ministerie van Buitenlandse Zaken of de begroting voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, kan de betreffende organisatie per openstellingsronde slechts één keer in aanmerking komen voor subsidie, hetzij als penvoerder, hetzij als partner.
4.4. Adviestraject
Als een penvoerder overweegt namens een partnerschap een aanvraag voor subsidie in te dienen, dan geldt dat eerst een verplicht adviestraject moet worden gevolgd, aan de hand van een daartoe ingediende quick scan. De quick scan is een uitgewerkt idee op een van de vier thema’s volgens een door RVO opgesteld model10https://www.rvo.nl/subsidies-financiering/ddp.
Het adviestraject eindigt met een advies van RVO aan de penvoerder. De uitkomst van het adviestraject is niet bindend. Het is aan de penvoerder om vervolgens wel of niet een subsidieaanvraag in te dienen. Als de penvoerder besluit om een aanvraag in te dienen (zowel bij positief als negatief advies), is en blijft het altijd de verantwoordelijkheid van de penvoerder om aan te tonen dat aan de vereisten om voor subsidie in aanmerking te kunnen komen wordt voldaan.
Aangezien met de verwerking van een ingediende quick scan door RVO maximaal acht weken is gemoeid en met het gekregen advies na de quick scan de aanvraag verder moet kunnen worden ontwikkeld, dient een quick scan uiterlijk zestien weken vóór de sluitingsdatum van de betreffende openstellingsronde worden ingediend.
4.5. Subsidiabele activiteiten
Om in aanmerking te kunnen komen voor een subsidie in het kader van het subsidieprogramma moet de aanvraag betrekking hebben op een planmatige integrale aanpak van activiteiten die bijdragen aan één gezamenlijk doel (ook wel te noemen: project).
Het project moet bijdragen aan de doelen beschreven in paragraaf 4.1 en gericht zijn op één van volgende thema’s a tot en met d, die hierna worden toegelicht. Waarbij zij opgemerkt dat klimaat een belangrijk dwarsdoorsnijdend thema is dat van belang is bij alle projecten.
Een aanvraag onder thema a, b, c en d heeft betrekking op één partnerland zoals opgenomen in annex 1 bij dit subsidieprogramma, tenzij:
Een aanvraag onder thema d kan uitsluitend betrekking hebben op een combinatie van partnerland en sector of waardeketen zoals opgenomen in de annex 1 bij dit subsidieprogramma.
Bij het thema water gaat het om het bijdragen aan waterveiligheid en waterzekerheid. Dit betreft zowel de toegang tot water, als het mitigeren van waterrisico’s (te veel, te weinig, te vies). Dit thema omvat onder andere het verbeteren van toegang tot drinkwater en sanitaire voorzieningen (WASH), watermanagement en databeheer (in industriële sectoren) en water governanceen integraal waterbeheer (IWRM). Het omgaan met waterrisico’s in de landbouw of voedselverwerking is een onderdeel van het thema water-voedselzekerheid-nexus (zie verderop onder c.).
Bij het thema voedselzekerheid gaat het om het bijdragen aan lokale voedselzekerheid. Onder voedselzekerheid wordt verstaan: beschikbaarheid (voldoende voedselproductie), toegang tot voldoende en kwalitatief voedsel voor iedereen, het juiste gebruik van voedsel, betaalbaarheid van voedsel voor iedereen en de stabiliteit van de voedselmarkt. Verduurzamen van exportketens voor mondiale voedselzekerheid en niet voedselgewassen (zoals koffie en cacao) kan worden meegenomen, mits kan worden aangetoond dat de inzet een toegevoegde waarde heeft voor de lokale markt en de lokale voeding.
Bij het thema water-voedselzekerheid-nexus gaat het om via een geïntegreerde aanpak werken aan goed watermanagement en duurzaam watergebruik in de landbouw- en voedselsector. Dit vraagt om samenwerking tussen actoren van de volgende sectoren: water en voedselzekerheid. De samenwerking tussen de verschillende sectoren (en dus deelname van partners uit deze sectoren aan het partnerschap, zie paragraaf 4.3) is een vereiste voor dit thema en verduidelijkt tegelijkertijd de afbakening tussen de vier thema’s. Daarnaast vraagt dit thema om een landschapsbenadering. Efficiënt watergebruik in het teeltproces en in de waardeketen is belangrijk, maar niet voldoende. Er is een systeembenadering nodig die kijkt naar de totale waterbeschikbaarheid (op stroomgebiedsniveau) in relatie tot het watergebruik. Hiermee wordt geborgd dat systeemgrenzen niet worden overschreden en dat alle gebruikers (waaronder ook biodiversiteit en ecosystemen) toegang hebben tot voldoende water van goede kwaliteit.
