Verdrag tussen de Regering van Canada, de Regeringen van de Lidstaten van het Europees Ruimte-Agentschap, de Regering van Japan, de Regering van de Russische Federatie en de Regering van de Verenigde Staten van Amerika inzake samenwerking op het gebied van het civiele internationale ruimtestation

Type Verdrag
Publication 2005-06-28
Laatst bijgewerkt 1998-01-29
State In force
Source BWB
artikelen 28
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

De Regering van Canada (hierna ook te noemen „Canada”),

De Regering van het Koninkrijk België, van het Koninkrijk Denemarken, van de Franse Republiek, van de Bondsrepubliek Duitsland, van de Italiaanse Republiek, van het Koninkrijk der Nederlanden, van het Koninkrijk Noorwegen, van het Koninkrijk Spanje, van het Koninkrijk Zweden, van de Zwitserse Bondsstaat en van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, zijnde Regeringen van lidstaten van het Europees Ruimte-Agentschap (hierna gezamenlijk aangeduid als „de Europese Regeringen” of „de Europese Deelnemer”),

De Regering van Japan (hierna ook te noemen „Japan”),

De Regering van de Russische Federatie (hierna ook te noemen „Rusland”), en

De Regering van de Verenigde Staten van Amerika (hierna te noemen „de Regering van de Verenigde Staten” of „de Verenigde Staten”),

In herinnering brengend dat de President van de Verenigde Staten in januari 1984 de Nationale Dienst voor Lucht- en Ruimtevaart („NASA”) heeft opgedragen een permanent bemand ruimtestation te ontwikkelen en in een omloopbaan te brengen, en vrienden en bondgenoten van de Verenigde Staten heeft uitgenodigd deel te nemen aan de ontwikkeling en het gebruik daarvan en te delen in de daaruit voortvloeiende voordelen,

Herinnerend aan de aanvaarding van deze uitnodiging door de Eerste Minister van Canada tijdens de topontmoeting met de President van de Verenigde Staten in maart 1985 te Quebec en aan de wederzijdse bevestiging van de belangstelling voor samenwerking tijdens de topontmoeting in maart 1986 te Washington D.C.,

Herinnerend aan de inhoud van de desbetreffende Resoluties die op 31 januari 1985 en op 20 oktober 1995 werden aangenomen door de Raad, op ministerieel niveau bijeen, van het Europees Ruimte-Agentschap („ESA”), en aan het feit dat in het kader van het ESA en in overeenstemming met het doel zoals omschreven in artikel II van het Verdrag tot oprichting van het ESA, het Columbusprogramma en de Europese deelneming aan het programma ter ontwikkeling van het internationale ruimtestation zijn opgezet met het oog op de daadwerkelijke ontwikkeling van elementen van het civiele internationale ruimtestation,

Herinnerend aan de belangstelling van Japan voor het ruimtestationprogramma, tot uitdrukking gebracht tijdens de bezoeken van de „Administrator” van de NASA aan Japan in 1984 en 1985 en de deelneming van Japan aan het ruimteprogramma van de Verenigde Staten in de vorm van de eerste test inzake materiaalverwerking (First Materials Processing Test),

Herinnerend aan de deelneming van het ESA en Canada aan het Amerikaanse ruimtetransportsysteem in de vorm van de ontwikkeling door Europa van het eerste bemande ruimtelaboratorium, Spacelab, en de ontwikkeling door Canada van het tele-manipulatorsysteem (Remote Manipulator System),

Herinnerend aan het partnerschap dat is gevormd als gevolg van de Overeenkomst tussen de Regering van de Verenigde Staten van Amerika, de Regeringen van de lidstaten van het Europees Ruimte-Agentschap, de Regering van Japan en de Regering van Canada inzake samenwerking op het gebied van het gedetailleerde ontwerp, de ontwikkeling, de exploitatie en het gebruik van het permanent bemande civiele ruimtestation (hierna te noemen „de Overeenkomst van 1988”), ondertekend te Washington op 29 september 1988, en de bijbehorende Memoranda van Overeenstemming tussen de NASA en het Canadese ministerie van Wetenschap en Technologie („MOSST”), de NASA en het ESA, en de NASA en de Regering van Japan,

Erkennend dat de Overeenkomst van 1988 op 30 januari 1992 tussen de Verenigde Staten en Japan in werking is getreden,

Herinnerend aan het feit dat de NASA, het ESA, de Regering van Japan en het MOSST gezamenlijk activiteiten hebben ontplooid teneinde het partnerschap inzake het ruimtestationprogramma tot stand te brengen in overeenstemming met de Overeenkomst van 1988 en de bijbehorende Memoranda van Overeenstemming, en erkennend dat het Canadese Ruimte-Agentschap („CSA”) na de instelling daarvan op 1 maart 1989 de verantwoordelijkheid voor de uitvoering van het Canadese ruimtestationprogramma van het MOSST heeft overgenomen,

Ervan overtuigd dat, vanwege de unieke ervaring en prestaties van de Russische Federatie op het gebied van bemande vluchten en langdurige missies in de ruimte met inbegrip van de succesrijke langdurige exploitatie van het Russische Mirruimtestation, haar deelneming aan het partnerschap in belangrijke mate bijdraagt tot vergroting van de mogelijkheden van het ruimtestation in het voordeel van alle Deelnemers,

Herinnerend aan de uitnodiging op 6 december 1993 van de Regering van Canada, de Europese Regeringen, de Regering van Japan en de Regering van de Verenigde Staten aan de Regering van de Russische Federatie om Deelnemer te worden bij het gedetailleerde ontwerp, de ontwikkeling, de exploitatie en het gebruik van het ruimtestation binnen het kader geschapen door de Overeenkomsten inzake het ruimtestation, en het positieve antwoord van de Regering van de Russische Federatie op 17 december 1993 op deze uitnodiging,

Herinnerend aan de regelingen getroffen tussen het Hoofd van de Regering van de Russische Federatie en de Vice-president van de Verenigde Staten ter bevordering van de samenwerking bij belangrijke activiteiten op het gebied van bemande ruimtevluchten met inbegrip van het Russisch-Amerikaanse Mir-Shuttleprogramma, ter voorbereiding van de bouw van het internationale ruimtestation,

Herinnerend aan het Verdrag inzake de beginselen waaraan de activiteiten van Staten zijn onderworpen bij het onderzoek en gebruik van de kosmische ruimte met inbegrip van de maan en andere hemellichamen (hierna te noemen „het Ruimteverdrag”), dat in werking is getreden op 10 oktober 1967,

Herinnerend aan de Overeenkomst inzake de redding van ruimtevaarders, de terugkeer van ruimtevaarders en de teruggave van de in de kosmische ruimte gebrachte voorwerpen (hierna te noemen „de Astronautenovereenkomst”), die in werking is getreden op 3 december 1968,

Herinnerend aan de Overeenkomst inzake de internationale aansprakelijkheid voor schade veroorzaakt door ruimtevoorwerpen (hierna te noemen „de Aansprakelijkheidsovereenkomst”) die in werking is getreden op 1 september 1972,

Herinnerend aan de Overeenkomst inzake de registratie van in de kosmische ruimte gebrachte voorwerpen (hierna te noemen „de Registratieovereenkomst”), die in werking is getreden op 15 september 1976,

Ervan overtuigd dat de samenwerking in het kader van het civiele internationale ruimtestation zal leiden tot een ruimere mate van samenwerking door de totstandkoming van duurzame en tot wederzijds voordeel strekkende betrekkingen en tevens de samenwerking op het gebied van de exploratie en het vreedzaam gebruik van de kosmische ruimte zal bevorderen,

Erkennend dat de NASA en het CSA, de NASA en het ESA, de NASA en de Regering van Japan en de NASA en het Russische Ruimte-agentschap, hierna te noemen het RSA, in samenhang met de onderhandelingen van hun Regeringen over dit Verdrag, Memoranda van Overeenstemming (hierna te noemen „de Memoranda van Overeenstemming”) hebben opgesteld, en dat de Memoranda van Overeenstemming gedetailleerde bepalingen zullen bevatten ter uitvoering van dit Verdrag,

Erkennend, in het licht van het voorafgaande, dat het wenselijk is tussen de Regering van Canada, de Europese Regeringen, de Regering van Japan, de Regering van de Russische Federatie en de Regering van de Verenigde Staten een kader tot stand te brengen voor het ontwerp, de ontwikkeling, de exploitatie en het gebruik van het ruimtestation,

Zijn als volgt overeengekomen:

Inwerkingtreding voorheen door Trb. 2002/29 gesteld op 27 maart 2001.

