Regeling van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 4 september 2026, nr. DE/62900222, houdende regels voor de subsidieverstrekking aan een samenwerkingsverband gericht op de rol van mannen bij het voorkomen van gendergerelateerd geweld tegen vrouwen en in het bijzonder femicide (Subsidieregeling mannenalliantie tegen gendergerelateerd geweld en femicide 2027–2031)
Gelet op de artikelen 4 en 5 van de Wet overige OCW-subsidies en de artikelen 1.2 en 1.3 van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS;
Besluit:
Artikel 1. Begripsbepalingen
In deze regeling wordt verstaan onder:
- ewustwordingsinterventie: bactiviteit als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdeel a.
- DUS-I: Dienst Uitvoering Subsidies aan Instellingen;
- femicide: dodelijk gendergerelateerd geweld tegen vrouwen;
- gedragsinterventie: activiteit als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdeel a;
- gendergelijkheid: gelijke rechten, kansen en behandeling van mensen, ongeacht geslacht, genderidentiteit of genderexpressie;
- gendergerelateerd geweld tegen vrouwen: geweld dat vrouwen wordt aangedaan vanwege hun geslacht, genderidentiteit of genderexpressie, of geweld dat vrouwen onevenredige mate treft, wat leidt of dreigt te leiden tot fysieke, seksuele, psychologische of economische schade;
- gendertransformatieve aanpak: aanpak die gericht is op de oorzaken van genderongelijkheid door schadelijke gendernormen ter discussie te stellen en te transformeren met als doel het aanpakken van ongelijke machtsverhoudingen en het bevorderen van gendergelijkheid.
- intersectionaliteit: verschillende vormen van ongelijkheid of discriminatie, zoals racisme, seksisme, homofobie of validisme, die elkaar beïnvloeden en samen bepalen hoe iemand kansen, macht en uitsluiting ervaart. Het begrip laat zien dat deze vormen van ongelijkheid niet los van elkaar bestaan, maar met elkaar samenhangen en elkaar kunnen versterken.
- projectsubsidie: projectsubsidie als bedoeld in artikel 1.1 van de Kaderregeling;
- Kaderregeling: Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS;
- klankbordgroep: klankbordgroep als bedoeld in artikel 6;
- organisatie: organisatie als bedoeld in artikel 5, derde lid;
- minister: Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap;
- penvoerder: penvoerder als bedoeld in artikel 7;
- plan van aanpak: activiteitenplan als bedoeld in artikel 10.
- pleger- en systeeminterventies: interventies die gericht zijn op mensen die geweld hebben gepleegd of dreigen te gaan plegen, het gezin of degenen om hen heen, om de kans op geweld of de kans op de herhaling van geweld te verkleinen;
- samenwerkingsverband: samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 5.
Artikel 2. Toepassing Kaderregeling
Deze regeling geldt in aanvulling op de Kaderregeling.
Artikel 3. Subsidiedoel, doelgroep en te subsidiëren activiteiten
De minister kan aan de penvoerder van één samenwerkingsverband projectsubsidie verlenen voor het uitvoeren van een plan van aanpak, als bedoeld in artikel 10, dat erop is gericht om mannen een bijdrage te laten leveren aan het voorkomen, signaleren en bestrijden van gendergerelateerd geweld tegen vrouwen, en in het bijzonder femicide.
De doelgroep van het samenwerkingsband zijn jongens en mannen. In het bijzonder richt het samenwerkingsverband zich op mannen in de rol van opvoeders.
De projectsubsidie wordt verstrekt voor een periode van vier jaar.
Artikel 4. Hoogte subsidieplafond en subsidiebedrag
Het bedrag dat beschikbaar is voor subsidieverstrekking op grond van de subsidieregeling wordt door de minister bekendgemaakt in de Staatscourant.
Artikel 5. Samenwerkingsverband en samenwerkingsovereenkomst
Het samenwerkingsverband bestaat uit ten minste twee en ten hoogste vijf organisaties.
Indien het plan van aanpak, zowel op het Europese deel van Nederland als op Caribisch Nederland betrekking heeft:
- a. kan het samenwerkingsverband in afwijking van het eerste lid ten hoogste uit acht organisaties bestaan; en
- b. hebben de maximaal drie aanvullende organisaties aantoonbare kennis van en ervaring met de lokale context in Caribisch Nederland, en zijn bij voorkeur gevestigd in Caribisch Nederland.
