Besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 6 augustus 2026, nr. 2026-262956 over artikel 14b van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (Besluit juridische fusie 2026)
De Staatssecretaris van Financiën,
Gelet op artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht, artikel 63 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en artikel 14b, derde lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969;
Besluit:
1. Inleiding
Dit besluit bevat het beleid voor de juridische fusie in de vennootschapsbelasting en vervangt het besluit van 12 augustus 2022, nr. 2022-188642, (Stcrt. 2022, 22286). Gewijzigd is het volgende.
Dit besluit bevat geen tekstblokken meer voor de inspecteur. De beleidsmatige onderdelen van deze tekstblokken zijn in het huidige besluit verwerkt in de hoofdtekst van het besluit, een inhoudelijke beleidswijziging is niet beoogd.
Paragraaf 2 is aangevuld met een voetnoot over het vestigingsplaatsvereiste in de situatie van een belastingverdrag met een zogenoemde non-discriminatie bepaling.
Paragraaf 3.3. verduidelijkt dat met het afgeven van een beschikking op grond van artikel 14a, derde lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 de inspecteur geen zekerheid verstrekt over de zogenoemde ontgaanstoets van artikel 14a, zesde lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969.
In paragraaf 4.1. is een beperking opgenomen voor de situaties zoals beschreven in paragraaf 7.3.1.2 (nieuw).
Paragraaf 5.1. is aangevuld met de aanspraak op voorwaartse toerekening van een negatief bedrag aan winst op de voet van artikel 20a, eerste lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969.
In paragraaf 6 is de toelichting op artikel 13ca van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 vervallen, omdat de kans klein is dat deze met ingang van 2006 vervallen bepaling via het overgangsrecht nog toepassing vindt.
Nieuw in paragraaf 6 is ook de toelichting op de nieuwe standaardvoorwaarden over de beperkte aftrek van verlengstukwinst (voorwaarde 11) en voor de situatie dat de verkrijgende rechtspersoon gebruikt maakt van de Regeling functionele valuta en de verdwijnende rechtspersoon niet, en vice versa (voorwaarden 12 en 13). De voorwaarde in paragraaf 7.3.1.2. over de aftrek van verlengstukwinst is verplaatst naar bijlage 1 als (aanvullende) voorwaarde.
In paragraaf 8.2. is verduidelijkt dat de goedkeuring met betrekking tot te late verzoeken vervalt door het onherroepelijk worden van een aanslag die is vastgesteld met inachtneming van een belaste overdracht.
Daarnaast bevat het besluit enkele redactionele wijzigingen.
1.1. Gebruikte begrippen en afkortingen
1.2. Opbouw van dit besluit
In de Wet Vpb 1969 wordt de juridische fusie geregeld in artikel 14b Wet Vpb 1969. De juridische fusie wordt geacht een overdracht te zijn (artikel 14b, eerste lid, Wet Vpb 1969). In eenvoudige gevallen geldt voor de winst die daardoor wordt behaald een faciliteit direct op grond van de wet (artikel 14b, tweede lid, Wet Vpb 1969). In andere gevallen kan ik de inspecteur toestaan onder het stellen van voorwaarden een faciliteit te verlenen (artikel 14b, derde lid, Wet Vpb 1969).
In de paragrafen 2 tot en met 6 van dit besluit staat mijn beleid voor de toepassing van artikel 14b Wet Vpb 1969. Hier wordt onder andere ingegaan op de voorwaarden die in het algemeen worden gesteld bij de toepassing van artikel 14b, derde lid, Wet Vpb 1969. Deze voorwaarden zijn opgenomen in bijlage 1 van dit besluit. Met nadruk wijs ik erop dat het algemene karakter van de voorwaarden meebrengt dat de voorwaarden worden gewijzigd of aangevuld al naar gelang de bijzondere omstandigheden van het geval.
In paragraaf 7 wordt onder andere een algemene toestemming verleend aan de inspecteur tot het afdoen van bepaalde verzoeken om toepassing van artikel 14b, derde lid, Vpb 1969. Paragraaf 7 bevat verder instructies voor de afdoening van verzoeken die wel en die niet onder de algemene toestemming vallen.
In paragraaf 8 is het beleid opgenomen voor te laat ingediende verzoeken om toepassing van artikel 14b, derde lid, Wet Vpb 1969.
In paragraaf 9 geef ik aan welk besluit is ingetrokken.
Paragraaf 10 geeft aan met ingang vanaf welke datum dit besluit in werking treedt.
Paragraaf 11 bevat de citeertitel.
De goedkeuringen in dit besluit zijn gebaseerd op artikel 63 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.
2. Systematiek van de regeling
Voor de vennootschapsbelasting behelst de juridische fusie een overdracht van vermogensbestanddelen van de verdwijnende rechtspersoon naar de verkrijgende rechtspersoon (artikel 14b, eerste lid, Wet Vpb 1969). De verdwijnende rechtspersoon houdt van rechtswege op te bestaan en wordt geacht zijn onderneming te hebben gestaakt. De verdwijnende rechtspersoon zal daarom moeten afrekenen op grond van artikel 15d Wet Vpb 1969. Omdat er fiscaalrechtelijk sprake is van een overdracht, zal in dit besluit en in de voorwaarden zo veel mogelijk de term overdracht en niet de term overgang worden gebruikt.
In artikel 14b, tweede lid, Wet Vpb 1969 is bepaald dat de verdwijnende rechtspersoon de als gevolg van het eerste lid behaalde winst niet in aanmerking behoeft te nemen, als aan de volgende drie vereisten wordt voldaan:
Als aan deze cumulatieve vereisten wordt voldaan en door het tweede lid de winst buiten aanmerking wordt gelaten, treedt de verkrijgende rechtspersoon met betrekking tot al hetgeen in het kader van de juridische fusie is verkregen in de plaats van de verdwijnende rechtspersoon.
Als niet aan de vereisten van het tweede lid wordt voldaan, biedt het derde lid de mogelijkheid de winst buiten aanmerking te laten. Hiervoor moeten de fuserende rechtspersonen vóór de civielrechtelijke juridische fusie een gezamenlijk verzoek doen bij de inspecteur. Als het verzoek wordt ingewilligd, worden hieraan voorwaarden verbonden. De inspecteur beslist op het verzoek bij een voor bezwaar vatbare beschikking. Ook in deze situatie treedt de verkrijgende rechtspersoon bij inwilliging van het verzoek voor al hetgeen in het kader van de juridische fusie is verkregen in de plaats van de verdwijnende rechtspersoon, voor zover nadere voorwaarden hierop geen inbreuk maken. De voorwaarden die door mij in het algemeen hierbij worden gesteld, worden toegelicht in paragraaf 6.
De faciliteit van het tweede of derde lid geldt niet voor elke overgang onder algemene titel in het kader van een juridische fusie. Zo geldt een vestigingsplaatsvereiste krachtens artikel 14b, achtste lid, Wet Vpb 19691Onder omstandigheden is dit vestigingsplaatsvereiste niet geldend bij toepasselijkheid van een belastingverdrag met een zogenoemde non-discriminatie bepaling. Zie kennisgroepstandpunt KG:040:2023:7.. Dit vereiste houdt in dat voor toepassing van de faciliteit de verdwijnende en de verkrijgende rechtspersonen moeten zijn gevestigd in:
De fictieve vestigingsplaats van artikel 2, vijfde lid, Wet Vpb 1969 geldt daarbij niet.
Voor de volledigheid merk ik hier nog op dat ook bij een fusie met een buiten Nederland gevestigde verkrijgende rechtspersoon voldaan kan zijn aan de vereisten van het tweede lid. Wel zal zich bij een buiten Nederland gevestigde verkrijger regelmatig de situatie voordoen dat het door de fusie overgegane vermogen bij de buitenlandse verkrijger geheel of gedeeltelijk niet is onderworpen aan de Nederlandse vennootschapsbelasting. Heffing is dan niet verzekerd en een faciliteit is dan alleen mogelijk met toepassing van 14b, derde lid, Wet Vpb 1969.
De faciliteit van het tweede of derde lid van artikel 14b Wet Vpb 1969 wordt niet verleend als de juridische fusie in overwegende mate is gericht op het ontgaan of uitstel van belastingheffing. Zie in dit verband paragraaf 3.3.
