Euro-mediterrane Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschap en haar Lid-Staten, enerzijds, en de Republiek Tunesië, anderzijds
Voor bepaalde produkten waarvoor het gemeenschappelijk douanetarief in een „ad valorem” douanerecht en in een specifiek douanerecht voorziet, zijn de in lid 3 bedoelde, in de kolommen a en c vermelde verlagingspercentages uitsluitend op de „ad valorem” douanerechten van toepassing.
Voor bepaalde produkten worden de douanerechten afgeschaft binnen de grenzen van de tariefcontingenten die voor elk van deze produkten in kolom b zijn vermeld.
Voor de ingevoerde hoeveelheden die de contingenten overschrijden, worden de douanerechten verlaagd volgens de percentages die in kolom c zijn vermeld.
Voor bepaalde andere van douanerechten vrijgestelde produkten zijn referentiehoeveelheden, vermeld in kolom d, vastgesteld.
Indien de invoer van een bepaald produkt de referentiehoeveelheid overschrijdt, kan de Gemeenschap, op basis van een balans van het handelsverkeer die zij jaarlijks opstelt, voor het betrokken produkt een communautair tariefcontingent openen voor een hoeveelheid die gelijk is aan deze referentiehoeveelheid. In dergelijk geval wordt het recht van het gemeenschappelijk douanetarief, naargelang het produkt, hetzij volledig toegepast, hetzij volgens het in kolom c vermelde percentage verlaagd voor de ingevoerde hoeveelheden die het contingent overschrijden.
Voor bepaalde van de in de leden 3 en 4 bedoelde, in kolom e vermelde produkten worden de contingenten of de referentiehoeveelheden vanaf 1 januari 2002 tot en met 1 januari 2005 jaarlijks verhoogd in vier gelijke tranches waarvan de omvang 3% van deze contingenten of hoeveelheden bedraagt.
Voor bepaalde andere dan de in de leden 3 en 4 bedoelde, in kolom e vermelde produkten kan de Gemeenschap een referentiehoeveelheid in de zin van het bepaalde in lid 4 vaststellen indien uit de door haar opgestelde jaarlijkse balans van het handelsverkeer blijkt dat de ingevoerde hoeveelheden moeilijkheden dreigen te veroorzaken op de markt van de Gemeenschap. Indien vervolgens voor dit produkt, onder de in lid 4 vermelde voorwaarden, een tariefcontingent wordt geopend, dan wordt het recht van het gemeenschappelijk tarief, naargelang het produkt, hetzij volledig toegepast, hetzij volgens de in kolom c vermelde percentages verlaagd voor de hoeveelheid die het contingent overschrijdt.
Artikel 2
Voor wijn van verse druiven met benaming van oorsprong van post 2204 van de gecombineerde nomenclatuur van oorsprong uit Tunesië is het bepaalde in artikel 1 van toepassing op wijn die wordt aangeboden in verpakkingen van twee liter of minder met een effectief alcohol-volumegehalte van 15% of minder.
Volgens de Tunesische wetgeving dragen deze wijnen de hiernavolgende benamingen: Coteaux de Tebourba, Coteaux d'Utique, Sidi Salem, Kelibia, Thibar, Mornag, Grand cru Mornag.
Wijnen uit Tunesië die een gecontroleerde oorsprongsbenaming dragen, moeten vergezeld zijn van een oorsprongscertificaat overeenkomstig het in de preferentiële overeenkomst opgenomen model of van een document V I 1 of V I 2 waarin de vermeldingen als bedoeld in artikel 9 van Verordening (EEG) nr. 3590/85 betreffende het bij invoer van wijn, druivensap en druivenmost voorgeschreven attest en analyseverslag zijn aangebracht.
Artikel 3
Met ingang van 1 januari 2001 mag, tot een hoeveelheid van ten hoogste 50 000 ton, geheel en al in Tunesië verkregen en rechtstreeks van dit land naar de Gemeenschap vervoerde ruwe olijfolie van de onderverdelingen 1509 10 10 en 1509 10 90 van de gecombineerde nomenclatuur vrij van recht in de Gemeenschap worden ingevoerd. Met ingang van 1 mei 2004 wordt deze hoeveelheid jaarlijks met 700 ton verhoogd.
Deze hoeveelheid wordt met ingang van 1 januari 2002 gedurende een periode van vier jaar met telkens 1 500 ton per jaar verhoogd, zodat zij vanaf 1 januari 2005 56 700 ton per jaar bedraagt.
Indien de invoer van olijfolie in het kader van deze regeling het evenwicht op de markt van de Gemeenschap dreigt te verstoren, met name in het licht van de verbintenissen die de Gemeenschap ten aanzien van dit product in het kader van de Wereldhandelsorganisatie is aangegaan, dan plegen de overeenkomstsluitende partijen met elkaar overleg over passende, voor beide partijen acceptabele maatregelen om deze dreiging weg te nemen.
TITEL I. ALGEMENE BEPALINGEN
Artikel 1. Definities
Voor de toepassing van dit protocol wordt verstaan onder:
- a. „vervaardiging”: elke soort be- of verwerking, met inbegrip van assemblage of speciale behandelingen;
- b. „materiaal”: alle ingrediënten, grondstoffen, componenten, delen, enz., die bij de vervaardiging van het product worden gebruikt;
- c. „product”: het verkregen product, zelfs indien het bestemd is om later bij de vervaardiging van een ander product te worden gebruikt;
- d. „goederen”: zowel materialen als producten;
- e. „douanewaarde”: de waarde zoals bepaald bij de Overeenkomst inzake de toepassing van artikel VII van de Algemene Overeenkomst betreffende tarieven en handel van 1994 (overeenkomst inzake de douanewaarde van de WTO);
- f. „prijs af fabriek”: de prijs die voor het product af fabriek is betaald aan de fabrikant in de Gemeenschap of in Tunesië in wiens bedrijf de laatste be- of verwerking is verricht, voor zover in die prijs de waarde is begrepen van alle gebruikte materialen, verminderd met alle binnenlandse belastingen die worden of kunnen worden terugbetaald wanneer het verkregen product wordt uitgevoerd;
- g. „waarde van de materialen”: de douanewaarde ten tijde van de invoer van de gebruikte materialen die niet van oorsprong zijn, of, indien deze niet bekend is en niet kan worden vastgesteld, de eerste controleerbare prijs die voor de materialen in de Gemeenschap of Tunesië is betaald;
- h. „waarde van de materialen van oorsprong”: de waarde van deze materialen als omschreven onder g, welke omschrijving van dienovereenkomstige toepassing is;
- i. „toegevoegde waarde”: de prijs af fabriek verminderd met de douanewaarde van alle gebruikte materialen die van oorsprong zijn uit de andere in de artikelen 3 en 4 genoemde landen waar cumulatie van toepassing is of, indien de douanewaarde niet bekend is of niet kan worden vastgesteld, de eerste controleerbare prijs die in de Gemeenschap of in Tunesië voor deze materialen is betaald;
- j. „hoofdstukken” en „posten”: de hoofdstukken en posten (viercijfercodes) van de nomenclatuur die het geharmoniseerd systeem inzake de omschrijving en codering van goederen vormt, in dit protocol „het geharmoniseerd systeem” of „GS” genoemd;
- k. „ingedeeld”: de indeling van een product of materiaal onder een bepaalde post;
- l. „zending”: producten die gelijktijdig van een exporteur naar een geadresseerde worden verzonden of vergezeld gaan van een enkel vervoersdocument dat de verzending van de exporteur naar de geadresseerde dekt, of bij gebreke daarvan, een enkele factuur.
- m. „gebieden” omvatten: ook de territoriale wateren.
TITEL II. DEFINITIE VAN HET BEGRIP „PRODUCTEN VAN OORSPRONG’’
Artikel 2. Algemene voorwaarden
Voor de toepassing van de overeenkomst worden de volgende producten beschouwd van oorsprong te zijn uit de Gemeenschap:
- a. geheel en al in de Gemeenschap verkregen producten in de zin van artikel 5;
- b. in de Gemeenschap verkregen producten, waarin materialen zijn verwerkt die daar niet geheel en al zijn verkregen, mits deze materialen in de Gemeenschap een be- of verwerking hebben ondergaan die toereikend is in de zin van artikel 6;
- c. goederen van oorsprong uit de Europese Economische Ruimte (EER, in de zin van Protocol nr. 4 bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte.
Voor de toepassing van deze overeenkomst worden de volgende producten beschouwd als van oorsprong uit Tunesië:
- a. geheel en al in Tunesië verkregen producten in de zin van artikel 5;
- b. in Tunesië verkregen producten, waarin materialen zijn verwerkt die daar niet geheel en al zijn verkregen, mits deze materialen in Tunesië een be- of verwerking hebben ondergaan die toereikend is in de zin van artikel 6.
De bepalingen van lid 1, onder c, zijn alleen van toepassing indien er een vrijhandelsovereenkomst van toepassing is tussen enerzijds Tunesië en anderzijds de EER/EVA-landen (IJsland, Liechtenstein en Noorwegen).
Artikel 3. Cumulatie in de Gemeenschap
Onverminderd artikel 2, lid 1, worden producten als van oorsprong uit de Gemeenschap beschouwd indien zij daar zijn verkregen door be- of verwerking van materialen van oorsprong uit Zwitserland (met inbegrip van Liechtenstein,Het vorstendom Liechtenstein heeft een douane-unie met Zwitserland en is partij bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte. IJsland, Noorwegen, Turkije of de Gemeenschap, op voorwaarde dat deze materialen in de Gemeenschap be- of verwerkingen hebben ondergaan die meer inhouden dan die welke in artikel 7 zijn genoemd. Het is niet noodzakelijk dat deze materialen toereikende be- of verwerkingen hebben ondergaan.
