Verdrag inzake de Internationale Bepalingen ter voorkoming van aanvaringen op zee, 1972
- (i). Rondom zichtbare lichten dienen zo te worden aangebracht dat zij niet door masten, stengen of scheepsdelen over een boog van meer dan 6 graden worden afgeschermd; lichten, voorgeschreven in voorschrift 30 voor ten anker liggende schepen, behoeven evenwel niet op een onredelijke hoogte boven de romp te zijn aangebracht.
- (ii). Indien het niet uitvoerbaar is aan letter b) i) van dit punt te voldoen door slechts een rondom zichtbaar licht te tonen, dienen twee rondom zichtbare lichten te worden gebruikt, die op passende wijze zijn geplaatst of afgeschermd zodat zij, voor zover uitvoerbaar, op een afstand van een mijl als één licht toeschijnen.
10. Verticale sectoren
a. De verticale sectoren van geplaatste elektrische lichten, met uitzondering van de lichten op zeilschepen die varende zijn, dienen zodanig te zijn dat:
- (i). in ieder geval de vereiste minste lichtsterkte wordt gehandhaafd in de gehele sector van 5 graden boven tot 5 graden onder het horizontale vlak;
- (ii). in ieder geval 60 percent van de vereiste minste lichtsterkte wordt gehandhaafd van 7,5 graden boven en tot 7,5 graden onder het horizontale vlak.
b. De verticale sectoren van geplaatste elektrische lichten op zeilschepen die varende zijn dienen zodanig te zijn dat:
- (i). in ieder geval de vereiste minste lichtsterkte wordt gehandhaafd in de gehele sector van 5 graden boven tot 5 graden onder het horizontale vlak;
- (ii). in ieder geval 50 percent van de vereiste minste lichtsterkte wordt gehandhaafd van 25 graden boven tot 25 graden onder het horizontale vlak.
c. Bij niet-elektrische lichten dient zo goed mogelijk aan deze eisen te worden voldaan.
11. Lichtsterkte van niet-elektrische lichten
Niet-elektrische lichten dienen voorzover uitvoerbaar te voldoen aan de eisen van minste lichtsterkte zoals aangegeven in de tabel onder punt 8 van deze Bijlage.
12. Manoeuvreerlicht
Ongeacht het bepaalde onder punt 2 (f) van deze Bijlage dient het manoeuvreerlicht beschreven in voorschrift 34 (b) in hetzelfde verticale vlak te zijn geplaatst als het toplicht of de toplichten en, waar uitvoerbaar, ten minste 2 meter hoger dan het voortoplicht, met dien verstande dat het ten minste 2 meter hoger of lager dan het achtertoplicht dient te worden gevoerd. Op een schip waar slechts één toplicht wordt gevoerd, dient het manoeuvreerlicht, indien aangebracht, te worden gevoerd daar waar dit het best kan worden gezien en ten minste 2 meter hoger dan het toplicht.
13. Snelle schepen1)Zie de internationale veiligheidscode voor hogesnelheidsvaartuigen 1994, aangenomen door de Maritieme Veiligheidscommissie van de Organisatie bij resolutie MSC.36 (63) en de internationale veiligheidscode voor hogesnelheidsvaartuigen 2000, aangenomen bij resolutie MSC.97 (73).
- a. Het toplicht van een snel schip kan worden geplaatst op een hoogte die in verhouding met de breedte van het schip geringer is dan die voorgeschreven in punt 2a.i van deze Bijlage, mits de basishoek van de gelijkbenige driehoeken gevormd door de boordlichten en het toplicht, van voren gezien, niet kleiner is dan 27°.
- b. Op snelle schepen met een lengte van 50 meter of meer, mag de loodrechte afstand tussen het voortoplicht en het achtertoplicht van 4,5 meter zoals voorgeschreven in punt 2a.ii van deze Bijlage worden gewijzigd, mits deze afstand niet kleiner is dan de waarde bepaald met de volgende formule: y = (a + 17ψ)C / 1000 + 2 waarbij:
- y. de hoogte is van het achtertoplicht boven het voortoplicht in meters;
- a. de hoogte is van het voortoplicht boven de wateroppervlakte tijdens de vaart in meters;
- ψ. de trim is tijdens de vaart in graden;
- C. de horizontale afstand is tussen de toplichten in meters.
1. Algemeen
De hierin genoemde lichten dienen, indien getoond op grond van voorschrift 26 (d), te zijn geplaatst daar waar zij het best kunnen worden gezien. De afstand tussen deze lichten dient ten minste 0,9 meter te zijn, doch zij dienen lager te zijn geplaatst dan de lichten, voorgeschreven in voorschrift 26 (b) (i) en (c) (i). De lichten dienen rondom zichtbaar te zijn op een afstand van ten minste 1 zeemijl, doch op een kleinere afstand dan de in deze Voorschriften voor vissersschepen voorgeschreven lichten.
2. Seinen voor treilers
a. Schepen met een lengte van 20 meter of meer, bezig met de uitoefening van de treilvisserij, ongeacht of zij een bodemtreil of een pelagische treil gebruiken, dienen te tonen:
- (i). bij het uitzetten van de netten: twee witte lichten, het ene loodrecht onder het andere;
- (ii). bij het binnenhalen van de netten: een wit licht loodrecht boven een rood licht;
- (iii). wanneer het net vastzit aan een obstakel: twee rode lichten, het ene loodrecht onder het andere.
b. Elk schip met een lengte van 20 meter of meer, bezig met de uitoefening van de treilvisserij in span, dient te tonen:
- (i). des nachts, een zoeklicht naar voren gericht en in de richting van het andere schip van het span;
- (ii). bij het uitzetten of binnenhalen van hun netten of wanneer hun netten vastzitten aan een obstakel, de onder (a) voorgeschreven lichten.
c. Een schip met een lengte van minder dan 20 meter, bezig met de uitoefening van de treilvisserij, ongeacht of het een bodemtreil of een pelagische treil gebruikt, dan wel bezig met de uitoefening van de treilvisserij in span, kan de in letter a. of b. van dit punt voorgeschreven lichten tonen, al naar gelang het geval.
3. Seinen voor schepen met ringzegen
Schepen bezig met de uitoefening van de visserij met ringzegen mogen twee gele lichten tonen, het ene loodrecht onder het andere. Deze lichten dienen beurtelings om de seconde te schitteren met gelijke perioden van licht en duister. Deze lichten mogen alleen worden getoond wanneer het schip door zijn vistuig belemmerd is in zijn manoeuvreerbaarheid.
