Verdrag inzake de voorkoming van verontreiniging van de zee ten gevolge van het storten van afval en andere stoffen
De Verdragsluitende Partijen bij dit Verdrag,
Erkennende dat het mariene milieu en de daarvan levende organismen van uitzonderlijk gewicht zijn voor de mensheid en dat de gehele mensheid er belang bij heeft dat dit milieu zodanig wordt beheerd dat zijn eigenschappen en zijn bronnen niet worden aangetast;
Erkennende dat het vermogen van de zee afval op te nemen en onschadelijk te maken en haar mogelijkheden om het leven van de natuurlijke bronnen te hernieuwen niet onbegrensd zijn;
Erkennende dat de Staten, krachtens het Handvest der Verenigde Naties en de beginselen van het volkenrecht, het soevereine recht hebben hun eigen bronnen te exploiteren volgens hun eigen milieubeleid en dat het hun plicht is er op toe te zien dat de binnen hun rechtsmacht of onder hun controle uitgeoefende werkzaamheden geen schade berokkenen aan het milieu van andere Staten of van buiten hun nationale rechtsgebied gelegen gebieden;
Herinnerend aan Resolutie 2749 (XXV) van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties inzake de beginselen die van toepassing zijn op de buiten de nationale rechtsmacht gelegen zee- en oceaanbodem en de ondergrond daarvan;
Vaststellende dat de verontreiniging van de zee talrijke oorzaken heeft, zoals het storten en het lozen via dampkring, rivieren, estuaria, open afvoeren en pijpleidingen, en dat het van belang is dat de Staten de daarvoor het meest in aanmerking komende middelen aanwenden ter voorkoming van zodanige verontreiniging en produkten en methoden ontwikkelen die de hoeveelheid te vernietigen schadelijk afval beperken;
Ervan overtuigd dat internationale maatregelen onverwijld kunnen en moeten worden genomen ten einde de verontreiniging van de zee ten gevolge van het storten te bestrijden, maar dat dit een onderzoek van maatregelen ter bestrijding van andere bronnen van verontreiniging zodra dit mogelijk is niet moet verhinderen; en
Vervuld van de wens de bescherming van het mariene milieu te verbeteren, door de Staten die in bepaalde geografische gebieden een gemeenschappelijk belang hebben, aan te moedigen daartoe geëigende overeenkomsten te sluiten ter aanvulling van dit Verdrag;
Zijn overeengekomen als volgt:
Artikel I
De Verdragsluitende Partijen dienen afzonderlijk en gezamenlijk te bevorderen dat alle bronnen van verontreiniging van het mariene milieu onder controle blijven en zij verbinden zich in het bijzonder te streven naar het nemen van alle mogelijke maatregelen ter voorkoming van verontreiniging van de zee door het storten van afval en andere stoffen die de gezondheid van de mens in gevaar kunnen brengen, schade kunnen berokkenen aan de in de zee voorkomende fauna en flora, een aantasting kunnen vormen van de mogelijkheden tot recreatie of een ander rechtmatig gebruik van de zee kunnen verhinderen.
Artikel II
De Verdragsluitende Partijen nemen, overeenkomstig de hierna volgende artikelen, zowel afzonderlijk, al naar gelang van hun wetenschappelijke, technische en economische mogelijkheden, als gezamenlijk alle passende maatregelen ter voorkoming van verontreiniging van de zee ten gevolge van het storten en zij harmoniseren hun beleid in dit opzicht.
Artikel III
In dit Verdrag:
- 1.
- (a). betekent „storten”:
- (i). het zich op zee opzettelijk ontdoen van afval en andere stoffen vanuit schepen of luchtvaartuigen, of vanaf platforms of andere bouwwerken in zee;
- (ii). het in zee tot zinken brengen van schepen, luchtvaartuigen, platforms of andere bouwwerken in zee;
- (b). wordt onder „storten” niet begrepen:
- (i). het zich op zee ontdoen van afval of andere stoffen behorende bij of afkomstig van de normale exploitatie van schepen, luchtvaartuigen, platforms of andere bouwwerken in zee en van hun uitrusting, waaronder niet begrepen zijn afval en andere stoffen die worden vervoerd door of overgeladen op schepen, luchtvaartuigen, platforms of andere bouwwerken in zee, gebruikt om zich van deze stoffen te ontdoen, of stoffen die afkomstig zijn van de verwerking van dergelijk afval of andere stoffen aan boord van deze schepen, luchtvaartuigen, platforms of andere bouwwerken;
- (ii). het deponeren van stoffen met een ander oogmerk dan er zich enkel en alleen van te ontdoen mits zulks niet strijdig is met het doel van dit Verdrag;
- (c). valt het zich ontdoen van afval of andere stoffen, onmiddellijk of middellijk afkomstig van de exploratie, de ontginning en de verwerking op zee van mineralen die zich in de zeebodem bevinden, niet onder de bepalingen van dit Verdrag;
-
- betekent „schepen en luchtvaartuigen” vaartuigen die zich op het water, in het water of in de lucht voortbewegen, onverschillig van welk type zij zijn. Hieronder zijn mede begrepen luchtkussenvaartuigen, drijvende voorwerpen, al dan niet met eigen voortstuwingsvermogen;
-
- betekent „zee” alle mariene wateren met uitzondering van de binnenwateren van de Staten;
-
- betekent „afval en andere stoffen” materialen en substanties, onverschillig hun aard, vorm of beschrijving;
-
- betekent „bijzondere vergunning” de toestemming die voor ieder afzonderlijk geval wordt verleend op een van tevoren ingediend verzoek, zulks overeenkomstig het bepaalde in de Bijlagen II en III;
-
- betekent „algemene vergunning” de toestemming die van tevoren wordt verleend overeenkomstig het bepaalde in Bijlage III;
-
- betekent „Organisatie” de instelling die door de Verdragsluitende Partijen wordt aangewezen overeenkomstig het bepaalde in Artikel XIV, tweede lid.
