Verdrag inzake de grensoverschrijdende gevolgen van industriële ongevallen

Type Verdrag
Publication 2007-02-04
Laatst bijgewerkt 1992-03-17
State In force
Source BWB
artikelen 32
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Preambule

De Partijen bij dit Verdrag,

Zich ervan bewust dat het bijzonder belangrijk is, in het belang van de huidige en de komende generaties, om de mens en het milieu te beschermen tegen de gevolgen van industriële ongevallen,

Erkennende dat het belangrijk en dringend geboden is ernstige nadelige gevolgen van industriële ongevallen voor de mens en het milieu te voorkomen, en alle maatregelen te bevorderen die het verstandige, economische en efficiënte gebruik van preventie-, voorbereidings- en bestrijdingsmaatregelen stimuleren, ten einde een ecologisch verantwoorde en duurzame economische ontwikkeling mogelijk te maken,

Rekening houdende met het feit dat de gevolgen van industriële ongevallen zich over de grenzen kunnen doen gevoelen en samenwerking tussen Staten noodzakelijk maken,

Bevestigende de noodzaak om actieve internationale samenwerking tussen de betrokken Staten vóór, tijdens en na een ongeval te bevorderen, het desbetreffende beleid aan te scherpen en het optreden op alle passende niveaus te intensiveren en te coördineren, ten einde de preventie van, het voorbereid zijn op en de bestrijding van de grensoverschrijdende gevolgen van industriële ongevallen beter te kunnen bevorderen,

Vaststellende het belang en het nut van bilaterale en multilaterale regelingen inzake de preventie van, het voorbereid zijn op en de bestrijding van de gevolgen van industriële ongevallen,

Zich bewust van de rol die in dit opzicht is vervuld door de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties (ECE) en herinnerende aan, onder meer, de Code of Conduct on Accidental Pollution of Transboundary Inland Waters van de ECE en het Verdrag inzake milieu-effectrapportage in grensoverschrijdend verband,

Gelet op de desbetreffende bepalingen van de Slotakte van de Conferentie over Veiligheid en Samenwerking in Europa (CVSE), het Slotdocument van de Bijeenkomst in Wenen van vertegenwoordigers van Staten die deelnemen aan de CVSE, en de resultaten van de Bijeenkomst te Sofia inzake de bescherming van het milieu van de CVSE, alsmede de desbetreffende activiteiten en mechanismen van het Milieuprogramma van de Verenigde Naties (UNEP), in het bijzonder het APELL-programma, van de Internationale Arbeidsorganisatie (ILO), in het bijzonder de Code of Practice on the Prevention of Major Industrial Accidents, en van andere bevoegde internationale organisaties,

In aanmerking nemende de desbetreffende bepalingen van de Verklaring van de Conferentie van de Verenigde Naties inzake het Leefmilieu, en in het bijzonder beginsel 21, op grond waarvan de Staten, in overeenstemming met het Handvest van de Verenigde Naties en de beginselen van internationaal recht, het soevereine recht hebben hun eigen rijkdommen te exploiteren volgens hun eigen milieubeleid, en de verantwoordelijkheid hebben erop toe te zien dat activiteiten die onder hun rechtsmacht of toezicht vallen, geen schade toebrengen aan het milieu van andere Staten of van gebieden die onder geen enkele nationale rechtsmacht vallen,

Gelet op het beginsel „de vervuiler betaalt" als algemeen beginsel van het internationale milieurecht,

Onderstrepende de beginselen van het internationale recht en het internationale gewoonterecht, in het bijzonder de beginselen van goed nabuurschap, wederkerigheid, non-discriminatie en goede trouw.

Zijn het volgende overeengekomen:

Artikel 1. Begripsomschrijvingen

Voor de toepassing van dit Verdrag wordt verstaan onder:

Artikel 2. Werkingssfeer

1.

Dit Verdrag is van toepassing op de preventie van, het voorbereid zijn op en de bestrijding van industriële ongevallen die grensoverschrijdende gevolgen zouden kunnen hebben, met inbegrip van de gevolgen van dergelijke ongevallen veroorzaakt door natuurrampen, en op de internationale samenwerking inzake wederzijdse bijstand, onderzoek en ontwikkeling, uitwisseling van informatie en overdracht van technologie op het gebied van de preventie van, de voorbereiding op en de bestrijding van industriële ongevallen.

2.

Dit Verdrag is niet van toepassing op:

Artikel 3. Algemene bepalingen

1.

De Partijen nemen, rekening houdende met datgene wat op nationaal en internationaal niveau reeds is ondernomen, passende maatregelen en werken samen in het kader van dit Verdrag om de mens en het milieu te beschermen tegen industriële ongevallen door deze ongevallen zo veel mogelijk te voorkomen, de frequentie en de ernst ervan te verminderen en de gevolgen ervan te beperken. Daartoe worden maatregelen toegepast met het oog op de preventie, voorbereiding en bestrijding, met inbegrip van herstelmaatregelen.

2.

De Partijen ontwikkelen en geven zonder onnodige vertraging uitvoering aan - door middel van uitwisseling van informatie, overleg en andere op samenwerking gebaseerde maatregelen - beleidslijnen en strategieën gericht op beperking van de risico's van industriële ongevallen en verbetering van de preventie-, voorbereidings - en bestrijdingsmaatregelen, met inbegrip van herstelmaatregelen, rekening houdende met datgene wat op nationaal en internationaal niveau reeds is ondernomen, teneinde dubbel werk te vermijden.

3.

De Partijen zien erop toe dat de exploitant wordt verplicht alle noodzakelijke maatregelen te nemen, opdat de gevaarlijke activiteit veilig wordt verricht en industriële ongevallen worden voorkomen.

4.

Met het oog op de tenuitvoerlegging van de bepalingen van dit Verdrag nemen de Partijen passende wetgevende, regelgevende, bestuurlijke en financiële maatregelen gericht op de preventie van, het voorbereid zijn op en de bestrijding van industriële ongevallen.

5.

De bepalingen van dit Verdrag laten verplichtingen van de Partijen ingevolge het internationale recht met betrekking tot industriële ongevallen en gevaarlijke activiteiten onverlet.

Artikel 4. Inventarisatie, overleg en advies

1.