Een organisatie die deelneemt aan het samenwerkingsverband:
- a. is een privaatrechtelijke rechtspersoon of een universiteit als bedoeld in onderdeel a of b van de bijlage bij de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek;
- b. werkt vanaf het moment van de subsidieaanvraag minimaal drie jaar aan het bevorderen van gendergelijkheid of het voorkomen van gendergerelateerd geweld tegen vrouwen, waarbij de eis van minimaal drie jaar niet geldt indien de organisatie gevestigd is in Caribisch Nederland; en
- c. heeft ervaring met de rol van of het betrekken van mannen bij het bevorderen van gendergelijkheid of het voorkomen van gendergerelateerd geweld tegen vrouwen.
Artikel 6. Klankbordgroep
Het samenwerkingsverband richt een klankbordgroep in, om zichzelf te voorzien van een onafhankelijk, deskundig perspectief. In de samenwerkingsovereenkomst wordt beschreven op welke wijze de klankbordgroep wordt samengesteld en ingezet.
Werknemers en vrijwilligers van de organisaties binnen het samenwerkingsverband kunnen geen onderdeel uitmaken van de klankbordgroep.
Artikel 7. Penvoerder
De penvoerder is verantwoordelijk voor het indienen van de subsidieaanvraag, administratieve verplichtingen, verantwoording en de aanvraag tot vaststelling van de subsidie.
Op de penvoerder rusten alle aan de subsidie verbonden verplichtingen, ongeacht welke organisatie in het samenwerkingsverband feitelijk is belast met de uitvoering van de daarop betrekking hebbende werkzaamheden.
Een universiteit als bedoeld in onderdeel a of b van de bijlage bij de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek kan geen penvoerder zijn.
Artikel 8. Aanvraag subsidie
De penvoerder kan subsidie aanvragen van 22 oktober 2026, 9:00 uur tot en met 17 december 2026, 13:00 uur.
Een organisatie mag maximaal deel uitmaken van twee samenwerkingsverbanden ten behoeve waarvan een aanvraag wordt ingediend. Wanneer een organisatie deel uitmaakt van meer dan twee samenwerkingsverbanden, worden alleen de eerste twee ingediende subsidieaanvragen van samenwerkingsverbanden waaraan de desbetreffende organisatie deelneemt, in behandeling genomen.
Artikel 9. In te dienen documenten
De subsidie dient te worden aangevraagd met gebruikmaking van het online formulier dat daarvoor beschikbaar is gesteld door DUS-I.
Een aanvraag bevat de volgende stukken:
- a. een samenwerkingsovereenkomst als bedoeld in artikel 5;
- b. een plan van aanpak als bedoeld in artikel 10;
- c. een begroting als bedoeld in artikel 11;
- d. vastgestelde jaarverslagen van 2024 en 2025, voor zover beschikbaar, van alle organisaties in het samenwerkingsverband;
- e. statuten van alle organisaties in het samenwerkingsverband.
Artikel 10. Plan van aanpak
Het plan van aanpak voldoet aan de beoordelingscriteria die zijn opgenomen in bijlage 1 en bevat ten minste een gedetailleerde uitwerking van de volgende activiteiten:
- a. Het uitvoeren van offline en online bewustwordings- en gedragsinterventies, gericht op:
- 1°. het herkennen, bevragen en bespreekbaar maken van gendernormen, stereotypen en opvattingen die bijdragen aan het ontstaan en voortduren van gendergerelateerd geweld tegen vrouwen;
- 2°. het bevorderen van alternatieve positieve opvattingen over gender, gelijkwaardigheid en gezonde relaties; en
- 3°. het bevorderen van duurzame gedragsverandering, zowel offline als online met aandacht voor subculturen, waarin schadelijke gendernormen worden verspreid.
- b. Het uitvoeren van offline en online interventies en trainingen t.a.v. handelingsperspectief voor omstanders en potentiële plegers, gericht op:
- 1°. het herkennen van en ingrijpen bij seksisme en schadelijke gendernormen.
- 2°. het tijdig herkennen van en ingrijpen bij signalen van gendergerelateerd geweld tegen vrouwen, waaronder rode vlaggen voor femicide;
- 3°. het zoeken van hulp en ondersteuning wanneer mannen de signalen onder 2° bij zichzelf of anderen herkennen.
