Protocol bij het Verdrag van 1979 betreffende grensoverschrijdende luchtverontreiniging over lange afstand inzake vermindering van verzuring, eutrofiëring en ozon op leefniveau
De Partijen,
Vastbesloten het Verdrag betreffende grensoverschrijdende luchtverontreiniging over lange afstand uit te voeren,
Zich ervan bewust dat stikstofoxiden, zwavel, vluchtige organische stoffen, gereduceerde stikstofverbindingen en zwevende deeltjes in verband zijn gebracht met nadelige gevolgen voor de menselijke gezondheid en het milieu,
Bezorgd dat de voor de menselijke gezondheid en de vegetatie kritische belasting inzake verzuring, kritische belasting met stikstofnutriënten en kritische niveaus van ozon en zwevende deeltjes in vele gebieden van de regio van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties nog steeds worden overschreden,
Tevens bezorgd dat de emissie van stikstofoxiden, zwavel, vluchtige organische stoffen, ammoniak en rechtstreeks uitgestoten zwevende deeltjes, alsmede secundair gevormde verontreinigende stoffen zoals ozon, zwevende deeltjes en de reactieproducten van ammoniak in de atmosfeer over lange afstanden worden meegevoerd en nadelige grensoverschrijdende gevolgen kunnen hebben,
Erkennend de evaluaties van de wetenschappelijke inzichten door internationale organisaties, zoals het Milieuprogramma van de Verenigde Naties, en door de Arctische Raad, over de nevenvoordelen voor de menselijke gezondheid en het klimaat van het terugdringen van zwarte koolstof en ozon op leefniveau, met name in de arctische en alpiene gebieden,
Erkennend dat emissies van Partijen binnen de regio van de Europese Commissie voor Europa van de Verenigde Naties bijdragen tot luchtverontreiniging op het halfrond en in de wereld, en met erkenning van het transportpotentieel tussen de continenten en van de noodzaak van nader onderzoek met betrekking tot dat potentieel,
Tevens erkennend dat Canada en de Verenigde Staten van Amerika in bilateraal verband de grensoverschrijdende luchtverontreiniging aanpakken ingevolge de Canada – United States Air Quality Agreement, waarin beide landen zich verplichten tot het reduceren van emissies van zwaveldioxide, stikstofoxiden en vluchtige organische stoffen, en dat beide landen overwegen verplichtingen op te nemen om de emissies van zwevende deeltjes te verminderen,
Voorts erkennend dat Canada zich verplicht tot het bereiken van reducties voor zwaveldioxide, stikstofoxiden, vluchtige organische stoffen en zwevende deeltjes teneinde te voldoen aan de Canadian Ambient Air Quality Standards voor ozon en zwevende deeltjes en de nationale doelstelling om verzuring terug te dringen, en dat de Verenigde Staten zich verplichten tot het invoeren van programma’s voor reductie van de emissies van stikstofoxiden, zwaveldioxide, vluchtige organische stoffen en zwevende deeltjes teneinde te voldoen aan de National Ambient Air Quality Standards for Ozone and Particulate Matter, tot het maken van gestage vorderingen bij het terugdringen van de gevolgen van verzuring en eutrofiëring en tot het verbeteren van het zicht in zowel nationale parken als stedelijke gebieden,
Vastbesloten om een benadering toe te passen waarbij meerdere effecten van meerdere verontreinigende stoffen tegelijk worden aangepakt, teneinde de overschrijdingen van kritische belasting en kritische niveaus te voorkomen of tot een minimum terug te brengen,
Rekening houdend met de wetenschappelijke inzichten over hemisferisch transport van luchtverontreiniging, de invloed van de stikstofkringloop en de mogelijke synergieën en belangenafweging tussen luchtverontreiniging en klimaatverandering,
Zich ervan bewust dat emissies uit de scheepvaart en luchtvaart aanzienlijk bijdragen aan de nadelige gevolgen voor de menselijke gezondheid en het milieu en belangrijke kwesties zijn waarover de Internationale Maritieme Organisatie en de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie zich buigen,
Met het vaste voornemen maatregelen te treffen teneinde op emissies van deze stoffen te anticiperen, deze te vermijden of tot een minimum terug te brengen, rekening houdend met de toepassing van de voorzorgsbenadering zoals omschreven in beginsel 15 van de Verklaring van Rio inzake milieu en ontwikkeling,
Nogmaals bevestigend dat de Staten, overeenkomstig het Handvest van de Verenigde Naties en de beginselen van internationaal recht, het soevereine recht hebben hun eigen hulpbronnen te exploiteren volgens hun eigen milieu- en ontwikkelingsbeleid alsmede ervoor verantwoordelijk zijn dat activiteiten die onder hun rechtsmacht of toezicht worden verricht, geen schade veroorzaken aan het milieu van andere Staten of van gebieden die buiten de grenzen van de nationale rechtsmacht vallen,
Zich bewust van de noodzaak van een kostenbewuste regionale aanpak voor de bestrijding van luchtverontreiniging, die rekening houdt met de van land tot land uiteenlopende gevolgen en kosten van bestrijding,
Wijzend op de belangrijke bijdrage van de particuliere en de niet-gouvernementele sector aan de kennis van de gevolgen van deze stoffen en beschikbare bestrijdingstechnieken alsmede op de rol van deze sectoren bij de totstandbrenging van een vermindering van de emissies in de atmosfeer,
Indachtig het feit dat maatregelen die zijn getroffen ter vermindering van emissies van zwavel, stikstofoxiden, ammoniak, vluchtige organische stoffen en zwevende deeltjes, niet als middel tot willekeurige of ongerechtvaardigde discriminatie of als verkapte beperking van de internationale concurrentie of handel mogen dienen,
In overweging nemend de beste beschikbare wetenschappelijke en technische kennis en gegevens inzake emissies, atmosferische processen en gevolgen van deze stoffen voor de menselijke gezondheid en het milieu, alsmede inzake de bestrijdingskosten, en erkennend dat het noodzakelijk is deze kennis te verbeteren en de wetenschappelijke en technische samenwerking voort te zetten teneinde beter inzicht in deze problemen te verkrijgen,
Erop wijzend dat er ingevolge het Protocol inzake de beheersing van stikstofoxiden of van de grensoverschrijdende stromen van deze stikstofverbindingen, aangenomen te Sofia op 31 oktober 1988, en het Protocol inzake de beheersing van emissies van vluchtige organische stoffen of hun grensoverschrijdende stromen, aangenomen te Genève op 18 november 1991, reeds is voorzien in beheersing van emissies van stikstofoxiden en vluchtige organische stoffen, en dat de technische bijlagen bij deze beide Protocollen reeds technische aanwijzingen bevatten ter vermindering van deze emissies,
Tevens erop wijzend dat er ingevolge het Protocol met betrekking tot een verdere beperking van zwavelemissies, aangenomen te Oslo op 14 juni 1994, reeds is voorzien in de vermindering van zwavelemissies teneinde bij te dragen tot de bestrijding van zure neerslag door de overschrijdingen van de kritische zwaveldepositie, welke is afgeleid van de kritische belasting inzake verzuring overeenkomstig de bijdrage van geoxideerde zwavelverbindingen tot de totale zure depositie in 1990, te verkleinen,
Voorts erop wijzend dat dit Protocol de eerste overeenkomst ingevolge het Verdrag is die zich specifiek bezighoudt met gereduceerde stikstofverbindingen en zwevende deeltjes, met inbegrip van zwarte koolstof,
Erop wijzend dat maatregelen die zijn getroffen om de emissies van stikstofoxiden en gereduceerde stikstofverbindingen te verminderen, rekening dienen te houden met de volledige biogeochemische stikstofkringloop en, voorzover mogelijk, niet de emissies dienen te verhogen van reactieve stikstof, met inbegrip van distikstofoxide- en nitraatgehaltes in ecosystemen, die andere met stikstof verband houdende problemen zouden kunnen verergeren,
Zich ervan bewust dat door menselijke activiteiten veroorzaakte emissies van methaan en koolmonoxide in de aanwezigheid van stikstofoxiden en vluchtige organische stoffen bijdragen aan de vorming van ozon op leefniveau, en
Zich voorts bewust van de verplichtingen die de Partijen zijn aangegaan in het kader van het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering,
Zijn overeengekomen als volgt:
Artikel 1. Begripsomschrijvingen
Voor de toepassing van dit Protocol wordt verstaan onder:
-
- „Verdrag”: het Verdrag betreffende grensoverschrijdende luchtverontreiniging over lange afstand, aangenomen te Genève op 13 november 1979;
- 1 bis. „Dit Protocol”, „het Protocol” en „het onderhavige Protocol”: het Protocol van 1999 inzake vermindering van verzuring, eutrofiëring en ozon op leefniveau, zoals van tijd tot tijd gewijzigd;
-
- „EMEP”: het programma voor samenwerking inzake de monitoring en evaluatie van het transport van luchtverontreinigende stoffen over lange afstand in Europa;
-
- „Uitvoerend Orgaan”: het Uitvoerend Orgaan voor het Verdrag, opgericht ingevolge artikel 10, lid 1, van het Verdrag;
-
- „Commissie”: de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties;
-
- „Partijen”: tenzij in de context anders bedoeld, de Partijen bij dit Protocol;
-
- „geografische reikwijdte van het EMEP”: het gebied omschreven in artikel 1, vierde punt, van het Protocol bij het Verdrag van 1979 betreffende grensoverschrijdende luchtverontreiniging over lange afstand aangaande de langlopende financiering van het programma voor samenwerking inzake de monitoring en evaluatie van het transport van luchtverontreinigende stoffen over lange afstand in Europa (EMEP), aangenomen te Genève op 28 september 1984;
-
- „emissie”: uitstoot van een stof in de atmosfeer vanuit een puntbron of een diffuse bron;
-
- „stikstofoxiden”: stikstofmonoxide en stikstofdioxide, uitgedrukt als stikstofdioxide (NO2);
-
- „gereduceerde stikstofverbindingen”: ammoniak en de reactieproducten daarvan, uitgedrukt als ammoniak (NH3);
-
- „zwavel”: alle zwavelverbindingen, uitgedrukt als zwaveldioxide (SO2);
-
- „vluchtige organische stoffen” of „VOS”: tenzij anders aangegeven, alle organische verbindingen van antropogene aard, behalve methaan, die fotochemische oxidatiemiddelen kunnen vormen door reactie met stikstofoxiden in aanwezigheid van zonlicht;
- 11 bis. „Zwevende deeltjes” of „PM”: een vorm van luchtverontreiniging bestaande uit een mengsel van deeltjes die in de lucht zweven. Deze deeltjes verschillen qua fysische eigenschappen (zoals omvang en vorm) en chemische samenstelling. Tenzij anders vermeld hebben alle verwijzingen naar zwevende deeltjes in het onderhavige Protocol betrekking op deeltjes met een aerodynamische diameter gelijk aan of kleiner dan 10 micron (μm) (PM10), met inbegrip van deeltjes met een aerodynamische diameter gelijk aan of kleiner dan 2,5 μm (PM2,5);
- 11 ter. „zwarte koolstof”: koolstofhoudende zwevende deeltjes die licht absorberen;
- 11 quater. „ozonprecursoren”: stikstofoxiden, vluchtige organische stoffen, methaan en koolstofmonoxide;
-
- „kritische belasting”: een kwantitatieve schatting van een blootstelling aan een of meer verontreinigende stoffen beneden welke zich volgens de huidige kennis geen aanzienlijke schadelijke gevolgen voor nader omschreven kwetsbare componenten van het milieu voordoen;
-
- „kritisch niveau”: de concentratie van verontreinigende stoffen in de atmosfeer of stromen naar receptoren boven welke zich volgens de huidige kennis directe schadelijke gevolgen voor receptoren zoals mensen, planten, ecosystemen of materialen, kunnen voordoen;
-
- „beheersgebied voor verontreinigende emissies” of „PEMA” (Pollutant Emissions Management Area): een gebied als zodanig aangemerkt in bijlage III onder de in artikel 3, lid 9, genoemde voorwaarden;
-
- „stationaire bron”: alle vaste gebouwen, constructies, faciliteiten, installaties of apparaten die zwavel, stikstofoxiden, vluchtige organische stoffen, ammoniak of zwevende deeltjes direct of indirect in de atmosfeer uitstoten of kunnen uitstoten;
-
- „nieuwe stationaire bron”: een stationaire bron met de bouw of ingrijpende wijziging waarvan een aanvang is gemaakt na het verstrijken van een jaar vanaf de datum van inwerkingtreding voor een Partij van het onderhavige Protocol. Een Partij kan besluiten een stationaire bron niet als nieuwe stationaire bron te behandelen indien voor deze bron reeds toestemming is gegeven door de desbetreffende bevoegde nationale autoriteiten ten tijde van de inwerkingtreding van het Protocol voor die Partij en op voorwaarde dat binnen vijf jaar na die datum is begonnen met de bouw of ingrijpende wijziging. Het is aan de bevoegde nationale autoriteiten te beslissen of een wijziging al dan niet ingrijpend is, rekening houdend met factoren als de voordelen van de wijziging voor het milieu.
