Verdrag van de Verenigde Naties ter bestrijding van woestijnvorming in de landen die te kampen hebben met ernstige droogte en/of woestijnvorming, in het bijzonder in Afrika
- c. de bestaande instellingen die zich met woestijnvorming en droogte bezighouden, te rationaliseren en te versterken en andere bestaande instellingen, voor zover van toepassing, daarbij te betrekken, teneinde deze doeltreffender te maken en te zorgen voor een efficiënt gebruik van de middelen;
- d. de onderlinge uitwisseling van informatie over geschikte technologie, kennis, know-how en werkwijzen te bevorderen; en
- e. rampenplannen tot stand te brengen, gericht op het inperken van de gevolgen van droogte in gebieden die zijn aangetast door woestijnvorming en/of droogte.
Overeenkomstig de algemene en specifieke verplichtingen genoemd in de artikelen 4 en 5 van het Verdrag, streven de Partijen die landen in Afrika zijn ernaar:
- a. de nodige financiën uit hun nationale begrotingen te reserveren, overeenkomstig de nationale omstandigheden en mogelijkheden waaruit de nieuwe prioriteit blijkt die Afrika heeft toegekend aan het verschijnsel woestijnvorming en/of droogte;
- b. gaande zijnde hervormingen in de richting van verdergaande decentralisatie en beschikkingsrecht m.b.t. middelen te steunen en te stimuleren, alsmede de participatie van plaatselijke bevolkingsgroepen en gemeenschappen te versterken; en
- c. nieuwe en aanvullende nationale financiële middelen te zoeken en beschikbaar te (doen) stellen en, als prioriteit, bestaande nationale mogelijkheden en faciliteiten om binnenlandse financiële middelen beschikbaar te (doen) stellen uit te breiden.
Artikel 5. Verplichtingen van de Partijen die ontwikkelde landen zijn
Bij de nakoming van hun verplichtingen ingevolge de artikelen 4, 6 en 7 van het Verdrag, geven de Partijen die ontwikkelde landen zijn prioriteit aan de Partijen die getroffen landen in Afrika zijn en in dit verband zullen zij:
- a. hen bijstaan bij het bestrijden van woestijnvorming en/of het inperken van de gevolgen van droogte door, onder meer, toegang te bieden tot financiële en/of andere middelen, en/of de toegang daartoe te vergemakkelijken, en de overdracht, aanpassing van en toegang tot geschikte milieu-technologieën en know-how te bevorderen, te financieren en/of de financiering daarvan te vergemakkelijken, zulks zoals onderling overeengekomen en in overeenstemming met het nationale beleid, daarbij in aanmerking nemend dat zij armoedebestrijding als centrale strategie hebben gekozen;
- b. aanzienlijke middelen zullen blijven reserveren en/of meer middelen zullen toewijzen voor het bestrijden van woestijnvorming en/of het inperken van de gevolgen van droogte; en
- c. hen te helpen hun capaciteit te vergroten teneinde hen in staat te stellen hun institutionele kaders, alsmede hun wetenschappelijke en technische mogelijkheden, het vergaren en analyseren van gegevens en onderzoek & ontwikkeling te verbeteren ten behoeve van het bestrijden van woestijnvorming en/of het inperken van de gevolgen van droogte.
Andere landen die Partij zijn, kunnen op basis van vrijwilligheid technologie, kennis en know-how met betrekking tot woestijnvorming en/of financiële middelen beschikbaar stellen aan de Partijen die getroffen landen in Afrika zijn. De overdracht van deze kennis, know-how en technieken wordt vergemakkelijkt door internationale samenwerking.
Artikel 6. Kader voor strategische planning ten behoeve van duurzame ontwikkeling
Nationale actieprogramma's dienen een centraal en integrerend deel uit te maken van een meer omvattend proces ter formulering van nationale beleidslijnen voor de duurzame ontwikkeling van de Partijen die getroffen landen in Afrika zijn.
Er dient een op overleg en participatie gebaseerd proces, waarbij overheden op het juiste niveau, plaatselijke bevolkingsgroepen, gemeenschappen en niet-gouvernementele organisaties zijn betrokken, op gang te worden gebracht om te voorzien in sturing voor een strategie met een flexibele planning teneinde voor een zo groot mogelijke participatie van plaatselijke bevolkingsgroepen en gemeenschappen te zorgen. Zo nodig kunnen instellingen voor bilaterale en multilaterale hulp bij dit proces worden betrokken op verzoek van een Partij die een getroffen land in Afrika is.
Artikel 7. Tijdschema voor de opstelling van actieprogramma's
In afwachting van de inwerkingtreding van dit Verdrag passen de Partijen die landen in Afrika zijn, in samenwerking met andere leden van de internationale gemeenschap, naar gelang het geval, voorlopig de bepalingen van het Verdrag toe, voor zover mogelijk, die betrekking hebben op het opstellen van nationale, subregionale en regionale actieprogramma's.
Artikel 8. Inhoud van nationale actieprogramma's
Overeenkomstig artikel 10 van het Verdrag dient in de algemene strategie van nationale actieprogramma's de nadruk te worden gelegd op geïntegreerde plaatselijke ontwikkelingsprogramma's voor getroffen gebieden, gebaseerd op participatiemechanismen en op het integreren van strategieën voor armoedebestrijding in inspanningen gericht op het bestrijden van woestijnvorming en het inperken van de gevolgen van droogte. De programma's dienen gericht te zijn op vergroting van de capaciteit van plaatselijke autoriteiten en te zorgen voor actieve betrokkenheid van plaatselijke bevolkingsgroepen, gemeenschappen en groeperingen, waarbij de nadruk ligt op onderwijs en opleiding, inschakeling van niet-gouvernementele organisaties met erkende deskundigheid en het versterken van gedecentraliseerde overheidsstructuren.
Nationale actieprogramma's dienen, waar mogelijk, de volgende algemene onderdelen te omvatten:
- a. gebruikmaking, bij de opstelling en uitvoering van nationale actieprogramma's, van in het verleden opgedane ervaring bij het bestrijden van woestijnvorming en/of het inperken van de gevolgen van droogte, rekening houdend met sociale, economische en ecologische omstandigheden;
- b. inventarisatie van factoren die bijdragen tot woestijnvorming en/of droogte en van beschikbare en benodigde middelen en capaciteiten, en totstandbrenging van passende beleidslijnen en institutionele en andere vormen van optreden en maatregelen die noodzakelijk zijn om deze verschijnselen te bestrijden en/of de gevolgen daarvan in te perken; en
- c. vergroting van de participatie van plaatselijke bevolkingsgroepen en gemeenschappen, onder wie vrouwen, landbouwers en veehouders, en delegatie aan hen van meer verantwoordelijkheid met betrekking tot beheer.