3. Nadere omschrijving wettelijke begrippen
In deze paragraaf wordt het beleidsmatige kader geschetst van enkele in artikel 14b Wet Vpb 1969 gehanteerde begrippen.
3.1. Overgang onder algemene titel in het kader van een fusie
Artikel 14b Wet Vpb 1969 geldt zowel voor juridische fusies naar Nederlands recht als voor juridische fusies naar buitenlands recht. Wel is de juridische fusie naar Nederlands recht leidend in die zin, dat de inhoud die naar Nederlands recht toekomt aan het begrip overgang onder algemene titel, en het begrip juridische fusie, beslissend is voor de vraag of een buitenlandse rechtshandeling kwalificeert als overgang onder algemene titel in het kader van een juridische fusie als bedoeld in artikel 14b Wet Vpb 1969.
De juridische fusie naar Nederlands recht is ‘de rechtshandeling van twee of meer rechtspersonen waarbij een van deze het vermogen van de andere onder algemene titel verkrijgt of waarbij een nieuwe rechtspersoon die bij deze rechtshandeling door hen samen wordt opgericht, hun vermogen onder algemene titel verkrijgt’ (artikel 2:309 BW).
Civielrechtelijk is bij een juridische fusie dus sprake van een rechtshandeling waarbij de vermogensbestanddelen tussen de fuserende rechtspersonen onder algemene titel overgaan. Als tegenprestatie voor de in het kader van de juridische fusie verkregen vermogensbestanddelen zal in het algemeen de verkrijgende rechtspersoon aandelen toekennen aan de aandeelhouders van de rechtspersoon waarvan het vermogen onder algemene titel overgaat. Bij een juridische fusie verdwijnt deze laatste rechtspersoon (verdwijnende rechtspersoon). Een bijzondere vorm van juridische fusie is de zogenoemde driehoeksfusie. Bij deze fusievorm (die slechts mogelijk is bij een juridische fusie tussen naamloze vennootschappen of besloten vennootschappen) worden de aandeelhouders van een verdwijnende rechtspersoon geen aandeelhouder van de verkrijgende rechtspersoon, maar van een groepsmaatschappij van de verkrijgende rechtspersoon (artikel 2:333a BW).
3.2. Winst
Om in aanmerking te komen voor de fiscale faciliteit is niet vereist dat met of bij de juridische fusie positieve winst wordt behaald. Ook in de situatie dat de winst nihil of negatief is, kan om toepassing van de faciliteit worden verzocht. Als bij de juridische fusie een negatieve winst wordt behaald, kan het zo zijn dat heffing niet is verzekerd. Voorwaarde 10 bevat een regeling die dit voorkomt. Zie voor een toelichting op deze voorwaarde paragraaf 6.
3.3. Ontgaan of uitstellen van belastingheffing
De faciliteit van artikel 14b Wet Vpb 1969 wordt niet verleend, als de fusie in overwegende mate is gericht op het ontgaan of uitstellen van belastingheffing. Krachtens artikel 14b, vijfde lid, tweede volzin wordt dit geacht het geval te zijn als de inspecteur aannemelijk maakt dat de fusie niet plaatsvindt op grond van zakelijke overwegingen zoals herstructurering of rationalisering van de actieve werkzaamheden van de fuserende partijen. Dit wettelijk vermoeden van ontgaan of uitstel bij afwezigheid van zakelijke overwegingen, kan door belanghebbende worden weerlegd, door aannemelijk te maken dat ondanks het ontbreken van zakelijke overwegingen de juridische fusie niet in overwegende mate is gericht op het ontgaan of uitstellen van belastingheffing.
Bij de beoordeling of sprake is van de herstructurering van de actieve werkzaamheden, moet de situatie die vóór de fusie aanwezig was worden vergeleken met de situatie die door de fusie ontstaat. De overdracht van een onderneming naar een nieuw opgerichte verkrijgende rechtspersoon kan in dit verband worden aangemerkt als een reorganisatie van de actieve werkzaamheden van de fuserende partijen.2Kamerstukken II 1999/00, 26 727, nr. 17, blz. 71.
Ter verduidelijking: de beslissing van de inspecteur op het verzoek van artikel 14b, derde lid, Wet Vpb 1969 geeft geen uitsluitsel over de toets van artikel 14b, vijfde lid, Wet Vpb 1969.3Dit beleidsonderdeel is tot stand gekomen naar aanleiding van het kennisgroepstandpunt KG:032:2023:4, dat eerder is gepubliceerd op de website kennisgroepen.belastingdienst.nl. De overdrager die zekerheid wenst omtrent de vraag of de juridische fusie niet wordt geacht in overwegende mate te zijn gericht op het ontgaan of uitstellen van belastingheffing, kan voor de juridische fusie een verzoek indienen bij de inspecteur, die daarop beslist bij voor bezwaar vatbare beschikking grond van artikel 14b, zevende lid, Wet Vpb 1969.
3.4. Verkrijgende rechtspersoon is gevoegde dochtermaatschappij
Als een fuserende rechtspersoon over bepaalde fiscale aanspraken beschikt, bijvoorbeeld verliesverrekeningsaanspraken, is de faciliteit alleen mogelijk via het derde lid van artikel 14b Wet Vpb 1969. Bepleit is wel dat deze regel geen toepassing vindt bij een verkrijgende rechtspersoon die als dochtermaatschappij is opgenomen in een fiscale eenheid als bedoeld in artikel 15 Wet Vpb 1969. De fiscale aanspraken van de fiscale eenheid zouden volgens die benadering niet gelden als aanspraken van de verkrijgende rechtspersoon in de zin van artikel 14b, tweede lid, Wet Vpb 1969. Wat er zij van de juistheid van deze zienswijze, ik ben van mening dat in de bedoelde situatie zonder nadere voorwaarden de heffing niet is verzekerd, zodat alleen al daarom de faciliteit hier slechts mogelijk is via toepassing van het derde lid van artikel 14b Wet Vpb 1969.
4. Terugwerkende kracht fusie
4.1. Algemeen
Het fusietijdstip is het tijdstip met ingang waarvan de overgedragen vermogensbestanddelen worden geacht rechtstreeks voor rekening en risico van de verkrijgende rechtspersoon te komen. Dit tijdstip wordt in beginsel bepaald door wat de fuserende rechtspersonen daaromtrent zijn overeengekomen, voor zover passend binnen wet en jurisprudentie. In het algemeen zal in deze gevallen als vroegste tijdstip gelden het tijdstip waarop het in artikel 2:317 BW bedoelde fusiebesluit wordt genomen.
Met het oog op hetgeen is opgemerkt tijdens de parlementaire behandeling voorafgaande aan de invoering van artikel 14b Wet Vpb 1969, kan voor het fusietijdstip in beginsel ook worden aangesloten bij de civielrechtelijke regeling. Dit geldt niet alleen voor juridische fusies naar Nederlands recht, maar ook voor juridische fusies naar buitenlands recht. In dit verband keur ik het volgende goed.
Ik keur goed dat het fusietijdstip kan worden gesteld op de aanvang van het boekjaar van de verdwijnende rechtspersoon, onder de volgende voorwaarden en beperking:
Van een incidenteel fiscaal voordeel is bijvoorbeeld sprake als door de terugwerkende kracht wordt bewerkstelligd dat het resultaat van de verdwijnende rechtspersoon kan worden afgezet tegen resultaten van vennootschappen die niet bij de juridische fusie betrokken zijn, omdat de verkrijger al deel uitmaakt van een fiscale eenheid.
Deze goedkeuring is slechts van toepassing voor zover de winst niet in aanmerking wordt genomen als gevolg van het tweede of derde lid van artikel 14b Wet Vpb 1969 of met toepassing van de goedkeuring van paragraaf 8 voor te laat ingediende verzoeken.
Deze goedkeuring is verder niet van toepassing bij de samenloop met de Regeling functionele valuta (Rfv), zoals deze wordt geregeld door voorwaarde 12 of 13. Dit omdat de Rfv terugwerkende kracht uitsluit. Bij samenloop met de Rfv wordt daarom het fusietijdstip gesteld op de aanvang van de dag waarop de juridische fusie van kracht wordt volgens het recht dat de fusie beheerst.