Artikel 2. Doel
Het doel van dit Protocol is het beheersen van en verminderen van emissies van zwavel, stikstofoxiden, ammoniak, vluchtige organische stoffen en zwevende deeltjes die worden veroorzaakt door antropogene activiteiten en die waarschijnlijk nadelige gevolgen hebben voor de menselijke gezondheid en het milieu, natuurlijke ecosystemen, materialen, gewassen en het klimaat op de korte en lange termijn door verzuring, eutrofiëring, zwevende deeltjes en ozon op leefniveau ten gevolge van grensoverschrijdende verplaatsing door de atmosfeer over lange afstand en het voorzover mogelijk waarborgen dat op de lange termijn en met een stapsgewijze benadering, rekening houdend met vooruitgang van de wetenschappelijke kennis, atmosferische depositie of concentraties niet groter zijn dan:
- a. voor Partijen binnen de geografische reikwijdte van het EMEP en Canada, de kritische belasting inzake verzuring, zoals omschreven in bijlage I, die herstel van het ecosysteem mogelijk maakt;
- b. voor Partijen binnen de geografische reikwijdte van het EMEP, de kritische belasting met stikstofnutriënten, zoals omschreven in bijlage I, die herstel van het ecosysteem mogelijk maakt;
- c. voor ozon:
- i. voor Partijen binnen de geografische reikwijdte van het EMEP, de kritische ozonniveaus, zoals genoemd in bijlage I;
- ii. voor Canada, Canadian Ambient Air Quality Standard; en
- iii. voor de Verenigde Staten van Amerika, de National Ambient Air Quality Standard for Ozone.
- d. voor zwevende deeltjes:
- i. voor Partijen binnen de geografische reikwijdte van het EMEP, de kritische niveaus voor zwevende deeltjes, zoals genoemd in bijlage I:
- ii. Voor Canada, de Canadian Ambient Air Quality Standards for particulate matter; en
- iii. voor de Verenigde Staten van Amerika, de National Ambient Air Quality Standards for particulate matter;
- e. voor Partijen binnen de geografische reikwijdte van het EMEP, de kritische ammoniakniveaus, zoals genoemd in bijlage I: en
- f. voor Partijen binnen de geografische reikwijdte van het EMEP, de aanvaardbare niveaus van luchtverontreinigende stoffen om materialen te beschermen, zoals genoemd in bijlage I.
Een ander doel is dat de Partijen bij het invoeren van maatregelen om hun nationale doelstellingen voor zwevende deeltjes te verwezenlijken voorrang dienen te geven, in de mate die zij passend achten, aan emissiereductiemaatregelen die tevens zwarte koolstof aanzienlijk verminderen, hetgeen voordelen voor de menselijke gezondheid en het milieu oplevert en de klimaatverandering op korte termijn helpt te beperken.
Artikel 3. Fundamentele verplichtingen
Elke Partij die een emissiereductieverplichting heeft in een van de tabellen in bijlage II, vermindert en handhaaft de vermindering van haar jaarlijkse emissies in overeenstemming met die verplichting en de in die bijlage nader omschreven tijdschema's. Elke Partij controleert ten minste haar jaarlijkse emissies van verontreinigende stoffen overeenkomstig de verplichtingen in bijlage II. Bij het nemen van stappen om de emissies van zwevende deeltjes te verminderen, dient elke Partij te streven naar reducties bij de bronnen waarvan bekend is dat ze grote hoeveelheden zwarte koolstof uitstoten, in de mate die zij passend acht.
Elke Partij past, met inachtneming van de leden 2 bis en 2 ter, de in de bijlagen IV, V, VI en X vermelde grenswaarden toe op elke nieuwe stationaire bron binnen een in die bijlagen omschreven categorie van stationaire bronnen, uiterlijk volgens de in bijlage VII vermelde tijdschema's. Bij wijze van alternatief kan een Partij andere strategieën voor emissiereductie toepassen die leiden tot gelijkwaardige algehele emissieniveaus voor alle categorieën van bronnen tezamen.
2 bis. Een Partij die reeds Partij was bij het onderhavige Protocol voor de inwerkingtreding van een wijziging waarmee nieuwe broncategorieën werden ingevoerd, mag de grenswaarden die van toepassing zijn op een „bestaande stationaire bron” toepassen op elke bron in een nieuwe broncategorie met de bouw of ingrijpende wijziging waarvan een aanvang is gemaakt voor het verstrijken van een jaar vanaf de datum van inwerkingtreding van die wijziging voor die Partij, tenzij en totdat die bron nadien een ingrijpende wijziging ondergaat.
2 ter. Een Partij die reeds Partij was bij het onderhavige Protocol voor de inwerkingtreding van een wijziging waarmee nieuwe grenswaarden werden ingevoerd die van toepassing zijn op een „nieuwe stationaire bron” mag de daarvoor reeds van toepassing zijnde grenswaarden blijven toepassen op elke bron met de bouw of ingrijpende wijziging waarvan een aanvang is gemaakt voor het verstrijken van een jaar vanaf de datum van inwerkingtreding van die wijziging voor die Partij, tenzij en totdat die bron nadien een ingrijpende wijziging ondergaat.
Elke Partij past, met inachtneming van de leden 2 bis en 2 ter, voorzover dit technisch en economisch haalbaar is en de kosten en voordelen in overweging nemend, de in de bijlagen IV, V, VI en X vermelde grenswaarden toe op elke bestaande stationaire bron binnen een in die bijlagen omschreven categorie van stationaire bronnen, uiterlijk volgens het in bijlage VII vermelde tijdschema. Bij wijze van alternatief kan een Partij andere strategieën voor emissiereductie toepassen die leiden tot gelijkwaardige algehele emissieniveaus voor alle categorieën van bronnen tezamen of die, voor Partijen buiten de geografische reikwijdte van het EMEP, noodzakelijk zijn om nationale of regionale doelstellingen voor de bestrijding van verzuring te bereiken en om te voldoen aan nationale luchtkwaliteitsnormen.
Vervallen.
Elke Partij past de grenswaarden voor de in bijlage VIII omschreven brandstoffen en nieuwe mobiele bronnen toe uiterlijk volgens de in bijlage VII vermelde tijdschema's.
Elke Partij past de beste beschikbare technieken toe op mobiele bronnen die vallen onder bijlage VIII en op elke stationaire bron die valt onder de bijlagen IV, V, VI en X, en al naargelang zij dit passend acht, maatregelen om zwarte koolstof als onderdeel van zwevende deeltjes te beheersen, rekening houdend met de door het Uitvoerend Orgaan aangenomen richtlijn.
Elke Partij past, voor zover dit technisch en economisch haalbaar is en rekening houdend met de kosten en voordelen, de grenswaarden voor de gehaltes aan vluchtige organische stoffen van in bijlage XI geïdentificeerde producten toe, in overeenstemming met de in bijlage VII gespecificeerde tijdschema’s.
Elke Partij past toe, met inachtneming van het bepaalde in lid 10:
- a. ten minste de in bijlage IX omschreven beheersmaatregelen voor ammoniak; en
- b. wanneer zij dit passend acht, de beste beschikbare technieken ter voorkoming en vermindering van ammoniakemissies, zoals opgenomen in de door het Uitvoerend Orgaan aangenomen richtlijn. Er dient bijzonder aandacht te worden geschonken aan de reductie van ammoniakemissies van belangrijke bronnen van ammoniak voor die Partij.
Lid 10 is van toepassing op elke Partij:
- a. waarvan het totale grondoppervlak groter is dan twee miljoen vierkante kilometer;
- b. waarvan de jaarlijkse emissies van zwavel, stikstofoxiden, ammoniak, vluchtige organische stoffen en/of zwevende deeltjes die bijdragen tot verzuring, eutrofiëring, ozonvorming of hogere concentraties zwevende stoffen in gebieden onder de rechtsmacht van een of meer andere Partijen, overwegend afkomstig zijn vanuit een gebied onder haar rechtsmacht dat als PEMA is opgenomen in bijlage III, en die daartoe informatie heeft overgelegd in overeenstemming met het gestelde onder c;
- c. die bij de ondertekening, bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring van of toetreding tot dit Protocol een beschrijving heeft overgelegd van de geografische reikwijdte van een of meer PEMA's voor een of meer verontreinigende stoffen, met ondersteunende documentatie, ter opneming in bijlage III; en
- d. die bij de ondertekening, bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring van of toetreding tot dit Protocol blijk heeft gegeven van haar voornemen te handelen in overeenstemming met dit lid.
Een Partij waarop dit lid van toepassing is, is:
- a. indien zij ligt binnen de geografische reikwijdte van het EMEP, slechts tot naleving van de bepalingen van dit artikel en van bijlage II verplicht binnen het desbetreffende PEMA voor elke verontreinigende stof waarvoor een PEMA binnen haar rechtsmacht is opgenomen in bijlage III; of
- b. indien zij niet ligt binnen de geografische reikwijdte van het EMEP, slechts tot naleving van de bepalingen van de leden 1, 2, 3, 5, 6 en 7 en van bijlage II verplicht binnen het desbetreffende PEMA voor elke verontreinigende stof (stikstofoxiden, zwavel, vluchtige organische stoffen en/of zwevende deeltjes) waarvoor een PEMA binnen haar rechtsmacht is opgenomen in bijlage III, en is nergens binnen haar rechtsmacht verplicht tot naleving van lid 8.