Nationale actieprogramma's dienen, waar mogelijk, tevens het volgende te omvatten:
- a. maatregelen ter verbetering van het economisch klimaat met het oog op armoedebestrijding:
- i. het vergroten van de kansen op inkomsten en werk, met name voor de armste leden van de gemeenschap, door:
- –. markten te ontwikkelen voor landbouw- en veeteeltprodukten;
- –. financiële instrumenten te creëren die aansluiten op de plaatselijke behoeften;
- –. diversificatie in de landbouw en het opzetten van landbouwbedrijven te stimuleren; en
- –. economische bedrijvigheid te ontwikkelen van para-agrarische en niet-agrarische aard;
- ii. het verbeteren van de economische vooruitzichten van het platteland op de lange termijn door middel van de invoering van:
- –. impulsen voor renderende investeringen en toegang tot produktiemiddelen; en
- –. een prijsbeleid, belastingpolitiek en handelsgebruiken die groei bevorderen;
- iii. het vaststellen en toepassen van een bevolkings- en migratiepolitiek om de bevolkingsdruk op het land te verminderen; en
- iv. het bevorderen van het gebruik van droogtebestendige gewassen en de toepassing van geïntegreerde landbouwsystemen voor droge gebieden ten behoeve van de veiligstelling van de voedselvoorziening;
- b. maatregelen tot behoud van de natuurlijke rijkdommen:
- i. het zorgen voor geïntegreerd en duurzaam beheer van natuurlijke rijkdommen, met inbegrip van:
- –. akkerbouw- en weidegronden;
- –. flora en fauna;
- –. bossen;
- –. watervoorraden; en
- –. biologische diversiteit;
- ii. het verzorgen van opleidingen met betrekking tot en het stimuleren van bewustmakings- en milieu-educatieprogramma's en het verspreiden van kennis van technieken met betrekking tot duurzaam beheer van natuurlijke rijkdommen; en
- iii. het zorgen voor de ontwikkeling en het efficiënte gebruik van verschillende energiebronnen, het propageren van alternatieve bronnen van energie, met name zonne-energie, windenergie en biogas, en specifieke regelingen voor de overdracht, verwerving en aanpassing van daarvoor in aanmerking komende technologie om de druk op kwetsbare natuurlijke rijkdommen te verlichten;
- c. maatregelen om de institutionele organisatie te verbeteren:
- i. het bepalen van de taken en verantwoordelijkheden van de centrale overheid en de plaatselijke overheden in het kader van een landinrichtingsbeleid;
- ii. het stimuleren van een beleid inzake actieve decentralisatie, het overhevelen van de verantwoordelijkheid m.b.t. het beheer en de besluitvorming naar de plaatselijke overheden, en het aanmoedigen van initiatieven en het op zich nemen van de verantwoordelijkheid door plaatselijke gemeenschappen en het opzetten van plaatselijke structuren; en
- iii. het bijstellen, waar mogelijk, van het institutioneel en regelgevend kader voor het beheer van natuurlijke rijkdommen teneinde plaatselijke bevolkingsgroepen zekerheid te bieden wat betreft het beschikkingsrecht met betrekking tot land;
- d. maatregelen om de kennis op het gebied van woestijnvorming te verbeteren:
- i. het bevorderen van onderzoek en het vergaren, verwerken en uitwisselen van gegevens betreffende de wetenschappelijke, technische en sociaal-economische aspecten van woestijnvorming;
- ii. het verbeteren van nationale mogelijkheden wat betreft onderzoek en het vergaren, verwerken, uitwisselen en analyseren van gegevens, teneinde het inzicht te vergroten en de resultaten van de analyse te vertalen in operationele termen; en
- iii. het stimuleren van middellange- en lange-termijnstudies naar:
- –. sociaal-economische en culturele tendensen in getroffen gebieden;
- –. kwalitatieve en kwantitatieve trends m.b.t. natuurlijke rijkdommen; en
- –. de wisselwerking tussen klimaat en woestijnvorming; en
- e. maatregelen om de gevolgen van droogte te meten en te evalueren:
- i. het ontwikkelen van strategieën betreffende het evalueren van de effecten van natuurlijke klimaatschommelingen op droogte en woestijnvorming in de regio en/of de gebruikmaking van voorspellingen van klimaatschommelingen over perioden van een seizoen tot meerdere jaren bij inspanningen gericht op het inperken van de gevolgen van droogte;
- ii. het verbeteren van de capaciteit voor vroegtijdig waarschuwen en optreden, het efficiënt beheren van de nood- en voedselhulp en het verbeteren van de opslag- en distributiesystemen voor voedsel, beschermingsregelingen voor vee, en openbare werken en alternatieve middelen van bestaan in gebieden die vatbaar zijn voor droogte; en
- iii. het meten en evalueren van de aantasting van het milieu om betrouwbare en tijdig beschikbare informatie te kunnen verschaffen over het proces en de dynamiek van de aantasting van hulpbronnen, teneinde betere beleidsvorming en optreden te vergemakkelijken.
Artikel 9. Opstelling van nationale actieprogramma's en indicatoren voor de uitvoering en evaluatie
Elke Partij die een getroffen land in Afrika is wijst een daarvoor in aanmerking komend nationaal coördinerend lichaam aan dat als katalysator fungeert bij de opstelling, uitvoering en evaluatie van haar nationale actieprogramma. Dit coördinerend lichaam zal in het licht van artikel 3 en waar mogelijk:
- a. overgaan tot een inventarisatie en toetsing van ondernomen stappen, te beginnen met op plaatselijk niveau aangestuurd overleg, waarbij plaatselijke bevolkingsgroepen en gemeenschappen zijn betrokken en met medewerking van plaatselijke overheden, Partijen die ontwikkelde landen zijn en intergouvernementele en niet-gouvernementele organisaties, op basis van eerder overleg tussen de betrokkenen op nationaal niveau;
- b. de beperkingen, behoeften en lacunes met betrekking tot ontwikkeling en duurzaam grondgebruik inventariseren en analyseren en praktische maatregelen aanbevelen teneinde het verrichten van dubbel werk te vermijden door optimaal gebruik te maken van daarvoor in aanmerking komende lopende activiteiten en het in praktijk brengen van de resultaten te bevorderen;
- c. op interactieve flexibele benaderingen gebaseerde projectactiviteiten vergemakkelijken, opzetten en formuleren, teneinde te zorgen voor actieve deelneming van de bevolking in getroffen gebieden, de negatieve effecten van dergelijke activiteiten tot een minimum te beperken en de behoeften aan financiële hulp en technische samenwerking te inventariseren en prioriteren;
- d. ter zake dienende, kwantificeerbare en gemakkelijk verifieerbare indicatoren bepalen ten behoeve van de beoordeling en evaluatie van nationale actieprogramma's, die stappen op de korte, middellange en lange termijn behelzen, en van de uitvoering van die programma's; en
- e. voortgangsrapporten inzake de uitvoering van de nationale actieprogramma's opstellen.
Artikel 10. Organisatorisch kader van subregionale actieprogramma's
Op grond van artikel 4 van het Verdrag werken de Partijen die landen in Afrika zijn samen bij de opstelling en uitvoering van subregionale actieprogramma's voor Centraal-, Oost-, Noord-, Zuid- en West-Afrika en kunnen zij in verband hiermee de volgende taken delegeren aan de desbetreffende subregionale intergouvernementele organisaties:
- a. optreden als steunpunt bij de opstelling van subregionale programma's en de coördinatie van de uitvoering daarvan;
- b. helpen bij de opstelling en uitvoering van nationale actieprogramma's;
- c. vergemakkelijken van de uitwisseling van informatie, ervaring en know-how, alsmede adviseren met betrekking tot aanpassing van de nationale wetgeving; en
- d. alle andere taken met betrekking tot de uitvoering van subregionale actieprogramma's.
