Europees Verdrag aangaande de wederzijdse rechtshulp in strafzaken
De Regeringen die dit Verdrag hebben ondertekend, Leden van de Raad van Europa,
Overwegende dat het doel van de Raad van Europa is het tot stand brengen van een grotere eenheid tussen zijn Leden;
Overtuigd dat het aanvaarden van gemeenschappelijke regels op het gebied van wederzijdse rechtshulp in strafzaken tot het bereiken van dit doel zal bijdragen;
Overwegende dat de wederzijdse rechtshulp een onderwerp is dat verwant is aan uitlevering, waarop reeds betrekking heeft een verdrag onder dagtekening van 13 december 1957;
Zijn als volgt overeengekomen:
TITEL I. Algemene bepalingen
Artikel 1
De Partijen verbinden zich er onmiddellijk toe om, in overeenstemming met de bepalingen van dit Verdrag, elkander wederzijds in zo ruim mogelijke mate rechtshulp te verlenen in procedures die betrekking hebben op strafbare feiten waarvan de bestraffing op het tijdstip van het verzoek om rechtshulp, tot de bevoegdheid behoort van rechterlijke autoriteiten van de verzoekende Partij.
Dit Verdrag is niet van toepassing op de tenuitvoerlegging van beslissingen tot vrijheidsbeneming of van veroordelingen of delicten krachtens militair recht die geen strafbare feiten naar het gewone strafrecht zijn.
Wederzijdse rechtshulp kan eveneens worden verleend in procedures wegens feiten die volgens het nationale recht van de verzoekende Partij of de aangezochte Partij als vergrijpen tegen voorschriften betreffende de orde door bestuurlijke autoriteiten worden bestraft, mits van hun beslissingen beroep openstaat op een ook in strafzaken bevoegde rechter.
Wederzijdse rechtshulp wordt niet geweigerd op grond van het enkele feit dat deze betrekking heeft op handelingen waarvoor een rechtspersoon in de verzoekende Partij aansprakelijk kan worden gesteld.
Artikel 2
Rechtshulp kan worden geweigerd:
- (a). indien het verzoek betrekking heeftop strafbare feiten die door de aangezochte Partij, hetzij als een politiek misdrijf of een met een dergelijk misdrijf samenhangend feit, hetzij als een fiscaal delict worden beschouwd;
- (b). indien de aangezochte Partij van mening is dat uitvoering van het verzoek zou kunnen leiden tot een aantasting van de soevereiniteit, de veiligheid, de openbare orde of andere wezenlijke belangen van haar land.
TITEL II. Rogatoire commissies
Artikel 3
De aangezochte Partij geeft volgens de procedure voorzien in haar eigen wetgeving gevolg aan de rogatoire commissies aangaande een strafzaak die tot haar worden gericht door de rechterlijke autoriteiten van de verzoekende Partij en die tot doel hebben het verrichten van handelingen van onderzoek of de toezending van stukken van overtuiging, van dossiers of van documenten.
Indien de verzoekende Partij het wenselijk acht dat getuigen of deskundigen hun verklaring onder ede afleggen, verzoekt zij hierom uitdrukkelijk en de aangezochte Partij geeft aan een dergelijk verzoek gevolg indien de wet van haar land zich daartegen niet verzet.
De aangezochte Partij zal kunnen volstaan met de toezending van voor eensluidend gewaarmerkte afschriften of fotocopieën van de dossiers of documenten waarom wordt verzocht. Indien de verzoekende Partij uitdrukkelijk vraagt om toezending van het origineel, dient zoveel mogelijk aan een dergelijk verzoek gevolg te worden gegeven.
Artikel 4
De aangezochte Partij licht de verzoekende Partij, indien zij daarom uitdrukkelijk vraagt, in aangaande de datum waarop en de plaats waar de rogatoire commissie zal worden uitgevoerd. De autoriteiten van de verzoekende Partij en de betrokkenen kunnen bij die uitvoering aanwezig zijn indien de aangezochte Partij daarin toestemt.
Verzoeken om de aanwezigheid van dergelijke autoriteiten of betrokkenen mag niet worden geweigerd wanneer de uitvoering van het verzoek om rechtshulp door hun aanwezigheid naar verwachting beter aansluit bij de behoeften van de verzoekende Partij en aanvullende verzoeken om rechtshulp derhalve naar verwachting vermeden kunnen worden.