Bij het thema duurzame marktontwikkeling in specifieke sectoren en waardeketens gaat het om de marktontwikkeling van specifieke sectoren en (delen van) waardeketens in bepaalde partnerlanden. In annex 1 bij dit subsidieprogramma is de lijst met landen in combinatie met specifieke prioritaire sectoren en waardeketens opgenomen, waarop aanvragen kunnen worden ingediend. Deze lijst is gebaseerd op de beleidsprioriteiten van de minister, de doelen van de partnerlanden en de Meerjaren Landen Strategieën (MLS) van de ambassades.
4.6. Niet-subsidiabele activiteiten
In ieder geval wordt geen subsidie verleend voor activiteiten:
Voorts wordt geen subsidie verleend voor steenkolenprojecten en voor de exploratie en ontwikkeling van nieuwe voorraden olie en gas in het buitenland, noch voor activiteiten op bestaande voorraden olie en gas, behalve daar waar sprake is van verbetering van de milieuprestatie en/of veiligheid en/of gezondheid en op voorwaarde dat de economische levensduur van de fossiele infrastructuur niet wordt verlengd.
4.7. Looptijd van de activiteiten
De activiteiten hebben een looptijd van maximaal 60 maanden (5 jaar). De activiteiten moeten starten binnen drie maanden na subsidieverlening.
De eerste uitvoeringsfase bestaat uit een zogenoemde inceptiefase. Deze fase gaat in op de dag van de startdatum van het project en heeft meestal een looptijd van zes maanden. De inceptiefase is bedoeld om de verdere uitvoering van het project nader vorm te geven alvorens daadwerkelijk grote investeringen te gaan doen in de daarop volgende implementatiefase. Denk bijvoorbeeld aan het nader vastleggen van afspraken binnen het partnerschap, het plan voor monitoring, evaluatie en leren (MEL) verder uitwerken of specifiek het verkrijgen van vergunningen of een milieu- en sociale effectbeoordeling. Ook kan het zijn dat enkele project-specifieke MVO-onderwerpen die bij de aanvraag nog onzeker waren moeten worden geadresseerd en gemitigeerd tijdens de inceptiefase. De inceptiefase is afgerond als alle voor deze fase geplande activiteiten zijn uitgevoerd en de daarmee beoogde resultaten zijn behaald.
4.8. Omvang van de subsidie
Per project geldt dat:
Het deel van de totale subsidiabele kosten waarvoor geen subsidie wordt verstrekt moet door het partnerschap zelf worden gefinancierd, dit wordt ook wel ‘de eigen bijdrage’ genoemd.
De eigen bijdrage mag voor dit subsidieprogramma enkel bestaan uit de inzet van de partners door middel van eigen uren (in-kind bijdrage) en eigen geld (in cash bijdrage: een betaling door een partner ten behoeve van het project).
Voor de in-kind bijdrage onder dit subsidieprogramma geldt dus dat er door anderen aan de partners geschonken vaste activa12Bedrijfsmiddelen die niet bedoeld zijn om door te verkopen en langer dan één jaar actief zijn in een organisatie.niet kunnen worden ingezet om te voldoen aan het vereiste van de eigen bijdrage in de kostenbegroting van het project.
De eigen bijdrage mag ook niet worden gefinancierd met middelen die direct of indirect zijn verkregen door middel van een subsidie of bijdrage ten laste van de begroting van het Ministerie van Buitenlandse Zaken of de begroting voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking.
5. Subsidiabele kosten
5.1. Uitgangspunten
Voor het bepalen van (de omvang van) de kosten per partner die in aanmerking kunnen worden genomen bij het bepalen van de hoogte van de te verlenen subsidie, gelden de volgende uitgangspunten:
5.2. Subsidiabele kosten
Subsidiabele kosten zijn de volgende door (een van) de partners zelf te maken kosten voor het project:
5.3. Niet-subsidiabele kosten
Niet subsidiabel zijn in ieder geval de volgende kosten:
6. Aanvraag
6.1. Vereisten
De aanvraag wordt ingediend met gebruikmaking van een daartoe door RVO beschikbaar gesteld middel en voorzien van de daarin genoemde bijlagen waarvoor modellen beschikbaar worden gesteld door RVO.
De aanvraag bevat in ieder geval:
Tevens moeten de partners verklaren op de hoogte te zijn en te zullen handelen naar de OESO richtlijnen. Ook dienen de partners op de hoogte te zijn van de FMO-uitsluitingslijst en geen activiteiten uit te voeren die op die lijst staan16https://www.fmo.nl/policies-and-position-statements. De partners dienen te verklaren van deze richtlijnen op de hoogte te zijn en deze te onderschrijven. De partners dienen feiten of omstandigheden die wijzen op het schenden van deze richtlijnen onverwijld te melden bij RVO. Wanneer over een onderneming een melding is (of wordt) ingediend bij het Nederlands Nationaal Contactpunt (NCP) voor de OESO-richtlijnen, moeten ondernemingen dit melden bij RVO en medewerking verlenen aan het NCP.
