Verdrag van Stockholm inzake persistente organische verontreinigende stoffen

Type Verdrag
Publication 2025-02-26
Laatst bijgewerkt 2026-05-26
State In force
Source BWB
artikelen 30
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

De Partijen bij dit Verdrag,

Erkennend dat persistente organische verontreinigende stoffen toxische eigenschappen bezitten, ongevoelig zijn voor degradatie, bioaccumuleren en door de lucht, via water en door migrerende diersoorten worden meegevoerd over internationale grenzen en ver van hun plaats van oorsprong neerslaan, waar zij accumuleren in ecosystemen op het land en in het water,

Zich bewust van de zorgen op het gebied van de volksgezondheid, in het bijzonder in ontwikkelingslanden, als gevolg van de lokale blootstelling aan persistente verontreinigende stoffen, en met name de gevolgen voor vrouwen en via hen, voor de toekomstige generaties,

Erkennend dat de arctische ecosystemen en inheemse gemeenschappen bijzonder bedreigd worden als gevolg van de biomagnificatie van persistente organische verontreinigende stoffen en dat de besmetting van hun traditionele voedsel de volksgezondheid raakt,

Zich bewust van de behoefte aan mondiale maatregelen op het gebied van persistente organische verontreinigende stoffen,

Indachtig besluit 19/13 C van 7 februari 1997 van de Beheerraad van het Milieuprogramma van de Verenigde Naties (UNEP) voor het initiëren van internationale activiteiten ter bescherming van de gezondheid van de mens en van het milieu, in de vorm van maatregelen ter vermindering en/of beëindiging van emissies en vrijkomingen van persistente organische verontreinigende stoffen,

In herinnering roepend de van toepassing zijnde bepalingen van de relevante internationale milieuverdragen, met name het Verdrag van Rotterdam inzake voorafgaande geïnformeerde toestemming ten aanzien van gevaarlijke chemische stoffen en pesticiden in de internationale handel, en het Verdrag van Bazel inzake de beheersing van grensoverschrijdende overbrenging van gevaarlijke afvalstoffen en de verwijdering ervan, met inbegrip van de in artikel 11 van dat Verdrag bedoelde regionale overeenkomsten,

Mede in herinnering roepend de relevante bepalingen van de Verklaring van Rio inzake Milieu en Ontwikkeling en Agenda 21,

Erkennend dat alle Partijen zich achter het voorzorgsbeginsel scharen, dat in dit Verdrag is verankerd,

Erkennend dat dit Verdrag en andere internationale overeenkomsten op het terrein van handel en milieu elkaar ondersteunen,

Herbevestigend dat de Staten, in overeenstemming met het Handvest van de Verenigde Naties en de grondbeginselen van het internationale recht, het soevereine recht hebben hun eigen hulpbronnen te exploiteren volgens hun eigen milieu- en ontwikkelingsbeleid, en de verantwoordelijkheid te waarborgen dat activiteiten onder hun rechtsmacht of toezicht geen schade veroorzaken aan het milieu van andere Staten of van gebieden die buiten de grenzen van de nationale rechtsmacht vallen,

Rekening houdend met de omstandigheden en bijzondere behoeften van ontwikkelingslanden, in het bijzonder de minstontwikkelde landen hiervan, en landen met een overgangseconomie, in het bijzonder de behoefte aan versterking van hun nationale capaciteit voor het beheren van chemische stoffen, onder meer door de overdracht van technologie, de verschaffing van financiële en technische hulp en de bevordering van samenwerking tussen de Partijen,

Ten volle rekening houdend met het Actieprogramma voor duurzame ontwikkeling van kleine eilandstaten die in ontwikkeling zijn, aangenomen op Barbados op 6 mei 1994,

Gelet op de respectieve capaciteit van ontwikkelde en ontwikkelingslanden alsmede de gemeenschappelijke maar gedifferentieerde verantwoordelijkheden van Staten zoals vervat in Beginsel 7 van de Verklaring van Rio inzake Milieu en Ontwikkeling,

Erkennend de belangrijke bijdrage die de private sector en niet-gouvernementele organisaties kunnen leveren bij het realiseren van de beperking en/of beëindiging van emissies en vrijkomingen van persistente organische verontreinigende stoffen,

Benadrukkend het belang dat fabrikanten van persistente organische verontreinigende stoffen de verantwoordelijkheid op zich nemen voor de terugdringing van de door hun producten veroorzaakte nadelige effecten en voor de voorlichting van gebruikers, regeringen en het publiek met betrekking tot de gevaarlijke eigenschappen van deze chemische stoffen,

Zich bewust van de noodzaak maatregelen te nemen ter voorkoming van de nadelige effecten veroorzaakt door persistente organische verontreinigende stoffen in alle fasen van hun levenscyclus,

Herbevestigend Beginsel 16 van de Verklaring van Rio inzake Milieu en Ontwikkeling ingevolge welk nationale autoriteiten zich zouden moeten inspannen om te bevorderen dat milieukosten worden geïnternaliseerd en economische instrumenten worden toegepast, er rekening mee houdend dat de vervuiler in beginsel de kosten van de verontreiniging behoort te dragen, met inachtneming van het publieke belang en zonder de internationale handel en investeringen te verstoren,

De Partijen die geen systemen voor regelgeving en beoordeling voor pesticiden en industriële chemische stoffen hebben, aanmoedigend dergelijke systemen te ontwikkelen,

Erkennend het belang van de ontwikkeling en het gebruik van milieuverantwoorde alternatieve procédés en chemische stoffen,

Vastberaden de gezondheid van de mens en het milieu te beschermen tegen de schadelijke effecten van persistente organische verontreinigende stoffen,

Zijn het volgende overeengekomen:

Artikel 1. Doel

Indachtig de voorzorgsbenadering zoals bedoeld in Beginsel 15 van de Verklaring van Rio inzake Milieu en Ontwikkeling, is het doel van dit Verdrag de gezondheid van de mens en het milieu te beschermen tegen persistente organische verontreinigende stoffen.