Onverminderd artikel 2, lid 1, worden producten als van oorsprong uit de Gemeenschap beschouwd indien zij daar zijn verkregen door be- of verwerking van materialen van oorsprong uit de Faeröer of een land dat deelneemt aan het Euro-mediterrane partnerschap, dat is gebaseerd op de verklaring van Barcelona die werd vastgesteld tijdens de Euro-mediterrane Conferentie van 27 en 28 november 1995, met uitzondering van Turkije, op voorwaarde dat deze materialen in de Gemeenschap be- of verwerkingen hebben ondergaan die meer inhouden dan die welke in artikel 7 zijn genoemd. Het is niet noodzakelijk dat deze materialen toereikende be- of verwerkingen hebben ondergaan.
Indien de in de Gemeenschap verrichte be- of verwerkingen niet ingrijpender zijn dan de in artikel 7 bedoelde be- of verwerkingen, wordt het verkregen product enkel als van oorsprong uit de Gemeenschap beschouwd indien de aldaar toegevoegde waarde groter is dan die van de gebruikte materialen van oorsprong uit een van de andere dan in de leden 1 en 2 bedoelde landen. Is dit niet het geval, dan wordt het verkregen product beschouwd als van oorsprong uit het land dat de hoogste waarde vertegenwoordigt van de bij de vervaardiging in de Gemeenschap gebruikte materialen van oorsprong.
De producten van oorsprong uit een van de in de leden 1 en 2 genoemde landen die in de Gemeenschap geen enkele be- of verwerking ondergaan, behouden hun oorsprong wanneer zij naar een van deze landen worden uitgevoerd.
4 bis. Voor de toepassing van artikel 2, lid 1, onder b, worden in Marokko, Algerije of Tunesië uitgevoerde be- en verwerkingen geacht in de Gemeenschap te hebben plaatsgevonden, wanneer de daarbij verkregen producten later in de Gemeenschap worden be- of verwerkt. Wanneer bij toepassing van deze bepaling producten van oorsprong in twee of meer van de betrokken landen zijn verkregen, worden ze geacht van oorsprong te zijn uit de Gemeenschap, voor zover dezelfde be- en verwerkingen meer inhouden dan de in artikel 7 genoemde be- of verwerkingen.
De cumulatie waarin dit artikel voorziet kan uitsluitend worden toegepast op voorwaarde dat:
- a. een preferentiële handelsovereenkomst overeenkomstig artikel XXIV van de Algemene Overeenkomst inzake tarieven en handel (GATT) van toepassing is tussen de landen die betrokken zijn bij het verwerven van de oorsprong en het land van bestemming;
- b. materialen en producten de oorsprong hebben verkregen door toepassing van oorsprongsregels die gelijk zijn aan die van dit protocol; en
- c. kennisgevingen zijn gepubliceerd waaruit blijkt dat is voldaan aan de vereisten voor de toepassing van cumulatie in de C-reeks van het Publicatieblad van de Europese Unie en in Tunesië volgens zijn eigen procedures.
De cumulatie waarin dit artikel voorziet, is van toepassing met ingang van de datum die is aangegeven in de kennisgeving in de C-reeks van het Publicatieblad van de Europese Unie.
De Gemeenschap zal Tunesië door tussenkomst van de Commissie van de Europese Gemeenschappen nadere gegevens verstrekken over de overeenkomsten, met inbegrip van de datums van inwerkingtreding, en de daarin opgenomen oorsprongsregels, die met de andere in de leden 1 en 2 genoemde landen worden toegepast.
Artikel 4. Cumulatie in Tunesië
Onverminderd artikel 2, lid 2, worden producten als van oorsprong uit Tunesië beschouwd indien zij daar zijn verkregen door be- of verwerking van materialen van oorsprong uit Zwitserland (met inbegrip van Liechtenstein,Het vorstendom Liechtenstein heeft een douane-unie met Zwitserland en is partij bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte. IJsland, Noorwegen, Turkije of de Gemeenschap, op voorwaarde dat deze materialen in Tunesië be- of verwerkingen hebben ondergaan die meer inhouden dan die welke in artikel 7 zijn genoemd. Het is niet noodzakelijk dat deze materialen toereikende be- of verwerkingen hebben ondergaan.
Onverminderd artikel 2, lid 2, worden producten als van oorsprong uit Tunesië beschouwd indien zij daar zijn verkregen door be- of verwerking van materialen van oorsprong uit de Faeröer of een land dat deelneemt aan het Euro-mediterrane partnerschap, gebaseerd op de verklaring van Barcelona die werd vastgesteld tijdens de Euro-mediterrane Conferentie van 27 en 28 november 1995, met uitzondering van Turkije, op voorwaarde dat deze materialen in Tunesië be- of verwerkingen hebben ondergaan die meer inhouden dan die welke in artikel 7 zijn genoemd. Het is niet noodzakelijk dat deze materialen toereikende be- of verwerkingen hebben ondergaan.
Indien de in Tunesië verrichte be- of verwerkingen niet ingrijpender zijn dan de in artikel 7 bedoelde be- of verwerkingen, wordt het verkregen product enkel als van oorsprong uit Tunesië beschouwd indien de aldaar toegevoegde waarde groter is dan die van de gebruikte materialen van oorsprong uit een van de andere in de leden 1 en 2 bedoelde landen. Is dit niet het geval dan wordt het verkregen product beschouwd als van oorsprong uit het land waar de meeste waarde is toegevoegd aan de bij de vervaardiging in Tunesië gebruikte materialen van oorsprong.
De producten van oorsprong uit een van de in de leden 1 en 2 genoemde landen die in Tunesië geen enkele be- of verwerking ondergaan, behouden hun oorsprong wanneer zij naar een van deze landen worden uitgevoerd.
4 bis. 4 bis. Voor de toepassing van artikel 2, lid 2, onder b, worden in de Gemeenschap, Marokko of Algerije uitgevoerde be- en verwerkingen geacht in Tunesië te hebben plaatsgevonden, wanneer de daarbij verkregen producten later in Tunesië worden be- of verwerkt. Wanneer bij toepassing van deze bepaling producten van oorsprong in twee of meer van de betrokken landen zijn verkregen, worden ze geacht van oorsprong te zijn uit Tunesië, voor zover dezelfde be- en verwerkingen meer inhouden dan de in artikel 7 genoemde be- of verwerkingen.
De cumulatie waarin dit artikel voorziet kan uitsluitend worden toegepast op voorwaarde dat:
- a. een preferentiële handelsovereenkomst overeenkomstig artikel XXIV van de Algemene Overeenkomst inzake tarieven en handel (GATT) van toepassing is tussen de landen die betrokken zijn bij het verwerven van de oorsprong en het land van bestemming;
- b. materialen en producten de oorsprong hebben verkregen door toepassing van oorsprongsregels die gelijk zijn aan die van dit protocol; en
- c. kennisgevingen zijn gepubliceerd waaruit blijkt dat is voldaan aan de vereisten voor de toepassing van cumulatie in de C-reeks van het Publicatieblad van de Europese Unie en in Tunesië volgens zijn eigen procedures.
De cumulatie waarin dit artikel voorziet, is van toepassing met ingang van de datum die is aangegeven in de kennisgeving in de C-reeks van het Publicatieblad van de Europese Unie.
Tunesië zal de Gemeenschap door tussenkomst van de Commissie van de Europese Gemeenschappen nadere gegevens verstrekken over de overeenkomsten, met inbegrip van de datums van inwerkingtreding, en de daarin opgenomen oorsprongsregels, die met de andere in de leden 1 en 2 genoemde landen worden toegepast.
Artikel 5. Geheel en al verkregen producten
Als geheel en al in de Gemeenschap of in Tunesië verkregen worden beschouwd:
- a. aldaar uit de bodem of zeebodem gewonnen minerale producten;
- b. aldaar geoogste producten van het plantenrijk;
- c. aldaar geboren en gefokte levende dieren;
- d. producten afkomstig van aldaar opgefokte levende dieren;
- e. voortbrengselen van de aldaar bedreven jacht en visserij;
- f. producten van de zeevisserij en andere buiten de territoriale wateren van de Gemeenschap of van Tunesië door hun schepen uit de zee gewonnen producten;
- g. producten uitsluitend uit de onder f bedoelde producten aan boord van hun fabrieksschepen vervaardigd;
- h. aldaar verzamelde gebruikte artikelen die slechts voor de terugwinning van grondstoffen kunnen dienen, met inbegrip van gebruikte banden die uitsluitend geschikt zijn om van een nieuw loopvlak te worden voorzien of slechts als afval kunnen worden gebruikt;
- i. afval en schroot afkomstig van aldaar verrichte fabrieksbewerkingen;
- j. producten, gewonnen uit de zeebodem of -ondergrond buiten de territoriale wateren, mits zij alleen het recht hebben op ontginning van deze bodem of ondergrond;
- k. goederen die aldaar uitsluitend uit de onder a tot en met j bedoelde producten zijn vervaardigd.
De termen „hun schepen’’ en „hun fabrieksschepen’’ in lid 1, onder f en g, zijn slechts van toepassing op schepen en fabrieksschepen:
- a. die in een lidstaat van de Gemeenschap of Tunesië zijn ingeschreven of geregistreerd;
- b. die de vlag van een lidstaat van de Gemeenschap of van Tunesië voeren;
- c. die voor ten minste 50% toebehoren aan onderdanen van lidstaten van de Gemeenschap of van Tunesië of aan een onderneming die haar hoofdkantoor in een van deze staten heeft en waarvan de bedrijfsvoerder(s, de voorzitter van de raad van bestuur of van toezicht en de meerderheid van de leden van deze raden onderdanen zijn een lidstaat van de Gemeenschap of van Tunesië, en waarvan bovendien, in het geval van personenvennootschappen of vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid, ten minste de helft van het kapitaal toebehoort aan deze staten of aan openbare lichamen of onderdanen daarvan;
- d. waarvan de kapitein en de officieren onderdanen zijn van lidstaten van de Gemeenschap of van Tunesië; en
- e. waarvan de bemanning voor ten minste 75% bestaat uit onderdanen van lidstaten of van Tunesië.
Artikel 6. Toereikende bewerking of verwerking
Niet geheel en al verkregen producten worden geacht een toereikende bewerking of verwerking te hebben ondergaan in de zin van artikel 2, indien aan de voorwaarden van de lijst in bijlage II is voldaan.