1. Fluiten
a. Frequenties en hoorbaarheidsafstand
De grondfrequentie van het sein dient te liggen tussen 70 en 700 Hz. De hoorbaarheidsafstand van het sein van een fluit wordt bepaald door die frequenties, die de grondfrequentie en/of één of meer hogere frequenties kunnen omvatten, die tussen 180 en 700 Hz (+/- 1%) liggen voor een schip met een lengte van 20 meter of meer, of die tussen 180 en 2100 Hz (+/- 1%) liggen voor een schip met een lengte van minder dan 20 meter en die de geluidsdrukniveaus voortbrengen, aangegeven in paragraaf 1(c) hieronder.
b. Grenzen van grondfrequenties
Om een ruime verscheidenheid in kenmerken van fluiten te waarborgen dient de grondfrequentie van een fluit tussen de volgende grenzen te liggen:
- (i). 70-200 Hz voor een schip met een lengte van 200 meter of meer;
- (ii). 130-350 Hz voor een schip met een lengte van 75 meter of meer doch minder dan 200 meter;
- (iii). 250-700 Hz voor een schip met een lengte van minder dan 75 meter.
c. Geluidssterkte en hoorbaarheidsafstand
Een op een schip aangebrachte fluit dient in de richting van de grootste geluidssterkte van de fluit en op een afstand van 1 meter daarvan in ten minste één 1/3 octaafband binnen de frequenties tussen 180 en 700 Hz (+/- 1%) voor een schip met een lengte van 20 meter of meer, of tussen 180 en 2100 Hz voor een schip met een lengte van minder dan 20meter, een geluidsdrukniveau voort te brengen van niet minder dan het desbetreffende cijfer in de onderstaande tabel.
| Lengte van het schip in meters | 1/3 octaafbandniveau op 1 meter in dB ten opzichte van 2x10-5N/m2 | Hoorbaarheidsafstand In zeemijlen |
|---|---|---|
| 200 of meer | 143 | 2 |
| 75 of meer doch minder dan 200 | 138 | 1.5 |
| 20 of meer doch minder dan 75 | 130 | 1 |
| Minder dan 20 | 120*1Wanneer de gemeten frequenties liggen tussen 180 en 450 HZ | 0.5 |
| 115*2Wanneer de gemeten frequenties liggen tussen 450 en 800 Hz | 0.5 | |
| Minder dan 20 | 111*3Wanneer de gemeten frequenties liggen tussen 800 en 2100 Hz | 0.5 |
d. Richtingseigenschappen
Het geluidsdrukniveau van een gerichte fluit mag in elke richting in het horizontale vlak binnen ± 45 graden van de as niet meer dan 4 dB onder het voorgeschreven geluidsdrukniveau op de as zijn. Het geluidsdrukniveau in elke andere richting in het horizontale vlak mag niet meer dan 10 dB onder het voorgeschreven geluidsdrukniveau op de as zijn, zodat de reikwijdte in elke richting ten minste de helft van de reikwijdte op de as recht vooruit zal zijn. Het geluidsdrukniveau dient te worden gemeten in die octaafband die bepalend is voor de hoorbaarheidsafstand.
e. Plaatsing van de fluiten
Wanneer een gerichte fluit als de enige fluit op een schip wordt gebruikt, dient hij zo te zijn aangebracht dat zijn grootste geluidssterkte recht naar voren is gericht. Een fluit dient zo hoog op een schip te zijn geplaatst als uitvoerbaar is, ten einde het onderscheppen van het voortgebrachte geluid door obstakels te verminderen en ook om het gevaar voor beschadiging van het menselijk gehoororgaan tot een minimum te beperken. Het geluidsdrukniveau van het eigen sein van het schip op luisterposten mag niet hoger zijn dan 110 dB (A) en voor zover uitvoerbaar niet hoger dan 100 dB (A).
f. Het aanbrengen van meer dan één fluit
Indien op een schip fluiten zijn aangebracht op een onderlinge afstand van meer dan 100 meter, dienen er maatregelen te worden getroffen, opdat zij niet gelijktijdig worden gebruikt.
g. Gecombineerde fluitsystemen
Indien wegens de aanwezigheid van obstakels het geluidsveld van een enkele fluit of van één van de fluiten bedoeld onder (f) waarschijnlijk een gebied zal hebben met een aanzienlijk verminderd geluidsniveau, wordt aanbevolen dat een gecombineerd fluitsysteem wordt aangebracht, ten einde deze vermindering op te heffen. Voor de toepassing van de Voorschriften dient een gecombineerd fluitsysteem als een enkele fluit te worden beschouwd.
De fluiten van een gecombineerd systeem dienen te zijn geplaatst op een onderlinge afstand van niet meer dan 100 meter en zo te zijn ingericht dat zij tegelijkertijd worden gebruikt. De frequentie van elk van de afzonderlijke fluiten dient ten minste 10 Hz te verschillen van die van de andere.
2. Klok of gong
a. Geluidssterkte van het sein
Een klok of gong of ander toestel met soortgelijke geluidskenmerken dient een geluidsdrukniveau voort te brengen van niet minder dan 110 dB op een afstand van 1 meter.
b. Constructie
Klokken en gongs dienen te zijn vervaardigd uit corrosiebestendig materiaal en zo te zijn ontworpen dat ze een heldere toon voortbrengen. De middellijn van een klok mag niet minder zijn dan 300 mm voor schepen met een lengte van 20 meter of meer. Indien dit uitvoerbaar is wordt een werktuigelijk aangedreven klepel aanbevolen teneinde een constante kracht te waarborgen, doch bediening met de hand dient mogelijk te zijn. De massa van de klepel dient ten minste 3 percent van de massa van de klok te zijn.
3. Goedkeuring
De constructie van toestellen voor geluidseinen, hun werking en de plaatsing aan boord van het schip dienen ten genoege te zijn van de bevoegde autoriteit van de vlaggestaat.