Inwerkingtreding voorheen door Trb. 2002/29 gesteld op 27 maart 2001.

Artikel 1. Doel en werkingssfeer

1.

Het doel van dit Verdrag is de totstandkoming van een duurzaam internationaal samenwerkingsverband tussen de Deelnemers, als ware partners, met het oog op het gedetailleerde ontwerp, de ontwikkeling, de exploitatie en het gebruik van een permanent bewoond civiel internationaal ruimtestation voor vreedzame doeleinden, in overeenstemming met het internationale recht. Dit civiele internationale ruimtestation zal het wetenschappelijk, technologisch en commercieel gebruik van de kosmische ruimte doen toenemen. Dit Verdrag omschrijft met name het civiele internationale ruimtestationprogramma en de aard van de samenwerking, met inbegrip van de respectieve rechten en verplichtingen van de Deelnemers. Dit Verdrag voorziet voorts in procedures en regelingen die moeten waarborgen dat haar doel wordt verwezenlijkt.

2.

De Deelnemers bundelen hun krachten, waarbij de Verenigde Staten een leidende rol hebben op het gebied van het algehele management, en de coördinatie teneinde een geïntegreerd internationaal ruimtestation tot stand te brengen. De Verenigde Staten en Rusland produceren elementen die als basis dienen voor het internationale ruimtestation en putten daarbij uit hun uitgebreide ervaring op het gebied van bemande ruimtevluchten. De Europese Deelnemer en Japan produceren elementen die de mogelijkheden van het ruimtestation in belangrijke mate vergroten. De bijdrage van Canada zal een essentieel deel van het ruimtestation zijn. De door de Deelnemers te leveren elementen die het internationale ruimtestation zullen vormen, zijn genoemd in de Bijlage bij dit Verdrag.

3.

Het permanent bewoonde civiele internationale ruimtestation (hierna te noemen „het ruimtestation") is bestemd voor vele doeleinden, zal in een lage omloopbaan om de aarde worden gebracht en zal uit door alle Deelnemers te leveren vluchtelementen en uit uitsluitend voor het ruimtestation bestemde grondelementen bestaan. Door het leveren van vluchtelementen voor het ruimtestation verwerft iedere Deelnemer bepaalde rechten om het ruimtestation te gebruiken en neemt hij deel aan het management daarvan in overeenstemming met dit Verdrag, de Memoranda van Overeenstemming en de uitvoeringsregelingen.

4.

Het ruimtestation is bedoeld als voorziening geschikt voor verdere ontwikkeling. De rechten en verplichtingen van de Deelnemende Staten met betrekking tot de verdere ontwikkeling zijn onderworpen aan de bepalingen ter zake overeenkomstig artikel 14.

Artikel 2. Internationale rechten en verplichtingen

1.

Het ruimtestation wordt ontwikkeld, beheerd en gebruikt in overeenstemming met het internationale recht, met inbegrip van het Ruimteverdrag, de Astronautenovereenkomst, de Aansprakelijkheidsovereenkomst en de Registratieovereenkomst.

2.

Niets in dit Verdrag mag zo worden uitgelegd dat

Artikel 3. Begripsomschrijvingen

Voor de toepassing van dit Verdrag wordt verstaan onder:

Artikel 4. Samenwerkende Organen

1.

De Deelnemers komen overeen dat het Canadese Ruimte-Agentschap (hierna te noemen „CSA") voor de Regering van Canada, het Europees Ruimte-Agentschap (hierna te noemen „ESA") voor de Europese Regeringen, het Russische Ruimte-Agentschap (hierna te noemen „RSA") voor Rusland en de Nationale Dienst voor Lucht- en Ruimtevaart (hierna te noemen „NASA") voor de Verenigde Staten de Samenwerkende Organen zullen zijn die zijn belast met de uitvoering van de samenwerking aangaande het ruimtestation. De aanwijzing door de Regering van Japan van het Samenwerkende Orgaan dat de samenwerking aangaande het ruimtestation zal uitvoeren, zal geschieden in het in het tweede lid van dit artikel vermelde Memorandum van Overeenstemming tussen de NASA en de Regering van Japan.

2.

De Samenwerkende Organen voeren de samenwerking aangaande het ruimtestation uit overeenkomstig de desbetreffende bepalingen van dit Verdrag, de respectieve Memoranda van Overeenstemming tussen de NASA en het CSA, de NASA en het ESA, de NASA en de Regering van Japan en de NASA en het RSA betreffende de samenwerking aangaande het civiele internationale ruimtestation, en regelingen tussen de NASA en enkele der andere of alle andere Samenwerkende Organen of hun vertegenwoordigers ter uitvoering van de Memoranda van Overeenstemming (hierna te noemen „uitvoeringsregelingen"). De Memoranda van Overeenstemming zijn onderworpen aan dit Verdrag en alle uitvoeringsregelingen dienen verenigbaar en in overeenstemming te zijn met de Memoranda van Overeenstemming.

3.

Indien een bepaling van een Memorandum van Overeenstemming rechten of verplichtingen schept die zijn aanvaard door een Samenwerkend Orgaan (of, in het geval van Japan, de Regering van Japan) dat geen partij is bij het desbetreffende Memorandum van Overeenstemming, mag deze bepaling niet worden gewijzigd zonder de schriftelijke toestemming van het betrokken Samenwerkend Orgaan (of, in het geval van Japan, de Regering van Japan).

Artikel 5. Registratie; rechtsmacht en zeggenschap

1.

Elke Deelnemer registreert de in de Bijlage genoemde vluchtelementen die hij levert als ruimtevoorwerp overeenkomstig artikel II van de Registratieovereenkomst. De Europese Deelnemer heeft deze verantwoordelijkheid overgedragen aan het ESA, dat voor en namens hem optreedt.

2.

Krachtens artikel VIII van het Ruimteverdrag en artikel II van de Registratieovereenkomst behoudt elke Deelnemer rechtsmacht en zeggenschap over de elementen die hij registreert overeenkomstig het eerste lid van dit artikel, alsmede over de personeelsleden in of op het ruimtestation die zijn onderdanen zijn. De uitoefening van bedoelde rechtsmacht en zeggenschap is onderworpen aan alle ter zake dienende bepalingen van dit Verdrag, de Memoranda van Overeenstemming en de uitvoeringsregelingen, met inbegrip van de desbetreffende procedures die daarin zijn vastgelegd.

Artikel 6. Eigendom van de elementen en het materieel

1.