Met het oog op het nemen van preventiemaatregelen en het opstellen van voorbereidingsmaatregelen neemt de Partij van herkomst passende maatregelen om gevaarlijke activiteiten onder haar rechtsmacht te inventariseren en te waarborgen dat benadeelde Partijen in kennis worden gesteld van alle zodanige voorgenomen of bestaande activiteiten.

2.

De betrokken Partijen voeren op verzoek van één van hen besprekingen over de inventarisatie van gevaarlijke activiteiten die redelijkerwijs grensoverschrijdende gevolgen zouden kunnen hebben. Indien de betrokken Partijen geen overeenstemming bereiken over de vraag of een activiteit een zodanige gevaarlijke activiteit is, kan elk van die Partijen dat vraagstuk voor advies voorleggen aan een onderzoekscommissie in overeenstemming met de bepalingen van Bijlage II bij dit Verdrag, tenzij de betrokken Partijen een andere methode voor oplossing van het vraagstuk overeenkomen.

3.

De Partijen passen ten aanzien van voorgenomen of bestaande gevaarlijke activiteiten de in Bijlage III bij dit Verdrag beschreven procedures toe.

4.

Wanneer ten aanzien van een gevaarlijke activiteit een milieueffectrapportage plaatsvindt in overeenstemming met het Verdrag inzake milieu-effectrapportage in grensoverschrijdende context en die rapportage een evaluatie omvat van de grensoverschrijdende gevolgen van industriële ongevallen voortvloeiende uit de gevaarlijke activiteit die wordt verricht in overeenstemming met de bepalingen van dit Verdrag, wordt de definitieve beslissing, genomen ter toepassing van het Verdrag inzake milieu-effectrapportage in grensoverschrijdende context, geacht te voldoen aan de desbetreffende vereisten van dit Verdrag.

Artikel 5. Vrijwillige uitbreiding

De betrokken Partijen dienen op initiatief van één van hen besprekingen te voeren over de vraag of een niet onder Bijlage I vallende activiteit als gevaarlijke activiteit moet worden beschouwd. In onderlinge overeenstemming kunnen zij een adviesorgaan van hun keuze, of een onderzoekscommissie in de zin van Bijlage II, inschakelen om hun advies te geven. Wanneer de betrokken Partijen zulks overeenkomen, is dit Verdrag, of een gedeelte daarvan, op de desbetreffende activiteit van toepassing als ware het een gevaarlijke activiteit.

Artikel 6. Preventie

1.

De Partijen nemen passende maatregelen ten behoeve van de preventie van industriële ongevallen, met inbegrip van maatregelen die erop zijn gericht exploitanten ertoe te bewegen actie te ondernemen om het risico van industriële ongevallen te beperken. Deze maatregelen kunnen, onder andere, de in Bijlage IV bij dit Verdrag genoemde maatregelen omvatten.

2.

Met betrekking tot elke gevaarlijke activiteit verlangt de Partij van herkomst van de exploitant dat deze aantoont dat de gevaarlijke activiteit veilig wordt verricht, door informatie te verstrekken, bijvoorbeeld essentiële gegevens betreffende het proces, met inbegrip van, onder andere, de analyse en evaluatie als omschreven in Bijlage V bij dit Verdrag.

Artikel 7. Besluitvorming inzake plaatskeuze

Binnen het kader van haar rechtsstelsel streeft de Partij van herkomst ernaar beleidslijnen op te stellen inzake de keuze van de plaats van nieuwe gevaarlijke activiteiten en inzake belangrijke wijzigingen met betrekking tot bestaande gevaarlijke activiteiten, ten einde het risico voor de bevolking en het milieu van alle benadeelde Partijen te beperken. Binnen het kader van hun rechtsstelsels streven de benadeelde Partijen ernaar beleidslijnen op te stellen inzake belangrijke ontwikkelingen in gebieden die zouden kunnen worden geraakt door grensoverschrijdende gevolgen van een industrieel ongeval voortvloeiende uit een gevaarlijke activiteit, ten einde de daarmee verband houdende risico's te beperken. Bij het uitwerken en opstellen van die beleidslijnen dienen de Partijen rekening te houden met de gegevens als vermeld in Bijlage V, tweede paragraaf, punten 1 t/m 8, en Bijlage VI bij dit Verdrag.

Artikel 8. Voorbereiding op noodsituaties

1.

De Partijen nemen passende maatregelen om te bewerkstelligen dat men in voldoende mate is en blijft voorbereid op noodsituaties om industriële ongevallen te kunnen bestrijden. De Partijen zien erop toe dat voorbereidingsmaatregelen worden genomen om de grensoverschrijdende gevolgen van zodanige ongevallen te beperken, waarbij de exploitant de ter plaatse te treffen maatregelen op zich dient te nemen. Deze maatregelen kunnen onder andere de in Bijlage VII bij dit Verdrag genoemde maatregelen omvatten. In het bijzonder stellen de betrokken Partijen elkander in kennis van hun rampenplannen

2.

De Partij van herkomst ziet wat gevaarlijke activiteiten betreft toe op het opstellen en uitvoeren van op het terrein van de gevaarlijke activiteiten van toepassing zijnde rampenplannen, met inbegrip van passende bestrijdingsmaatregelen en andere maatregelen ter voorkoming en beperking van grensoverschrijdende gevolgen. De Partij van herkomst verstrekt de andere betrokken Partijen de gegevens waarover zij beschikt voor het opstellen van rampenplannen.

3.

Elke Partij ziet wat gevaarlijke activiteiten betreft toe op het opstellen en uitvoeren van buiten de desbetreffende plaats van toepassing zijnde rampenplannen, die maatregelen bevatten die op haar grondgebied moeten worden genomen ter voorkoming en beperking van grensoverschrijdende gevolgen. Bij het opstellen van deze plannen dient rekening te worden gehouden met de conclusies van de analyse en de evaluatie, in het bijzonder de gegevens genoemd in Bijlage V, tweede paragraaf, punten 1 t/m 5. De betrokken Partijen streven ernaar die plannen op elkaar af te stemmen. Indien passend, stellen zij gezamenlijk buiten het terrein van de gevaarlijke activiteiten van toepassing zijnde rampenplannen op, ten einde het nemen van adequate bestrijdingsmaatregelen te vergemakkelijken.

4.