Artikel 5
Iedere Verdragsluitende Partij kan zich bij de ondertekening van dit Verdrag of bij de nederlegging van de akte van bekrachtiging of van toetreding door een verklaring gericht tot de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa het recht voorbehouden de uitvoering van rogatoire commissies strekkende tot huiszoeking of inbeslagneming afhankelijk te stellen van een of meer van de volgende voorwaarden:
- (a). het strafbare feit dat tot de rogatoire commissie aanleiding geeft, moet zowel volgens de wetgeving van de verzoekende als volgens die van de aangezochte Partij strafbaar zijn;
- (b). het strafbare feit dat tot de rogatoire commissie aanleiding geeft, moet in het aangezochte land grond kunnen opleveren tot uitlevering;
- (c). de uitvoering van de rogatoire commissie moet verenigbaar zijn met de wet van de aangezochte Partij.
Wanneer een Verdragsluitende Partij een verklaring overeenkomstig het eerste lid van dit artikel heeft afgelegd, kan elke andere Partij het beginsel van wederkerigheid toepassen.
Artikel 6
De aangezochte Partij kan de overgave van voorwerpen, dossiers en documenten waarvan de overdracht is gevraagd, uitstellen wanneer zij deze nodig heeft voor een strafrechtelijke procedure.
De voorwerpen, alsmede de originele dossiers en documenten, die ter uitvoering van een rogatoire commissie zijn overgegeven worden zo spoedig mogelijk door de verzoekende Partij aan de aangezochte Partij teruggegeven, tenzij laatstgenoemde er afstand van doet.
TITEL III. Mededeling van processtukken en rechterlijke beslissingen - Verschijning van getuigen, deskundigen en verdachten
Artikel 7
De aangezochte Partij doet de processtukken en rechterlijke beslissingen die haar met dat doel door de verzoekende Partij worden toegezonden, aan de betrokkenen toekomen.
Dit kan geschieden door toezending van het processtuk of van de beslissing aan de geadresseerde. Indien de verzoekende Partij hierom uitdrukkelijk vraagt, worden de stukken door de aangezochte Partij medegedeeld volgens een van de procedures waarin haar wetgeving voor dergelijke betekeningen voorziet of volgens een bijzondere procedure die met haar wetgeving verenigbaar is.
Als bewijs dat het stuk werd uitgereikt dient ofwel een gedateerd ontvangstbewijs dat door de geadresseerde ondertekend is, ofwel een verklaring van de aangezochte Partij waarin het feit van de uitreiking, benevens de wijze en de datum waarop deze is geschied, zijn vermeld. Het bewijsstuk van de uitreiking wordt zo spoedig mogelijk aan de verzoekende Partij toegezonden. Indien de verzoekende Partij daarom vraagt, geeft de aangezochte Partij aan of de uitreiking overeenkomstig haar wetgeving heeft plaatsgevonden. Indien de uitreiking niet heeft kunnen plaatsvinden, deelt de aangezochte Partij de reden daarvan terstond aan de verzoekende Partij mede.
Iedere Verdragsluitende Partij kan bij de ondertekening van dit Verdrag of bij de nederlegging van haar akte van bekrachtiging of van toetreding door een verklaring gericht tot de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa verzoeken dat een dagvaarding bestemd voor een verdachte die zich op haar grondgebied bevindt, een bepaalde tijd vóór de datum welke voor de verschijning is vastgesteld, aan haar autoriteiten wordt toegezonden. Deze termijn wordt in de bedoelde verklaring aangegeven en mag de 50 dagen niet overschrijden.
Bij het vaststellen van de datum van verschijning en bij de toezending van de dagvaarding dient met deze termijn rekening te worden gehouden.
Artikel 8
De getuige of deskundige die geen gevolg heeft gegeven aan een dagvaarding waarvan toezending is gevraagd, kan aan geen enkele sanctie of dwangmaatregel worden onderworpen, zelfs niet indien in de dagvaarding een verplichting om te verschijnen is vermeld, tenzij de betrokkene zich daarna uit vrije wil op het grondgebied van de verzoekende Partij begeeft en hij daar op wettige wijze opnieuw gedagvaard wordt.
Artikel 9
De schadeloosstelling en de vergoeding voor reis- en verblijfkosten die aan de getuige of deskundige door de verzoekende Partij moeten worden betaald, worden berekend vanaf de verblijfplaats van de betrokkene, en dienen te worden toegekend volgens tarieven die ten minste gelijk zijn aan die welke van kracht zijn in het land waar het verhoor plaats moet vinden.