Via hun respectieve Samenwerkende Organen zijn Canada, de Europese Deelnemer, Rusland en de Verenigde Staten, onderscheidenlijk een lichaam dat door Japan zal worden aangewezen op het tijdstip van nederlegging van zijn akte overeenkomstig artikel 25, tweede lid, van dit Verdrag, eigenaar van de in de Bijlage genoemde elementen die zij leveren, voor zover in dit Verdrag niet anders is bepaald. De Deelnemers doen elkander via hun Samenwerkende Organen kennisgevingen toekomen met betrekking tot de eigendom van enigerlei materieel in of op het ruimtestation.

2.

De Europese Deelnemer draagt aan het ESA, dat voor en namens hem optreedt, de eigendom over van de elementen die hij levert, alsmede de eigendom van enigerlei ander materieel dat wordt ontwikkeld en gefinancierd in het kader van een ESA-programma als bijdrage aan het ruimtestation, de exploitatie of het gebruik daarvan.

3.

De overdracht van de eigendom van de in de Bijlage genoemde elementen of van materieel in of op het ruimtestation laat de rechten en verplichtingen van de Deelnemers uit hoofde van dit Verdrag, de Memoranda van Overeenstemming of de uitvoeringsregelingen onverlet.

4.

Een niet-Deelnemer of een privaatrechtelijke rechtspersoon die onder de rechtsmacht valt van een niet-Deelnemer, kan niet de eigenaar zijn van materieel in of op het ruimtestation, noch kan aan deze de eigendom van de in de Bijlage genoemde elementen worden overgedragen zonder de voorafgaande instemming van de andere Deelnemers. Voor de eigendomsoverdracht van een in de Bijlage genoemd element is de voorafgaande kennisgeving aan de andere Deelnemers vereist.

5.

De aanwezigheid van enig door een gebruiker geleverd materieel of materiaal in of op het ruimtestation heeft als zodanig geen gevolgen voor de eigendom van het betrokken materieel of materiaal.

6.

De eigendom of registratie van de elementen of de eigendom van het materieel kan op geen enkele wijze dienen ter vaststelling van de eigendom van materiaal of gegevens die worden verkregen als gevolg van activiteiten in of op het ruimtestation.

7.

De uitoefening van eigendomsrechten ter zake van elementen en materieel is onderworpen aan alle ter zake dienende bepalingen van dit Verdrag, de Memoranda van Overeenstemming en de uitvoeringsregelingen, met inbegrip van de desbetreffende procedures die daarin zijn vastgelegd.

Artikel 7. Management

1.

Het management van het ruimtestation geschiedt op multilaterale basis en de Deelnemers, die optreden via hun Samenwerkende Organen, nemen deel in en kwijten zich van verantwoordelijkheden met betrekking tot de managementlichamen opgericht in overeenstemming met de hieronder vermelde Memoranda van Overeenstemming en de uitvoeringsregelingen. Deze management-lichamen plannen en coördineren de activiteiten die betrekking hebben op het ontwerp en de ontwikkeling van het ruimtestation en het veilige, efficiënte en doelmatige beheer en het overeenkomstige feitelijke gebruik hiervan, in overeenstemming met dit Verdrag en de Memoranda van Overeenstemming. In deze managementlichamen wordt gestreefd naar besluitvorming bij consensus. Indien geen consensus kan worden bereikt, wordt teruggevallen op de besluitvormingsprocedures zoals vastgelegd in de Memoranda van Overeenstemming. De met de besluitvorming samenhangende verantwoordelijkheden die de Deelnemers en hun Samenwerkende Organen hebben met betrekking tot de elementen die zij leveren, worden aangegeven in dit Verdrag en in de Memoranda van Overeenstemming.

2.

De Verenigde Staten, vertegenwoordigd door de NASA, zijn, in overeenstemming met de Memoranda van Overeenstemming en de uitvoeringsregelingen, verantwoordelijk voor het management van hun eigen programma, met inbegrip van de activiteiten met betrekking tot het gebruik. De Verenigde Staten, vertegenwoordigd door de NASA, zijn, in overeenstemming met de Memoranda van Overeenstemming en de uitvoeringsregelingen, eveneens verantwoordelijk voor: het algehele programmamanagement en de programmacoördinatie van het ruimtestation, tenzij in dit artikel of in de Memoranda van Overeenstemming anders wordt bepaald, voor de algehele constructie en integratie van het systeem, voor de ontwikkeling van gedetailleerde veiligheidsvoorschriften en -plannen, alsmede voor de algehele planning en coördinatie van de uitvoering van het algehele geïntegreerde beheer van het ruimtestation.

3.

Canada, de Europese Deelnemer, Japan en Rusland, vertegenwoordigd door hun Samenwerkende Organen, zijn, in overeenstemming met de Memoranda van Overeenstemming en de uitvoeringsregelingen, elk verantwoordelijk voor: het management van hun eigen programma's, met inbegrip van hun activiteiten met betrekking tot het gebruik, voor de basisconstructie en de integratie van de elementen die zij leveren – de opstelling en implementatie van gedetailleerde veiligheidseisen en plannen voor de elementen die zij leveren – en, overeenkomstig het tweede lid, de ondersteuning van de VS bij de uitvoering van zijn algemene verantwoordelijkheden, met inbegrip van participatie in de planning en coördinatie van de uitvoering van het geïntegreerde beheer van het ruimtestation.

4.

Voor zover een aangelegenheid uitsluitend het ontwerp en de ontwikkeling betreft van elementen van een ruimtestation die worden geleverd door Canada, de Europese Deelnemer, Japan of Rusland, en deze aangelegenheid niet wordt geregeld in de in de Memoranda van Overeenstemming bedoelde gezamenlijk overeengekomen programmabescheiden, kan de betrokken Deelnemer, vertegenwoordigd door zijn Samenwerkend Orgaan, zelf beslissen ten aanzien van dat element.

Artikel 8. Gedetailleerd ontwerp en ontwikkeling

Elke Deelnemer, vertegenwoordigd door zijn Samenwerkend Orgaan, ontwerpt en ontwikkelt de elementen die hij levert, met inbegrip van de uitsluitend voor het ruimtestation bestemde grondelementen die geschikt zijn om het ononderbroken beheer en het feitelijk internationaal gebruik van de vluchtelementen te ondersteunen, in overeenstemming met artikel 7 en andere ter zake dienende bepalingen van dit Verdrag, en in overeenstemming met de Memoranda van Overeenstemming en de uitvoeringsregelingen, en hij werkt samen met de andere Deelnemers, vertegenwoordigd door hun Samenwerkende Organen, teneinde tot oplossingen te komen met betrekking tot het ontwerp en de ontwikkeling van hun respectieve elementen.

Artikel 9. Gebruik

1.

Gebruiksrechten worden afgeleid van de levering door een Deelnemer van gebruikselementen, van infrastructurele elementen, of van beide. Elke Deelnemer die gebruikselementen voor het ruimtestation levert, behoudt het gebruik van deze elementen, voor zover niet anders is bepaald in dit lid. Deelnemers die hulpmiddelen – die verband houden met hun infrastructurele elementen voor het ruimtestation – leveren voor de exploitatie en het gebruik van het ruimtestation, ontvangen in ruil een vast aandeel in het gebruik van bepaalde gebruikselementen. De specifieke beschikbaarstelling door de Deelnemers van gebruikselementen voor het ruimtestation en van hulpmiddelen die verband houden met de infrastructuur van het ruimtestation worden in de Memoranda van Overeenstemming en de uitvoeringsregelingen omschreven.

2.

De Deelnemers hebben het recht een willekeurig gedeelte van hun respectieve aandeel te ruilen of te verkopen. De ruil- of verkoopsvoorwaarden worden per geval door de partijen bij de transactie vastgesteld.