Rampenplannen dienen te worden herzien met een zekere regelmaat, dan wel wanneer de omstandigheden zulks vereisen, rekening houdend met de ervaring die is opgedaan bij het optreden in echte noodsituaties.

Artikel 9. Voorlichting aan en deelneming van het publiek

1.

De Partijen zien erop toe dat passende voorlichting wordt gegeven aan het publiek in gebieden die zouden kunnen worden geraakt door een industrieel ongeval voortvloeiende uit een gevaarlijke activiteit. Deze voorlichting wordt gegeven via de kanalen die de Partijen passend achten, dient de in Bijlage VIII bij dit Verdrag genoemde gegevens te bevatten en dient rekening te houden met de gegevens genoemd in Bijlage V, tweede paragraaf, punten 1 t/m 4 en 9.

2.

De Partij van herkomst biedt, in overeenstemming met de bepalingen van dit Verdrag en telkens wanneer zulks mogelijk en passend is, het publiek in de gebieden die zouden kunnen worden geraakt gelegenheid om deel te nemen aan de desbetreffende procedures, opdat het zijn standpunten en bezorgdheid met betrekking tot preventie- en voorbereidingsmaatregelen kenbaar kan maken, en zij ziet erop toe dat de gelegenheid die het publiek van de benadeelde Partij wordt geboden, gelijkwaardig is aan die welke wordt geboden aan het publiek van de Partij van herkomst.

3.

De Partijen bieden, in overeenstemming met hun rechtsstelsel en, indien zij zulks wensen, op basis van wederkerigheid aan natuurlijke personen en rechtspersonen die schadelijke grensoverschrijdende gevolgen van een industrieel ongeval ondervinden of zouden kunnen ondervinden op het grondgebied van een Partij, toegang tot de desbetreffende bestuurlijke en gerechtelijke procedures, met inbegrip van de mogelijkheid een rechtsvordering in te stellen of beroep in te stellen tegen een beslissing waarbij hun rechten zijn aangetast, welke toegang gelijkwaardig dient te zijn aan die welke beschikbaar is voor de personen binnen hun eigen rechtsmacht, en zij waarborgen dat de behandeling in die procedures ook gelijkwaardig is.

Artikel 10. Meldsystemen voor industriële ongevallen

1.

De Partijen dragen zorg voor het opzetten en in bedrijf houden van compatibele en efficiënte meldsystemen voor industriële ongevallen op de juiste niveaus, ten einde meldingen van industriële ongevallen te kunnen ontvangen en verzenden die de benodigde informatie bevatten om grensoverschrijdende gevolgen tegen te gaan.

2.

In geval van een industrieel ongeval, of de onmiddellijke dreiging daarvan, dat grensoverschrijdende gevolgen heeft of zou kunnen hebben, draagt de Partij van herkomst er zorg voor dat dit onverwijld wordt gemeld bij de benadeelde Partijen op de juiste niveaus door middel van de meldsystemen voor industriële ongevallen. Deze melding dient de in Bijlage IX bij dit Verdrag genoemde gegevens te bevatten.

3.

De betrokken Partijen zien erop toe dat, in geval van een industrieeł ongeval, of de onmiddellijke dreiging daarvan, de in overeenstemming met artikel 8 opgestelde rampenplannen zo spoedig mogelijk in werking worden gesteld in de mate die de omstandigheden vereisen.

Artikel 11. Bestrijding

1.

De Partijen zien erop toe dat, in geval van een industrieel ongeval, of de onmiddellijke dreiging daarvan, zo spoedig mogelijk adequate bestrijdingsmaatregelen worden genomen met gebruikmaking van de meest doeltreffende middelen, ten einde de gevolgen te beheersen en te beperken.

2.

In geval van een industrieel ongeval, of de onmiddellijke dreiging daarvan, dat grensoverschrijdende gevolgen heeft of zou kunnen hebben, dragen de betrokken Partijen er zorg voor dat de gevolgen worden ingeschat - indien passend gezamenlijk - opdat adequate bestrijdingsmaatregelen kunnen worden genomen. De betrokken Partijen streven ernaar hun bestrijdingsmaatregelen te coördineren.

Artikel 12. Wederzijdse bijstand

1.

Indien een Partij bijstand nodig heeft in geval van een industrieel ongeval, kan zij de andere Partijen daarom verzoeken, met vermelding van de omvang en de aard van de gewenste bijstand. Een Partij waaraan een verzoek om bijstand is gericht, neemt ten spoedigste een besluit ter zake en deelt de Partij die het verzoek heeft gedaan terstond mede of zij in staat is de gewenste bijstand te verlenen en geeft daarbij de omvang aan van de bijstand die zij kan verlenen, alsook de voorwaarden waaronder zulks geschiedt.

2.

De betrokken Partijen werken samen ter vergemakkelijking van de snelle verlening van de overeenkomstig het eerste lid van dit artikel overeengekomen bijstand, waaronder, indien van toepassing, maatregelen ter beperking van de gevolgen van het industriële ongeval, en om algemene bijstand te verlenen. Indien de verlening van wederzijdse bijstand tussen de Partijen niet is geregeld in bilaterale of multilaterale overeenkomsten, wordt de bijstand verleend in overeenstemming met Bijlage X bij dit Verdrag, tenzij de Partijen anders overeenkomen.

Artikel 13. Verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid

De Partijen steunen passende internationale initiatieven gericht op het opstellen van regels, criteria en procedures op het gebied van verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid.

Artikel 14. Onderzoek en ontwikkeling

De Partijen gaan, indien van toepassing, over tot onderzoek naar en ontwikkeling van methoden en technologieën voor de preventie van, de voorbereiding op en de bestrijding van industriële ongevallen, en werken daarbij samen. Daartoe stimuleren en bevorderen de Partijen actief de wetenschappelijke en technologische samenwerking, met inbegrip van onderzoek naar minder gevaarlijke processen, ten einde de risico's van ongevallen te beperken en de gevolgen van industriële ongevallen te voorkomen en te beperken.

Artikel 15. Uitwisseling van informatie

De Partijen wisselen in multilateraal en bilateraal verband de informatie uit die redelijkerwijs te verkrijgen is, met inbegrip van de in Bijlage XI bij dit Verdrag genoemde gegevens.

Artikel 16. Uitwisseling van technologie

1.