Artikel IV
Overeenkomstig het bepaalde in dit Verdrag verbiedt elke Verdragsluitende Partij het storten van alle afval of andere stoffen in welke vorm en onder welke omstandigheden dan ook, met inachtneming van de hierna volgende bepalingen:
- (a). het storten van alle afval of stoffen genoemd in Bijlage I is verboden;
- (b). voor het storten van afval of andere stoffen genoemd in Bijlage II is een van tevoren verleende bijzondere vergunning vereist;
- (c). voor het storten van alle andere afval en stoffen is een van tevoren verleende algemene vergunning vereist.
Een vergunning wordt slechts verleend, nadat een nauwkerig onderzoek is ingesteld naar alle factoren genoemd in Bijlage III, met inbegrip van een voorafgaand onderzoek van de kenmerken van de stortplaats overeenkomstig het bepaalde in de paragrafen B en C van die Bijlage.
Geen enkele bepaling van dit Verdrag mag worden uitgelegd als beletsel voor een Verdragsluitende Partij om, wat haar betreft, het storten van afval en stoffen welke niet in Bijlage I zijn genoemd te verbieden. Die Partij geeft de Organisatie kennis van de te dien aanzien genomen maatregelen.
Artikel V
Het bepaalde in Artikel IV is niet van toepassing wanneer het noodzakelijk is voor de bescherming van mensenlevens of voor de veiligheid van schepen, luchtvaartuigen, platforms of andere bouwwerken in zee in geval van overmacht ten gevolge van noodweer of in alle andere gevallen waarin mensenlevens in gevaar zijn of een ernstige bedreiging bestaat voor schepen, luchtvaartuigen, platforms of andere bouwwerken in zee, mits het ernaar uitziet dat het storten de enige oplossing is om de dreiging af te wenden en hierdoor naar alle waarschijnlijkheid de minste schade wordt veroorzaakt. Het storten moet dan dusdanig geschieden dat de gevaren voor het menselijk leven en voor de in zee voorkomende flora en fauna tot een minimum beperkt blijven. De Organisatie dient onverwijld van het storten in kennis te worden gesteld.
Een Verdragsluitende Partij mag, in afwijking van Artikel IV, eerste lid, letter a, een bijzondere vergunning verlenen in noodgevallen die voor de menselijke gezondheid onaanvaardbare risico's met zich brengen en waarvoor geen andere oplossing mogelijk is. Alvorens hiertoe over te gaan, raadpleegt de Partij ieder ander land of landen die erbij betrokken zouden kunnen zijn, alsmede de Organisatie die, na de andere Partijen en de daarvoor in aanmerking komende internationale organisaties te hebben geraadpleegd, overeenkomstig het bepaalde in artikel XIV, de Partij zo spoedig mogelijk aanbevelingen doet omtrent de te volgen werkwijzen die het meest geschikt zijn. De Partij volgt deze aanbevelingen zoveel mogelijk op, binnen de tijd waarin de nodige maatregelen moeten worden genomen, en rekening houdend met de algemene verplichting het veroorzaken van schade aan het mariene milieu te vermijden; zij geeft de Organisatie kennis van de door haar genomen maatregelen. De Partijen verbinden zich elkaar in zodanige situatie onderling bijstand te verlenen.
Iedere Verdragsluitende Partij kan bij de bekrachtiging van of bij de toetreding tot dit Verdrag van haar in het tweede lid bedoelde rechten afzien.
