Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen

Type Verdrag
Publication 1988-01-01
State In force
Source BWB
artikelen 25
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

De Lid-Staten van de Raad van Europa en de andere Staten die dit Verdrag hebben ondertekend,

Overwegende dat het doel van de Raad van Europa is het tot stand brengen van een grotere eenheid tussen zijn Leden;

Verlangend de internationale samenwerking op het gebied van het strafrecht verder te ontwikkelen;

Overwegende dat een dergelijke samenwerking de doeleinden van een goede rechtsbedeling en de reclassering van gevonniste personen moet bevorderen.

Overwegende dat deze doeleinden eisen dat vreemdelingen die gedetineerd zijn als gevolg van het plegen van een strafbaar feit, in de gelegenheid dienen te worden gesteld om hun veroordelingen binnen hun eigen samenleving te ondergaan, en

Overwegende dat dit doel het best kan worden bereikt door hen naar hun eigen land over te brengen;

Zijn als volgt overeengekomen:

Artikel 1. Begripsomschrijvingen

Voor de toepassing van dit Verdrag wordt verstaan onder:

Artikel 2. Algemene beginselen

1.

De Partijen verbinden zich om elkander wederzijds in zo ruim mogelijke mate samenwerking te verlenen met betrekking tot de overbrenging van gevonniste personen overeenkomstig de bepalingen van dit Verdrag.

2.

Een op het grondgebied van een Partij gevonniste persoon kan, overeenkomstig de bepalingen van dit Verdrag, naar het grondgebied van een andere Partij worden overgebracht, ten einde de tegen hem uitgesproken veroordeling te ondergaan. Te dien einde kan hij de Staat van veroordeling of de Staat van tenuitvoerlegging zijn wens te kennen geven om overeenkomstig het onderhavige Verdrag te worden overgebracht.

3.

De overbrenging kan door de Staat van veroordeling of door de Staat van tenuitvoerlegging worden verzocht.

Artikel 3. Voorwaarden voor overbrenging

1.

Een gevonniste persoon kan overeenkomstig de bepalingen van dit Verdrag, slechts onder de navolgende voorwaarden worden overgebracht:

2.

In uitzonderingsgevallen kunnen Partijen zich akkoord verklaren met een overbrenging zelfs wanneer de duur van het alsnog door de gevonniste persoon te ondergane gedeelte van de veroordeling minder is dan die welke in lid 1(c) is vermeld.

3.

Een Staat kan op het ogenblik van ondertekening of op het ogenblik van nederlegging van zijn akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding door middel van een aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa gerichte verklaring, aangeven dat hij voornemens is de toepassing van een der in artikel 9 (1) (a) en (b) voorziene procedures in zijn betrekkingen met andere Partijen uit te sluiten.

4.

Een Staat kan op elk tijdstip door middel van een aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa gerichte verklaring de term „onderdaan" in de zin van dit Verdrag, voor zover het hem betreft, omschrijven.

Artikel 4. Verplichting tot het verstrekken van inlichtingen

1.

Een gevonniste persoon op wie dit Verdrag van toepassing is, dient door de Staat van veroordeling van de strekking van dit Verdrag in kennis te worden gesteld.

2.

Indien de gevonniste persoon zijn wens tot overbrenging ingevolge dit Verdrag aan de Staat van veroordeling kenbaar heeft gemaakt, dient die Staat de Staat van tenuitvoerlegging zo spoedig mogelijk daarvan in kennis te stellen, nadat het vonnis onherroepelijk is geworden.

3.

De kennisgeving dient de navolgende inlichtingen te omvatten:

4.

Indien de gevonniste persoon zijn wens tot overbrenging ingevolge dit Verdrag aan de Staat van tenuitvoerlegging kenbaar heeft gemaakt, doet de Staat van veroordeling desgevraagd die Staat de in lid 3 bedoelde inlichtingen toekomen.

5.

De gevonniste persoon dient van elke door de Staat van veroordeling of door de Staat van tenuitvoerlegging ingevolge de vorenstaande leden ondernomen actie schriftelijk in kennis te worden gesteld, alsmede van elke door een der beide Staten op een verzoek tot overbrenging genomen beslissing.

