Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen

Type Verdrag
Publication 2004-12-28
State In force
Source BWB
artikelen 38
Wijzigingsgeschiedenis JSON API
3.

Voor de uitvoering van het eerste en tweede lid van artikel 7 (Winst uit Onderneming), het zevende lid van artikel 10 (Dividenden), het derde lid van artikel 12 (Interest), het derde lid van artikel 13 (Royalty's), het derde lid van artikel 14 (Vermogenswinsten), het eerste lid van artikel 15 (Zelfstandige Arbeid) en het tweede lid van artikel 23 (Overige Inkomsten) zijn alle inkomsten, voordelen of kosten die zijn toe te rekenen aan een vaste inrichting of vast middelpunt gedurende het bestaan daarvan belastbaar of aftrekbaar in de Staat waarin die vaste inrichting of dat vaste middelpunt is gelegen, zelfs als de betalingen zijn uitgesteld tot een tijdstip waarop die vaste inrichting of dat vaste middelpunt heeft opgehouden te bestaan. Niets in de voorgaande zin tast de toepassing op die uitgestelde betalingen aan, overeenkomstig de binnenlandse wetgeving van elk van de Staten, van de regels betreffende de winstneming en het maken van kosten.

Voordelen uit de vervreemding van roerende goederen die op enig moment deel hebben uitgemaakt van het bedrijfsvermogen van een vaste inrichting die of van een vast middelpunt dat een inwoner van een van de Staten in de andere Staat heeft of heeft gehad mogen door die andere Staat slechts worden belast voor zover het voordeel is toe te rekenen aan het tijdvak waarin de desbetreffende roerende goederen deel hebben uitgemaakt van het voornoemde bedrijfsvermogen. Die andere Staat kan die voordelen belasten op het tijdstip waarop de voordelen overeenkomstig de wetten van die andere Staat worden gerealiseerd en in aanmerking worden genomen, mits dat tijdstip ligt binnen 3 jaar na de datum waarop de goederen ophouden deel te zijn van het bedrijfsvermogen van de vaste inrichting of het vaste middelpunt.

4.

In het geval van een bestanddeel van het inkomen, de winst of een voordeel verkregen door een persoon dat fiscaal transparant is krachtens het recht van een van beide Staten, wordt dit bestanddeel aangemerkt als zijnde verkregen door een inwoner van een Staat voorzover dat bestanddeel voor de toepassing van het belastingrecht van die Staat wordt behandeld als het inkomen, de winst of het voordeel van een inwoner.

Artikel 25. Vermijding van dubbele belasting

1.

Niettegenstaande de bepalingen van het tweede lid van artikel 24 (Grondslag van de Belastingheffing), is Nederland bevoegd de bestanddelen van het inkomen in de grondslag van de belastingheffing te begrijpen die op grond van het vierde lid van artikel 19 (Pensioenen, Lijfrenten, Alimentatie-uitkeringen) en artikel 20 (Overheidsfuncties) slechts in de Verenigde Staten belastbaar zijn.

2.

Indien een inwoner of onderdaan van Nederland bestanddelen van het inkomen verkrijgt, die volgens artikel 6 (Inkomsten uit onroerende zaken), artikel 7 (Winst uit onderneming) voor zover dat inkomen is onderworpen aan belasting van de Verenigde Staten, het zevende lid van artikel 10 (Dividenden), het derde lid van artikel 12 (Interest), het derde lid van artikel 13 (Royalty's), het eerste en derde lid van artikel 14 (Vermogenswinsten), artikel 15 (Zelfstandige arbeid) voor zover dat inkomen is onderworpen aan belasting van de Verenigde Staten, het eerste lid van artikel 16 (Niet-zelfstandige arbeid), het vierde lid van artikel 19 (Pensioenen, lijfrenten, alimentatieuitkeringen), artikel 20 (Overheidsfuncties) en het tweede lid van artikel 23 (Overige inkomsten) van deze Overeenkomst belastbaar zijn in de Verenigde Staten en zijn begrepen in de grondslag van de belastingheffing, stelt Nederland deze bestanddelen vrij door een vermindering van zijn belasting toe te staan. Deze vermindering wordt berekend overeenkomstig de bepalingen in de Nederlandse wetgeving tot het vermijden van dubbele belasting. Hiertoe worden genoemde bestanddelen geacht te zijn begrepen in het totale bedrag van de bestanddelen van het inkomen die ingevolge die bepalingen van Nederlandse belasting zijn vrijgesteld.

3.

Nederland verleent voorts een aftrek op de Nederlandse belasting voor de bestanddelen van het inkomen die volgens het tweede lid van artikel 10 (Dividenden), artikel 17 (Bestuurders- en Commissarissenbeloningen) en artikel 18 (Artiesten en Sportbeoefenaars) van de Overeenkomst in de Verenigde Staten mogen worden belast, voor zover deze bestanddelen in de grondslag van de belastingheffing zijn begrepen.

Het bedrag van deze aftrek is gelijk aan

  • c. in het geval van andere dividenden, die mogen worden belast in de Verenigde Staten volgens het vierde lid van artikel 10 (Dividenden), 15 procent van die dividenden; en,
  • d. in het geval van andere bestanddelen van het inkomen, genoemd in dit lid, de over die andere bestanddelen van het inkomen in de Verenigde Staten betaalde belasting,

maar bedraagt in geen geval meer dan het bedrag van de vermindering die zou zijn verleend indien de aldus in het inkomen begrepen bestanddelen van het inkomen de enige bestanddelen van het inkomen zouden zijn geweest die op grond van de bepalingen in de Nederlandse wetgeving tot het vermijden van dubbele belasting van Nederlandse belasting zijn vrijgesteld.

4.

Overeenkomstig de bepalingen en behoudens de beperkingen van de wetgeving van de Verenigde Staten (zoals deze van tijd tot tijd kan worden gewijzigd zonder de algemene uitgangspunten ervan te wijzigen), staan de Verenigde Staten aan een inwoner of onderdaan van de Verenigde Staten een verrekening toe met de belasting op inkomen van de Verenigde Staten van:

  • a. het daarvoor in aanmerking komende bedrag aan inkomstenbelasting dat door of namens die inwoner of onderdaan aan Nederland is betaald of dat aan Nederland is verschuldigd, behalve de inkomstenbelasting betaald aan Nederland in de gevallen bedoeld in het negende lid van artikel 14 (Vermogens winsten) of in het tweede lid van artikel 19 (Pensioenen, Lijfrenten en Alimentatieuitkeringen); en
  • b. in het geval van een lichaam van de Verenigde Staten dat ten minste 10 percent bezit van het stemgerechtigde aandelenkapitaal van een lichaam dat inwoner is van Nederland en waarvan het lichaam van de Verenigde Staten dividenden ontvangt, het daarvoor in aanmerking komende bedrag aan inkomstenbelasting dat door of namens het uitdelende lichaam aan Nederland is betaald of dat aan Nederland is verschuldigd met betrekking tot de winsten waaruit de dividenden zijn betaald.

De grondslag voor dit in aanmerking komende bedrag is het bedrag aan inkomstenbelasting dat is betaald aan of dat is verschuldigd aan Nederland, maar de verrekening overschrijdt niet de beperkingen (die tot doel hebben de verrekening te beperken tot de belasting van de Verenigde Staten op inkomsten uit bronnen buiten de Verenigde Staten) zoals voorzien in de wetgeving van de Verenigde Staten voor het belastingjaar.

Voor de toepassing van dit lid worden de belastingen bedoeld in het eerste lid, letter (a) en het tweede lid van artikel 2 (Belastingen waarop de Overeenkomst van toepassing is), beschouwd als inkomstenbelastingen.

5.

Niettegenstaande de bepalingen van het vierde lid van dit artikel staan de Verenigde Staten aan een inwoner of onderdaan van de Verenigde Staten een verrekening toe met belasting van de Verenigde Staten op inkomen van het daarvoor in aanmerking komende bedrag van het winstaandeel, betaald door of namens die inwoner of onderdaan aan Nederland. Het daarvoor in aanmerking komende bedrag is het produkt van (i) de heffingsgrondslag van het verrekenbare deel van het winstaandeel en (ii) het wettelijke maximumtarief van de belasting van de Verenigde Staten dat van toepassing is voor die inwoner of onderdaan voor dat belastingjaar. Voor het bepalen van het in aanmerking komende bedrag hebben de volgende uitdrukkingen de volgende betekenis:

  • a. de heffingsgrondslag van het verrekenbare deel van het winstaandeel is het deel van de inkomsten, onderworpen aan de vennootschapsbelasting (uitgezonderd de inkomsten die niet zijn onderworpen aan het winstaandeel) die zijn behaald uit bronnen in Nederland (vóór aftrek van het verschuldigde winstaandeel) dat uitgaat boven de heffingsgrondslag van het verrekenbare deel van de vennootschapsbelasting.
  • b. de heffingsgrondslag van het verrekenbare deel van de vennootschapsbelasting is het effectieve tarief van de vennootschapsbelasting, gedeeld door het wettelijke maximumtarief van de belasting van de Verenigde Staten dat van toepassing is voor die inwoner of onderdaan voor dat belastingjaar, vermenigvuldigd met de inkomsten, onderworpen aan de vennootschapsbelasting (uitgezonderd de inkomsten die niet zijn onderworpen aan het winstaandeel) die zijn behaald uit bronnen in Nederland (vóór aftrek van het verschuldigde winstaandeel).
  • c. het effectieve tarief van de vennootschapsbelasting is de vennootschapsbelasting betaald over de inkomsten die zijn onderworpen aan de vennootschapsbelasting (uitgezonderd de inkomsten die niet zijn onderworpen aan het winstaandeel), gedeeld door de inkomsten onderworpen aan de vennootschapsbelasting (uitgezonderd de inkomsten die niet zijn onderworpen aan het winstaandeel en vóór aftrek van het verschuldigde winstaandeel).