Gespecialiseerde subregionale instellingen kunnen op verzoek zorgen voor ondersteuning en/of worden belast met de coördinatie van de activiteiten op de onder hun onderscheiden bevoegdheden vallende terreinen.
Artikel 11. Inhoud en opstelling van subregionale actieprogramma's
Subregionale actieprogramma's dienen te zijn gericht op zaken die beter op subregionaal niveau kunnen worden aangepakt. In die programma's dienen, waar nodig, mechanismen te worden ingesteld voor het beheer van gemeenschappelijke natuurlijke rijkdommen. Deze mechanismen dienen doeltreffende oplossingen te zoeken voor grensoverschrijdende problemen die verband houden met woestijnvorming en/of droogte en te zorgen voor ondersteuning ten behoeve van de harmonieuze uitvoering van nationale actieprogramma's. In subregionale actieprogramma's dient prioriteit te worden gegeven aan, naar gelang het geval:
- a. gezamenlijke programma's voor duurzaam beheer van grensoverschrijdende natuurlijke rijkdommen via bilaterale en multilaterale mechanismen, naar gelang het geval;
- b. coördinering van programma's gericht op het ontwikkelen van alternatieve energiebronnen;
- c. samenwerking bij het beheer en de bestrijding van ziekten en plagen bij plant en dier;
- d. activiteiten gericht op capaciteitsvergroting, educatie en bewustmaking die beter op subregionaal niveau kunnen worden uitgevoerd of ondersteund;
- e. wetenschappelijke en technische samenwerking, in het bijzonder op klimatologisch, meteorologisch en hydrologisch gebied, waaronder de vorming van netwerken voor het vergaren en beoordelen van gegevens, het uitwisselen van informatie en projectbewaking, alsmede het coördineren en prioriteren van onderzoeks- en ontwikkelingsactiviteiten;
- f. waarschuwingssystemen en gezamenlijke planning gericht op het inperken van de gevolgen van droogte, waaronder maatregelen gericht op het aanpakken van de problemen ten gevolge van migratie uit milieu-overwegingen;
- g. het onderzoeken van manieren om ervaringen te delen, in het bijzonder met betrekking tot participatie van plaatselijke bevolkingsgroepen en gemeenschappen, en het scheppen van een gunstig klimaat voor een beter beleid inzake het grondgebruik en voor de toepassing van geschikte technologieën;
- h. vergroting van de capaciteit van subregionale organisaties om te coördineren en technische diensten te verlenen, alsmede het instellen, heroriënteren en versterken van subregionale centra en instellingen; en
- i. het uitstippelen van beleidslijnen op terreinen, zoals de handel, die van invloed zijn op getroffen gebieden en bevolkingsgroepen, waaronder beleid inzake de coördinering van regionale afzetregelingen en inzake een gemeenschappelijke infrastructuur.
Artikel 12. Organisatorisch kader van het regionale actieprogramma
Op grond van artikel 11 van het Verdrag stellen de Partijen die landen in Afrika zijn gezamenlijk de procedures vast voor het opstellen en uitvoeren van het regionale actieprogramma.
De Partijen kunnen de benodigde ondersteuning bieden aan de daarvoor in aanmerking komende Afrikaanse regionale instellingen en organisaties om deze in staat te stellen de Partijen die landen in Afrika zijn te helpen hun verplichtingen ingevolge het Verdrag na te komen.
Artikel 13. Inhoud van het regionale actieprogramma
Het regionale actieprogramma omvat maatregelen met betrekking tot het bestrijden van woestijnvorming en/of het inperken van de gevolgen van droogte op de volgende prioriteitsterreinen, naar gelang het geval:
- a. de totstandbrenging van regionale samenwerking en coördinering van subregionale actieprogramma's om te komen tot regionale consensus op belangrijke beleidsterreinen, onder meer via regelmatig overleg met subregionale organisaties;
- b. het bevorderen van capaciteitsvergroting m.b.t. activiteiten die beter op regionaal niveau kunnen worden verricht;
- c. het zoeken van oplossingen met de internationale gemeenschap voor mondiale economische en sociale vraagstukken die van invloed zijn op getroffen gebieden, daarbij rekening houdend met artikel 4, tweede lid, letter b, van het Verdrag;
- d. het bevorderen, onder de Partijen die getroffen landen zijn in Afrika en de subregio's daarvan, alsmede met andere getroffen regio's, van uitwisseling van informatie en geschikte technieken, technische know-how en relevante ervaring;
- e. het bevorderen van wetenschappelijke en technologische samenwerking, in het bijzonder op het gebied van klimatologie, meteorologie, hydrologie, waterhuishoudkundige inrichting en alternatieve energiebronnen;
- f. het coördineren van subregionale en regionale onderzoeksactiviteiten en het stellen van regionale prioriteiten voor onderzoek & ontwikkeling;
- g. het coördineren van netwerken voor systematische waarneming en beoordeling en uitwisseling van informatie, alsmede integratie daarvan in wereldwijde netwerken; en
- h. het coördineren en uitbreiden van subregionale en regionale waarschuwingssystemen en droogte-rampenplannen.
Artikel 14. Financiële middelen
Op grond van artikel 20 van het Verdrag en artikel 4, tweede lid, streven de Partijen die getroffen landen in Afrika zijn ernaar een macro-economisch kader te scheppen dat bevorderlijk is voor het beschikbaar (doen) stellen van financiële middelen, en ontwikkelen zij beleid en stellen zij procedures vast om middelen doelmatiger te doen toekomen aan plaatselijke ontwikkelingsprogramma's, onder meer via niet-gouvernementele organisaties, naar gelang het geval.
Op grond van artikel 21, vierde en vijfde lid, van het Verdrag komen de Partijen overeen een lijst op te stellen van bronnen van financiering op nationaal, subregionaal, regionaal en internationaal niveau teneinde te zorgen voor een rationeel gebruik van bestaande middelen en tekortkomingen in de toewijzing van middelen aan het licht te brengen, ter vergemakkelijking van de uitvoering van de actieprogramma's. De lijst wordt regelmatig opnieuw bezien en bijgewerkt.
Overeenkomstig artikel 7 van het Verdrag blijven de Partijen die ontwikkelde landen zijn aanzienlijke middelen en/of meer middelen en andere vormen van hulp toekennen aan de Partijen die getroffen landen in Afrika zijn, zulks op basis van de in artikel 18 bedoelde partnerschapsakkoorden en -regelingen, daarbij, onder andere, de nodige aandacht schenkend aan aangelegenheden verband houdende met schulden, internationale handel en afzetregelingen in overeenstemming met artikel 4, tweede lid, letter b, van het Verdrag.
Artikel 15. Financiële mechanismen
Overeenkomstig artikel 7 van het Verdrag, dat de prioriteit onderstreept voor Partijen die getroffen landen in Afrika zijn, en de in deze regio heersende bijzondere omstandigheden in aanmerking nemend, schenken de Partijen bijzondere aandacht aan de uitvoering in Afrika van de bepalingen van artikel 21, eerste lid, letters d en e, van het Verdrag, met name door:
- a. de instelling van mechanismen, zoals nationale woestijnvormingsfondsen, te vergemakkelijken om financiële middelen op het plaatselijke niveau terecht te doen komen; en
- b. bestaande fondsen en financiële mechanismen op subregionaal en regionaal niveau te versterken.