Bij het indienen van de aanvraag wordt aan de Nederlandse ondernemingen gevraagd een MVO-zelfscan naar waarheid in te vullen. Het invullen van deze korte vragenlijst is verplicht; het biedt inzicht in de stappen van gepaste zorgvuldigheid en de toepassing hiervan door de onderneming. RVO kan naar aanleiding van de ingevulde MVO-zelfscan contact met de onderneming opnemen.
De partners moeten een integriteitsbeleid hebben vastgesteld. De partners moeten tevens procedures hebben ingevoerd om aan dat beleid invulling te kunnen geven binnen de eigen organisatie. Dit integriteitsbeleid en deze procedures zijn er om ernstige vormen van grensoverschrijdend gedrag, daaronder begrepen seksuele misdragingen, jegens medewerkers en derden bij de uitvoering van de activiteiten waarop de aanvraag betrekking heeft, door de partners en de door hen ingeschakelde partijen, zo veel mogelijk te voorkomen, in voorkomend geval te onderzoeken, met passende maatregelen zo spoedig mogelijk te doen beëindigen en de gevolgen daarvan te mitigeren. De procedures zijn zodanig ingericht dat een tijdige melding van incidenten aan RVO is gewaarborgd.
6.2. Herstelperiode
In het kader van de aanvraagprocedure wordt met nadruk gewezen op artikel 7, derde lid, van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken. Mocht een aanvraag onvolledig worden ingediend, dan kan de minister (met gebruikmaking van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht) vragen om een aanvulling. Als datum en tijd van ontvangst van de aanvraag zal vervolgens gelden de datum en tijd waarop de aanvulling is ontvangen.
Daarbij geldt ook dat hoe korter voor het verstrijken van de deadline voor het indienen van aanvragen een aanvraag wordt ingediend, hoe groter het risico dat de minister geen toepassing zal geven aan zijn bevoegdheid om een aanvulling te vragen; dit in verband met de tijd die is gemoeid met het controleren van alle aanvragen op volledigheid en de tijd die nodig is om een aanvulling te vragen en in te dienen. In dat geval zal de aanvraag derhalve niet meer kunnen worden aangevuld, maar zal deze worden beoordeeld zoals hij primair is ingediend. Dit kan leiden tot afwijzing van de subsidieaanvraag.
Daarnaast geldt in het algemeen dat het niet volledig indienen van aanvragen of onvoldoende onderbouwen van (onderdelen van) de aanvraag mogelijk leidt tot afwijzing van een subsidieaanvraag op basis van het niet of niet in voldoende mate voldoen aan de aan aanvragen gestelde vereisten en criteria.
Kortheidshalve verwijzen naar andere onderdelen van de aanvraag, websites of bijlagen is niet voldoende, tenzij in de aanvraagdocumenten uitdrukkelijk is aangegeven dat daarmee (geheel of gedeeltelijk) kan worden volstaan. Als onderdelen van de aanvraagdocumenten niet worden ingevuld, loopt de penvoerder het risico op afwijzing van de aanvraag.
7. Beoordeling en verdeling beschikbare middelen
7.1. Beoordeling en verdeling
De bepalingen van de Algemene wet bestuursrecht, het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken en de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 zijn onverkort van toepassing op de beoordeling van aanvragen en de uiteindelijke subsidieverstrekking in het kader van het subsidieprogramma. De aanvragen worden beoordeeld met inachtneming van deze regelgeving en overeenkomstig de maatstaven die in het subsidieprogramma zijn neergelegd.
Om voor subsidie in aanmerking te kunnen komen dient de aanvraag te voldoen aan de in paragraaf 4 tot en met 6 opgenomen vereisten. Slechts de aanvragen die daaraan voldoen worden inhoudelijk beoordeeld op kwaliteit aan de hand van de criteria in paragraaf 7.2. Daaraan moet in voldoende mate (ten minste 70 punten van de maximaal 100 te behalen punten) worden voldaan om in aanmerking te kunnen komen voor subsidie. Ook geldt dat er ten minste een minimum aantal punten per criterium moet worden behaald ten einde te kunnen kwalificeren voor subsidie, zie daarover nader paragraaf 7.2.