Bij de vaststelling van het in aanmerking komende bedrag gelden eveneens de andere beperkingen waarin de wetgeving van de Verenigde Staten, zoals deze van tijd tot tijd kan worden gewijzigd, voorziet, die van toepassing zijn op belastingen die verrekenbaar zijn op grond van de bepalingen van artikel 901 of 903 van de Internal Revenue Code voor personen die aanspraak maken op de voordelen van deze Overeenkomst. Bij de toepassing van die beperkingen op de vennootschapsbelasting moet bij het berekenen van deze beperkingen de heffingsgrondslag van het verrekenbare deel van de vennootschapsbelasting (zoals gedefinieerd in (b) hierboven) worden gebruikt. Het winstaandeel dat is betaald en dat uitgaat boven het in aanmerking komende bedrag mag alleen worden gebruikt voor verrekening in een ander belastingjaar, en alleen met belasting van de Verenigde Staten op de heffingsgrondslag van het verrekenbare deel van het winstaandeel (zoals gedefinieerd in (a) hierboven). Indien aanspraak wordt gemaakt op verrekening van het winstaandeel, mag de belastingplichtige met betrekking tot enige buitenlandse belasting, betaald of verschuldigd in dat jaar, waarvoor aanspraak mag worden gemaakt op verrekening met belasting van de Verenigde Staten op inkomen op grond van artikel 901 of 903 van de Internal Revenue Code, of met betrekking tot het winstaandeel, betaald of verschuldigd in dat jaar, geen aanspraak maken op aftrek op zijn in de Verenigde Staten belastbare inkomen. Verrekening ingevolge de bepalingen van het vierde lid van dit artikel is niet toegestaan voor enige Nederlandse belasting waarvoor aanspraak op verrekening is gemaakt ingevolge de bepalingen van dit lid.

6.

Indien een staatsburger van de Verenigde Staten inwoner is van Nederland:

  • a. staat Nederland, met betrekking tot de bestanddelen van het inkomen die niet zijn vrijgesteld van Nederlandse belasting op grond van het tweede lid en niet zijn genoemd in het zevende lid van dit artikel, en die ingevolge de bepalingen van deze Overeenkomst zijn vrijgesteld van belasting van de Verenigde Staten of die zijn onderworpen aan een gereduceerd tarief van belasting van de Verenigde Staten indien zij zijn behaald door een inwoner van Nederland die geen staatsburger is van de Verenigde Staten, alleen een verrekening met Nederlandse belasting toe, op grond van de bepalingen van de Nederlandse belastingwetgeving met betrekking tot verrekening van buitenlandse belasting, van de daadwerkelijk betaalde belasting die de Verenigde Staten mogen heffen op grond van de bepalingen van deze Overeenkomst, anders dan belastingen die op grond van van de bepalingen van het eerste lid van artikel 24 (Grondslag van de Belastingheffing) uitsluitend mogen worden geheven op grond van staatsburgerschap;
  • b. staan de Verenigde Staten, teneinde de belasting van de Verenigde Staten in letter (a) te berekenen, een verrekening met belasting van de Verenigde Staten toe van de aan Nederland betaalde inkomstenbelasting na de verrekening bedoeld in letter (a); de aldus toegestane verrekening vermindert niet het deel van de belasting van de Verenigde Staten dat in overeenstemming met letter (a) verrekenbaar is met de Nederlandse belasting; en
  • c. uitsluitend met het doel om dubbele belasting in de Verenigde Staten te vermijden op grond van de bepalingen van letter (b), worden bestanddelen van het inkomen bedoeld in letter (a) geacht afkomstig te zijn uit Nederland voor zover noodzakelijk om dubbele belasting van dat inkomen ingevolge letter (b) te vermijden.
7.

Indien een inwoner van een van de Staten voordelen of een beloning of een eenmalige uitkering verkrijgt, die in overeenstemming met het negende lid van artikel 14 (Vermogenswinsten), of met het tweede lid van artikel 19 (Pensioenen, Lijfrenten, Alimentatieuitkeringen) in de andere Staat mogen worden belast, staat die andere Staat van zijn belasting op die voordelen, beloning of eenmalige uitkering een aftrek toe. Het bedrag van die aftrek is gelijk aan de belasting die is geheven in de eerstgenoemde Staat op de genoemde voordelen, beloning of eenmalige uitkering, maar bedraagt in geen geval meer dan dat deel van de inkomstenbelasting, zoals berekend voordat de aftrek is toegestaan, dat toerekenbaar is aan de genoemde voordelen, beloning of eenmalige uitkering. Voor het uitsluitende doel om dubbele belasting in de Verenigde Staten te vermijden op grond van de bepalingen van dit lid, worden bestanddelen van het inkomen bedoeld in dit lid geacht afkomstig te zijn uit Nederland, voor zover noodzakelijk om dubbele belasting op dat inkomen ingevolge de bepalingen van dit lid te vermijden.

8.

Nederland verleent ten slotte een aftrek op de Nederlandse belasting voor de bestanddelen van het inkomen die volgens het achtste lid van artikel 12 (Interest) en het zesde lid van artikel 13 (Royalty's) in de Verenigde Staten mogen worden belast, voor zover deze bestanddelen in de grondslag van de belastingheffing zijn begrepen en niet op grond van het Nederlandse nationale belastingregime of op grond van een door Nederland overeengekomen bilaterale of multilaterale regeling tot het vermijden van dubbele belasting als winst van een vaste inrichting zijn vrijgesteld van belasting in Nederland.

Het bedrag van deze aftrek is gelijk aan

  • a. in het geval van interest die mag worden belast in de Verenigde Staten volgens het achtste lid van artikel 12 (Interest), 15 procent van die interest;
  • b. in het geval van royalty's die mogen worden belast in de Verenigde Staten volgens het zesde lid van artikel 13 (Royalty's), 15 procent van die royalty's,

maar bedraagt in geen geval meer dan het bedrag van de vermindering die zou zijn verleend indien de aldus in het inkomen begrepen bestanddelen van het inkomen de enige bestanddelen van het inkomen zouden zijn geweest die op grond van de bepalingen in de Nederlandse wetgeving tot het vermijden van dubbele belasting van Nederlandse belasting zijn vrijgesteld.

HOOFDSTUK V. BIJZONDERE BEPALINGEN

Artikel 26. Beperkingen van voordelen

1.

Tenzij in dit artikel anders is bepaald, is een inwoner van een van de Staten die voordelen verkrijgt uit de andere Staat alleen gerechtigd tot alle voordelen uit deze Overeenkomst die anderszins worden toegekend aan inwoners van een Staat indien een dergelijke inwoner een gekwalificeerde persoon is als omschreven in het tweede lid van dit artikel en voldoet aan alle andere omschreven voorwaarden voor het verkrijgen van dergelijke voordelen.

2.

Een inwoner van een van de Staten is uitsluitend een gekwalificeerde persoon voor een belastingjaar indien hij:

  • a. een natuurlijke persoon is; of
  • b. een Staat, een staatkundig onderdeel of een plaatselijk publiekrechtelijk lichaam daarvan is; of
  • c. een lichaam is, indien
  • i. de voornaamste soort van zijn aandelen (en elke „disproportionate class of shares”) genoteerd is aan een erkende effectenbeurs zoals beschreven in het achtste lid, letter a, onder i) of ii) van dit artikel en in deze aandelen regelmatig wordt gehandeld op een of meer erkende effectenbeurzen, tenzij het lichaam geen reële aanwezigheid heeft in de Staat waarvan het een inwoner is; of
  • ii. ten minste 50 percent van het totale aantal stemmen en de waarde van de aandelen (en ten minste 50 percent van elke „disproportionate class of shares”) van het lichaam onmiddellijk of middellijk het eigendom is van ten hoogste vijf lichamen die gerechtigd zijn tot de voordelen van letter c onder i), met dien verstande dat ingeval van middellijke eigendom elke tussenliggende eigenaar inwoner is van een van beide Staten;
  • d. een persoon is als beschreven in artikel 35 (Vrijgestelde Pensioenfondsen) van deze Overeenkomst, op voorwaarde dat:
  • i. meer dan 50 percent van de gerechtigden, leden of deelnemers natuurlijke personen van een van beide Staten zijn; of
  • ii. de organisatie die geldschieter is van een dergelijke persoon recht heeft op de voordelen van de Overeenkomst op grond van dit artikel; of
  • e. een niet in letter d beschreven organisatie zonder winstoogmerk is die krachtens een dergelijke hoedanigheid in het algemeen in haar woonstaat is vrijgesteld van een belastingheffing naar het inkomen; of
  • f. een persoon is, niet zijnde een natuurlijke persoon of een lichaam dat gerechtigd zou zijn tot de voordelen op grond van letter c onder i) maar daarvoor niet in aanmerking komt als gevolg van het niet hebben van reële aanwezigheid in haar woonstaat, indien:
  • i. op ten minste de helft van de dagen van een belastingjaar gekwalificeerde personen als bedoeld in letter a, b, c onder i), of letter d of e van dit lid, onmiddellijk of middellijk, aandelen of een ander belang als uiteindelijk gerechtigde van ten minste 50 percent van het totale aantal stemmen en de waarde van de aandelen van het lichaam in eigendom hebben (en ten minste 50 percent van elke „disproportionate class of shares”) en
  • ii. minder dan 50 percent van het bruto inkomen in dat belastingjaar van die persoon onmiddellijk of middellijk wordt betaald aan of toekomt aan personen die geen inwoner zijn van een van beide Staten in de vorm van betalingen die aftrekbaar zijn voor de belastingen waarop deze Overeenkomst van toepassing is in de Staat waarvan de persoon inwoner is (met uitzondering van betalingen als willekeurige derde verricht bij de normale bedrijfsuitoefening ter zake van diensten of lichamelijke zaken en betalingen in het kader van financiële verplichtingen aan een bank op voorwaarde dat indien de bank geen inwoner is van een van de Staten een dergelijke betaling toerekenbaar is aan een vaste inrichting van die bank gelegen in een van de Staten).
3.

Niettegenstaande het feit dat een lichaam dat inwoner is van een van de Staten niet als gekwalificeerde persoon kan worden aangemerkt, is dit lichaam toch gerechtigd tot alle voordelen uit deze Overeenkomst die anderszins worden toegekend aan inwoners van een Staat ter zake van een inkomensbestanddeel indien het lichaam voldoet aan alle andere omschreven voorwaarden voor het verkrijgen van dergelijke voordelen en:

  • a. ten minste 95 percent van het totale aantal stemmen en de waarde van de aandelen (en ten minste 50 percent van elke „disproportionate class of shares”) van het lichaam onmiddellijk of middellijk in eigendom zijn van ten hoogste zeven personen die gelijkwaardige gerechtigden („equivalent beneficiaries”) zijn; en
  • b. minder dan 50 percent van het bruto inkomen van het lichaam voor het belastingjaar waarin het inkomensbestanddeel afkomstig is onmiddellijk of middellijk wordt betaald aan of toekomt aan personen die geen gelijkwaardige gerechtigden (equivalent beneficiaries) zijn in de vorm van betalingen die aftrekbaar zijn voor de belastingen waarop deze Overeenkomst van toepassing is in de Staat waarvan het lichaam inwoner is (met uitzondering van betalingen als willekeurige derde verricht bij de normale bedrijfsuitoefening ter zake van diensten of lichamelijke zaken en betalingen in het kader van financiële verplichtingen aan een bank op voorwaarde dat indien de bank geen inwoner is van een van de Staten een dergelijke betaling toerekenbaar is aan een vaste inrichting van die bank gelegen in een van de Staten).
  • a. Niettegenstaande het feit dat een inwoner van een van de Staten niet als gekwalificeerde persoon kan worden aangemerkt, is deze inwoner toch gerechtigd tot alle voordelen uit deze Overeenkomst die anderszins worden toegekend aan inwoners van een Staat ter zake van een inkomensbestanddeel dat afkomstig is uit de andere Staat, indien de inwoner betrokken is bij het actief uitoefenen van bedrijfsmatige activiteiten in de eerstbedoelde Staat (anders dan activiteiten die bestaan uit het beleggen of het beheren van beleggingen voor eigen rekening van die inwoner, tenzij deze activiteiten bank- en verzekeringsactiviteiten of effectenhandel betreffen, welke door een bank of verzekeringsmaatschappij of een geregistreerd effectenbedrijf worden uitgeoefend), de voordelen verkregen uit de andere Staat zijn behaald in samenhang met, of bijkomstig zijn tot, die bedrijfsmatige activiteiten en die inwoner voldoet aan alle andere omschreven voorwaarden voor het verkrijgen van dergelijke voordelen.
  • b. Indien een inwoner van een van de Staten of een van de met hem verbonden ondernemingen een bedrijfsmatige activiteit in de andere Staat uitoefent waaruit een inkomensbestanddeel voortvloeit, geldt letter a van dit lid ten aanzien van dat inkomensbestanddeel uitsluitend indien de bedrijfsmatige activiteiten in de eerstbedoelde Staat wezenlijk zijn in relatie tot de bedrijfsmatige activiteiten in de andere Staat.
  • c. Bij het bepalen of een persoon betrokken is bij het actief uitoefenen van bedrijfsmatige activiteiten in een van de Staten als bedoeld in letter a van dit lid, worden activiteiten die worden verricht door een vennootschap in welke de persoon een vennoot is en activiteiten die worden verricht door met de persoon verbonden personen geacht te worden verricht door die persoon. Een persoon wordt geacht met een andere persoon verbonden te zijn indien de ene persoon ten minste 50 percent van het belang als uiteindelijke gerechtigde bezit in de andere persoon (of, ingeval van een lichaam, ten minste 50 percent van het totale aantal stemmen en de waarde van de aandelen van het lichaam of van het uiteindelijke belang in het vermogen van het lichaam) of een andere persoon bezit, onmiddellijk of middellijk, ten minste 50 percent van het belang als uiteindelijk gerechtigde (of, ingeval van een lichaam, ten minste 50 percent van het totale aantal stemmen en de waarde van de aandelen van het lichaam of van het uiteindelijke belang in het vermogen van het lichaam) in elk van de personen. In ieder geval wordt een persoon geacht te zijn verbonden met een andere persoon indien, op basis van alle feiten en omstandigheden, de ene persoon zeggenschap heeft in de andere persoon of beide personen onder zeggenschap staan van dezelfde persoon of personen.
5.

Een persoon die inwoner is van een van de Staten is eveneens gerechtigd tot alle voordelen van deze Overeenkomst die anderszins worden toegekend aan inwoners van een Staat indien die persoon werkzaam is als hoofdkantoor van een multinationale groep van vennootschappen en die inwoner voldoet aan elke andere omschreven voorwaarde voor het verkrijgen van dergelijke voordelen. Een persoon wordt voor dit doel alleen als hoofdkantoor beschouwd indien:

  • a. hij voorziet in een wezenlijk aandeel van het algemene toezicht op en bestuur van de groep, dat mede mag omvatten, maar niet hoofdzakelijk mag bestaan uit concernfinanciering;
  • b. de groep uit rechtspersonen bestaat, die inwoner zijn van en zich actief bezig houden met bedrijfsmatige activiteiten in ten minste vijf landen en waarvan de in elk van de vijf landen (of vijf groepen landen) verrichte bedrijfsmatige activiteiten ten minste 10 percent van het bruto-inkomen van de groep genereren;
  • c. de in ieder ander land dan de staat van vestiging van het hoofdkantoor verrichte bedrijfsmatige activiteiten minder dan 50 percent van het bruto-inkomen van de groep genereren;
  • d. niet meer dan 25 percent van zijn bruto-inkomen verkregen is uit de andere Staat;
  • e. hij onafhankelijke discretionaire bevoegdheid heeft en uitoefent om de functies bedoeld in letter a te verrichten;
  • f. hij in zijn land van vestiging onderworpen is aan dezelfde regels voor de belastingheffing over inkomen als personen zoals beschreven in het vierde lid;
  • g. het inkomen, dat is verkregen in de andere Staat, is verkregen in samenhang met of als bijkomstige voordeel van de actieve bedrijfsmatige activiteiten bedoeld in letter b;

Indien aan de vereisten met betrekking tot het bruto-inkomen van de letters b, c of d van dit lid niet is voldaan, wordt geacht hieraan te zijn voldaan wanneer aan die vereisten wel wordt voldaan door het gemiddelde te nemen van het bruto-inkomen van de voorafgaande vier jaar.

6.