In deze lijst is voor alle onder deze overeenkomst vallende producten aangegeven welke be- of verwerkingen niet van oorsprong zijnde materialen moeten ondergaan om de oorsprong te verkrijgen en zijn slechts op deze materialen van toepassing. Dit betekent dat indien een product dat de oorsprong heeft verkregen doordat het aan de voorwaarden in die lijst voor dat product heeft voldaan, als materiaal gebruikt wordt bij de vervaardiging van een ander product, de voorwaarden die van toepassing zijn op het product waarin het wordt verwerkt daarvoor niet gelden. Er wordt dan geen rekening gehouden met niet van oorsprong zijnde materialen die bij de vervaardiging ervan zijn gebruikt.
In afwijking van het bepaalde in lid 1 kunnen niet van oorsprong zijnde materialen die volgens de voorwaarden in de lijst bij de vervaardiging van een bepaald product niet mogen worden gebruikt, in de volgende gevallen toch worden gebruikt:
- a. wanneer de totale waarde ervan niet meer dan 10% bedraagt van de prijs af fabriek van het product;
- b. wanneer een in de lijst vermelde maximumwaarde voor niet van oorsprong zijnde materialen door de toepassing van dit lid niet wordt overschreden. Dit lid is niet van toepassing op producten die onder de hoofdstukken 50 tot en met 63 van het geharmoniseerd systeem zijn ingedeeld.
De leden 1 en 2 zijn van toepassing onder voorbehoud van het bepaalde in artikel 7.
Artikel 7. Ontoereikende be- of verwerking
Behoudens het bepaalde in lid 2 worden de volgende be- of verwerkingen beschouwd als ontoereikend om de oorsprong te verlenen, ongeacht of aan de voorwaarden van artikel 6 is voldaan:
- a. behandelingen om de producten tijdens vervoer en opslag in goede staat te bewaren;
- b. het splitsen en samenvoegen van colli;
- c. het wassen, schoonmaken; het stofvrij maken, verwijderen van roest, olie, verf of dergelijke;
- d. het strijken of persen van textiel;
- e. het eenvoudig schilderen of polijsten;
- f. het doppen, het geheel of gedeeltelijk bleken, het polijsten of glanzen van granen en rijst;
- g. het kleuren van suiker of het vormen van suikerklonten;
- h. het pellen, ontpitten of schillen van noten, vruchten of groenten;
- i. het aanscherpen, eenvoudig vermalen of eenvoudig versnijden;
- j. het zeven, sorteren, classificeren, assorteren (daaronder begrepen het samenstellen van sets van artikelen);
- k. het eenvoudig plaatsen in flessen, flacons, blikken, zakken, kratten of dozen, het bevestigen op kaarten of platen en alle andere eenvoudige handelingen in verband met de opmaak;
- l. het aanbrengen of opdrukken van merken, etiketten, beeldmerken of andere soortgelijke onderscheidingstekens op de producten zelf of op de verpakking ;
- m. het eenvoudig mengen van producten, ook van verschillende soorten;
- n. het eenvoudig samenvoegen van delen van artikelen tot een volledig artikel dan wel het uit elkaar nemen van artikelen in onderdelen;
- o. twee of meer van de onder a tot en met n vermelde behandelingen tezamen;
- p. het slachten van dieren.
Om te bepalen of de be- of verwerkingen die een bepaald product heeft ondergaan ontoereikend zijn in de zin van lid 1 worden alle be- of verwerkingen die dit product in de Gemeenschap of in Tunesië heeft ondergaan tezamen genomen.
Artikel 8. Determinerende eenheid
De determinerende eenheid voor de toepassing van de bepalingen van dit protocol is het product dat bij de bepaling van de indeling volgens het geharmoniseerd systeem als de basiseenheid wordt beschouwd.
Hieruit volgt:
- a. wanneer een product, bestaande uit een groep of verzameling van artikelen, onder één enkele post van het geharmoniseerd systeem wordt ingedeeld, het geheel de in aanmerking te nemen eenheid vormt;
- b. wanneer een zending bestaat uit een aantal identieke producten die onder dezelfde post van het geharmoniseerd systeem worden ingedeeld, elk product voor de toepassing van de bepalingen van dit protocol afzonderlijk moet worden genomen.
Wanneer volgens algemene regel 5 voor de interpretatie van het geharmoniseerd systeem de verpakking meetelt voor het vaststellen van de indeling, telt deze ook mee voor het vaststellen van de oorsprong.
Artikel 9. Accessoires, vervangingsonderdelen en gereedschappen
Accessoires, vervangingsonderdelen en gereedschappen die samen met materieel, machines, apparaten of voertuigen worden geleverd en deel uitmaken van de normale uitrusting daarvan en in de prijs daarvan zijn inbegrepen of niet afzonderlijk in rekening worden gebracht, worden geacht één geheel te vormen met het materieel en de machines, apparaten of voertuigen in kwestie.
Artikel 10. Stellen of assortimenten
Stellen of assortimenten in de zin van algemene regel 3 voor de interpretatie van het geharmoniseerd systeem, worden als van oorsprong beschouwd indien alle samenstellende delen van oorsprong zijn. Een stel of assortiment bestaande uit producten van oorsprong en producten die niet van oorsprong zijn, wordt evenwel als van oorsprong beschouwd indien de waarde van de producten die niet van oorsprong zijn niet meer dan 15% van de prijs af fabriek van het stel of assortiment bedraagt.
Artikel 11. Neutrale elementen
Om de oorsprong van een product te bepalen behoeft niet te worden nagegaan wat de oorsprong is van bij de vervaardiging van dat product gebruikte:
- a. energie en brandstof;
- b. fabrieksuitrusting;
- c. machines en werktuigen;
- d. goederen die in de uiteindelijke samenstelling van het product niet voorkomen en ook niet bedoeld waren daarin voor te komen.
Artikel 12. Neutrale elementen
Om te bepalen of een produkt van oorsprong is uit de Gemeenschap of uit Tunesië wordt niet nagegaan of de energie, brandstof, fabrieksuitrusting, machines en werktuigen die zijn gebruikt om dit produkt te verkrijgen van oorsprong zijn en wordt ook niet nagegaan of goederen die tijdens het produktieproces zijn gebruikt, maar die in de uiteindelijke samenstelling van het produkt niet voorkomen en ook niet bedoeld waren daarin voor te komen, van oorsprong zijn.
TITEL III. TERRITORIALE VOORWAARDEN
Artikel 13. Rechtstreeks vervoer
De bij deze overeenkomst vastgestelde preferentiële regeling is uitsluitend van toepassing op producten die aan de voorwaarden van dit protocol voldoen en die rechtstreeks tussen de Gemeenschap en Tunesië of over het grondgebied van een ander in de artikelen 3 en 4 genoemd land waarmee cumulatie van toepassing is, zijn vervoerd. Goederen die één enkele zending vormen, kunnen via een ander grondgebied worden vervoerd, eventueel met overslag of tijdelijke opslag op dit grondgebied, voor zover ze in het land van doorvoer of opslag onder toezicht van de douane blijven en aldaar geen andere behandelingen ondergaan dan lossen en opnieuw laden of behandelingen om ze in goede staat te bewaren.
Producten van oorsprong mogen via een pijpleiding door een ander grondgebied dan dat van de Gemeenschap of van Tunesië worden vervoerd.
Het bewijs dat aan de in lid 1 bedoelde voorwaarden is voldaan, wordt geleverd door overlegging van de volgende stukken aan de douaneautoriteiten van het land van invoer:
- a. een enkel vervoerdocument dat het vervoer dekt van het land van uitvoer door het land van doorvoer, of
- b. een door de douaneautoriteiten van het land van doorvoer afgegeven certificaat:
- i. een nauwkeurige omschrijving van de goederen;
- ii. de data waarop de producten gelost en opnieuw geladen zijn, in voorkomend geval onder vermelding van de gebruikte schepen of andere vervoermiddelen; en
- iii. dat een verklaring bevat over de voorwaarden waarop de goederen in het land van doorvoer verbleven; of
- c. hetzij, bij gebreke van bovengenoemde stukken, enig ander bewijsstuk.
Artikel 14. Tentoonstellingen
De overeenkomst is van toepassing op producten van oorsprong die naar een tentoonstelling in een ander dan de in de artikelen 3 en 4 genoemde landen waarmee cumulatie van toepassing is, zijn verzonden en die na de tentoonstelling zijn verkocht en in de Gemeenschap of in Tunesië worden ingevoerd, mits ten genoegen van de douaneautoriteiten wordt aangetoond dat:
- a. een exporteur deze producten vanuit de Gemeenschap of Tunesië naar het land van de tentoonstelling heeft verzonden en ze daar heeft tentoongesteld;
- b. deze exporteur de producten heeft verkocht of overgedragen aan een geadresseerde in de Gemeenschap of in Tunesië;
- c. de producten tijdens of onmiddellijk na de tentoonstelling in dezelfde staat als waarin zij naar de tentoonstelling zijn gegaan zijn verzonden; en
- d. dat de goederen vanaf het moment dat zij naar de tentoonstelling werden verzonden, niet voor andere doeleinden zijn gebruikt dan om op die tentoonstelling te worden vertoond.
Een bewijs van de oorsprong wordt overeenkomstig de bepalingen van titel V afgegeven of opgesteld en op de normale wijze bij de douaneautoriteiten van het land van invoer ingediend. Op dit bewijs zijn de naam en het adres van de tentoonstelling vermeld. Zo nodig kunnen aanvullende bewijsstukken worden gevraagd betreffende de aard van de goederen en de omstandigheden waaronder zij zijn tentoongesteld.
Lid 1 is van toepassing op alle tentoonstellingen, beurzen of soortgelijke openbare evenementen met een commercieel, industrieel, agrarisch of ambachtelijk karakter die niet voor particuliere doeleinden in winkels of bedrijfsruimten met het oog op de verkoop van buitenlandse producten worden gehouden, en gedurende welke de producten onder douanetoezicht zijn gebleven.