Bij de bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring van of toetreding tot het onderhavige Protocol of de wijziging vervat in besluit 2012/2 overleggen Canada en de Verenigde Staten van Amerika hun respectieve emissiereductieverplichtingen ten aanzien van zwavel, stikstofoxiden, vluchtige organische stoffen en zwevende deeltjes aan het Uitvoerend Orgaan ten behoeve van de automatische verwerking in bijlage II.
11 bis. Bij de bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring van of toetreding tot het onderhavige Protocol overlegt Canada daarnaast relevante grenswaarden aan het Uitvoerend Orgaan ten behoeve van automatische verwerking in de bijlagen IV, V, VI, VIII, X en XI.
11 ter. Elke Partij ontwikkelt en onderhoudt inventarissen en ramingen voor emissies van zwaveldioxide, stikstofoxiden, ammoniak, vluchtige organische stoffen en zwevende deeltjes. Partijen binnen de geografische reikwijdte van het EMEP gebruiken de methoden die omschreven staan in de richtlijnen die zijn opgesteld door het bestuursorgaan van het EMEP en aangenomen door de Partijen tijdens een zitting van het Uitvoerend Orgaan. Partijen in gebieden buiten de geografische reikwijdte van het EMEP gebruiken de methoden die op basis van het werkplan van het Uitvoerend Orgaan zijn ontwikkeld, als richtlijn.
11 quater. Elke Partij dient actief deel te nemen aan programma's uit hoofde van het Verdrag over de gevolgen van luchtverontreiniging voor de menselijke gezondheid en het milieu.
11 quinquies. Ten behoeve van het vergelijken van de totale nationale emissiewaarden met de emissiereductieverplichtingen zoals bedoeld in het eerste lid, mag een Partij een procedure gebruiken die omschreven is in een besluit van het Uitvoerend Orgaan. Een dergelijke procedure dient bepalingen te bevatten voor het indienen van ondersteunende documenten en inzake toetsing van het gebruik van de procedure.
De Partijen gaan, met inachtneming van het resultaat van de eerste toetsing ingevolge artikel 10, lid 2, en uiterlijk een jaar na de afronding van die toetsing, onderhandelingen aan inzake verdere verplichtingen ter vermindering van de emissies.
Artikel 4. Uitwisseling van informatie en technologie
Elke Partij schept, op een wijze die verenigbaar is met haar wetten, voorschriften en gewoonten en in overeenstemming met haar verplichtingen in dit Protocol, gunstige voorwaarden om de uitwisseling van informatie, technologieën en technieken te vergemakkelijken, ter vermindering van de emissies van zwavel, stikstofoxiden, ammoniak, vluchtige organische stoffen en zwevende deeltjes, met inbegrip van zwarte koolstof, door bevordering van, onder meer:
- 1). het ontwikkelen en bijwerken van gegevensbanken betreffende de beste beschikbare technieken, met inbegrip van die ter vergroting van het energierendement, branders met geringe emissie, goede milieupraktijken in de landbouw en maatregelen waarvan bekend is dat zij emissies van zwarte koolstof als onderdeel van zwevende deeltjes beperken;
- 2). het uitwisselen van informatie en ervaring bij de ontwikkeling van minder verontreinigende vervoerssystemen;
- 3). rechtstreekse industriële contacten en samenwerking, met inbegrip van gezamenlijke ondernemingen (joint ventures); en
- 4). het verlenen van technische bijstand.
Ter bevordering van de in het lid 1 van dit artikel genoemde activiteiten scheppen de Partijen gunstige voorwaarden voor het vergemakkelijken van contacten en samenwerking tussen daarvoor in aanmerking komende organisaties en personen in de private en de publieke sector die technologische, ontwerp- en technische diensten, apparatuur of financiële middelen kunnen verschaffen.
Artikel 5. Bewustmaking van het publiek
Elke Partij bevordert, op een wijze die verenigbaar is met haar wetten, voorschriften en gewoonten, de verstrekking van informatie aan het grote publiek, met inbegrip van informatie over:
- a. nationale jaarlijkse emissies van zwavel, stikstofoxiden, ammoniak, vluchtige organische stoffen en zwevende deeltjes, met inbegrip van zwarte koolstof en vooruitgang betreffende de inachtneming van de emissiereductieverplichtingen en andere in artikel 3 bedoelde verplichtingen;
- b. deposities en concentraties van de relevante verontreinigende stoffen en, waar van toepassing, deze deposities en concentraties met betrekking tot de in artikel 2 bedoelde kritische belasting en kritische niveaus;
- c. niveaus van ozon op leefniveau en zwevende deeltjes;
- d. toegepaste of toe te passen strategieën en maatregelen ter vermindering van problemen van luchtvervuiling waarop dit Protocol betrekking heeft en die zijn weergegeven in artikel 6; en
- e. De verbeteringen van het milieu en de menselijke gezondheid in verband met het verwezenlijken van de emissiereductieverplichtingen voor 2020 en verder zoals opgesomd in bijlage II. Voor landen binnen de geografische reikwijdte van het EMEP wordt informatie over dergelijke verbeteringen gepresenteerd in de door het Uitvoerend Orgaan aangenomen richtlijn.
Voorts kan elke Partij informatie algemeen ter beschikking stellen van het publiek met de bedoeling om emissies tot een minimum terug te brengen, met inbegrip van informatie over:
- a. minder verontreinigende brandstoffen, duurzame energie en energierendement, met inbegrip van het gebruik daarvan bij vervoer;
- b. vluchtige organische stoffen in producten, met inbegrip van etikettering;
- c. opties voor het beheer van publieksafval dat vluchtige organische stoffen bevat;
- d. goede landbouwpraktijken ter vermindering van ammoniakemissies;
- e. gevolgen voor de menselijke gezondheid, het milieu en het klimaat in verband met vermindering van de verontreinigende stoffen die onder dit Protocol vallen; en
- f. stappen die personen en industrieën kunnen ondernemen om de emissies van de verontreinigende stoffen die onder dit Protocol vallen, te helpen verminderen.
Artikel 6. Strategieën, beleidslijnen, programma's, maatregelen en informatie
Elke Partij handelt, waar noodzakelijk en op basis van verantwoorde wetenschappelijke en economische criteria, als volgt teneinde de naleving van haar verplichtingen ingevolge artikel 3 te vergemakkelijken:
- a. zij stelt ondersteunende strategieën, beleidslijnen en programma's vast, zonder onnodige vertraging nadat dit Protocol voor haar in werking is getreden;
- b. zij past maatregelen toe voor het beheersen en verminderen van haar emissies van zwavel, stikstofoxiden, ammoniak, vluchtige organische stoffen en zwevende deeltjes;
- c. zij past maatregelen toe ter aanmoediging van de vergroting van het energierendement en het gebruik van duurzame energie;
- d. zij past maatregelen toe om het gebruik van verontreinigende brandstoffen te verminderen;
- e. zij ontwikkelt en introduceert minder verontreinigende vervoerssystemen en bevordert verkeersbeheersystemen die de algehele emissies van het wegverkeer verminderen;
- f. zij past maatregelen toe ter aanmoediging van de ontwikkeling en introductie van processen en producten met geringe verontreiniging, rekening houdend met de door het Uitvoerend Orgaan aangenomen richtlijn;
- g. zij moedigt het nakomen aan van beheerprogramma's ter vermindering van emissies, met inbegrip van vrijwillige programma's, en het gebruik van economische instrumenten, rekening houdend met het door het Uitvoerend Orgaan aangenomen richtlijn;
- h. zij geeft uitvoering aan en ontwikkelt beleid en maatregelen in overeenstemming met haar nationale omstandigheden, zoals het geleidelijk verminderen en het geleidelijk doen verdwijnen van onvolkomenheden in de markt, fiscale stimuleringsmaatregelen, vrijstellingen van belastingen en heffingen en subsidies in alle sectoren die zwavel, stikstofoxiden, ammoniak, vluchtige organische stoffen en zwevende deeltjes uitstoten die indruisen tegen de doelstelling van het Protocol, en zij past marktinstrumenten toe; en
- i. zij past maatregelen toe, waar deze rendabel zijn, om emissies van afvalproducten die vluchtige organische stoffen bevatten, te verminderen.
Elke Partij verzamelt en houdt informatie bij over:
- a. omgevingsconcentraties en depositiewaarden voor zwavel en stikstofverbindingen;
- b. omgevingsconcentraties van ozon, vluchtige organische stoffen en zwevende deeltjes; en
- c. mits praktisch uitvoerbaar, ramingen van de blootstelling aan ozon op leefniveau en zwevende deeltjes.
Mits praktisch uitvoerbaar verzamelt elke Partij informatie, en houdt deze bij, over de gevolgen van al deze verontreinigende stoffen voor de menselijke gezondheid, land- en waterecosystemen, materialen en het klimaat. Partijen binnen de geografische reikwijdte van het EMEP dienen de door het Uitvoerend Orgaan aangenomen richtlijnen te gebruiken. Partijen buiten de geografische reikwijdte van het EMEP dienen de methoden die op basis van het werkplan van het Uitvoerend Orgaan zijn ontwikkeld, als richtlijn te gebruiken.
2 bis. Elke Partij dient, voor zover zij dit passend acht, ook inventarissen en ramingen te ontwikkelen en bij te houden voor emissies van zwarte koolstof, gebruikmakend van de door het Uitvoerend Orgaan aangenomen richtlijnen.
De Partijen kunnen stringentere maatregelen nemen dan die in dit Protocol voorgeschreven zijn.
Artikel 7. Verslaglegging
Met inachtneming van haar wetten en voorschriften en in overeenstemming met haar verplichtingen ingevolge dit Protocol:
- a. verstrekt elke Partij, via de uitvoerend secretaris van de Commissie, met een tijdens een zitting van het Uitvoerend Orgaan door de Partijen vastgestelde regelmaat, aan het Uitvoerend Orgaan informatie over de maatregelen die zij heeft genomen om dit Protocol ten uitvoer te leggen. Voorts geldt dat:
- i. wanneer een Partij ingevolge artikel 3, leden 2 en 3, afwijkende strategieën voor emissiereductie toepast, zij schriftelijk toelicht welke strategieën zij toepast en hoe zij voldoet aan de vereisten van die leden;
- ii. wanneer een Partij bepaalde grenswaarden, zoals omschreven in overeenstemming met artikel 3, leden 3 en 7, in aanmerking genomen de kosten en baten, technisch niet uitvoerbaar en economisch onverantwoord acht, zij hierbij informatie en een toelichting verstrekt;
- b. verstrekt elke Partij binnen de geografische reikwijdte van het EMEP, via de uitvoerend secretaris van de Commissie, de volgende informatie aan het EMEP over emissies van zwaveldioxide, stikstofoxiden, ammoniak, vluchtige organische stoffen en zwevende deeltjes, op basis van door het bestuursorgaan van het EMEP opgestelde en door het Uitvoerend Orgaan aangenomen richtlijnen:
- i. emissieniveaus, waarbij zij, ten minste, gebruikmaakt van de methodologieën en de resolutie in tijd en ruimte als aangegeven door het bestuursorgaan van het EMEP;
- ii. emissieniveaus in het referentiejaar gespecificeerd in bijlage II, daarbij dezelfde methodologieën en resolutie in tijd en ruimte gebruikend;
- iii. gegevens over geprognosticeerde emissies; en
- iv. een Informative Inventory Report met gedetailleerde informatie over emissie-inventarissen die zijn gerapporteerd en emissieramingen;
- b bis. dient elke Partij binnen de geografische reikwijdte van het EMEP via de uitvoerend secretaris van de Commissie aan het Uitvoerend Orgaan de beschikbare informatie te verstrekken over haar programma's inzake de gevolgen van luchtverontreiniging voor de menselijke gezondheid en het milieu en programma's voor luchtmonitoring en atmosferische modellering uit hoofde van het Verdrag, gebruikmakend van de door het Uitvoerend Orgaan aangenomen richtlijnen;
- c. verstrekken Partijen in gebieden buiten de geografische reikwijdte van het EMEP beschikbare informatie over emissieniveaus, met inbegrip van het in bijlage II gespecificeerde referentiejaar en passend bij het geografisch gebied dat onder hun emissiereductieverplichtingen valt. Partijen in gebieden buiten de geografische reikwijdte van het EMEP dienen informatie beschikbaar te stellen die vergelijkbaar is met die omschreven in onderdeel b bis, indien hen daarom door het Uitvoerend Orgaan wordt verzocht.