3.

Elke Deelnemer kan zijn aandeel gebruiken en gebruikers daarvoor kiezen voor alle doeleinden die stroken met het doel van dit Verdrag en de bepalingen van de Memoranda van Overeenstemming en de uitvoeringsregelingen, met dien verstande:

4.

Bij het gebruik van het ruimtestation tracht elke Deelnemer, via zijn Samenwerkend Orgaan, door middel van de in de Memoranda van Overeenstemming vastgelegde procedures te vermijden dat ernstige nadelige gevolgen ontstaan voor het gebruik van het ruimtestation door de andere Deelnemers.

5.

Elke Deelnemer ziet erop toe dat de andere Deelnemers toegang hebben tot en gebruik kunnen maken van zijn elementen van het ruimtestation in overeenstemming met hun respectieve aandeel.

6.

Voor de toepassing van dit artikel wordt onder „niet-Deelnemer" niet verstaan een lidstaat van het ESA.

Artikel 10. Exploitatie

De Deelnemers, vertegenwoordigd door hun Samenwerkende Organen, hebben verantwoordelijkheden met betrekking tot de exploitatie van de elementen die zij respectievelijk leveren, in overeenstemming met artikel 7 en andere ter zake dienende bepalingen van dit Verdrag, en in overeenstemming met de Memoranda van Overeenstemming en de uitvoeringsregelingen. De Deelnemers, vertegenwoordigd door hun Samenwerkende Organen, ontwikkelen procedures en voeren deze uit, opdat het ruimtestation wordt geëxploiteerd op een wijze die veilig, efficiënt en doelmatig is voor gebruikers en exploitanten van het ruimtestation, in overeenstemming met de Memoranda van Overeenstemming en de uitvoeringsregelingen. Voorts is elke Deelnemer, vertegenwoordigd door zijn Samenwerkend Orgaan, belast met de instandhouding van de werking van de elementen die hij levert.

Artikel 11. Bemanning

1.

Elke Deelnemer kan ter zake kundig personeel leveren dat op basis van een billijke verdeling deel zal uitmaken van de bemanning van het ruimtestation. De selectie en de beslissingen met betrekking tot de toewijzing van vluchten aan bemanningsleden van een Deelnemer geschieden in overeenstemming met de procedures zoals vastgelegd in de Memoranda van Overeenstemming en de uitvoeringsregelingen.

2.

De Gedragscode voor de bemanning van het ruimtestation zal door alle Deelnemers worden ontwikkeld en goedgekeurd, in overeenstemming met de interne procedures van elke Deelnemer, en in overeenstemming met de Memoranda van Overeenstemming. Een Deelnemer dient de Gedragscode te hebben goedgekeurd alvorens bemanningsleden voor het ruimtestation te leveren. Elke Deelnemer die zijn recht uitoefent om bemanningsleden te leveren, ziet erop toe dat zijn bemanningsleden de Gedragscode naleven.

Artikel 12. Transport

1.

Elk der Deelnemers heeft het recht op toegang tot het ruimtestation met gebruikmaking van transportsystemen van respectievelijk de overheid of de particuliere sector, indien deze compatibel zijn met het ruimtestation. De Verenigde Staten, Rusland, de Europese Deelnemer en Japan stellen, via hun respectieve Samenwerkende Organen, diensten met betrekking tot de lancering en de terugkeer naar de aarde beschikbaar ten behoeve van het ruimtestation (met gebruikmaking van ruimtetransportsystemen als het Amerikaanse ruimteveer, de Russische Proton en Soyuz, de Europese Ariane-5 en de Japanse H-11). Aanvankelijk worden de Amerikaanse en Russische ruimtetransportsystemen gebruikt voor de lancerings- en terugkeertransporten ten behoeve van het ruimtestation en, vervolgens, worden de andere ruimtetransportsystemen gebruikt wanneer deze ter beschikking komen. De toegankelijkheid en de diensten met betrekking tot de lancering en de terugkeer naar de aarde dienen in overeenstemming te zijn met de bepalingen van de desbetreffende Memoranda van Overeenstemming en de uitvoeringsregelingen.

2.

De Deelnemers die aan andere Deelnemers diensten met betrekking tot de lancering en de terugkeer naar de aarde verlenen – en hun respectieve gebruikers tegen vergoeding of op andere voorwaarden – leveren deze diensten overeenkomstig de voorwaarden vastgelegd in de desbetreffende Memoranda van Overeenstemming en de uitvoeringsregelingen. Deelnemers die tegen vergoeding diensten leveren met betrekking tot de lancering en de terugkeer naar de aarde leveren deze diensten aan een andere Deelnemer of de gebruikers van die Deelnemer, onder vergelijkbare omstandigheden, op dezelfde voorwaarden als waarop zij deze diensten leveren aan elke andere Deelnemer of de gebruikers van deze andere Deelnemer. De Deelnemers houden zoveel mogelijk rekening met de voorgelegde wensen en vluchtschema's van de andere Deelnemers.

3.

In managementlichamen samen met de Samenwerkende Organen van de andere Deelnemers draagt de Verenigde Staten, vertegenwoordigd door de NASA, zorg voor de planning en coördinatie van de diensten met betrekking tot de lancering en de terugkeer naar de aarde ten behoeve van het ruimtestation in overeenstemming met de geïntegreerde verkeers-planningsprocedure, omschreven in de Memoranda van Overeenstemming en de uitvoeringsregelingen.

4.

Elke Deelnemer eerbiedigt de eigendomsrechten met betrekking tot en het vertrouwelijk karakter van als zodanig gekenmerkte gegevens en goederen die met zijn ruimtetransportsysteem worden vervoerd.

Artikel 13. Communicatiesystemen

1.

De Verenigde Staten en Rusland, vertegenwoordigd door hun Samenwerkende Organen, leveren de twee primaire communicatienetwerken voor de overdracht van gegevens met betrekking tot de grond- en ruimtesatellietcommunicatiesystemen (DRSS) ten behoeve van de leiding, de besturing en de exploitatie van elementen van het ruimtestation en de nuttige ladingen, en andere communicatiedoeleinden met betrekking tot het ruimtestation. Andere Deelnemers kunnen DRSS grond- en ruimtesatellietcommunicatiesystemen leveren, indien deze compatibel zijn met het ruimtestation en met het gebruik door het ruimtestation van de twee primaire netwerken. De levering van communicatiemiddelen ten behoeve van het ruimtestation geschiedt in overeenstemming met de bepalingen van de desbetreffende Memoranda van Overeenstemming en de uitvoeringsregelingen.

2.

Tegen vergoeding stellen de Samenwerkende Organen alles in het werk om met hun respectieve communicatiesysteem te voldoen aan elkanders concrete met het ruimtestation verband houdende wensen, in overeenstemming met de voorwaarden zoals vastgelegd in de desbetreffende Memoranda van Overeenstemming en de uitvoeringsregelingen.

3.

In managementlichamen samen met de Samenwerkende Organen van de andere Deelnemers draagt de Verenigde Staten, vertegenwoordigd door de NASA, zorg voor de planning en coördinatie van diensten met betrekking tot de grond- en ruimtecommunicatie ten behoeve van het ruimtestation, in Overeenstemming en de uitvoeringsregelingen.

4.