Artikel 10
Indien de verzoekende Partij het van bijzonder belang acht dat een getuige of een deskundige in persoon voor haar rechterlijke autoriteiten verschijnt, vermeldt zij dit uitdrukkelijk bij haar verzoek tot uitreiking van de dagvaarding.
De aangezochte Partij nodigt een dergelijke getuige of deskundige uit om inderdaad te verschijnen. De aangezochte Partij geeft van het antwoord van de getuige of deskundige aan de verzoekende Partij kennis.
In het geval voorzien in het eerste lid van dit artikel moet het verzoek of de dagvaarding bij benadering aangeven het bedrag van de te betalen schadeloosstelling en van de te vergoeden reis- en verblijfkosten.
De aangezochte Partij kan, indien dit aan haar wordt verzocht, aan de getuige of de deskundige een voorschot toekennen. Het bedrag van dit voorschot wordt op de dagvaarding vermeld en terugbetaald door de verzoekende Partij.
Artikel 11
Indien de verzoekende Partij, ten behoeve van de bewijsvoering en niet voor het terechtstaan van de betrokkene, de verschijning in persoon verzoekt van een gedetineerde, wordt deze tijdelijk overgebracht naar haar grondgebied, op voorwaarde dat hij of zij binnen de door de aangezochte Partij vastgestelde termijn wordt teruggebracht en onder voorbehoud van het bepaalde in artikel 12 van dit Verdrag, voor zover dit toepassing kan vinden.
De overbrenging kan worden geweigerd indien:
- a. de gedetineerde er niet in toestemt;
- b. zijn of haar aanwezigheid vereist wordt in een strafrechtelijke procedure op het grondgebied van de aangezochte Partij;
- c. de overbrenging de duur van zijn of haar detentie zou kunnen verlengen, of
- d. andere dwingende overwegingen zich tegen zijn of haar overbrenging naar het grondgebied van de verzoekende Partij verzetten.
Onverminderd artikel 2 van dit Verdrag, wordt, in het geval bedoeld in het eerste lid, de doortocht van de gedetineerde door het grondgebied van een derde Partij toegestaan Het daartoe strekkende verzoek van het Ministerie van Justitie van de verzoekende Partij aan het Ministerie van Justitie van de Partij voor wiens grondgebied om doortocht wordt verzocht dient te zijn vergezeld van de daarvoor van belang zijnde stukken. Een Partij kan weigeren doortocht van zijn onderdanen toe te staan.
De overgebrachte persoon blijft op het grondgebied van de verzoekende Partij en, in voorkomende gevallen op het grondgebied van de Partij aan wie toestemming tot doortocht is verzocht, in detentie, tenzij de Partij die om toestemming tot doortocht wordt verzocht, zijn of haar invrijheidstelling verzoekt.
Artikel 12
Een getuige of deskundige, van welke nationaliteit ook, die na gedagvaard te zijn voor de rechterlijke autoriteiten van de verzoekende Partij verschijnt, kan op het grondgebied van die Partij noch worden vervolgd, noch in hechtenis genomen, noch aan enige andere vrijheidsbeperking worden onderworpen voor feiten of veroordelingen die voorafgingen aan zijn vertrek van het grondgebied van de aangezochte Partij.
Een persoon, van welke nationaliteit ook, die gedagvaard is om voor de rechterlijke autoriteiten van de verzoekende Partij te verschijnen teneinde zich te verantwoorden voor feiten ten aanzien waarvan tegen hem een strafvervolging is ingesteld, kan noch worden vervolgd noch in hechtenis genomen, noch aan enige andere vrijheidsbeperking worden onderworpen voor feiten of veroordelingen welke vooraf gingen aan zijn vertrek van het grondgebied van de aangezochte Partij, voor zover die niet in de dagvaarding zijn vermeld.
De in dit artikel bedoelde immuniteit houdt op wanneer de getuige, de deskundige of de verdachte, hoewel hij gedurende vijftien achtereenvolgende dagen na het tijdstip waarop zijn aanwezigheid niet meer door de rechterlijke autoriteiten werd vereist, de mogelijkheid had het grondgebied van de verzoekende Partij te verlaten, daar desalniettemin is gebleven of op dat grondgebied is teruggekeerd na het te hebben verlaten.