- d. dient elke Partij tevens, indien beschikbaar, haar emissie-inventarissen en -ramingen voor emissies van zwarte koolstof te verstrekken, gebruikmakend van de door het Uitvoerend Orgaan aangenomen richtlijnen.
De overeenkomstig lid 1, onder a, te verstrekken informatie is in overeenstemming met een tijdens een zitting van het Uitvoerend Orgaan door de Partijen aan te nemen besluit betreffende vorm en inhoud. De bepalingen van dit besluit worden indien nodig nader bezien, teneinde na te gaan of aanvullende elementen betreffende de vorm of inhoud van de informatie in de rapporten moeten worden opgenomen.
Op verzoek en in overeenstemming met de tijdschema's die door het Uitvoerend Orgaan zijn vastgesteld, verstrekken het EMEP en de overige hulporganen het Uitvoerend Orgaan relevante informatie over:
- a. omgevingsconcentraties en depositiewaarden voor zwavel- en stikstofverbindingen alsmede, voorzover beschikbaar, omgevingsconcentraties van zwevende deeltjes, met inbegrip van zwarte koolstof, vluchtige organische stoffen en ozon; en
- b. berekeningen van zwavel- en geoxideerde en gereduceerde stikstofbegrotingen en relevante informatie omtrent de verplaatsing over lange afstand van zwevende deeltjes, ozon op leefniveau en hun precursoren;
- c. Nadelige gevolgen voor de menselijke gezondheid, natuurlijke ecosystemen, materialen en gewassen, met inbegrip van interacties met klimaatverandering en het milieu in verband met de stoffen waarop het onderhavige Protocol van toepassing is, en vooruitgang bij verbeteringen in de menselijke gezondheid en het milieu, zoals beschreven in de door het Uitvoerend Orgaan aangenomen richtlijn; en
- d. De berekening van stikstofbegrotingen, efficiëntie van het stikstofgebruik, en stikstofoverschotten en de verbeteringen daarvan binnen het geografische gebied van het EMEP, gebruikmakend van de door het Uitvoerend Orgaan aangenomen richtlijn.
In overeenstemming met artikel 10, lid 2, onder b van het Verdrag zorgt het Uitvoerend Orgaan ervoor dat informatie beschikbaar komt over de gevolgen van de depositie van zwavel- en stikstofverbindingen en de concentraties van ozon en zwevende deeltjes.
De Partijen dragen, op zittingen van het Uitvoerend Orgaan, zorg voor het met regelmatige tussenpozen verzorgen van herziene informatie omtrent berekende en internationaal geoptimaliseerde toewijzingen van emissiereducties voor de Staten binnen de geografische reikwijdte van het EMEP, gebruikmakend van geïntegreerde evaluatiemodellen, met inbegrip van modellen voor verplaatsing door de atmosfeer, teneinde, voor de toepassing van artikel 3, lid 1, het verschil tussen de feitelijke depositie van zwavel- en stikstofverbindingen en de waarden van de kritische belasting alsmede het verschil tussen feitelijke concentraties van ozon en zwevende deeltjes en de in bijlage I vermelde kritische niveaus van ozon en zwevende deeltjes verder te verminderen, of zodanige alternatieve evaluatiemethoden als door Partijen goedgekeurd worden op een zitting van het Uitvoerend Orgaan.
Niettegenstaande artikel 7, eerste lid, onderdeel b, mag een Partij het Uitvoerend Orgaan om toestemming vragen een beperkte inventaris voor een bepaalde verontreinigende stof of stoffen te verstrekken indien:
- a. de Partij daarvoor ingevolge het onderhavige Protocol of enig ander protocol niet verplicht was tot verslaglegging voor die verontreinigende stof; en
- b. de beperkte inventaris van die Partij ten minste alle belangrijke puntbronnen van de verontreinigende stof of stoffen binnen die Partij of een relevant PEMA bevat.
Het Uitvoerende Orgaan verleent jaarlijks toestemming voor dit verzoek voor een termijn van ten hoogste vijf jaar na de inwerkingtreding van het onderhavige Protocol voor een Partij, maar in geen geval voor de verslaglegging van emissies voor een jaar na 2019. Een dergelijk verzoek gaat vergezeld van informatie over de vooruitgang die is geboekt bij het ontwikkelen van een vollediger inventaris als onderdeel van de jaarlijkse verslaglegging van de Partij.
Artikel 8. Onderzoek, ontwikkeling en monitoring
De Partijen stimuleren het onderzoek, de ontwikkeling, de monitoring en de samenwerking met betrekking tot:
- a. de internationale harmonisering van methoden voor de berekening en evaluatie van de nadelige gevolgen die in verband worden gebracht met de stoffen waarop dit Protocol betrekking heeft, om deze te gebruiken bij het vaststellen van de kritische belasting en de kritische niveaus en, in voorkomend geval, de uitwerking van procedures voor bedoelde harmonisering;
- b. de verbetering van gegevensbestanden over emissies, in het bijzonder die betreffende zwevende deeltjes, met inbegrip van zwarte koolstof, ammoniak en vluchtige organische stoffen;
- c. de verbetering van monitoringstechnieken en -systemen en van modellen voor de verplaatsing, de concentraties en depositie van zwavel, stikstofverbindingen, vluchtige organische stoffen en zwevende deeltjes, met inbegrip van zwarte koolstof, alsmede van de vorming van ozon en secundaire zwevende deeltjes;
- d. de verbetering van het wetenschappelijke inzicht in het lot op lange termijn van emissies en hun invloed op de hemisferische achtergrondconcentraties van zwavel, stikstof, vluchtige organische stoffen, ozon en zwevende deeltjes, met de nadruk in het bijzonder op de chemie van de vrije troposfeer en het potentieel voor intercontinentale stroming van verontreinigende stoffen;
- d bis. De verbetering van het wetenschappelijk inzicht in de potentiële nevenvoordelen van het beperken van de klimaatverandering in verband met potentiële reductiescenario’s voor luchtverontreinigende stoffen (zoals methaan, koolmonoxide en zwarte koolstof) die op de korte termijn gevolgen hebben op het gebied van stralingsforcering en andere gevolgen voor het klimaat;
- e. de verdere uitwerking van een algehele strategie ter vermindering van de nadelige gevolgen van verzuring, eutrofiëring, fotochemische verontreiniging en zwevende deeltjes, met inbegrip van synergisme en gecombineerde gevolgen;
- f. strategieën voor de verdere vermindering van emissies van zwavel, stikstofoxiden, ammoniak, vluchtige organische stoffen en overige ozonprecursoren en zwevende deeltjes gebaseerd op de kritische belasting en de kritische niveaus alsmede op technische ontwikkelingen, en de verbetering van geïntegreerde evaluatiemodellen voor het berekenen van internationaal geoptimaliseerde toewijzingen van emissiereducties, gelet op de noodzaak voor elke Partij om buitensporige kosten te vermijden. Bijzondere nadruk dient te worden gegeven aan emissies uit landbouw en vervoer;
- g. de identificatie van temporele trends en het wetenschappelijk inzicht in de gevolgen in ruime zin van zwavel, stikstof, vluchtige organische stoffen en zwevende deeltjes en fotochemische verontreiniging voor de menselijke gezondheid, voor het milieu, in het bijzonder verzuring en eutrofiëring, en voor materialen, met name historische en culturele monumenten, rekening houdend met het verband tussen zwaveloxiden, stikstofoxiden, ammoniak, vluchtige organische stoffen, zwevende deeltjes en ozon op leefniveau;
- h. technologieën ter bestrijding van emissies en technologieën en technieken ter verbetering van het energierendement, energiebesparing en uitbreiding van het gebruik van duurzame energie;
- i. de doelmatigheid van ammoniakbeheersingstechnieken voor landbouwbedrijven en hun invloed op lokale en regionale depositie;
- j. het beheer van de vraag naar vervoer en het ontwikkelen en stimuleren van minder verontreinigende vervoerswijzen;
- k. de kwantificering en, waar mogelijk, economische evaluatie van voordelen voor het milieu, de menselijke gezondheid en de invloeden op het klimaat ten gevolge van de vermindering van emissies van zwavel, stikstofoxiden, ammoniak, vluchtige organische stoffen en zwevende deeltjes; en
- l. de ontwikkeling van hulpmiddelen om de methoden en resultaten van dit werk algemeen toepasbaar en beschikbaar te maken.
Artikel 9. Naleving
De naleving door elke Partij van haar uit dit Protocol voortvloeiende verplichtingen wordt op gezette tijden getoetst. Het bij Besluit 1997/2 van het Uitvoerend Orgaan op zijn vijftiende zitting ingestelde implementatiecomité is belast met die toetsingen en brengt verslag uit aan de Partijen op een zitting van het Uitvoerend Orgaan overeenkomstig de bepalingen van de bijlage bij dat besluit, met inbegrip van eventuele wijzigingen daarvan.
Artikel 10. Toetsingen door Partijen op zitting van het Uitvoerend Orgaan
Op zittingen van het Uitvoerend Orgaan toetsen de Partijen, overeenkomstig artikel 10, lid 2, onder a, van het Verdrag de door de Partijen, EMEP en hulporganen van het Uitvoerend Orgaan verstrekte informatie, de gegevens betreffende de gevolgen van de concentraties en depositie van zwavel, stikstofverbindingen en zwevende deeltjes en van fotochemische verontreiniging alsmede de verslagen van het implementatiecomité, als bedoeld in het voorgaande artikel 9.
- a. Op zittingen van het Uitvoerend Orgaan onderwerpen de Partijen de verplichtingen op grond van dit Protocol aan een toetsing, met inbegrip van:
- i. hun verplichtingen met betrekking tot hun berekende en internationaal geoptimaliseerde toewijzingen voor emissiereductie, als bedoeld in artikel 7, lid 5, en
- ii. de adequaatheid van de verplichtingen en de gemaakte vorderingen bij de verwezenlijking van de doelstellingen van dit Protocol.