Ter handhaving van het vertrouwelijk karakter van de gegevens die worden doorgegeven via het informatiesysteem van het ruimtestation en andere communicatiesystemen die in combinatie met het ruimtestation worden gebruikt, kunnen maatregelen worden genomen zoals vastgelegd in de Memoranda van Overeenstemming. Wanneer een Deelnemer een andere Deelnemer communicatiediensten levert, eerbiedigt hij de eigendomsrechten met betrekking tot en het vertrouwelijk karakter van gegevens die worden doorgegeven via zijn communicatiesystemen, met inbegrip van zijn grondnetwerk en de communicatiesystemen van zijn leveranciers.

Artikel 14. Verdere ontwikkeling

1.

De Deelnemers beogen het ruimtestation verder te ontwikkelen door de toevoeging van extra mogelijkheden en streven ernaar deze ontwikkeling in zo groot mogelijke mate te verwezenlijken door middel van bijdragen van alle Deelnemers. Daartoe stelt elke Deelnemer zich ten doel de andere Deelnemers, waar dit passend is, de gelegenheid te bieden mede te werken aan zijn voorstellen betreffende de toevoeging van extra mogelijkheden. Het ruimtestation blijft ook met de toevoegingen van extra mogelijkheden een civiel ruimtestation en het zal worden geëxploiteerd en gebruikt voor vreedzame doeleinden, in overeenstemming met het internationale recht.

2.

Dit Verdrag schept slechts rechten en verplichtingen met betrekking tot de in de Bijlage genoemde elementen, met dien verstande dat dit artikel en artikel 16 mede van toepassing zijn op alle toevoegingen van extra mogelijkheden. Dit Verdrag verplicht een Deelnemende Staat niet tot deelneming aan, en verleent een Deelnemer niet anderszins rechten met betrekking tot de toevoeging van extra mogelijkheden.

3.

Procedures ter coördinatie van de respectieve studies van de Deelnemers inzake verdere ontwikkeling, en ter bestudering van specifieke voorstellen met betrekking tot de toevoeging van extra mogelijkheden worden vastgelegd in de Memoranda van Overeenstemming.

4.

Voor samenwerking tussen twee of meerdere Deelnemers betreffende de gezamenlijke toevoegingen van extra mogelijkheden is, na de in het derde lid hierboven bedoelde coördinatie en bestudering, hetzij de wijziging van dit Verdrag, hetzij een afzonderlijke overeenkomst vereist, waarbij de Verenigde Staten, teneinde te waarborgen dat elke toevoeging strookt met het algehele programma, en iedere andere Deelnemer die een element van het ruimtestation of een ruimtetransportsysteem levert waarvoor dit operationele of technische gevolgen heeft, partijen zijn.

5.

Na de in het derde lid hierboven bedoelde coördinatie en bestudering is voor de toevoeging van extra mogelijkheden door één Deelnemer de voorafgaande kennisgeving aan de andere Deelnemers vereist, alsmede een overeenkomst met de Verenigde Staten teneinde te waarborgen dat de toevoeging strookt met het algehele programma, en met iedere andere Deelnemer die een element van het ruimtestation of een ruimtevervoersysteem levert waarvoor dit operationele of technische gevolgen heeft.

6.

Een Deelnemer die gevolgen zou kunnen ondervinden van de toevoeging van extra mogelijkheden bedoeld in het vierde of het vijfde lid hierboven kan verzoeken om overleg met de andere Deelnemers overeenkomstig artikel 23.

7.

De toevoeging van extra mogelijkheden houdt in geen geval een wijziging in van de rechten of verplichtingen van een Deelnemende Staat uit hoofde van dit Verdrag of de Memoranda van Overeenstemming met betrekking tot de in de Bijlage genoemde elementen, tenzij de betrokken Deelnemende Staat anders overeenkomt.

Artikel 15. Financiering

1.

Elke Deelnemer draagt de kosten die verband houden met zijn respectieve verantwoordelijkheden uit hoofde van dit Verdrag, met inbegrip van een billijke omslag van de overeengekomen gezamenlijke kosten van de exploitatie van het systeem of de activiteiten vallend onder het algemene beheer van het ruimtestation als geheel, zoals vastgelegd in de Memoranda van Overeenstemming en de uitvoeringsregelingen.

2.

De financiële verplichtingen van een Deelnemer uit hoofde van dit Verdrag zijn onderworpen aan zijn financiële procedures en de beschikbaarheid van toegewezen gelden. Het belang van de samenwerking aangaande het ruimtestation erkennende, verbinden de Deelnemers zich ertoe alles in, het werk te zullen stellen om de goedkeuring te verkrijgen voor de gelden om aan deze verplichtingen te voldoen, in overeenstemming met hun respectieve financiële procedures.

3.

Ingeval zich financiële problemen voordoen die gevolgen kunnen hebben voor het vermogen van een Deelnemer om zijn verplichtingen uit hoofde van de samenwerking aangaande het ruimtestation na te komen, dient die Deelnemer, via zijn Samenwerkend Orgaan, de andere Samenwerkende Organen daarvan in kennis te stellen en met deze te overleggen. Zo nodig kunnen de Deelnemers ook overleg plegen.

4.

De Deelnemers trachten de exploitatiekosten van het ruimtestation zo veel mogelijk te beperken. De Deelnemers, vertegenwoordigd door hun Samenwerkende Organen, ontwikkelen met name, in overeenstemming met de bepalingen van de Memoranda van Overeenstemming, procedures voor de beperking van de gezamenlijke systeemexploitatiekosten en -activiteiten binnen de goedgekeurde geschatte niveaus.

5.

De Deelnemers trachten bij de uitvoering van de samenwerking aangaande het ruimtestation onderlinge betalingen tot een minimum te beperken, onder andere, door de verrichting van specifieke exploitatie-activiteiten zoals bepaald in de Memoranda van Overeenstemming en de uitvoeringsregelingen of, indien de betrokken Deelnemers daarmee instemmen, door middel van ruil.

Artikel 16. Wederzijdse uitsluiting van aansprakelijkheid

1.

Dit artikel heeft ten doel de wederzijdse uitsluiting van aansprakelijkheid van Deelnemende Staten en met hen verbonden lichamen tot stand te brengen in het belang van de bevordering van de deelneming aan de exploratie, de exploitatie en het gebruik van de kosmische ruimte door middel van het ruimtestation. Om dit doel te bereiken dient deze wederzijdse uitsluiting van aansprakelijkheid ruim te worden uitgelegd.

2.

Voor de toepassing van dit artikel:

Artikel 17. Aansprakelijkheidsovereenkomst

1.

Voor zover niet anders bepaald in artikel 16, blijven de Deelnemende Staten en het ESA aansprakelijk overeenkomstig de Aansprakelijkheidsovereenkomst.

2.

Indien een vordering wordt ingesteld uit hoofde van de Aansprakelijkheidsovereenkomst plegen de Deelnemers (en, indien toepasselijk, het ESA) onverwijld overleg omtrent eventuele aansprakelijkheid, de verdeling van de aansprakelijkheid en het verweer tegen een dergelijke vordering.

3.

Ter zake van de levering van diensten met betrekking tot de lancering en de terugkeer naar de aarde, zoals bedoeld in artikel 12, tweede lid, van dit Verdrag, kunnen de betrokken Deelnemers (en, indien toepasselijk, het ESA) afzonderlijke overeenkomsten sluiten betreffende de verdeling van een eventuele hoofdelijke aansprakelijkheid op grond van de Aansprakelijkheidsovereenkomst.

Artikel 18. Douane en in- en uitreis

1.

Elke Deelnemende Staat vergemakkelijkt, rekening houdend met zijn wetten en voorschriften, de binnenkomst in en het vertrek uit zijn grondgebied van personen en goederen die nodig zijn ter uitvoering van dit Verdrag.

2.