Artikel 15. Rechtstreeks vervoer
De bij de Overeenkomst vastgestelde preferentiële regeling is uitsluitend van toepassing op produkten of materialen die niet over het grondgebied van een ander land tussen het grondgebied van de Gemeenschap en dat van Tunesië of, wanneer de artikelen 4 en 5 van toepassing zijn, dat van Algerije of Marokko, zijn vervoerd. Goederen van oorsprong uit Tunesië of de Gemeenschap die één enkele zending vormen, kunnen via een ander grondgebied dan dat van de Gemeenschap of van Tunesië of, wanneer artikel 3 van toepassing is, dat van Algerije of Marokko worden vervoerd, eventueel met overslag of tijdelijke opslag op dit grondgebied, voor zover de goederen in het land van doorvoer of opslag onder toezicht van de douane zijn gebleven, en aldaar geen andere behandelingen hebben ondergaan dan lossen en opnieuw laden of behandelingen om ze in goede staat te bewaren.
Het vervoer per pijpleiding van produkten van oorsprong uit Tunesië of de Gemeenschap mag via een ander grondgebied gaan dan dat van de Gemeenschap of van Tunesië.
Het bewijs dat aan de in lid 1 bedoelde voorwaarden is voldaan, wordt geleverd door overlegging van de volgende stukken aan de douaneautoriteiten van het land van invoer:
- a. hetzij een in het land van uitvoer opgesteld enig vervoerdocument ter dekking van het vervoer door het land van doorvoer;
- b. hetzij een door de douaneautoriteiten van het land van doorvoer afgegeven certificaat, waarin:
- i. de produkten nauwkeurig zijn omschreven,
- ii. de data zijn vermeld waarop de produkten gelost en opnieuw geladen zijn, in voorkomend geval onder opgave van de naam van de gebruikte schepen; en
- iii. een verklaring betreffende de voorwaarden waarop de produkten in het land van doorvoer verbleven;
- c. hetzij, bij gebreke van bovengenoemde stukken, enig ander bewijsstuk.
Artikel 16. Tentoonstellingen
De bepalingen van de Overeenkomst zijn van toepassing op de invoer van produkten die uit een overeenkomstsluitende partij naar een tentoonstelling in een derde land zijn verzonden en na de tentoonstelling voor invoer in een andere overeenkomstsluitende partij zijn verkocht, voor zover deze produkten aan de voorwaarden van dit Protocol voldoen om als produkten van oorsprong uit de Gemeenschap of uit Tunesië te worden beschouwd, en voor zover ten genoegen van de douaneautoriteiten wordt aangetoond dat:
- a. een exporteur deze produkten vanuit een overeenkomstsluitende partij naar het land van de tentoonstelling heeft verzonden en ze daar heeft tentoongesteld;
- b. de exporteur de produkten heeft verkocht of op andere wijze afgestaan aan een geadresseerde in een andere overeenkomstsluitende partij;
- c. de produkten tijdens of onmiddellijk na de tentoonstelling in dezelfde staat als waarin zij naar de tentoonstelling zijn gegaan naar laatstgenoemde overeenkomstsluitende partij zijn verzonden; en
- d. de produkten, vanaf het moment dat zij naar de tentoonstelling werden verzonden, niet voor andere doeleinden zijn gebruikt dan om op die tentoonstelling te worden vertoond.
Een bewijs van de oorsprong wordt overeenkomstig de bepalingen van titel IV afgegeven of opgesteld en op de normale wijze bij de douaneautoriteiten van het land van invoer ingediend. Op dit bewijs staan de naam en het adres van de tentoonstelling vermeld. Zo nodig kunnen aanvullende bewijsstukken worden gevraagd ten aanzien van de aard van de produkten en de voorwaarden waarop zij werden tentoongesteld.
Lid 1 is van toepassing op alle tentoonstellingen, beurzen of soortgelijke openbare evenementen met een commercieel, industrieel, agrarisch of ambachtelijk karakter die niet voor particuliere doeleinden in winkels of bedrijfsruimten met het oog op de verkoop van buitenlandse produkten worden gehouden, en gedurende welke de produkten onder douanetoezicht zijn gebleven.
TITEL V. BEWIJS VAN OORSPRONG
Artikel 17. Certificaat inzake goederenverkeer EUR.1
Het karakter van produkt van oorsprong, in de zin van dit Protocol, wordt aangetoond door middel van het certificaat inzake goederenverkeer EUR.1, waarvan het model in bijlage III bij dit Protocol is opgenomen.
Artikel 18. Normale procedure voor de afgifte van certificaten inzake goederenverkeer EUR.1
Het certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 wordt afgegeven door de douaneautoriteiten van het land van uitvoer op schriftelijke aanvraag van de exporteur of, onder diens verantwoordelijkheid, van zijn gemachtigde vertegenwoordiger.
Te dien einde vult de exporteur of diens gemachtigde vertegenwoordiger zowel het certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 als het aanvraagformulier in. Modellen van beide formulieren zijn in bijlage III opgenomen.
Deze formulieren worden ingevuld in een van de talen waarin de Overeenkomst is opgesteld, overeenkomstig de bepalingen van het nationale recht van het land van uitvoer. Indien de formulieren met de hand worden ingevuld, dient dit met inkt en in blokletters te gebeuren. De produkten moeten worden omschreven in het daartoe bestemde vak en er mogen geen regels worden opengelaten. Indien dit vak niet volledig is ingevuld, wordt onder de laatste regel een horizontale lijn getrokken en het niet-ingevulde gedeelte doorgekruist.
De exporteur die om de afgifte van een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 verzoekt, moet op verzoek van de douaneautoriteiten van het land van uitvoer waar dit certificaat wordt afgegeven, te allen tijde de nodige documenten kunnen overleggen waaruit blijkt dat de betrokken produkten van oorsprong zijn en dat aan alle andere voorwaarden van dit Protocol is voldaan.
Het certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 wordt afgegeven door de douaneautoriteiten van een Lid-Staat van de Europese Gemeenschap indien de uit te voeren goederen kunnen worden beschouwd als produkten van oorsprong uit de Gemeenschap in de zin van artikel 2, lid 1, van dit Protocol. Het certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 wordt afgegeven door de douaneautoriteiten van Tunesië indien de uit te voeren goederen kunnen worden beschouwd als produkten van oorsprong uit Tunesië in de zin van artikel 2, lid 2, van dit Protocol.
Wanneer de gecumuleerde bepalingen van de artikelen 2 tot en met 5 van toepassing zijn, kunnen de douaneautoriteiten van de Lid-Staten van de Gemeenschap of van Tunesië certificaten inzake goederenverkeer EUR.1 afgeven op de in dit Protocol vermelde voorwaarden, indien de uit te voeren goederen kunnen worden beschouwd als produkten van oorsprong uit de Gemeenschap of uit Tunesië in de zin van dit Protocol, en voor zover de goederen waarop de certificaten inzake goederenverkeer EUR.1 betrekking hebben zich in de Gemeenschap of in Tunesië bevinden.
In deze gevallen worden de certificaten inzake goederenverkeer EUR.1 afgegeven na overlegging van de eerder afgegeven of opgestelde bewijsstukken ten aanzien van de oorsprong. Deze bewijsstukken worden gedurende ten minste drie jaar door de douaneautoriteiten van de Staat van uitvoer bewaard.
De met de afgifte van EUR.1-certificaten belaste douaneautoriteiten nemen alle nodige maatregelen om te controleren of de produkten inderdaad van oorsprong zijn en gaan na of aan alle andere voorwaarden van dit Protocol is voldaan. Met het oog hierop zijn zij gerechtigd bewijsstukken op te vragen, de boeken van de exporteur in te zien en alle andere controles te verrichten die zij dienstig achten.
De met de afgifte van EUR.1-certificaten belaste douaneautoriteiten zien er ook op toe dat de in lid 2 bedoelde formulieren correct zijn ingevuld. Zij gaan met name na of het voor de omschrijving van de goederen bestemde vak zo is ingevuld dat frauduleuze toevoegingen niet mogelijk zijn.
De datum van afgifte van het certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 wordt vermeld in dat deel van het certificaat dat voor de douaneautoriteiten is bestemd.
Een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 wordt door de douaneautoriteiten van de Staat van uitvoer afgegeven wanneer de produkten waarop het betrekking heeft worden uitgevoerd. Het wordt ter beschikking van de exporteur gesteld zodra de goederen werkelijk worden uitgevoerd of wanneer het zeker is dat ze zullen worden uitgevoerd.
Artikel 19. Afgifte achteraf van het certificaat inzake goederenverkeer EUR.1
In afwijking van artikel 18, lid 8, kan een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 bij wijze van uitzondering worden afgegeven na de uitvoer van de goederen waarop het betrekking heeft, indien:
- a. dit door een vergissing, onopzettelijk verzuim of bijzondere omstandigheden niet bij de uitvoer is gebeurd;
- b. ten genoegen van de douaneautoriteiten wordt aangetoond dat het certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 wel was afgegeven, maar bij invoer om technische redenen niet is aanvaard.
Met het oog op de toepassing van lid 1 dient de exporteur in zijn aanvraag de plaats en de datum van uitvoer te vermelden van de produkten waarop het certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 betrekking heeft, onder opgave van de redenen van zijn aanvraag.
De douaneautoriteiten kunnen eerst tot afgifte achteraf van een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 overgaan na te hebben vastgesteld dat de in de aanvraag van de exporteur voorkomende gegevens overeenstemmen met die in het desbetreffende dossier.
Op a posteriori afgegeven certificaten inzake goederenverkeer EUR.1 komt een van de volgende aantekeningen voor:
- ES „EXPEDIDO A POSTERIORI’’
- CS „VYSTAVENO DODATEČNĚ’’
- DA „UDSTEDT EFTERFØLGENDE’’
- DE „NACHTRÄGLICH AUSGESTELLT’’
- ET „TAGANTJÄRELE VÄLJA ANTUD’’
- EL „ΕΚΔΟΘΕΝ ΕΚ ΤΩΝ YΣΤΕΡΩΝ.’’