Artikel 2. Begripsomschrijvingen

Voor de toepassing van dit Verdrag wordt verstaan onder:

Artikel 3. Maatregelen ter beperking of beëindiging van vrijkoming bij opzettelijke productie en gebruik

1.

Elke Partij:

2.

Elke Partij treft maatregelen om te waarborgen:

3.

Elke Partij die een of meerdere systemen heeft voor regelgeving en beoordeling van nieuwe pesticiden of nieuwe industriële chemische stoffen, neemt maatregelen ter regulering ter voorkoming van de productie en het gebruik van nieuwe pesticiden of nieuwe industriële chemische stoffen die, met inachtneming van de in Bijlage D, punt 1 bedoelde criteria, de kenmerken van persistente organische verontreinigende stoffen bezitten.

4.

Elke Partij die een of meerdere systemen heeft voor regelgeving en beoordeling van pesticiden of industriële chemische stoffen houdt daarbij, waar dienstig, rekening met de in Bijlage D, punt 1, bedoelde criteria bij de beoordeling van de thans in gebruik zijnde pesticiden of industriële chemische stoffen.

5.

Behoudens wanneer in dit Verdrag anders wordt aangegeven, zijn het eerste en tweede lid niet van toepassing op hoeveelheden van een chemische stof die worden gebruikt ten behoeve van laboratoriumonderzoek of als referentienorm.

6.

Elke Partij waarvoor een specifieke uitzondering in overeenstemming met Bijlage A of een specifieke uitzondering of een acceptabel doel in overeenstemming met Bijlage B geldt, treft passende maatregelen om te waarborgen dat productie of gebruik onder die uitzondering of met dat doel zodanig wordt uitgevoerd dat blootstelling van de mens of vrijkoming in het milieu wordt voorkomen of zoveel mogelijk wordt tegengegaan. In geval van uitgezonderde gebruiken of voor acceptabele doeleinden waarbij opzettelijke vrijkomingen in het milieu plaatsvinden onder normale gebruiksomstandigheden, worden deze vrijkomingen tot het noodzakelijke minimum beperkt, met inachtneming van de toepasselijke normen en richtsnoeren.

Artikel 4. Register van specifieke uitzonderingen

1.

Hierbij wordt een register ingesteld ten behoeve van de identificatie van de Partijen waarvoor specifieke uitzonderingen gelden als bedoeld in Bijlage A of Bijlage B. Hierin worden niet de Partijen vermeld die gebruik maken van de bepalingen van Bijlage A of Bijlage B waarop door alle Partijen een beroep kan worden gedaan. Het register wordt door het Secretariaat bijgehouden en is toegankelijk voor het publiek.

2.

Het register omvat:

3.

Elke Staat die Partij wordt, kan zich door middel van een schriftelijke kennisgeving aan het Secretariaat voor een of meerdere soorten in Bijlage A of Bijlage B genoemde specifieke uitzonderingen laten inschrijven.

4.

Tenzij door een Partij in het register een eerdere datum is vermeld, of ingevolge het zevende lid een verlenging heeft plaatsgevonden, verlopen alle registraties van specifieke uitzonderingen vijf jaren na de datum van inwerkingtreding van dit Verdrag ten aanzien van een bepaalde chemische stof.

5.

Tijdens haar eerste vergadering neemt de Conferentie van de Partijen een besluit omtrent de toetsingsprocedure voor inschrijvingen in het register.

6.

Voorafgaand aan de toetsing van een inschrijving in het register dient de desbetreffende Partij een rapport bij het Secretariaat in waarin de behoefte aan voortgezette registratie van die uitzondering wordt gemotiveerd. Dit rapport wordt door het Secretariaat onder alle Partijen verspreid. De toetsing van een registratie wordt uitgevoerd op basis van alle beschikbare informatie. De Conferentie van de Partijen kan de betrokken Partij in dit verband alle door haar nodig geachte aanbevelingen doen.

7.

De Conferentie van de Partijen kan, op verzoek van de betrokken Partij, besluiten de vervaltermijn van een specifieke ontheffing met een termijn van maximaal vijf jaren te verlengen. Bij de besluitvorming houdt de Conferentie van de Partijen naar behoren rekening met de bijzondere omstandigheden van de Partijen die ontwikkelingslanden zijn en van de Partijen met een overgangseconomie.

8.

Een Partij kan te allen tijde een inschrijving in het register voor een specifieke uitzondering intrekken door middel van schriftelijke kennisgeving aan het Secretariaat. De intrekking wordt van kracht op de in de kennisgeving vermelde datum.

9.

Wanneer geen Partijen meer ingeschreven zijn voor een bepaalde soort specifieke uitzondering, kunnen ten aanzien van deze uitzondering geen nieuwe inschrijvingen plaatsvinden.