Elke Deelnemende Staat vergemakkelijkt, rekening houdend met zijn wetten en voorschriften, de afgifte van de vereiste inreis- en verblijfsdocumenten aan onderdanen en hun gezinsleden van een andere Deelnemende Staat die zijn grondgebied binnenkomen of daaruit vertrekken, dan wel daarop verblijven om taken te verrichten die nodig zijn ter uitvoering van dit Verdrag.

3.

Elke Deelnemende Staat geeft toestemming voor de belastingvrije invoer en uitvoer naar en van zijn grondgebied van goederen en programmatuur die nodig zijn ter uitvoering van dit Verdrag en draagt zorg voor de vrijstelling hiervan van andere door de douane-autoriteiten geïnde rechten en heffingen. Het in dit lid bepaalde wordt uitgevoerd ongeacht het land van oorsprong van deze noodzakelijke goederen en programmatuur.

Artikel 19. Uitwisseling van gegevens en goederen

1.

Voor zover niet anders bepaald in dit lid, draagt elke Deelnemer, vertegenwoordigd door zijn Samenwerkend Orgaan, alle technische gegevens en goederen over die (door beide bij de overdracht betrokken partijen) noodzakelijk worden geacht ter nakoming van de verplichtingen van het Samenwerkend Orgaan van die Deelnemer uit hoofde van de desbetreffende Memoranda van Overeenstemming en de uitvoeringsregelingen. Elke Deelnemer verbindt zich ertoe een verzoek om technische gegevens en goederen dat door het Samenwerkend Orgaan van een andere Deelnemer wordt gedaan ten behoeve van de samenwerking aangaande het ruimtestation, onverwijld te behandelen. Een Deelnemende Staat kan op grond van dit artikel niet worden verplicht tot de overdracht van technische gegevens en goederen in strijd met zijn nationale wetten of voorschriften.

2.

De Deelnemers stellen alles in het werk om verzoeken om een vergunning voor overdrachten van technische gegevens en goederen door andere personen of lichamen dan de Deelnemers of hun Samenwerkende Organen (bijvoorbeeld uitwisselingen tussen bedrijven die vermoedelijk in toenemende mate zullen plaatsvinden) onverwijld te behandelen, en bevorderen en vergemakkelijken dergelijke overdrachten in verband met de samenwerking aangaande het ruimtestation uit hoofde van dit Verdrag. Voor het overige vallen dergelijke overdrachten niet onder de voorwaarden en bepalingen van dit artikel. Op dergelijke overdrachten zijn de nationale wetten en voorschriften van toepassing.

3.

De Deelnemers komen overeen dat overdrachten van technische gegevens en goederen uit hoofde van dit Verdrag zijn onderworpen aan de in dit lid verwoorde beperkingen. De overdracht van technische gegevens ter nakoming van de verantwoordelijkheden van de Deelnemers ten aanzien van verbinding, integratie en veiligheid geschiedt normaliter zonder de in dit lid verwoorde beperkingen. Indien gedetailleerde gegevens met betrekking tot ontwerp, vervaardiging en verwerking alsmede de daarbij behorende programmatuur noodzakelijk is voor verbindings-, integratie- of veiligheidsdoeleinden, geschiedt de overdracht overeenkomstig het eerste lid, zij het dat met betrekking tot de gegevens en bijbehorende programmatuur een mededeling gedaan kan worden zoals hieronder omschreven. Technische gegevens en goederen die door dit lid niet worden gedekt, worden zonder beperking overgedragen, tenzij hiervoor uit hoofde van nationale wetten of voorschriften andere beperkingen gelden.

4.

Elke Deelnemende Staat treft de nodige maatregelen opdat de technische gegevens of goederen die hij krachtens het derde lid, letter a, b of c ontvangt, door de ontvangende Deelnemende Staat, zijn Samenwerkend Orgaan en andere personen en lichamen (met inbegrip van aannemers en onderaannemers) aan wie of waaraan de technische gegevens of goederen vervolgens worden overgedragen, worden behandeld in overeenstemming met de bepalingen van de mededeling of omschrijving. Elke Deelnemende Staat en elk Samenwerkend Orgaan treffen alle redelijkerwijs noodzakelijke maatregelen, waaronder het opnemen van passende bedingen in hun aannemings- en onderaannemingsovereenkomsten, teneinde te voorkomen dat bedoelde technische gegevens of goederen zonder toestemming worden gebruikt, geopenbaard of verder overgedragen, of toegankelijk zijn voor onbevoegden. In geval van technische gegevens of goederen ontvangen overeenkomstig het derde lid, letter c, neemt de ontvangende Deelnemende Staat, of het ontvangende Samenwerkend Orgaan ten aanzien van de betrokken technische gegevens of goederen veiligheidsmaatregelen die op zijn minst gelijkwaardig zijn aan die welke worden genomen door de leverende Deelnemende Staat, of het leverende Samenwerkend Orgaan.

5.

De Deelnemers beogen met dit Verdrag of met de desbetreffende Memoranda van Overeenstemming niet aan degene die technische gegevens of goederen ontvangt andere rechten te verlenen dan het recht deze te gebruiken, te openbaren of verder over te dragen in overeenstemming met de in dit artikel genoemde voorwaarden.

6.

Opzegging van dit Verdrag door een Deelnemende Staat laat alle rechten en verplichtingen met betrekking tot de beveiliging van technische gegevens en goederen die uit hoofde van dit Verdrag voor de opzegging zijn overgedragen onverlet, tenzij anders overeengekomen in een opzeggingsovereenkomst ingevolge artikel 28.

7.

Voor de toepassing van dit artikel wordt een overdracht van technische gegevens en goederen door een Samenwerkend Orgaan aan het ESA geacht bestemd te zijn voor het ESA, voor alle Europese Deelnemende Staten en voor de ten behoeve van het ruimtestation door het ESA aangewezen aannemers en onderaannemers, tenzij uitdrukkelijk anders bepaald op het tijdstip van de overdracht.

8.

De Deelnemers, vertegenwoordigd door hun Samenwerkende Organen, stellen richtlijnen op voor de beveiliging van informatie.

Artikel 20. Doorvoer van gegevens en goederen

Het belang van de ononderbroken exploitatie en het internationaal gebruik van het ruimtestation erkennende, staat elke Deelnemende Staat, voor zover zijn van toepassing zijnde wetten en voorschriften zulks toelaten, de onverwijlde doorvoer van gegevens en goederen van de andere Deelnemers, hun Samenwerkende Organen en hun gebruikers toe. Dit artikel is slechts van toepassing op gegevens en goederen die bestemd zijn voor of afkomstig zijn van het ruimtestation, met inbegrip van, doch niet beperkt tot de doorvoer tussen de landsgrens en een lanceer- of landingsterrein op het eigen grondgebied en tussen een lanceer- of landingsterrein en het ruimtestation.

Artikel 21. Intellectuele eigendom

1.

Voor de toepassing van dit Verdrag heeft „intellectuele eigendom” dezelfde betekenis als in artikel 2 van het Verdrag tot oprichting van de Wereldorganisatie voor de Intellectuele Eigendom, ondertekend te Stockholm op 14 juli 1967.

2.