Overeenkomstig de artikelen 20 en 21 van het Verdrag stimuleren de Partijen die tevens lid zijn van de bestuursorganen van daarvoor in aanmerking komende regionale en subregionale financiële instellingen, waaronder de Afrikaanse Ontwikkelingsbank en het Afrikaanse Ontwikkelingsfonds, inspanningen om passende prioriteit en aandacht te geven aan de activiteiten van die instellingen die de uitvoering van deze Bijlage bevorderen.
De Partijen stroomlijnen, voor zover mogelijk, de procedures om gelden te doen toekomen aan de Partijen die getroffen landen in Afrika zijn.
Artikel 16. Technische bijstand en samenwerking
De Partijen verplichten zich ertoe, in overeenstemming met hun onderscheiden mogelijkheden, de technische bijstand aan en de samenwerking met de Partijen die landen in Afrika zijn te rationaliseren teneinde de doeltreffendheid van projecten en programma's te vergroten, onder andere door:
- a. de kosten van ondersteunende maatregelen en backstopping, met name overheadkosten, te beperken, zodat deze kosten in elk geval slechts een passend laag percentage uitmaken van de totale kosten van het project, opdat maximale efficiency wordt bereikt;
- b. de voorkeur te geven aan het inschakelen van bekwame nationale deskundigen of, indien nodig, bekwame deskundigen uit de subregio en/of regio bij het voorbereiden, opzetten en uitvoeren van projecten, en aan het opbouwen van plaatselijke deskundigheid waar deze ontbreekt; en
- c. de te verlenen technische bijstand doelmatig te beheren en te coördineren en daarvan efficiënt gebruik te maken.
Artikel 17. Overdracht, verwerving en aanpassing van en toegang tot milieuverantwoorde technologie
Bij de toepassing van artikel 18 van het Verdrag met betrekking tot de overdracht, verwerving, aanpassing en ontwikkeling van technologie verplichten de Partijen zich ertoe prioriteit te geven aan de Partijen die landen in Afrika zijn en, indien nodig, met hen nieuwe modellen voor partnerschap en samenwerking te ontwikkelen teneinde de capaciteitsvergroting op het gebied van wetenschappelijk onderzoek & ontwikkeling en de vergaring en verspreiding van informatie te versterken om hen in staat te stellen uitvoering te geven aan hun strategieën gericht op het bestrijden van woestijnvorming en het inperken van de gevolgen van droogte.
Artikel 18. Coördinatie en partnerschapsakkoorden
De Partijen die landen in Afrika zijn, coördineren de opstelling van, het onderhandelen over en het uitvoeren van nationale, subregionale en regionale actieprogramma's. Zij kunnen, in voorkomend geval, andere Partijen en daarvoor in aanmerking komende intergouvernementele en niet-gouvernementele organisaties daarbij betrekken.
Deze coördinatie heeft tot doel te garanderen dat de financiële en technische samenwerking geschiedt in overeenstemming met het Verdrag, en te zorgen voor de nodige continuïteit bij de aanwending en het beheer van de middelen.
De Partijen die landen in Afrika zijn, organiseren overleg op nationaal, subregionaal en regionaal niveau. Dit overleg kan:
- a. dienen als forum voor het voeren van onderhandelingen over en het sluiten van partnerschapsakkoorden op basis van nationale, subregionale en regionale actieprogramma's; en
- b. de bijdrage aangeven van de Partijen die landen in Afrika zijn en andere leden van de overleggroepen aan de programma's, en prioriteiten en overeenkomsten inzake de uitvoering en indicatoren voor evaluatie bepalen, alsmede financieringsregelingen ten behoeve van de uitvoering.
Het permanente secretariaat kan, op verzoek van de Partijen die landen in Afrika zijn, overeenkomstig artikel 23 van het Verdrag het beleggen van bedoeld overleg vergemakkelijken door:
- a. advies te geven over het opzetten van effectieve overlegregelingen, gebruik makend van de ervaring opgedaan met andere regelingen ter zake;
- b. informatie te verstrekken aan de desbetreffende bilaterale en multilaterale organen met betrekking tot overleg, en te stimuleren dat deze daarbij actief worden betrokken; en
- c. andere informatie te verstrekken die van belang kan zijn bij het opzetten of verbeteren van overlegregelingen.
De subregionale en regionale coördinerende lichamen dienen, onder andere:
- a. de vereiste aanpassingen van partnerschapsakkoorden aan te bevelen;
- b. toe te zien op de uitvoering van de overeengekomen subregionale en regionale programma's, deze te beoordelen en daarover verslag uit te brengen; en
- c. te streven naar efficiënte communicatie en samenwerking tussen de Partijen die landen in Afrika zijn.
Participatie aan de overleggroepen groepen staat, naar gelang het geval, open voor Regeringen, belanghebbende groepen en donoren, de desbetreffende organen, fondsen en programma's van het stelsel der Verenigde Naties, de desbetreffende subregionale en regionale organisaties en vertegenwoordigers van de desbetreffende niet-gouvernementele organisaties. De deelnemers van elke groep stellen de wijze van beheer en functioneren van de groep vast.
Overeenkomstig artikel 14 van het Verdrag worden de Partijen die ontwikkelde landen zijn aangemoedigd om op eigen initiatief onderling een informeel proces van overleg en coördinatie tot stand te brengen op nationaal, subregionaal en regionaal niveau en om, op verzoek van een Partij die getroffen land in Afrika is of van een daarvoor in aanmerking komende subregionale of regionale organisatie, deel te nemen aan nationaal, subregionaal of regionaal overleg dat behoeften aan bijstand evalueert en daarin voorziet, teneinde de uitvoering te vergemakkelijken.
Artikel 19. Follow-up-regelingen
De follow-up van deze Bijlage wordt uitgevoerd door de Partijen die landen in Afrika zijn, zulks in overeenstemming met het Verdrag en als volgt:
- a. op nationaal niveau, door een mechanisme waarvan de samenstelling dient te worden vastgesteld door elke Partij die getroffen land in Afrika is en dat vertegenwoordigers van plaatselijke gemeenschappen omvat en werkt onder toezicht van het in artikel 9 bedoelde nationale coördinerende lichaam;
- b. op subregionaal niveau, door een multidisciplinaire wetenschappelijke en technische commissie van overleg, waarvan de samenstelling en de werkwijze worden vastgesteld door de Partijen die landen in de betrokken subregio in Afrika zijn; en
- c. op regionaal niveau, door mechanismen vastgesteld in overeenstemming met de desbetreffende bepalingen van het Verdrag tot oprichting van de Afrikaanse Economische Gemeenschap en een Afrikaanse Wetenschappelijke en Technische Adviescommissie.
Artikel 1. Doel
Deze Bijlage heeft tot doel te voorzien in richtlijnen en regelingen voor een doeltreffende uitvoering van het Verdrag in de Partijen die getroffen landen in de Aziatische regio zijn, gelet op de bijzondere omstandigheden van die regio.