- EN „ISSUED RETROSPECTIVELY’’
- FR „DÉLIVRÉ A POSTERIORI’’
- IT „RILASCIATO A POSTERIORI’’
- LV „IZSNIEGTS RETROSPEKTĪVI’’
- LT „RETROSPEKTYVUSIS IŠDAVIMAS’’
- HU „KIADVA VISSZAMENŐLEGES HATÁLLYAL’’
- MT „MAĦRUĠ RETROSPETTIVAMENT’’
- NL „AFGEGEVEN A POSTERIORI’’
- PL „WYSTAWIONE RETROSPEKTYWNIE’’
- PT „EMITIDO A POSTERIORI’’
- SL „IZDANO NAKNADNO’’
- SK „VYDANÉ DODATOČNE’’
- FI „ANNETTU JÄLKIKÄTEEN’’
- SV „UTFÄRDAT I EFTERHAND’’
- AR „
De in lid 4 bedoelde aantekening wordt aangebracht in het vak „Opmerkingen" van het certificaat inzake goederenverkeer EUR.1.
Artikel 20. Afgifte van een duplicaat van een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1
In geval van diefstal, verlies of vernietiging van een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1, kan de exporteur de douaneautoriteiten die dit certificaat hadden afgegeven, verzoeken een duplicaat op te maken aan de hand van de uitvoerdocumenten die in hun bezit zijn.
Op het aldus afgegeven certificaat wordt een van de volgende aantekeningen aangebracht:
- ES „DUPLICADO’’
- CS „DUPLIKÁT’’
- DA „DUPLIKÁT’’
- DE „DUPLIKAT’’
- ET „DUPLIKAAT’’
- EL „ΑΝΤΙΓΡΑΦΟ.’’
- EN „DUPLICATE’’
- FR „DUPLICATA’’
- IT „DUPLICATO’’
- LV „DUBLIKĀTS’’
- LT „DUBLIKATAS’’
- HU „MÁSODLAT’’
- MT „DUPLIKAT’’
- NL „DUPLICAAT’’
- PL „DUPLIKAT’’
- PT „SEGUNDA VIA’’
- SL „DVOJNIK’’
- SK „DUPLIKÁT’’
- FI „KAKSOISKAPPALE’’
- SV „DUPLIKAT’’
- AR „
De in lid 2 bedoelde aantekening, de datum van afgifte en het volgnummer van het oorspronkelijke certificaat worden aangebracht in het vak „Opmerkingen" van het duplicaat van het certificaat inzake goederenverkeer EUR.1.
Het duplicaat, dat dezelfde datum van afgifte draagt als het oorspronkelijke EUR.1-certificaat geldt vanaf die datum.
Artikel 21. Vervanging van certificaten
Vervanging van een of meer certificaten inzake goederenverkeer EUR.1 door een of meer andere certificaten is steeds mogelijk, voor zover dit geschiedt door het douanekantoor of de andere bevoegde instanties die met het toezicht op de goederen zijn belast.
Het vervangende certificaat wordt met het oog op de toepassing van dit Protocol, met inbegrip van dit artikel, als een definitief certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 beschouwd.
Het vervangende certificaat wordt afgegeven op schriftelijk verzoek van degene die de wederuitvoer verricht, nadat de betrokken instanties de door de aanvrager verstrekte gegevens hebben gecontroleerd. De datum en het volgnummer van het oorspronkelijke certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 worden in vak 7 vermeld.
Artikel 22. Vereenvoudigde procedure voor de afgifte van certificaten
In afwijking van de artikelen 18, 19 en 20 van dit Protocol kan volgens onderstaande bepalingen een vereenvoudigde procedure voor de afgifte van het certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 worden toegepast.
De douaneautoriteiten van de Staat van uitvoer kunnen een exporteur, hierna „toegelaten exporteur" genoemd, die veelvuldig goederen verzendt waarvoor certificaten inzake goederenverkeer EUR.1 kunnen worden afgegeven en die, ten genoegen van de bevoegde instanties, de nodige waarborgen biedt wat de controle op de oorsprong van de produkten betreft, vergunning verlenen om bij uitvoer noch de goederen, noch een aanvraag om een EUR.1-certificaat voor deze goederen bij het douanekantoor van de Staat van uitvoer aan te bieden met het oog op de afgifte van een EUR.1-certificaat onder de bij artikel 18 van dit Protocol vastgestelde voorwaarden.
In de in lid 2 bedoelde vergunning wordt naar keuze van de bevoegde instanties bepaald dat vak 11 „Visum van de douane" van het EUR.1-certificaat:
- a. hetzij van tevoren wordt voorzien van het stempel van het bevoegde douanekantoor van de Staat van uitvoer, alsmede van de geschreven of anderszins aangebrachte handtekening van een ambtenaar van dit kantoor,
- b. hetzij door de toegelaten exporteur wordt voorzien van een speciaal stempel dat door de douaneautoriteiten van de Staat van uitvoer is goedgekeurd en overeenkomt met het model dat in bijlage V is opgenomen. Dit stempel mag ook van tevoren op de formulieren worden gedrukt.
In de in lid 3, onder a, bedoelde gevallen wordt in vak „Opmerkingen" van het certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 een van de volgende vermeldingen aangebracht:
„PROCEDIMIENTO SIMPLIFICADO’’, „FORENKLET PROCEDURE’’, „VEREINFACHTES VERFAHREN’’, ΑΠΛΟYΣΤΕYΜΕΝΗ ΔΙΑΔΙΚΑΣΙΑ „SIMPLIFIED PROCEDURE’’, „PROCÉDURE SIMPLIFIÉE’’, „PROCEDURA SEMPLIFICATA’’, „VEREENVOUDIGDE PROCEDURE’’, „PROCEDIMENTO SIMPLIFICADO’’, YKSINKERTAISTETTU MENETTELY’’, „FÖRENKLAT FÖRFARANDE’’ „ZJEDNODUŠENÝ POSTUPČLÁNEK’’ „LIHTSUSTATUD TOLLIPROTSEDUUR’’, „VIENKĀRŠOTA PROCEDŪRA’’, SUPAPRASTINTA PROCEDURA’’, „EGYSZERŰSÍTETT ELJÁRÁS’’, „PROCEDURA SIMPLIFIKATA’’, „PROCEDURA UPROSZCZONA’’, „POENOSTAVLJEN POSTOPEK’’, „ZJEDNODUŠENÝ POSTUP’’, „
Vak 11 „Visum van de douane" van het certificaat EUR.1 wordt eventueel door de toegelaten exporteur ingevuld.
De toegelaten exporteur vermeldt eventueel in vak 13 „Verzoek om controle" van het certificaat EUR.1 naam en adres van de instantie die bevoegd is dit certificaat te controleren.
De douaneautoriteiten van de Staat van uitvoer kunnen voorschrijven dat de certificaten EUR.1 bij toepassing van de vereenvoudigde procedure van een speciaal merkteken worden voorzien.
De bevoegde instanties geven in de in lid 2 bedoelde vergunning met name aan:
- a. op welke wijze de aanvragen om EUR.1-certificaten worden opgesteld;
- b. op welke wijze deze aanvragen gedurende ten minste drie jaar worden bewaard;
- c. in de in lid 3, onder b, bedoelde gevallen, de instantie die bevoegd is de in artikel 33 van dit Protocol bedoelde controle achteraf uit te voeren.
De douaneautoriteiten van de Staat van uitvoer mogen bepaalde categorieën goederen van de in lid 2 bedoelde speciale behandeling uitsluiten.
De in lid 2 bedoelde vergunning wordt geweigerd wanneer de exporteur niet alle waarborgen biedt die de douaneautoriteiten nodig achten. De douaneautoriteiten kunnen de vergunning steeds intrekken. Zij zijn verplicht dit te doen wanneer de toegelaten exporteur niet meer aan de voorwaarden voldoet of de nodige waarborgen biedt.
De toegelaten exporteur kan worden verplicht de douaneautoriteiten, op de wijze die deze bepalen, over zijn voorgenomen zendingen in te lichten, zodat het bevoegde douanekantoor eventueel de door hem nodig geachte controles kan uitvoeren voordat de goederen worden verzonden.
De douaneautoriteiten van de Staat van uitvoer kunnen elke door hen nodig geachte controle uitvoeren bij de toegelaten exporteurs. Deze exporteurs kunnen zich hiertegen niet verzetten.
De bepalingen in dit artikel doen geen afbreuk aan de in de Gemeenschap, de Lid-Staten en Tunesië geldende voorschriften inzake douaneformaliteiten en het gebruik van douanedocumenten.
Artikel 23. Inlichtingenblad en aangifte
Wanneer de artikelen 3, 4 en 5 worden toegepast met het oog op de afgifte van een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1, neemt het bevoegde douanekantoor van de Staat waar om de afgifte van dit certificaat wordt verzocht voor produkten waarin produkten uit Algerije, Marokko of de Gemeenschap zijn verwerkt, de verklaring in aanmerking van de exporteur van de Staat waaruit de goederen afkomstig zijn. Deze verklaring, waarvan het model in bijlage VI is opgenomen, moet op de bij die goederen behorende factuur worden gesteld of op een bijlage bij die factuur.
Het betrokken douanekantoor kan de exporteur evenwel om overlegging van het inlichtingenblad verzoeken dat overeenkomstig lid 3 is afgegeven en waarvan het model in bijlage VII is opgenomen, hetzij om de echtheid en de juistheid van de gegevens in de in lid 1 bedoelde verklaring te controleren, hetzij om aanvullende gegevens te verkrijgen.
Het inlichtingenblad betreffende de be- of verwerkte produkten wordt op verzoek van de exporteur van die produkten door het bevoegde douanekantoor van de Staat van uitvoer van deze produkten afgegeven, hetzij in de in lid 2 bedoelde gevallen, hetzij op initiatief van de exporteur. Het inlichtingenblad wordt in twee exemplaren opgemaakt. Een exemplaar wordt aan de aanvrager gegeven die het aan de exporteur van het eindprodukt doet toekomen of aan het douanekantoor waarbij een EUR.1-certificaat voor deze produkten is aangevraagd. Het tweede exemplaar wordt door het kantoor van afgifte gedurende ten minste twee jaar bewaard.