Artikel VI
Iedere Verdragsluitende Partij wijst één of meer autoriteiten aan die bevoegd zijn tot:
- (a). het verlenen van bijzondere vergunningen die voorafgaande aan de storting vereist zijn voor het storten van de in Bijlage II genoemde stoffen en in de in Artikel V, tweede lid, omschreven omstandigheden;
- (b). het verlenen van algemene vergunningen die voorafgaande aan de storting vereist zijn voor het storten van alle andere stoffen;
- (c). het bijhouden van lijsten, waarop de aard en de hoeveelheden van alle stoffen die gestort mogen worden, alsmede de plaats, de datum en de wijze van storten worden vermeld;
- (d). het afzonderlijk of in samenwerking met andere Partijen en de bevoegde international organisaties verrichten van controlemetingen betreffende de toestand van de zeeën ten behoeve van de uitvoering van dit Verdrag.
De bevoegde autoriteit of autoriteiten van een Verdragsluitende Partij zullen voorafgaand aan de storting de algemene of bijzondere vergunningen verlenen overeenkomstig het bepaalde in het eerste lid hierboven voor de te storten stoffen:
- (a). die geladen worden op haar grondgebied;
- (b). die geladen worden door een schip of een luchtvaartuig dat op haar grondgebied staat ingeschreven of dat haar vlag voert, wanneer het laden plaatsvindt op het grondgebied van een Staat die geen Partij is bij dit Verdrag.
Bij het verlenen van de hierboven onder het eerste lid, letters (a) en (b), bedoelde vergunningen handelt de bevoegde autoriteit of handelen de bevoegde autoriteiten overeenkomstig het bepaalde in Bijlage III en overeenkomstig de aanvullende criteria, maatregelen en voorwaarden die zij ter zake dienende acht, respectievelijk achten.
Iedere Verdragsluitende Partij brengt, rechtstreeks of door tussenkomstvan een bij regionale overeenkomst ingesteld secretariaat, aan de Organisatie en zo nodig aan andere Partijen verslag uit over de in de letters (c) en (d) van het eerste lid van dit artikel bedoelde inlichtingen alsmede over de overeenkomstig het bepaalde in het derde lid van dit artikel door haar aanvaarde criteria, maatregelen en voorwaarden. De te volgen procedure en de aard van deze mededelingen worden in onderling overleg door de Partijen geregeld.
Artikel VII
Iedere Verdragsluitende Partij past de voor de uitvoering van dit Verdrag vereiste maatregelen toe op alle:
- (a). schepen en luchtvaartuigen die op haar grondgebied staan ingeschreven of die haar vlag voeren;
- (b). schepen en luchtvaartuigen die op haar grondgebied of in haar territoriale wateren stoffen laden die gestort moeten worden;
- (c). schepen, luchtvaartuigen en vaste of drijvende platforms die onder haar rechtsmacht vallen en waarvan mag worden aangenomen dat zij stortingswerkzaamheden verrichten.
Iedere Verdragsluitende Partij neemt binnen haar grondgebied de geëigende maatregelen ter voorkoming en bestraffing van handelingen die in strijd zijn met de bepalingen van dit Verdrag.
De Verdragsluitende Partijen komen overeen samen te werken bij de ontwikkeling van de procedures voor de daadwerkelijke toepassing van dit Verdrag, met name in volle zee, met inbegrip van de procedures voor het melden van schepen en luchtvaartuigen die waargenomen worden terwijl ze bezig zijn met storten in strijd met de bepalingen van dit Verdrag.
Dit Verdrag is niet van toepassing op schepen en luchtvaartuigen die ingevolge het volkenrecht de immuniteit van Staten genieten. Door het nemen van geëigende maatregelen ziet iedere Partij er evenwel op toe dat dergelijke schepen en luchtvaartuigen die zij in bezit of in gebruik heeft, gebruikt worden overeenkomstig de doeleinden van dit Verdrag; zij doet de Organisatie dienovereenkomstig mededeling.
Het recht van iedere Partij andere maatregelen te nemen overeenkomstig de beginselen van het volkenrecht ter voorkoming van storten op zee wordt door geen enkele bepaling van dit Verdrag aangetast.
Artikel VIII
Ten einde de doelstellingen van dit Verdrag te bevorderen, stellen de Verdragsluitende Partijen die een gemeenschappelijk belang hebben bij de bescherming van het mariene milieu in een bepaald geografisch gebied, alles in het werk om, rekening houdend met regionale bijzonderheden, regionale overeenkomsten te sluiten die verenigbaar zijn met dit Verdrag, ter voorkoming van verontreiniging in het bijzonder ten gevolge van storten. De Partijen bij dit Verdrag streven er naar om te handelen in overeenstemming met de doelstellingen en de bepalingen van deze regionale overeenkomsten waarvan hun mededeling wordt gedaan door de Organisatie. De Verdragsluitende Partijen streven naar samenwerking met de Partijen bij de regionale overeenkomsten ter harmonisering van de door de Partijen bij de verschillende verdragen te volgen procedures. Speciale aandacht zal worden besteed aan de samenwerking op het gebied van het verrichten van controlemetingen en wetenschappelijk onderzoek.