TITEL IV. Strafregister
Artikel 13
De uittreksels uit het strafregister en alle inlichtingen welke op het strafregister betrekking hebben, die door de rechterlijke autoriteiten van een Partij in verband met een strafzaak worden gevraagd, worden door de aangezochte Partij aan die autoriteiten verstrekt, voor zover haar eigen rechterlijke autoriteiten deze in overeenkomstige gevallen kunnen verkrijgen.
In andere gevallen dan die bedoeld in het eerste lid van dit artikel wordt aan een dergelijk verzoek gevolg gegeven overeenkomstig hetgeen is voorzien in de wetgeving, de regelingen of de algemeen gevolgde gedragslijn van de aangezochte Partij.
TITEL V. Procedure
Artikel 14
Verzoeken om rechtshulp dienen de volgende gegevens te bevatten:
- (a). autoriteit waarvan het verzoek uitgaat;
- (b). het onderwerp van en de grond voor het verzoek;
- (c). voor zover mogelijk de identiteit en de nationaliteit van de betrokken persoon;
- (d). zo nodig de naam en het adres van degene voor wie het bestemd is.
De rogatoire commissies bedoeld in de artikelen 3, 4 en 5 dienen bovendien de telastelegging te vermelden en een kort overzicht van de feiten te bevatten.
Artikel 15
Verzoeken om wederzijdse rechtshulp, alsmede informatie op eigen initiatief, worden door het Ministerie van Justitie van de verzoekende Partij gericht aan het Ministerie van Justitie van de aangezochte Partij en op dezelfde wijze teruggezonden. Zij mogen evenwel rechtstreeks door de rechterlijke autoriteiten van de verzoekende Partij worden gericht aan de rechterlijke autoriteiten van de aangezochte Partij en op dezelfde wijze worden teruggezonden.
De verzoeken bedoeld in artikel 11 van dit Verdrag en artikel 13 van het Tweede Aanvullend Protocol bij dit Verdrag worden in alle gevallen door het Ministerie van Justitie van de verzoekende Partij gericht aan het Ministerie van Justitie van de aangezochte Partij en op dezelfde wijze teruggezonden.
Verzoeken om wederzijdse rechtshulp betreffende procedures als bedoeld in artikel 1, derde lid, van dit Verdrag kunnen eveneens rechtstreeks door de bestuurlijke of rechterlijke autoriteiten van de verzoekende Partij worden gericht aan de bestuurlijke of rechterlijke autoriteiten van de aangezochte Partij, naar gelang van het geval, en op dezelfde wijze worden teruggezonden.
Verzoeken om wederzijdse rechtshulp gedaan ingevolge de artikelen 18 en 19 van het Tweede Aanvullend Protocol bij dit Verdrag kunnen eveneens rechtstreeks door de bevoegde autoriteiten van de verzoekende Partij worden gericht aan de bevoegde autoriteiten van de aangezochte Partij.
De verzoeken bedoeld in artikel 13, eerste lid, van dit Verdrag kunnen rechtstreeks door de betrokken rechterlijke autoriteiten worden gericht aan de desbetreffende autoriteiten van de aangezochte Partij, en de antwoorden kunnen door deze autoriteiten rechtstreeks worden teruggezonden. De verzoeken bedoeld in artikel 13, tweede lid, van dit Verdrag worden door het Ministerie van Justitie van de verzoekende Partij gericht aan het Ministerie van Justitie van de aangezochte Partij.
Verzoeken om afschriften van vonnissen en maatregelen als bedoeld in artikel 4 van het Aanvullend Protocol bij het Verdrag kunnen rechtstreeks aan de bevoegde autoriteiten worden gericht. Elke Verdragsluitende Staat kan te allen tijde door middel van een aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa gerichte verklaring aangeven welke autoriteiten hij beschouwt als bevoegde autoriteiten in de zin van dit lid.
In spoedeisende gevallen kan dit, wanneer rechtstreekse verzending ingevolge dit Verdrag is toegestaan, geschieden via de Internationale Politie Organisatie (Interpol).