- b. Bij de toetsingen wordt rekening gehouden met de beste beschikbare wetenschappelijke gegevens over de gevolgen van verzuring, eutrofiëring en fotochemische verontreiniging, met inbegrip van evaluaties van alle relevante gevolgen voor de menselijke gezondheid, nevenvoordelen voor het klimaat, de kritische niveaus en de kritische belasting, de ontwikkeling en verfijning van geïntegreerde evaluatiemodellen, technologische ontwikkelingen, veranderende economische omstandigheden, geboekte vooruitgang bij de gegevensbestanden over emissies en bestrijdingstechnieken, in het bijzonder met betrekking tot zwevende deeltjes, ammoniak en vluchtige organische stoffen, en de nakoming van de verplichtingen inzake emissieniveaus.
- c. De procedures, de methoden en het tijdschema voor deze toetsingen worden door de Partijen op een zitting van het Uitvoerend Orgaan nader bepaald. De eerste zodanige toetsing begint niet later dan een jaar na de inwerkingtreding van dit Protocol.
Het Uitvoerend Orgaan neemt, uiterlijk tijdens zijn tweede zitting na de inwerkingtreding van de wijziging vervat in besluit 2012/2, in zijn toetsingen ingevolge dit artikel een evaluatie op van beperkende maatregelen voor emissies van zwarte koolstof.
De Partijen evalueren, uiterlijk tijdens de tweede zitting van het Uitvoerend Orgaan na de inwerkingtreding van de wijziging vervat in besluit 2012/2, maatregelen voor de beheersing van ammoniak en bestuderen de noodzaak bijlage IX te herzien.
Artikel 11. Beslechting van geschillen
In het geval van een geschil tussen twee of meer Partijen betreffende de uitlegging of toepassing van dit Protocol trachten de betrokken Partijen het geschil te beslechten door middel van onderhandelingen of op een andere vreedzame wijze van hun eigen keuze. De Partijen bij het geschil stellen het Uitvoerend Orgaan in kennis van hun geschil.
Bij de bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring van dan wel toetreding tot dit Protocol of op enig tijdstip daarna kan een Partij die geen regionale organisatie voor economische integratie is, in een schriftelijke bij de depositaris ingediende akte verklaren dat zij, met betrekking tot een geschil betreffende de uitlegging of toepassing van het Protocol, beide onderstaande wijzen van geschillenbeslechting of een daarvan ipso facto en zonder bijzondere overeenkomst als dwingend erkent ten opzichte van elke Partij die dezelfde verplichting aanvaardt:
- a. voorlegging van het geschil aan het Internationaal Gerechtshof;
- b. arbitrage in overeenstemming met procedures die zo spoedig mogelijk door de Partijen op een zitting van het Uitvoerend Orgaan moeten worden aangenomen in een bijlage inzake arbitrage.
Een Partij die een regionale organisatie voor economische integratie is, kan een verklaring van gelijke strekking met betrekking tot arbitrage afleggen in overeenstemming met de onder b bedoelde procedures.
Een ingevolge lid 2 afgelegde verklaring blijft van kracht totdat zij overeenkomstig haar bepalingen haar geldigheid verliest dan wel tot drie maanden nadat een schriftelijke kennisgeving van opzegging neergelegd is bij de depositaris.
Een nieuwe verklaring, een kennisgeving van opzegging of het vervallen van de geldigheid van een verklaring zijn op generlei wijze van invloed op de procedure voor het Internationaal Gerechtshof of het scheidsgerecht, tenzij de Partijen bij het geschil anders overeenkomen.
Indien de Partijen bij het geschil, behalve wanneer de betrokken Partijen dezelfde wijze van geschillenbeslechting overeenkomstig lid 2 hebben aanvaard, er na twaalf maanden te rekenen vanaf de kennisgeving van de ene Partij aan de andere dat tussen hen een geschil bestaat, niet in zijn geslaagd hun geschil te beslechten op de in lid 1 bedoelde wijzen, wordt het geschil op verzoek van een van de Partijen bij het geschil onderworpen aan een conciliatie.
Voor de toepassing van lid 5 wordt een conciliatiecommissie opgericht. De commissie bestaat uit een gelijk aantal leden, benoemd door elke betrokken Partij of, wanneer bij de conciliatie betrokken Partijen eenzelfde belang hebben, door de groep die datzelfde belang heeft, en een voorzitter die door de aldus benoemde leden gezamenlijk gekozen is. De commissie doet uitspraak in de vorm van een aanbeveling, die de Partijen te goeder trouw in overweging nemen.
Artikel 12. Bijlagen
De bijlagen bij dit Protocol vormen een integrerend deel van het Protocol.
Artikel 13. Aanpassingen
Elke Partij bij het Verdrag kan een aanpassing van bijlage II bij het onderhavige Protocol voorstellen om daaraan haar naam toe te voegen, tezamen met de emissieniveaus, de emissieplafonds en de percentuele emissiereducties.
Elke Partij kan een aanpassing voorstellen van haar reeds in bijlage II vermelde emissiereductieverplichtingen. Een dergelijk voorstel dient ondersteunende documentatie te bevatten en wordt getoetst zoals omschreven in een besluit van het Uitvoerend Orgaan. Deze toetsing vindt plaats voordat het voorstel door de Partijen wordt besproken in overeenstemming met het vierde lid.
Elke Partij die daar ingevolge artikel 3, negende lid, voor in aanmerking komt, mag een aanpassing van bijlage III voorstellen om daaraan een of meer PEMA's toe te voegen of een in die bijlage genoemd PEMA onder haar rechtsmacht te wijzigen.
Voorgestelde aanpassingen worden schriftelijk ingediend bij de uitvoerend secretaris van de Commissie, die ze aan alle Partijen bekendmaakt. De Partijen bespreken de voorgestelde aanpassingen op de eerstvolgende zitting van het Uitvoerend Orgaan, mits deze voorstellen ten minste negentig dagen van tevoren door de uitvoerend secretaris aan de Partijen toegezonden zijn.
Aanpassingen worden bij consensus aangenomen door de Partijen die aanwezig zijn bij een zitting van het Uitvoerend Orgaan en worden voor alle Partijen bij het onderhavige Protocol van kracht op de negentigste dag na de datum waarop de uitvoerend secretaris van de Commissie deze Partijen schriftelijk in kennis stelt van het aannemen van de aanpassing.
Artikel 14. Ondertekening
Dit Protocol staat open voor ondertekening te Göteborg (Zweden) op 30 november en 1 december 1999, vervolgens in de zetel van de Verenigde Naties te New York tot 30 mei 2000, voor Staten die lid zijn van de Commissie, alsmede Staten die een raadgevende status bij de Commissie hebben, overeenkomstig paragraaf 8 van Resolutie 36 (IV) van de Economische en Sociale Raad van 28 maart 1947, en door regionale organisaties voor economische integratie, opgericht door soevereine Staten die lid zijn van de Commissie en die bevoegd zijn te onderhandelen over internationale verdragen met betrekking tot onder dit Protocol vallende aangelegenheden en deze verdragen te sluiten en toe te passen, mits de betrokken Staten en organisaties Partij bij het Verdrag zijn en vermeld in bijlage II.
Deze regionale organisaties voor economische integratie oefenen, wanneer het aangelegenheden betreft die onder hun bevoegdheden vallen, zelf de rechten uit en vervullen zelf de taken die door dit Protocol aan de lidstaten worden toegekend. In deze gevallen mogen de lidstaten van deze organisaties deze rechten niet afzonderlijk uitoefenen.
Artikel 15. Bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring en toetreding
Dit Protocol is onderworpen aan bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring door de ondertekenaars.
Dit Protocol staat met ingang van 31 mei 2000 open voor toetreding door de Staten en organisaties die voldoen aan de eisen van artikel 14, lid 1.
De akten van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding dienen te worden neergelegd bij de depositaris.
Een Staat of een regionale organisatie voor economische integratie verklaart zulks in zijn of haar akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding wanneer hij of zij niet wenst te worden gebonden door de procedures vervat in artikel 13 bis, zevende lid, ter zake van de wijziging van de bijlagen IV – XI.
Artikel 16. Depositaris
De secretaris-generaal van de Verenigde Naties is de depositaris.
Artikel 17. Inwerkingtreding
Dit Protocol treedt in werking op de negentigste dag volgend op de datum waarop de zestiende akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding nedergelegd is.
Voor elke Staat of organisatie die voldoet aan de eisen van artikel 14, lid 1, die dit Protocol bekrachtigt, aanvaardt of goedkeurt of hiertoe toetreedt na het nederleggen van de zestiende akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding, treedt het Protocol in werking op de negentigste dag volgend op de datum van het nederleggen door deze Partij van haar akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding.
Artikel 18. Opzegging
Vijf jaar na de datum waarop dit Protocol voor een Partij in werking is getreden, kan deze Partij dit Protocol te allen tijde opzeggen door middel van een schriftelijke kennisgeving aan de depositaris. De bedoelde opzegging wordt van kracht op de negentigste dag na de datum waarop de depositaris de kennisgeving heeft ontvangen, of op een in de kennisgeving van opzegging aangegeven latere datum.
Artikel 19. Authentieke teksten
Het origineel van dit Protocol, waarvan de Engelse, de Franse en de Russische tekst gelijkelijk authentiek zijn, wordt nedergelegd bij de secretaris-generaal van de Verenigde Naties.
I. KRITISCHE BELASTING INZAKE VERZURING
A. Voor Partijen binnen de geografische reikwijdte van het EMEP
1
De kritische belasting (zoals omschreven in artikel 1) inzake verzuring voor ecosystemen wordt bepaald in overeenstemming met de bij het Verdrag behorende „Manual on Methodologies and Criteria for Modelling and Mapping Critical Loads and Levels and Air Pollution Effects, Risks and Trends”, („Handleiding inzake methodologieën en criteria voor het modelleren en in kaart brengen van kritische belastingen en kritische niveaus en luchtverontreiningingseffecten, -risico’s en -trends”). Het is de maximale hoeveelheid verzurende depositie die een ecosysteem op lange termijn kan verdragen zonder geschaad te worden. Voor de kritische belasting inzake verzuring door stikstof wordt rekening gehouden met stikstofverwijderende processen binnen het ecosysteem (bijvoorbeeld opname door planten). Kritische belastingswaarden inzake verzuring door zwavel zijn waarden die – op de lange termijn – geen nadelige gevolgen hebben voor de structuur en functies van ecosystemen. Voor een gecombineerde kritische belasting inzake verzuring door zwavel en stikstof wordt alleen rekening gehouden met stikstof wanneer de stikstofdepositie groter is dan de stikstofverwijderende processen van het ecosysteem, zoals opname door vegetatie. Alle door Partijen gemelde en door het Uitvoerend Orgaan goedgekeurde kritische belastingswaarden worden samengevat voor gebruik in de geïntegreerde evaluatiemodellen die worden benut om als richtsnoer te dienen voor het vaststellen van de emissiereductieverplichtingen in bijlage II.