Artikel IX
De Verdragsluitende Partijen bevorderen, door de samenwerking binnen de Organisatie en de andere internationiale organisaties, dat Partijen die daarom verzoeken, worden bijgestaan bij:
- (a). het scholen van wetenschappelijk en technisch personeel;
- (b). het verkrijgen van de nodige uitrusting en voorzieningen voor onderzoek en het verrichten van controlemetingen;
- (c). de opruiming en de verwerking van afval en alle andere maatregelen ter voorkoming of vermindering van verontreiniging door storting;
bij voorkeur binnen de betrokken landen, een en ander ter bevordering van de doelstellingen van dit Verdrag.
Artikel X
In overeenstemming met de beginselen van het volkenrecht betreffende de aansprakelijkheid van Staten ter zake van schade toegebracht aan het milieu van andere Staten of aan iedere andere sector van het milieu ten gevolge van het storten van afval of andere stoffen, verbinden de Verdragsluitende Partijen zich tot het ontwikkelen van procedures voor het vaststellen van de aansprakelijkheid en het regelen van geschillen met betrekking tot het storten.
Artikel XI
De Verdragsluitende Partijen zullen zich tijdens hun eerste consultatieve vergadering beraden over procedures voor het regelen van de geschillen betrekking hebbend op de uitleg en de toepassing van dit Verdrag.
Artikel XII
De Verdragsluitende Partijen verbinden zich tot het bevorderen, binnen het kader van de bevoegde gespecialiseerde organisaties en andere internationale organen, van maatregelen inzake de bescherming van het mariene milieu tegen verontreiniging veroorzaakt door:
- (a). koolwaterstofverbindingen met inbegrip van olie en daarvan de afvalprodukten;
- (b). andere schadelijke of gevaarlijke stoffen welke vervoerd worden door schepen voor andere doeleinden dan het storten;
- (c). afval afkomstig van de exploitatie van schepen, luchtvaartuigen, platforms en andere bouwwerken in zee;
- (d). verontreinigende radioactieve stoffen van iedere herkomst, met inbegrip van schepen;
- (e). middelen voor chemische en biologische oorlogvoering;
- (f). afval of andere stoffen onmiddellijk of middellijk afkomstig van de exploratie, de exploitatie en de bewerking op zee van mineralen die zich in de zeebodem bevinden.
De Partijen zullen tevens binnen het kader van de bevoegde internationale organisatie bevorderen dat de seinen die worden gebezigd door de voor storting gebruikte schepen in een code worden vastgelegd.
Artikel XIII
De bepalingen van dit Verdrag laten onverlet de codificatie en de ontwikkeling van het zeerecht door de Zeerechtconferentie van de Verenigde Naties, bijeengeroepen krachtens Resolutie 2750C (XXV) van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties, en de huidige of toekomstige claims en rechtsopvattingen van enige Staat met betrekking tot het zeerecht en de aard en omvang van de rechtsmacht van de kuststaat en van de vlaggestaat. De Verdragsluitende Partijen komen overeen elkaar te raadplegen tijdens een vergadering die zal worden bijeengeroepen door de Organisatie na de Zeerechtconferentie en uiterlijk in 1976 ter bepaling van de aard en de omvang van de rechten en de plichten van een kuststaat om het Verdrag in een gebied grenzend aan zijn kusten toe te passen.
Artikel XIV
De Regering van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland roept, als Depotregering, een vergadering van de Verdragsluitende Partijen bijeen uiterlijk drie maanden na de inwerkingtreding van dit Verdrag, ten einde organisatorische vraagstukken te regelen.
De Verdragsluitende Partijen wijzen een bevoegde Organisatie aan die reeds bestaat op het ogenblik waarop de in het eerste lid van dit artikel bedoelde vergadering wordt gehouden en die belast zal worden met de secretariaatswerkzaamheden met betrekking tot dit Verdrag. Iedere Partij bij dit Verdrag die geen lid is van bedoelde Organisatie draagt op een passende wijze bij in de kosten die de Organisatie maakt bij de uitvoering van deze werkzaamheden.
De werkzaamheden van het secretariaat van de Organisatie bestaan onder meer uit:
- (a). het bijeenroepen van consultatieve vergaderingen van de Verdragsluitende Partijen ten minste éénmaal in de twee jaar en van bijzondere vergaderingen van de Partijen telkens wanneer twee derde der Partijen hiertoe een verzoek indient;
- (b). het, in overleg met de Verdragsluitende Partijen en de bevoegde internationale organisaties, voorbereiden van en bijstand verlenen aan de ontwikkeling en de uitvoering van de in het vierde lid, letter (e), van dit artikel genoemde procedures;
- (c). het in behandeling nemen van de verzoeken om voorlichting en van inlichtingen afkomstig van de Verdragsluitende Partijen, het in overleg treden met deze Partijen en met de bevoegde internationale organisaties, alsmede het doen van aanbevelingen aan de Partijen inzake vraagstukken die verband houden met dit Verdrag, maar daarin niet expliciet worden genoemd.