Artikel 2. Bijzondere omstandigheden van de Aziatische regio
Bij de nakoming van hun verplichtingen ingevolge het Verdrag nemen de Partijen, in voorkomend geval, de volgende bijzondere omstandigheden in aanmerking die in uiteenlopende mate van toepassing zijn op de Partijen die getroffen landen in deze regio zijn:
- a. de in verhouding grote omvang van de gebieden op hun grondgebieden die zijn getroffen door of kwetsbaar zijn voor woestijnvorming en droogte en de grote verscheidenheid van deze gebieden wat betreft klimaat, topografische situatie, grondgebruik en sociaal-economische stelsels;
- b. de zware druk op natuurlijke rijkdommen ten behoeve van de middelen van bestaan;
- c. het bestaan van produktiestelsels, rechtstreeks verband houdend met de alom heersende armoede, die leiden tot aantasting van de grond en druk op de schaarse watervoorraden;
- d. de ingrijpende gevolgen van de situatie van de wereldeconomie en sociale problemen zoals armoede, slechte gezondheid en ondervoeding, het niet kunnen veiligstellen van de voedselvoorziening, migratie, ontheemden en bevolkingsdynamiek;
- e. hun groeiende, doch nog altijd ontoereikende, capaciteit en institutionele kaders om nationale problemen m.b.t. woestijnvorming en droogte te kunnen aanpakken; en
- f. hun behoefte aan internationale samenwerking om doelstellingen van duurzame ontwikkeling na te streven die verband houden met het bestrijden van woestijnvorming en het inperken van de gevolgen van droogte.
Artikel 3. Kader voor nationale actieprogramma's
Nationale actieprogramma's dienen een integrerend deel uit te maken van een meer omvattend nationaal beleid inzake duurzame ontwikkeling van de Partijen die getroffen landen in de regio zijn.
De Partijen die getroffen landen zijn, ontwikkelen, waar nodig, nationale actieprogramma's in overeenstemming met de artikelen 9 tot en met 11 van het Verdrag, daarbij bijzondere aandacht bestedend aan artikel 10, tweede lid, letter f. Zo nodig kunnen instellingen voor bilaterale en multilaterale samenwerking hierbij worden betrokken op verzoek van het betrokken getroffen land dat Partij is.
Artikel 4. Nationale actieprogramma's
Bij de opstelling en uitvoering van nationale actieprogramma's kunnen de Partijen die getroffen landen in de regio zijn, overeenkomstig hun onderscheiden omstandigheden en beleid, onder andere, naar gelang het geval:
- a. daarvoor in aanmerking komende organen aanwijzen die zijn belast met de opstelling, coördinatie en uitvoering van hun actieprogramma's;
- b. getroffen bevolkingsgroepen, met inbegrip van plaatselijke gemeenschappen, betrekken bij de uitwerking, coördinatie en uitvoering van hun actieprogramma's door middel van op plaatselijk niveau aangestuurd overleg, met medewerking van de plaatselijke overheden en de desbetreffende nationale en niet-gouvernementele organisaties;
- c. de toestand van het milieu in getroffen gebieden opnemen om de oorzaken en gevolgen van woestijnvorming vast te stellen en prioriteitsterreinen voor het optreden te bepalen;
- d. met participatie van getroffen bevolkingsgroepen afgeronde en lopende programma's voor het bestrijden van woestijnvorming en het inperken van de gevolgen van droogte evalueren teneinde een strategie uit te stippelen en activiteiten uit te werken in hun actieprogramma's;
- e. technische en financiële programma's opstellen op basis van de informatie ontleend aan de in de letters a tot en met d bedoelde activiteiten;
- f. procedures en referentiepunten ontwikkelen en gebruiken ter evaluatie van de uitvoering van hun actieprogramma's;
- g. een geïntegreerd beheer van stroomgebieden, het behoud van bodemrijkdommen en de uitbreiding en het efficiënte gebruik van watervoorraden te bevorderen;
- h. informatie, evaluatie en follow-up en waarschuwingssystemen in regio's die vatbaar zijn voor woestijnvorming en droogte verbeteren en/of tot stand brengen, daarbij klimatologische, meteorologische, hydrologische, biologische en andere relevante factoren in aanmerking nemend; en
- i. waar het internationale samenwerking, met inbegrip van financiële en technische middelen, betreft, in een geest van partnerschap passende regelingen formuleren ter ondersteuning van hun actieprogramma's.
Overeenkomstig artikel 10 van het Verdrag dient in de algemene strategie van nationale actieprogramma's de nadruk te worden gelegd op geïntegreerde plaatselijke ontwikkelingsprogramma's voor getroffen gebieden, gebaseerd op participatiemechanismen en op het integreren van strategieën voor armoedebestrijding in inspanningen gericht op het bestrijden van woestijnvorming en het inperken van de gevolgen van droogte. Sectoriële maatregelen in actieprogramma's dienen te worden gebundeld op prioriteitsterreinen die rekening houden met de grote verscheidenheid aan getroffen gebieden in de in artikel 2, letter a, bedoelde regio.
Artikel 5. Subregionale en gezamenlijke actieprogramma's
Op grond van artikel 11 van het Verdrag kunnen de Partijen die getroffen landen in Azië zijn onderling overeenkomen, waar mogelijk, overleg te plegen en samen te werken met andere Partijen om subregionale of gezamenlijke actieprogramma's op te stellen en uit te voeren, naar gelang het geval, ter aanvulling van nationale actieprogramma's en ter vergroting van de doelmatigheid van de uitvoering daarvan. In beide gevallen kunnen de betrokken Partijen gezamenlijk besluiten subregionale organisaties, met inbegrip van bilaterale of nationale organisaties, of gespecialiseerde instellingen te belasten met taken die verband houden met de opstelling, coördinatie en uitvoering van programma's. Deze organisaties of instellingen kunnen ook fungeren als steunpunt ter stimulering en coördinering van maatregelen ingevolge de artikelen 16 en 18 van het Verdrag.
Bij de opstelling en uitvoering van subregionale of gezamenlijke actieprogramma's zullen de Partijen die getroffen landen in de regio zijn, onder andere, waar mogelijk:
- a. in samenwerking met nationale instellingen nagaan aan welke prioriteiten met betrekking tot het bestrijden van woestijnvorming en het inperken van de gevolgen van droogte beter kan worden gewerkt via dergelijke programma's en welke hiermee verband houdende activiteiten doelmatiger via dergelijke programma's zouden kunnen worden verricht;
- b. de operationele capaciteiten en activiteiten van daarvoor in aanmerking komende regionale, subregionale en nationale instellingen evalueren;
- c. tussen alle of enkele Partijen in de regio of subregio bestaande programma's met betrekking tot woestijnvorming en droogte beoordelen alsook het verband tussen die programma's en nationale actieprogramma's; en
- d. wanneer het internationale samenwerking, met inbegrip van financiële en technische middelen, betreft, in een geest van partnerschap passende bilaterale en/of multilaterale regelingen formuleren ter ondersteuning van de programma's.
Subregionale of gezamenlijke actieprogramma's kunnen mede omvatten: overeengekomen gezamenlijke programma's voor duurzaam beheer van grensoverschrijdende natuurlijke rijkdommen die verband houden met woestijnvorming, prioriteiten voor coördinatie en andere activiteiten op het gebied van capaciteitsvergroting, wetenschappelijke en technische samenwerking, met name waarschuwingssystemen voor verdroging en uitwisseling van informatie, en middelen om de desbetreffende subregionale en andere organisaties of instellingen te versterken.
