Regeling van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat van 7 september 2026, nr. IENW/BSK-2026/129840, houdende vaststelling van tijdelijke regels met betrekking tot de verlening van subsidie voor het vergaren van kennis over het inzetten van Nature Based Solutions in living labs (Tijdelijke subsidieregeling NBS living labs) [KetenID WGK 028055]
Gelet op artikel 4, eerste en tweede lid, in samenhang met artikel 3, eerste lid, onder a, b, d en g, van de Kaderwet subsidies I en M en de artikelen 2, eerste lid, 4, 6, zesde lid, 7, derde lid, 10, tweede lid, 13, 22 en 23, derde en vijfde lid, van het Kaderbesluit subsidies I en M;
Besluit:
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Artikel 1. Begripsbepalingen
In deze regeling wordt verstaan onder:
- –. aanvrager: onderneming, overige partij of kennisteam;
- –. AGVV: Algemene Groepsvrijstellingsverordening, bedoeld in artikel 1 van het Kaderbesluit;
- –. experimentele ontwikkeling: experimentele ontwikkeling als bedoeld in artikel 2, onderdeel 86, van de AGVV, waarbij sprake is van het verwerven, combineren, vormgeven en gebruiken van bestaande wetenschappelijke, technologische, zakelijke en andere relevante kennis en vaardigheden, gericht op het ontwikkelen van nieuwe of verbeterde producten, procedés of diensten;
- –. industrieel onderzoek: industrieel onderzoek als bedoeld in artikel 2, onderdeel 85, van de AGVV, waarbij sprake is van planmatig of kritisch onderzoek dat is gericht op het opdoen van nieuwe kennis en vaardigheden met het oog op de ontwikkeling van nieuwe producten, procedés of diensten, of om bestaande producten, procedés of diensten aanmerkelijk te verbeteren;
- –. Kaderbesluit: Kaderbesluit subsidies I en M;
- –. kennisproject: een project gericht op het beantwoorden van een of meer kennisvragen over de inzet van een of meer NBS in een living lab, bestaande uit een of meer van de volgende soorten activiteiten:
- a. industrieel onderzoek door een onderneming;
- b. experimentele ontwikkeling door een onderneming;
- c. niet-economische activiteiten door een overige partij, waaronder onafhankelijk industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling door een onderzoeksorganisatie;
- –. kennisteam: een samenwerkingsverband, bedoeld in artikel 1 van het Kaderbesluit, bestaande uit ondernemingen, overige partijen of een combinatie daarvan;
- –. kennisvraag: een vraag over de ontwikkeling, het ontwerp of de toepassing van een NBS;
- –. landschapstype: de landschapstypen laagveengebied, kustgebieden, hoge zandgronden, bebouwd gebied, kust en rivieren, grote meren of overgangswateren;
- –. living lab: een fysiek gebied waarbinnen een urgente of complexe ruimtelijke of maatschappelijke opgave speelt waarbij een NBS kan worden ingezet;
- –. minister: Minister van Infrastructuur en Waterstaat;
- –. NBS: nature based solution(s), maatregel of maatregelen die gericht zijn op het beschermen, duurzaam beheren, ontwikkelen en herstellen van natuurlijke en veranderde ecosystemen, en die zo, op een effectieve en dynamische manier, ruimtelijke en maatschappelijke uitdagingen aanpakken ten bate van mens en natuur;
- –. NBS-team: een consortium, bestaande uit in elk geval een privaatrechtelijke en een publiekrechtelijke rechtspersoon, dat de optie verkent om een NBS in te zetten in een living lab;
- –. O&O&I-steunkader: Kaderregeling betreffende staatssteun voor onderzoek, ontwikkeling en innovatie nr. 2022/C 414/01 (PbEU 2022, C 414);
- –. onderneming: iedere eenheid, ongeacht haar rechtsvorm of wijze van financiering, die binnen het kennisproject een economische activiteit uitoefent, niet zijnde een publiekrechtelijke rechtspersoon;
- –. onderzoeksorganisatie: organisatie voor onderzoek en kennisverspreiding als bedoeld in paragraaf 1.3, onderdeel 16, onder ff, van het O&O&I-steunkader, niet zijnde een publiekrechtelijke rechtspersoon;
- –. overige partij: iedere eenheid, ongeacht haar rechtsvorm of wijze van financiering, die binnen het kennisproject uitsluitend een of meerdere niet-economische activiteiten uitoefent, niet zijnde een publiekrechtelijke rechtspersoon
- –. penvoerder: de door een kennisteam aangewezen natuurlijk persoon of rechtspersoon die als gemachtigde van het kennisteam optreedt en deel uitmaakt van het kennisteam;
- –. publiekrechtelijke rechtspersoon: rechtspersoon als bedoeld in artikel 1 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, met uitzondering van onder a, g of h van de bijlage van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek opgenomen bekostigde instellingen voor hoger onderwijs;
- –. substantiële vestiging: vestiging in Nederland van waaruit duurzaam kan worden deelgenomen aan het economische leven in Nederland.