1
De volgende seinen, tezamen of afzonderlijk gebruikt of getoond, geven een noodsituatie en behoefte aan hulp aan:
- a. een kanonschot of ander knalsein, afgevuurd met tussenpozen van ongeveer één minuut;
- b. een aanhoudend geluid met een toestel voor mistseinen;
- c. vuurpijlen of lichtkogels, die rode sterren uitwerpen en één voor één met korte tussenpozen worden afgevuurd;
- d. een sein, door middel van een seinwijze uitgezonden, bestaande uit de groep … – – – … (SOS) van de morsecode;
- e. een sein, uitgezonden door middel van radiotelefonie, bestaande uit het gesproken woord „MAYDAY”;
- f. het noodsein „N.C.” uit het Internationaal Seinboek;
- g. een sein bestaande uit een vierkante vlag met daarboven of daaronder een bal of een voorwerp dat op een bal gelijkt;
- h. vlammen boven het schip (zoals van een brandend teervat, olievat, etc.);
- i. een valschermsignaal of een handstakellicht dat een rood licht toont;
- j. een rooksignaal dat oranje gekleurde rook afgeeft;
- k. langzaam en herhaald op en neer bewegen van de naar beide zijden uitgestrekte armen;
- l. een noodsignaal door middel van digital selective calling (DCS) uitgezonden op:
- i. VHF-kanaal 70, of
- ii. MF/HF op de frequenties 2187,5 kHz, 8414,5 kHz, 4207,5 kHz, 6312 kHz, 12577 kHz of 16804,5 kHz;
- m. een schip-naar-wal noodsignaal, verzonden via Inmarsat of een op een andere mobiele satellietdienst werkend grondstation van het schip;
- n. seinen uitgezonden door noodradiobakens die de positie aanduiden;
- o. goedgekeurde seinen uitgezonden door systemen voor radiocommunicatie, met inbegrip van radartransponders van groepsreddingsmiddelen.
2
Het gebruik of het tonen van vorengenoemde seinen anders dan om een noodsituatie en behoefte aan hulp aan te geven en het gebruik van andere seinen die met een van de bovengenoemde seinen kunnen worden verward, is verboden.
3
De aandacht wordt gevestigd op de desbetreffende afdelingen van het Internationaal Seinboek, het International Aeronautical and Maritime Search and Rescue Manual, deel III, en de volgende signalen:
- a. een stuk oranje gekleurd zeildoek met een zwart vierkant en een zwarte cirkel of een ander passend symbool (voor herkenning vanuit de lucht);
- b. een kleurstof om het water te verkleuren.
IN WITNESS WHEREOF the undersigned being duly authorized by their respective Governments for that purpose have signed the present Convention.
DONE at London this twentieth day of October one thousand nine hundred and seventy-two.
For the Government of the Kingdom of Belgium
Pour le Gouvernement du Royaume de Belgique
Sous réserve de ratification
(sd.) J. VAN DEN BOSCH
For the Government of the People's Republic of Bulgaria
Pour le Gouvernement de la Republique populaire de Bulgarie
(sd.) A. NIKOLOV
Subject to ratification
For the Government of the Federal Republic of Germany
Pour le Gouvernement de la Republique federate d'Allemagne
Subject to ratification
(sd.) Dr.BREUER
For the Government of the Republic of Finland
Pour le Gouvernement de la Republique de Finlande
Subject to ratification
(sd.) AXEL ASPELIN
For the Government of the Republic of Ghana
Pour le Gouvernement de la République du Ghana
Subject to ratification
(sd.) C. K. T. DZIWORSHIE
Fot the Government of the Republic of Iceland
Pour le Gouvernement de la République d'Islande
Subject to approval
(sd.) PÁLL RAGNARSSON
For the Government of the Republic of Indonesia
Pour le Gouvernement de la République d'Indonésie
Subject to aceeptance
(sd.) HAMIMJAR S. ATMADJA
For the Government of the Italian Republic
Pour le Gouvernement de la République italienne
Sous réserve de ratification
(sd.) VITTORIO ARTEMISIO
For the Government of the Khmer Republic
Pour le Gouvernement de la République khmère
(sd.) HANKANG
Sous réserve de ratification
For the Government of the State of Kuwait
Pour le Gouvernement de l'Etat du Koweït
(sd.) A. R. MULLA HUSSEIN
Subject to acceptance
For the Government of the Kingdom of Norway
Pour le Gouvernement du Royaume de Norvège
Subject to ratification
(sd.) NEUBERTH WIE
For the Government of the Polish People's Republic
Pour le Gouvernement de la République populaire de Pologne
Subject to ratification
(sd.) ARTUR STAREWICZ
For the Government of the Portuguese Republic
Pour le Gouvernement de la République portugaise
Sous réserve de ratification
(sd.) B. CADETE
For the Government of the Kingdom of Sweden
Pour le Gouvernement du Royaume de Suède
(sd.) GÖRAN STEEN
Subject to ratification
For the Government of the United Kingdom of Great Britain and Northern Ireland
Pour le Gouvernement du Royaume-Uni de Grande-Bretagne et d'Irlande du Nord
Subject to acceptance
(sd.) A. C. MANSON
For the Government of the United States of America
Pour le Gouvernement des Etats-Unis d'Amérique
Subject to acceptance
(sd.) WILLIAM L. MORRISON
(sd.) STUART S. BECKWITH
DEEL F. VERIFICATIE VAN DE NALEVING VAN DE BEPALINGEN VAN DIT VERDRAG
Regel 39. Begripsomschrijvingen
a. Audit: een systematisch, onafhankelijk en gedocumenteerd proces voor het verkrijgen van audit-informatie en de objectieve beoordeling daarvan teneinde te bepalen in hoeverre aan de auditcriteria is voldaan.
b. Auditprogramma: het auditprogramma voor IMO-lidstaten die door de Organisatie is opgezet, rekening houdend met de door de Organisatie ontwikkelde richtlijnen.
c. Implementatiecode: de Code voor de implementatie van IMO-instrumenten (III Code) aangenomen door de Organisatie bij resolutie A.1070(28).
d. Auditnorm: de Implementatiecode.
Regel 40. Toepassing
De Verdragsluitende Partijen gebruiken de bepalingen van de Implementatiecode bij de uitvoering van hun verplichtingen en verantwoordelijkheden zoals vervat in dit Verdrag.