Artikel 6. Regionale activiteiten
Regionale activiteiten om subregionale of gezamenlijke actieprogramma's kracht bij te zetten kunnen, onder andere, omvatten: maatregelen gericht op versterking van instellingen en mechanismen voor coördinatie en samenwerking op nationaal, subregionaal en regionaal niveau, en op het bevorderen van de toepassing van de artikelen 16 tot en met 19 van het Verdrag. Deze activiteiten kunnen tevens behelzen:
- a. het bevorderen en verbeteren van netwerken voor technische samenwerking;
- b. het inventariseren van technologieën, kennis, know-how en werkwijzen, alsmede traditionele en plaatselijke technologieën en know-how, en het bevorderen van de verspreiding en de gebruikmaking daarvan;
- c. het evalueren van de behoeften aan technologie-overdracht en het bevorderen van de aanpassing en de toepassing van die technologieën; en
- d. het stimuleren van bewustmakingsprogramma's en het bevorderen van capaciteitsvergroting op alle niveaus, het versterken van opleiding, onderzoek & ontwikkeling en het opzetten van systemen voor vorming van arbeidskrachten.
Artikel 7. Financiële middelen en mechanismen
De Partijen bevorderen, gezien het belang van het bestrijden van woestijnvorming en het inperken van de gevolgen van droogte in de Aziatische regio, het beschikbaar (doen) stellen van aanzienlijke financiële middelen en de beschikbaarheid van financiële mechanismen, zulks overeenkomstig de artikelen 20 en 21 van het Verdrag.
In overeenstemming met het Verdrag en op basis van de in artikel 8 bedoelde coördinerende mechanismen en overeenkomstig hun nationale ontwikkelingsbeleid zullen de Partijen die getroffen landen in de regio zijn, afzonderlijk of gezamenlijk:
- a. maatregelen treffen ter rationalisering en versterking van mechanismen om gelden te verschaffen via overheidsinvesteringen en particuliere investeringen, teneinde duidelijk omschreven resultaten te bereiken in het optreden gericht op het bestrijden van woestijnvorming en het inperken van de gevolgen van droogte;
- b. behoeften aan internationale samenwerking ter ondersteuning van nationale inspanningen inventariseren, met name financiële, technische en technologische; en
- c. de participatie bevorderen van instellingen voor bilaterale en/of multilaterale financiële samenwerking teneinde zorg te dragen voor de uitvoering van het Verdrag.
De Partijen stroomlijnen, voor zover mogelijk, de procedures om gelden te sluizen naar de Partijen die getroffen landen in de regio zijn.
Artikel 8. Mechanismen voor samenwerking en coördinatie
Via de ingevolge artikel 4, eerste lid, letter a, aangewezen daarvoor in aanmerking komende lichamen kunnen de Partijen die getroffen landen zijn en andere Partijen in de regio, waar mogelijk, mechanismen opzetten, onder andere voor de volgende doeleinden:
- a. het uitwisselen van informatie, ervaring, kennis en know-how;
- b. de samenwerking en de coördinatie van maatregelen, met inbegrip van bilaterale en multilaterale regelingen, op subregionaal en regionaal niveau;
- c. het bevorderen van wetenschappelijke, technische, technologische en financiële samenwerking ingevolge de artikelen 5 tot en met 7;
- d. het inventariseren van behoeften aan samenwerking met het buitenland; en
- e. de follow-up en evaluatie van de uitvoering van actieprogramma's.
Via de ingevolge artikel 4, eerste lid, letter a, aangewezen daarvoor in aanmerking komende lichamen kunnen de Partijen die getroffen landen zijn en andere Partijen in de regio, waar mogelijk, tevens overleg plegen en zorgen voor coördinatie met betrekking tot nationale, subregionale en gezamenlijke actieprogramma's. Zij kunnen, waar mogelijk, andere Partijen en de desbetreffende intergouvernementele en niet-gouvernementele organisaties daarbij betrekken. Deze coördinatie dient, onder andere, te streven naar overeenstemming over mogelijkheden voor internationale samenwerking in overeenstemming met de artikelen 20 en 21 van het Verdrag, de technische samenwerking uit te breiden en middelen te sluizen, opdat deze daadwerkelijk worden gebruikt.
De Partijen die getroffen landen in de regio zijn, houden periodieke coördinatiebijeenkomsten en het permanente secretariaat kan, op hun verzoek, overeenkomstig artikel 23 van het Verdrag, het beleggen van deze coördinatiebijeenkomsten vergemakkelijken door:
- a. advies te geven over het opzetten van effectieve coördinatieregelingen, gebruik makend van de ervaring opgedaan met andere regelingen ter zake;
- b. informatie te verstrekken aan de desbetreffende bilaterale en multilaterale organen met betrekking tot coördinatiebijeenkomsten, en te stimuleren dat deze daarbij actief worden betrokken; en
- c. andere informatie te verstrekken die van belang kan zijn bij het tot stand brengen of verbeteren van de coördinatie.
Artikel 1. Doel
Deze Bijlage heeft tot doel algemene richtlijnen te geven voor de uitvoering van het Verdrag in de Latijns-Amerikaanse en Caribische regio, gelet op de bijzondere omstandigheden van die regio.
Artikel 2. Bijzondere omstandigheden van de Latijns-Amerikaanse en Caribische regio
De Partijen nemen, overeenkomstig de bepalingen van het Verdrag, de volgende bijzondere omstandigheden van de regio in aanmerking:
- a. het bestaan van uitgestrekte gebieden die kwetsbaar zijn voor en ernstig zijn getroffen door woestijnvorming en/of droogte en waarin uiteenlopende kenmerken kunnen worden waargenomen, afhankelijk van waar zij liggen; dit cumulatieve en intensiverende proces heeft negatieve sociale, culturele, economische en ecologische gevolgen, die des te ernstiger zijn, daar de regio één van de grootste soortenrijkdommen ter wereld kent;
- b. het veelvuldige gebruik van niet-duurzame ontwikkelingswijzen in gebieden die getroffen zijn ten gevolge van de complexe wisselwerking tussen fysische, biologische, politieke, sociale, culturele en economische factoren, waaronder internationale economische factoren, zoals de buitenlandse-schuldenlast, een verslechterende ruilvoet en handelspraktijken die de markten voor landbouw-, visserij- en bosbouwprodukten beïnvloeden; en
- c. een forse daling van de produktiviteit van ecosystemen, als voornaamste gevolg van woestijnvorming en droogte, in de vorm van een teruglopend rendement van landbouw, veeteelt en bosbouw en een verlies aan biologische diversiteit; vanuit sociaal oogpunt zijn de gevolgen: verpaupering, migratie, binnenlandse bevolkingsbewegingen en verslechtering van de kwaliteit van het leven; de regio zal daarom een geïntegreerde aanpak van de problemen van woestijnvorming en droogte moeten aannemen, door modellen voor duurzame ontwikkeling te bevorderen die inspelen op de ecologische, economische en sociale omstandigheden in ieder land.