B. Voor Partijen in Noord-Amerika
2
In Canada worden kritische belastingswaarden voor zuurdepositie en de geografische gebieden waar deze worden overschreden voor meren en bos-ecosystemen in bergregio’s vastgesteld en in kaart gebracht met wetenschappelijke methodologieën en criteria die vergelijkbaar zijn met die in de bij het Verdrag horende „Handleiding inzake methodologieën en criteria voor het modelleren en in kaart brengen van kritische belastingen en kritische niveaus en luchtverontreiningingseffecten, -risico’s en -trends”. Kritische belastingswaarden voor totaal zwavel plus stikstof en de overschrijdingsniveaus zijn in heel Canada in kaart gebracht (ten zuiden van 60° noorderbreedte) en worden uitgedrukt in zuur-equivalenten per hectare per jaar (eq/ha/yr) (2004 Canadian Acid Deposition Science Assessment; 2008 Canadian Council of Ministers of the Environment). De provincie Alberta heeft de generieke classificatiesystemen voor kritische belasting inzake potentiële verzuring aanvaard die in Europa voor bodems worden gebruikt teneinde bodems te kunnen aanmerken als zeer gevoelig, matig gevoelig en ongevoelig voor zuurdepositie. Kritische streef- en monitoringsbelastingen zijn voor elke bodemklasse gedefinieerd en beheermaatregelen zijn voorgeschreven ingevolge het Alberta Acid Deposition Management Framework, al naargelang van toepassing.
3
Deze belastingswaarden en gevolgen worden gebruikt voor geïntegreerde evaluatie-activiteiten, waaronder het aanleveren van gegevens voor internationale inspanningen voor het evalueren van de reactie van het ecosysteem op de belasting van verzurende verbindingen, en bieden een richtlijn voor het bepalen van de emissiereductieverplichtingen voor Canada in bijlage II.
4
Voor de Verenigde Staten van Amerika worden de gevolgen van verzuring beoordeeld door het evalueren van de gevoeligheid van ecosystemen voor en de reactie ervan op de belasting van verzurende verbindingen, gebruikmakend van peer-reviewed wetenschappelijke methodologieën en criteria, en rekening houdend met de onzekerheden in verband met stikstofcycli(ussen) in ecosystemen. Bij het vaststellen van secundaire nationale kwaliteitsnormen voor omgevingslucht voor NOx en SO2 wordt vervolgens rekening gehouden met de negatieve gevolgen voor vegetatie en ecosystemen. Geïntegreerde evaluatiemodellen en de luchtkwaliteitsnormen worden gebruikt bij het bieden van een richtlijn voor het bepalen van de emissiereductieverplichtingen voor de Verenigde Staten van Amerika in bijlage II.
II. KRITISCHE BELASTING MET VOEDINGSSTIKSTOF
A. Voor Partijen binnen de geografische reikwijdte van het EMEP
5
De kritische belasting (zoals omschreven in artikel 1) met stikstofnutriënten (eutrofiëring) voor ecosystemen wordt bepaald in overeenstemming met de bij het Verdrag behorende “Manual on Methodologies and Criteria for Modelling and Mapping Critical Loads and Levels and Air Pollution Effects, Risks and Trends („Handleiding inzake methodologieën en criteria voor het modelleren en in kaart brengen van kritische belastingen en kritische niveaus en luchtverontreiningingseffecten, -risico’s en -trends”. Het is de maximale hoeveelheid depositie van eutrofiërende stikstof die – op de lange termijn – geen nadelige gevolgen heeft voor de structuur en functies van ecosystemen. Alle door Partijen gemelde kritische belastingswaarden worden samengevat voor gebruik in geïntegreerde evaluatiemodellen die worden benut ter voorlichting bij het vaststellen van de emissiereductieverplichtingen in bijlage II.
II. KRITISCHE BELASTING MET VOEDINGSSTIKSTOF
A. Voor Partijen binnen de geografische reikwijdte van het EMEP
6
Kritische niveaus (zoals omschreven in artikel 1) van ozon worden bepaald ter bescherming van planten in overeenstemming met de bij het Verdrag behorende 'Manual on methodologies and criteria for mapping critical levels/loads and geographical areas where they are exceeded'. Zij worden uitgedrukt als een cumulatieve blootstelling boven een drempelconcentratie van ozon van 40 ppb (delen per miljard in volume). Deze blootstellingsindex wordt aangeduid als AOT40 (geaccumuleerde blootstelling boven een drempel van 40 ppb). De AOT40 wordt berekend als de som van de verschillen tussen de concentratie per uur (in ppb) en 40 ppb voor elk uur dat de concentratie 40 ppb overschrijdt.
7
Het op lange termijn voor gewassen kritische ozonniveau van een AOT40 van 3000 ppb per uur voor mei-juli (gebruikt als een typisch groeiseizoen) en voor uren daglicht werd gebruikt om risicogebieden te omschrijven waar het kritische niveau wordt overschreden. Een specifieke vermindering van overschrijdingen werd als doelstelling genomen bij het opstellen van geïntegreerde evaluatiemodellen voor dit Protocol ter voorlichting bij het vaststellen van de emissieplafonds in bijlage II. Het op lange termijn voor gewassen kritische ozonniveau wordt geacht ook andere planten te beschermen zoals bomen en natuurlijke vegetatie. Verder wetenschappelijk werk vindt momenteel plaats voor het ontwikkelen van een gedifferentieerdere interpretatie van overschrijdingen van voor planten kritische ozonniveaus.
8
Een voor de menselijke gezondheid kritisch ozonniveau wordt vertegenwoordigd door het ozonniveau van 120 mg/m3 als 8-uurgemiddelde in de Air Quality Guideline van de WHO. In samenwerking met het Regionaal Bureau voor Europa van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO/EURO) werd een kritisch niveau uitgedrukt als een AOT60 (geaccumuleerde blootstelling boven een drempelwaarde van 60 ppb), d.w.z. 120 mg/m3 op jaarbasis, aangenomen als vervanging voor de Air Quality Guideline van de WHO ten behoeve van geïntegreerde evaluatiemodellen. Deze werd gebruikt om risicogebieden te omschrijven waar de kritische grens wordt overschreden. Een specifieke vermindering van deze overschrijdingen werd als doelstelling genomen bij het opstellen van geïntegreerde evaluatiemodellen voor dit Protocol om als richtsnoer te dienen voor het vaststellen van de emissieplafonds in bijlage II.3 als 8-uurgemiddelde in de Air Quality Guideline van de WHO. In samenwerking met het Regionaal Bureau voor Europa van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO/EURO) werd een kritisch niveau uitgedrukt als een AOT60 (geaccumuleerde blootstelling boven een drempelwaarde van 60 ppb), d.w.z. 120 mg/m3 op jaarbasis, aangenomen als vervanging voor de Air Quality Guideline van de WHO ten behoeve van geïntegreerde evaluatiemodellen. Deze werd gebruikt om risicogebieden te omschrijven waar de kritische grens wordt overschreden. Een specifieke vermindering van deze overschrijdingen werd als doelstelling genomen bij het opstellen van geïntegreerde evaluatiemodellen voor dit Protocol om als richtsnoer te dienen voor het vaststellen van de emissieplafonds in bijlage II.
B. Voor Partijen in Noord-Amerika
9
Voor Canada worden kritische ozonniveaus bepaald ter bescherming van de menselijke gezondheid en het milieu en zij worden gebruikt om een norm voor ozon voor geheel Canada vast te stellen. De emissieplafonds in bijlage II worden omschreven in overeenstemming met het streefniveau dat vereist is om de norm voor ozon voor geheel Canada te bereiken.
10
Voor de Verenigde Staten van Amerika worden kritische ozonniveaus bepaald ter bescherming van de menselijke gezondheid met een passende veiligheidsmarge en ter bescherming van het algemeen welzijn tegen bekende of verwachte nadelige gevolgen. Verder worden ze gebruikt om een nationale kwaliteitsnorm voor omgevingslucht vast te stellen. Geïntegreerde evaluatiemodellen en de kwaliteitsnorm voor lucht worden gebruikt ter voorlichting bij het vaststellen van de emissieplafonds en/of -reducties voor de Verenigde Staten van Amerika in bijlage II.
1
Afdeling A is van toepassing op andere Partijen dan Canada en de Verenigde Staten van Amerika, afdeling B op Canada en afdeling C op de Verenigde Staten van Amerika.
A. Andere Partijen dan Canada en de Verenigde Staten van Amerika
2
Voor de toepassing van afdeling A, met uitzondering van tabel 2 en de punten 11 en 12, wordt onder grenswaarde verstaan de in de rookgassen uit een installatie aanwezige hoeveelheid gasvormige verbinding die niet mag worden overschreden. Tenzij anders aangegeven wordt deze berekend in termen van massa verontreinigende stof per volume van de rookgassen (uitgedrukt in mg/m3), uitgaande van standaardomstandigheden voor temperatuur en druk voor droog gas (volume bij 273,15 K, 101,3 kPa). Met betrekking tot het zuurstofgehalte van het uitlaatgas zijn de waarden van toepassing die voor elke categorie bronnen in onderstaande tabellen gegeven zijn. Verdunning om de concentraties aan verontreinigende stoffen in rookgassen te verminderen, is niet toegestaan. Het in gebruik nemen, buiten gebruik stellen en onderhoud van uitrusting zijn hiervan uitgezonderd.3), uitgaande van standaardomstandigheden voor temperatuur en druk voor droog gas (volume bij 273,15 K, 101,3 kPa). Met betrekking tot het zuurstofgehalte van het uitlaatgas zijn de waarden van toepassing die voor elke categorie bronnen in onderstaande tabellen gegeven zijn. Verdunning om de concentraties aan verontreinigende stoffen in rookgassen te verminderen, is niet toegestaan. Het in gebruik nemen, buiten gebruik stellen en onderhoud van uitrusting zijn hiervan uitgezonderd.
3
Emissies worden in alle gevallen bewaakt1)Onder monitoring wordt een allesomvattende activiteit verstaan die het meten van emissies, het opstellen van massabalansen enz. omvat. Deze kan continu of met tussenpozen worden uitgevoerd.. Naleving van de grenswaarden wordt geverifieerd. De methoden van verificatie kunnen ononderbroken of onderbroken maatregelen omvatten, typegoedkeuring, of elke andere technisch betrouwbare methode.
4
Bemonstering en analyse van alle verontreinigende stoffen alsmede referentiemeetmethoden voor het ijken van meetsystemen moeten worden uitgevoerd overeenkomstig de normen die door de Europese Commissie voor Normalisatie (CEN) of de Internationale Organisatie voor Normalisatie (ISO) vastgesteld zijn. In afwachting van de opstelling van de CEN- of ISO-normen zijn de nationale normen van toepassing.
5
Metingen van emissies moeten ononderbroken worden uitgevoerd wanneer emissies van SO2 de 75 kg/u overschrijden.
6
Bij ononderbroken meting voor een nieuwe inrichting wordt naleving van de emissienormen bereikt indien de berekende dagelijkse gemiddelde waarden de grenswaarde niet overschrijden en indien geen uurwaarde de grenswaarde overschrijdt met 100%.
7
In geval van ononderbroken metingen voor bestaande inrichtingen wordt naleving van de emissienormen bereikt indien a. geen van de maandelijkse gemiddelde waarden de grenswaarden overschrijdt; en b. 97% van alle gemiddelde waarden per 48 uur 110% van de grenswaarden niet overschrijdt.
8
Bij onderbroken metingen wordt, als minimumvereiste, naleving van de emissienormen bereikt indien de op een relevant aantal metingen onder representatieve omstandigheden gebaseerde gemiddelde waarden de waarde van de emissienorm niet overschrijdt.