Artikel 24. Geldigheid van het bewijs van oorsprong
Een EUR.1-certificaat is vier maanden geldig vanaf de datum van afgifte in het land van uitvoer. Het moet binnen deze periode worden ingediend bij de douaneautoriteiten van het land van invoer.
EUR.1-certificaten die na het verstrijken van de in lid 1 genoemde termijn bij de douaneautoriteiten van het land van invoer worden ingediend, kunnen met het oog op de toepassing van de preferentiële behandeling worden aanvaard wanneer de verlate indiening het gevolg is van overmacht of buitengewone omstandigheden.
In andere gevallen van verlate indiening kunnen de douaneautoriteiten van de Staat van invoer de EUR.1-certificaten aanvaarden wanneer de produkten vóór het verstrijken van genoemde termijn bij hen zijn aangebracht.
Artikel 25. Overlegging van het bewijs van oorsprong
EUR.1–certificaten worden bij de douaneautoriteiten van het land van invoer ingediend overeenkomstig de aldaar geldende procedures. Bedoelde autoriteiten kunnen een vertaling van dit certificaat verlangen. Zij kunnen voorts eisen dat de aangifte ten invoer vergezeld gaat van een verklaring van de importeur dat de produkten aan de voorwaarden voor de toepassing van de Overeenkomst voldoen.
Artikel 26. Invoer in deelzendingen
Wanneer, op verzoek van de importeur en op de door de douaneautoriteiten van de Staat van invoer vastgestelde voorwaarden, gedemonteerde of niet-gemonteerde produkten in de zin van algemene regel 2 a voor de interpretatie van het geharmoniseerd systeem, vallende onder de hoofdstukken 84 en 85 van het geharmoniseerd systeem, in deelzendingen worden ingevoerd, wordt één enkel bewijs van oorsprong bij de douaneautoriteiten ingediend bij de invoer van de eerste deelzending.
Artikel 27. Factuurverklaring
In afwijking van artikel 17 wordt het bewijs van oorsprong, in de zin van dit Protocol, voor zendingen die uitsluitend produkten van oorsprong bevatten waarvan de waarde niet meer bedraagt dan 5.110 ecu per zending, geleverd door een verklaring, waarvan de tekst in bijlage IV is opgenomen, en die door de exporteur wordt aangebracht op een factuur, een pakbon of elk ander handelsdocument waarin de produkten zo zijn omschreven dat ze geïdentificeerd kunnen worden (hierna „factuurverklaring" genoemd).
De factuurverklaring wordt door de exporteur of, onder diens verantwoordelijkheid, door zijn gemachtigde vertegenwoordiger, overeenkomstig dit Protocol, ingevuld en ondertekend.
Voor elke zending wordt een factuurverklaring opgesteld.
De exporteur die de factuurverklaring heeft opgesteld, is gehouden alle bewijsstukken betreffende het gebruik van die verklaring over te leggen indien de douaneautoriteiten van het land van uitvoer hierom verzoeken.
De artikelen 24 en 25 zijn van overeenkomstige toepassing op de factuurverklaring.
Artikel 28. Vrijstelling van bewijs van de oorsprong
Produkten die in kleine zendingen aan particulieren worden verzonden of die deel uitmaken van de persoonlijke bagage van reizigers worden als produkten van oorsprong toegelaten zonder dat het nodig is een formeel bewijs van oorsprong over te leggen, voor zover aan zulke produkten ieder handelskarakter vreemd is en verklaard wordt dat zij aan de voorwaarden voor de toepassing van dit Protocol voldoen en er over de juistheid van een dergelijke verklaring geen twijfel bestaat. Voor postzendingen kan deze verklaring op het douaneaangifteformulier C2/CP3 of op een daaraan gehecht blad worden gesteld.
Als invoer waaraan ieder handelskarakter vreemd is wordt beschouwd de invoer van incidentele aard van produkten die uitsluitend bestemd zijn voor het persoonlijke gebruik van de geadresseerde, de reiziger of de leden van zijn gezin, voor zover noch de aard noch de hoeveelheid van de produkten op commerciële doeleinden wijzen.
Voorts mag de totale waarde van deze produkten niet meer bedragen dan 500 ecu voor kleine zendingen of 1.200 ecu voor produkten die deel uitmaken van de persoonlijke bagage van reizigers.
Artikel 29. Bewaring van de bewijsstukken inzake de oorsprong en van de andere bewijsstukken
De exporteur die om de afgifte van een EUR.1-certificaat verzoekt, bewaart de in artikel 18, leden 1 en 3, bedoelde bewijsstukken gedurende een periode van ten minste drie jaar.
De exporteur die een factuurverklaring opstelt, bewaart een kopie van deze factuurverklaring en van de in artikel 27, lid 1, bedoelde documenten gedurende een periode van ten minste drie jaar.
De douaneautoriteiten van het land van uitvoer die een EUR.1-certificaat afgeven bewaren het in artikel 18, lid 2, bedoelde aanvraagformulier gedurende een periode van ten minste drie jaar.
De douaneautoriteiten van het land van invoer bewaren de EUR.1-certificaten die bij hen werden ingediend gedurende een periode van ten minste drie jaar.
Artikel 30. Verschillen en vormfouten
Worden geringe verschillen vastgesteld tussen de gegevens op het EUR.1-certificaat of de factuurverklaring en de gegevens op de documenten die, met het oog op het vervullen van de invoerformaliteiten bij invoer, bij het douanekantoor worden ingediend, dan is het EUR.1-certificaat of de factuurverklaring hierdoor niet automatisch ongeldig, indien blijkt dat het document wel degelijk met de aangebrachte produkten overeenstemt.
Kennelijke vormfouten zoals typefouten op het EUR.1-certificaat of in de factuurverklaring maken dit document niet ongeldig indien deze fouten niet van dien aard zijn dat zij twijfel doen rijzen over de juistheid van de daarin vermelde gegevens.
Artikel 31. In ecu uitgedrukte bedragen
Het land van uitvoer stelt de bedragen in zijn nationale valuta vast die gelijk zijn aan de in ecu uitgedrukte bedragen en deelt deze aan de andere overeenkomstsluitende partijen mede. Indien deze bedragen hoger zijn dan de overeenkomstige door het land van invoer vastgestelde bedragen, worden ze door laatstgenoemd land aanvaard indien de produkten gefactureerd zijn in de valuta van het land van uitvoer of van een van de andere in artikel 4 van dit Protocol bedoelde landen.
Indien de produkten gefactureerd zijn in de valuta van een andere Lid-Staat van de Gemeenschap, aanvaardt het land van invoer het door het betrokken land medegedeelde bedrag.
Tot en met 30 april 2000 is de waarde van de in een bepaalde nationale valuta uitgedrukte ecu gelijk aan de waarde van de ecu in die nationale valuta per 1 oktober 1994.
Voor iedere daaropvolgende periode van vijf jaar worden de in ecu uitgedrukte bedragen en hun tegenwaarde in de nationale valuta van de Staten door de Associatieraad herzien aan de hand van de wisselkoers van de ecu op de eerste werkdag in oktober van het onmiddellijk aan die periode van vijf jaar voorafgaande jaar.
Bij deze herziening ziet de Associatieraad erop toe dat de te gebruiken bedragen in nationale valuta niet worden verminderd. Voorts zal deze Raad onderzoeken of het wenselijk is de gevolgen van de betreffende limieten in reële termen te handhaven. Te dien einde kan hij besluiten de in ecu uitgedrukte bedragen te wijzigen.
TITEL V. REGELINGEN VOOR ADMINISTRATIEVE SAMENWERKING
Artikel 32. Toezending van de stempelafdrukken en adressen
De douaneautoriteiten van de Lid-Staten en van Tunesië doen elkaar, via de Commissie van de Europese Gemeenschappen, afdrukken toekomen van de stempels die in hun douanekantoren worden gebruikt bij de afgifte van certificaten EUR.1, alsmede de adressen van de douaneautoriteiten die belast zijn met de afgifte van de certificaten inzake goederenverkeer EUR.1 en de controle van deze certificaten en de factuurverklaringen.
Artikel 33. Controle van de certificaten inzake goederenverkeer EUR.1, de factuurverklaringen en de inlichtingenbladen
De EUR.1-certificaten en de factuurverklaringen worden achteraf door middel van steekproeven gecontroleerd en wanneer de douaneautoriteiten van de Staat van invoer redenen hebben om te twijfelen aan de echtheid van deze documenten, de oorsprong van de betrokken produkten of de naleving van de andere voorwaarden van dit Protocol.
Met het oog op de toepassing van lid 1 zenden de douaneautoriteiten van het land van invoer het EUR.1-certificaat, de factuurverklaring of een kopie van deze documenten, terug aan de douaneautoriteiten van de Staat van uitvoer, onder vermelding van de formele of materiële redenen waarom een onderzoek wordt aangevraagd. Zij verstrekken bij deze aanvraag om een controle achteraf alle documenten en gegevens die het vermoeden hebben doen rijzen dat de gegevens op het EUR.1-certificaat of in de factuurverklaring onjuist zijn.
De controle wordt verricht door de douaneautoriteiten van het land van uitvoer. Te dien einde zijn zij gerechtigd bewijsmateriaal op te vragen en de boeken van de exporteur in te zien en elke andere controle te verrichten die zij dienstig achten.
Indien de douaneautoriteiten van het land van invoer besluiten de preferentiële behandeling niet toe te kennen zolang de uitslag van de controle niet bekend is, stellen zij de importeur voor de produkten vrij te geven onder voorbehoud van de noodzakelijk geachte conservatoire maatregelen.
De douaneautoriteiten die de controle hebben aangevraagd worden zo spoedig mogelijk en uiterlijk binnen tien maanden van de resultaten van de controle in kennis gesteld. In deze mededeling moet duidelijk worden aangegeven of de documenten al dan niet echt zijn, of de betrokken produkten als produkten van oorsprong beschouwd kunnen worden en of aan de andere voorwaarden van dit Protocol is voldaan.