Regel 41. Verificatie van de naleving
a. Elke Verdragsluitende Partij wordt onderworpen aan periodieke audits door de Organisatie in overeenstemming met de auditnorm teneinde de naleving en implementatie van dit Verdrag te verifiëren.
b. De Secretaris-Generaal van de Organisatie is verantwoordelijk voor de uitvoering van de auditprogramma, op basis van de door de Organisatie opgestelde richtlijnen.
c. Elke Verdragsluitende Partij is verantwoordelijk voor het faciliteren van de uitvoering van de audit en de implementatie van een actieprogramma teneinde een vervolg te geven aan de bevindingen, op basis van de door de Organisatie opgestelde richtlijnen.
d. De audit van alle Verdragsluitende Partijen:
- i. is gebaseerd op een algemeen schema die door de Secretaris-Generaal van de Organisatie is ontwikkeld, rekening houdend met de door de Organisatie opgestelde richtlijnen; en
- ii. vindt periodiek plaats, rekening houdend met de door de Organisatie opgestelde richtlijnen.
1. Begripsomschrijving
De uitdrukking „hoogte boven de romp” betekent de hoogte boven het bovenste doorlopende dek. Deze hoogte dient te worden gemeten vanaf een positie die loodrecht onder de plaats van het licht is gelegen.
2. Hoogte en onderlinge afstand van lichten
a. Op een werktuiglijk voortbewogen schip met een lengte van 20 meter of meer dienen de toplichten als volgt te worden geplaatst:
- (i). het voorste toplicht, of indien slechts één toplicht wordt gevoerd dit ene licht, op een hoogte van niet minder dan 6 meter boven de romp en, indien de breedte van het p meer is dan 6 meter, op een hoogte boven de romp die niet minder is dan deze breedte, met dien verstande echter dat dit licht niet hoger dan 12 meter boven de romp behoeft te worden geplaatst;
- (ii). wanneer twee toplichten worden gevoerd, dient het achterste, loodrecht gemeten, ten minste 4,5 meter hoger te zijn geplaatst dan het voorste.
b. De loodrechte afstand tussen de toplichten van werktuiglijk voortbewogen schepen dient zodanig te zijn dat in alle toestanden waarbij het schip geen abnormale stuurlast heeft, het achterste licht boven en gescheiden van het voorste licht kan worden gezien vanaf de waterspiegel op een afstand van 1000 meter van de voorsteven.
c. Het toplicht van een werktuiglijk voortbewogen schip met een lengte van 12 meter of meer, doch minder dan 20 meter dient te worden geplaatst op een hoogte boven het potdeksel van niet minder dan 2,5 meter.
d. Een werktuiglijk voortbewogen schip met een lengte van minder dan 12 meter mag het hoogste licht voeren op een hoogte boven het potdeksel van minder dan 2,5 meter. Wanneer echter behalve een toplicht tevens boordlichten en een heklicht worden gevoerd, of wanneer behalve de boordlichten het rondom zichtbare licht, voorgeschreven in voorschrift 23(c) (i) wordt gevoerd, dient het toplicht of het rondom zichtbare licht ten minste 1 meter hoger dan de boordlichten te worden gevoerd.
e. Eén van de twee of drie toplichten, voorgeschreven voor een werktuiglijk voortbewogen schip, bezig met het slepen of duwen van een ander schip, dient op dezelfde plaats als het voorste toplicht of het achterste toplicht te zijn aangebracht, met dien verstande dat het onderste achtertoplicht, wanneer gevoerd aan de achtermast, loodrecht gemeten, ten minste 4,5 meter hoger dan het voorste toplicht dient te zijn aangebracht.
- (i). Het toplicht of de toplichten, voorgeschreven in Voorschrift 23(a) dient (dienen) boven en vrij van alle andere lichten en afschermende scheepsdelen te zijn geplaatst, behalve in het geval zoals omschreven onder punt (f) (ii).
- (ii). Indien het onuitvoerbaar is de rondom zichtbare lichten, voorgeschreven in Voorschrift 27(b) (i) of Voorschrift 28, onder de toplichten te tonen, mogen zij boven het (de) achtertoplicht(en) of loodrecht ten opzichte van elkaar tussen het (de) voortoplicht(en) en achtertoplicht(en) getoond worden, mits in het laatste geval aan de eisen onder punt 3(c) van deze Bijlage wordt voldaan.
g. De boordlichten van een werktuiglijk voortbewogen schip dienen te zijn geplaatst op een hoogte boven de romp van niet meer dan driekwart van de hoogte van het voorste toplicht. Zij mogen niet zo laag zijn geplaatst dat hun doelmatigheid wordt verstoord door deklichten.
h. De boordlichten dienen, indien gecombineerd in één lantaarn en gevoerd op een werktuiglijk voortbewogen schip met een lengte van minder dan 20 meter, niet minder dan 1 meter onder het toplicht te zijn geplaatst.
i. Wanneer de Voorschriften bepalen dat er twee of drie lichten loodrecht ten opzichte van elkaar dienen te worden gevoerd, dient de onderlinge afstand tussen deze lichten als volgt te zijn:
- (i). op een schip met een lengte van 20 meter of meer enen deze lichten te zijn geplaatst met een tussenruimte van niet minder dan 2 meter en het onderste van deze lichten dient, behalve daar waar een sleeplicht is vereist, op een hoogte van niet minder dan 4 meter boven de romp te zijn geplaatst;
- (ii). op een schip met een lengte van minder dan 20 meter dienen zodanige lichten te zijn geplaatst met een tussenruimte van niet minder dan één meter en het onderste van deze lichten dient, behalve daar waar een sleepplicht is vereist, op een hoogte van niet minder dan 2 meter boven het potdeksel te zijn geplaatst;
- (iii). wanneer drie lichten worden gevoerd dienen zij op gelijke onderlinge afstanden te zijn geplaatst.
j. Het onderste van de twee rondom zichtbare lichten, voorgeschreven voor een schip bezig met de uitoefening van de visserij, dient te zijn geplaatst op een hoogte boven de boordlichten van niet minder dan tweemaal de afstand tussen de twee loodrecht ten opzichte van elkaar geplaatste lichten.
k. Wanneer in overeenstemming met Voorschrift 30(a)(i) voor een ten anker liggend schip twee lichten worden gevoerd, dient het voorste niet minder dan 4,5 meter boven het achterste te zijn geplaatst. Op een schip met een lengte van 50 meter of meer dient dit voorste licht op een hoogte van niet minder dan 6 meter boven de romp te zijn geplaatst.