Artikel 5. Verzoeken en antwoorden

1.

De verzoeken tot overbrenging en de antwoorden daarop geschieden schriftelijk.

2.

De verzoeken worden door het Ministerie van Justitie van de verzoekende Staat aan het Ministerie van Justitie van de aangezochte Staat gericht. De antwoorden worden langs dezelfde kanalen gegeven.

3.

Een Partij kan door middel van een aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa gerichte verklaring aangeven dat zij andere kanalen van berichtgeving zal gebruiken.

4.

De aangezochte Staat stelt de verzoekende Staat onverwijld in kennis van zijn beslissing of al dan niet met de verzochte overbrenging wordt ingestemd.

Artikel 6. Stukken ter ondersteuning

1.

De Staat van tenuitvoerlegging verstrekt de Staat van veroordeling op diens verzoek:

2.

Indien een overbrenging wordt verzocht, worden door de Staat van veroordeling de navolgende stukken aan de Staat van tenuitvoerlegging verstrekt, tenzij een der beide Staten reeds heeft aangegeven dat hij niet met de overbrenging zal instemmen:

3.

Elk der beide Staten kan verzoeken om in het bezit te worden gesteld van een der in lid 1 of 2 hierboven bedoelde stukken alvorens een verzoek tot overbrenging te doen of een beslissing te nemen of hij al dan niet met de overbrenging zal instemmen.

Artikel 7. Instemming en Verificatie

1.

De Staat van veroordeling zal zich ervan vergewissen dat de persoon die ingevolge artikel 3(1)(d) met de overbrenging moet instemmen, zulks vrijwillig doet en zich volledig bewust is van de daaruit voortvloeiende rechtsgevolgen. De ten aanzien van een zodanige instemming te volgen procedure wordt beheerst door de wet van de Staat van veroordeling.

2.

De Staat van veroordeling stelt de Staat van tenuitvoerlegging in de gelegenheid om te onderzoeken middels een consul of een andere in overeenstemming met de Staat van tenuitvoerlegging aangewezen functionaris, dat de instemming in overeenstemming met de in lid 1 hierboven bedoelde voorwaarden wordt gegeven.

Artikel 8. Gevolgen van de overbrenging voor de Staat van veroordeling

1.

Met de daadwerkelijke overname van de gevonniste persoon door de autoriteiten van de Staat van tenuitvoerlegging wordt de tenuitvoerlegging van de veroordeling in de Staat van veroordeling geschorst.

2.

De Staat van veroordeling kan de veroordeling niet langer ten uitvoer leggen, indien de Staat van tenuitvoerlegging de veroordeling beschouwt geheel ten uitvoer gelegd te zijn.

Artikel 9. Gevolgen van de overbrenging voor de Staat van tenuitvoerlegging

1.

De bevoegde autoriteiten van de Staat van tenuitvoerlegging dienen:

2.

De Staat van tenuitvoerlegging stelt desgevraagd, vóór de overbrenging van de gevonniste persoon, de Staat van veroordeling in kennis welke van deze procedures door hem zal worden gevolgd.

3.

De tenuitvoerlegging van de veroordeling wordt beheerst door het recht van de Staat van tenuitvoerlegging en alleen die Staat is bevoegd om alle ter zake dienende beslissingen te nemen.

4.

Een Staat die, ingevolge zijn nationale recht, geen gebruik kan maken van een der in lid 1 genoemde procedures ter tenuitvoerlegging van maatregelen op het grondgebied van een andere Partij opgelegd aan personen aan wie wegens hun geestelijke toestand het begaan van een strafbaar feit niet is toegerekend en die bereid is die personen voor verdere behandeling over te nemen, kan door middel van een aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa gerichte verklaring de procedures aangeven die door hem in dergelijke gevallen zal worden gevolgd.

Artikel 10. Voortgezette tenuitvoerlegging

1.

Ingeval van voortzetting der tenuitvoerlegging is de Staat van tenuitvoerlegging gebonden aan het rechtskarakter en de duur van de veroordeling, zoals die zijn vastgesteld door de Staat van veroordeling.