Indien bij gegronde twijfel binnen de termijn van tien maanden geen antwoord is ontvangen of indien het antwoord niet voldoende gegevens bevat om de echtheid van het betrokken document of de werkelijke oorsprong van de produkten vast te stellen, kennen de aanvragende douaneautoriteiten de algemene tariefpreferenties niet toe, behoudens buitengewone omstandigheden.
De controle achteraf van de in artikel 23 bedoelde inlichtingenbladen wordt uitgevoerd in de in lid 1 bedoelde gevallen en volgens de methoden die in de leden 2 tot en met 6 zijn omschreven.
Artikel 34. Regeling van geschillen
Geschillen ten aanzien van de in artikel 33 bedoelde controles die de douaneautoriteiten die de controle hebben aangevraagd en de douaneautoriteiten die met deze controle zijn belast niet onderling kunnen regelen, en problemen in verband met de interpretatie van dit Protocol worden aan het Comité Douanesamenwerking voorgelegd.
In alle gevallen is de wetgeving van de staat van invoer van toepassing op de regeling van geschillen tussen de importeur en de douaneautoriteiten van de Staat van invoer.
Artikel 35. Sancties
Tegen een ieder die een document met onjuiste gegevens opstelt of laat opstellen met het doel produkten onder de preferentiële regeling te doen vallen, worden sancties getroffen.
Artikel 36. Vrije zones
De Lid-Staten van de Gemeenschap en Tunesië nemen alle nodige maatregelen om te voorkomen dat produkten die onder geleide van een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 worden verhandeld en tijdens het vervoer in een op hun grondgebied gelegen vrije zone verblijven, door andere goederen worden vervangen of andere behandelingen ondergaan dan die welke gebruikelijk zijn om ze in goede staat te bewaren.
In afwijking van het bepaalde in lid 1 dienen de bevoegde douaneautoriteiten, wanneer produkten van oorsprong uit de Gemeenschap of uit Tunesië die onder dekking van een EUR.1-certificaat in een vrije zone zijn ingevoerd een be- of verwerking ondergaan, op verzoek van de exporteur een nieuw EUR.1-certificaat af te geven mits deze be- of verwerking met de bepalingen van dit Protocol overeenstemt.
TITEL VI. CEUTA EN MELILLA
Artikel 37. Toepassing van het Protocol
De in dit Protocol gebruikt term „Gemeenschap" heeft geen betrekking op Ceuta en Melilla. Onder „produkten van oorsprong uit de Gemeenschap" worden geen produkten van oorsprong uit deze gebieden verstaan.
Dit Protocol is van overeenkomstige toepassing op produkten van oorsprong uit Ceuta en Melilla, met inachtneming van de in artikel 38 vastgestelde bijzondere voorwaarden.
Artikel 38. Bijzondere voorwaarden
De volgende bepalingen zijn van toepassing in plaats van de artikelen 2, 3 en artikel 4, leden 1 en 2, en de verwijzingen naar deze artikelen zijn van overeenkomstige toepassing op onderhavig artikel.
Mits zij rechtstreeks zijn vervoerd overeenkomstig het bepaalde in artikel 15, worden beschouwd als:
-
- produkten van oorsprong uit Ceuta en Melilla:
- a. geheel en al in Ceuta en Melilla verkregen produkten;
- b. in Ceuta en Melilla verkregen produkten bij de vervaardiging waarvan andere dan de onder a) bedoelde produkten zijn gebruikt, mits:
- i). deze produkten be- of verwerkingen hebben ondergaan die toereikend zijn in de zin van artikel 7 van dit Protocol, of
- ii). deze produkten van oorsprong zijn uit Tunesië of de Gemeenschap in de zin van dit Protocol, of uit Algerije of Marokko indien aan de voorwaarden van artikel 4, leden 3 en 4, is voldaan, mits zij be- of verwerkingen hebben ondergaan die meer omvatten dan de in artikel 8 bedoelde ontoereikende be- of verwerkingen;
-
- produkten van oorsprong uit Tunesië:
- a. geheel en al in Tunesië verkregen produkten;
- b. in Tunesië verkregen produkten waarin andere dan de onder a) bedoelde produkten zijn gebruikt, voor zover:
- i). deze produkten een be- of verwerking hebben ondergaan die toereikend is in de zin van artikel 7 van dit Protocol, of voor zover
- ii). deze produkten van oorsprong zijn uit Ceuta en Melilla of de Gemeenschap in de zin van dit Protocol, of uit Algerije of Marokko indien aan de voorwaarden van artikel 4, leden 3 en 4, is voldaan, mits zij een be- of verwerking hebben ondergaan die meer omvat dan de in artikel 8 omschreven ontoereikende be- of verwerkingen.
Ceuta en Melilla worden als één enkel grondgebied beschouwd.
De exporteur of zijn gemachtigde vertegenwoordiger vermeldt „Tunesië" en „Ceuta en Melilla" in vak 2 van het certificaat inzake goederenverkeer EUR.1. Voor produkten van oorsprong uit Ceuta en Melilla wordt het karakter van oorsprong bovendien vermeld in vak 4 van het EUR.1-certificaat.
De Spaanse douaneautoriteiten zijn belast met de toepassing van dit Protocol in Ceuta en Melilla.
TITEL VII. CEUTA EN MELILLA
Artikel 39. Wijziging van het Protocol
De Associatieraad kan besluiten de toepassing van de bepalingen van dit Protocol te wijzigen op verzoek van een van beide partijen of van het Comité Douanesamenwerking.
Artikel 40. Comité Douanesamenwerking
Er wordt een Comité Douanesamenwerking ingesteld, dat belast is met de tenuitvoerlegging van de administratieve samenwerking met het oog op de correcte en uniforme toepassing van dit Protocol en dat met elke andere taak op douanegebied kan worden belast.
Het Comité is samengesteld uit door de Lid-Staten benoemde douanedeskundigen en met douanezaken belaste ambtenaren van de diensten van de Commissie van de Europese Gemeenschappen enerzijds en met door Tunesië benoemde douanedeskundigen anderzijds.
Artikel 41. Bijlagen
De bijlagen bij dit Protocol zijn een onderdeel van dit Protocol.
Artikel 42. Uitvoering
De Gemeenschap en Tunesië nemen, ieder voor zich, de maatregelen die nodig zijn voor de tenuitvoerlegging van dit Protocol.
Artikel 43. Regelingen met Algerije en Marokko
De partijen bij deze overeenkomst nemen de nodige maatregelen om met Algerije en Marokko regelingen met het oog op de toepassing van dit Protocol te treffen. Zij stellen elkaar van deze maatregelen in kennis.
Artikel 44. Goederen in doorvoer of in opslag
De Overeenkomst kan worden toegepast op goederen die aan de bepalingen van dit Protocol voldoen en die op de datum van inwerkingtreding van de Overeenkomst onderweg zijn of die in de Gemeenschap of in Tunesië of, voor zover de artikelen 3, 4 en 5 van toepassing zijn, in Algerije of Marokko, tijdelijk zijn opgeslagen of zich daar in een douane-entrepot of vrije zone bevinden, mits binnen vier maanden na die datum een EUR.1-certificaat bij de douaneautoriteiten van de Staat van invoer wordt ingediend dat achteraf door de bevoegde instanties van de Staat van uitvoer is opgesteld, tezamen met de documenten waaruit blijkt dat de goederen rechtstreeks zijn vervoerd.
Artikel 1. Definities
Voor de toepassing van dit Protocol wordt verstaan onder:
- a. „douanewetgeving”: alle wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen die op het grondgebied van de overeenkomstsluitende partijen van toepassing zijn betreffende de invoer, de uitvoer en de doorvoer van goederen en de plaatsing van goederen onder een douaneregeling, met inbegrip van de verbods-, beperkings- en controlemaatregelen die deze partijen hebben vastgesteld;
- b. „verzoekende autoriteit”: een bevoegde administratieve autoriteit die door een overeenkomstsluitende partij is aangewezen om verzoeken om administratieve bijstand in douanezaken in te dienen;
- c. „aangezochte autoriteit”: een bevoegde administratieve autoriteit die door een overeenkomstsluitende partij is aangewezen om verzoeken om administratieve bijstand in douanezaken te ontvangen;
- d. „persoonsgebonden gegevens”: alle inlichtingen over een bepaalde of te bepalen natuurlijke persoon.
Artikel 2. Werkingssfeer
De overeenkomstsluitende partijen verlenen elkaar binnen hun bevoegdheden bijstand, op de wijze en onder de voorwaarden die in dit Protocol zijn vastgesteld, met het oog op de preventie, de opsporing en de vaststelling van overtredingen van de douanewetgeving.
De bijstand in douanezaken waarin dit Protocol voorziet, geldt voor elke administratieve autoriteit van de overeenkomstsluitende partijen die bevoegd is dit Protocol toe te passen. Deze bijstand doet geen afbreuk aan de regels betreffende de wederzijdse bijstand in strafzaken en geldt evenmin voor informatie verkregen krachtens bevoegdheden die op verzoek van de rechterlijke autoriteiten worden uitgeoefend, tenzij deze autoriteiten hiermee instemmen.
Artikel 3. Bijstand op verzoek
Op aanvraag van de verzoekende autoriteit verschaft de aangezochte autoriteit eerstgenoemde alle ter zake dienende informatie die deze nodig heeft voor de correcte toepassing van de douanewetgeving, met inbegrip van informatie betreffende vastgestelde of voorgenomen transacties die met deze wetgeving in strijd zijn of kunnen zijn.
Op aanvraag van de verzoekende autoriteit deelt de aangezochte autoriteit haar mede of goederen die uit het grondgebied van een overeenkomstsluitende partij zijn uitgevoerd, op regelmatige wijze op het grondgebied van de andere partij zijn ingevoerd, onder vermelding, in voorkomend geval, van de douaneregeling waaronder deze goederen zijn geplaatst.