3. Horizontale afstand tussen lichten en hun onderlinge plaatsing
a. Wanneer voor een werktuiglijk voortbewogen schip twee toplichten zijn voorgeschreven, dient de horizontale afstand tussen deze lichten niet minder te zijn dan de helft van de lengte van het schip, doch deze afstand behoeft niet meer dan 100 meter te zijn. Het voorste licht dient te zijn geplaatst op een afstand vanaf de voorsteven van niet meer dan een kwart van de lengte van het schip.
b. Op een werktuiglijk voortbewogen schip met een lengte van 20 meter of meer mogen de boordlichten niet worden aangebracht vóór de voortoplichten. Zij dienen te zijn geplaatst aan of nabij de zijde van het schip.
c. Wanneer de lichten, voorgeschreven in Voorschrift 27(b) (i) of Voorschrift 28 loodrecht ten opzichte van elkaar tussen het (de) voortoplicht(en) en achtertoplicht(en) zijn geplaatst, dienen deze rondom zichtbare lichten op een horizontale afstand van niet minder dan 2 meter, gerekend vanaf het midscheepse verticale vlak in langsrichting te zijn geplaatst in dwarsscheepse richting.
d. Wanneer voor een werktuiglijk voortbewogen schip slechts een toplicht is voorgeschreven, dient dit licht voorlijk van de midscheeps te worden getoond, met die uitzondering dat een schip met een lengte van minder dan 20 meter dit licht niet voorlijk van de midscheeps behoeft te tonen, maar het zo ver naar voren dient te tonen als praktisch uitvoerbaar is.
4. Bijzonderheden inzake plaatsing van lichten die een richting aangeven op vissersschepen en schepen bezig met baggeren of met werkzaamheden onder water
a. Het licht dat de richting aangeeft van het uitstaande vistuig van een schip bezig met de uitoefening van de visserij, voorgeschreven in voorschrift 26 (c) (ii), dient te zijn geplaatst op een horizontale afstand van niet minder dan 2 meter en niet meer dan 6 meter, gerekend vanaf de twee rondom zichtbare rode en witte lichten,. Dit licht mag niet hoger zijn geplaatst dan het rondom zichtbare witte licht, voorgeschreven in voorschrift 26 (c) (i) en niet lager dan de boordlichten.
b. De lichten en dagmerken op een schip bezig met baggeren of met werkzaamheden onder water, welke de kant aangeven waar het vaarwater niet vrij is en de kant waar veilig voorbij gevaren kan worden, voorgeschreven in voorschrift 27 (d) (i) en (ii), dienen te zijn geplaatst op de grootst mogelijke horizontale afstand, doch in geen geval minder dan 2 meter, gerekend vanaf de lichten of dagmerken, voorgeschreven in voorschrift 27 (b) (i) en (ii). In geen geval dient het bovenste licht of het bovenste dagmerk op een grotere hoogte te zijn geplaatst dan het onderste van de drie lichten of het onderste van de dagmerken, voorgeschreven in voorschrift 27 (b) (i) en (ii).
5. Schermen voor boordlichten
De boordlichten van schepen met een lengte van 20 meter of meer dienen aan de binnenzijde te zijn voorzien van dofzwart geschilderde schermen, die voldoen aan de eisen onder punt 9 van deze Bijlage. Op schepen met een lengte van minder dan 20 meter dienen de boordlichten, indien nodig om te voldoen aan de eisen onder punt 9 van deze Bijlage, te zijn voorzien van dofzwart geschilderde schermen. Bij een gecombineerde lantaarn met een enkel staand filament en een zeer smalle scheiding tussen het groene en het rode gedeelte, behoeven geen schermen aan de buitenzijde te zijn aangebracht.
6. Dagmerken
a. De dagmerken dienen zwart te zijn en de volgende afmetingen te hebben:
- (i). een bal dient een middellijn te hebben van ten minste 0,6 meter;
- (ii). een kegel dient een grondvlak te hebben met een middellijn van ten minste 0,6 meter en een hoogte gelijk aan zijn middellijn;
- (iii). een cylinder dient een middellijn te hebben van ten minste 0,6 meter en een hoogte van tweemaal zijn middellijn;
- (iv). een ruit dient te bestaan uit twee kegels zoals omschreven in (ii) die het grondvlak gemeen hebben.
b. De loodrechte afstand tussen dagmerken dient ten minste 1,5 meter te zijn.
c. In een schip met een lengte van minder dan 20 meter mogen dagmerken met kleinere afmetingen, doch passend bij de grootte van het schip, worden gebruikt en mag de tussenruimte dienovereenkomstig worden verminderd.
7. Eisen inzake de kleuren van lichten
De kleursoort van alle navigatielichten dient overeen te komen met de onderstaande normen, die gelegen zijn binnen de grenzen van het gebied van het diagram dat voor elke kleur is aangegeven door de Internationale Commissie voor Verlichting (CIE).
De grenzen van het gebied voor elke kleur worden bepaald door het aangeven van de coördinaten van de hoekpunten die als volgt ziin:
| (i) Wit | (i) Wit | (i) Wit | |||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|
| X | 0,525 | 0,525 | 0,452 | 0,310 | 0,310 | 0,443 | |
| y | 0,382 | 0,440 | 0,440 | 0,348 | 0,283 | 0,382 | |
| (ii) Groen | (ii) Groen | (ii) Groen | |||||
| X | 0,028 | 0,009 | 0,300 | 0,203 | |||
| y | 0,385 | 0,723 | 0,511 | 0,356 | |||
| (iii) Rood | (iii) Rood | (iii) Rood | |||||
| X | 0,680 | 0,660 | 0,735 | 0,721 | |||
| y | 0,320 | 0,320 | 0,265 | 0,259 | |||
| (iv) Geel | (iv) Geel | (iv) Geel | |||||
| X | 0,612 | 0,618 | 0,575 | 0,575 | |||
| y | 0,382 | 0,382 | 0,425 | 0,406 |
8. Lichtsterkte
(a). De minste lichtsterkte van de lichten dient te worden berekend aan de hand van de formule:
I = 3,43 X 106 X T X D2 X K-D
waarin voorstelt:
I: de bedrijfslichtsterkte in candela's;
T: 2 X 10-7, zijnde de verlichtingsdrempelwaarde van het oog in lux;
D: de zichtbaarheid van het licht in zeemijlen;
K: de factor voor atmosferische doorlating.
Voor voorgeschreven lichten wordt de waarde van K gesteld op 0,8, overeenkomend met een meteorologisch zicht van ongeveer 13 zeemijlen.