Een persoon die inwoner is van een van de Staten, die uit de andere Staat voordelen verkrijgt als genoemd in artikel 8 (Scheepvaart en Luchtvaart) en die op grond van de voorgaande leden geen recht heeft op de voordelen van deze Overeenkomst, heeft desalniettemin recht op de voordelen van deze Overeenkomst ten aanzien van die voordelen indien:

  • a. meer dan 50 percent van het belang als uiteindelijke gerechtigde in die persoon (of ingeval van een lichaam, meer dan 50 percent van de waarde van de aandelen van dat lichaam) middellijk of onmiddellijk eigendom is van gekwalificeerde personen of natuurlijke personen die inwoner zijn van een derde staat; of
  • b. in geval van een lichaam, de aandelen van dat lichaam voornamelijk en regelmatig verhandeld worden op een gevestigde markt voor waardepapieren in een derde staat, mits die derde staat een vrijstelling verleent onder soortgelijke voorwaarden voor voordelen als genoemd in artikel 8 van deze Overeenkomst aan staatsburgers en rechtspersonen van de andere Staat hetzij op grond van zijn nationale wetgeving of in onderlinge overeenstemming met die andere Staat of op grond van een overeenkomst tussen die derde staat en de andere Staat.
7.

Een persoon die inwoner is van een van de Staten en die op grond van de voorgaande leden geen recht heeft op enkele of alle voordelen van deze Overeenkomst kunnen voordelen van deze Overeenkomst desalniettemin worden toegekend indien de bevoegde autoriteit van de Staat waaruit het desbetreffende inkomen afkomstig is, dit bepaalt. Bij deze bepaling houdt de bevoegde autoriteit als haar richtlijn rekening met de vraag of hetzij de oprichting, verwerving of instandhouding van die persoon, hetzij de uitoefening van zijn activiteiten, als een van de voornaamste doelstellingen het verkrijgen van de voordelen van deze Overeenkomst heeft of had. De bevoegde autoriteit van de Staat waaruit het inkomen afkomstig is, raadpleegt de bevoegde autoriteit van de andere Staat alvorens zij op grond van dit lid de voordelen van de Overeenkomst onthoudt.

8.

Bij de toepassing van dit artikel gelden de volgende bepalingen en definities:

  • a. De uitdrukking „erkende effectenbeurs” betekent:
  • i. het NASDAQ-systeem en elke effectenbeurs die voor de toepassing van de Securities Exchange Act van 1934 bij de Security and Exchange Commission in de Verenigde Staten is geregistreerd als een nationale beurs op het gebied van waardepapieren;
  • ii. de Amsterdamse effectenbeurs en elke andere effectenbeurs die onder toezicht staat van de Autoriteit Financiële Markten (of zijn opvolger) in Nederland;
  • iii. De Ierse effectenbeurs, de Zwitserse effectenbeurs en de effectenbeurzen van Brussel, Frankfurt, Hamburg, Johannesburg, Londen, Madrid, Milaan, Parijs, Stockholm, Sydney, Tokio, Toronto en Wenen; en
  • iv. elke andere effectenbeurs die de bevoegde autoriteiten voor de toepassing van dit artikel erkennen;
  • b.
  • i. De uitdrukking „voornaamste soort aandelen” betekent de gewone of normale aandelen van het lichaam, mits die soort aandelen de meerderheid van het totale aantal stemmen in en van de waarde van het lichaam vertegenwoordigt. Indien geen enkele soort gewone of normale aandelen de meerderheid van het totale aantal stemmen in en van de waarde van het lichaam vertegenwoordigt, dan betekent de uitdrukking „voornaamste soort aandelen” die soort of die soorten aandelen die in totaal een meerderheid van het totale aantal stemmen in en van de waarde van de lichaam vertegenwoordigen.
  • ii. De uitdrukking „aandelen” omvat certificaten en trustcertificaten daarvan;
  • c. De uitdrukking „disproportionate class of shares” betekent elke soort aandelen in een lichaam dat inwoner is van een van de Staten die de aandeelhouder recht geeft op een onevenredig hoger aandeel, door middel van dividend, afkoopsommen of op andere wijze, in het inkomen dat in het andere Staat wordt gegenereerd door bepaalde activa of activiteiten van het lichaam;
  • d. Een lichaam heeft geen reële aanwezigheid in de Staat waarvan het inwoner is indien:
  • i.
  • A. het totale volume van de handel in aandelen van een dergelijk lichaam op erkende effectenbeurzen die in de andere Staat zijn gevestigd groter is dan het totale volume van de handel in die aandelen op erkende effectenbeurzen in de primaire economische zone van dat lichaam, of
  • B. de aandelen van het lichaam worden niet verhandeld op enige erkende effectenbeurs die gevestigd is in de primaire economische zone van de Staat waarvan het lichaam inwoner is, of de handel op een dergelijke effectenbeurs of op dergelijke effectenbeurzen minder bedraagt dan 10 percent van de totale wereldwijde handel in aandelen van een dergelijk lichaam; en
  • ii. de voornaamste plaats van waaruit het lichaam wordt geleid en bestuurd niet ligt in de Staat waarvan het lichaam inwoner is;
  • e. Bij de vaststellingen bedoeld in letter (d),
  • i. mag, voor de toepassing van onderdeel i) daarvan, het lichaam gebruik maken van de gemiddelde handelsvolumes van de drie voorafgaande jaren;
  • ii. omvat de primaire economische zone van Nederland de lidstaten van de Europese Unie of van de Europese Economische Ruimte. De primaire economische zone van de Verenigde Staten omvat de staten die partij zijn bij de Noord Amerikaanse Vrijhandels Associatie; en
  • iii. ligt de voornaamste plaats van waaruit het lichaam wordt geleid en bestuurd uitsluitend in de Staat waarvan het lichaam inwoner is indien de „executive officers and senior management employees” hun dagelijkse verantwoordelijkheden voor strategische, financiële en operationele beleidsbeslissingen voor het lichaam (inclusief haar directe en indirecte deelnemingen) meer in die Staat uitoefenen dan in enige andere Staat en de staven meer van de dagelijkse activiteiten die nodig zijn om die beslissingen voor te bereiden en te maken verrichten in die Staat dan in enige andere Staat.
  • f. een gelijkwaardige gerechtigde („equivalent beneficiary”) is een inwoner van een lidstaat van de Europese Unie of van de Europese Economische Ruimte, of van een Staat die partij is bij de Noord Amerikaanse Vrijhandels Associatie, evenwel uitsluitend indien die inwoner:
  • i.
  • A. gerechtigd zou zijn tot alle voordelen van een algemene overeenkomst tot het vermijden van dubbele belasting tussen enige lidstaat van de Europese Unie of van de Europese Economische Ruimte, of van een Staat die deel uitmaakt van de Noord Amerikaanse Vrijhandels Associatie en de Staat ter zake waarvan aanspraak wordt gemaakt op de voordelen van deze Overeenkomst op grond van bepalingen die overeenkomen met letter a, b, c onder i, d of e van het tweede lid van dit artikel, met dien verstande dat indien een dergelijke overeenkomst geen algemeen artikel inzake beperkingen van voordelen bevat, die persoon wordt aangemerkt als een gekwalificeerde persoon op grond van letter a, b, c onder i, d of e van het tweede lid van dit artikel indien die persoon op grond van artikel 4 (Inwoner) van deze Overeenkomst inwoner zou zijn van een van de Staten; en
  • B. ten aanzien van de inkomsten als bedoeld in de artikelen 10 (Dividenden), 11 (Belastingheffing van vaste inrichtingen), 12 (Interest) of 13 (Royalty's) van deze Overeenkomst, op grond van een dergelijke overeenkomst gerechtigd zou zijn tot een belastingtarief ten aanzien van een afzonderlijke soort inkomsten waarvoor op grond van deze Overeenkomst aanspraak wordt gemaakt op voordelen, dat ten minste zo laag is als het tarief dat van toepassing is op grond van deze Overeenkomst; of
  • ii. inwoner is van een Staat die een gekwalificeerde persoon is op grond van letter a, b, c onder i, d of e van het tweede lid van dit artikel. Met het oog op de toepassing van het derde lid van artikel 10 (Dividenden) wordt, teneinde vast te stellen of een persoon die, onmiddellijk of middellijk, aandelen bezit in een lichaam dat aanspraak maakt op de voordelen van deze overeenkomst een gelijkwaardige gerechtigde („equivalent beneficiary”) is, een dergelijk persoon geacht hetzelfde stemrecht te hebben in het lichaam dat de dividenden uitkeert als het lichaam dat aanspraak maakt op de voordelen in een dergelijk lichaam;
  • g. ten aanzien van dividenden, interest en royalty's afkomstig uit Nederland waartoe een lichaam dat inwoner is van de Verenigde Staten uiteindelijk gerechtigd is, wordt een lichaam dat inwoner is van een lidstaat van de Europese Unie behandeld alsof voldaan wordt aan de vereisten van letter f, onder i)B) teneinde vast te stellen of een dergelijke inwoner van de Verenigde Staten op grond van dit lid aanspraak kan maken op voordelen indien een betaling van dividenden, interest of royalty's afkomstig uit Nederland direct aan een dergelijke inwoner van een lidstaat van de Europese Unie wordt betaald vrijgesteld zou zijn van enige belastingheffing op grond van een richtlijn van de Europese Unie, niettegenstaande het feit dat een overeenkomst met betrekking tot belastingen naar het inkomen tussen Nederland en die andere lidstaat van de Europese Unie zou voorzien in een hoger belastingtarief ten aanzien van dergelijke betalingen dan het belastingtarief dat van toepassing is op een dergelijk lichaam dat inwoner is van de Verenigde Staten, op grond van artikel 10 (Dividenden), 12 (Interest), of 13 (Royalty's) van deze Overeenkomst;
  • h. voor de toepassing van het tweede lid van dit artikel worden de aandelen van een bepaalde aandelensoort in een belastingjaar aangemerkt als regelmatig te worden verhandeld op een of meer van de erkende effectenbeurzen indien gedurende het tijdvak van twaalf maanden dat eindigt op de dag voordat het belastingjaar begint het totale aantal aandelen van die soort die verhandeld wordt op die effectenbeurs of beurzen ten minste 6 percent beloopt van het gemiddelde aantal van die soort geplaatste aandelen gedurende dat tijdvak van twaalf maanden.