Artikel 5. Maatregelen ter beperking of beëindiging van vrijkomingen afkomstig van onopzettelijke productie

Elke Partij treft ten minste de volgende maatregelen ter beperking van de totale vrijkomingen afkomstig uit antropogene bronnen van elk van de in Bijlage C vermelde chemische stoffen, met het doel deze vrijkomingen permament te reduceren en, waar mogelijk, deze uiteindelijk te beëindigen:

Artikel 6. Maatregelen ter beperking of beëindiging van vrijkomingen uit voorraden en afval

1.

Teneinde te waarborgen dat voorraden bestaande uit in Bijlage A of Bijlage B vermelde chemische stoffen, of die deze bevatten, en afval, met inbegrip van producten en artikelen wanneer deze afval worden, die bestaan uit in Bijlage A, B of C vermelde chemische stoffen of deze bevatten of hiermee zijn verontreinigd, worden beheerd op een wijze die rekening houdt met de bescherming van de gezondheid van de mens en van het milieu, zal elke Partij:

2.

De Vergadering van de Partijen werkt nauw samen met de desbetreffende organen van het Verdrag van Bazel inzake de beheersing van de grensoverschrijdende overbrenging van gevaarlijke afvalstoffen en de verwijdering ervan teneinde, onder meer:

Artikel 7. Uitvoeringsplannen

1.

Elke Partij:

2.

De Partijen werken, waar nodig, rechtstreeks of via mondiale, regionale of subregionale organisaties samen en plegen overleg met hun nationale partners, met inbegrip van vrouwenorganisaties en groeperingen die betrokken zijn bij de gezondheid van kinderen, teneinde de ontwikkeling, implementatie en actualisering van hun uitvoeringsplannen te vergemakkelijken.

3.

De Partijen streven ernaar middelen aan te wenden of, waar nodig, in het leven te roepen om nationale uitvoeringsplannen voor persistente organische verontreinigende stoffen, waar dienstig, te integreren in hun strategieën voor duurzame ontwikkeling.

Artikel 8. Opname van chemische stoffen in Bijlagen A, B en C

1.

Een Partij kan een voorstel toezenden aan het Secretariaat voor opname van een chemische stof in Bijlage A, B en/of C. Het voorstel bevat de in Bijlage D vermelde informatie. Bij de uitwerking van een voorstel kan een Partij worden bijgestaan door andere Partijen en/of door het Secretariaat.

2.

Het Secretariaat verifieert of het voorstel de in Bijlage D bedoelde informatie bevat. Indien het Secretariaat ervan overtuigd is dat het voorstel de desbetreffende informatie bevat, zendt het het voorstel naar de Commissie ter beoordeling van persistente organische verontreinigende stoffen.

3.

De Commissie bestudeert het voorstel en past de in Bijlage D bedoelde selectiecriteria op flexibele en doorzichtige wijze toe, waarbij alle verstrekte informatie in haar geheel en op evenwichtige wijze in acht wordt genomen.

4.

Indien de Commissie besluit dat:

5.

Elke Partij kan een door de Commissie overeenkomstig het vierde lid verworpen voorstel opnieuw indienen. Het opnieuw ingediende voorstel kan vergezeld gaan van de reden van de bezorgdheid van de Partij alsmede een motivering voor hernieuwde behandeling door de Commissie. Indien de Commissie het voorstel na deze procedure opnieuw verwerpt, kan de Partij het besluit van de Commissie betwisten en wordt de zaak door de Conferentie van de Partijen tijdens haar volgende zitting behandeld. De Conferentie van de Partijen kan aan de hand van de in Bijlage D bedoelde selectiecriteria en met inachtneming van de beoordeling van de Commissie en van de door een Partij of waarnemer verstrekte aanvullende informatie besluiten dat aan het voorstel gevolg wordt gegeven.

6.

Wanneer de Commissie heeft besloten dat de selectiecriteria zijn vervuld, of de Conferentie van de Partijen heeft besloten dat aan het voorstel gevolg wordt gegeven, beoordeelt de Commissie het voorstel verder, rekening houdend met de ontvangen relevante aanvullende informatie, en stelt zij een ontwerp-risicoprofiel op in overeenstemming met Bijlage E. Zij stelt dit ontwerp via het Secretariaat beschikbaar aan alle Partijen en waarnemers, neemt hun technisch commentaar in ontvangst en voltooit het risicoprofiel vervolgens met inachtneming van het commentaar.

7.

Indien de Commissie aan de hand van het overeenkomstig Bijlage E opgestelde risicoprofiel besluit:

8.

Ten aanzien van elk ingevolge het zevende lid, onderdeel b, verworpen voorstel kan een Partij de Conferentie van de Partijen verzoeken te overwegen de Commissie de opdracht te geven de Partij die het voorstel heeft gedaan en andere Partijen te verzoeken om aanvullende informatie gedurende een tijdvak van ten hoogste een jaar. Na verloop van dat tijdvak en op basis van de ontvangen informatie, behandelt de Commissie het voorstel opnieuw ingevolge het zesde lid, met een door de Conferentie van de Partijen vast te stellen prioriteit. Indien de Commissie het voorstel na deze procedure opnieuw verwerpt, kan de Partij zich tegen het besluit verzetten en wordt de zaak door de Conferentie van de Partijen tijdens haar volgende zitting behandeld. De Conferentie van de Partijen kan aan de hand van het in overeenstemming met Bijlage E opgestelde risicoprofiel en met inachtneming van de beoordeling van de Commissie en van de door een Partij of waarnemer verstrekte aanvullende informatie besluiten dat aan het voorstel gevolg wordt gegeven. Indien de Conferentie van de Partijen besluit dat aan het voorstel gevolg wordt gegeven, stelt de Commissie de risicobeheerevaluatie op.