(b). Een keuze uit de aan de hand van de formule berekende cijfers wordt gegeven in de onderstaande tabel:
| Zichtbaarheid van het licht in zeemijlen | Lichtsterkte van het licht in candela's bij K = 0,8 | |
|---|---|---|
| D | I | |
| 1 2 3 4 5 6 | 0,9 4,3 12 27 52 94 |
Noot: De maximum lichtsterkte van navigatielichten dient te worden beperkt ter vermijding van hinderlijke verblinding. Hiervoor mag geen gebruik worden gemaakt van een variabele lichtsterkte regelaar.
9. Horizontale sectoren
- (i). Boordlichten zoals aangebracht op het schip dienen in de richting recht vooruit de vereiste minste lichtsterkte te hebben. De lichtsterkte moet zodanig afnemen, dat tussen 1 en 3 graden buiten de voorgeschreven voorste sectorgrenzen vrijwel geen licht meer waarneembaar is.
- (ii). Voor heklichten en toplichten en voor boordlichten bij 22,5 graden achterlijker dan dwars dienen de vereiste minste lichtsterkten te worden gehandhaafd over de boog van de horizon tot 5 graden binnen de in voorschrift 21 voorgeschreven sectorgrenzen. Vanaf 5 graden binnen deze voorgeschreven sectorgrenzen mag de lichtsterkte afnemen met 50 percent tot aan de voorgeschreven sectorgrenzen; zij dient daarna geleidelijk af te nemen en wel zodanig, dat bij niet meer dan 5 graden buiten de sectorgrenzen bij 22,5 graden achterlijker dan dwars vrijwel geen licht meer waarneembaar is.
- (i). Rondom zichtbare lichten dienen zo te worden aangebracht dat zij niet door masten, stengen of scheepsdelen over een boog van meer dan 6 graden worden afgeschermd; lichten, voorgeschreven in voorschrift 30 voor ten anker liggende schepen, behoeven evenwel niet op een onredelijke hoogte boven de romp te zijn aangebracht.
- (ii). Indien het niet uitvoerbaar is aan letter b) i) van dit punt te voldoen door slechts een rondom zichtbaar licht te tonen, dienen twee rondom zichtbare lichten te worden gebruikt, die op passende wijze zijn geplaatst of afgeschermd zodat zij, voor zover uitvoerbaar, op een afstand van een mijl als één licht toeschijnen.
10. Verticale sectoren
a. De verticale sectoren van geplaatste elektrische lichten, met uitzondering van de lichten op zeilschepen die varende zijn, dienen zodanig te zijn dat:
- (i). in ieder geval de vereiste minste lichtsterkte wordt gehandhaafd in de gehele sector van 5 graden boven tot 5 graden onder het horizontale vlak;
- (ii). in ieder geval 60 percent van de vereiste minste lichtsterkte wordt gehandhaafd van 7,5 graden boven en tot 7,5 graden onder het horizontale vlak.
b. De verticale sectoren van geplaatste elektrische lichten op zeilschepen die varende zijn dienen zodanig te zijn dat:
- (i). in ieder geval de vereiste minste lichtsterkte wordt gehandhaafd in de gehele sector van 5 graden boven tot 5 graden onder het horizontale vlak;
- (ii). in ieder geval 50 percent van de vereiste minste lichtsterkte wordt gehandhaafd van 25 graden boven tot 25 graden onder het horizontale vlak.
c. Bij niet-elektrische lichten dient zo goed mogelijk aan deze eisen te worden voldaan.
11. Lichtsterkte van niet-elektrische lichten
Niet-elektrische lichten dienen voorzover uitvoerbaar te voldoen aan de eisen van minste lichtsterkte zoals aangegeven in de tabel onder punt 8 van deze Bijlage.
12. Manoeuvreerlicht
Ongeacht het bepaalde onder punt 2 (f) van deze Bijlage dient het manoeuvreerlicht beschreven in voorschrift 34 (b) in hetzelfde verticale vlak te zijn geplaatst als het toplicht of de toplichten en, waar uitvoerbaar, ten minste 2 meter hoger dan het voortoplicht, met dien verstande dat het ten minste 2 meter hoger of lager dan het achtertoplicht dient te worden gevoerd. Op een schip waar slechts één toplicht wordt gevoerd, dient het manoeuvreerlicht, indien aangebracht, te worden gevoerd daar waar dit het best kan worden gezien en ten minste 2 meter hoger dan het toplicht.
13. Snelle schepen1)Zie de internationale veiligheidscode voor hogesnelheidsvaartuigen 1994, aangenomen door de Maritieme Veiligheidscommissie van de Organisatie bij resolutie MSC.36 (63) en de internationale veiligheidscode voor hogesnelheidsvaartuigen 2000, aangenomen bij resolutie MSC.97 (73).
- a. Het toplicht van een snel schip kan worden geplaatst op een hoogte die in verhouding met de breedte van het schip geringer is dan die voorgeschreven in punt 2a.i van deze Bijlage, mits de basishoek van de gelijkbenige driehoeken gevormd door de boordlichten en het toplicht, van voren gezien, niet kleiner is dan 27°.
- b. Op snelle schepen met een lengte van 50 meter of meer, mag de loodrechte afstand tussen het voortoplicht en het achtertoplicht van 4,5 meter zoals voorgeschreven in punt 2a.ii van deze Bijlage worden gewijzigd, mits deze afstand niet kleiner is dan de waarde bepaald met de volgende formule: y = (a + 17ψ)C / 1000 + 2 waarbij:
- y. de hoogte is van het achtertoplicht boven het voortoplicht in meters;
- a. de hoogte is van het voortoplicht boven de wateroppervlakte tijdens de vaart in meters;
- ψ. de trim is tijdens de vaart in graden;
- C. de horizontale afstand is tussen de toplichten in meters.
1. Algemeen
De hierin genoemde lichten dienen, indien getoond op grond van voorschrift 26 (d), te zijn geplaatst daar waar zij het best kunnen worden gezien. De afstand tussen deze lichten dient ten minste 0,9 meter te zijn, doch zij dienen lager te zijn geplaatst dan de lichten, voorgeschreven in voorschrift 26 (b) (i) en (c) (i). De lichten dienen rondom zichtbaar te zijn op een afstand van ten minste 1 zeemijl, doch op een kleinere afstand dan de in deze Voorschriften voor vissersschepen voorgeschreven lichten.