Elke Partij kan zich te allen tijde door middel van een aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa gerichte verklaring het recht voorbehouden de uitvoering van verzoeken om wederzijdse rechtshulp, of gespecificeerde verzoeken, afhankelijk te stellen van een of meer van de volgende voorwaarden:
- a. dat een afschrift van het verzoek aan de in die verklaring genoemde centrale autoriteit wordt gericht;
- b. dat verzoeken, behoudens spoedeisende verzoeken, aan de in die verklaring genoemde centrale autoriteit worden gericht;
- c. dat, in geval van rechtstreekse verzending vanwege spoedeisende redenen, tegelijkertijd een afschrift aan haar Ministerie van Justitie wordt gericht;
- d. dat sommige of alle verzoeken om rechtshulp aan haar worden gericht op een andere wijze dan de in dit artikel bedoelde wijzen.
Verzoeken om wederzijdse rechtshulp en alle overige mededelingen op grond van dit Verdrag of de Protocollen daarbij, kunnen worden verzonden via elektronische of andere telecommunicatiemiddelen mits de verzoekende Partij bereid is, op verzoek, op enig tijdstip een schriftelijk stuk en het origineel hiervan te verstrekken. Elke Verdragsluitende Staat kan evenwel door middel van een op enig tijdstip aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa gerichte verklaring de voorwaarden vaststellen waarop hij bereid is via elektronische of andere telecommunicatiemiddelen ontvangen verzoeken te aanvaarden en uit te voeren.
Dit artikel laat onverlet de bepalingen uit bilaterale overeenkomsten of regelingen welke tussen de Partijen van kracht zijn en volgens welke rechtstreekse toezending van verzoeken om rechtshulp tussen hun onderscheiden autoriteiten is voorzien.
Artikel 16
Behoudens het bepaalde in het tweede lid van dit artikel wordt geen vertaling van de verzoeken en de daarbij behorende stukken geëist.
Iedere Verdragsluitende Partij kan zich bij de ondertekening van dit Verdrag of bij nederlegging van haar akte van bekrachtiging of van toetreding door een verklaring gericht tot de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa het recht voorbehouden te eisen dat verzoeken om rechtshulp en daarbij behorende stukken haar worden toegezonden vergezeld, hetzij van een vertaling in haar eigen taal, hetzij van een vertaling in een van de officiële talen van de Raad van Europa, dan wel in een door die Partij aangegeven officiële taal van de Raad van Europa. De andere Partijen kunnen het beginsel van wederkerigheid toepassen.
Dit artikel laat onverlet de bepalingen met betrekking tot de vertaling van verzoeken om rechtshulp en daarbij behorende stukken welke zijn opgenomen in overeenkomsten of afspraken welke van kracht zijn of nog zullen worden tussen twee of meer Verdragsluitende Partijen.
Artikel 17
De stukken en documenten welke krachtens dit Verdrag worden overgedragen zijn vrijgesteld van alle formaliteiten van legalisatie.
Artikel 18
Indien een autoriteit die een verzoek om rechtshulp ontvangt onbevoegd is om daaraan gevolg te geven, draagt zij dit verzoek ambtshalve over aan de bevoegde autoriteit van haar land. Indien het verzoek rechtstreeks is gedaan, stelt zij de verzoekende Partij rechtstreeks van de overdracht op de hoogte.
Artikel 19
Elke weigering van rechtshulp wordt met redenen omkleed.
Artikel 20
De Partijen vorderen van elkaar geen terugbetaling van kosten voortvloeiende uit de toepassing van dit Verdrag of de Protocollen daarbij, behoudens:
- a. kosten veroorzaakt door het optreden van deskundigen op het grondgebied van de aangezochte Partij;
- b. kosten veroorzaakt door de overbrenging van gedetineerden overeenkomstig artikel 13 of 14 van het Tweede Aanvullend Protocol bij dit Verdrag, of artikel 11 van dit Verdrag;
- c. kosten van aanmerkelijke of buitengewone aard.
De kosten van het tot stand brengen van een video- of telefoonverbinding, de kosten van het functioneren van een video- of telefoonverbinding in de aangezochte Partij, de vergoeding van door haar geleverde tolken en gelden betaald aan getuigen alsmede de door hen gemaakte reiskosten in de aangezochte Partij worden evenwel door de verzoekende Partij aan de aangezochte Partij terugbetaald, tenzij de Partijen anderszins overeenkomen.
De Partijen plegen overleg met elkaar teneinde regelingen te treffen voor de betaling van de kosten die uit hoofde van het eerste lid, onder c, teruggevorderd kunnen worden.
De bepalingen van dit artikel laten de bepalingen van artikel 10, derde lid, van dit Verdrag onverlet.