9.

De Commissie doet aan de hand van het in het zesde lid bedoelde risicoprofiel en de in het zevende lid, onderdeel a, en de in het achtste lid bedoelde risicobeheerevaluatie een aanbeveling omtrent de vraag of de chemische stof door de Conferentie van de Partijen in aanmerking moet worden genomen voor opneming in Bijlage A, B en/of C. De Conferentie van de Partijen besluit, met gedegen inachtneming van de aanbevelingen van de Commissie, met inbegrip van eventuele wetenschappelijke onzekerheden, indachtig het voorzorgsbeginsel, of al dan niet wordt overgegaan tot opneming van de chemische stof – met vermelding van de daarbij behorende controlemaatregelen – in Bijlage A, B en/of C.

Artikel 9. Uitwisseling van informatie

1.

Elke Partij bevordert of draagt zorg voor de uitwisseling van informatie met betrekking tot:

2.

De Partijen wisselen de in het eerste lid bedoelde informatie rechtstreeks uit of via het Secretariaat.

3.

Elke Partij wijst een nationaal contactpunt aan voor de uitwisseling van deze informatie.

4.

Het Secretariaat fungeert als een centrum voor uitwisseling van informatie met betrekking tot persistente organische verontreinigende stoffen, met inbegrip van de door Partijen, intergouvernementele organisaties en niet-gouvernementele organisaties verstrekte informatie.

5.

Voor de toepassing van dit Verdrag wordt informatie inzake de gezondheid en veiligheid van de mens en inzake milieu niet als vertrouwelijk aangemerkt. Partijen die andere informatie uitwisselen ingevolge dit Verdrag, beschermen de vertrouwelijke informatie op een door hen onderling overeengekomen wijze.

Artikel 10. Voorlichting, bewustmaking en educatie van het publiek

1.

Elke Partij bevordert en vergemakkelijkt waar dat tot haar mogelijkheden behoort:

2.

Elke Partij waarborgt, waar dat tot haar mogelijkheden behoort, dat het publiek toegang heeft tot de in het eerste lid bedoelde informatie en dat deze informatie actueel blijft.

3.

Elke Partij moedigt, waar dat tot haar mogelijkheden behoort, de industrie en beroepsmatige gebruikers aan de verstrekking van de in het eerste lid bedoelde informatie op nationaal niveau en, waar opportuun, op subregionaal regionaal en mondiaal niveau te bevorderen en te vergemakkelijken.

4.

Bij de verstrekking van informatie over persistente organische verontreinigende stoffen en de alternatieven hiervoor, kunnen de Partijen gebruik maken van technische veiligheidsvoorschriften, rapporten, massamedia en andere communicatiemiddelen, en kunnen zij op nationaal en regionaal niveau informatiecentra oprichten.

5.

Elke Partij neemt de ontwikkeling van mechanismen, zoals registers inzake de vrijkoming en overbrenging van verontreinigende stoffen, voor de vergaring en verspreiding van informatie inzake ramingen van de jaarlijkse hoeveelheden geloosde of verwijderde chemische stoffen vermeld in Bijlage A, B of C in welwillende overweging.

Artikel 11. Onderzoek, ontwikkeling en monitoring

1.

De Partijen moedigen passende activiteiten aan en/of ondernemen deze, waar dat tot hun mogelijkheden behoort, op nationaal en internationaal niveau, voor onderzoek, ontwikkeling, monitoring en samenwerking op het gebied van persistente organische verontreinigende stoffen en, in voorkomend geval, van de alternatieven hiervoor en van potentiële persistente organische verontreinigende stoffen, met inbegrip van:

2.

Bij de activiteiten die zij ondernemen ingevolge het eerste lid zullen de Partijen, waar dat tot hun mogelijkheden behoort:

Artikel 12. Technische bijstand

1.

De Partijen erkennen dat het verlenen van tijdige en adequate technische bijstand naar aanleiding van verzoeken van Partijen die ontwikkelingslanden zijn en Partijen met een overgangseconomie essentieel is voor een succesvolle uitvoering van dit Verdrag.

2.

De Partijen werken samen bij het verlenen van tijdige en adequate technische bijstand aan Partijen die ontwikkelingslanden zijn en aan Partijen met een overgangseconomie, teneinde hen – met inachtneming van hun bijzondere behoeften – te helpen bij de ontwikkeling en versterking van hun capaciteit om hun verplichtingen uit hoofde van dit Verdrag na te komen.

3.

In dit verband omvat de door de Partijen die ontwikkelde landen zijn en door andere Partijen in overeenstemming met hun mogelijkheden te verlenen technische bijstand, waar passend en zoals onderling overeengekomen, technische bijstand voor de opbouw van capaciteit met betrekking tot de nakoming van de verplichtingen uit hoofde van dit Verdrag. De Conferentie van de Partijen verschaft op dit gebied nadere richtsnoeren.

4.