2.

Indien deze veroordeling evenwel naar aard en duur onverenigbaar is met de wet van de Staat van tenuitvoerlegging, of indien de wet van die Staat zulks vereist, kan die Staat door middel van een rechterlijke of administratieve beschikking, de sanctie aanpassen aan de straf of maatregel door zijn eigen wet voor een soortgelijk strafbaar feit voorgeschreven. Wat de aard betreft, zal de straf of maatregel voor zover mogelijk overeenstemmen met die welke door de ten uitvoer te leggen veroordeling is opgelegd. De door de Staat van veroordeling opgelegde sanctie zal hierdoor naar aard en duur niet worden verzwaard en evenmin zal het door de wet van de Staat van tenuitvoerlegging voorgeschreven maximum hierdoor worden overschreden.

Artikel 11. Omzetting van de veroordeling

1.

Ingeval van omzetting van de veroordeling zijn de in de wetgeving van de Staat van tenuitvoerlegging voorziene procedures van toepassing. Bij omzetting van de veroordeling:

2.

Indien de omzettingsprocedure gevolgd wordt na overbrenging van de gevonniste persoon, houdt de Staat van tenuitvoerlegging de gevonniste persoon in bewaring of neemt andere maatregelen ten einde diens aanwezigheid in de Staat van tenuitvoerlegging te verzekeren, in afwachting van de afloop van die procedure.

Artikel 12. Gratie, amnestie, strafvermindering

Elk van beide Partijen kan gratie, amnestie of strafvermindering van de veroordeling verlenen ingevolge haar Grondwet of andere wetten.

Artikel 13. Herziening van het vonnis

Slechts de Staat van veroordeling heeft het recht te beslissen op een verzoek tot herziening van het vonnis.

Artikel 14. Beëindiging van de tenuitvoerlegging

De Staat van tenuitvoerlegging dient de tenuitvoerlegging van de veroordeling te beëindigen, zodra hij door de Staat van veroordeling in kennis is gesteld van enige beslissing of maatregel tengevolge waarvan de veroordeling niet meer voor tenuitvoerlegging vastbaar is.

Artikel 15. Bericht inzake tenuitvoerlegging

De Staat van tenuitvoerlegging bericht de Staat van veroordeling ten aanzien van de tenuitvoerlegging van de veroordeling:

Artikel 16. Doortocht

1.

Een Partij voldoet, in overeenstemming met haar wetgeving, aan een verzoek om doortocht van een veroordeelde door haar grondgebied, indien een zodanig verzoek door een andere Partij is gedaan en die Staat met een andere Partij of met een derde Staat overeenstemming heeft bereikt met betrekking tot de overbrenging van die persoon naar of van zijn grondgebied.

2.

Een Partij kan weigeren doortocht toe te staan:

3.

De verzoeken om doortocht en de antwoorden daarop dienen te worden uitgewisseld langs de in artikel 5 (2) en (3) bedoelde kanalen.

4.

Een Partij kan voldoen aan een door een derde Staat gedaan verzoek om doortocht van een veroordeelde door haar grondgebied, indien die Staat met een andere Partij overeenstemming heeft bereikt met betrekking tot de overbrenging naar of van zijn grondgebied.

5.

De Partij aan wie verzocht is doortocht te verlenen, mag de gevonniste persoon slechts in bewaring houden voor de periode die voor de doortocht door haar grondgebied wordt vereist.

6.

De Partij waaraan verzocht is doortocht te verlenen, kan worden gevraagd de verzekering te geven, dat de gevonniste persoon niet zal worden vervolgd of behoudens het bepaalde in het vorige lid, aangehouden of anderszins zal worden onderworpen aan enige vrijheidsbeperking op het grondgebied van de doortocht verlenende Staat wegens een strafbaar feit dat gepleegd is, of een veroordeling die is uitgesproken vóór zijn vertrek uit het grondgebied van de Staat van veroordeling.

7.