De Partijen vergemakkelijken, met inachtneming van hun wetten, voorschriften en gebruiken, de uitwisseling van technologie voor de preventie van, de voorbereiding op en de bestrijding van de gevolgen van industriële ongevallen, met name door middel van de bevordering van:

2.

Ter bevordering van de in het eerste lid, letters a tot en met d, van dit artikel genoemde activiteiten scheppen de Partijen gunstige voorwaarden, door contacten en samenwerking te vergemakkelijken tussen de daarvoor in aanmerking komende organisaties en personen in de privé- en de overheidssector die in staat zijn technologie, diensten op het gebied van ontwerp en constructie, uitrusting of financiële middelen te leveren.

Artikel 17. Bevoegde autoriteiten en verbindingsorganen

1.

Elke Partij wijst voor de toepassing van dit Verdrag één of meer bevoegde autoriteiten aan, of stelt deze in.

2.

Onverminderd andere in bilateraal of multilateraal verband gesloten overeenkomsten, wijst elke Partij een verbindingsorgaan aan voor de meldingen van industriële ongevallen overeenkomstig artikel 10, en een verbindingsorgaan voor de wederzijdse bijstand overeenkomstig artikel 12, of stelt deze in. Deze verbindingsorganen dienen bij voorkeur dezelfde te zijn.

3.

Elke Partij stelt de andere Partijen binnen drie maanden na de datum van inwerkingtreding van dit Verdrag voor die Partij via het in artikel 20 bedoelde secretariaat in kennis van het orgaan of de organen die zij heeft aangewezen als haar verbindingsorgaan (-organen) en als haar bevoegde autoriteit(en).

4.

Elke Partij stelt de andere Partijen binnen een maand na de datum van de beslissing via het secretariaat in kennis van elke wijziging met betrekking tot de aanwijzing(en) die zij heeft verricht ingevolge het derde lid van dit artikel.

5.

Elke Partij zorgt ervoor dat haar verbindingsorgaan en haar meidsystemen voor industriële ongevallen overeenkomstig artikel 10 te allen tijde bereikbaar zijn.

6.

Elke Partij zorgt ervoor dat haar verbindingsorgaan en de autoriteiten die zijn belast met het verzenden en ontvangen van verzoeken om bijstand en het aanvaarden van aangeboden bijstand overeenkomstig artikel 12 te allen tijde bereikbaar zijn.

Artikel 18. Conferentie van de partijen

1.

De vertegenwoordigers van de Partijen vormen de Conferentie van de Partijen bij dit Verdrag en komen regelmatig bijeen. De eerste vergadering van de Conferentie van de Partijen wordt uiterlijk één jaar na de datum van inwerkingtreding van dit Verdrag belegd. Daarna vindt ten minste eenmaal per jaar een vergadering van de Conferentie van de Partijen plaats of op schriftelijk verzoek van een Partij, op voorwaarde dat het verzoek binnen zes maanden nadat dit aan hen is medegedeeld door het secretariaat wordt gesteund door ten minste een derde van de Partijen.

2.

De Conferentie van de Partijen:

3.

De Conferentie van de Partijen werkt bij de vervulling van haar taken ook samen met andere bevoegde internationale organisaties, wanneer zij zulks noodzakelijk acht.

4.

De Conferentie van de Partijen stelt op haar eerste vergadering een werkprogramma vast, met name met betrekking tot de in Bijlage XII bij dit Verdrag genoemde onderwerpen. De Conferentie van de Partijen besluit tevens over de werkwijze, en spreekt zich met name uit over het inschakelen van nationale centra en over samenwerking met bevoegde internationale organisaties, alsmede over het opzetten van een systeem ter vergemakkelijking van de toepassing van dit Verdrag, in het bijzonder met het oog op wederzijdse bijstand in geval van een industrieel ongeval, daarbij voortbouwend op bestaande activiteiten op dit gebied in het kader van bevoegde internationale organisaties. Als onderdeel van het werkprogramma inventariseert de Conferentie van de Partijen bestaande nationale, regionale en internationale centra, alsook andere organen en programma's gericht op de coördinatie van de informatie en de inspanningen op het gebied van de preventie van, de voorbereiding op en de bestrijding van industriële ongevallen, ten einde vast te stellen welke andere internationale instellingen of centra nodig zijn om de in Bijlage XII genoemde taken te verrichten.

5.

De Conferentie van de Partijen maakt op haar eerste vergadering een aanvang met de bestudering van de procedures om gunstigere voorwaarden te scheppen voor de uitwisseling van technologie voor de preventie van, de voorbereiding op en de bestrijding van de gevolgen van industriële ongevallen.

6.

De Conferentie van de Partijen neemt richtlijnen en criteria aan ter vergemakkelijking van de inventarisatie van gevaarlijke activiteiten in de zin van dit Verdrag.

Artikel 19. Stemrecht

1.

Behoudens het bepaalde in het tweede lid van dit artikel, heeft elke Partij bij dit Verdrag één stem.

2.

Regionale organisaties voor economische integratie als omschreven in artikel 27 oefenen ter zake van tot hun bevoegdheid behorende aangelegenheden hun stemrecht uit met een aantal stemmen dat gelijk is aan het aantal van hun lidstaten dat Partij is bij dit Verdrag. Deze organisaties oefenen hun stemrecht niet uit indien hun lidstaten hun sternrecht uitoefenen, en omgekeerd.

Artikel 20. Secretariaat

De Uitvoerend Secretaris van de Economische Commissie voor Europa verricht de volgende secretariaatswerkzaamheden:

Artikel 21. Geschillenregeling

1.

Indien tussen twee of meer Partijen een geschil ontstaat over de uitlegging of toepassing van dit Verdrag, trachten zij dit op te lossen door onderhandeling of volgens een andere voor de partijen bij het geschil aanvaardbare methode voor de regeling van geschillen.

2.

Een Partij kan bij de ondertekening, bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring van of de toetreding tot dit Verdrag, of te allen tijde daarna, schriftelijk aan de Depositaris mededelen dat zij, in geval van een geschil dat niet wordt opgelost in overeenstemming met het eerste lid van dit artikel, de toepassing van de volgende twee methoden voor het regelen van geschillen, dan wel één van beide, als verplicht aanvaardt ten aanzien van iedere Partij die dezelfde verplichting aanvaardt:

3.