De Partijen stellen in voorkomend geval regelingen vast ten behoeve van de verlening van technische bijstand en van de bevordering van de overdracht van technologie aan Partijen die ontwikkelingslanden zijn en aan Partijen met een overgangseconomie met betrekking tot de uitvoering van dit Verdrag. Deze regelingen omvatten regionale en subregionale centra voor de opbouw van capaciteit en voor de overdracht van technologie teneinde de Partijen die ontwikkelingslanden zijn en de Partijen met een overgangseconomie te helpen bij de nakoming van hun verplichtingen uit hoofde van dit Verdrag. De Conferentie van de Partijen brengt op dit gebied nadere richtsnoeren uit.

5.

Bij de toepassing van dit artikel houden de Partijen bij hun activiteiten op het gebied van technische bijstand ten volle rekening met de bijzondere behoeften en speciale situatie van de minstontwikkelde landen en kleine eilandstaten die in ontwikkeling zijn.

Artikel 13. Financiële middelen en financieringsmechanismen

1.

Elke Partij verplicht zich waar dat tot haar mogelijkheden behoort financiële ondersteuning en prikkels ten behoeve van nationale activiteiten die bedoeld zijn om de doelstellingen van dit Verdrag te realiseren, in overeenstemming met haar nationale plannen, prioriteiten en programma's.

2.

De ontwikkelde landen die Partij zijn verschaffen nieuwe en aanvullende financiële middelen teneinde de Partijen die ontwikkelingslanden zijn en de Partijen met een overgangseconomie in staat te stellen de overeengekomen totale marginale kosten van uitvoeringsmaatregelen te dekken die hen in staat stellen hun verplichtingen uit hoofde van dit Verdrag na te komen, zoals overeengekomen tussen een ontvangende Partij en een aan het in het zesde lid bedoelde mechanisme deelnemende entiteit. Andere Partijen kunnen eveneens op vrijwillige basis en in overeenstemming met hun mogelijkheden dergelijke financiële middelen verschaffen. Bijdragen vanuit andere bronnen dienen eveneens te worden aangemoedigd. Bij de uitvoering van deze verplichtingen wordt rekening gehouden met de behoefte aan passende, voorzienbare en tijdige financiering en het belang van verdeling van de lasten over de bijdragende Partijen.

3.

Ontwikkelde landen die Partij zijn, en andere Partijen in overeenstemming met hun mogelijkheden en in overeenstemming met hun nationale plannen, prioriteiten en programma's, kunnen tevens financiële middelen voor hulp bij de uitvoering van dit Verdrag verstrekken en de Partijen die ontwikkelingslanden zijn en Partijen met een overgangseconomie kunnen tevens financiële middelen voor hulp bij de uitvoering van dit Verdrag ontvangen, via andere bilaterale, regionale en multilaterale bronnen of kanalen.

4.

De mate waarin de Partijen die ontwikkelingslanden zijn hun verplichtingen uit hoofde van dit Verdrag daadwerkelijk nakomen is afhankelijk van de daadwerkelijke nakoming door de ontwikkelde landen die Partij zijn van hun verplichtingen uit hoofde van dit Verdrag met betrekking tot de financiële middelen, technische bijstand en overdracht van technologie. Rekening wordt gehouden met het feit dat duurzame economische en sociale ontwikkeling en beëindiging van armoede absolute prioriteit genieten bij de Partijen die ontwikkelingslanden zijn; hierbij wordt eveneens rekening gehouden met de behoefte aan de bescherming van de gezondheid van de mens en het milieu.

5.

De Partijen houden bij hun activiteiten op het gebied van financiering ten volle rekening met de bijzondere behoeften en speciale situatie van de minstontwikkelde landen en kleine eilandstaten die in ontwikkeling zijn.

6.

Hierbij wordt een mechanisme gedefinieerd voor het verschaffen van passende en duurzame financiële middelen aan Partijen die ontwikkelingslanden zijn en Partijen met een overgangseconomie bij wijze van gift of onder gunstige voorwaarden om hen bij te staan bij de uitvoering van het Verdrag. Voor de toepassing van dit Verdrag functioneert het mechanisme onder het gezag en onder de leiding van de Conferentie van de Partijen, waaraan verantwoording wordt afgelegd. Het beheer ervan wordt opgedragen aan een of meerdere entiteiten, waaronder bestaande internationale entiteiten, naar gelang de Conferentie van de Partijen besluit. Het mechanisme kan eveneens andere entiteiten omvatten die multilaterale, regionale en bilaterale financiële en technische bijstand leveren. De bijdragen aan het mechanisme komen naast andere financiële overmakingen aan Partijen die ontwikkelingslanden zijn en Partijen met een overgangseconomie zoals bedoeld in het tweede lid en in overeenstemming met dat lid.

7.

Overeenkomstig de doelstellingen van dit Verdrag en overeenkomstig het zesde lid, neemt de Conferentie van de Partijen tijdens haar eerste zitting richtsnoeren ten behoeve van het mechanisme aan en komt zij met de aan het financiële mechanisme deelnemende entiteit of entiteiten regelingen overeen voor de uitvoering hiervan. Deze richtsnoeren behelzen onder meer:

8.