4.2. Geen terugwerking voor zover geen fiscale faciliteit
De terugwerkende kracht is onderdeel van de fiscale faciliteit en beoogt dan ook bij te dragen aan het fiscaal geruisloze karakter van de fusie. Als geen fiscale faciliteit wordt geboden, of voor zover de fiscale faciliteit door de voorwaarden wordt beperkt, geldt de terugwerkende kracht niet. Bij de berekening van de hoogte van de niet vrijgestelde winst die als gevolg van de juridische fusie wordt behaald, geldt dan als fusietijdstip het tijdstip met ingang waarvan de overgedragen vermogensbestanddelen op grond van de feiten en omstandigheden geacht worden rechtstreeks voor rekening en risico van de verkrijgende rechtspersoon te komen.
Als een verleende terugwerking slechts beperkt geldt, omdat krachtens de voorwaarden bepaalde winst toch in aanmerking moet worden genomen, mag deze zonder terugwerking te berekenen winst worden opgenomen in de winst van de verdwijnende rechtspersoon over het laatste jaar voorafgaand aan het fusietijdstip. De aangifte over het (korte) jaar waarin de verdwijnende rechtspersoon ophoudt te bestaan, naar aanleiding van een uitgereikt aangiftebiljet, kan door deze aanvullende goedkeuring beperkt blijven tot een zogenoemde nihilaangifte, net als in de situatie waarin de fusie fiscaal volledig geruisloos plaatsvindt.
5. Goedkeuring voor bepaalde achterblijvende aanspraken
5.1. Voortwentelingsaanspraken
De wettelijke indeplaatstreding door de verkrijgende rechtspersoon geldt alleen voor de vermogensbestanddelen die worden verkregen in het kader van de fusie (artikel 14b, tweede en derde lid, Wet Vpb 1969). Fiscale aanspraken die onvoldoende verbonden zijn met een bepaald vermogensbestanddeel blijven achter bij de verdwijnende rechtspersoon en gaan verloren met de verdwijning als alleen de door de wet voorziene faciliteit wordt geboden. Voor de hierna genoemde aanspraken acht ik dit niet in overeenstemming met de door de wetgever met de fiscale faciliteit beoogde zogenoemde fiscale geruisloosheid en keur daarom aanvullend het volgende goed.
Ik keur goed dat de verkrijgende rechtspersoon ook voor deze zogenoemde onvoldoende objectgebonden aanspraken in de plaats treedt van de verdwijnende rechtspersoon. Deze goedkeuring betreft de volgende bij de verdwijnende rechtspersoon onmiddellijk voorafgaand aan het fusietijdstip (eventueel) aanwezige aanspraken:
Deze goedkeuring geldt slechts als de juridische fusie plaatsvindt met toepassing van artikel 14b, derde lid, Wet Vpb 1969, of met toepassing van de goedkeuring van paragraaf 8 voor te laat ingediende verzoeken.
Deze goedkeuring geldt niet als zich effecten voordoen die vergelijkbaar zijn met handel in verliezen.5Kamerstukken II 1997/98, 25 709, nr. 5, p. 10. Als in concrete gevallen een dergelijk effect dreigt, zal de aanspraak niet kunnen overgaan, of zullen aanvullende voorwaarden worden gesteld. In een dergelijk situatie bericht de inspecteur de Belastingdienst/Corporate Dienst Vaktechniek, Team Brieven en Beleidsbesluiten, Postbus 20201, 2500 EE Den Haag, waar een op het individuele geval afgestemde beslissing zal worden voorbereid.
Voor de volledigheid merk ik op dat bij toepassing van het derde lid van artikel 14b Wet Vpb 1969 voorwaarden worden gesteld die kort gezegd regelen dat de verkrijgende rechtspersoon de krachtens deze goedkeuring overgegane aanspraken alleen in aanmerking kan nemen binnen de sfeer van de onderneming die van de verdwijnende rechtspersoon is overgenomen. Gelijke voorwaarden worden ook gesteld bij de toepassing van de goedkeuring van paragraaf 8 voor te laat ingediende verzoeken.
5.2. Achterwaartse verliesverrekening van de verkrijgende rechtspersoon met voorfusiewinst van de verdwijnende rechtspersoon
5.2.1. Algemeen
Bij een juridische fusie gaat zonder goedkeurende regeling ook de mogelijkheid van achterwaartse verliesverrekening met winst van de verdwijnende rechtspersoon verloren. Tegemoetkoming is hier niet mogelijk op basis van de vorige paragraaf. Een terug te wentelen verlies (van de verkrijgende rechtspersoon) kan immers pas ontstaan na de fusie. Bovendien bestaat de mogelijkheid van voorwaartse verrekening van het verlies; de verkrijgende rechtspersoon zou hieraan de voorkeur kunnen geven. Daarom geldt de volgende afzonderlijke verzoekregeling voor achterwaartse verrekening van verliezen van de verkrijgende rechtspersoon met voorfusiewinsten van de verdwijnende rechtspersoon.
Ik ben bereid op verzoek onder voorwaarden goed te keuren dat een na het fusietijdstip geleden verlies van de verkrijgende rechtspersoon kan worden verrekend met winsten van de verdwijnende rechtspersoon.
De voorwaarden voor de goedkeuring zijn de volgende.
5.2.2. Indiening verzoeken
Het verzoek moet worden ingediend bij de inspecteur die belast is met de aanslagregeling vennootschapsbelasting van de verkrijgende rechtspersoon.
5.2.3. Toestemming aan de inspecteur
Ik verleen de inspecteur toestemming om namens mij te beslissen op een dergelijk verzoek.
6. Toelichting op de voorwaarden
Zoals vermeld in paragraaf 2 is vrijstelling in bepaalde gevallen alleen mogelijk onder door mij te stellen voorwaarden. Bijlage 1 bij dit besluit bevat de voorwaarden die door mij in het algemeen hierbij worden gesteld.
Hierna wordt een toelichting gegeven op deze voorwaarden.
Als in de voorwaarden en de toelichting wordt verwezen naar artikel 13c Wet Vpb 1969 wordt daarmee bedoeld de in artikel 33b, vijfde lid, Wet Vpb 1969 opgenomen overgangsregeling op grond waarvan de wettekst zoals deze luidde per 31 december 2011 van toepassing blijft op – kort gezegd – dan bestaande 13c situaties.
Als vermogen door de fusie verdwijnt of het bereik van de vennootschapsbelasting verlaat, kan de vennootschapsbelasting niet worden doorgeschoven en is heffing niet verzekerd. De fiscale faciliteit is dan alleen mogelijk door middel van artikel 14b, derde lid, Wet Vpb 1969. Hierbij verzekert voorwaarde 1 de heffing door te verplichten tot belaste herwaardering van het vermogen waarop de belastingclaim met de fusie vervalt. In de voorwaarde worden ook nog enkele bijzondere situaties geregeld. Hierna volgt een toelichting op de werking van deze voorwaarde.
Onderlinge schuldverhoudingen verdwijnen door de eenwording die fusie is (schuldvermenging). Als bij de crediteur de vordering is afgewaardeerd ten laste van de winst, verdwijnt met de schuldverhouding ook de mogelijkheid van belaste winstneming bij herstel van de debiteur. Voorwaarde 1, tweede lid, voorkomt dit claimverlies, door te bepalen dat – kort gezegd – de debiteur belast winst moet nemen tot het bedrag dat bij de crediteur is afgewaardeerd. Winstneming wordt bij de debiteur voorgeschreven (in plaats van bij de crediteur) omdat de kennelijk insolvabele debiteur in de regel zal beschikken over onverrekende verliezen waarmee de winstneming (indirect) kan worden verrekend. Krachtens de tweede volzin van het tweede lid blijft de verplichte afwaardering van de schuld achterwege bij samenloop met de artikelen 13b en 13ba Wet Vpb 1969. Ook deze artikelen richten zich tegen – kort gezegd – claimverlies bij afgewaardeerde vorderingen. Een vergelijkbare voorrangsregeling geldt bij de met juridische fusie fiscaal vergelijkbare voeging in een fiscale eenheid (artikel 15ab, zevende lid, Wet Vpb 1969).