Indien de partijen bij het geschil beide in het tweede lid van dit artikel genoemde methoden voor de regeling van geschillen hebben aanvaard, kan het geschil alleen aan het Internationale Gerechtshof worden voorgelegd, tenzij de partijen anders overeenkomen.

Artikel 22. Beperkingen op de verstrekking van informatie

1.

De bepalingen van deze Overeenkomst laten onverlet de rechten en verplichtingen van de Partijen om, in overeenstemming met hun nationale wetten, voorschriften, bestuurlijke bepalingen of aanvaarde rechtspraktijken alsmede de van toepassing zijnde internationale regelgeving, zorg te dragen voor de bescherming van informatie met betrekking tot persoonsgegevens, industriële geheimen of handelsgeheimen, met inbegrip van de intellectuele eigendom, of de nationale veiligheid.

2.

Indien een Partij niettemin besluit deze beschermde informatie aan een andere Partij te verstrekken, eerbiedigt de Partij die de beschermde informatie ontvangt het vertrouwelijk karakter van de ontvangen informatie en de voorwaarden waaronder deze wordt verstrekt, en gebruikt die Partij die informatie slechts voor de doeleinden waarvoor deze werd verstrekt.

Artikel 23. Toepassing

De Partijen doen regelmatig verslag van de toepassing van dit Verdrag.

Artikel 24. Bilaterale en multilaterale overeenkomsten

1.

De Partijen kunnen, ter nakoming van hun verplichtingen ingevolge dit Verdrag, de toepassing van bestaande bilaterale of multilaterale overeenkomsten of andere akkoorden voorzetten of nieuwe aangaan.

2.

De bepalingen van dit Verdrag laten onverlet het recht van de Partijen om, eventueel krachtens een bilaterale of multilaterale overeenkomst, strengere maatregelen te nemen dan die welke dit Verdrag voorschrijft.

Artikel 25. Status van de bijlagen

De Bijlagen bij dit Verdrag maken een integrerend deel van het Verdrag uit.

Artikel 26. Wijzigingen op het Verdrag

1.

Elke Partij kan wijzigingen op dit Verdrag voorstellen.

2.

De tekst van een voorgestelde wijziging op dit Verdrag wordt in schriftelijke vorm ingediend bij de Uitvoerend Secretaris van de Economische Commissie voor Europa, die deze toezendt aan alle Partijen. De Conferentie van de Partijen bespreekt de voorgestelde wijzigingen op haar eerstvolgende jaarvergadering, mits die voorstellen ten minste negentig dagen van tevoren door de Uitvoerend Secretaris van de Economische Commissie voor Europa aan de Partijen zijn toegezonden.

3.

Voor wijzigingen op dit Verdrag - anders dan wijzigingen op Bijlage I, waarvoor de procedure is beschreven in het vierde lid van dit artikel - geldt:

4.

Voor wijzigingen op Bijlage I geldt:

Artikel 27. Ondertekening

Dit Verdrag staat van 17 tot en met 18 maart 1992 te Helsinki, en daarna tot 18 september 1992 op de Zetel van de Verenigde Naties te New York, open voor ondertekening door de lidstaten van de Economische Commissie voor Europa, alsmede door Staten die een consultatieve status bij de Economische Commissie voor Europa hebben krachtens paragraaf 8 van resolutie 36 (IV) van 28 maart 1947 van de Economische en Sociale Raad, en door regionale organisaties voor economische integratie opgericht door soevereine Staten die lid zijn van de Economische Commissie voor Europa waaraan de lidstaten bevoegdheden hebben overgedragen ten aanzien van aangelegenheden die onder dit Verdrag vallen, met inbegrip van de bevoegdheid ten aanzien van die aangelegenheden verdragen aan te gaan.

Artikel 28. Depositaris

De Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties treedt op als Depositaris van dit Verdrag.

Artikel 29. Bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring en toetreding

1.

Dit Verdrag dient te worden bekrachtigd, aanvaard of goedgekeurd door ondertekenende Staten en regionale organisaties voor economische integratie.

2.

Dit Verdrag staat open voor toetreding door de in artikel 27 bedoelde Staten en organisaties.

3.

Iedere organisatie zoals bedoeld in artikel 27 die Partij wordt bij dit Verdrag zonder dat één van haar lidstaten Partij is, is gebonden door alle verplichtingen krachtens dit Verdrag. Indien één of meer lidstaten van een zodanige organisatie Partij bij dit Verdrag zijn, beslissen de organisatie en haar lidstaten over hun onderscheiden verantwoordelijkheden ten aanzien van de nakoming van hun verplichtingen krachtens het Verdrag. In dat geval mogen de organisatie en de lidstaten niet tegelijkertijd rechten krachtens dit Verdrag uitoefenen.

4.

In hun akten van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding geven de in artikel 27 bedoelde regionale organisaties voor economische integratie de reikwijdte aan van hun bevoegdheid ten aanzien van de aangelegenheden die onder dit Verdrag vallen. Deze organisaties doen de Depositaris tevens mededeling van iedere wezenlijke verandering in de reikwijdte van hun bevoegdheid.

Artikel 30. Inwerkingtreding

1.

Dit Verdrag treedt in werking op de negentigste dag na de datum van nederlegging van de zestiende akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding.

2.

Voor de toepassing van het eerste lid van dit artikel wordt de door een organisatie als bedoeld in artikel 27 nedergelegde akte niet meegeteld naast akten die zijn nedergelegd door de lidstaten van de organisatie.

3.

Ten aanzien van elke in artikel 27 bedoelde Staat of organisatie die dit Verdrag bekrachtigt, aanvaardt of goedkeurt of ertoe toetreedt na de nederlegging van de zestiende akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding, treedt het Verdrag in werking op de negentigste dag na de datum van nederlegging door die Staat of organisatie van zijn of haar akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding.

Artikel 31. Opzegging

1.

Elke Partij kan, te allen tijde na drie jaar vanaf de datum waarop dit Verdrag ten aanzien van die Partij in werking is getreden, het Verdrag opzeggen door middel van een schriftelijke kennisgeving aan de Depositaris. De opzegging wordt van kracht op de negentigste dag na de datum van ontvangst van de kennisgeving door de Depositaris.

2.

De opzegging belet niet de toepassing van artikel 4 op een activiteit ten aanzien waarvan een kennisgeving is gedaan ingevolge artikel 4, eerste lid, of een verzoek om besprekingen is gedaan ingevolge artikel 4, tweede lid.