- c. Het gendertransformatief maken van pleger- en systeeminterventies en deskundigheidsbevordering, door middel van:
- 1°. het analyseren in hoeverre ten minste vijf reeds bestaande pleger- en systeeminterventies genderongelijkheid als grondoorzaak van gendergerelateerd geweld tegen vrouwen adresseren;
- 2°. het adviseren over het gendertransformatief vormgeven van de interventies, en over het in lijn brengen van de interventies met de ‘European Standards for Perpetrator Programmes’ gepubliceerd door ‘The European Network for the Work with Perpetrators of Domestic Violence’ en de ‘Guidance for safe and effective perpetrator programmes’ gepubliceerd door de Raad van Europa,
- 3°. het trainen van de uitvoerders van de interventies zoals beschreven onder 1 en 2, om dit te doen op een gendertransformatieve manier en met bewustzijn van eigen vooroordelen en de invloed daarvan op hun werk.
- d. Het leveren van een overzicht van kennisontwikkeling en aanbevelingen na twee en na vier jaar, waarbij het overzicht ten minste bevat:
- 1°. een overzicht van de opgedane kennis over de wijze waarop mannen offline en online op een effectieve manier kunnen bijdragen aan het voorkomen, signaleren en bestrijden van gendergerelateerd geweld tegen vrouwen, en in het bijzonder femicide;
- 2°. aanbevelingen voor gemeenten, de landelijke overheid, organisaties en andere relevante betrokkenen over het effectief en structureel vormgeven van een offline en online aanpak gericht op de rol van mannen in het voorkomen van gendergerelateerd geweld tegen vrouwen, en in het bijzonder femicide.
Het plan van aanpak bevat ook de volgende onderdelen:
- a. een gedetailleerde beschrijving van de manier waarop de activiteiten bijdragen aan het subsidiedoel;
- b. een activiteitenplanning met daarin de start- en einddatum van het project en een uitgewerkt overzicht van realiseerbare activiteiten in de projectperiode waarin in ieder geval fasering, mijlpalen en beoogde tussentijdse resultaten en eindresultaten worden opgenomen.
Voor de eerste twee jaren wordt de activiteitenplanning in de aanvraag uitgewerkt op detailniveau, en voor de laatste twee jaar op hoofdlijnen, als beschreven in artikel 17, tweede en derde lid.
Artikel 11. Begroting
De begroting in de aanvraag is voor de eerste twee jaren van de subsidieperiode op detailniveau uitgewerkt, en voor de laatste twee jaren op hoofdlijnen.
De begroting van de eerste twee jaren bevat in ieder geval:
- a. een onderbouwd overzicht van de geraamde kosten en opbrengsten op activiteitniveau;
- b. het gedifferentieerde uurtarief per categorie medewerker of functieniveau is, evenals een specificatie van het aantal verwachte uren per functieniveau. De begroting bevat ook de compensatie voor de klankbordgroep en in te schakelen ervaringsdeskundigen, sleutelfiguren en andere externen.
De begroting van de laatste twee jaren bevat in ieder geval een globaal overzicht van de geraamde kosten en opbrengsten op activiteitniveau, voor zover deze betrekking hebben op de laatste twee jaren.
De begroting van de laatste twee jaren dient te worden aangevuld, als beschreven in artikel 17, tweede en derde lid.
Artikel 12. Niet-subsidiabele kosten
De volgende kosten komen in ieder geval niet voor subsidie in aanmerking:
- a. kosten die door het samenwerkingsverband zijn gemaakt vóór het indienen van de aanvraag;
- b. de verrekenbare BTW over de gesubsidieerde kosten;
- c. de eventuele restwaarde van specifieke voor de subsidiabele activiteiten aangeschafte apparatuur;
- d. kosten die al uit anderen hoofde door de minister zijn gesubsidieerd;
- e. loonkosten boven het maximale uurtarief. Het maximale uurtarief komt overeen met het kostendekkende tarief per uur van schaal 13 voor integrale loonkosten in de Handleiding Overheidstarieven.
Artikel 13. Procedure beoordeling projectsubsidie
De minister bepaalt de rangschikking van de aanvragen op basis van een onderlinge afweging van de aanvragen. Hierbij geldt dat hoe meer punten de aanvraag scoort met inachtneming van de in bijlage 1 genoemde wegingspercentages, hoe hoger de aanvraag wordt gerangschikt.