Voor de volledigheid wijs ik erop dat de waarde in het economische verkeer van een vordering ook hoger kan zijn dan de nominale waarde, bijvoorbeeld door een rente die hoger is dan de marktrente. Verdwijnt een dergelijke vordering door de fusie dan moet deze overwaarde in de winst worden opgenomen, krachtens het eerste lid van voorwaarde 1. Aansluitend bij deze (hogere) waardering door de crediteur stelt de debiteur zijn schuld op de gelijke waarde, krachtens het tweede lid van voorwaarde 1. Ook over een hogere waarde van een verdwijnende vordering wordt door voorwaarde 1 dus afgerekend, zowel bij de crediteur als bij de debiteur.
Voor de toepassing van voorwaarde 1 op een zogenoemde onzakelijke lening die door de fusie verdwijnt, geldt het volgende. Als de afwaardering van een schuldvordering het gevolg is van een onzakelijk debiteurenrisico, keur ik voor zover nodig goed dat het voordeel van de krachtens voorwaarde 1, tweede lid, verplichte afwaardering van de schuld bij de schuldenaar niet als voordeel uit bedrijfsuitoefening in aanmerking wordt genomen, indien en voor zover de onzakelijke lening bij de schuldeiser niet ten laste van de winst is afgewaardeerd.
Ook onderlinge kapitaalsverhoudingen, zoals aandelen of lidmaatschapsverhoudingen en dergelijke verdwijnen door de fusie. Heeft bijvoorbeeld de verkrijgende rechtspersoon aandelen in de verdwijnende rechtspersoon, dan vervallen deze krachtens artikel 2:325, vierde lid, BW.
Bij onderlinge kapitaalsverhoudingen leidt voorwaarde 1 alleen tot belaste winstneming als het voordeel niet is vrijgesteld door de deelnemingsvrijstelling van artikel 13 Wet Vpb 1969. Bijvoorbeeld als het belang te klein is. De deelnemingsvrijstelling vereist namelijk onder andere een minimumbelang van 5%. Bij grotere belangen kan een bijzondere uitsluiting van de deelnemingsvrijstelling van toepassing zijn. Bijvoorbeeld door de werking van artikel 13c Wet Vpb 1969. Hieronder volgt een korte toelichting op de mogelijke samenloop van dit artikel en voorwaarde 1.
Artikel 13c Wet Vpb 1969 ziet op de situatie waarin eerst verliezen uit een buitenlandse onderneming in Nederland in aftrek zijn gebracht en daarna deze buitenlandse onderneming is omgezet in een deelneming. Krachtens artikel 13c Wet Vpb 1969 is de deelnemingsvrijstelling dan niet van toepassing tot de eerdere verliezen zijn ingelopen. Onder omstandigheden moet het nog niet ingelopen verlies ineens worden teruggenomen. Het derde lid van voorwaarde 1 bepaalt dat het verdwijnen van een 13c deelneming door juridische fusie ook geldt als een omstandigheid waarbij een nog niet ingelopen verlies belast moet worden teruggenomen. Dit vanwege de vergelijkbaarheid met de in artikel 13c Wet Vpb 1969 genoemde omstandigheden.
Claimverlies doet zich ook voor als het vermogen niet juridisch verdwijnt, maar bij de verkrijgende rechtspersoon niet is onderworpen aan Nederlandse vennootschapsbelasting. Ook in die situatie eist daarom voorwaarde 1 dat over dat deel van het vermogen wordt afgerekend. Hieronder enkele voorbeelden van de bedoelde situatie.
Een scheepvaartonderneming wordt door een binnenlands belastingplichtige overgedragen aan een buitenlands lichaam, dat door de overdracht in Nederland een vaste inrichting verkrijgt. Een aantal schepen maakt geen deel uit van die vaste inrichting, maar wordt overgebracht naar het buitenlandse hoofdkantoor. Omdat de buitenlandse verkrijgende rechtspersoon in Nederland alleen belastingplichtig wordt voor – kort gezegd – het vermogen van de vaste inrichting, gaat voor deze schepen het Nederlandse heffingsrecht verloren en geldt krachtens voorwaarde 1 de faciliteit niet voor de overdrachtswinst op de naar het hoofdkantoor overgebrachte schepen.
Een onderneming wordt overgedragen aan een buitenlands lichaam en tot de overgedragen onderneming behoort een buitenlandse vaste inrichting. Hier verliest Nederland het heffingsrecht over de buitenlandse vaste inrichting en geldt daarom de faciliteit niet voor de overdrachtswinst op de vaste inrichting. Bijzonder aan deze variant is dat de door voorwaarde 1 voorgeschreven afrekening over de buitenlandse vaste inrichting vaak zal zijn vrijgesteld door de zogenoemde objectvrijstelling van artikel 15e Wet Vpb 1969.
Voor de volledigheid wijs ik er op dat samenloop van voorwaarde 1 ook mogelijk is met bijvoorbeeld artikel 25b van de Invorderingswet 1990, dat uitstel van betaling biedt als kort gezegd belasting is verschuldigd wegens het vervallen van belastingplicht.
Voorwaarde 2 regelt de samenloop van juridische fusie en artikel 13ba Wet Vpb 1969. Dit artikel ziet op de situatie waarin een vordering op een deelneming ten laste van de winst is afgewaardeerd. Als de met deze vordering corresponderende schuld wordt omgezet in aandelen in de schuldenaar, de met de schuldvordering corresponderende schuld gaat functioneren als eigen vermogen of als de schuldvordering geheel of gedeeltelijk wordt prijsgegeven, moet de eerdere afwaardering door de schuldeiser worden teruggenomen. Winstneming kan op verzoek worden voorkomen door het bedrag van de terug te nemen afwaardering aan een opwaarderingsreserve toe te voegen. Als de deelneming in de schuldenaar vervolgens in waarde stijgt, moet tot het bedrag van de waardestijging een belaste vrijval van de opwaarderingsreserve plaatsvinden (artikel 13ba, vijfde lid, Wet Vpb 1969). Voor de waardestijging wordt niet alleen gekeken naar de aandelen in de schuldenaar die in het bezit zijn van belanghebbende, maar ook naar het bezit van met hem verbonden lichamen. Een overdracht van aandelen in de deelneming leidt in het algemeen niet tot vrijval van de opwaarderingsreserve. Zolang de aandelen van de deelneming binnen het concern blijven, kan het vijfde lid jaarlijks worden toegepast.
De opwaarderingsreserve is geen voor overdracht (overgang) vatbaar vermogensbestanddeel. De opwaarderingsreserve is bovendien zodanig subjectgebonden, dat ook een eventuele indeplaatstreding door de verkrijgende rechtspersoon ten aanzien van de deelneming de opwaarderingsreserve niet doet overgaan naar de verkrijgende rechtspersoon. Zonder nadere regeling blijft de opwaarderingsreserve dan ook achter bij de verdwijnende rechtspersoon en is bij vrijstelling heffing niet verzekerd. Verzekering van heffing vindt plaats door voorwaarde 2, waarin is bepaald dat de verkrijgende rechtspersoon ook wat betreft de opwaarderingsreserve in de plaats treedt van de verdwijnende rechtspersoon.
Een bijzondere situatie doet zich voor als de deelneming niet in het bezit is van de verdwijnende rechtspersoon, maar van een met hem verbonden lichaam, dat niet is verbonden met de verkrijgende rechtspersoon. Door de fusie is dan verdere toepassing van artikel 13ba Wet Vpb 1969 bij de verkrijgende rechtspersoon onmogelijk (bij gebrek aan ‘een deelneming in de schuldenaar’). De opwaarderingsreserve moet dan onmiddellijk voorafgaande aan de juridische fusie en dus buiten de faciliteit aan de winst worden toegevoegd, voor zover er op dat moment een stille reserve in de deelneming aanwezig is; een eventueel resterend deel vervalt zonder toevoeging aan de winst (en wel op grond van artikel 13ba, vijfde lid, Wet Vpb 1969, jo. artikel 13ba, achtste lid, Wet Vpb 1969).
Voorwaarde 2a zorgt ervoor dat bij een gefacilieerde juridische fusie de toepassing van de innovatiebox ongewijzigd wordt voortgezet. Opname en redactie van de voorwaarde beoogt de fusieregeling te laten aansluiten bij de verwante regeling van de samenloop van innovatiebox en voeging in een fiscale eenheid in artikel 7a van het Besluit fiscale eenheid 2003.