2. Seinen voor treilers
a. Schepen met een lengte van 20 meter of meer, bezig met de uitoefening van de treilvisserij, ongeacht of zij een bodemtreil of een pelagische treil gebruiken, dienen te tonen:
- (i). bij het uitzetten van de netten: twee witte lichten, het ene loodrecht onder het andere;
- (ii). bij het binnenhalen van de netten: een wit licht loodrecht boven een rood licht;
- (iii). wanneer het net vastzit aan een obstakel: twee rode lichten, het ene loodrecht onder het andere.
b. Elk schip met een lengte van 20 meter of meer, bezig met de uitoefening van de treilvisserij in span, dient te tonen:
- (i). des nachts, een zoeklicht naar voren gericht en in de richting van het andere schip van het span;
- (ii). bij het uitzetten of binnenhalen van hun netten of wanneer hun netten vastzitten aan een obstakel, de onder (a) voorgeschreven lichten.
c. Een schip met een lengte van minder dan 20 meter, bezig met de uitoefening van de treilvisserij, ongeacht of het een bodemtreil of een pelagische treil gebruikt, dan wel bezig met de uitoefening van de treilvisserij in span, kan de in letter a. of b. van dit punt voorgeschreven lichten tonen, al naar gelang het geval.
3. Seinen voor schepen met ringzegen
Schepen bezig met de uitoefening van de visserij met ringzegen mogen twee gele lichten tonen, het ene loodrecht onder het andere. Deze lichten dienen beurtelings om de seconde te schitteren met gelijke perioden van licht en duister. Deze lichten mogen alleen worden getoond wanneer het schip door zijn vistuig belemmerd is in zijn manoeuvreerbaarheid.
1. Fluiten
a. Frequenties en hoorbaarheidsafstand
De grondfrequentie van het sein dient te liggen tussen 70 en 700 Hz. De hoorbaarheidsafstand van het sein van een fluit wordt bepaald door die frequenties, die de grondfrequentie en/of één of meer hogere frequenties kunnen omvatten, die tussen 180 en 700 Hz (+/- 1%) liggen voor een schip met een lengte van 20 meter of meer, of die tussen 180 en 2100 Hz (+/- 1%) liggen voor een schip met een lengte van minder dan 20 meter en die de geluidsdrukniveaus voortbrengen, aangegeven in paragraaf 1(c) hieronder.
b. Grenzen van grondfrequenties
Om een ruime verscheidenheid in kenmerken van fluiten te waarborgen dient de grondfrequentie van een fluit tussen de volgende grenzen te liggen:
- (i). 70-200 Hz voor een schip met een lengte van 200 meter of meer;
- (ii). 130-350 Hz voor een schip met een lengte van 75 meter of meer doch minder dan 200 meter;
- (iii). 250-700 Hz voor een schip met een lengte van minder dan 75 meter.
c. Geluidssterkte en hoorbaarheidsafstand
Een op een schip aangebrachte fluit dient in de richting van de grootste geluidssterkte van de fluit en op een afstand van 1 meter daarvan in ten minste één 1/3 octaafband binnen de frequenties tussen 180 en 700 Hz (+/- 1%) voor een schip met een lengte van 20 meter of meer, of tussen 180 en 2100 Hz voor een schip met een lengte van minder dan 20meter, een geluidsdrukniveau voort te brengen van niet minder dan het desbetreffende cijfer in de onderstaande tabel.
| Lengte van het schip in meters | 1/3 octaafbandniveau op 1 meter in dB ten opzichte van 2x10-5N/m2 | Hoorbaarheidsafstand In zeemijlen |
|---|---|---|
| 200 of meer | 143 | 2 |
| 75 of meer doch minder dan 200 | 138 | 1.5 |
| 20 of meer doch minder dan 75 | 130 | 1 |
| Minder dan 20 | 120*1Wanneer de gemeten frequenties liggen tussen 180 en 450 HZ | 0.5 |
| 115*2Wanneer de gemeten frequenties liggen tussen 450 en 800 Hz | 0.5 | |
| Minder dan 20 | 111*3Wanneer de gemeten frequenties liggen tussen 800 en 2100 Hz | 0.5 |
d. Richtingseigenschappen
Het geluidsdrukniveau van een gerichte fluit mag in elke richting in het horizontale vlak binnen ± 45 graden van de as niet meer dan 4 dB onder het voorgeschreven geluidsdrukniveau op de as zijn. Het geluidsdrukniveau in elke andere richting in het horizontale vlak mag niet meer dan 10 dB onder het voorgeschreven geluidsdrukniveau op de as zijn, zodat de reikwijdte in elke richting ten minste de helft van de reikwijdte op de as recht vooruit zal zijn. Het geluidsdrukniveau dient te worden gemeten in die octaafband die bepalend is voor de hoorbaarheidsafstand.
e. Plaatsing van de fluiten
Wanneer een gerichte fluit als de enige fluit op een schip wordt gebruikt, dient hij zo te zijn aangebracht dat zijn grootste geluidssterkte recht naar voren is gericht. Een fluit dient zo hoog op een schip te zijn geplaatst als uitvoerbaar is, ten einde het onderscheppen van het voortgebrachte geluid door obstakels te verminderen en ook om het gevaar voor beschadiging van het menselijk gehoororgaan tot een minimum te beperken. Het geluidsdrukniveau van het eigen sein van het schip op luisterposten mag niet hoger zijn dan 110 dB (A) en voor zover uitvoerbaar niet hoger dan 100 dB (A).
f. Het aanbrengen van meer dan één fluit
Indien op een schip fluiten zijn aangebracht op een onderlinge afstand van meer dan 100 meter, dienen er maatregelen te worden getroffen, opdat zij niet gelijktijdig worden gebruikt.
g. Gecombineerde fluitsystemen
Indien wegens de aanwezigheid van obstakels het geluidsveld van een enkele fluit of van één van de fluiten bedoeld onder (f) waarschijnlijk een gebied zal hebben met een aanzienlijk verminderd geluidsniveau, wordt aanbevolen dat een gecombineerd fluitsysteem wordt aangebracht, ten einde deze vermindering op te heffen. Voor de toepassing van de Voorschriften dient een gecombineerd fluitsysteem als een enkele fluit te worden beschouwd.
De fluiten van een gecombineerd systeem dienen te zijn geplaatst op een onderlinge afstand van niet meer dan 100 meter en zo te zijn ingericht dat zij tegelijkertijd worden gebruikt. De frequentie van elk van de afzonderlijke fluiten dient ten minste 10 Hz te verschillen van die van de andere.