9
Stoomketels en procesovens met een nominaal thermisch vermogen dat 50 MWth overschrijdt:th overschrijdt:
Tabel 1:Grenswaarden voor SOx-emissies van stoomketelsa)
| Thermi-sche input (MWth) | Grens-waarde (mg SO2/Nm3)b) | Alternatief voor huisbrandkolen verwijderings-rendement | |
|---|---|---|---|
| Vaste en vloeibare brandstoffen, nieuwe installaties | 50–100 | 850 | 90%d) |
| 100–300 | 850–200c) (lineaire afname) | 92%d) | |
| > 300 | 200c) | 95%d) | |
| Vaste brandstoffen, bestaande installaties | 50–100 | 2000 | |
| 100–500 | 2000–400(lineaire afname) | ||
| > 500 | 400 | ||
| 50–150 | 40% | ||
| 150–500 | 40–90% (lineaire toename) | ||
| > 500 | 90% | ||
| Vloeibare brandstoffen, bestaande installaties | 50–300300–500 | 1700 | |
| 300-500 | 1700–400 (lineaire afname) | ||
| > 500 | 400 | ||
| Gasvormige brandstoffen algemeen, nieuwe en bestaande installaties | 35 | ||
| Vloeibaar gas, nieuwe en bestaande installaties | 5 | ||
| Gassen met lage calorische waarde (bijv. vergassing van raffi-nageresiduen of verbranding van cokesovengas) | nieuw 400 bestaand 800 | ||
| Hoogovengas | nieuw 200 bestaand 800 | ||
| Nieuwe verbrandingsinrichting in raffina-derijen (gemiddelde van alle nieuwe verbrandingsinstallaties) | > 50 (totale raffinage-capaciteit) | 600 | |
| Bestaande verbran-dingsinrichting in raffinaderijen (gemid-delde van alle be-staande verbrandings-installaties) | 1000 |
De grenswaarden gelden met name niet voor de volgende inrichtingen:
- –. inrichtingen waarin de verbrandingsproducten worden gebruikt voor het rechtstreeks verhitten, drogen of enige andere behandeling van voorwerpen of materialen, bijvoorbeeld herverhitting- en warmtebehandelingsovens;
- –. naverbrandingsinrichtingen, met andere woorden alle technische apparatuur die ontworpen is om rookgassen te zuiveren door verbranding en die niet als een zelfstandige verbrandingsinrichting wordt gebruikt;
- –. voorzieningen voor het regenereren van bij het kraken gebruikte katalysatoren;
- –. voorzieningen voor de omzetting van waterstofsulfide in zwavel;
- –. in de chemische industrie gebruikte reactors;
- –. cokesovenbatterijen;
- –. windverhitters;
- –. vuilverbrandingsinstallaties; en
- –. door diesel-, benzine- en gasmotoren of gasturbines aangedreven installaties, ongeacht de gebruikte brandstof.
Het O2–referentiegehalte is 6% voor vaste en 3% voor overige brandstoffen.
400 bij zware stookolie S <0,25%.
Indien een installatie 300 mg/Nm3 SO2 bereikt, kan deze worden uitgezonderd van toepassing van het bewerkingsrendement.
10
Gasolie
Tabel 2:Grenswaarden voor het zwavelgehalte van gasoliea)
| Zwavelgehalte (procent per gewicht) | |
|---|---|
| Gasolie | < 0,2 na 1 juli 2000 < 0,1 na 1 januari 2008 |
“Gasolie”: een aardolieproduct dat onder GS-code 2710 valt of een aardolieproduct dat, op grond van zijn destillatiegrenzen, behoort tot de middeldestillaten die bestemd zijn voor gebruik als brandstof en die, distillatieverliezen inbegrepen, voor ten minste 85% van hun volume distilleren bij 350°C. Brandstoffen gebruikt in wegvoertuigen en terreinvoertuigen en landbouwtractoren zijn uitgezonderd van deze omschrijving. Gasolie bestemd voor gebruik op zee is in de omschrijving begrepen indien deze voldoet aan bovenstaande beschrijving of een viscositeit of dichtheid heeft vallend binnen het bereik van viscositeit of dichtheid omschreven voor distillaten voor gebruik op zee in tabel I van ISO 8217 (1996).
11
Clausinrichting: voor een inrichting die meer dan 50 Mg zwavel per dag produceert:
- a. zwavelterugwinning 99,5% voor nieuwe inrichting;
- b. zwavelterugwinning 97% voor bestaande inrichting.
12
Productie van titaniumdioxide: in nieuwe en bestaande installaties wordt de uitworp veroorzaakt door ontledings- en calcineringsfasen bij de vervaardiging van titaniumdioxide verminderd tot een waarde van niet meer dan 10 kg SO2-equivalent per Mg geproduceerd titaniumdioxide.
A. Andere Partijen dan Canada en de Verenigde Staten van Amerika
13
Grenswaarden voor de beheersing van zwaveldioxide-emissies uit nieuwe stationaire bronnen in de volgende categorie stationaire bronnen zullen worden bepaald op basis van beschikbare informatie inzake beheersingstechnologie en -niveaus met inbegrip van in andere landen toegepaste grenswaarden en het volgende document: Canada Gazette, Deel I. Department of the Environment. Thermal Power Generation Emissions – National Guidelines for New Stationary Sources. 15 mei 1993. p. 1633–1638.
C. Verenigde Staten van Amerika
14
Grenswaarden voor de beheersing van zwaveldioxide-emissies uit nieuwe stationaire bronnen in de volgende categorie stationaire bronnen worden omschreven in de volgende documenten:
- a. Electric Utility Steam Generating Units. 40 Code of Federal Regulations (CFR), deel 60, paragraaf D en paragraaf Da;
- b. Industrial-Commercial-Institutional Steam Generating Units. 40 CFR, deel 60, paragraaf Db en paragraaf Dc;
- c. Sulphuric Acid Plants. 40 CFR, deel 60, paragraaf H;
- d. Petroleum Refineries. 40 CFR, deel 60, paragraaf J;
- e. Primary Copper Smelters. 40 CFR, deel 60, paragraaf P;
- f. Primary Zinc Smelters. 40 CFR, deel 60, paragraaf Q;
- g. Primary Lead Smelters. 40 CFR, deel 60, paragraaf R;
- h. Stationary Gas Turbines. 40 CFR, deel 60, paragraaf GG;
- i. Onshore Natural Gas Processing. 40 CFR, deel 60, paragraaf LLL;
- j. Municipal Waste Combustors. 40 CFR, deel 60, paragraaf Ea en paragraaf Eb; en
- k. Hospital/Medical/Infectious Waste Incinerators. 40 CFR, deel 60, paragraaf Ec.
15
Afdeling A is van toepassing op andere Partijen dan Canada en de Verenigde Staten, afdeling B op Canada en afdeling C op de Verenigde Staten van Amerika.
A. Andere Partijen dan Canada en de Verenigde Staten van Amerika
16
Voor de toepassing van afdeling A wordt onder grenswaarde verstaan de in de rookgassen uit een installatie aanwezige hoeveelheid gasvormige stof die niet mag worden overschreden. Tenzij anders aangegeven wordt deze berekend in termen van massa verontreinigende stof per volume van de rookgassen (uitgedrukt in mg/m3), uitgaande van standaardomstandigheden voor temperatuur en druk voor droog gas (volume bij 273,15 K, 101,3 kPa). Met betrekking tot het zuurstofgehalte van het uitlaatgas gelden de waarden die voor geselecteerde belangrijke stationaire bronnen zijn gegeven. Verdunning om de concentraties aan verontreinigende stoffen in rookgassen te verlagen, is verboden. Grenswaarden betreffen gewoonlijk NO tezamen met NO2, doorgaans NOx genaamd, uitgedrukt in NO2. Het in gebruik nemen, buiten gebruik stellen en onderhoud van uitrusting zijn uitgezonderd.3), uitgaande van standaardomstandigheden voor temperatuur en druk voor droog gas (volume bij 273,15 K, 101,3 kPa). Met betrekking tot het zuurstofgehalte van het uitlaatgas gelden de waarden die voor geselecteerde belangrijke stationaire bronnen zijn gegeven. Verdunning om de concentraties aan verontreinigende stoffen in rookgassen te verlagen, is verboden. Grenswaarden betreffen gewoonlijk NO tezamen met NO2, doorgaans NOx genaamd, uitgedrukt in NO2. Het in gebruik nemen, buiten gebruik stellen en onderhoud van uitrusting zijn uitgezonderd.
17
Emissies worden in alle gevallen bewaakt1)Onder monitoring wordt een allesomvattende activiteit verstaan die het meten van emissies, het opstellen van massabalansen enz. omvat. Deze kan continu of met tussenpozen worden uitgevoerd.. Naleving van de grenswaarden wordt geverifieerd. De methoden van verificatie kunnen ononderbroken of onderbroken maatregelen omvatten, typegoedkeuring, of elke andere technisch betrouwbare methode.
18
Bemonstering en analyse van alle verontreinigende stoffen alsmede referentiemeetmethoden voor het ijken van meetsystemen, moeten worden uitgevoerd overeenkomstig de normen die door de Europese Commissie voor Normalisatie (CEN) of de Internationale Organisatie voor Normalisatie (ISO) vastgesteld zijn. In afwachting van de opstelling van de CEN- of ISO-normen zijn de nationale normen van toepassing.
19
Metingen van emissies moeten ononderbroken worden uitgevoerd wanneer emissies van NOx de 75 kg/u overschrijden.x de 75 kg/u overschrijden.
20
Oppervlaktereiniging:
| Activiteit en grenswaarde | Grenswaarde voor oplosmiddelenverbruik (Mg/jaar) | EGW voor VOS (dagelijks voor EGWc en jaarlijks voor EGWf en totale EGW) | EGW voor VOS (dagelijks voor EGWc en jaarlijks voor EGWf en totale EGW) |
|---|---|---|---|
| Oppervlaktereiniging gebruikmakend van stoffen vermeld in | 1–5 | EGWc = 20 mg uitgedrukt als de massasom van afzonderlijke verbindingen/m3 | EGWf = 15 wt-% van de oplosmiddeleninput |
| paragraaf 3 (z) (i) van deze bijlage | > 5 | EGWc = 20 mg uitgedrukt als de massasom van afzonderlijke verbindingen/m3 | EGWf = 10 wt-% van de oplosmiddeleninput |
| Overige oppervlaktereiniging | 2–10 | EGWc = 75 mg C/m31) | EGWf = 20 wt-%1) van de oplosmiddeleninput |
| > 10 | EGWc = 75 mg C/m31) | EGWf = 15 wt-%1) van de oplosmiddeleninput |
- 1) Installaties die aantonen dat het gemiddelde organische-oplosmiddelgehalte van alle gebruikte reinigingsmaterialen 30 wt-% niet overschrijdt, zijn vrijgesteld van toepassing van deze waarden.
21
Extractie van plantaardige oliën en dierlijke vetten en raffinage van plantaardige oliën:
| Activiteit en grenswaarde | EGW voor VOS (jaarlijks voor totale EGW) | |
|---|---|---|
| Nieuwe en bestaande installaties (oplosmiddelenverbruik > 10 Mg/jaar) | Totale EGW (kg VOS/ton product) | |
| Nieuwe en bestaande installaties (oplosmiddelenverbruik > 10 Mg/jaar) | Dierlijk vet: | 1,5 |
| Nieuwe en bestaande installaties (oplosmiddelenverbruik > 10 Mg/jaar) | Ricinus: | 3,0 |
| Koolzaad: | 1,0 | |
| Zonnebloemzaad: | 1,0 | |
| Sojabonen (normale pletting): | 0,8 | |
| Sojabonen (witte vlokken): | 1,2 | |
| Overige zaden en plantaardig materiaal: | 3,01) | |
| Alle fractioneerprocessen, uitgezonderd ontgommen:2) | 1,5 | |
| Ontgommen: | 4,0 |
- 1) Grenswaarden voor totale VOS-emissies uit installaties die afzonderlijke partijen zaden of ander plantaardig materiaal behandelen, worden door een Partij per geval bepaald op de basis van de beste beschikbare technieken.