Artikel 27. Werkzaamheden buitengaats

1.

De bepalingen van dit artikel vinden toepassing niettegenstaande enige andere bepalingen van deze Overeenkomst. Dit artikel vindt echter geen toepassing indien werkzaamheden buitengaats van een persoon voor die persoon een vaste inrichting vormen ingevolge de bepalingen van artikel 5 (Vaste Inrichting) of een vast middelpunt ingevolge de bepalingen van artikel 15 (Zelfstandige Arbeid).

2.

In dit artikel betekent de uitdrukking „werkzaamheden buitengaats" werkzaamheden die buitengaats worden verricht in verband met de exploratie of exploitatie van de in een van de Staten gelegen zeebodem en de ondergrond daarvan en hun natuurlijke rijkdommen.

3.

Een onderneming van een van de Staten die in de andere Staat werkzaamheden buitengaats verricht, wordt onder voorbehoud van het vierde lid geacht ter zake van die werkzaamheden in die andere Staat een bedrijf uit te oefenen door middel van een aldaar gevestigde vaste inrichting, tenzij de desbetreffende werkzaamheden buitengaats in de andere Staat worden verricht gedurende een tijdvak of tijdvakken die in een kalenderjaar een totaal van 30 dagen niet te boven gaan. Voor de toepassing van dit lid wordt:

  • a. indien een onderneming die in de andere Staat werkzaamheden buitengaats verricht en die is gelieerd aan een andere onderneming, welke andere onderneming als onderdeel van hetzelfde project dezelfde werkzaamheden buitengaats voortzet die worden of werden uitgevoerd door de eerstbedoelde onderneming, en de hiervoor bedoelde door beide ondernemingen verrichte activiteiten bij elkaar opgeteld een tijdvak van 30 dagen te boven gaan, elke onderneming geacht zijn werkzaamheden uit te oefenen gedurende een tijdvak dat 30 dagen in een kalenderjaar te boven gaat;
  • b. een onderneming geacht gelieerd te zijn aan een andere onderneming indien de een onmiddellijk of middellijk ten minste een derde deel van het kapitaal van de andere onderneming bezit of indien een persoon onmiddellijk of middellijk ten minste een derde deel van het kapitaal van beide ondernemingen bezit.
4.

Voor de toepassing van het derde lid wordt de uitdrukking „werkzaamheden buitengaats" evenwel geacht niet te omvatten:

  • a. een van de activiteiten of een combinatie daarvan als bedoeld in het vierde lid van artikel 5 (Vaste Inrichting);
  • b. sleep- of ankerwerkzaamheden door schepen die in de eerste plaats voor dat doel zijn ontworpen alsmede andere door zulke schepen verrichte activiteiten;
  • c. het vervoer van voorraden of personeel door schepen of luchtvaartuigen in internationaal verkeer.
5.

Een inwoner van een van de Staten die in het kader van een vrij beroep of van andere werkzaamheden van zelfstandige aard in de andere Staat werkzaamheden buitengaats verricht, wordt geacht deze werkzaamheden te verrichten vanuit een vast middelpunt in de andere Staat indien de desbetreffende werkzaamheden buitengaats een aaneengesloten periode van 30 dagen of meer beslaan.

6.

Salarissen, lonen en andere soortgelijke beloningen verkregen door een inwoner van een van de Staten ter zake van een dienstbetrekking in verband met werkzaamheden buitengaats die worden verricht door middel van een vaste inrichting in de andere Staat, mogen, voor zover de dienstbetrekking in de andere Staat buitengaats wordt uitgeoefend, in die andere Staat worden belast.

7.

Indien aan de hand van bewijsstukken wordt aangetoond dat in de Verenigde Staten belasting is betaald over de bestanddelen van het inkomen die ingevolge artikel 7 (Winst uit Onderneming) of artikel 15 (Zelfstandige Arbeid) in verband met het derde onderscheidenlijk het vijfde lid van dit artikel en overeenkomstig het zesde lid van dit artikel in de Verenigde Staten mogen worden belast, verleent Nederland een vermindering op zijn belasting, die wordt berekend overeenkomstig de regels die zijn neergelegd in het tweede lid van artikel 25 (Vermijding van Dubbele Belasting).

Artikel 28. Non -discriminatie

1.

Onderdanen van een van de Staten worden in de andere Staat niet aan enige belastingheffing of daarmede verband houdende verplichting onderworpen, die anders of zwaarder is dan de belastingheffing en daarmede verband houdende verplichtingen waaraan onderdanen van die andere Staat onder dezelfde omstandigheden zijn of kunnen worden onderworpen. Deze bepaling is, niettegenstaande het bepaalde in artikel 1 (Algemene Reikwijdte), ook van toepassing op personen die geen inwoner zijn van een of van beide Staten. Voor de toepassing van de belasting van de Verenigde Staten verkeert een onderdaan van de Verenigde Staten die geen inwoner is van de Verenigde Staten echter niet in dezelfde omstandigheden als een Nederlands onderdaan die geen inwoner is van de Verenigde Staten.

2.

De belastingheffing van een vaste inrichting die een onderneming van een van de Staten in de andere Staat heeft, is in die andere Staat niet ongunstiger dan de belastingheffing van ondernemingen van die andere Staat die dezelfde werkzaamheden uitoefenen. Deze bepaling mag niet zo worden uitgelegd, dat zij een van de Staten verplicht aan inwoners van de andere Staat bij de belastingheffing de persoonlijke aftrekken, tegemoetkomingen en verminderingen uit hoofde van de samenstelling van het gezin of gezinslasten te verlenen, die eerstbedoelde Staat aan zijn eigen inwoners verleent.

3.

Behalve indien de bepalingen van het eerste lid van artikel 9 (Gelieerde Ondernemingen), het vijfde lid van artikel 12 (Interest), of het vierde lid van artikel 13 (Royalty's), van toepassing zijn, zijn interest, royalty's en andere uitgaven, betaald door een inwoner van een van de Staten aan een inwoner van de andere Staat, bij de vaststelling van de belastbare winst van de eerstbedoele inwoner onder dezelfde voorwaarden aftrekbaar als wanneer zij betaald waren aan een inwoner van de eerstbedoelde Staat.

4.

Ondernemingen van een van de Staten, waarvan het kapitaal geheel of ten dele, onmiddellijk of middellijk, in het bezit is van of wordt beheerst door een of meer inwoners van de andere Staat, worden in de eerstbedoelde Staat niet aan enige belastingheffing of daarmede verband houdende verplichting onderworpen, die anders of zwaarder is dan de belastingheffing en daarmede verband houdende verplichtingen waaraan andere soortgelijke ondernemingen van de eerstbedoelde Staat zijn of kunnen worden onderworpen.

5.

Niets in dit artikel mag zo worden uitgelegd, dat de toepassing door elk der Staten van de belasting op voordelen van vaste inrichtingen als omschreven in artikel 11 (Belastingheffing van Vaste Inrichtingen) wordt voorkomen of beperkt.

6.

De bepalingen van dit artikel zijn, niettegenstaande de bepalingen van artikel 2 (Belastingen waarop de Overeenkomst van toepassing is), van toepassing op belastingen van elke soort en benaming opgelegd door een van de Staten, of een staatkundig onderdeel of een plaatselijk publiekrechtelijk lichaam daarvan.

Artikel 29. Regeling voor onderling overleg

1.

Indien een persoon van oordeel is dat de maatregelen van een of van beide Staten voor hem leiden of zullen leiden tot een belastingheffing die niet in overeenstemming is met de bepalingen van deze Overeenkomst, kan hij, ongeacht de rechtsmiddelen waarin de nationale wetgeving van die Staten voorziet, zijn geval voorleggen aan de bevoegde autoriteit van de Staat waarvan hij inwoner of onderdaan is.

2.

De bevoegde autoriteit tracht, indien het bezwaar haar gegrond voorkomt en indien zij niet zelf in staat is tot een bevredigende oplossing te komen, de aangelegenheid in onderlinge overeenstemming met de bevoegde autoriteit van de andere Staat te regelen ten einde een belastingheffing die niet in overeenstemming is met de Overeenkomst, te vermijden. De overeengekomen regeling wordt uitgevoerd niettegenstaande de verjaringstermijnen of andere procedurele beperkingen in de nationale wetgeving van de Staten, mits de bevoegde autoriteit van de andere Staat binnen zes jaren vanaf het einde van het belastingjaar waarop de aangelegenheid betrekking heeft op de hoogte is gebracht van het bestaan van die aangelegenheid.