TITEL VI. Aangifte tot het uitlokken van een strafvervolging
Artikel 21
Elke aangifte van een Verdragsluitende Partij welke tot strekking heeft het instellen van een strafvervolging voor de rechter van een andere Partij, wordt door het Ministerie van Justitie van de ene Partij tot het Ministerie van Justitie van de andere Partij gericht. De Verdragsluitende Partijen kunnen evenwel gebruik maken van de bevoegdheid voorzien in het zesde lid van artikel 15.
De aangezochte Partij deelt de verzoekende Partij mede welk gevolg aan deze aangifte is gegeven en doet een afschrift van de beslissing welke in de zaak is genomen aan de verzoekende Partij toekomen.
Het bepaalde in artikel 16 is van toepassing op aangiften gedaan krachtens het eerste lid van dit artikel.
TITEL VII. Uitwisseling van mededelingen omtrent veroordelingen
Artikel 22
Elk der Partijen geeft aan de betrokken Partij kennis van strafvonnissen en van nadien met betrekking tot die vonnissen genomen maatregelen die betrekking hebben op onderdanen van die Partij en in het strafregister zijn vermeld. De Ministeries van Justitie wisselen deze mededelingen ten minste éénmaal per jaar uit. Indien de betrokkene beschouwd wordt als onderdaan van twee of meer Verdragsluitende Partijen, worden de mededelingen aan ieder van de betrokken Partijen gedaan, tenzij de betrokkene de nationaliteit bezit van de Partij op wier grondgebied hij is veroordeeld.
Bovendien zendt iedere Verdragsluitende Partij die bovenbedoelde mededelingen heeft gedaan, aan de betrokken Partij, op haar verzoek en in bijzondere gevallen, afschriften van de desbetreffende vonnissen en maatregelen, alsmede iedere andere daarop betrekking hebbende inlichting, ten einde haar in staat te stellen na te gaan of in verband hiermee interne maatregelen moeten worden genomen. Deze uitwisseling van stukken geschiedt tussen de betrokken Ministeries van Justitie.
TITEL VIII. Slotbepalingen
Artikel 23
Iedere Verdragsluitende Partij kan bij de ondertekening van dit Verdrag of bij de nederlegging van haar akte van bekrachtiging of van toetreding een voorbehoud maken met betrekking tot een of meer daarbij aangegeven bepalingen van dit Verdrag.
Iedere Verdragsluitende Partij die een voorbehoud heeft gemaakt trekt dit, zodra de omstandigheden haar dit veroorloven, in. Een voorbehoud wordt ingetrokken door een mededeling gericht tot de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa.
Een Verdragsluitende Partij die met betrekking tot een bepaling van dit Verdrag een voorbehoud heeft gemaakt kan de naleving van die bepaling van dit Verdrag door een andere Partij slechts verlangen voor zover zij die bepaling zelf heeft aanvaard.
Artikel 24
Iedere Staat geeft op het tijdstip van ondertekening of bij de nederlegging van zijn akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding door een verklaring gericht aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa aan welke autoriteiten hij beschouwt als rechterlijke autoriteiten in de zin van dit Verdrag. Daarna kan hij deze verklaring te allen tijde en op dezelfde wijze wijzigen.
Artikel 25
Dit Verdrag is van toepassing op het tot het moederland behorende grondgebied van de Verdragsluitende Partijen.
Het is tevens van toepassing wat Frankrijk betreft op Algerije en op de overzeese departementen en wat Italië betreft op het grondgebied van Somaliland dat onder Italiaans bestuur staat.
De Bondsrepubliek Duitsland kan door een verklaring gericht tot de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa de toepasselijkheid van dit Verdrag uitbreiden tot het „Land" Berlijn.
Wat het Koninkrijk der Nederlanden betreft, is dit Verdrag van toepassing op zijn Europese grondgebied. Het Koninkrijk kan door een verklaring gericht tot de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa, de toepasselijkheid van dit Verdrag uitbreiden tot de Nederlandse Antillen, Suriname en Nederlands Nieuw-Guinea.
Bij rechtstreekse overeenkomst tussen twee of meer Verdragsluitende Partijen kan de toepasselijkheid van dit Verdrag onder bij die overeenkomst te stellen voorwaarden worden uitgebreid tot elk grondgebied van een van die Partijen hetwelk niet behoort tot het grondgebied bedoeld in de voorgaande leden, voor zover de buitenlandse betrekkingen van die gebieden door een der Partijen worden behartigd.