- (d). het aan de betrokken Partijen mededeling doen van alle kennisgevingen die de Organisatie heeft ontvangen overeenkomstig het bepaalde in de Artikelen IV, derde lid, V, eerste en tweede lid, VI, vierde lid, XV, XX en XXI.
Voordat de Organisatie zal zijn aangewezen, worden deze werkzaamheden, indien noodzakelijk, verricht door één der Depotregeringen, i.c. de Regering van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland.
Tijdens de consultatieve of bijzondere vergaderingen onderwerpen de Verdragsluitende Partijen de uitvoering van dit Verdrag bij voortduring aan een onderzoek en kunnen zij onder meer:
- (a). dit Verdrag en zijn Bijlagen herzien en wijzigingen hiervan aanvaarden overeenkomstig Artikel XV;
- (b). de bevoegde wetenschappelijke instelling of instellingen uitnodigen samen te werken met de Partijen of de Organisatie en hen van advies te dienen inzake ieder wetenschappelijk of technisch aspect, verband houdend met dit Verdrag en in het bijzonder met de inhoud van de Bijlagen;
- (c). de krachtens Artikel VI, vierde lid, opgestelde verslagen ontvangen en onderzoeken;
- (d). de samenwerking bevorderen met en tussen de regionale organisaties die betrokken zijn bij het voorkomen van verontreiniging van de zee;
- (e). in overleg met de bevoegde internationale organisaties de in Artikel V, tweede lid, bedoelde procedures uitwerken of aanvaarden, met inbegrip van de basiscriteria voor het bepalen van bijzondere gevallen en noodgevallen, alsmede procedures voor het uitbrengen van een gezamenlijk advies en voor het op veilige wijze zich ontdoen van de stoffen in dergelijke gevallen, met inbegrip van het aanwijzen van geschikte stortplaatsen, en dienovereenkomstig aanbevelingen doen;
- (f). iedere eventueel noodzakelijke aanvullende maatregel in overweging nemen.
Tijdens hun eerste consultatieve vergadering stellen de Verdragsluitende Partijen een Huishoudelijk Reglement vast, voor zover noodzakelijk.
Artikel XV
- (a). Tijdens de vergaderingen van de Verdragsluitende Partijen, bijeengeroepen krachtens het bepaalde in Artikel XIV, worden de wijzigingen van dit Verdrag aanvaard met een meerderheid van twee derde van de aanwezige Partijen. Een wijziging wordt van kracht voor de Partijen die daaraan hun goedkeuring gehecht hebben, op de zestigste dag nadat twee derde van de Partijen een akte van goedkeuring van de wijziging heeft nedergelegd bij de Organisatie. Vervolgens wordt de wijziging van kracht voor iedere andere Partij dertig dagen nadat die Partij haar akte van goedkeuring van de wijziging heeft nedergelegd.
- (b). De Organisatie doet alle Verdragsluitende Partijen mededeling van ieder overeenkomstig het bepaalde in Artikel XIV ingediend verzoek tot het houden van een bijzondere vergadering en van iedere tijdens de vergaderingen door de Partijen aanvaarde wijziging alsmede van de datum waarop zodanige wijziging van kracht wordt voor iedere Partij.
Wijzigingen van de Bijlagen dienen gegrond te zijn op wetenschappelijke of technische overwegingen. Wijzigingen van de Bijlagen die zijn aanvaard met een meerderheid van twee derde van de Partijen aanwezig op een overeenkomstig het bepaalde in Artikel XIV bijeengeroepen vergadering, worden onmiddellijk van kracht voor iedere Verdragsluitende Partij op het tijdstip dat zij de Organisatie van haar goedkeuring in kennis stelt en voor alle andere Partijen honderd dagen na de aanvaarding ervan door de vergadering, behalve voor die Partijen die voorafgaande aan het verstrijken van de termijn van honderd dagen hebben verklaard, op dat ogenblik de wijziging niet te kunnen aanvaarden. De Partijen streven ernaar, zo spoedig mogelijk nadat een wijziging door de vergadering is aanvaard, de Organisatie ervan in kennis te stellen dat zij de wijziging hebben goedgekeurd. Iedere Partij kan een eerder gedane verklaring van bezwaar te allen tijde vervangen door een verklaring van goedkeuring en de wijziging waartegen voordien bezwaar bestond, wordt dan van kracht voor die Partij.
Iedere goedkeuring of verklaring van bezwaar bedoeld in dit artikel geschiedt door nederlegging van een akte bij de Organisatie. De Organisatie geeft alle Verdragsluitende Partijen kennis van de ontvangst van deze akten.