Als verliesneming niet door goed koopmansgebruik wordt beheerst, kan zich oneigenlijk gebruik voordoen door verliesneming uit te stellen tot na het fusietijdstip. Bijvoorbeeld bij zogenoemde latente liquidatieverliezen. Kort gezegd zijn dit verliezen die bij liquidatie van een deelneming in aftrek komen (artikel 13d Wet Vpb 1969) en waarbij de onderneming van de deelneming al (bijna) is gestaakt.
Krachtens voorwaarde 3 komen dergelijke latente liquidatieverliezen na fusie slechts in aftrek tot maximaal het bedrag van de overige winst dat is toe rekenen aan de onderneming waarvan de deelneming direct voorafgaand aan de fusie deel uitmaakt.
Een eventueel restant komt met dezelfde beperking in aftrek van de winst van de verkrijgende rechtspersoon van de jaren aangewezen voor de wettelijke verliesverrekening van artikel 20 Wet Vpb 1969 en in de daar geldende volgorde. Bij deze aftrek wordt geen hoger bedrag in aanmerking genomen dan het positieve belastbare bedrag van de verkrijgende rechtspersoon van het desbetreffende jaar. Bij een vermindering van een aanslag over een voorafgaand jaar wordt geen belastingrente vergoed, nu het belastbaar feit uit een later jaar stamt.
Als bij afzonderlijke goedkeuring het winstverleden van de verdwijnende rechtspersoon is meegegeven (zie paragraaf 5.2.) kan de aftrek van het boven bedoelde restant ook worden toegepast op de voorfusiewinst van de verdwijnende rechtspersoon (onder de beschreven beperkingen).
Voorwaarde 4 regelt de voortwenteling over het fusietijdstip van saldi aan renten op de voet van artikel 15b Wet Vpb 1969. Bedoeld is deze zo veel mogelijk te laten plaatsvinden alsof de fusie niet heeft plaatsgevonden. De tekst van de voorwaarde sluit zoveel mogelijk aan bij de verwante wettelijke regeling van de samenloop tussen voortwenteling op de voet van artikel 15b Wet Vpb 1969 en het fiscale eenheidsregime, zoals die is opgenomen in artikel 15aha Wet Vpb 1969 en artikel 10a van het Besluit fiscale eenheid 2003.
Winst uit buitenlandse onderneming kan zijn vrijgesteld door de zogenoemde objectvrijstelling (van afdeling 2.10a, Wet Vpb 1969). Onderdeel van deze regeling is dat bij staking van de buitenlandse onderneming een eventueel negatief saldo onder omstandigheden toch in aftrek komt. Over de samenloop van deze stakingsregeling en juridische fusie is bij de totstandkoming van de objectvrijstelling voor zover hier van belang het volgende vermeld.
Voorwaarde 5 regelt deze winstsplitsing bij fusie in het zicht van staking en wel overeenkomstig de krachtens voorwaarde 3 geldende regeling voor de vergelijkbare situatie van latente liquidatieverliezen.
Deze voorwaarde regelt de wijze waarop op het fusietijdstip nog te verrekenen verliezen van de verkrijgende rechtspersoon en de verdwijnende rechtspersoon (hierna: voorfusieverliezen) worden verrekend met de na het fusietijdstip door de verkrijgende rechtspersoon behaalde winst (hierna: nafusiewinst).
De verrekening door de verkrijgende rechtspersoon van de voorfusieverliezen met nafusiewinst is aan voorwaarden gebonden. Het uitgangspunt hierbij is dat de verrekening van voorfusieverliezen uitsluitend mogelijk is met nafusiewinst van de verkrijgende rechtspersoon die is toe te rekenen aan de vermogensbestanddelen met de daarbij eventueel behorende activiteiten die de verliezen in het verleden hebben veroorzaakt. Dit wordt bewerkstelligd door winstsplitsing voor te schrijven. Het gaat bij deze winstsplitsing om het toerekenen van de nafusiewinst van de verkrijgende rechtspersoon aan de onderneming van de verkrijgende respectievelijk de verdwijnende rechtspersoon, zoals die vóór de juridische fusie werd gedreven. Het begrip onderneming is niet statisch. Nieuwe activiteiten moeten hierbij zoveel mogelijk in historisch perspectief te worden geplaatst. De inspecteurs dienen bij de winstsplitsing in de praktijk een zekere soepelheid te betrachten.
Bij elke voorwaartse verliesverrekening over het fusietijdstip heen moet door de verkrijgende rechtspersoon winstsplitsing worden toegepast. Dit geldt ook voor rechtsverhoudingen die door de juridische fusie teniet zijn gegaan. Met nadruk merk ik op dat zolang de verkrijgende rechtspersoon voorfusieverliezen over het fusietijdstip heen wil verrekenen, winstsplitsing in acht moet worden genomen.
Voorwaarde 6, vierde lid, slotzin, stelt buiten twijfel dat overigens aan de voorfusieverliezen verbonden beperkingen onverminderd doorwerken bij toepassing van voorwaarde 6. Bijvoorbeeld de verrekeningsbeperking die geldt als een verkrijgende rechtspersoon als moedermaatschappij is ontvoegd uit een fiscale eenheid (artikel 15ag Wet Vpb 1969). Ook kan hierbij worden gedacht aan de verrekeningsbeperking voor zogenoemde houdsterverliezen van kort gezegd jaren voor 2019 (artikel 34i Wet Vpb 1969). Als de verkrijgende vennootschap door de fusie niet langer een houdstervennootschap is in de zin van deze regeling voor houdsterverliezen, dan is een onder deze regeling vallend verlies geleden vóór de fusie (voorfusiehoudsterverlies) niet verrekenbaar met nafusiewinst. Krachtens de verrekeningsbeperking voor houdsterverliezen zijn verliezen van een kwalificerende houdstermaatschappij namelijk alleen verrekenbaar met winst van een kwalificerende houdstermaatschappij. Deze beperking wordt niet opgeheven als door de winstsplitsing van voorwaarde 6 zogenoemde houdsterwinst weer zichtbaar wordt. Niet alleen omdat de tekst van voorwaarde 6, vierde lid, slotzin, uitdrukkelijk regelt dat bestaande beperkingen in stand blijven, maar vooral ook omdat voorwaarde 6 pas aan de orde is als zonder toepassing van deze voorwaarde aanspraak bestaat op verrekening van een voorfusieverlies met nafusiewinst. Waar geen recht bestaat op een dergelijke verrekening is voorwaarde 6 niet van toepassing.
In het zesde en zevende lid van de voorwaarde wordt geregeld op welke wijze bij de verrekening van de voorfusieverliezen rekening moet worden gehouden met de beperking van de verliesverrekening opgenomen in artikel 20, tweede lid, tweede volzin, Wet Vpb 1969. De tekst van deze leden sluit zoveel mogelijk aan bij de verwante regeling in het fiscale eenheidsregime, zoals die is opgenomen in artikel 12, tweede en derde lid, van het Besluit fiscale eenheid 2003. Ter toelichting is een voorbeeld opgenomen in bijlage 1A.
Voorwaarde 7 regelt de overbrenging over het fusietijdstip van deelnemingsverrekening. Kort samengevat gaat het hier om het volgende. Voor zogenoemde (niet kwalificerende) beleggingsdeelnemingen bestaat geen recht op deelnemingsvrijstelling, maar op verrekening van de op de voordelen uit die deelneming drukkende winstbelasting (artikel 13, negende lid, en artikel 23c Wet Vpb 1969). Onder bepaalde omstandigheden is deze verrekening echter beperkt en wordt het niet verrekende bedrag – mits bij beschikking vastgesteld – overgebracht naar het volgende jaar en in dat jaar in aanmerking genomen als te verrekenen winstbelasting.
De samenloop van een dergelijke overbrenging en juridische fusie wordt door voorwaarde 7 geregeld op een wijze die vergelijkbaar is met de regeling van voorwaarde 6 voor de samenloop van verliesverrekening en juridische fusie. Ook voor de deelnemingsverrekening geldt dus dat deze alleen in aanmerking mag worden genomen binnen de sfeer van de onderneming waarin dit recht is opgekomen.