Artikel 26
Onverminderd het bepaalde in het zevende lid van artikel 15 en het derde lid van artikel 16 doet dit Verdrag wat de gebieden waarop het van toepassing is betreft, die bepalingen uit bilaterale verdragen, conventies of overeenkomsten vervallen, die de wederzijdse rechtshulp in strafzaken tussen twee Verdragsluitende Partijen regelen.
Dit Verdrag maakt geen inbreuk op de verplichtingen welke zijn vervat in de bepalingen van een andere internationale overeenkomst van bilaterale of multilaterale aard, waarvan zekere bepalingen de wederzijdse rechtshulp op bijzondere punten voor een bepaald terrein regelen of zullen regelen.
De Verdragsluitende Partijen kunnen met elkaar slechts bilaterale of multilaterale overeenkomsten met betrekking tot de wederzijdse rechtshulp in strafzaken sluiten wanneer deze ertoe strekken de bepalingen van dit Verdrag aan te vullen of de toepassing van de daarin vervatte beginselen te vergemakkelijken.
Indien de rechtshulp in strafzaken tussen twee of meer Verdragsluitende Partijen plaatsvindt op grond van een eenvormige wet of van een bijzonder stelsel dat in wederzijdse toepassing van maatregelen van rechtshulp op elkaars grondgebied voorziet, zijn die Partijen bevoegd om hun onderlinge betrekkingen op dit terrein uitsluitend te regelen op basis van zulk een wet of stelsel, niettegenstaande de bepalingen van dit Verdrag. De Verdragsluitende Partijen die in hun onderlinge betrekkingen de toepassing van dit Verdrag van het begin af aan of later uitsluiten overeenkomstig de bepalingen van dit lid, dienen ter zake een mededeling te richten tot de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa.
Artikel 27
Dit Verdrag is voor ondertekening door de leden van de Raad van Europa opengesteld. Het dient te worden bekrachtigd en de akten van bekrachtiging dienen te worden nedergelegd bij de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa.
Het Verdrag treedt in werking 90 dagen na het tijdstip waarop de derde akte van bekrachtiging is nedergelegd.
Voor iedere ondertekenende regering die het daarna bekrachtigt, treedt het in werking 90 dagen na de datum van nederlegging van haar akte van bekrachtiging.
Artikel 28
Het Comité van Ministers van de Raad van Europa kan elke Staat die geen lid is van de Raad uitnodigen tot dit Verdrag toe te treden, mits de resolutie betreffende deze uitnodiging eenstemmig wordt goedgekeurd door de leden van de Raad die dit Verdrag hebben bekrachtigd.
De toetreding vindt plaats door nederlegging bij de Secretaris-Generaal van de Raad van een akte van toetreding. De toetreding treedt in werking 90 dagen na de nederlegging van de desbetreffende akte.
Artikel 29
Iedere Verdragsluitende Partij kan dit Verdrag wat haar betreft opzeggen door een daartoe strekkende kennisgeving, te richten tot de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa. De opzegging treedt in werking zes maanden na de datum waarop de kennisgeving door de Secretaris-Generaal van de Raad is ontvangen.
Artikel 30
De Secretaris-Generaal van de Raad van Europa geeft alle leden van de Raad en de regering van elke Staat die tot dit Verdrag is toegetreden, kennis van:
- (a). de namen van de ondertekenende regeringen en de nederlegging van iedere akte van bekrachtiging of van toetreding;
- (b). de datum van inwerkingtreding;
- (c). elke kennisgeving ontvangen krachtens de bepalingen van het eerste lid van artikel 5, het derde lid van artikel 7, het zesde lid van artikel 15, het tweede lid van artikel 16, artikel 24, het derde en vierde lid van artikel 25 en het vierde lid van artikel 26;
- (d). elk voorbehoud gemaakt krachtens het eerste lid van artikel 23;
- (e). de intrekking van elk voorbehoud krachtens het tweede lid van artikel 23;
- (f). elke kennisgeving van opzegging ontvangen krachtens artikel 29 en de datum waarop deze in werking treedt.
IN WITNESS WHEREOF the undersigned, being duly authorised thereto, have signed this Convention.
DONE at Strasbourg, this 20th day of April 1959, in English and French, both texts being equally authoritative, in a single copy which shall remain deposited in the archives of the Council of Europe. The Secretary-General of the Council of Europe shall transmit certified copies to the signatory and acceding Governments.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)