Artikel 2. Doel
Deze regeling heeft tot doel onderzoek naar NBS en mogelijke opschaling daarvan te stimuleren door een kennisproject te laten uitvoeren dat betrekking heeft op een of meer landschapstypen.
Artikel 3. Subsidiabele activiteiten
De minister kan aan een aanvrager subsidie verlenen voor het uitvoeren van een kennisproject dat gesteund wordt door een NBS-team.
Artikel 4. Maximaal subsidiebedrag en subsidiabele kosten
De subsidie voor een kennisproject bedraagt ten hoogste:
- a. 50% van de subsidiabele kosten, voor zover deze betrekking hebben op industrieel onderzoek door een onderneming;
- b. 25% van de subsidiabele kosten, voor zover deze betrekking hebben op experimentele ontwikkeling door een onderneming;
- c. 80% van de subsidiabele kosten, voor zover deze betrekking hebben op niet-economische activiteiten door een overige partij, waaronder onafhankelijk industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling door een onderzoeksorganisatie.
De percentages, genoemd in het eerste lid, onderdelen a en b, worden verhoogd met:
- a. 20 procentpunten voor kleine ondernemingen als bedoeld in artikel 25, zesde lid, onderdeel a, van de AGVV;
- b. 10 procentpunten voor middelgrote ondernemingen als bedoeld in artikel 25, zesde lid, onderdeel a, van de AGVV; en
- c. 15 procentpunten, indien voldaan wordt aan ten minste één van de voorwaarden, bedoeld in artikel 25, zesde lid, onderdeel b, van de AGVV.
In afwijking van het tweede lid, kunnen de bedoelde percentages maximaal worden verhoogd tot 80%.
De subsidie voor een kennisproject bedraagt maximaal € 500.000,–.
Voor subsidie voor een kennisproject komen de kosten in aanmerking, bedoeld in artikel 25, derde lid, van de AGVV.
Indien voor de berekening van de subsidiabele kosten uurtarieven worden gehanteerd, wordt gebruik gemaakt van:
- a. een berekening op basis van de integrale kostensystematiek, bedoeld in artikel 7, tweede lid, onderdeel a, van het Kaderbesluit;
- b. een berekening op basis van kosten per kostendrager vermeerderd met een forfaitaire opslag van 50% voor indirecte kosten, als bedoeld in artikel 7, tweede lid, onderdeel b, van het Kaderbesluit; of
- c. een berekening op basis van een forfaitair uurtarief van € 80,–.
Artikel 5. Indienen van aanvraag
Een aanvrager kan een aanvraag indienen bij de minister met gebruikmaking van een daartoe door de minister digitaal beschikbaar gesteld formulier.
Een aanvraag voor de eerste aanvraagronde kan worden ingediend van 1 december 2026, 09.00 uur tot en met 4 maart 2027, 17.00 uur.
De minister stelt de aanvraagperiode voor de tweede aanvraagronde vast en maakt dit bekend in de Staatscourant voor aanvang van die aanvraagperiode.
Onverminderd de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 10, vierde lid, en artikel 26 van het Kaderbesluit, gaat de aanvraag vergezeld van:
- a. Een projectplan met gebruikmaking van een daartoe door de minister digitaal beschikbaar gesteld model, met daarin in elk geval:
- i. een beschrijving van de uit te voeren activiteiten;
- ii. een beschrijving van de aanvrager die het kennisproject gaat uitvoeren;
- iii. als het kennisproject geheel of gedeeltelijk zal worden uitgevoerd door een buitenlandse aanvrager, een onderbouwing dat die aanvrager een substantiële vestiging heeft;
- iv. een beschrijving van het kennisproject en het living lab waarop het kennisproject betrekking heeft;
- v. een beschrijving van de locatie en het landschapstype of de landschapstypen waarop het living lab betrekking heeft;
- vi. als het living lab betrekking heeft op meerdere landschapstypen, een vermelding van het dominante landschapstype binnen dat living lab;
- vii. een beschrijving van de wijze waarop het kennisproject bijdraagt aan de opbouw van relevante kennis of ervaring over NBS;
- viii. een beschrijving van de kans dat de NBS waarop het kennisproject betrekking heeft toegepast wordt in een living lab;
- b. een gespecificeerde begroting met gebruikmaking van een daartoe door de minister digitaal beschikbaar gesteld model, waaruit ten minste blijkt:
- i. hoe hoog de kosten van het kennisproject zijn; en
- ii. hoe het kennisproject gefinancierd wordt.