Artikel 3. Actieprogramma's
In overeenstemming met het Verdrag, in het bijzonder de artikelen 9 tot en met 11 daarvan, en overeenkomstig hun nationale ontwikkelingsbeleid stellen de Partijen die getroffen landen in de regio zijn, waar mogelijk, nationale actieprogramma's op gericht op het bestrijden van woestijnvorming en het inperken van de gevolgen van droogte, en voeren zij deze uit, als integrerend deel van hun nationale beleid inzake duurzame ontwikkeling. Er kunnen subregionale en regionale programma's worden opgesteld en uitgevoerd overeenkomstig de behoeften van de regio.
Bij het opstellen van hun nationale actieprogramma's schenken de Partijen die getroffen landen in de regio zijn bijzondere aandacht aan artikel 10, tweede lid, letter f, van het Verdrag.
Artikel 4. Inhoud van nationale actieprogramma's
Gelet op hun onderscheiden omstandigheden, kunnen de Partijen die getroffen landen in de regio zijn, onder andere, de volgende thema's in aanmerking nemen bij het ontwikkelen van hun nationale strategieën gericht op het bestrijden van woestijnvorming en/of het inperken van de gevolgen van droogte, zulks overeenkomstig artikel 5 van het Verdrag:
- a. uitbreiding van capaciteiten, educatie en bewustmaking, technische, wetenschappelijke en technologische samenwerking en financiële middelen en mechanismen;
- b. armoedebestrijding en verbetering van de kwaliteit van het leven;
- c. veiligstelling van de voedselvoorziening en verwezenlijking van duurzame ontwikkeling en duurzaam beheer van landbouw, veeteelt en bosbouw en overige activiteiten;
- d. duurzaam beheer van natuurlijke rijkdommen, met name rationeel beheer van stroomgebieden;
- e. duurzaam beheer van natuurlijke rijkdommen in hooggelegen gebieden;
- f. rationeel beheer en behoud van bodemrijkdommen en exploitatie en efficiënt gebruik van watervoorraden;
- g. formulering en toepassing van rampenplannen voor het inperken van de gevolgen van droogte;
- h. verbetering en/of totstandkoming van informatie, evaluatie en follow-up en waarschuwingssystemen in gebieden die vatbaar zijn voor woestijnvorming en droogte, daarbij klimatologische, meteorologische, hydrologische, biologische, met de bodem verband houdende, economische en sociale factoren in aanmerking nemend;
- i. ontwikkeling, beheer, en efficiënt gebruik van verschillende bronnen van energie, waaronder het propageren van alternatieve bronnen;
- j. behoud en duurzaam gebruik van de biodiversiteit in overeenstemming met de bepalingen van het Verdrag inzake biologische diversiteit;
- k. bestudering van demografische aspecten verband houdende met woestijnvorming en droogte; en
- l. vorming of versteviging van institutionele en wettelijke kaders ten behoeve van de toepassing van het Verdrag en gericht op, onder andere, decentralisatie van overheidsstructuren en -taken met betrekking tot woestijnvorming en droogte, met participatie van getroffen gemeenschappen en de samenleving in het algemeen.
Artikel 5. Technische, wetenschappelijke en technologische samenwerking
In overeenstemming met het Verdrag, in het bijzonder de artikelen 16 tot en met 18 daarvan, en op basis van het in artikel 7 bedoelde coördinerende mechanisme, zullen de Partijen die getroffen landen in de regio zijn, afzonderlijk of gezamenlijk:
- a. de verbetering van netwerken voor technische samenwerking en nationale, subregionale en regionale informatiesystemen, alsmede de integratie daarvan, waar mogelijk, in mondiale informatiebronnen bevorderen;
- b. een lijst van beschikbare technologieën en know-how opstellen en de verspreiding en toepassing daarvan bevorderen;
- c. de toepassing van traditionele technologie, kennis, know-how en werkwijzen bevorderen overeenkomstig artikel 18, tweede lid, letter b, van het Verdrag;
- d. de behoeften aan overdracht van technologie inventariseren; en
- e. de ontwikkeling, aanpassing, aanneming en overdracht van daarvoor in aanmerking komende bestaande en nieuwe milieuverantwoorde technologieën bevorderen.
Artikel 6. Financiële middelen en mechanismen
In overeenstemming met het Verdrag, in het bijzonder de artikelen 20 en 21 daarvan, op basis van het in artikel 7 bedoelde coördinerende mechanisme en overeenkomstig hun nationale ontwikkelingsbeleid, zullen de Partijen die getroffen landen in de regio zijn, afzonderlijk of gezamenlijk:
- a. maatregelen treffen ter rationalisering en versterking van mechanismen om gelden te verschaffen via overheidsinvesteringen en particuliere investeringen, teneinde specifieke resultaten te bereiken in het optreden gericht op het bestrijden van woestijnvorming en het inperken van de gevolgen van droogte;
- b. behoeften aan internationale samenwerking ter ondersteuning van nationale inspanningen inventariseren; en
- c. de participatie bevorderen van instellingen voor bilaterale en/of multilaterale financiële samenwerking teneinde zorg te dragen voor de uitvoering van het Verdrag.
Artikel 7. Institutioneel kader
Teneinde uitvoering te geven aan deze Bijlage zullen de Partijen die getroffen landen in de regio zijn:
- a. nationale steunpunten oprichten en/of versterken ter coördinering van het optreden gericht op het bestrijden van woestijnvorming en/of het inperken van de gevolgen van droogte; en
- b. een mechanisme opzetten ter coördinering van de nationale steunpunten voor de volgende doeleinden:
- i. het uitwisselen van informatie en ervaring;
- ii. het coördineren van activiteiten op subregionaal en regionaal niveau;
- iii. het bevorderen van technische, wetenschappelijke, technologische en financiële samenwerking;
- iv. de follow-up en evaluatie van de uitvoering van actieprogramma's.
De Partijen die getroffen landen in de regio zijn, houden periodieke coördinatiebijeenkomsten en het permanente secretariaat kan, op hun verzoek, overeenkomstig artikel 23 van het Verdrag, het beleggen van deze coördinatiebijeenkomsten vergemakkelijken door:
- a. advies te geven over het opzetten van effectieve coördinatieregelingen, gebruik makend van de ervaring opgedaan met andere regelingen ter zake;
- b. informatie te verstrekken aan de desbetreffende bilaterale en multilaterale organen met betrekking tot coördinatiebijeenkomsten, en te stimuleren dat deze daarbij actief worden betrokken; en
- c. andere informatie te verstrekken die van belang kan zijn bij het tot stand brengen of verbeteren van de coördinatie.
Artikel 1. Doel
Deze Bijlage heeft tot doel te voorzien in richtlijnen en regelingen die noodzakelijk zijn voor een doeltreffende uitvoering van het Verdrag in de Partijen die getroffen landen in het noordelijk Middellandse-Zeegebied zijn, gelet op de bijzondere omstandigheden van die regio.