3.

De bevoegde autoriteiten van de Staten trachten moeilijkheden of twijfelpunten die mochten rijzen met betrekking tot de uitlegging of toepassing van de Overeenkomst in onderling overleg op te lossen. In het bijzonder kunnen de bevoegde autoriteiten overeenstemming bereiken over:

  • a. dezelfde toerekening van inkomen, aftrekposten, verrekeningen of tegemoetkomingen van een onderneming van een van de Staten aan diens in de andere Staat gevestigde vaste inrichting;
  • b. dezelfde verdeling van inkomen, aftrekposten, verrekeningen of tegemoetkomingen tussen personen;
  • c. dezelfde typering van bepaalde vormen van inkomen;
  • d. dezelfde toepassing van bronbepalingen voor bepaalde vormen van inkomen;
  • e. een gemeenschappelijke betekenis van een uitdrukking;
  • f. verhogingen van de specifieke bedragen waarnaar in de Overeenkomst wordt verwezen teneinde de economische en monetaire ontwikkelingen weer te geven;
  • g. de toepassing van bepalingen uit het nationale recht betreffende straffen, boetes en interest op een wijze overeenkomstig de doelstellingen van de Overeenkomst.

De bevoegde autoriteiten kunnen elkaar tevens raadplegen voor de vermijding van dubbele belasting voor gevallen waarin niet door de Overeenkomst is voorzien.

4.

De bevoegde autoriteiten van de Staten kunnen zich rechtstreeks met elkaar in verbinding stellen ten einde een overeenstemming als bedoeld in de voorgaande leden te bereiken.

5.

Wanneer moeilijkheden of twijfelpunten met betrekking tot de uitlegging of toepassing van deze Overeenkomst niet opgelost kunnen worden door de bevoegde autoriteiten in een onderlinge overlegprocedure ingevolge de voorgaande leden van dit artikel, kan de aangelegenheid, als beide bevoegde autoriteiten en de belastingplichtige(n) daarmee instemmen, worden voorgelegd voor arbitrage, mits de belastingplichtige er schriftelijk mee instemt te zijn gebonden door de beslissing van de arbitragecommissie. De beslissing van de arbitragecommissie in een bepaalde aangelegenheid is voor die aangelegenheid bindend voor beide Staten. De bepalingen van dit lid zijn van toepassing nadat de Staten zulks zijn overeengekomen door middel van een van diplomatieke-notawisseling.

6.

Wanneer de bevoegde autoriteit van een van de Staten zich ervan bewust wordt dat de wetgeving van een van de Staten is of kan worden toegepast op een wijze die de volledige toepassing van deze Overeenkomst belemmert, stelt deze bevoegde autoriteit de bevoegde autoriteit van de andere Staat zo snel mogelijk daarvan in kennis. Op verzoek van een van de Staten overleggen de bevoegde autoriteiten met elkaar met het oog op een volledige toepassing van deze Overeenkomst. Het overleg zoals omschreven in dit lid dient aan te vangen binnen zes maanden na de datum waarop de bevoegde autoriteit van de eerstbedoelde Staat een kennisgeving deed toekomen aan de bevoegde autoriteit van de andere Staat.

Artikel 30. Uitwisseling van inlichtingen en administratieve bijstand

1.

De bevoegde autoriteiten van de Staten wisselen de inlichtingen uit die nodig zijn om uitvoering te geven aan de bepalingen van deze Overeenkomst of van de nationale wetgeving van de Staten met betrekking tot belastingen waarop de Overeenkomst van toepassing is, voor zover de belastingheffing op grond daarvan niet in strijd is met de Overeenkomst, waaronder begrepen inlichtingen nodig voor de vaststelling en de invordering van, de administratie en de tenuitvoerlegging terzake van, de gerechtelijke vervolging voor een administratiefrechtelijke autoriteit of het instellen van een gerechtelijke vervolging voor een gerechtelijk lichaam, of de beslissing in beroepszaken met betrekking tot de belastingen waarop de Overeenkomst van toepassing is. De uitwisseling van inlichtingen wordt niet beperkt door artikel 1 (Algemene Reikwijdte). Alle door een van de Staten ontvangen inlichtingen worden op dezelfde wijze geheim gehouden als inlichtingen die op grond van de nationale wetgeving van die Staat zijn verkregen en worden alleen ter kennis gebracht van personen of autoriteiten (daaronder begrepen rechterlijke instanties en administratiefrechtelijke lichamen) die betrokken zijn bij de bovenbedoelde functies met betrekking tot de belastingen waarop de Overeenkomst van toepassing is. Deze personen of autoriteiten mogen van de inlichtingen alleen voor deze doeleinden gebruik maken. Zij mogen de inlichtingen bekend maken in openbare rechtszittingen of in rechterlijke beslissingen. Een Staat mag inlichtingen die op basis van deze Overeenkomst zijn verkregen slechts als bewijs voor een rechter in strafzaken gebruiken indien daartoe vooraf goedkeuring is verleend door de bevoegde autoriteit die de inlichtingen heeft verstrekt. De bevoegde autoriteiten kunnen echter onderling overeenkomen af te zien van de voorwaarde van voorafgaande goedkeuring.

2.

Wanneer op basis van dit artikel door een van de Staten om inlichtingen is verzocht, verzamelt de andere Staat de inlichtingen waarop het verzoek betrekking heeft op dezelfde wijze en in dezelfde mate als wanneer de belasting van de eerstbedoelde Staat een belasting van die andere Staat zou zijn en zou zijn geheven door de andere Staat. Wanneer daar door de bevoegde autoriteit van een Staat uitdrukkelijk om is verzocht, tracht de bevoegde autoriteit van de andere Staat de inlichtingen te verschaffen in de vorm van getuigenverklaringen, gewaarmerkte afschriften van onbewerkte oorspronkelijke documenten (met inbegrip van boeken, documenten, verklaringen, bestanden, rekeningen en geschriften) voor zover die verklaringen en documenten verkregen kunnen worden op grond van de wetgeving en de administratieve praktijk van die andere Staat met betrekking tot haar eigen belastingen.

3.

De Staten kunnen aan de arbitragecommissie, ingesteld volgens de bepalingen van het vijfde lid van artikel 29 (Regeling voor Onderling Overleg), de inlichtingen verstrekken die nodig zijn om de arbitrageprocedure te volbrengen. Deze inlichtingen worden verstrekt met inachtneming van de bepalingen van artikel 32 (Beperking van artikelen 30 en 31) en van het tweede lid van dit artikel. De leden van de arbitragecommissie zijn met betrekking tot de aldus verstrekte inlichtingen onderworpen aan de beperkingen van openbaarmaking als omschreven in het eerste lid van dit artikel.

Artikel 31. Hulp en bijstand bij invordering

1.

De Staten nemen op zich elkaar hulp en bijstand te verlenen bij de inning van belastingen die het onderwerp van deze Overeenkomst zijn, met inbegrip van interest, kosten, verhogingen van belasting en boeten van niet-strafrechtelijke aard.

2.

In geval van verzoeken tot invordering van belasting kunnen onherroepelijk vaststaande belastingvorderingen van een van de Staten door de andere Staat ter invordering worden aanvaard en in die Staat worden geïnd overeenkomstig de wetten die van toepassing zijn op de invordering en de inning van zijn eigen belastingen. De aangezochte Staat is niet gehouden over te gaan tot maatregelen van executie waarin de wet van de verzoekende Staat niet voorziet.

3.

Elk verzoek gaat vergezeld van bescheiden waaruit blijkt dat volgens de wetten van de verzoekende Staat de belastingen onherroepelijk zijn komen vast te staan.

4.

De hulp als bedoeld in dit artikel wordt niet verleend ten aanzien van de staatsburgers, rechtspersonen of andere entiteiten van de aangezochte Staat, behalve in die gevallen waarin in onderling overleg tussen de bevoegde autoriteiten van de Staten is vastgesteld dat de vrijstelling die of het verlaagde tarief van de belasting dat op grond van deze Overeenkomst aan die staatsburgers, rechtspersonen en andere entiteiten is toegekend, is genoten door personen die niet tot die voordelen gerechtigd zijn.

Artikel 32. Beperking van de artikelen 30 en 31

1.

In geen geval worden de bepalingen van artikel 30 (Uitwisseling van inlichtingen en administratieve bijstand) en artikel 31 (Hulp en bijstand bij invordering) zo uitgelegd dat zij een van de Staten de verplichting opleggen:

  • a. administratieve maatregelen te nemen die in strijd zijn met de wetgeving of de administratieve praktijk van die of van de andere Staat;
  • b. inlichtingen te verstrekken die niet verkrijgbaar zijn krachtens de wetgeving of in de normale gang van zaken in de administratie van die of van de andere Staat;
  • c. inlichtingen te verstrekken die een handels-, bedrijfs-, nijverheids- of beroepsgeheim of een fabrieks- of handelswerkwijze zouden onthullen, of inlichtingen waarvan het verstrekken in strijd zou zijn met de openbare orde.
2.