Een gelijke regeling als voor deelnemingsverrekening geldt ook voor de verrekening bij buitenlandse ondernemingswinsten van artikel 23d Wet Vpb 1969. Ook voor een dergelijk verrekeningsrecht geldt dus dat deze alleen in aanmerking mag worden genomen binnen de sfeer van de onderneming waarin dit recht is opgekomen.
Voorwaarde 8a regelt de voortwenteling over het fusietijdstip van voorheffingen op de voet van artikel 25a, vierde lid, Wet Vpb 1969. Bedoeld is deze zo veel mogelijk te laten plaatsvinden alsof de fusie niet heeft plaatsgevonden. De tekst van de voorwaarde sluit zoveel mogelijk aan bij de verwante regeling voor de samenloop tussen voortwenteling op de voet van 25a, vierde lid, Wet Vpb 1969 en het fiscale eenheidsregime, zoals die is opgenomen in artikel 15ak Wet Vpb 1969 en artikel 12a van het Besluit fiscale eenheid 2003. Ter toelichting is een voorbeeld opgenomen in bijlage 1B.
Voorwaarde 9 regelt de overbrenging over het fusietijdstip van niet verrekende buitenlandse bronbelasting (artikel 37 Bvdb 2001). Ook hier geldt dat verrekening over het fusietijdstip plaatsvindt met inachtneming van winstsplitsing. Dit geldt zowel voor de eigen bronbelasting van de verkrijgende rechtspersoon, als voor de bronbelasting van de verdwijnende rechtspersoon die door de verkrijgende rechtspersoon is overgenomen door de aan de faciliteit verbonden indeplaatstreding.
Voor de volledigheid merk ik op dat een voorgaande versie van de voorwaarden ook een regeling bevatte voor de zogenoemde stalling en inhaal van buitenlandse winst. Aansluitend bij het fiscale eenheidsregime is deze regeling vervallen in verband met de invoering van de objectvrijstelling. Wel geldt onverminderd dat de bedoelde stalling en inhaal van de buitenlandse winst van de verdwijnende rechtspersoon door de indeplaatstreding wordt voortgezet door de verkrijgende rechtspersoon (maar nu zonder winstsplitsing).
De winst behaald met of bij de juridische fusie kan ook buiten aanmerking blijven als het saldo van de stille en fiscale reserves negatief is, dus als met of bij de juridische fusie een verlies wordt behaald. Door de faciliteit van artikel 14b Wet Vpb 1969 en de daaraan verbonden doorschuif van boekwaarden wordt dit verlies van de verdwijnende rechtspersoon dan doorgeschoven naar de verkrijgende rechtspersoon. Zonder nadere voorwaarde kan dit buiten aanmerking gebleven verlies dat toerekenbaar is aan de onderneming van de verdwijnende rechtspersoon worden verrekend met winsten die toerekenbaar zijn aan de onderneming van de verkrijgende rechtspersoon, zodat resultaten worden gesaldeerd die feitelijk niet bij elkaar horen. Om dit te kunnen voorkomen bepaalt artikel 14b, vierde lid, slotzin, Wet Vpb 1969 dat er ook voorwaarden gesteld kunnen worden als de waarde in het economische verkeer van de overgegane vermogensbestanddelen op het tijdstip van de overgang lager is dan de boekwaarde van deze vermogensbestanddelen.
Voorwaarde 10 ziet op deze situatie en voorkomt de ongewenste saldering van resultaten van verschillende ondernemingen door winstsplitsing voor te schrijven op vergelijkbare wijze als de winstsplitsing van voorwaarde 3 met betrekking tot doorgeschoven zogenoemde latente liquidatieverliezen en van voorwaarde 6 met betrekking tot verrekening van voorfusieverliezen van de verkrijgende rechtspersoon. Twee voorwaarden die ook door winstsplitsing beogen te voorkomen dat door de fiscale doorschuif resultaten worden gesaldeerd die feitelijk niet bij elkaar horen.
Het volgende eenvoudige voorbeeld illustreert de werking van voorwaarde 10.
BV X heeft een onderneming met een ongunstig gelegen kantoorpand. Er vindt een juridische fusie plaats met een naburige concurrent BV Y als verkrijgende rechtspersoon. De enige substantiële stille reserve in de onderneming van BV X zit in het kantoorpand en bedraagt ten tijde van de juridische fusie negatief € 300.000. Na de juridische fusie wordt alleen nog het kantoorpand van BV Y gebruikt en wordt het kantoor van BV X verkocht met een verlies van € 300.000. Dit door BV Y geleden boekverlies van € 300.000 komt bij BV Y in het jaar waarin dit verlies wordt geleden alleen in aanmerking tot het bedrag van de (overige) winst van BV Y dat is toe te rekenen aan de in het kader van de juridische fusie van BV X verkregen onderneming. Het deel van het boekverlies dat eventueel door voorwaarde 10 niet in aftrek komt in het jaar waarin door BV Y het verlies is geleden, wordt verrekend met de winst van BV Y van andere jaren, overeenkomstig de verrekening van verliezen van artikel 20 Wet Vpb 1969 en voor zover in het desbetreffende jaar de winst van BV Y toerekenbaar is aan de van BV X overgenomen onderneming.
Deze voorwaarde ziet op de situatie dat de verkrijgende rechtspersoon de verlengstukwinstregeling als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel f, Wet Vpb 1969 toepast en de verdwijnende rechtspersoon niet. De voorwaarde regelt dat de aftrek van verlengstukwinst als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel f, Wet Vpb 1969 geen toepassing vindt op de reeds bestaande stille reserves van de verdwijnende rechtspersoon waar nog niet over is afgerekend op het moment van fusie. De voorwaarde voorkomt dus dat de bij de verdwijnende rechtspersoon ontstane fiscale claim op deze reserves bij de verkrijgende rechtspersoon verloren gaat.
Deze voorwaarden geven een regeling voor de situatie dat de verkrijgende rechtspersoon gebruik maakt van de Regeling functionele valuta (Rfv) en de verdwijnende rechtspersoon niet, of andersom. Deze samenloop met de Rfv is vergelijkbaar met de situatie dat een belastingplichtige start met toepassing van Rfv of deze beëindigt. De voorwaarden 12 en 13 geven daarom een regeling die overeenkomstig is met de Rfv-regeling voor start of beëindiging van toepassing van de Rfv.
7. Formele aspecten van de indiening en afhandeling van verzoeken om een fiscaal geruisloze juridische fusie
7.1. Indiening verzoeken
De verdwijnende rechtspersoon en de verkrijgende rechtspersoon moeten hun verzoek om toepassing van artikel 14b, derde lid, Wet Vpb 1969 vóór de juridische fusie schriftelijk indienen bij de inspecteur die belast is met de aanslagregeling voor de vennootschapsbelasting van de verdwijnende rechtspersoon.
Belanghebbenden overleggen bij de indiening van hun verzoek de volgende stukken:
Als het verzoek betrekking heeft op een juridische fusie naar buitenlands recht is het bovenstaande van overeenkomstige toepassing.
Als belanghebbenden ten tijde van de indiening van het verzoek nog niet over de stukken beschikken, sturen zij deze stukken in overleg met de inspecteur zo spoedig mogelijk na.
7.2. Omvang algemene toestemming aan de inspecteur
Ik verleen de inspecteurs een algemene toestemming om namens mij te beslissen op alle verzoeken om toepassing van artikel 14b, derde lid, Wet Vpb 1969, met uitzondering van de navolgende situaties.
7.3. Afdoening verzoeken die onder de algemene toestemming vallen; te stellen voorwaarden
In de gevallen waarin de inspecteur op grond van de algemene toestemming het verzoek om toepassing van artikel 14b, derde lid, Wet Vpb 1969 zelf kan afdoen, neemt hij zijn beslissing door middel van een voor bezwaar vatbare beschikking, waarbij hij het volgende in acht neemt.
7.3.1. Het verzoek wordt ingewilligd
Als het verzoek wordt ingewilligd, doet de inspecteur dit onder het stellen van voorwaarden zoals opgenomen in bijlage 1 van dit besluit. In de situatie omschreven in de paragraaf 7.3.1.1. neemt de inspecteur aanvullend de daar vermelde voorwaarden op.