Artikel 32. Authentieke teksten

Het originele exemplaar van dit Verdrag, waarvan de Engelse, de Franse en de Russische tekst gelijkelijk authentiek zijn, wordt nedergelegd bij de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties.

1

De verzoekende partij(en) deelt (delen) het secretariaat mede dat zij een vraagstuk of vraagstukken voorlegt (voorleggen) aan een onderzoekscommissie, ingesteld in overeenstemming met de bepalingen van deze Bijlage. In de mededeling dient het onderwerp van het onderzoek te zijn vermeld. Het secretariaat stelt alle Partijen bij het Verdrag onmiddellijk in kennis van het verzoek om een onderzoek.

2

De onderzoekscommissie bestaat uit drie leden. Zowel de verzoekende partij als de andere bij de onderzoeksprocedure betrokken partij benoemen een wetenschappelijke of technische deskundige en de twee aldus benoemde deskundigen wijzen in onderlinge overeenstemming een derde deskundige aan, die voorzitter van de onderzoekscommissie is. Laatstbedoelde mag geen onderdaan zijn van één van de bij de onderzoeksprocedure betrokken partijen, noch zijn vaste woonplaats op het grondgebied van één van die partijen hebben, noch werkzaam zijn in dienst van één van hen, noch zich in enigerlei hoedanigheid met de zaak hebben beziggehouden.

3

Indien binnen twee maanden na de benoeming van de tweede deskundige geen voorzitter van de onderzoekscommissie is aangewezen, wijst de Uitvoerend Secretaris van de Economische Commissie voor Europa op verzoek van één van de partijen de voorzitter aan binnen een volgende termijn van twee maanden.

4

Indien één van de bij de onderzoeksprocedure betrokken partijen geen deskundige benoemt binnen een maand nadat zij de kennisgeving van het secretariaat heeft ontvangen, kan de andere partij hiervan kennisgeving doen aan de Uitvoerend Secretaris van de Economische Commissie voor Europa, die de voorzitter van de onderzoekscommissie aanwijst binnen een volgende termijn van twee maanden. Na zijn aanwijzing verzoekt de voorzitter van de onderzoekscommissie de partij die geen deskundige heeft benoemd, dit binnen een maand te doen. Indien zij verzuimt dit binnen die termijn te doen, doet de voorzitter hiervan kennisgeving aan de Uitvoerend Secretaris van de Economische Commissie voor Europa, die deze benoeming verricht binnen een volgende termijn van twee maanden.

5

De onderzoekscommissie stelt haar eigen reglement van orde vast.

6

De onderzoekscommissie neemt alle passende maatregelen om haar taken te verrichten.

7

De bij de onderzoeksprocedure betrokken partijen dienen het werk van de onderzoekscommissie te vergemakkelijken en dienen met name met gebruikmaking van alle hun ter beschikking staande middelen:

8

De partijen en de deskundigen beschermen het vertrouwelijk karakter van alle informatie die zij in vertrouwen ontvangen in de loop van de werkzaamheden van de onderzoekscommissie.

9

Indien één van de bij de onderzoeksprocedure betrokken partijen niet voor de onderzoekscommissie verschijnt of verzuimt haar standpunt kenbaar te maken, kan de andere partij de onderzoekscommissie verzoeken de procedure voort te zetten en haar werk te voltooien. Het niet-verschijnen van een partij of het verzuim haar standpunt kenbaar te maken vormt geen beletsel voor de voortzetting en de voltooiing van het werk van de onderzoekscommissie

10

De kosten van de onderzoekscommissie, met inbegrip van de bezoldiging van haar leden, worden in gelijke delen gedragen door de bij de onderzoeksprocedure betrokken partijen, tenzij de onderzoekscommissie anders beslist, gelet op de bijzondere omstandigheden van de zaak. De onderzoekscommissie houdt aantekening van al haar uitgaven en doet de partijen een eindoverzicht toekomen.

11

Elke Partij die een belang van materiële aard bij het onderwerp van de onderzoeksprocedure heeft en die door het advies van de onderzoekscommissie kan worden geraakt, kan met instemming van de onderzoekscommissie interveniëren in de procedure.

12

De beslissingen van de onderzoekscommissie inzake procedurele aangelegenheden worden genomen met een meerderheid van stemmen van haar leden. Het eindoordeel van de onderzoekscommissie dient een afspiegeling te zijn van het standpunt van de meerderheid van haar leden en zal een eventueel afwijkende mening omvatten.

13

De onderzoekscommissie geeft haar eindoordeel binnen twee maanden na de datum waarop zij is ingesteld, tenzij zij het noodzakelijk acht deze termijn met een duur van ten hoogste twee maanden te verlengen.

14

Het eindoordeel van de onderzoekscommissie dient te zijn gebaseerd op aanvaarde wetenschappelijke beginselen. Het eindoordeel wordt door de onderzoekscommissie toegezonden aan de bij de onderzoeksprocedure betrokken partijen en aan het secretariaat.

1

Een Partij van herkomst kan verzoeken om overleg met een andere Partij in overeenstemming met de tweede tot en met de vijfde paragraaf van deze Bijlage ten einde vast te stellen of die Partij een benadeelde Partij is.

2

Indien een voorgenomen of bestaande activiteit gevaarlijk is, dient de Partij van herkomst, ten einde adequaat en doeltreffend overleg te kunnen voeren, op passende niveaus kennisgeving te doen aan elke Partij die naar haar oordeel een benadeelde Partij kan worden, zulks zo vroeg mogelijk en niet later dan het tijdstip waarop zij haar eigen publiek inlicht over die voorgenomen of bestaande activiteit. Bij bestaande gevaarlijke activiteiten dient die kennisgeving uiterlijk twee jaar na de inwerkingtreding van dit Verdrag voor een Partij van herkomst te worden gedaan.

3

De kennisgeving dient, onder andere, te bevatten:

en kan de in zesde paragraaf van deze Bijlage genoemde informatie bevatten.

4

De in kennis gestelde Partijen dienen de Partij van herkomst te antwoorden binnen de in de kennisgeving vermelde termijn, daarbij de ontvangst van de kennisgeving bevestigend en aangevend of zij voornemens zijn overleg te plegen.