De Conferentie van de Partijen beoordeelt uiterlijk tijdens haar tweede zitting en daarna periodiek, de doeltreffendheid van het ingevolge dit artikel ingestelde mechanisme, de capaciteit ervan om te voldoen aan de veranderende behoeften van Partijen die ontwikkelingslanden zijn en Partijen met een overgangseconomie, de in het zevende lid bedoelde criteria en richtsnoeren, de hoogte van financiering alsmede de doeltreffendheid van de institutionele entiteiten die belast zijn met het beheer van het financieringmechanisme. Aan de hand van deze beoordeling treft de Conferentie van de Partijen indien nodig passende maatregelen ter verbetering van de doeltreffendheid van het mechanisme, onder andere door middel van aanbevelingen en richtsnoeren inzake maatregelen ter waarborging van passende en duurzame financiering teneinde in de behoeften van de Partijen te voorzien.

Artikel 14. Voorlopige financiële regelingen

De institutionele structuur van de Global Environment Facility, die functioneert overeenkomstig de Akte tot oprichting van de geherstructureerde Global Environment Facility is, voorlopig, de belangrijkste entiteit belast met de werking van het in artikel 13 bedoelde financieringsmechanisme, gedurende het tijdvak tussen de datum van inwerkingtreding van dit Verdrag en de eerste Conferentie van de Partijen, of totdat de Conferentie van de Partijen besluit welke institutionele structuur in overeenstemming met artikel 13 wordt benoemd. De institutionele structuur van de Global Environment Facility vervult deze functie door middel van operationele maatregelen die in het bijzonder verband houden met persistente organische verontreinigende stoffen, met inachtneming van het feit dat op dit gebied nieuwe regelingen nodig kunnen zijn.

Artikel 15. Verslaglegging

1.

Elke Partij brengt aan de Conferentie van de Partijen verslag uit over de door haar genomen maatregelen ter uitvoering van de bepalingen van dit Verdrag en over de doeltreffendheid van dergelijke maatregelen bij het bereiken van de doeleinden van het Verdrag.

2.

Elke Partij verstrekt aan het Secretariaat:

3.

Deze verslaglegging vindt periodiek plaats en in een vorm die door de Conferentie van de Partijen tijdens haar eerste zitting wordt vastgesteld.

Artikel 16. Toetsing van de doeltreffendheid

1.

Vier jaar na de inwerkingtreding van dit Verdrag, en daarna periodiek met een door de Conferentie van de Partijen te bepalen regelmaat, toetst de Conferentie van de Partijen de doeltreffendheid van dit Verdrag.

2.

Teneinde deze toetsing te vergemakkelijken, neemt de Conferentie van de Partijen tijdens haar eerste zitting besluiten omtrent de instelling van regelingen om zichzelf te voorzien van vergelijkbare monitoringgegevens met betrekking tot de aanwezigheid van de in Bijlage A, B en C vermelde chemische stoffen alsmede tot hun regionale en mondiale verspreiding in het milieu. Deze regelingen:

3.

De in het eerste lid beschreven toetsing vindt plaats op basis van de beschikbare wetenschappelijke, milieu-, technische en economische gegevens, met inbegrip van:

Artikel 17. Niet-naleving

Zodra dit uitvoerbaar is, worden door de Conferentie van de Partijen procedures en institutionele mechanismen ontwikkeld en goedgekeurd waarmee de naleving van de bepalingen van dit Verdrag kan worden gecontroleerd en kan worden opgetreden tegen Partijen die het Verdrag niet naleven.

Artikel 18. Regeling van geschillen

1.

Ingeval tussen Partijen een geschil ontstaat betreffende de interpretatie of de toepassing van dit Verdrag, regelen de betrokken Partijen dit geschil door middel van onderhandelingen of op een andere door henzelf te kiezen vreedzame wijze.

2.

Bij de bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring van dit Verdrag dan wel bij de toetreding hiertoe of op een later tijdstip kan een Partij die geen regionale organisatie voor economische integratie is, verklaren, door middel van een schriftelijke kennisgeving aan de depositaris, dat zij ten aanzien van een geschil betreffende de interpretatie of de toepassing van het Verdrag één van beide of beide hierna te noemen middelen voor geschillenregeling als dwingend aanvaardt ten aanzien van elke Partij die dezelfde verplichting op zich neemt:

3.

Een Partij die een regionale organisatie voor economische integratie is, kan een verklaring van gelijke strekking afleggen met betrekking tot arbitrage overeenkomstig de in het tweede lid, onder a, bedoelde procedure.

4.

Een op grond van het tweede of derde lid afgelegde verklaring blijft van kracht totdat deze overeenkomstig de daarin vermelde voorwaarden verstreken is, of tot drie maanden na indiening van de schriftelijke kennisgeving van herroeping bij de depositaris.

5.

Het verstrijken van een verklaring, een kennisgeving van herroeping of een nieuwe verklaring heeft hoe dan ook geen gevolgen voor geschillen die reeds bij een scheidsgerecht of bij het Internationale Gerechtshof aanhangig zijn gemaakt, tenzij de partijen bij het geschil anders overeenkomen.

6.

Indien de partijen bij een geschil niet dezelfde of geen enkele procedure als bedoeld in het tweede lid hebben aanvaard, en indien zij er niet in geslaagd zijn hun geschil te regelen binnen twaalf maanden na de kennisgeving van de ene partij aan de andere dat tussen hen een geschil bestaat, wordt het geschil op verzoek van één van de betrokken partijen aan een verzoeningscommissie voorgelegd. De verzoeningscommissie brengt een rapport uit met aanbevelingen. Uiterlijk bij de tweede vergadering van de Conferentie van de Partijen worden aanvullende procedures met betrekking tot de verzoeningscommissie opgenomen in een door de Conferentie van de Partijen goed te keuren bijlage.