7.3.1.1. Fuserende rechtspersonen zijn beleggingsinstellingen
Als op zowel de verkrijgende rechtspersoon als op de verdwijnende rechtspersoon het Besluit beleggingsinstellingen van toepassing is, neemt de inspecteur aanvullend de volgende voorwaarden op:
De verplicht uit te delen winst als bedoeld in artikel 28, tweede lid, onderdeel b, Wet Vpb 1969 van de verdwijnende rechtspersoon over het jaar dat eindigt op de dag voorafgaande aan het fusietijdstip wordt, voor zover die winst voor het fusietijdstip niet al is uitgedeeld, binnen 8 maanden na het fusietijdstip aan de aandeelhouders ter beschikking gesteld.
Deze beschikking vervalt als de verkrijgende rechtspersoon op en direct na het fusietijdstip geen beleggingsinstelling is in de zin van het Besluit beleggingsinstellingen.
7.3.2. Het verzoek wordt ingewilligd onder het stellen van een afwijkend fusietijdstip
Als de gevraagde terugwerkende kracht op grond van het gestelde in paragraaf 4 niet aanvaardbaar is, maar wel aan alle overige vereisten voor de toepassing van artikel 14b Wet Vpb 1969 is voldaan, handelt de inspecteur als volgt. Hij willigt het verzoek in onder het stellen van de voorwaarden zoals opgenomen in bijlage 1 van dit besluit en stelt daarbij het fusietijdstip op de datum met ingang waarvan de overgedragen vermogensbestanddelen voor rekening en risico komen van de verkrijgende rechtspersoon. Voordat hij de beschikking afgeeft, stelt hij belanghebbenden in de gelegenheid te worden gehoord.
7.4. Verzoeken die niet onder de algemene toestemming vallen
Valt het verzoek niet onder de in paragraaf 7.2. van dit besluit aan de inspecteur verleende toestemming tot het afdoen van verzoeken, dan zendt de inspecteur het verzoek met zijn ambtsbericht (ingericht overeenkomstig bijlage 2), zo spoedig mogelijk door naar Belastingdienst/Corporate Dienst Vaktechniek, Team Brieven en Beleidsbesluiten, Postbus 20201, 2500 EE Den Haag. Daar wordt het verzoek beoordeeld. Vervolgens wordt de inspecteur toegestaan op het verzoek te beslissen overeenkomstig deze beoordeling. De inspecteur handelt verder overeenkomstig hetgeen hierna is vermeld.
8. Te laat ingediende verzoeken
8.1. Algemeen
Als het verzoek om toepassing van artikel 14b, derde lid, Wet Vpb 1969 na de fusie is ingediend, kan de fiscale faciliteit niet meer op grond van deze bepaling worden verleend: er wordt immers niet voldaan aan het in artikel 14b, derde lid, Wet Vpb 1969 opgenomen vereiste dat het verzoek vóór de fusie moet zijn ingediend.
8.2. Goedkeuring en voorwaarden
Voor de gevallen waarbij het verzoek om toepassing van artikel 14b, derde lid, Wet Vpb 1969 te laat is ingediend, verleen ik de inspecteur alsnog toestemming de winst behaald met of bij de juridische fusie geheel of ten dele buiten aanmerking te laten, mits voldaan is aan de volgende cumulatieve voorwaarden:
Door het vereiste onder b. kan op een gemaakte keuze voor belaste overdracht niet meer teruggekomen worden nadat de aanslag onherroepelijk vaststaat. Dit houdt in dat als uitgegaan is van een onbelaste overdracht, nog wel een verzoek kan worden ingediend nadat de aanslag onherroepelijk vaststaat.
Aan de goedkeuring worden voorwaarden verbonden die gelijk zijn aan de voorwaarden die worden gesteld bij de toepassing van artikel 14b, derde lid, Wet Vpb 1969. Ook wordt in de goedkeuring de voorwaarde opgenomen dat de verkrijgende rechtspersoon in de plaats treedt van de verdwijnende rechtspersoon en is een aanvaardingsvoorwaarde opgenomen. Voor de volledigheid merk ik op dat de goedkeuring niet vatbaar is voor bezwaar en beroep.
Onderdeel van dit goedkeurend beleid voor te laat ingediende verzoeken is ook de goedkeuring met betrekking tot het fusietijdstip en terugwerkende kracht van paragraaf 4.
8.3. Indiening verzoeken
Om in aanmerking te komen voor de goedkeuring moet de verkrijgende rechtspersoon, voor zichzelf en als rechtsopvolger van de verdwijnende rechtspersoon, een verzoek doen. Het verzoek moet worden ingediend bij de inspecteur die belast is met de aanslagregeling vennootschapsbelasting van de verkrijgende rechtspersoon.
8.4. Toestemming aan de inspecteur
Als wordt voldaan aan de in paragraaf 8.2. onder a en b, genoemde vereisten, verleen ik de inspecteur toestemming de in paragraaf 8.2. bedoelde goedkeuring toe te passen, onder het stellen van de voorwaarden zoals opgenomen in bijlage 1 van dit besluit, aangevuld met de volgende voorwaarden7Als bijlage 1 is aangevuld met voorwaarden 14, 15 en 16 nummering voorwaarden paragraaf 8.4. dienovereenkomstig aanpassen.:
De verkrijgende rechtspersoon treedt met betrekking tot al hetgeen in het kader van de overdracht is verkregen in de plaats van de verdwijnende rechtspersoon, voor zover hiervan niet bij een overigens aan deze goedkeuring verbonden voorwaarde wordt afgeweken.
De verkrijgende rechtspersoon verklaart, voor zichzelf en als rechtsopvolger van de verdwijnende rechtspersoon, binnen twee maanden na dagtekening van de goedkeuring schriftelijk aan de bevoegde inspecteur dat hij instemt met deze goedkeuring en de daarbij gestelde voorwaarden.
Als een verzoek om toepassing van artikel 14b, derde lid, Wet Vpb 1969 te laat is ingediend, neemt de inspecteur – voordat hij het verzoek afwijst – contact op met de indiener(s) van het verzoek en vraagt of de indiener gebruik wenst te maken van de in deze paragraaf getroffen goedkeurende regeling.
9. Ingetrokken regeling
Het volgende besluit is ingetrokken op de datum van inwerkingtreding van dit besluit:
10. Inwerkingtreding
Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst.
11. Citeertitel
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit juridische fusie 2026.
Bijlage. Overzicht bijlagen:
- −. bijlage 1: Voorwaarden voor de toepassing van artikel 14b, derde lid, Wet Vpb 1969 (juridische fusie).
- −. bijlage 1A: Cijfervoorbeeld voorwaarde 6
- −. bijlage 1B: Cijfervoorbeeld voorwaarde 8a
- −. bijlage 2: Ambtsbericht.
Bijlage 1. Voorwaarden voor de toepassing van artikel 14b, derde lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (juridische fusie)
In deze voorwaarden wordt verstaan onder:
Als in deze voorwaarden wordt verwezen naar artikel 13c Wet Vpb 1969 wordt daarmee bedoeld de in artikel 33b, vijfde lid, Wet Vpb 1969 opgenomen overgangsregeling op grond waarvan de wettekst zoals deze luidde per 31 december 2011 van toepassing blijft op – kort gezegd – dan bestaande 13c situaties.
Vermogen dat verdwijnt of het bereik van de vennootschapsbelasting verlaat
Opwaarderingsreserve
Als onmiddellijk voorafgaand aan het fusietijdstip bij de verdwijnende rechtspersoon een opwaarderingsreserve aanwezig is als bedoeld in artikel 13ba Wet Vpb 1969, treedt de verkrijgende rechtspersoon in de plaats van de verdwijnende rechtspersoon met betrekking tot deze opwaarderingsreserve.
Innovatiebox
De verkrijgende rechtspersoon treedt voor de toepassing van de bepalingen inzake de innovatiebox in de plaats van de verdwijnende rechtspersoon.
Latent liquidatieverlies deelneming
Earningsstripping
Latent stakingsverlies objectvrijstelling
Verrekening van verliezen
Deelnemingsverrekening
Verrekening bij buitenlandse ondernemingswinsten
De overbrenging wegens verrekening bij buitenlandse ondernemingswinsten krachtens artikel 23d, vijfde lid, Wet Vpb 1969, uit het jaar voorafgaande aan het fusietijdstip, vindt plaats met overeenkomstige toepassing van voorwaarde 7.