- 2) Het verwijderen van gom uit de olie.
22
Impregneren van hout:
| Activiteit en grenswaarde | EGW voor VOS (dagelijks voor EGWc en jaarlijks voor EGWf en totale EGW) |
|---|---|
| Impregneren van hout (oplosmiddelenverbruik 25–200 Mg/jaar) | EGWc = 1001) mg C/m3 EGWf = 45 wt-% of minder van de oplosmiddeleninput Of 11 kg of minder VOS/m3 |
| Impregneren van hout (oplosmiddelenverbruik > 200 Mg/jaar) | EGWc = 1001) mg C/m3 EGWf = 35 wt-% of minder van de oplosmiddeleninput Of 9 kg of minder VOS/m3 |
- 1) Is niet van toepassing op impregneren met creosoot.
23
Grenswaarden voor het beheersen van VOS-emissies voor stationaire bronnen worden bepaald, al naargelang van toepassing, rekening houdend met informatie inzake beschikbare beheersingstechnologieën, in andere rechtsgebieden toegepaste grenswaarden en de volgende documenten:
- a. VOC Concentration Limits for Architectural Coatings Regulations – SOR/2009-264;
- b. VOC Concentration Limits for Automotive Refinishing Products. SOR/2009-197;
- c. Proposed regulations for VOC Concentrations Limits for Certain Products;
- d. Guidelines for the Reduction of Ethylene Oxide Releases from Sterilization Applications;
- e. Environmental Guideline for the Control of Volatile Organic Compounds Process Emissions from New Organic Chemical Operations. PN1108;
- f. Environmental Code of Practice for the Measurement and Control of Fugitive VOC Emissions from Equipment Leaks. PN1106;
- g. A Program to Reduce Volatile Organic Compound Emissions by 40 Percent from Adhesives and Sealants. PN1116;
- h. A Plan to Reduce VOC Emissions by 20 Percent from Consumer Surface Coatings. PN1114;
- i. Environmental Guidelines for Controlling Emissions of Volatile Organic Compounds from Aboveground Storage Tanks. PN1180;
- j. Environmental Code of Practice for Vapour Recovery during Vehicle Refueling at Service Stations and Other Gasoline Dispersing Facilities. PN1184;
- k. Environmental Code of Practice for the Reduction of Solvent Emissions from Commercial and Industrial Degreasing Facilities. PN1182;
- l. New Source Performance Standards and Guidelines for the Reduction of Volatile Organic Compound Emissions from Canadian Automotive Original Equipment Manufacturer (OEM) Coating Facilities. PN1234;
- m. Environmental Guideline for the Reduction of Volatile Organic Compound Emissions from the Plastics Processing Industry. PN1276;
- n. National Action Plan for the Environmental Control of Ozone- Depleting Substances (ODS) and Their Halocarbon Alternatives. PN1291;
- o. Management Plan for Nitrogen Oxides (NOx) and Volatile Organic Compounds (VOCs) – Phase I. PN1066;
- p. Environmental Code of Practice for the Reduction of Volatile Organic Compound Emissions from the Commercial/Industrial Printing Industry. PN1301;
- q. Recommended CCME5)Canadian Council of Ministers of the Environment. Standards and Guidelines for the Reduction of VOC Emissions from Canadian Industrial Maintenance Coatings. PN1320; en
- r. Guidelines for the Reduction of VOC Emissions in the Wood Furniture Manufacturing Sector. PN1338.
24
Grenswaarden voor het beheersen van VOS uit stationaire bronnen in de volgende categorieën stationaire bronnen en de bronnen waarop deze van toepassing zijn, worden omschreven in de volgende documenten:
- a. Storage Vessels for Petroleum Liquids – 40 Code of Federal Regulations (C.F.R.) deel 60, paragraaf K, en paragraaf Ka;
- b. Storage Vessels for Volatile Organic Liquids – 40 C.F.R. deel 60, paragraaf Kb;
- c. Petroleum Refineries – 40 C.F.R. deel 60, paragraaf J;
- d. Surface Coating of Metal Furniture – 40 C.F.R. deel 60, paragraaf EE;
- e. Surface Coating for Automobile and Light Duty Trucks – 40 C.F.R. deel 60, paragraaf MM;
- f. Publication Rotogravure Printing – 40 C.F.R. deel 60, paragraaf QQ;
- g. Pressure Sensitive Tape and Label Surface Coating Operations – 40 C.F.R. deel 60, paragraaf RR;
- h. Large Appliance, Metal Coil and Beverage Can Surface Coating – 40 C.F.R. deel 60, paragraaf SS, paragraaf TT en paragraaf WW;
- i. Bulk Gasoline Terminals – 40 C.F.R. deel 60, paragraaf XX;
- j. Rubber Tire Manufacturing – 40 C.F.R. deel 60, paragraaf BBB;
- k. Polymer Manufacturing – 40 C.F.R. deel 60, paragraaf DDD;
- l. Flexible Vinyl and Urethane Coating and Printing – 40 C.F.R. deel 60, paragraaf FFF;
- m. Petroleum Refinery Equipment Leaks and Wastewater Systems – 40 C.F.R. deel 60, paragraaf GGG en paragraaf QQQ;
- n. Synthetic Fiber Production – 40 C.F.R. deel 60, paragraaf HHH;
- o. Petroleum Dry Cleaners – 40 C.F.R. deel 60, paragraaf JJJ;
- p. Onshore Natural Gas Processing Plants – 40 C.F.R. deel 60, paragraaf KKK;
- q. SOCMI Equipment Leaks, Air Oxidation Units, Distillation Operations and Reactor Processes – 40 C.F.R. deel 60, paragraaf VV, paragraaf III, paragraaf NNN en paragraaf RRR;
- r. Magnetic Tape Coating – 40 C.F.R. deel 60, paragraaf SSS;
- s. Industrial Surface Coatings – 40 C.F.R. deel 60, paragraaf TTT;
- t. Polymeric Coatings of Supporting Substrates Facilities – 40 C.F.R. deel 60, paragraaf VVV;
- u. Stationary Internal Combustion Engines – Spark Ignition, 40 C.F.R. deel 60, paragraaf JJJJ;
- v. Stationary Internal Combustion Engines – Compression Ignition, 40 C.F.R. deel 60, paragraaf IIII; en
- w. New and in-use portable fuel containers – 40 C.F.R. deel 59, paragraaf F.
25
Grenswaarden voor het beheersen van VOS-emissies uit bronnen die vallen onder de nationale emissienormen voor schadelijke luchtverontreinigende stoffen (National Emission Standards for Hazardous Air Pollutants – HAPs) worden nader omschreven in de volgende documenten:
- a. Organic HAPs from the Synthetic Organic Chemical Manufacturing Industry – 40 C.F.R. deel 63, paragraaf F;
- b. Organic HAPs from the Synthetic Organic Chemical Manufacturing Industry: Process Vents, Storage Vessels, Transfer Operations, en Wastewater – 40 C.F.R. deel 63, paragraaf G;
- c. Organic HAPs: Equipment Leaks – 40 C.F.R. deel 63, paragraaf H;
- d. Commercial ethylene oxide sterilizers – 40 C.F.R. deel 63, paragraaf O;
- e. Bulk gasoline terminals and pipeline breakout stations – 40 C.F.R. deel 63, paragraaf R;
- f. Halogenated solvent degreasers – 40 C.F.R. deel 63, paragraaf T;
- g. Polymers and resins (Group I) – 40 C.F.R. deel 63, paragraaf U;
- h. Polymers and resins (Group II) – 40 C.F.R. deel 63, paragraaf W;
- i. Secondary lead smelters – 40 C.F.R. deel 63, paragraaf X;
- j. Marine tank vessel loading – 40 C.F.R. deel 63, paragraaf Y;
- k. Petroleum refineries – 40 C.F.R. deel 63, paragraaf CC;
- l. Offsite waste and recovery operations – 40 C.F.R. deel 63, paragraaf DD;
- m. Magnetic tape manufacturing – 40 C.F.R. deel 63, paragraaf EE;
- n. Aerospace manufacturing – 40 C.F.R. deel 63, paragraaf GG;
- o. Oil and natural gas production – 40 C.F.R. deel 63, paragraaf HH;
- p. Ship building and ship repair – 40 C.F.R. deel 63, paragraaf II;
- q. Wood furniture – 40 C.F.R. deel 63, paragraaf JJ;
- r. Printing and publishing – 40 C.F.R. deel 63, paragraaf KK;
- s. Pulp and paper II (combustion) – C.F.R. deel 63, paragraaf MM;
- t. Storage tanks – 40 C.F.R. deel 63, paragraaf OO;
- u. Containers – 40 C.F.R. deel 63, paragraaf PP;
- v. Surface impoundments – 40 C.F.R. deel 63, paragraaf QQ;
- w. Individual drain systems – 40 C.F.R. deel 63, paragraaf RR;
- x. Closed vent systems – 40 C.F.R. deel 63, paragraaf SS;
- y. Equipment leaks: control level 1 – 40 C.F.R. deel 63, paragraaf TT;
- z. Equipment leaks: control level 2 – 40 C.F.R. deel 63, paragraaf UU;
- aa. Oil-Water Separators and Organic-Water Separators – 40 C.F.R. deel 63, paragraaf VV;
- bb. Storage Vessels (Tanks): Control Level 2 – 40 C.F.R. deel 63, paragraaf WW;
- cc. Ethylene Manufacturing Process Units – 40 C.F.R. deel 63, paragraaf XX;
- dd. Generic Maximum Achievable Control Technology Standards for several categories – 40 C.F.R. deel 63, paragraaf YY;
- ee. Hazardous waste combustors – 40 C.F.R. deel 63, paragraaf EEE;
- ff. Pharmaceutical manufacturing – 40 C.F.R. deel 63, paragraaf GGG;
- gg. Natural Gas Transmission and Storage – 40 C.F.R. deel 63, paragraaf HHH;
- hh. Flexible Polyurethane Foam Production – 40 C.F.R. deel 63, paragraaf III;
- ii. Polymers and Resins: group IV – 40 C.F.R. deel 63, paragraaf JJJ;
- jj. Portland cement manufacturing – 40 C.F.R. deel 63, paragraaf LLL;
- kk. Pesticide active ingredient production – 40 C.F.R. deel 63, paragraaf MMM;
- ll. Polymers and resins: group III – 40 C.F.R. deel 63, paragraaf OOO;
- mm. Polyether polyols – 40 C.F.R. deel 63, paragraaf PPP;
- nn. Secondary aluminum production – 40 C.F.R. deel 63, paragraaf RRR;
- oo. Petroleum refineries – 40 C.F.R. deel 63, paragraaf UUU;
- pp. Publicly owned treatment works – 40 C.F.R. deel 63, paragraaf VVV;
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)