Artikel 19. Conferentie van de Partijen

1.

Hierbij wordt een Conferentie van de Partijen ingesteld.

2.

Uiterlijk één jaar na de inwerkingtreding van dit Verdrag wordt de eerste Conferentie van de Partijen bijeengeroepen door de Directeur van UNEP. Daarna worden gewone vergaderingen van de Conferentie van de Partijen gehouden met een door de Conferentie te bepalen regelmaat.

3.

Buitengewone vergaderingen van de Conferentie van de Partijen kunnen op ieder ander tijdstip worden gehouden indien de Conferentie zulks noodzakelijk acht of op schriftelijk verzoek van een Partij, op voorwaarde dat dit verzoek door ten minste eenderde van de Partijen wordt gesteund.

4.

Tijdens haar eerste vergadering gaat de Conferentie van de Partijen bij consensus over tot goedkeuring en aanneming van een reglement van orde en een financieel reglement voor haarzelf en voor elk door haar in te stellen hulporgaan, alsmede van het financieel reglement betreffende het functioneren van het Secretariaat.

5.

De Conferentie van de Partijen toetst en evalueert voortdurend de uitvoering van dit Verdrag. Zij vervult de haar op grond van dit Verdrag toegewezen taken en daartoe:

6.

De Conferentie van de Partijen stelt tijdens haar eerste vergadering een hulporgaan in, aan te duiden als de „Toetsingscommissie persistente organische verontreinigende stoffen”, om de taken uit te voeren die op grond van dit Verdrag aan die Commissie zijn toegewezen. Ter zake geldt het volgende:

7.

De Conferentie van de Partijen beoordeelt tijdens haar derde vergadering de noodzaak tot instandhouding van de in artikel 3, tweede lid, onderdeel b, vervatte procedure, en onderzoekt de doeltreffendheid hiervan.

8.

De Verenigde Naties, haar gespecialiseerde organisaties en de Internationale Organisatie voor Atoomenergie, alsmede elke Staat die geen Partij bij dit Verdrag is, kunnen als waarnemer worden vertegenwoordigd tijdens de vergaderingen van de Conferentie van de Partijen. Elke andere instelling of organisatie, nationaal of internationaal, gouvernementeel of niet-gouvernementeel, die bevoegd is op gebieden die onder dit Verdrag vallen, en die aan het Secretariaat haar wens te kennen heeft gegeven tijdens een vergadering van de Conferentie van de Partijen als waarnemer vertegenwoordigd te zijn, kan als zodanig worden toegelaten, tenzij ten minste eenderde van de aanwezige Partijen hiertegen bezwaar maakt. De toelating en de deelneming van waarnemers worden geregeld in het door de Conferentie van de Partijen aangenomen reglement van orde.

Artikel 20. Secretariaat

1.

Hierbij wordt een Secretariaat ingesteld.

2.

Het Secretariaat heeft tot taak:

3.

De taken van het Secretariaat die verband houden met dit Verdrag worden gezamenlijk uitgevoerd door de Directeur van UNEP en de Directeur-Generaal van de FAO, tenzij de Conferentie van de Partijen met een meerderheid van drievierde van de aanwezige en hun stem uitbrengende Partijen besluit de secretariaatstaken toe te vertrouwen aan één of meer andere bevoegde internationale organisaties.

Artikel 21. Wijzigingen van het Verdrag

1.

Wijzigingen van dit Verdrag kunnen door elke Partij worden voorgesteld.

2.

Wijzigingen van dit Verdrag worden aangenomen tijdens een Vergadering van de Conferentie van de Partijen. De tekst van voorgestelde wijzigingen van dit Verdrag wordt uiterlijk zes maanden vóór de vergadering waarop zij ter aanneming worden voorgelegd, door het Secretariaat aan de Partijen toegezonden. Voorgestelde wijzigingen worden door het Secretariaat tevens toegezonden aan de ondertekenaars van dit Verdrag en, ter kennisgeving, aan de depositaris.

3.

De Partijen stellen alles in het werk om over elke voorgestelde wijziging van dit Verdrag consensus te bereiken. Indien alle pogingen om tot consensus te komen mislukken en geen overeenstemming is bereikt, wordt de wijziging in laatste instantie aangenomen met een meerderheid van drievierde van de op de vergadering aanwezige en hun stem uitbrengende Partijen.

4.

De wijziging wordt door de depositaris aan de Partijen toegezonden ter bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring.

5.

De bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring van wijzigingen wordt schriftelijk medegedeeld aan de depositaris. Overeenkomstig het derde lid aangenomen wijzigingen worden voor de Partijen die deze hebben aanvaard, van kracht negentig dagen nadat de akten van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring door ten minste drievierde van de Partijen zijn ingediend. Daarna worden de wijzigingen voor elke andere Partij van kracht op de negentigste dag na de datum waarop die Partij haar akte van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring van die wijzigingen heeft ingediend.

Artikel 22. Aanneming en wijziging van bijlagen

1.

De bijlagen bij dit Verdrag maken een integrerend deel uit van het Verdrag en een verwijzing naar het Verdrag vormt tegelijkertijd een verwijzing naar de bijlagen daarbij, tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald.