Onverminderd het eerste lid, zijn de bevoegde autoriteiten van beide Staten bevoegd inlichtingen te verzamelen en te verstrekken die in het bezit zijn van financiële instellingen, gevolmachtigden of personen die bij wijze van vertegenwoordiging of als vertrouwenspersoon optreden of inlichtingen te verzamelen en verstrekken over personen die belangen in een andere persoon houden, met inbegrip van aandelen aan toonder, ongeacht de wetten of praktijken in de Staat die het verkrijgen van dergelijke informatie anders zouden beletten.

3.

De bepalingen van deze Overeenkomst verplichten een Staat niet inlichtingen te verzamelen of te verstrekken waardoor vertrouwelijke communicatie tussen een cliënt en een advocaat, notaris of een andere erkende juridische vertegenwoordiger zou worden onthuld indien dergelijke communicatie:

  • a. plaatsvindt ten behoeve van het verzoeken om of verstrekken van juridisch advies; of
  • b. plaatsvindt ten behoeve van bestaande of mogelijk in te stellen gerechtelijke procedures.

Artikel 33. Diplomatieke en consulaire ambtenaren

1.

De bepalingen van deze Overeenkomst tasten in geen enkel opzicht de fiscale voorrechten aan die diplomatieke of consulaire ambtenaren ontlenen aan de algemene regels van het internationale recht of aan de bepalingen van bijzondere overeenkomsten.

2.

Voor de toepassing van de Overeenkomst wordt een natuurlijke persoon die lid is van een diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging van een van de Staten in de andere Staat of in een derde Staat en die onderdaan is van de zendstaat, geacht inwoner van de zendstaat te zijn, echter alleen indien hij daarin aan dezelfde verplichtingen ter zake van belastingen naar het inkomen is onderworpen als inwoners van die Staat.

3.

De Overeenkomst is niet van toepassing op internationale organisaties, hun organen en functionarissen, noch op natuurlijke personen die lid zijn van een diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging van een derde Staat die in een van de Staten verblijven, en die in geen van beide Staten aan dezelfde verplichtingen ter zake van belastingen naar het inkomen zijn onderworpen als inwoners van die Staten.

Artikel 34. Uitvoeringsvoorschriften

1.

De bevoegde autoriteiten van de Staten kunnen in onderlinge overeenstemming de wijze van toepassing regelen van de artikelen 10 (Dividend), 11 (Belastingheffing van Vaste Inrichtingen), 12 (Interest), 13 (Royalty's) en 26 (Beperking van Voordelen).

2.

Ten aanzien van de bepalingen van deze Overeenkomst met betrekking tot de uitwisseling van inlichtingen en de wederzijdse bijstand bij de invordering van belastingen, kunnen de bevoegde autoriteiten in gemeenschappelijk overleg regels vaststellen betreffende procedurele aangelegenheden, de formulieren voor aanvragen en voor antwoorden daarop, de omrekening van de munteenheid, de beschikking over de geïnde bedragen, het minimum van de voor invordering in aanmerking komende bedragen en daarmede verband houdende aangelegenheden.

3.

De bevoegde autoriteiten van elk van de Staten kunnen, in overeenstemming met het gebruik van die Staat, uitvoeringsvoorschriften vaststellen die nodig zijn om de overige bepalingen van deze Overeenkomst uit te voeren.

4.

Indien aan de bron belasting is geheven die het belastingbedrag dat ingevolge de bepalingen van de artikelen 10 (Dividend), 12 (Interest) of 13 (Royalty's) mag worden geheven te boven gaat, moeten verzoeken om teruggaaf van het daarboven uitgaande belastingbedrag worden ingediend bij de bevoegde autoriteit van de Staat die de belasting heeft geheven, binnen drie jaar na afloop van het kalenderjaar waarin de belasting is geheven.

Artikel 35. Vrijgestelde pensioenfondsen

1.

Onder voorbehoud van de bepalingen van het tweede lid zijn voordelen als bedoeld in de artikelen 10 (Dividend) en 12 (Interest) verkregen door een fonds, een lichaam, of een andere organisatie, opgericht en uitsluitend werkzaam voor het beheer of het verstrekken van voordelen uit hoofde van een of meer fondsen of regelingen, ingesteld voor het verstrekken van pensioenuitkeringen of andere werknemersvoordelen, vrijgesteld van belasting in een van de Staten indien dat fonds, dat lichaam of die organisatie volgens de wetgeving van de andere Staat inwoner is van die andere Staat en zijn inkomen in die andere Staat algemeen is vrijgesteld van belasting.

2.

De bepalingen van het eerste lid zijn niet van toepassing ten aanzien van de voordelen die een fonds, lichaam of andere organisatie behaalt met het uitoefenen van bedrijfsmatige activiteiten of verkrijgt van een gelieerde persoon niet zijnde een in het eerste lid genoemde persoon.

De bepalingen van het eerste lid zijn evenmin van toepassing ten aanzien van dividenden betaald door een persoon die inwoner is van de Verenigde Staten en die een Real Estate Investment Trust is uit voordelen verkregen uit de vervreemding van in de Verenigde Staten gelegen onroerende zaken.

Artikel 36. Vrijgestelde organisaties

1.

Een trust, lichaam of andere organisatie die of dat volgens de wetgeving van een van de Staten inwoner is van die Staat en uitsluitend werkzaam is voor godsdienstige, liefdadige, wetenschappelijke, opvoedkundige of openbare doeleinden is vrijgesteld van belasting in de andere Staat ten aanzien van inkomensbestanddelen indien en voor zover

  • a. die trust, dat lichaam of die andere organisatie in de eerstbedoelde Staat is vrijgesteld van belasting; en
  • b. die trust, dat lichaam of die andere organisatie in de andere Staat vrijgesteld zou zijn van belasting ten aanzien van die inkomensbestanddelen indien de trust, het lichaam of de andere organisatie in die andere Staat zou zijn opgericht en aldaar al zijn of haar activiteiten zou verrichten.
2.

De bepalingen van het eerste lid zijn niet van toepassing ten aanzien van de voordelen die een trust, lichaam of andere organisatie behaalt met het uitoefenen van bedrijfsmatige activiteiten of verkrijgt van een gelieerde persoon niet zijnde een in het eerste lid genoemde persoon.

3.

De bevoegde autoriteiten van de Staten ontwikkelen in onderling overleg procedures voor de toepassing van dit artikel.

HOOFDSTUK VI. SLOTBEPALINGEN

Artikel 37. Inwerkingtreding

1.

Deze Overeenkomst treedt in werking dertig dagen na de laatste der beide data waarop de onderscheiden Regeringen elkaar schriftelijk hebben medegedeeld, dat aan de in hun onderscheiden Staten constitutioneel vereiste formaliteiten is voldaan, en de bepalingen ervan vinden toepassing voor de belastingjaren en -tijdvakken die aanvangen, of in het geval van aan de bron geheven belastingen, voor betalingen die zijn gedaan, op of na 1 januari van het kalenderjaar dat volgt op de datum waarop de Overeenkomst in werking is getreden.

2.

Niettegenstaande het eerste lid blijft het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten met betrekking tot belastingen van inkomsten en bepaalde andere belastingen, ondertekend te Washington op 29 april 1948, gewijzigd als neergelegd in het op 1 december 1948 te Washington ondertekende Protocol van Uitwisseling van Bekrachtigingsoorkonden, en vervolgens gewijzigd en aangevuld bij het op 30 december 1965 te Washington ondertekende Aanvullende Verdrag („eerdere Verdrag"), in zijn geheel van toepassing gedurende een periode van twaalf maanden vanaf de datum waarop anders ingevolge het eerste lid de bepalingen van deze Overeenkomst van toepassing zouden zijn, indien een persoon die gerechtigd was tot de voordelen van het eerdere Verdrag op grond van het eerdere Verdrag een grotere vermindering van belasting zou zijn verleend dan op grond van deze Overeenkomst, indien deze persoon daarvoor kiest.

3.

Onder voorbehoud van het vierde lid houdt het eerdere Verdrag op van toepassing te zijn wanneer de bepalingen van deze Overeenkomst van toepassing worden in overeenstemming met het eerste en tweede lid.

4.

Deze Overeenkomst heeft geen gevolgen voor enige van kracht zijnde overeenkomst die de toepassing van het op 29 april 1948 te Washington ondertekende Verdrag in overeenstemming met Artikel XXVII daarvan uitbreidt.

Artikel 38. Beëindiging

Deze Overeenkomst blijft van kracht totdat zij door een van de Staten wordt beëindigd. Elk van de Partijen kan de Overeenkomst langs diplomatieke weg beëindigen door ten minste zes maanden voor het einde van enig kalenderjaar na het verstrijken van een tijdvak van vijf jaar na de datum van haar inwerkingtreding een kennisgeving van beëindiging te doen. In dat geval houdt de Overeenkomst op van toepassing te zijn voor belastingjaren en -tijdvakken die aanvangen, of in het geval van aan de bron geheven belastingen, voor betalingen die zijn gedaan, na het einde van het kalenderjaar waarin de kennisgeving van beëindiging is gedaan.