Een verzoek om doortocht is niet vereist, indien het vervoer door de lucht plaats vindt boven het grondgebied van een Verdragsluitende Staat en daar in geen landing is voorzien. Elke Staat kan evenwel door middel van een aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa gerichte verklaring, bij ondertekening of nederlegging van zijn akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding, eisen dat hij van een dergelijke doortocht boven zijn grondgebied in kennis wordt gesteld.

Artikel 17. Talen en kosten

1.

De kennisgevingen ingevolge artikel 4, lid 2 tot 4 worden gedaan in de taal van de Partij waaraan zij zijn gericht of in een der officiële talen van de Raad van Europa.

2.

Behoudens het hieronder in lid 3 bepaalde, is een vertaling van verzoeken om overbrenging of van de stukken ter ondersteuning daarvan niet vereist.

3.

Elke Staat kan bij ondertekening of nederlegging van zijn akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding door middel van een aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa gerichte verklaring eisen dat verzoeken om overbrenging en de stukken ter ondersteuning daarvan vergezeld gaan van een vertaling in zijn eigen taal of in een der officiële talen van de Raad van Europa of in een dezer door hem aan te geven talen; die Staat kan bij die gelegenheid verklaren bereid te zijn om vertalingen in elke andere taal behalve de officiële taal of talen van de Raad van Europa te aanvaarden.

4.

Behoudens het in artikel 6 (2) (a) bepaalde, behoeven de stukken die ter toepassing van dit Verdrag worden verzonden, niet gewaarmerkt te zijn.

5.

De kosten voortvloeiende uit de toepassing van dit Verdrag, worden door de Staat van tenuitvoerlegging gedragen, uitgezonderd de kosten die uitsluitend op het grondgebied van de Staat van veroordeling zijn gemaakt.

Artikel 18. Ondertekening en inwerkingtreding

1.

Dit Verdrag staat open voor ondertekening door de Lid-Staten van de Raad van Europa en Staten, die geen lid zijnde van de Raad, aan de opstelling van het Verdrag hebben deelgenomen. Het dient te worden bekrachtigd, aanvaard of goedgekeurd. De akten van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring worden nedergelegd bij de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa.

2.

Dit Verdrag treedt in werking op de eerste dag van de maand die volgt op het verstrijken van een tijdvak van drie maanden na de datum waarop drie Lid-Staten van de Raad van Europa hun instemming door het Verdrag gebonden te worden tot uitdrukking hebben gebracht overeenkomstig het bepaalde in lid 1.

3.

Ten aanzien van iedere ondertekenende Staat die daarna zijn instemming door het onderhavige Verdrag gebonden te worden tot uitdrukking heeft gebracht, treedt het Verdrag in werking op de eerste dag van de maand die volgt op het verstrijken van een tijdvak van drie maanden na de datum van nederlegging van de akte van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring.

Artikel 19. Toetreding door niet-Lid-Staten

1.

Na de inwerkingtreding van dit Verdrag kan het Comité van Ministers van de Raad van Europa, na overleg met de Verdragsluitende Staten iedere Staat die geen lid is van de Raad en niet in artikel 18(1) is genoemd, uitnodigen tot het Verdrag toe te treden, bij een beslissing welke overeenkomstig artikel 20 d van het Statuut van de Raad van Europa met meerderheid van stemmen is genomen, en met eenstemmigheid van de vertegenwoordigers van de Verdragsluitende Staten die recht hebben in het Comité zitting te nemen.

2.

Ten aanzien van iedere toetredende Staat, treedt het Verdrag in werking op de eerste dag van de maand die volgt op het verstrijken van een tijdvak van drie maanden na de datum van nederlegging van de akte van toetreding bij de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa.

Artikel 20. Territoriale toepassing

1.

Iedere Staat kan op het ogenblik van ondertekening of bij nederlegging van zijn akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding het grondgebied of de grondgebieden aanwijzen, waarop dit Verdrag van toepassing is.

2.

Iedere Staat kan op elk later tijdstip, door middel van een aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa gerichte verklaring de toepassing van dit Verdrag uitbreiden tot ieder ander in de verklaring aangewezen grondgebied. Ten aanzien van dat grondgebied treedt het Verdrag in werking op de eerste dag van de maand die volgt op het verstrijken van een tijdvak van drie maanden na de datum van ontvangst van die verklaring door de Secretaris-Generaal.