- c. een bewijs van steunbetuiging van een NBS-team voor het indienen van de subsidieaanvraag; en
- d. als de aanvrager een onderneming is, een verklaring dat die onderneming geen onderneming in moeilijkheden is als bedoeld in artikel 2, onderdeel 18, van de AGVV, inclusief een ingevuld beslisschema.
Artikel 6. Plafond en wijze van verdelen
Het subsidieplafond bedraagt € 3 miljoen en bestaat uit:
- a. € 2 miljoen voor de eerste aanvraagronde, bedoeld in artikel 5, tweede lid; en
- b. € 1 miljoen voor de tweede aanvraagronde, bedoeld in artikel 5, derde lid.
Het beschikbare subsidiebedrag wordt verdeeld op volgorde van binnenkomst van de aanvragen.
Indien na afloop van de eerste aanvraagronde de daarvoor beschikbare middelen niet zijn uitgeput, wordt het resterende bedrag toegevoegd aan het plafond voor de tweede aanvraagronde.
Een subsidie ten laste van een begroting die nog niet is vastgesteld of goedgekeurd, wordt verleend onder de voorwaarde in de beschikking dat voldoende middelen op de begroting beschikbaar zullen worden gesteld.
Artikel 7. Afwijzing aanvraag
Onverminderd de in artikelen 11 en 12 van het Kaderbesluit vermelde afwijzingsgronden, beslist de minister afwijzend op een aanvraag indien:
- a. de te verlenen subsidie voor een kennisproject minder bedraagt dan € 150.000,–;
- b. er voor hetzelfde kennisproject al een aanvraag is toegekend;
- c. de aanvraag ziet op een kennisproject met betrekking tot een ander landschapstype dan bedoeld in artikel 1;
- d. de aanvraag ziet op een kennisproject met betrekking tot een landschapstype waarvoor al twee aanvragen zijn toegekend in dezelfde aanvraagronde;
- e. de aanvrager over onvoldoende kennis of ervaring beschikt om het kennisproject uit te kunnen voeren;
- f. als het kennisproject geheel of gedeeltelijk zal worden uitgevoerd door een buitenlandse onderneming of kennisinstelling, onvoldoende onderbouwd is dat die partij een substantiële vestiging heeft;
- g. de aanvraag van onvoldoende kwaliteit is, onder meer wat betreft de planning en aanpak van het kennisproject;
- h. het kennisproject onvoldoende bijdraagt aan de opbouw van relevante kennis of ervaring over NBS;
- i. de kans klein is dat de NBS waarop het kennisproject betrekking heeft, toegepast zal worden in een living lab;
- j. sprake is van ongeoorloofde cumulatie van staatssteun als bedoeld in artikel 8 van de AGVV;
- k. sprake is van een onderneming in moeilijkheden als bedoeld in artikel 2, onderdeel 18, van de AGVV;
- l. de werkzaamheden aan het kennisproject reeds zijn aangevangen voordat de aanvraag voor de subsidie van dat kennisproject is ingediend; of
- m. de financiering van het kennisproject niet aantoonbaar sluitend is.
Voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel d, is de volgorde van binnenkomst van de aanvragen bepalend. Op de dag dat meer dan twee aanvragen voor een kennisproject met betrekking tot hetzelfde landschapstype worden ingediend, bepaalt de minister de onderlinge afhandelvolgorde van die aanvragen door middel van loting.
Voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel d, is bij een aanvraag voor een kennisproject met betrekking tot meerdere landschapstypen het dominante landschapstype bepalend.
Artikel 8. Verplichtingen van de ontvanger
Onverminderd het bepaalde in de hoofdstukken 8 en 10 van het Kaderbesluit, is de ontvanger verplicht:
- a. jaarlijks verslag aan de minister uit te brengen over de voortgang van het kennisproject met gebruikmaking van een daartoe door de minister digitaal beschikbaar gesteld model;
- b. binnen drie maanden na verlening van de subsidie met het kennisproject te starten;
- c. binnen twee jaar na start het kennisproject af te ronden;
- d. openbare presentaties, publicaties en andere communicatie-uitingen van of mede van de ontvanger over het kennisproject te voorzien van de vermelding dat het kennisproject wordt uitgevoerd met subsidie van het Nationaal Groeifonds; en
- e. onverwijld mededeling te doen aan de minister zodra aannemelijk is dat:
- i. het kennisproject niet, niet tijdig of niet geheel zal worden uitgevoerd, of;
- ii. niet, niet tijdig of niet geheel aan het bepaalde in dit artikel zal worden voldaan.