Met inachtneming van de bepalingen van dit artikel wordt, wat het recht inzake de intellectuele eigendom betreft, een activiteit die plaatsvindt in of op een vluchtelement van het ruimtestation geacht uitsluitend te hebben plaatsgevonden op het grondgebied van de Deelnemende Staat die het betrokken element heeft geregistreerd, met dien verstande dat ten aanzien van door het ESA geregistreerde elementen iedere Europese Deelnemende Staat de activiteit mag beschouwen als hebbende plaatsgevonden op zijn grondgebied. Teneinde misverstanden te vermijden: de deelneming van een Deelnemende Staat, zijn Samenwerkend Orgaan of met hem verbonden lichamen aan een activiteit in of op een vluchtelement van een andere Deelnemer, wijzigt of beïnvloedt als zodanig geenszins de rechtsmacht met betrekking tot deze activiteit zoals bedoeld in de voorgaande volzin.

3.

Een Deelnemende Staat past ten aanzien van een uitvinding die wordt gedaan in of op een vluchtelement van het ruimtestation door een persoon die niet zijn onderdaan of ingezetene is, zijn wetgeving inzake de geheimhouding van uitvindingen niet toe om te voorkomen (bijvoorbeeld door een termijn op te leggen of voorafgaande toestemming te eisen) dat een octrooiaanvraag wordt ingediend in een andere Deelnemende Staat die de geheimhouding van octrooiaanvragen die gerubriceerde of anderszins met het oog op de nationale veiligheid beschermde gegevens bevatten, beschermt. Deze bepaling laat (a) het recht van een Deelnemende Staat waarin een octrooiaanvraag het eerst wordt ingediend om de geheimhouding van de octrooiaanvraag te regelen of het elders indienen van aanvragen te beperken, alsmede (b) het recht van een andere Deelnemende Staat waarin de octrooiaanvraag op een later tijdstip wordt ingediend om uit hoofde van een internationale verplichting de openbaarmaking van een octrooiaanvraag te beperken, onverlet.

4.

Wanneer de intellectuele eigendom van een persoon of lichaam in meer dan één Europese Deelnemende Staat wordt beschermd, kan de betrokken persoon of het lichaam slechts in één van deze Staten schadeloosstelling eisen wegens dezelfde inbreuk op dezelfde rechten ter zake van de intellectuele eigendom in of op een door het ESA geregistreerd element. Wanneer naar aanleiding van dezelfde inbreuk die plaatsvindt in of op een door het ESA geregistreerd element rechtsvorderingen worden ingesteld door verschillende rechthebbenden met betrekking tot de intellectuele eigendom, doordat meer dan één Europese Deelnemende Staat de activiteit beschouwt als hebbende plaatsgevonden op zijn grondgebied, kan de rechter een later aanhangig gemaakte rechtszaak schorsen in afwachting van de uitspraak in een eerder aangespannen rechtsgeding. Ingeval meer dan één rechtsvordering wordt ingesteld, sluit de naleving van één veroordeling tot schadeloosstelling verder verhaal van schade in een ander aanhangig of toekomstig geding naar aanleiding van dezelfde inbreuk uit.

5.

Met betrekking tot een activiteit die plaatsvindt in of op een door het ESA geregistreerd element kan een Europese Deelnemende Staat de erkenning van een licentie voor de uitoefening van een recht ter zake van de intellectuele eigendom niet weigeren, indien aan deze licentie rechten kunnen worden ontleend krachtens de wetgeving van een Europese Deelnemende Staat, en naleving van de bepalingen van bedoelde licentie sluit tevens schadeloosstelling wegens inbreuk in een Europese Deelnemende Staat uit.

6.

De tijdelijke aanwezigheid op het grondgebied van een Deelnemende Staat van voorwerpen, met inbegrip van de samenstellende delen van een vluchtelement, die worden vervoerd tussen een plaats op aarde en een vluchtelement van het ruimtestation dat door een andere Deelnemende Staat of het ESA is geregistreerd, kan op zichzelf geen aanleiding zijn voor een rechtsgeding in de eerste Deelnemende Staat wegens inbreuk op een octrooi.

Artikel 22. Rechtsmacht op strafrechtelijk gebied

Gezien het feit dat een dergelijke internationale samenwerking in de ruimte niet eerder is voorgekomen en uniek van aard is, gelden de volgende bepalingen:

1.

Canada, de Europese Deelnemende Staten, Japan, Rusland en de Verenigde Staten kunnen rechtsmacht uitoefenen op strafrechtelijk gebied over de personeelsleden in of op enig vluchtelement die hun respectieve onderdanen zijn.

2.

In geval van een strafbaar feit tijdens een omloopbaan dat (a) gevolgen heeft voor het leven of de veiligheid van een onderdaan van een andere Deelnemende Staat of (b) wordt gepleegd in of op of waardoor schade wordt veroorzaakt aan een vluchtelement van een andere Deelnemende Staat, pleegt de Deelnemende Staat waarvan de verdachte onderdaan is, op verzoek van een getroffen Deelnemende Staat, overleg met deze Staat over hun respectieve belangen ter zake van de vervolging. Een getroffen Deelnemende Staat kan, na dit overleg, rechtsmacht op strafrechtelijk gebied uitoefenen over de verdachte mits de Deelnemende Staat waarvan de verdachte onderdaan is, binnen 90 dagen na de datum van overleg of binnen een andere onderling overeengekomen termijn, hetzij

3.

Indien een Deelnemende Staat die uitlevering afhankelijk laat zijn van het bestaan van een verdrag een verzoek om uitlevering ontvangt van een andere Deelnemende Staat waarmee hij geen uitleveringsverdrag heeft gesloten, mag hij naar zijn keuze dit Verdrag beschouwen als de wettelijke basis voor uitlevering met betrekking tot het vermoedelijke strafbare feit in de omloopbaan. Uitlevering geschiedt overeenkomstig de procedurele bepalingen en de andere voorwaarden van de wet van de aangezochte Deelnemende Staat.

4.

Met inachtneming van de nationale wetten en voorschriften biedt iedere Deelnemende Staat de andere Deelnemers hulp met betrekking tot vermoedelijke strafbare feiten gepleegd in de omloopbaan.

5.

Dit artikel heeft niet ten doel een beperking te vormen voor de bevoegdheden en procedures voor de handhaving van de orde en de gedragingen van de bemanning bij werkzaamheden in of op het ruimtestation, die ingevolge artikel 11 zullen worden vastgelegd in de Gedragscode, en de Gedragscode heeft niet ten doel de toepassing van dit artikel te beperken.

Artikel 23. Overleg

1.

De Deelnemers, vertegenwoordigd door hun Samenwerkende Organen, kunnen onderling overleg plegen over elk vraagstuk dat voortvloeit uit de samenwerking aangaande het ruimtestation. De Deelnemers stellen alles in het werk om voor dergelijke vraagstukken een oplossing te vinden door middel van overleg tussen twee of meerdere Samenwerkende Organen in overeenstemming met de in de Memoranda van Overeenstemming vastgelegde procedures.

2.

Elke Deelnemer kan een andere Deelnemer verzoeken om overleg op regeringsniveau over een vraagstuk dat voortvloeit uit de samenwerking aangaande het ruimtestation. De aangezochte Deelnemer gaat onverwijld op een dergelijk verzoek in. Indien de verzoekende Deelnemer de Verenigde Staten mededeelt dat het onderwerp van het overleg zich leent voor overweging door alle Deelnemers, beleggen de Verenigde Staten zo spoedig mogelijk een bijeenkomst voor multilateraal overleg, waarvoor alle Deelnemers worden uitgenodigd.

3.

Elke Deelnemer die van plan is over te gaan tot aanzienlijke wijzigingen van het ontwerp van vluchtelementen die gevolgen kunnen hebben voor de andere Deelnemers, stelt de andere Deelnemers hiervan zo snel mogelijk in kennis. Een Deelnemer die in kennis is gesteld kan verzoeken om de aangelegenheid onderwerp van overleg te maken overeenkomstig het eerste en tweede lid.