5

Indien een in kennis gestelde Partij aangeeft dat zij niet voornemens is overleg te plegen, of niet antwoordt binnen de in de kennisgeving vermelde termijn, zijn de bepalingen van de volgende paragrafen van deze Bijlage niet van toepassing. In dergelijke gevallen heeft de Partij van herkomst onverminderd het recht te bepalen of zij overgaat tot een beoordeling en analyse op grond van haar eigen nationale wetgeving en praktijk.

6

Na ontvangst van een antwoord van een in kennis gestelde Partij waarin deze aangeeft dat zij overlegt wenst te plegen, verschaft de Partij van herkomst de in kennis gestelde Partij, indien zij zulks nog niet heeft gedaan:

7

Een benadeelde Partij verstrekt de Partij van herkomst, op haar verzoek, de redelijkerwijs verkrijgbare informatie betreffende het onder de rechtsmacht van de benadeelde Partij vallende gebied dat zou kunnen worden geraakt, wanneer die informatie nodig is om te kunnen overgaan tot een beoordeling en analyse en om maatregelen te kunnen nemen. De informatie wordt onmiddellijk verstrekt en, indien van toepassing, via een gezamenlijk orgaan, wanneer dit bestaat.

8

De Partij van herkomst verstrekt de benadeelde Partij, indien van toepassing, rechtstreeks of, indien zulks bestaat, via een gezamenlijk orgaan, de desbetreffende documenten aangaande de analyse en evaluatie als beschreven in Bijlage V, eerste en tweede paragraaf.

9

De betrokken Partijen informeren het publiek in gebieden die redelijkerwijs zouden kunnen worden geraakt door de gevaarlijke activiteit en dragen zorg voor de verspreiding van documenten aangaande de analyse en evaluatie onder dit publiek en de autoriteiten in de desbetreffende gebieden. De Partijen stellen hen in de gelegenheid hun opmerkingen en bezwaren ten aanzien van de gevaarlijke activiteit kenbaar te maken en dragen er zorg voor dat hun standpunten worden voorgelegd aan de bevoegde autoriteit van de Partij van herkomst, hetzij rechtstreeks, hetzij, indien van toepassing, door tussenkomst van de Partij van herkomst, zulks binnen een redelijke termijn.

10

De Partij van herkomst pleegt, zodra de documenten aangaande de analyse en evaluatie gereed zijn, onverwijld overleg met de benadeelde Partij over, onder meer, de grensoverschrijdende gevolgen van de gevaarlijke activiteit in geval van een industrieel ongeval en over maatregelen om de gevolgen daarvan te beperken of uit te sluiten. Het overleg kan betrekking hebben op:

11

De betrokken Partijen zien erop toe dat naar behoren rekening wordt gehouden met de analyse en evaluatie, alsook met het ingevolge de negende paragraaf van deze Bijlage ontvangen commentaar en het resultaat van het in de tiende paragraaf van deze Bijlage bedoelde overleg.

12

De Partij van herkomst stelt de benadeelde Partijen in kennis van elke beslissing aangaande de activiteit, alsmede van de redenen en overwegingen waarop deze is gegrond.

13

Indien een betrokken Partij kennis neemt van aanvullende relevante informatie betreffende de grensoverschrijdende gevolgen van een gevaarlijke activiteit die niet beschikbaar was op het tijdstip waarop het overleg met betrekking tot die activiteit plaatsvond, brengt die Partij de andere betrokken Partij (en) hiervan onmiddellijk op de hoogte. Indien één van de betrokken Partijen hierom verzoekt, wordt opnieuw overleg gevoerd.

1

De omvang en de grondigheid van de analyse en de evaluatie van de gevaarlijke activiteit dienen te variëren naar gelang het doel waarvoor zij worden gehouden.

2

In de onderstaande tabel zijn de gegevens vermeld die in aanmerking moeten worden genomen in de analyse en de evaluatie met het oog op het in het aangegeven artikel omschreven doel:

Doel van de analyse Gegevens die in aanmerking moeten worden genomen
Voorbereiding op noodsituaties ingevolge artikel 8 1. Hoeveelheden en eigenschappen van de ter plaatse aanwezige gevaarlijke stoffen 2. Korte beschrijvende scenario's van enkele representatíeve voorbeelden van industriële ongevallen die uit de gevaarlijke activiteit zouden kunnen voortvloeien, telkens met vermelding van de mate van waarschijnlijkheid;5. De leeftijd en de mate van mobiliteit en kwetsbaarheid van die bevolking. 3. Voor ełk scenario: a. de hoeveelheid, bij benadering, van de vrijkomende stoffen; b. de omvang en de ernst van de gevolgen voor mens en milieu, in gunstige en ongunstige omstandigheden, met vermelding van de omvang van de risico-gebieden; c. de termijn waarbinnen de eerste verschijnselen zich ontwikkelen tot een industrieel ongeval; d. actíe die kan worden ondernomen om de mogelijkheid van escalatie tot een minimum te beperken; 4. Aantallen en verspreiding van de bevolking in de nabijheid, met vermelding van eventuele grote bevolkingsconcentraties in het risico-gebied. 5. De leeftijd en de mate van mobiliteit en kwetsbaarheid van die bevolking.
Besluitvorming inzake plaatskeuze ingevolge artikel 7 Naast de punten 1 t/m 5 hierboven:
Voorlichting aan het publiek ingevolge artikel 9 Naast de punten 1 t/m 4 hierboven:
Preventiemaatregelen ingevolge artikel 6 Naast de punten 4 t/m 9 hierboven, zijn meer gedetailleerde versies van de beschrijvingen en schattingen als bedoeld in de punten 1 tot en met 3 nodig om preventiemaatregelen te kunnen nemen. Naast deze beschrijvingen en schattingen moeten de volgende onderwerpen worden opgenomen:

1

Alle rampenplannen, zowel de op de plaats zelf als buiten de desbetreffende plaats van toepassing zijnde plannen, dienen op elkaar te worden afgestemd ten einde industriële ongevallen op alomvattende en doeltreffende wijze te kunnen bestrijden.

2

De rampenplannen dienen de benodigde maatregelen te omvatten om noodsituaties te kunnen lokaliseren en de grensoverschrijdende gevolgen daarvan te kunnen voorkomen of beperken. Zij dienen ook voorzieningen te omvatten om mensen te waarschuwen en indien nodig te evacueren, alsmede andere beschermings - en reddingsacties en dienstverlening op het gebied van de gezondheid.