Het verslag, genoemd in het eerste lid, onderdeel a, wordt opgesteld met een door de minister digitaal beschikbaar gesteld model en geeft in ieder geval:
- a. inzicht in de voortgang van het kennisproject; en
- b. een beschrijving van de gerealiseerde activiteiten.
Als de ontvanger een kennisteam is, waaraan een onderneming en een onderzoeksorganisatie deelnemen, is de onderzoeksorganisatie verplicht:
- a. om een gescheiden boekhouding te hebben ten aanzien van de niet-economische activiteiten binnen de onderzoeksorganisatie; en
- b. om de projectactiviteiten uit te voeren in daadwerkelijke samenwerking met ondernemingen, waarbij de onderzoeksorganisatie er zorg voor draagt dat overeenkomstig paragraaf 2.2.2 van het O&O&I-steunkader:
- i. de resultaten van de activiteiten waaraan geen intellectuele eigendomsrechten kunnen worden ontleend, ruim mogen worden verspreid en eventuele intellectuele eigendomsrechten die uit de activiteiten van de onderzoeksorganisatie voortvloeien, volledig aan haar worden toegekend;
- ii. uit de activiteiten ontstane intellectuele eigendomsrechten, alsmede daarmee verband houdende toegangsrechten, aan de verschillende samenwerkende deelnemers worden toegekend op een wijze die een passende afspiegeling is van hun werkpakketten, bijdragen en respectieve belangen; of
- iii. het van de deelnemende ondernemingen een vergoeding ontvangt die overeenstemt met de marktprijs voor de intellectuele eigendomsrechten die voortvloeien uit het kennisproject die worden overgedragen aan de deelnemende ondernemingen.
Als de ontvanger een kennisteam is, verstrekt de penvoerder voorafgaand aan de start van het kennisproject een overeenkomst waarin de samenwerking tussen de deelnemers in het kennisteam is geregeld.
Als de ontvanger een kennisteam is, waaraan een onderneming en een onderzoeksorganisatie deelnemen, bevat de overeenkomst als bedoeld in het vierde lid afspraken over de bijdrage in de kosten, het delen in de risico’s en uitkomsten, de verspreiding van de resultaten en de toegang tot en de regels voor de toewijzing van intellectuele eigendomsrechten.
Het absolute bedrag van financiële en niet-financiële bijdragen van de deelnemende ondernemingen in de kosten van de activiteiten van de onderzoeksorganisatie die de betrokken intellectuele eigendomsrechten hebben opgeleverd, kan op de vergoeding, bedoeld in het derde lid, onderdeel b, subonderdeel iii, in mindering worden gebracht.
De vergoeding, bedoeld in het derde lid, onderdeel b, subonderdeel iii, stemt overeen met de marktprijs indien:
- a. het bedrag van de vergoeding is vastgesteld via een publieke, open en transparante concurrerende verkoopprocedure;
- b. een taxatie van een onafhankelijke deskundige bevestigt dat de prijs overeenstemt met de marktprijs;
- c. de onderzoeksorganisatie als verkoper kan aantonen dat zij heeft onderhandeld over de vergoeding, om rekening houdende met haar algemene doelstellingen, maximaal economisch voordeel te behalen op het tijdstip dat de overeenkomst betreffende de vergoeding wordt afgesloten; of
- d. in de gevallen waarin de overeenkomst, bedoeld in het vierde lid, de onderneming een voorkeursrecht geeft ten aanzien van het door de onderzoeksorganisatie gegenereerde intellectuele eigendomsrecht, wanneer hieraan voor de onderzoeksorganisatie het recht is gekoppeld derden te verzoeken om economisch meer voordelige aanbiedingen, zodat de onderneming haar aanbod daaraan moet aanpassen.
Artikel 9. Voorschot
De minister verleent een voorschot van 90%.
Het voorschot wordt lineair uitbetaald over de looptijd van het kennisproject.
Artikel 10. Subsidievaststelling
De aanvrager kan bij de minister een aanvraag tot vaststelling van de subsidie indienen met gebruikmaking van een daartoe door de minister digitaal beschikbaar gesteld model.
Artikel 11. Evaluatie
De minister publiceert voor 1 oktober 2031 een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van de subsidie in de praktijk.
Artikel 12. Staatssteun
De subsidie voor activiteiten als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdelen a en b, bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd door artikel 25, tweede lid, onderdelen b en c, van de AGVV.
Artikel 13. Inwerkingtreding en looptijd
Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 oktober 2026 en vervalt per 1 oktober 2031, met dien verstande dat de regeling van toepassing blijft op subsidies die voor die datum zijn verleend.
Artikel 14. Citeertitel
Deze regeling wordt aangehaald als: Tijdelijke subsidieregeling NBS Living Labs.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)