Artikel 2. Bijzondere omstandigheden van het noordelijke Middellandse Zeegebied
De in artikel 1 bedoelde bijzondere omstandigheden van het noordelijke Middellandse-Zeegebied omvatten:
- a. semi-aride klimatologische omstandigheden die grote gebieden raken, seizoensgebonden perioden van droogte, zeer grote neerslagvariabiliteit en plotselinge en hevige regens;
- b. arme grond en zeer aan erosie onderhevige bodem, vatbaar voor korstvorming aan de oppervlakte;
- c. ongelijkmatig reliëf met steile hellingen en zeer uiteenlopende landschappen;
- d. grootschalige ontbossing ten gevolge van veelvuldige bosbranden;
- e. noodlijdende traditionele landbouw met bijbehorende leegloop van het platteland en verslechtering van de structuren voor behoud van bodem en water;
- f. niet-duurzame exploitatie van de watervoorraden, leidende tot ernstige milieuschade, waaronder chemische verontreiniging, verzilting en uitputting van waterhoudende grondlagen; en
- g. concentratie van economische bedrijvigheid in kustgebieden ten gevolge van verstedelijking, industriële activiteiten, toerisme en landbouw met bevloeiing.
Artikel 3. Kader voor strategische planning ten behoeve van duurzame ontwikkeling
Nationale actieprogramma's dienen een centraal en integrerend deel uit te maken van het kader voor strategische planning ten behoeve van duurzame ontwikkeling in de Partijen die getroffen landen in het noordelijke Middellandse-Zeegebied zijn.
Er dient een op overleg en participatie gebaseerd proces, waarbij overheden op het juiste niveau, plaatselijke gemeenschappen en niet-gouvernementele organisaties zijn betrokken, op gang te worden gebracht om te voorzien in sturing voor een strategie met een flexibele planning, teneinde voor een zo groot mogelijke plaatselijke participatie te zorgen, overeenkomstig artikel 10, tweede lid, letter f, van het Verdrag.
Artikel 4. Verplichting tot het opstellen van nationale actieprogramma's en tijdschema
De Partijen die getroffen landen in het noordelijke Middellandse-Zeegebied zijn, dienen nationale actieprogramma's en, waar mogelijk, subregionale, regionale of gezamenlijke actieprogramma's op te stellen. De opstelling van deze programma's dient zo spoedig mogelijk te worden gefinaliseerd.
Artikel 5. Opstelling en uitvoering van nationale actieprogramma's
Bij de opstelling en uitvoering van nationale actieprogramma's ingevolge de artikelen 9 en 10 van het Verdrag zal elke Partij die getroffen land in de regio is, waar mogelijk:
- a. daarvoor in aanmerking komende organen aanwijzen die zijn belast met de opstelling, coördinatie en uitvoering van haar programma;
- b. getroffen bevolkingsgroepen, waaronder plaatselijke gemeenschappen, betrekken bij de uitwerking, coördinatie en uitvoering van het programma via een op plaatselijk niveau aangestuurd proces, met medewerking van plaatselijke overheden en de desbetreffende niet-gouvernementele organisaties;
- c. de toestand van het milieu in getroffen gebieden opnemen om de oorzaken en gevolgen van woestijnvorming vast te stellen en prioriteitsterreinen voor het optreden te bepalen;
- d. met participatie van getroffen bevolkingsgroepen afgeronde en lopende programma's evalueren teneinde een strategie uit te stippelen en activiteiten uit te werken in het actieprogramma.
- e. technische en financiële programma's opstellen op basis van informatie ontleend aan de in de letters a tot en met d bedoelde activiteiten; en
- f. procedures en referentiepunten ontwikkelen en gebruiken ten behoeve van het toezicht op en de evaluatie van de uitvoering van het programma.
Artikel 6. Inhoud van nationale actieprogramma's
De Partijen die getroffen landen in de regio zijn, kunnen in hun nationale actieprogramma's maatregelen opnemen met betrekking tot:
- a. terreinen van wetgevende, institutionele en administratieve aard;
- b. landinrichting, beheer van watervoorraden, bodembehoud, bosbouw, landbouwactiviteiten en beheer van weidegronden en natuurweiden;
- c. beheer en behoud van de fauna en andere vormen van biologische diversiteit;
- d. bescherming tegen bosbranden;
- e. propageren van alternatieve middelen van bestaan; en
- f. onderzoek, opleiding en bewustmaking.
Artikel 7. Subregionale, regionale en gezamenlijke actieprogramma's
De Partijen die getroffen landen in de regio zijn, kunnen in overeenstemming met artikel 11 van het Verdrag subregionale en/of regionale actieprogramma's opstellen en uitvoeren in aanvulling op en ter vergroting van de doelmatigheid van nationale actieprogramma's. Twee of meer Partijen die getroffen landen in de regio zijn, kunnen eveneens overeenkomen onderling een gezamenlijk actieprogramma op te stellen.
De bepalingen van de artikelen 5 en 6 zijn van overeenkomstige toepassing op het opstellen en uitvoeren van subregionale, regionale en gezamenlijke actieprogramma's. Bovendien kunnen deze programma's mede betrekking hebben op het verrichten van onderzoek en het ontplooien van activiteiten betreffende geselecteerde ecosystemen in getroffen gebieden.
Bij de opstelling en uitvoering van subregionale, regionale of gezamenlijke actieprogramma's kunnen Partijen die getroffen landen in de regio zijn, waar mogelijk:
- a. in samenwerking met nationale instellingen nagaan welke nationale doelstellingen met betrekking tot woestijnvorming beter kunnen worden verwezenlijkt via dergelijke programma's en welke hiermee verband houdende activiteiten doelmatiger via dergelijke programma's zouden kunnen worden verricht;
- b. de operationele capaciteiten en activiteiten van de daarvoor in aanmerking komende regionale, subregionale en nationale instellingen evalueren; en
- c. tussen Partijen in de regio bestaande programma's met betrekking tot woestijnvorming, alsook het verband tussen die programma's en nationale actieprogramma's, beoordelen.
Artikel 8. Coördinatie van subregionale, regionale en gezamenlijke actieprogramma's
De Partijen die getroffen landen zijn en die een subregionaal, regionaal of gezamenlijk actieprogramma opstellen, kunnen een coördinatiecommissie instellen, bestaande uit vertegenwoordigers van elke Partij die getroffen land is; deze commissie toetst de gemaakte vorderingen bij het bestrijden van woestijnvorming, harmoniseert de nationale actieprogramma's, doet aanbevelingen in de verschillende stadia van de opstelling en uitvoering van de subregionale, regionale of gezamenlijke actieprogramma's en treedt op als steunpunt voor de bevordering en coördinatie van technische samenwerking ingevolge de artikelen 16 tot en met 19 van het Verdrag.
Artikel 9. Het niet in aanmerking komen voor financiële hulp
Bij de uitvoering van nationale, subregionale, regionale of gezamenlijke actieprogramma's komen de Partijen die getroffen ontwikkelde landen in de regio zijn niet in aanmerking van financiële hulp ingevolge dit Verdrag.
Artikel 10. Coördinatie met andere subregio's en regio's
Subregionale, regionale en gezamenlijke actieprogramma's in het noordelijke Middellandse-Zeegebied kunnen worden opgesteld en uitgevoerd in samenwerking met die van andere subregio's en regio's, in het bijzonder met die van de subregio Noord-Afrika.
IN WITNESS WHEREOF the undersigned, being duly authorized to that effect, have signed the present Convention.
DONE at Paris, this 17th day of June one thousand nine hundred and ninetyfour.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)