De minister beoordeelt de subsidieaanvraag aan de hand van de volgende onderdelen en beoordelingscriteria, zoals uitgewerkt in bijlage 1 behorende bij deze regeling:
- a. Samenwerkingsverband (weging 20%):
- 1°. Verwachte meerwaarde van de samenwerking (maximaal 5 punten);
- 2°. Relevante kennis en ervaring (maximaal 5 punten);
- b. Plan van aanpak (weging 50%)
- 1°. Kwaliteit en onderbouwing (maximaal 5 punten);
- 2°. Locaties, domeinen en landelijke spreiding (maximaal 5 punten);
- 3°. Doelgroep en bereik (maximaal 5 punten);
- 4°. Effectiviteit en impact (maximaal 5 punten);
- 5°. Intersectionele en gendertransformatieve benadering (maximaal 5 punten);
- 6°. Duurzaamheid en borging (maximaal 5 punten);
- c. Begroting (weging 30%)
- 1°. Kwaliteit en onderbouwing begroting (maximaal 5 punten);
- 2°. Efficiëntie (maximaal 5 punten).
Om voor rangschikking in aanmerking te komen geldt dat minimaal 3 punten moeten zijn toegekend op ieder deelcriterium binnen het beoordelingskader.
De minister verleent de projectsubsidie aan het samenwerkingsverband dat aan alle vereisten van de regeling voldoet en de hoogste rangschikking heeft. De minister besluit binnen 13 weken na afloop van de periode, bedoeld in artikel 8, eerste lid, op de aanvragen. De startdatum van het de projectsubsidie is 1 januari 2027.
Artikel 14. Weigeringsgronden
De subsidieverstrekking wordt geweigerd, indien:
- a. ten minste één van de organisaties niet voldoet aan artikel 5, derde lid;
- b. het plan van aanpak geen uitwerking bevat van alle activiteiten genoemd in artikel 10, eerste lid;
- c. de aanvraag wordt ingediend buiten de aanvraagperiode, zoals bedoeld in artikel 8;
- d. er minder dan drie punten zijn toegekend op één van de beoordelingscriteria, zoals bedoeld in artikel 13, tweede en derde lid.
Artikel 15. Subsidieverstrekking en bevoorschotting
De minister verstrekt een voorschot van 90%. Dit voorschot wordt per kwartaal betaald, gelijkmatig verdeeld over het aantal jaren waarvoor de subsidie wordt verleend. De minister kan, bij een afwijkende liquiditeitsbehoefte, afwijken van deze verdeling.
Artikel 16. Tussentijdse evaluatie
Het samenwerkingsverband is verplicht mee te werken aan de externe tussentijdse evaluatie die gericht is op de voortgang, kwaliteit, doelmatigheid en effectiviteit van de uitvoering van het plan van aanpak en de gesubsidieerde activiteiten. Deze tussentijdse evaluatie vangt binnen 13 weken na het tweede jaar vanaf het moment van beschikken aan. De penvoerder is verplicht om ten behoeve van de tussentijdse evaluatie:
- a. de benodigde informatie te verzamelen, waaronder de resultaten van het plan van aanpak uit artikel 10;
- b. deze informatie tijdig en volledig te verstrekken;
- c. de voortgangsrapportages over het eerste en tweede jaar aan te leveren, zoals bedoeld in artikel 17, vierde lid;
- d. het gedetailleerde plan van aanpak en uitgewerkte begroting aan te leveren voor het derde jaar, bedoeld in artikel 17, tweede lid.
De minister kan op basis van de tussentijdse evaluatie besluiten dat de subsidie voor de resterende periode wordt aangepast of ingetrokken.
Artikel 17. Verplichtingen subsidie
De penvoerder is verplicht zorg te dragen voor de uitvoering van de gesubsidieerde activiteiten volgens het plan van aanpak en de begroting.
De penvoerder is verplicht uiterlijk tien weken voor het einde van het tweede jaar een gedetailleerd plan van aanpak en een uitgewerkte begroting, bedoeld in artikel 10, derde lid en artikel 11, derde lid, in te dienen voor het derde jaar.
De penvoerder is verplicht uiterlijk tien weken voor het einde van het derde jaar een gedetailleerd plan van aanpak en een uitgewerkte begroting, bedoeld in artikel 10, derde lid, en artikel 11, derde lid, in te dienen voor het vierde jaar.