4.

Indien een vraagstuk dat door overleg niet is opgelost nog steeds oplossing vereist, kunnen de betrokken Deelnemers het vraagstuk onderwerpen aan een overeengekomen vorm van geschillenbeslechting, zoals conciliatie, bemiddeling of arbitrage.

Artikel 24. Evaluatie van de samenwerking aangaande het ruimtestation

Met het oog op de lange duur, de veelomvattendheid en de verdere ontwikkeling van hun samenwerking uit hoofde van dit Verdrag, houden de Deelnemers elkander op de hoogte van de ontwikkelingen die van invloed kunnen zijn op deze samenwerking. Voor het eerst in 1999, en daarna om de drie jaar komen de Deelnemers bijeen om de vraagstukken die verband houden met hun samenwerking te behandelen en om de samenwerking aangaande het ruimtestation te evalueren en te bevorderen.

Artikel 25. Inwerkingtreding

1.

Dit Verdrag staat open voor ondertekening voor de in de preambule tot dit Verdrag genoemde Staten.

2.

Dit Verdrag dient te worden bekrachtigd, aanvaard, goedgekeurd of er kan ertoe worden toegetreden. De bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding door iedere Staat geschiedt in overeenstemming met zijn constitutionele procedures. De akten van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding worden nedergelegd bij de Regering van de Verenigde Staten, die hierbij wordt aangewezen als de Depositaris.

4.

Bij de inwerkingtreding van dit Verdrag, houdt de Overeenkomst van 1988 op van kracht te zijn.

5.

Indien dit Verdrag voor een Deelnemer niet binnen twee jaar na de ondertekening in werking is getreden, kunnen de Verenigde Staten een bijeenkomst beleggen van de ondertekenaars van dit Verdrag, teneinde te bestuderen welke maatregelen, waaronder wijzigingen van dit Verdrag, nodig zijn om met deze omstandigheden rekening te houden.

Artikel 26. Werking tussen bepaalde Partijen

Onverminderd het bepaalde in artikel 25, derde lid, letter a, treedt dit Verdrag ten aanzien van de Verenigde Staten en Rusland in werking op de dag dat zij hebben aangegeven ermee in te stemmen te worden gebonden door de nederlegging van hun akten van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring. De Depositaris stelt alle ondertekenende Staten in kennis van de inwerkingtreding van dit Verdrag ten aanzien van de Verenigde Staten en Rusland ingevolge dit artikel.

Artikel 27. Wijzigingen

Dit Verdrag, met inbegrip van de Bijlage daarbij, kan worden gewijzigd door een schriftelijke overeenkomst van de Regeringen van de Deelnemende Staten ten aanzien waarvan dit Verdrag in werking is getreden. Wijzigingen van dit Verdrag, behalve die welke uitsluitend betrekking hebben op de Bijlage, behoeven de bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding door deze Staten in overeenstemming met hun respectieve constitutionele procedures. Voor wijzigingen die uitsluitend betrekking hebben op de Bijlage volstaat een schriftelijke overeenkomst van de Regeringen van de Deelnemende Staten voor welke dit Verdrag in werking is getreden.

Artikel 28. Opzegging

1.

Elke Deelnemende Staat kan dit Verdrag te allen tijde opzeggen door middel van een schriftelijke kennisgeving aan de Depositaris, met inachtneming van een termijn van ten minste één jaar. Opzegging door een Europese Deelnemende Staat laat de rechten en verplichtingen van de Europese Deelnemer uit hoofde van dit Verdrag onverlet.

2.

Indien een Deelnemer kennis geeft van zijn opzegging van dit Verdrag, trachten de Deelnemers, met het oog op de voortzetting van het programma, vóór de datum waarop de opzegging van kracht wordt overeenstemming te bereiken over de voorwaarden van uittreding van de eerstbedoelde Deelnemer.

4.

Indien een Deelnemer dit Verdrag opzegt, wordt zijn Samenwerkend Orgaan geacht het desbetreffende Memorandum van Overeenstemming met de NASA te hebben opgezegd, welke opzegging op dezelfde datum van kracht wordt als de opzegging van dit Verdrag.

5.

Opzegging door een Deelnemende Staat laat de rechten en verplichtingen van de betrokken Deelnemende Staat uit hoofde van de artikelen 16, 17 en 19 onverlet, voor zover niet anders is bepaald in een opzeggingsovereenkomst overeenkomstig het tweede of het derde lid hierboven.

1

De Partijen bij dit Akkoord zijn alle ondertekenaar van de Overeenkomst tussen de Regering van Canada, de Regeringen van de lidstaten van het Europees Ruimte-Agentschap, de Regering van Japan, de Regering van de Russische Federatie en de Regering van de Verenigde Staten van Amerika inzake samenwerking aangaande het civiele internationale ruimtestation (hierna te noemen „de Intergouvernementele Overeenkomst") ondertekend te Washington op 29 januari 1998.

2

Overeenkomstig haar bepalingen, treedt de Intergouvernementele Overeenkomst in werking op de datum waarop de laatste akte van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring van Japan, Rusland en de Verenigde Staten van Amerika nedergelegd zijn. Daarna, treedt de Intergouvernementele Overeenkomst ten aanzien van een Deelnemer in werking na de nederlegging van zijn akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding. De Europese Deelnemer wordt geacht zijn akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding te hebben nedergelegd wanneer de Depositaris akten van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding heeft ontvangen van tenminste vier Europese Staten die hebben ondertekend of zijn toegetreden en bovendien een formele notificatie van de Voorzitter van de Raad van het Europees Ruimte-Agentschap.

3

In afwachting van de voltooiing door ieder van hen van alle handelingen die op nationaal niveau zijn vereist voor de bekrachtiging, de aanvaarding of de goedkeuring van, of de toetreding tot de Intergouvernementele Overeenkomst, wensen de Partijen bij dit Akkoord de samenwerking, zoals geregeld in de Intergouvernementele Overeenkomst, in zo ruim mogelijke mate te verwezenlijken.

4

De Partijen bij dit Akkoord verbinden zich derhalve ertoe, in de ruimste mate waarin zulks verenigbaar is met hun nationale wetten en voorschriften, de bepalingen van de Intergouvernementele Overeenkomst na te leven totdat deze ten aanzien van elk van hen in werking treedt of van kracht wordt.

5

Een Partij kan dit Akkoord opzeggen door middel van een schriftelijke kennisgeving aan de andere Partijen, met inachtneming van een termijn van honderdentwintig dagen.

6

Dit Akkoord treedt in werking op het tijdstip van ondertekening. Daarna kan een ondertekenaar bij de Intergouvernementele Overeenkomst tot dit Akkoord toetreden door ondertekening of het nederleggen van een akte van toetreding bij de Depositaris.

7

Dit Akkoord vervangt en doet het op 29 september 1988 te Washington tot stand gekomen Akkoord betreffende de toepassing van de Intergouvernementele Overeenkomst inzake het ruimtestation in afwachting van haar inwerkingtreding, beëindigen.

IN WITNESS WHEREOF the undersigned, being duly authorized thereto by their respective Governments, have signed this Agreement.

DONE at Washington, this 29th day of January, 1998. The texts of this Agreement in the English, French, German, Italian, Japanese, and Russian languages shall be equally authentic.

A single original text in each language shall be deposited in the archives of the Government of the United States. The Depositary shall transmit certified copies to all signatory States. Upon entry into force of this Agreement, the Depositary shall register it pursuant to Article 102 of the Charter of the United Nations.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)