Voorafgaande aan de aanwijzing van de organisatie worden de haar door dit Verdrag toe te wijzen secretariaatswerkzaamheden tijdelijk verricht door de Regering van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland als één van de depositarissen van dit Verdrag.
Artikel XVI
Dit Verdrag staat van 29 december 1972 tot 31 december 1973 te Londen, Mexico-Stad, Moskou en Washington open voor ondertekening door iedere Staat.
Artikel XVII
Dit Verdrag dient te worden bekrachtigd. De akten van bekrachtiging dienen te worden nedergelegd bij de Regeringen van Mexico, de Unie van Socialistische Sowjet-Republieken, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland en de Verenigde Staten van Amerika.
Artikel XVIII
Na 31 december 1973 kan iedere Staat tot dit Verdrag toetreden. De akten van toetreding dienen te worden nedergelegd bij de Regeringen van Mexico, de Unie van Socialistische Sowjet-Republieken, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland en de Verenigde Staten van Amerika.
Artikel XIX
Dit Verdrag treedt in werking op de dertigste dag volgende op de datum van nederlegging van de vijftiende akte van bekrachtiging of van toetreding.
Voor elke Verdragsluitende Partij die dit Verdrag bekrachtigt of ertoe toetreedt na de nederlegging van de vijftiende akte van bekrachtiging of van toetreding, treedt dit Verdrag in werking op de dertigste dag na de nederlegging van de akte van bekrachtiging of van toetreding van die Partij.
Artikel XX
De Depotregeringen geven de Verdragsluitende Partijen kennis van:
- (a). de ondertekeningen van dit Verdrag en de nederlegging van de akten van bekrachtiging, van toetreding en van opzegging overeenkomstig de Artikelen XVI, XVII, XVIII en XXI, en
- (b). de datum waarop dit Verdrag in werking treedt overeenkomstig Artikel XIX.
Artikel XXI
Iedere Verdragsluitende Partij kan dit Verdrag opzeggen door zes maanden van tevoren hiervan schriftelijk kennis te geven aan één van de Depotregeringen, die hiervan alle Partijen onmiddellijk mededeling doet.
Artikel XXII
Het originele exemplaar van dit Verdrag, waarvan de Engelse, Franse, Russische en Spaanse tekst gelijkelijk authentiek zijn, wordt nedergelegd bij de Regeringen van Mexico, de Unie van Socialistische Sowjet-Republieken, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland en de Verenigde Staten van Amerika, die daarvan voor eensluidend gewaarmerkte afschriften doen toekomen aan alle Staten.
DEEL I
Voorschrift 1. Begripsomschrijvingen
Voor de toepassing van dit Addendum:
- (1). wordt onder „verbrandingsinrichting op zee” verstaan een schip, een platform of een ander bouwwerk dat wordt gebruikt voor verbranding op zee;
- (2). wordt onder „verbranding op zee” verstaan het opzettelijk verbranden van afval of andere stoffen in verbrandingsinrichtingen op zee met het doel deze stoffen door middel van hitte te vernietigen. Werkzaamheden die behoren bij de normale exploitatie van schepen, platforms of andere bouwwerken vallen niet onder deze begripsomschrijving.
Voorschrift 2. Toepassing
Deel II van deze Voorschriften is van toepassing op afval of andere stoffen zoals hieronder bedoeld:
- (a). afval of andere stoffen bedoeld in paragraaf 1 van Bijlage I;
- (b). pesticiden en bijprodukten daarvan die niet vallen onder Bijlage I.
De Verdragsluitende Partijen moeten eerst nagaan of er uitvoerbare andere methoden beschikbaar zijn om het afval of de andere stoffen op het land te verwerken, te storten of te vernietigen dan wel of er uitvoerbare andere methoden beschikbaar zijn om deze minder schadelijk te maken, alvorens een vergunning af te geven voor verbranding op zee overeenkomstig deze Voorschriften. Verbranding op zee mag in geen geval zo worden uitgelegd dat de vooruitgang bij het zoeken naar oplossingen die beter voor het milieu zijn, met inbegrip van de ontwikkeling van nieuwe technieken, zou worden afgeremd.
Verbranding op zee van afval en andere stoffen bedoeld in paragraaf 10 van Bijlage I en in paragraaf E van Bijlage II, anders dan die bedoeld in het eerste lid van dit Voorschrift, wordt gecontroleerd ten genoegen van de Verdragsluitende Partij die de bijzondere vergunning heeft afgegeven.
Voor verbranding op zee van afval of andere stoffen waarnaar niet wordt verwezen in het eerste en het derde lid van dit Voorschrift, is een algemene vergunning vereist.
Voor de afgifte van vergunningen bedoeld in het derde en vierde lid van dit Voorschrift, houden de Verdragsluitende Partijen, ten aanzien van het te verbranden afval, ten volle rekening met alle van toepassing zijnde bepalingen van deze Voorschriften en de technische richtlijnen ter regulering van verbranding van afval en andere stoffen op zee.