De penvoerder dient binnen 13 weken na afloop van het eerste, tweede en derde jaar vanaf het moment van beschikking een voortgangsrapportage in waarin de resultaten en voortgang van het project beschreven zijn. De penvoerder maakt daarbij gebruik van het door DUS-I beschikbaar gestelde format.
De activiteiten waarvoor subsidie is verstrekt worden uiterlijk vier jaar na het verlenen van de subsidie afgerond.
De penvoerder neemt verplicht deel aan een nader te bepalen eindevaluatie.
Artikel 18. Verantwoording en vaststelling
De penvoerder dient binnen 22 weken na de datum waarop de activiteiten, waarvoor de subsidie is verleend, uiterlijk moeten zijn verricht een aanvraag tot vaststelling in.
De aanvraag om vaststelling bestaat uit:
- a. een activiteitenverslag;
- b. een financieel verslag; en
- c. een controleverklaring.
De controleverklaring wordt opgesteld door een accountant overeenkomstig het door de minister vastgestelde accountantsprotocol. De controleverklaring heeft betrekking op de gerealiseerde kosten en opbrengsten van alle organisaties in het samenwerkingsverband.
De minister besluit binnen 22 weken op een aanvraag tot vaststelling.
Artikel 19. Inwerkingtreding en vervaldatum
Deze regeling treedt in werking met ingang van 24 september 2026.
Deze regeling vervalt met ingang van 31 december 2031, met dien verstande dat de regeling van toepassing blijft ten aanzien van subsidies die voor die datum op grond van de regeling zijn verstrekt.
Artikel 20. Citeertitel
Deze regeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling mannenalliantie tegen gendergerelateerd geweld en femicide 2027–2031.
Bijlage 1
Deze bijlage hoort bij artikel 13 van de Subsidieregeling mannenalliantie tegen gendergerelateerd geweld en femicide 2027–2031.
Beoordelingskader subsidieaanvraag behorende bij artikel 13
De aanvraag wordt beoordeeld op basis van beoordelingscriteria ten aanzien van het samenwerkingsverband, het plan van aanpak en de begroting. De score wordt bepaald op basis van de kwaliteit van het ingevulde aanvraagformulier, het samenwerkingsverband, het plan van aanpak, de begroting en relevante bijlagen. Per onderdeel moeten er voor ieder beoordelingscriterium minimaal 3 punten, van maximaal 5 punten, behaald worden. 3 punten worden als voldoende beoordeeld. De toelichting van de beoordelingscriteria laat zien hoe dit onderbouwd kan worden. Hierbij geldt dat hoe meer punten de aanvraag scoort met inachtneming van de genoemde wegingspercentages, hoe hoger de aanvraag wordt gerangschikt (zie hieronder een rekenvoorbeeld). Aan de hand hiervan wordt een rangschikking bepaald van de aanvragen van hoog naar laag. De minister verleent de projectsubsidie aan het samenwerkingsverband dat aan alle vereisten van de regeling voldoet en de hoogste rangschikking heeft.
Afhankelijk van de kwaliteit van de subsidieaanvraag wordt per onderdeel een van de volgende beoordelingen gegeven:
5 punten: zeer goed: aanvrager heeft een inhoudelijk relevante, toepasselijke en uitstekende invulling gegeven aan dit onderdeel. Alle criteria en aspecten van dit onderdeel zijn volledig uitgewerkt en inhoudelijk uitstekend beantwoord.
4 punten: goed: aanvrager heeft een inhoudelijk relevante, toepasselijke en goede invulling gegeven aan dit onderdeel. Alle criteria en aspecten van dit onderdeel zijn inhoudelijk goed uitgewerkt en beantwoord.
3 punten: voldoende: aanvrager heeft voldoende invulling gegeven aan dit onderdeel. Alle criteria en aspecten van dit onderdeel zijn voldoende inhoudelijk uitgewerkt en beantwoord.
2 punten: matig: aanvrager geeft slechts ten dele of beperkt inhoudelijk invulling aan dit onderdeel. De criteria en aspecten zijn beantwoord en uitgewerkt, echter is dit zeer beperkt toegelicht.
1 punt: onvoldoende: aanvrager gaat slechts ten dele of beperkt inhoudelijk relevant in op dit onderdeel. Niet alle criteria en aspecten zijn beantwoord en uitgewerkt.
Bijlage 2
Deze bijlage hoort bij artikel 5, vierde lid, van de Subsidieregeling mannenalliantie tegen gendergerelateerd geweld en femicide 2027–2031.