2. Klok of gong
a. Geluidssterkte van het sein
Een klok of gong of ander toestel met soortgelijke geluidskenmerken dient een geluidsdrukniveau voort te brengen van niet minder dan 110 dB op een afstand van 1 meter.
b. Constructie
Klokken en gongs dienen te zijn vervaardigd uit corrosiebestendig materiaal en zo te zijn ontworpen dat ze een heldere toon voortbrengen. De middellijn van een klok mag niet minder zijn dan 300 mm voor schepen met een lengte van 20 meter of meer. Indien dit uitvoerbaar is wordt een werktuigelijk aangedreven klepel aanbevolen teneinde een constante kracht te waarborgen, doch bediening met de hand dient mogelijk te zijn. De massa van de klepel dient ten minste 3 percent van de massa van de klok te zijn.
3. Goedkeuring
De constructie van toestellen voor geluidseinen, hun werking en de plaatsing aan boord van het schip dienen ten genoege te zijn van de bevoegde autoriteit van de vlaggestaat.
1
De volgende seinen, tezamen of afzonderlijk gebruikt of getoond, geven een noodsituatie en behoefte aan hulp aan:
- a. een kanonschot of ander knalsein, afgevuurd met tussenpozen van ongeveer één minuut;
- b. een aanhoudend geluid met een toestel voor mistseinen;
- c. vuurpijlen of lichtkogels, die rode sterren uitwerpen en één voor één met korte tussenpozen worden afgevuurd;
- d. een sein, door middel van een seinwijze uitgezonden, bestaande uit de groep … – – – … (SOS) van de morsecode;
- e. een sein, uitgezonden door middel van radiotelefonie, bestaande uit het gesproken woord „MAYDAY”;
- f. het noodsein „N.C.” uit het Internationaal Seinboek;
- g. een sein bestaande uit een vierkante vlag met daarboven of daaronder een bal of een voorwerp dat op een bal gelijkt;
- h. vlammen boven het schip (zoals van een brandend teervat, olievat, etc.);
- i. een valschermsignaal of een handstakellicht dat een rood licht toont;
- j. een rooksignaal dat oranje gekleurde rook afgeeft;
- k. langzaam en herhaald op en neer bewegen van de naar beide zijden uitgestrekte armen;
- l. een noodsignaal door middel van digital selective calling (DCS) uitgezonden op:
- i. VHF-kanaal 70, of
- ii. MF/HF op de frequenties 2187,5 kHz, 8414,5 kHz, 4207,5 kHz, 6312 kHz, 12577 kHz of 16804,5 kHz;
- m. een schip-naar-wal noodsignaal, verzonden via Inmarsat of een op een andere mobiele satellietdienst werkend grondstation van het schip;
- n. seinen uitgezonden door noodradiobakens die de positie aanduiden;
- o. goedgekeurde seinen uitgezonden door systemen voor radiocommunicatie, met inbegrip van radartransponders van groepsreddingsmiddelen.
2
Het gebruik of het tonen van vorengenoemde seinen anders dan om een noodsituatie en behoefte aan hulp aan te geven en het gebruik van andere seinen die met een van de bovengenoemde seinen kunnen worden verward, is verboden.
3
De aandacht wordt gevestigd op de desbetreffende afdelingen van het Internationaal Seinboek, het International Aeronautical and Maritime Search and Rescue Manual, deel III, en de volgende signalen:
- a. een stuk oranje gekleurd zeildoek met een zwart vierkant en een zwarte cirkel of een ander passend symbool (voor herkenning vanuit de lucht);
- b. een kleurstof om het water te verkleuren.
IN WITNESS WHEREOF the undersigned being duly authorized by their respective Governments for that purpose have signed the present Convention.
DONE at London this twentieth day of October one thousand nine hundred and seventy-two.
For the Government of the Kingdom of Belgium
Pour le Gouvernement du Royaume de Belgique
Sous réserve de ratification
(sd.) J. VAN DEN BOSCH
For the Government of the People's Republic of Bulgaria
Pour le Gouvernement de la Republique populaire de Bulgarie
(sd.) A. NIKOLOV
Subject to ratification
For the Government of the Federal Republic of Germany
Pour le Gouvernement de la Republique federate d'Allemagne
Subject to ratification
(sd.) Dr.BREUER
For the Government of the Republic of Finland
Pour le Gouvernement de la Republique de Finlande
Subject to ratification
(sd.) AXEL ASPELIN
For the Government of the Republic of Ghana
Pour le Gouvernement de la République du Ghana
Subject to ratification
(sd.) C. K. T. DZIWORSHIE
Fot the Government of the Republic of Iceland
Pour le Gouvernement de la République d'Islande
Subject to approval
(sd.) PÁLL RAGNARSSON
For the Government of the Republic of Indonesia
Pour le Gouvernement de la République d'Indonésie
Subject to aceeptance
(sd.) HAMIMJAR S. ATMADJA
For the Government of the Italian Republic
Pour le Gouvernement de la République italienne
Sous réserve de ratification
(sd.) VITTORIO ARTEMISIO
For the Government of the Khmer Republic
Pour le Gouvernement de la République khmère
(sd.) HANKANG
Sous réserve de ratification
For the Government of the State of Kuwait
Pour le Gouvernement de l'Etat du Koweït
(sd.) A. R. MULLA HUSSEIN
Subject to acceptance
For the Government of the Kingdom of Norway
Pour le Gouvernement du Royaume de Norvège
Subject to ratification
(sd.) NEUBERTH WIE
For the Government of the Polish People's Republic
Pour le Gouvernement de la République populaire de Pologne
Subject to ratification
(sd.) ARTUR STAREWICZ
For the Government of the Portuguese Republic
Pour le Gouvernement de la République portugaise
Sous réserve de ratification
(sd.) B. CADETE
For the Government of the Kingdom of Sweden
Pour le Gouvernement du Royaume de Suède
(sd.) GÖRAN STEEN
Subject to ratification
For the Government of the United Kingdom of Great Britain and Northern Ireland
Pour le Gouvernement du Royaume-Uni de Grande-Bretagne et d'Irlande du Nord
Subject to acceptance
(sd.) A. C. MANSON
For the Government of the United States of America
Pour le Gouvernement des Etats-Unis d'Amérique
Subject to acceptance
(sd.) WILLIAM L. MORRISON
(sd.) STUART S. BECKWITH
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)