DEEL II
Voorschrift 3. Goedkeuring en inspecties van het verbrandingssysteem
Het verbrandingssysteem voor iedere voorgestelde verbrandingsinrichting op zee wordt onderworpen aan de hieronder omschreven inspecties. Overeenkomstig het bepaalde in artikel VII, eerste lid, van het Verdrag, verzekert de Verdragsluitende Partij die voornemens is een verbrandingsvergunning af te geven dat de inspecties van de te gebruiken verbrandingsinrichting op zee zijn uitgevoerd en dat het verbrandingssysteem voldoet aan het bepaalde in deze Voorschriften. Indien de eerste inspectie is uitgevoerd onder leiding van een Verdragsluitende Partij, dan wordt door deze Partij een bijzondere vergunning afgegeven waarin staan vermeld de vereisten waaraan de inrichting bij het onderzoek moest voldoen. De resultaten van iedere inspectie worden neergelegd in een inspectierapport.
- (a). Een eerste inspectie wordt uitgevoerd ten einde te verzekeren dat bij de verbranding van afval of andere stoffen het verbrandingsen vernietigingsrendement meer dan 99,9 procent bedraagt.
- (b). Als onderdeel van de eerste inspectie moet de Staat onder leiding waarvan de inspectie wordt uitgevoerd:
- (i). de plaats van opstelling, het type en de wijze van gebruik van apparatuur voor het meten van de temperatuur goedkeuren;
- (ii). het systeem waarmee gasmonsters worden genomen, met inbegrip van plaatsen van monstername, analyse-apparatuur en de wijze van registratie, goedkeuren;
- (iii). verzekeren dat goedgekeurde apparatuur is opgesteld die de toevoer van afval naar de verbrandingsinrichting automatisch afsluit indien de temperatuur beneden goedgekeurde minimumwaarden daalt;
- (iv). verzekeren dat het niet mogelijk is zich te ontdoen van afval of andere stoffen uit de verbrandingsinrichting op zee behalve door middel van de verbrandingsinrichting bij normaal gebruik;
- (v). de apparatuur waarmee de toevoersnelheid van afval en brandstof wordt gecontroleerd en geregistreerd, goedkeuren;
- (vi). de werking van het verbrandingssysteem verifiëren door intensieve controlemetingen boven in de schoorsteen uit te voeren, waarbij onder meer metingen worden verricht naar O2, CO, CO2, gehalogeneerde organische stoffen en totale koolwaterstoffen, bij welke proeven afval wordt gebruikt dat typerend is voor het afval dat zal worden verbrand.
- (c). Het verbrandingssysteem wordt ten minste om de twee jaar geïnspecteerd om te verzekeren dat de verbrandingsinrichting blijft voldoen aan deze Voorschriften. Bij de tweejaarlijkse inspectie zal worden uitgegaan van een evaluatie van de exploitatiegegevens en de onderhoudsregistratie over de voorgaande twee jaren.
Na de bevredigende uitvoering van een inspectie wordt door een Verdragsluitende Partij een bewijs van goedkeuring afgegeven indien is vastgesteld dat het verbrandingssysteem voldoet aan deze Voorschriften. Een afschrift van het inspectierapport wordt aan het bewijs van goedkeuring gehecht. Een bewijs van goedkeuring dat is afgegeven door een Verdragsluitende Partij wordt door de andere Verdragsluitende Partijen erkend, tenzij er duidelijke redenen bestaan om aan te nemen dat het verbrandingssysteem niet voldoet aan deze Voorschriften. Een afschrift van ieder bewijs van goedkeuring en van ieder inspectierapport wordt ingediend bij de Organisatie.
Nadat een inspectie is uitgevoerd, mogen zonder goedkeuring van de Verdragsluitende Partij die het bewijs van goedkeuring heeft afgegeven, geen veranderingen van betekenis worden aangebracht waardoor de werking van het verbrandingssysteem zou kunnen worden aangetast.
Voorschrift 4. Afval waarvoor nader onderzoek is vereist
Wanneer een Verdragsluitende Partij eraan twijfelt of het te verbranden afval of de te verbranden andere stoffen door middel van hitte kunnen worden vernietigd, worden eerst op kleine schaal proeven uitgevoerd.
Indien een Verdragsluitende Partij voornemens is een vergunning te verlenen voor het verbranden van afval of andere stoffen ten aanzien waarvan twijfels bestaan omtrent de volledigheid van de verbranding, wordt het verbrandingssysteem onderworpen aan dezelfde intensieve controlemetingen boven in de schoorsteen van het verbrandingssysteem als zijn vereist voor de eerste inspectie van het verbrandingssysteem. Aandacht moet worden besteed aan de bemonstering van deeltjes, waarbij rekening wordt gehouden met de vaste bestanddelen van het afval.