Bij de subsidieaanvraag dient u een samenwerkingsovereenkomst in te dienen. Hiervoor dient u dit format te gebruiken.
De niet-schuingedrukte tekst zijn verplichte onderdelen die niet kunnen worden aangepast.
U bent verplicht de schuingedrukte elementen in te vullen. Het is toegestaan om aanvullende bepalingen op te nemen bij de artikelen tenzij anders aangegeven. Indien er bij een element [optioneel] staat, dan kunt u zelf besluiten of u een bepaling op wil nemen.
Als u in het kader van de samenwerking gegevens uitwisselt dan moeten de organisaties ook een Data Sharing Agreement (DSA) afsluiten. Dat moet vanwege de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG). U bent zelf verantwoordelijk voor het opstellen van een DSA, aangezien u zelf verwerkingsverantwoordelijk bent.
Bij vragen over deze overeenkomst kunt u contact opnemen met DUS-I.
Samenwerkingsovereenkomst samenwerkingsverband preventie gendergerelateerd geweld en femicide
[TITEL VAN PROJECT]
[optioneel invullen tot 8 partijen]
Gezamenlijk verder te noemen ‘Partijen’ en individueel ‘Partij’.
[Andere belangrijke en veel gebruikte begrippen kunnen op alfabetische volgorde in bovenstaande lijst worden verwerkt. Het gebruik van samen overeengekomen definities beperkt het risico op geschillen.]
Aldus overeengekomen
Penvoerder
Organisatie:
Adres:
Postcode:
Plaats:
Datum ondertekening:
Naam tekenbevoegd persoon (1):
Handtekening:
Bij gezamenlijke tekenbevoegdheid
Datum ondertekening:
Naam tekenbevoegd persoon (2):
Handtekening:
Partij 2
Organisatie:
Adres:
Postcode:
Plaats:
Datum ondertekening:
Naam tekenbevoegd persoon (1):
Functie:
Handtekening:
Bij gezamenlijke tekenbevoegdheid
Datum ondertekening:
Naam tekenbevoegd persoon (2):
Functie:
Handtekening:
Partij 3
Organisatie:
Adres:
Postcode:
Plaats:
Datum ondertekening:
Naam tekenbevoegd persoon (1):
Functie:
Handtekening:
Bij gezamenlijke tekenbevoegdheid
Datum ondertekening:
Naam tekenbevoegd persoon (2):
Functie:
Handtekening:
Partij 4
Organisatie:
Adres:
Postcode:
Plaats:
Datum ondertekening:
Naam tekenbevoegd persoon (1):
Functie:
Handtekening:
Bij gezamenlijke tekenbevoegdheid
Datum ondertekening:
Naam tekenbevoegd persoon (2):
Functie:
Handtekening:
Partij 5
Organisatie:
Adres:
Postcode:
Plaats:
Datum ondertekening:
Naam tekenbevoegd persoon (1):
Functie:
Handtekening:
Bij gezamenlijke tekenbevoegdheid
Datum ondertekening:
Naam tekenbevoegd persoon (2):
Functie:
Handtekening:
Partij 6
Organisatie:
Adres:
Postcode:
Plaats:
Datum ondertekening:
Naam tekenbevoegd persoon (1):
Functie:
Handtekening:
Bij gezamenlijke tekenbevoegdheid
Datum ondertekening:
Naam tekenbevoegd persoon (2):
Functie:
Handtekening:
Partij 7
Organisatie:
Adres:
Postcode:
Plaats:
Datum ondertekening:
Naam tekenbevoegd persoon (1):
Functie:
Handtekening:
Bij gezamenlijke tekenbevoegdheid
Datum ondertekening:
Naam tekenbevoegd persoon (2):
Functie:
Handtekening:
Partij 8
Organisatie:
Adres:
Postcode:
Plaats:
Datum ondertekening:
Naam tekenbevoegd persoon (1):
Functie:
Handtekening:
Bij gezamenlijke tekenbevoegdheid
Datum ondertekening:
Naam tekenbevoegd persoon (2):
Functie:
Handtekening:
Verder neemt u documenten op die bij de overeenkomst horen, zoals een lijst met contactpersonen voor communicatie tussen de partijen en eventueel andere bijlagen. Uw plan van aanpak is geen onderdeel van deze overeenkomst.
Deze regeling zal met de toelichting en de bijlage in de Staatscourant worden geplaatst.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)