I. Met betrekking tot het eerste lid van artikel 4 (Inwoner)

  • a. Het is wel te verstaan dat voor de toepassing van de Overeenkomst de Regering van een van de Staten, de staatkundige onderdelen of de plaatselijke publiekrechtelijke lichamen daarvan, dienen te worden beschouwd als inwoners van die Staat.
  • b. Het is wel te verstaan dat een lichaam dat ingevolge het nationale recht van een Staat inwoner is of zou zijn van die Staat voor de uitvoering van de Overeenkomst niet wordt behandeld als inwoner van die Staat indien het ingevolge een verdrag inzake belastingen naar het inkomen tussen die Staat en een derde staat wordt behandeld als inwoner van de derde staat.

II. Met betrekking tot het vierde lid van artikel 4 (Inwoner)

Het is wel te verstaan dat, wanneer een lichaam inwoner is van Nederland ingevolge het eerste lid van artikel 4 (Inwoner) en dat lichaam, in verband met de toepassing van artikel 269B van de Internal Revenue Code, ingevolge het eerste lid van artikel 4 ook inwoner van de Verenigde Staten is, voor de toepassing van deze Overeenkomst onderwerp zal zijn van een onderlinge overlegprocedure geldt zoals nedergelegd in het vierde lid van artikel 4.

III. Met betrekking tot artikel 7 (Winst uit onderneming)

Het is wel te verstaan dat, indien een onderneming van een van de Staten een bedrijf uitoefent in de andere Staat door middel van een aldaar gevestigde vaste inrichting voor de toepassing van het eerste en tweede lid van artikel 7 (Winst uit onderneming), de voordelen van die vaste inrichtring niet worden bepaald op basis van het totaal van de voordelen van de onderneming, doch slechts op basis van dat deel van de voordelen van de onderneming dat aan de werkelijke activiteiten van de vaste inrichting met betrekking tot die bedrijfsuitoefening is toe te rekenen. In het bijzonder bij contracten betreffende het toezicht op, de levering, installatie of constructie van nijverheids- en handelsuitrusting en wetenschappelijke uitrusting of gebouwen, alsmede bij openbare werken, worden, indien de onderneming een vaste inrichting heeft, de voordelen van die vaste inrichting niet bepaald op basis van het totale bedrag van het contract, maar alleen dat deel van het contract dat werkelijk wordt uitgevoerd door de vaste inrichting. De voordelen die betrekking hebben op dat deel van het contract dat wordt uitgevoerd door het hoofdkantoor van de onderneming, worden niet belast in de Staat waar de vaste inrichting is gevestigd.

IV. Met betrekking tot artikel 9 (Gelieerde ondernemingen), artikel 12 (Interest) en artikel 29 (Regeling voor onderling overleg)

Niets in het eerste lid van artikel 9 (Gelieerde ondernemingen) of in het vijfde lid van artikel 12 (Interest) belet een van beide Staten het passende bedrag aan in aftrek toegelaten interest van een onderneming vast te stellen, niet alleen aan de hand van het bedrag van de interest met betrekking tot een bepaalde schuldvordering maar tevens aan de hand van het totale bedrag van de schuldenlast van de onderneming. In het kader van de regeling voor onderling overleg van artikel 29 (Regeling voor onderling overleg), wordt het bedrag aan in aftrek toegelaten interest vastgesteld op een wijze die in overeenstemming is met de beginselen van het eerste lid van artikel 9, in aanmerking nemend de voorwaarden in de handelsbetrekkingen of financiële betrekkingen die bestaan tussen onafhankelijke ondernemingen die als willekeurige derden transacties aangaan. Die beginselen zijn uitgebreider onderzocht en toegelicht in OESO-publicaties betreffende „thin capitalization”.

V. Met betrekking tot artikel 9 (Gelieerde ondernemingen) en artikel 29 (Regeling voor onderling overleg)

In overeenstemming met het derde lid van artikel 29 (Regeling voor onderling overleg) trachten de bevoegde autoriteiten in onderling overleg elk geval van dubbele belasting te regelen dat zich voordoet door de toerekening van voordelen, aftrekposten, verrekeningen of tegemoetkomingen veroorzaakt door de toepassing van de nationale wetgeving betreffende „thin capitalization, „earnings stripping” of verrekenprijzen of van andere bepalingen die mogelijk aanleiding kunnen zijn tot dubbele belastingheffing. In deze procedure voor onderling overleg wordt de juiste toerekening van voordelen, aftrekposten, verrekeningen of tegemoetkomingen op basis van deze Overeenkomst bepaald op een wijze die in overeenstemming is met de beginselen van het eerste lid van artikel 9 (Gelieerde ondernemingen), in aanmerking nemend de voorwaarden in de handelsbetrekkingen of financiële betrekkingen die bestaan tussen onafhankelijke ondernemingen die als willekeurige derden transacties aangaan. In overeenstemming met de regelingen voor onderling overleg van andere overeenkomsten betreffende inkomstenbelasting, met inbegrip van die welke door beide Staten gesloten zijn, kan een procedure op basis van artikel 29 betreffende een aanpassing van de toerekening van inkomen, aftrekposten, verrekeningen en tegemoetkomingen door een van de Staten hetzij een overeenkomstige aanpassing door de andere Staat, hetzij een gehele of gedeeltelijke herziening door de eerstbedoelde Staat van diens oorspronkelijke aanpassing tot gevolg hebben.

VI. Met betrekking tot het tweede lid, onderdeel a, en het zesde lid van artikel 10 (Dividenden)

Het is wel te verstaan dat een uiteindelijk gerechtigde van de dividenden, die depotbewijzen of trustcertificaten houdt, welke het bezit als uiteindelijk gerechtigde van de aandelen in plaats van aandelen zelf in het desbetreffende lichaam aantonen, ook een beroep kan doen op de voordelen van het tweede lid, onderdeel a, van artikel 10 (Dividenden). Bovendien is het wel te verstaan, dat ingeval een persoon aandelen (of andere rechten waarvan de voordelen voor de belastingheffing op dezelfde wijze worden behandeld als inkomsten uit aandelen) uitleent, waarbij de lener zich verplicht tot het betalen van een bedrag gelijk aan enig uitgekeerd dividend ten aanzien van de aandelen of andere uitgeleende rechten gedurende de looptijd van die lening, zulk een persoon met het oog op de toepassing van artikel 10 voor elk zodanig bedrag wordt behandeld als de uiteindelijk gerechtigde van de betaalde dividenden ten aanzien van zulke aandelen of andere rechten.

VII. Met betrekking tot artikel 10 (Dividenden) en het achtste lid, onderdeel b, onder ii, van artikel 26 (Beperkingen van voordelen)

Voor de toepassing van artikel 10 en van het achtste lid, onderdeel b, onder ii, van artikel 26 (Beperkingen van voordelen) is het wel te verstaan dat depotbewijzen of trustcertificaten van aandelen worden aangemerkt als omvattende de rechten die verbonden zijn aan de aandelen die zij vervangen, met inbegrip van het daaruit voortvloeiende stemrecht.

VIII. Met betrekking tot het derde lid van artikel 10 (Dividenden), het derde lid van artikel 11 (Belastingheffing van vaste inrichtingen) en het zevende lid van artikel 26 (Beperkingen van voordelen)

Het is wel te verstaan dat een inwoner die in aanmerking zou komen voor voordelen uit hoofde van het derde lid, onderdeel a, van artikel 10 (Dividenden) of artikel 11 (Belastingheffing van vaste inrichtingen), maar daar niet voor in aanmerking komt vanwege het feit dat hij de desbetreffende aandelen heeft verworven op of na 1 oktober 1998, niet wordt belet de bevoegde autoriteit uit hoofde van het derde lid, onderdeel d, van dat artikel te verzoeken om een vaststelling, mits hij tevens niet voldoet aan de vereisten van het derde lid, onderdelen b en c.

IX. Met betrekking tot het eerste lid van artikel 14 (Vermogenswinsten)

De Verenigde Staten bevestigen dat bij het vaststellen of voor de toepassing van het eerste lid van artikel 14 (Vermogenswinsten) de activa van een rechtspersoon die inwoner is van de Verenigde Staten al dan niet, middellijk of onmiddellijk, voor het grootste deel bestaan uit in de Verenigde Staten gelegen onroerende zaken, en of de aandelen van zulk een rechtspersoon, al dan niet een „United States real property interest” vormen, rekening zal worden gehouden met de redelijke waarde in het economisch verkeer van alle activa van de rechtspersoon, met inbegrip van de onlichamelijke bedrijfsactiva, zoals goodwill, ongeacht of deze voor belastingdoeleinden als activum op de balans is opgenomen, de going-concernwaarde en de intellectuele eigendom.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)