2.

De bijlagen hebben uitsluitend betrekking op aangelegenheden van procedurele, wetenschappelijke, technische of administratieve aard.

3.

De volgende procedure is van toepassing op het voorstellen, de aanneming en de inwerkingtreding van aanvullende bijlagen bij dit Verdrag:

4.

Voor het voorstellen, de aanneming en de inwerkingtreding van wijzigingen van Bijlage A, B of C gelden dezelfde procedures als voor het voorstellen, de aanneming en de inwerkingtreding van aanvullende bijlagen bij dit Verdrag, met dien verstande dat een wijziging van Bijlage A, B of C niet in werking treedt ten aanzien van een Partij die een verklaring met betrekking tot de wijzigingen van die Bijlagen heeft gedaan in overeenstemming met artikel 25, vierde lid, in welk geval een dergelijke wijziging ten aanzien van die Partij in werking treedt negentig dagen na de datum van de indiening bij de depositaris van haar akte van bekrachtiging, aanvaarding of datum van de goedkeuring van, of toetreding met betrekking tot een dergelijke wijziging.

5.

De volgende procedure is van toepassing op het voorstellen, de aanneming en de inwerkingtreding van een wijziging van Bijlage D, E of F:

6.

Indien een aanvullende bijlage of een wijziging van een bijlage verband houdt met een wijziging van dit Verdrag, treedt die aanvullende bijlage of die wijziging pas in werking wanneer de wijziging van het Verdrag van kracht wordt.

Artikel 23. Stemrecht

1.

Behoudens het bepaalde in het tweede lid, heeft elke Partij bij dit Verdrag één stem.

2.

Regionale organisaties voor economische integratie beschikken, wat binnen hun bevoegdheid vallende aangelegenheden betreft, over een aantal stemmen dat gelijk is aan het aantal stemmen van hun lidstaten die Partij zijn bij dit Verdrag. Bedoelde organisaties oefenen hun stemrecht niet uit indien een van hun lidstaten zijn stemrecht uitoefent, en omgekeerd.

Artikel 24. Ondertekening

Dit Verdrag is voor ondertekening opengesteld te Stockholm voor alle Staten en regionale organisaties voor economische integratie op 23 mei 2001 en op de zetel van de Verenigde Naties te New York van 24 mei 2001 tot en met 22 mei 2002.

Artikel 25. Bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding

1.

Dit Verdrag dient te worden bekrachtigd, aanvaard of goedgekeurd door Staten en regionale organisaties voor economische integratie. Het staat open voor toetreding door Staten en regionale organisaties voor economische integratie vanaf de dag na de datum waarop het Verdrag voor ondertekening gesloten is. De akten van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding dienen te worden nedergelegd bij de depositaris.

2.

Een regionale organisatie voor economische integratie die Partij wordt bij dit Verdrag zonder dat één van haar lidstaten Partij is, is gebonden aan alle verplichtingen krachtens het Verdrag. Wanneer één of meer lidstaten van een dergelijke organisatie Partij is of zijn bij dit Verdrag, besluiten de organisatie en haar lidstaten over hun respectieve verantwoordelijkheden met betrekking tot de nakoming van hun verplichtingen krachtens het Verdrag. In dergelijke gevallen zijn de organisatie en de lidstaten niet gerechtigd de uit het Verdrag voortvloeiende rechten tegelijkertijd uit te oefenen.

3.

In hun akten van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding geven regionale organisaties voor economische integratie de omvang van hun bevoegdheid ter zake van door het Verdrag geregelde aangelegenheden aan. Deze organisaties melden aan de depositaris ook elke relevante wijziging betreffende de omvang van hun bevoegdheid, en de depositaris stelt de Partijen daarvan in kennis.

4.

In haar akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding kan een Partij verklaren dat een wijziging van Bijlage A, B of C ten aanzien van haar eerst in werking treedt wanneer zij haar akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding ter zake heeft nedergelegd.

Artikel 26. Inwerkingtreding

1.

Dit Verdrag treedt in werking negentig dagen na de datum van nederlegging van de vijftigste akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding.

2.

Voor elke Staat of regionale organisatie voor economische integratie die na de nederlegging van de vijftigste akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding, dit Verdrag bekrachtigt, aanvaardt of goedkeurt, dan wel hiertoe toetreedt, treedt het Verdrag in werking negentig dagen na de datum van nederlegging van de akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding door die Staat of regionale organisatie voor economische integratie.

3.

Voor de toepassing van het eerste en tweede lid wordt de nederlegging van een akte door een regionale organisatie voor economische integratie niet meegeteld bij de door haar lidstaten nedergelegde akten.

Artikel 27. Voorbehouden

Ten aanzien van dit Verdrag kan geen enkel voorbehoud worden gemaakt.

Artikel 28. Opzegging

1.

Drie jaar na de datum waarop dit Verdrag voor een Partij in werking is getreden, kan die Partij te allen tijde het Verdrag opzeggen door middel van een schriftelijke kennisgeving aan de depositaris.

2.

De opzegging wordt van kracht een jaar na de datum waarop de depositaris de kennisgeving van opzegging heeft ontvangen of op een latere in de kennisgeving vermelde datum.

Artikel 29. Depositaris

De Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties is depositaris van dit Verdrag.

Artikel 30. Authentieke teksten

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)