Als goedgekeurde minimum vlamtemperatuur geldt de temperatuur die is aangegeven in Voorschrift 5, tenzij bij de proeven met de verbrandingsinrichting op zee is gebleken dat het vereiste verbrandings- en vernietigingsrendement kan worden bereikt bij een lagere temperatuur.
De resultaten van bijzondere onderzoeken bedoeld in het eerste, tweede en derde lid van dit Voorschrift worden vastgelegd en als bijlage aan het inspectierapport gehecht. Een afschrift hiervan wordt aan de Organisatie toegezonden.
Voorschrift 5. Eisen ten aanzien van de exploitatie
De bedrijfsvoering van het verbrandingssysteem moet zodanig geschieden dat verzekerd is dat de verbranding van afval of andere stoffen geschiedt bij een vlamtemperatuur van minstens 1250° C, behalve in het geval bedoeld in Voorschrift 4.
Het verbrandingsrendement moet ten minste 99,95 ± 0,05% bedragen, uitgaande van:
Zwarte rook of vlammen mogen niet boven de schoorsteenrand uitkomen.
De verbrandingsinrichting op zee moet te allen tijde gedurende de verbranding onmiddellijk antwoorden op radio-oproepen.
Voorschrift 6. Registratieapparatuur en registratie
Voor de verbrandingsinrichtingen op zee worden registratie-apparatuur of -methoden gebruikt die zijn goedgekeurd krachtens Voorschrift 3. Bij iedere verbranding worden ten minste de volgende gegevens geregistreerd en bewaard voor inspectie door de Verdragsluitende Partij die de vergunning heeft afgegeven:
- (a). onafgebroken metingen van de temperatuur met behulp van goedgekeurde apparatuur voor temperatuurmeting;
- (b). de datum en de tijdsduur van de verbranding alsmede gegevens betreffende het afval dat verbrand wordt;
- (c). de positie van het schip, vast te stellen met geëigende navigatiemiddelen;
- (d). de toevoersnelheid van afval en brandstof - voor vloeibaar afval en brandstof wordt de toevoersnelheid onafgebroken geregistreerd; dit geldt niet voor schepen die op of vóór 1 januari 1979 in bedrijf waren;
- (e). de concentratie van CO en CO2 in verbrandingsgassen;
- (f). de koers en de snelheid van het schip.
De bewijzen van goedkeuring en de afschriften van de inspectierapporten, die overeenkomstig Voorschrift 3 zijn afgegeven c.q. opgesteld, alsmede de afschriften van de verbrandingsvergunningen die zijn afgegeven door een Verdragsluitende Partij voor in een verbrandingsinrichting te verbranden afval of andere stoffen worden bewaard op de verbrandingsinrichting op zee.
Voorschrift 7. Controle op de aard van het te verbranden afval
De aanvrage voor een vergunning voor het verbranden van afval of andere stoffen op zee moet zoveel informatie over de eigenschappen van het afval of de andere stoffen omvatten dat wordt voldaan aan de vereisten van Voorschrift 9.
Voorschrift 8. Verbrandingsgebieden
Bij het vaststellen van de criteria voor het kiezen van verbrandingsgebieden wordt, behalve met de bepalingen genoemd in Bijlage III bij het Verdrag, rekening gehouden met het volgende:
- (a). de voor de verspreidingsmogelijkheden bepalende atmosferische kenmerken van het gebied, zoals windsnelheid en -richting, stabiliteit van de atmosfeer, de veelvuldigheid waarmee zich inversie-verschijnselen en mist voordoen, soort en hoeveelheid neerslag, luchtvochtigheid, ten einde te kunnen vaststellen welke invloed de uit de verbrandingsinrichting op zee vrijkomende verontreinigingen zouden kunnen hebben op het omringende milieu, waarbij bijzondere aandacht wordt besteed aan de mogelijkheid dat verontreinigingen door de atmosfeer naar kustgebieden worden gevoerd;
- (b). de voor de verspreidingsmogelijkheden bepalende kenmerken van het zeegebied ten einde vast te stellen wat de mogelijke invloed van interactie tussen de rookpluim en het wateroppervlak is;
- (c). de aanwezigheid van hulpmiddelen voor de navigatie.
Aan de coördinaten van de blijvend aangewezen verbrandingsgebieden zal ruime bekendheid worden gegeven; zij zullen worden medegedeeld aan de Organisatie.
Voorschrift 9. Kennisgeving
De Verdragsluitende Partijen voldoen aan de kennisgevingsprocedures die in onderling overleg door de Partijen zijn aanvaard.
IN WITNESS WHEREOF the undersigned Plenipotentiaries, being duly authorised thereto by their respective Governments have signed the present Convention.
DONE in quadruplicate at London, Mexico City, Moscow and Washington, this twenty-ninth day of December, 1972.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)