De verdeling van de subsidiemiddelen vindt per plafond per thema (zie paragraaf 4.5) plaats via een subsidietender, oftewel op basis van kwaliteit. De kwaliteit wordt beoordeeld door middel van beoordeling van aanvragen op grond van de kwalitatieve criteria neergelegd in paragraaf 7.2. Aanvragen worden beoordeeld per thema waaronder ze worden ingediend. De uitkomsten van deze beoordeling leiden tot een rangorde van de aanvragen per thema op basis van kwaliteit. Aanvragen die niet van ten minste voldoende kwaliteit zijn, worden niet meegenomen in deze rangschikking.
In geval het honoreren van twee of meer aanvragen met een even hoge score zou leiden tot overschrijding van het subsidieplafond voor het thema waarop de aanvragen betrekking hebben, wordt door middel van loting bepaald welke aanvraag wordt gehonoreerd.
De besluitvorming over al dan niet toekenning van subsidie volgt uiterlijk binnen 22 weken na de sluitingsdatum van de openstelling.
7.2. Criteria
De hiernavolgende criteria zijn van toepassing, waarbij de puntentoekenning afhankelijk is van de mate waarin er aan de (sub)criteria wordt voldaan. Er geldt daarbij een minimumaantal te behalen punten per criterium.
Ter ondersteuning van de beoordeling kan RVO verificatieactiviteiten uitvoeren ter controle van de in de aanvraag gemaakte aannames en stellingnames. Door verificatie kan er ook informatie die nodig is voor een goede beoordeling van de kwaliteit van de aanvraag verzameld worden.
RVO kan tijdens de inhoudelijke beoordeling advies inwinnen bij externe experts, zoals bijvoorbeeld Invest International in het kader van de beoordeling van de business case, en de ambassades.
8. Afwijzingsgronden
Naast het bepaalde in artikel 4:35 van de Algemene wet bestuursrecht wordt een aanvraag voor subsidie afgewezen als er niet voldaan wordt aan het bepaalde in het subsidieprogramma of indien de beschikbare subsidiemiddelen ontoereikend zijn.
9. Toezicht
RVO zal een steekproefsgewijze controle uitvoeren en waar mogelijk monitoren op het correcte gebruik van de subsidie waarbij op grond van de afgegeven beschikkingen wordt gecontroleerd op rechtmatigheid en doelmatigheid.
10. Verplichtingen
In de subsidieverleningsbeschikking worden onder andere over de volgende zaken verplichtingen voor de subsidieontvanger opgenomen:
11. Administratieve lasten
Ter verantwoording van de administratieve lasten waarmee de penvoerder te maken krijgt is een toets uitgevoerd volgens een standaard kostenmodel. Daarbij is rekening gehouden met de indiening van een aanvraag voor subsidie, de beheerfase, de vaststelling van de subsidie en eventuele bezwaar- en beroepsprocedures. Uit de berekening blijkt dat het totale percentage administratieve lasten ten opzichte van het totaal beschikbare subsidiebudget 4,08% bedraagt.
Annex 1. – Partnerlanden, sectoren en waardeketens
Voor aanvragen voor het thema duurzame marktontwikkeling in specifieke sectoren en waardeketens gekoppeld aan specifieke partnerlanden geldt:
Het subsidieprogramma staat ook open voor partnerschappen die aansluiten bij de Nederlandse Global Gateway inzet. Dit betekent dat naast bovengenoemde landen ook aanvragen onder thema a tot en met d kunnen worden ingediend door (regionale) partnerschappen die bijdragen aan de Nederlandse Global Gateway flagship projecten: Northern Corridor (Kenia, Oeganda, Rwanda en DRC) en de Lobito Corridor (Angola, DRC en Zambia).
Annex 2. – Theory of Change van het Subsidieprogramma Dutch Diamonds Partnerships
Annex 3. – Indicatoren
Bij het kiezen van relevante indicatoren wordt aangeraden om een combinatie van kwantitatieve en kwalitatieve indicatoren te kiezen en is het verplicht minimaal gebruik te maken van onderstaande lijst. Hierbij kiezen de partnerschappen alleen de indicatoren die thematisch voor hen relevant zijn. In de bijlage van het projectplan is een uitgebreidere lijst van indicatoren opgenomen. Belangrijker dat er duidelijk wordt gemaakt hoe de indicatoren linken aan de beoogde resultaten en hoe de informatie die ze opleveren gebruikt zal worden voor bijsturing, dan dat er een groot aantal verschillende indicatoren gekozen worden om op te rapporteren. De onderstaande lijst met gestandaardiseerde indicatoren kan naar eigen inzicht worden aangevuld met voor het partnerschap zelf belangrijke (proces-)indicatoren.
Dit besluit zal met de bijlage en de bij de bijlage behorende annexen in de Staatscourant worden geplaatst.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)