3.

Iedere krachtens de twee vorige leden gedane verklaring kan met betrekking tot ieder in die verklaring aangewezen grondgebied worden ingetrokken door een aan de Secretaris-Generaal gerichte kennisgeving. De intrekking wordt van kracht op de eerste dag van de maand die volgt op het verstrijken van een tijdvak van drie maanden na de datum van ontvangst van die kennisgeving door de Secretaris-Generaal.

Artikel 21. Toepassing naar tijdstip

Dit Verdrag is van toepassing op de tenuitvoerlegging van veroordelingen die hetzij vóór hetzij na de inwerkingtreding van het Verdrag zijn uitgesproken.

Artikel 22. Verhouding tot andere Verdragen en Overeenkomsten

1.

Dit Verdrag laat onverlet de rechten en verplichtingen voortvloeiende uit uitleveringsverdragen en andere verdragen inzake internationale samenwerking in strafzaken die voorzien in de overbrenging van personen die zijn aangehouden voor confrontatie- of bewijsdoeleinden.

2.

Indien twee of meer Verdragsluitende Staten reeds een overeenkomst of verdrag hebben gesloten betreffende de overbrenging van veroordeelden of hun betrekkingen te dezer zake anderszins hebben geregeld, of in de toekomst alsnog zullen regelen, hebben zij de bevoegdheid die overeenkomst of dat verdrag toe te passen, of die betrekkingen dienovereenkomstig te regelen, in plaats van het onderhavige Verdrag.

3.

Het onderhavige Verdrag laat onverlet de bevoegdheid van de Staten die partij zijn bij het Europese Verdrag inzake de internationale geldigheid van strafvonnissen om onderling bilaterale of multilaterale overeenkomsten te sluiten betreffende in dat Verdrag geregelde onderwerpen, ten einde de bepalingen daarvan aan te vullen of de toepassing van de daarin neergelegde beginselen te vergemakkelijken.

4.

Indien een verzoek om overbrenging valt binnen het toepassingsgebied van zowel het onderhavige Verdrag als het Europese Verdrag inzake de internationale geldigheid van strafvonnissen of een andere overeenkomst of ander verdrag betreffende de overbrenging van veroordeelden, geeft de verzoekende Staat, bij het doen van het verzoek, aan, op grond van welk instrument zulks wordt gedaan.

Artikel 23. Minnelijke schikking

De Europese Commissie voor strafrechtelijke vraagstukken van de Raad van Europa wordt op de hoogte gehouden van de toepassing van dit Verdrag en bevordert zonodig een oplossing in der minne van elke moeilijkheid waartoe de toepassing van het Verdrag aanleiding zou kunnen geven.

Artikel 24. Opzegging

1.

Iedere Partij kan te allen tijde dit Verdrag opzeggen door middel van een aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa gerichte kennisgeving.

2.

De opzegging wordt van kracht op de eerste dag van de maand na het verstrijken van een tijdvak van drie maanden na de datum van ontvangst der kennisgeving door de Secretaris-Generaal.

3.

Het onderhavige Verdrag blijft evenwel van toepassing op de tenuitvoerlegging van veroordelingen aan personen die overeenkomstig de bepalingen van het Verdrag zijn overgebracht vóór de datum waarop een zodanige opzegging van kracht wordt.

Artikel 25. Kennisgevingen

De Secretaris-Generaal van de Raad van Europa stelt de Lid-Staten van de Raad van Europa, de Staten, die geen lid zijnde van de Raad, aan de opstelling van het Verdrag hebben deelgenomen en elke Staat die tot het Verdrag is toegetreden, in kennis van:

IN WITNESS WHEREOF the undersigned, being duly authorised thereto, have signed this Convention.

DONE at Strasbourg, this 21st day of March 1983 in English and French, both texts being equally authentic, in a single copy which shall be deposited in the archives of the Council of Europe. The Secretary General of the Council of Europe shall transmit certified copies to each member State of the Council of Europe, to the non-member States which have participated in the elaboration of this Convention, and to any State invited to accede to it.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)