Op aanvraag van de verzoekende autoriteit zorgt de aangezochte autoriteit er, binnen de grenzen van haar wetgeving, voor dat een bijzonder toezicht wordt uitgeoefend op:
- a. natuurlijke personen of rechtspersonen van wie redelijkerwijze kan worden vermoed dat zij de douanewetgeving overtreden of overtreden hebben;
- b. plaatsen waar goederen op zodanige wijze zijn opgeslagen dat redelijkerwijze vermoed kan worden dat ze bedoeld zijn te worden gebruikt bij transacties die met de wetgeving van de andere overeenkomstsluitende partijen in strijd zijn;
- c. goederenbewegingen waarover bericht wordt dat zij aanleiding kunnen geven tot overtredingen van de douanewetgeving;
- d. vervoermiddelen waarvan redelijkerwijze vermoed kan worden dat zij bij overtredingen van de douanewetgeving worden of werden gebruikt of gebruikt zouden kunnen worden.
Artikel 4. Bijstand op eigen initiatief
De overeenkomstsluitende partijen verlenen elkaar bijstand, in overeenstemming met hun wetten, voorschriften en andere rechtsinstrumenten, indien zij zulks noodzakelijk achten voor de juiste toepassing van de douanewetgeving, in het bijzonder indien zij informatie verkrijgen over:
- –. transacties die met deze wetgeving in strijd zijn of lijken te zijn en die van belang kunnen zijn voor andere overeenkomstsluitende partijen;
- –. nieuwe middelen of methoden die bij dergelijke transacties worden gebruikt;
- –. goederen waarvan bekend is dat zij het voorwerp vormen van overtredingen van de douanewetgeving;
- –. natuurlijke of fysieke personen waarvan redelijkerwijze vermoed kan worden dat zij in strijd met de douanewetgeving handelen of hebben gehandeld;
- –. vervoermiddelen waarvan redelijkerwijze vermoed kan worden dat zij bij overtredingen van de douanewetgeving worden of werden gebruikt of gebruikt zouden kunnen worden.
Artikel 5. Toezending van documenten/Kennisgeving van besluiten
Op aanvraag van de verzoekende autoriteit neemt de aangezochte autoriteit, overeenkomstig haar wetgeving, de nodige maatregelen voor:
- –. de toezending van documenten,
- –. de kennisgeving van besluiten,
waarop het bepaalde in dit Protocol van toepassing is, aan een geadresseerde die op haar grondgebied verblijft of gevestigd is. In dergelijk geval is artikel 6, lid 3, van toepassing.
Artikel 6. Vorm en inhoud van verzoeken om bijstand
Verzoeken in het kader van dit Protocol worden schriftelijk gedaan en gaan vergezeld van de bescheiden die voor de behandeling ervan noodzakelijk zijn. In spoedeisende gevallen kunnen mondelinge verzoeken worden aanvaard, mits zij onmiddellijk schriftelijk worden bevestigd.
De overeenkomstig lid 1 ingediende verzoeken bevatten de hierna volgende gegevens:
- a. de naam van de verzoekende autoriteit,
- b. de gevraagde maatregel,
- c. het voorwerp en de reden van het verzoek,
- d. de relevante wetten, voorschriften en andere rechtselementen;
- e. zo nauwkeurig en volledig mogelijke informatie betreffende de natuurlijke personen of rechtspersonen waarop het onderzoek betrekking heeft,
- f. een overzicht van de relevante feiten en van het reeds uitgevoerde onderzoek, behalve in de in artikel 5 bedoelde gevallen.
De verzoeken worden ingediend in een officiële taal van de aangezochte autoriteit of in een voor deze aanvaardbare taal.
Indien een verzoek niet in de juiste vorm wordt gedaan, kan om correctie of aanvulling worden verzocht. Er kunnen echter reeds voorzorgsmaatregelen worden genomen.
Artikel 7. Behandeling van verzoeken
De aangezochte autoriteit behandelt verzoeken om bijstand, binnen de grenzen van haar bevoegdheden en met de middelen waarover zij beschikt, alsof zij voor eigen rekening of in opdracht van een andere autoriteit van dezelfde overeenkomstsluitende partij handelde, door reeds beschikbare informatie te verstrekken en het nodige onderzoek te verrichten of te doen verrichten. Deze bepaling is eveneens van toepassing op de administratieve dienst waaraan de verzoekende autoriteit haar aanvraag heeft gericht indien deze niet zelfstandig kan handelen.
Verzoeken om bijstand worden behandeld overeenkomstig de wetten, voorschriften en andere rechtsinstrumenten van de aangezochte overeenkomstsluitende partij.
Daartoe gemachtigde ambtenaren van een overeenkomstsluitende partij kunnen, met instemming van de andere betrokken overeenkomstsluitende partij en op de door deze gestelde voorwaarden, in de kantoren van de aangezochte autoriteit of van een andere autoriteit die onder de aangezochte autoriteit ressorteert, informatie verkrijgen over transacties die met de douanewetgeving in strijd zijn of kunnen zijn die de verzoekende autoriteit nodig heeft ter uitvoering van het bepaalde in dit Protocol.
Ambtenaren van een overeenkomstsluitende partij kunnen, met de toestemming van de andere betrokken overeenkomstsluitende partij en op de door deze gestelde voorwaarden, aanwezig zijn bij onderzoek dat op het grondgebied van de laatstgenoemde wordt verricht.
Artikel 8. Vorm waarin de informatie dient te worden verstrekt
De aangezochte autoriteit deelt de uitslag van het onderzoek aan de verzoekende autoriteit mede in de vorm van bescheiden, voor echt gewaarmerkte afschriften van bescheiden, rapporten en dergelijke.
De in lid 1 bedoelde bescheiden kunnen worden vervangen door informatie die, in welke vorm dan ook, met behulp van systemen voor automatische gegevensverwerking voor hetzelfde doel wordt verstrekt.
Artikel 9. Gevallen waarin geen bijstand behoeft te worden verleend
De partijen kunnen de in dit Protocol bedoelde bijstand weigeren wanneer het verlenen ervan:
- a. de soevereiniteit van Tunesië of van een Lid-Staat van de Gemeenschap waaraan op grond van dit Protocol om bijstand wordt gevraagd zou kunnen schenden; of
- b. de openbare orde, de openbare veiligheid of andere essentiële belangen in gevaar zou kunnen brengen, of
- c. de toepassing inhoudt andere voorschriften dan de douanewetgeving, of
- d. de schending inhoudt van een industrieel geheim, een handelsgeheim of een beroepsgeheim.
Wanneer de verzoekende autoriteit om een vorm van bijstand verzoekt die zij desgevraagd zelf niet zou kunnen verlenen, vermeldt zij dit in haar verzoek. De aangezochte autoriteit bepaalt zelf hoe zij op een dergelijk verzoek reageert.
Indien bijstand wordt geweigerd, dienen het daartoe strekkende besluit en de redenen die daaraan ten grondslag liggen terstond aan de verzoekende autoriteit te worden medegedeeld.
Artikel 10. Geheimhoudingsplicht
Alle informatie die ter uitvoering van dit Protocol wordt verstrekt heeft een vertrouwelijk karakter. Zij valt onder het beroepsgeheim en wordt beschermd volgens het recht van de overeenkomstsluitende partij die ze heeft ontvangen en volgens het recht waaraan de autoriteiten van de Gemeenschap onderworpen zijn.
Persoonsgebonden gegevens kunnen uitsluitend worden doorgegeven indien de wetgeving van de overeenkomstsluitende partijen deze op gelijkwaardige wijze beschermt. Het rechtsbeschermingsniveau van de overeenkomstsluitende partijen omvat ten minste de in de bijlage bij dit Protocol omschreven beginselen.
Artikel 11. Gebruik van informatie
De verkregen informatie, met inbegrip van de persoonsgebonden gegevens, mag uitsluitend worden gebruikt voor de toepassing van het bepaalde in dit Protocol. Het gebruik van deze informatie door een overeenkomstsluitende partij voor andere doeleinden is afhankelijk van de voorafgaande schriftelijke toestemming van de administratieve autoriteit die ze heeft verstrekt, waarbij de door deze autoriteit vastgestelde beperkingen in acht moeten worden genomen. Deze bepalingen zijn niet van toepassing wanneer de voor de toepassing van dit Protocol verkregen informatie ook kan worden gebruikt voor de bestrijding van de illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen. Dergelijke informatie mag worden doorgegeven aan andere autoriteiten die rechtstreeks bij de bestrijding van de illegale handel in verdovende middelen betrokken zijn, binnen de grenzen van artikel 2.
Lid 1 vormt geen beletsel voor het gebruik van informatie in gerechtelijke of administratieve procedures die achteraf worden ingesteld wegens niet-naleving van de douanewetgeving. De bevoegde autoriteit die deze informatie heeft verstrekt wordt van een dergelijke gebruik onmiddellijk in kennis gesteld.
De overeenkomstsluitende partijen kunnen de overeenkomstig het bepaalde in dit Protocol verkregen informatie en geraadpleegde bescheiden in hun rapporten, getuigenissen en gerechtelijke procedures als bewijsmateriaal gebruiken.
Artikel 12. Deskundigen en getuigen
Een onder een aangezochte autoriteit ressorterende ambtenaar kan worden gemachtigd, binnen de perken van de hem verleende machtiging, in het rechtsgebied van een andere overeenkomstsluitende partij als getuige of deskundige op te treden in gerechtelijke of administratieve procedures die betrekking hebben op onderwerpen waarop dit Protocol van toepassing is en daarbij de voor het gerechtelijk onderzoek noodzakelijke voorwerpen, bescheiden of voor echt gewaarmerkte afschriften van bescheiden voor te leggen. In de convocatie dient uitdrukkelijk te worden vermeld over welk onderwerp, op welke grond en in welke hoedanigheid de ambtenaar zal worden ondervraagd.
De gemachtigde ambtenaar geniet op het grondgebied van de verzoekende autoriteit dezelfde rechtsbescherming als de eigen ambtenaren van die autoriteit.
Artikel 13. Kosten van de bijstand
De partijen brengen elkaar geen kosten in rekening voor uitgaven die ter uitvoering van het bepaalde in dit Protocol zijn gemaakt, met uitzondering, in voorkomend geval, van de uitgaven voor deskundigen, getuigen, tolken en vertalers die niet in overheidsdienst zijn.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)