Verrekening van voorheffingen
Buitenlandse bronbelasting
Fusie met negatieve winst
Beperkte aftrek van verlengstukwinst
Als bij de verkrijgende rechtspersoon de zogenoemde verlengstukwinst aftrekbaar is (artikel 9, eerste lid, onderdeel f, Wet Vpb 1969) en bij de verdwijnende rechtspersoon deze bepaling niet van toepassing is, vindt deze aftrek van verlengstukwinst bij de verkrijgende rechtspersoon geen toepassing op winsten ontstaan door realisatie van stille reserves in vermogensbestanddelen, goodwill, alsmede op winsten uit fiscale reserves, welke voorafgaande aan het fusietijdstip tot het vermogen van de verdwijnende rechtspersoon behoorden.
Verkrijgende rechtspersoon maakt gebruikt van Regeling functionele valuta en de verdwijnende rechtspersoon niet
Verdwijnende rechtspersoon maakt gebruikt van Regeling functionele valuta en de verkrijgende rechtspersoon niet
Bijlage 1A. Voorbeeld toepassing voorwaarde 6, zesde en zevende lid
| A BV | B BV | C BV | ||
|---|---|---|---|---|
| 2022 | ||||
| Voorfusie-verlies | 50 mio | geen | 20 mio | |
| Met ingang van 2023 fusie met A BV als verkrijgende rechtspersoon | Met ingang van 2023 fusie met A BV als verkrijgende rechtspersoon | Met ingang van 2023 fusie met A BV als verkrijgende rechtspersoon | Met ingang van 2023 fusie met A BV als verkrijgende rechtspersoon | Met ingang van 2023 fusie met A BV als verkrijgende rechtspersoon |
| A BV | ||||
| 2023 | ||||
| Winst | 70 mio | |||
| Verliesverrekening ex art 20 Vpb en voorwaarde 6 | Verliesverrekening ex art 20 Vpb en voorwaarde 6 | Verliesverrekening ex art 20 Vpb en voorwaarde 6 | Verliesverrekening ex art 20 Vpb en voorwaarde 6 | Verliesverrekening ex art 20 Vpb en voorwaarde 6 |
| A BV | Onderneming A | Onderneming B | Onderneming C | |
| Vw. 6, lid 2: Toerekening winst BV A aan ondernemingen | 70 mio | 60 mio | -/-30 mio | 40 mio |
| Vw. 6, lid 3: binnenjaarse verrekening verlies B: | 60–18 = 42 18=60/(60+40)*30 | nihil | 40–12=28 12=40/(60+40)*30 | |
| Maximaal verrekenbaar ex art. 20, lid 2, tweede volzin | 35,5 mio =(70 – 1)*50%+1 | |||
| Toerekening maximum ex vw. 6, lid 6 | 35,5*42/70=21,3 | 35,5*28/70=14,2 | ||
| Verrekening voorfusieverlies | 35,5 mio | 21,3 | 14,2 | |
| Belastbaar bedrag | 34,5 mio =70-35,5 | |||
| Resterend voorfusieverlies | 50–21,3= 28,7 mio | 20–14,2=5,8 mio | ||
| 2024 | A BV | |||
| Winst | 70 mio | |||
| Verliesverrekening ex art 20 Vpb en voorwaarde 6 | Verliesverrekening ex art 20 Vpb en voorwaarde 6 | Verliesverrekening ex art 20 Vpb en voorwaarde 6 | Verliesverrekening ex art 20 Vpb en voorwaarde 6 | Verliesverrekening ex art 20 Vpb en voorwaarde 6 |
| A BV | Onderneming A | Onderneming B | Onderneming C | |
| Vw. 6, lid 2: Toerekening winst BV A aan ondernemingen | 70 mio | 60 mio | -/-30 mio | 40 mio |
| Vw. 6, lid 3: Binnenjaarse verrekening | 60–18 = 42 18=60/(60+40)*30 | 40–12=28 12=40/(60+40)*30 | ||
| Maximaal verrekenbaar ex art. 20, lid 2, tweede volzin | 35,5 =(70 – 1)*50%+1 | |||
| Toerekening maximum ex vw. 6, lid 6 | 42/70*35,5=21,3 | 28/70*35,5=14,2 | ||
| Verrekening voorfusieverlies in ruimte vw 6 lid 6 | 21,3 | 5,8 | ||
| A BV | Onderneming A | Onderneming B | Onderneming C | |
| --- | --- | --- | --- | --- |
| Surplusruimte vw. 6 lid 7 | nihil | 8,4 = 14,2–5,8 | ||
| Verdeling surplusruimte vw. 6 lid 7 | 8,41 | |||
| Verrekening voorfusieverlies in ruimte vw 6 lid 7 | 7,4 | 7,4 | ||
| Totaal verrekend. verlies | 34,5 | 28,7 | 5,8 | |
| Belastbaar bedrag | 35,5 =70–34,5 | |||
| Resterend voorfusieverlies | Nihil 28,7 – 28,7 | Nihil 5,8–5,8 |
1 Surplusruimte wordt toebedeeld aan ondernemingen met een na de verrekening van voorwaarde 6, lid 6, resterend voorfusieverlies naar rato van hun aandeel in de winst na lid 6 verrekening. Winst onderneming A na lid 6 verrekening is 42–21,3=21,7. Totaal resterende winst is 21,7. En 21,7/21,7*8,4=8,4
Bijlage 1B. Voorbeeld toepassing voorwaarde 8a
| A BV | B BV | C BV | ||
|---|---|---|---|---|
| 2022 | ||||
| Winst | 500 | nihil | 100 | |
| Vpb ad 20% | 100 | nihil | 20 | |
| Voorheffingen van 2022 | 150 | nihil | 40 | |
| Vpb na voorheffingen | nihil | nihil | nihil | |
| Voortwenteling voorheffingen ex 25, lid 4,Vpb | 50 | nihil | 20 | |
| Met ingang van 2023 fusie met A BV als verkrijgende rechtspersoon | Met ingang van 2023 fusie met A BV als verkrijgende rechtspersoon | Met ingang van 2023 fusie met A BV als verkrijgende rechtspersoon | Met ingang van 2023 fusie met A BV als verkrijgende rechtspersoon | Met ingang van 2023 fusie met A BV als verkrijgende rechtspersoon |
| A BV | Onderneming A | Onderneming B | Onderneming C | |
| 2023 | ||||
| Winst | 70 | 60 | -/-30 | 40 |
| Vpb (20%) | 14 | |||
| Voorheffingen van 2023 | nihil | |||
| Voortwenteling 2022 voorheffingen ex art. 25, lid 4, Vpb en vw 8a | Voortwenteling 2022 voorheffingen ex art. 25, lid 4, Vpb en vw 8a | Voortwenteling 2022 voorheffingen ex art. 25, lid 4, Vpb en vw 8a | Voortwenteling 2022 voorheffingen ex art. 25, lid 4, Vpb en vw 8a | Voortwenteling 2022 voorheffingen ex art. 25, lid 4, Vpb en vw 8a |
| Ruimte vw 8a, lid 1,a, jo. lid 2 | 14 =Vpb BV A min voorheffing 2023 | |||
| Ruimte vw 8a, lid 1, b, jo. Lid 3 | 12 = 20%*60 | 8 =20%*40 | ||
| Ruimte lid 2 lager gezamenlijke ruimte lid 3 dan herrekening ruimte ex lid 4 | 8,4 = 60/(60+40)*14 | 5,6 =40/(60+40)*14 | ||
| Verrekening binnen ruimte lid 4 | 14 | 8,4 | 5,6 | |
| Vpb 2023 | Nihil | |||
| Resterende voorfusievoorheffingen | 41,6 =50–8,4 | 14,4 = 20-5,6 |
Bijlage 2. Ambtsbericht bij toepassing van paragraaf 7.4
Vraagstelling uit te brengen ambtsbericht, voor zowel de verdwijnende rechtspersoon als de verkrijgende rechtspersoon:
Dit besluit wordt met de bijlagen in de Staatscourant geplaatst.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)