3

De rampenplannen dienen het personeel ter plaatse, de mensen die zouden kunnen worden geraakt buiten de desbetreffende plaats en de reddingswerkers gedetailleerde informatie te verschaffen omtrent procedures van technische en organisatorische aard die van belang zijn voor de bestrijding van een industrieel ongeval dat grensoverschrijdende gevolgen zou kunnen hebben, en voor het voorkomen of beperken van de gevolgen voor mens en milieu, zowel op de plaats zelf als daarbuiten.

4

Ter plaatse van toepassing zijnde rampenplannen zouden bijvoorbeeld kunnen omvatten:

5

Buiten de desbetreffende plaats van toepassing zijnde rampenplannen zouden bijvoorbeeld kunnen omvatten:

6

Rampenplannen zouden maatregelen kunnen omvatten voor het behandelen, verzamelen, schoonmaken, opslaan, afvoeren en veilig verwijderen van gevaarlijke stoffen en besmet materiaal, alsook herstelmaatregełen

1

De naam van het bedrijf, het adres waarop de gevaarlijke activiteit plaatsvindt en een aanduiding van de functie van de persoon die de informatie verstrekt;

2

Een uitleg in eenvoudige bewoordingen van de gevaarlijke activiteit, met vermelding van de risico's;

3

De gangbare benaming of soortnaam, dan wel de klasse, van de stoffen of preparaten die bij de gevaarlijke activiteit worden gebruikt, met vermelding van hun voornaamste gevaarlijke eigenschappen;

4

Algemene informatie uit een milieu-effectrapportage, indien voorhanden en relevant;

5

Algemene informatie betreffende de aard van een industrieel ongeval dat zich mogelijkerwijs zou kunnen voordoen bij de gevaarlijke activiteit, met vermelding van de mogelijke gevolgen daarvan voor de bevolking en het milieu;

6

Adequate informatie over de wijze waarop de betrokken bevolking zal worden gewaarschuwd en op de hoogte zal worden gehouden in geval van een industrieel ongeval;

7

Adequate informatie over de maatregelen die de betrokken bevolking moet nemen en hoe zij zich moet gedragen in geval van een industrieel ongeval;

8

Adequate informatie over de getroffen regelingen met betrekking tot de gevaarlijke activiteit, waaronder het contact met de hulpverleningsdiensten, ten einde industriële ongevallen het hoofd te bieden en de ernst en de gevolgen daarvan te beperken;

9

Algemene informatie over het buiten de plaats zelf van toepassing zijnde rampenplan van de hulpverleningsdiensten, opgesteld om eventuele gevolgen van een industrieel ongeval buiten de desbetreffende plaats tegen te gaan, met inbegrip van grensoverschrijdende gevolgen;

10

Algemene informatie over bijzondere vereisten en voorwaarden waaraan de gevaarlijke activiteit is onderworpen overeenkomstig de van toepassing zijnde nationale voorschriften en/of bestuurlijke maatregelen, met inbegrip van vergunningen- of machtigingenstelsels;

11

Aanwijzingen voor het verkrijgen van nadere inlichtingen.

1

De meldsystemen voor industriële ongevallen dienen de snelst mogelijke doorgifte van gegevens en voorspellingen mogelijk te maken volgens van tevoren vastgestelde codes en met gebruikmaking van compatibele systemen voor datatransmissie en gegevensverwerking om te kunnen overgaan tot alarmering en bestrijding in noodsituaties en maatregelen te nemen ter beperking en beheersing van de effecten van grensoverschrijdende gevolgen, rekening houdende met de verschillende behoeften op de verschillende niveaus.

2

De melding van een industrieel ongeval dient de volgende gegevens te bevatten:

3

De melding van een industrieel ongeval dient regelmatig, of telkens wanneer zulks nodig is, te worden aangevuld met relevante nadere informatie over de ontwikkeling van de situatie met betrekking tot de grensoverschrijdende gevolgen.

4

Er dienen regelmatig proeven en toetsingen van de doelmatigheid van het meldsysteem voor industriële ongevallen plaats te vinden en het betrokken personeel dient regelmatig oefeningen te houden. Indien van toepassing worden deze proeven, toetsingen en oefeningen gezamenlijk uitgevoerd.

1

De algemene leiding, controle, coördinatie en supervisie van de bijstand berust bij de Partij die om bijstand verzoekt. Het bij de bijstandsverlening betrokken personeel handelt in overeenstemming met de desbetreffende wetten van de Partij die om bijstand verzoekt. De bevoegde autoriteiten van de Partij die om bijstand verzoekt, werken samen met de ingevolge artikel 17 door de bijstand verlenende Partij aangewezen autoriteit, die is belast met de onmiddellijke supervisie van het door de bijstand verlenende Partij verschafte personeel en materieel.

2

De Partij die om bijstand verzoekt, stelt, voor zover zulks in haar vermogen ligt, plaatselijke faciliteiten en diensten ter beschikking voor een goede uitvoering van de bijstand en draagt zorg voor de bescherming van het daartoe door of namens de bijstand verlenende Partij op haar grondgebied gebrachte personeel, materieel en materiaal.

3

De bijstand wordt verleend op kosten van de Partij die om bijstand verzoekt, tenzij de betrokken Partijen anders zijn overeengekomen. De bijstand verlenende Partij kan te allen tijde afzien van een gehele of gedeeltelijke vergoeding van de kosten.

4

De Partij die om bijstand verzoekt, stelt alles in het werk om de bijstand verlenende Partij en de namens haar handelende personen de voorrechten, immuniteiten of faciliteiten te verlenen die nodig zijn voor spoedige verrichting van hun bijstandstaken. De Partij die om bijstand verzoekt, is niet verplicht deze bepaling toe te passen op haar eigen onderdanen of ingezetenen of hun de bovenbedoelde voorrechten en immuniteiten te verlenen.

5

Een Partij tracht op verzoek van de Partij die om bijstand verzoekt of de Partij die de bijstand verleent, de doortocht over haar grondgebied naar en vanaf het grondgebied van de Partij die om bijstand verzoekt te vergemakkelijken van personeel, materieel en goederen die bij de bijstand zijn betrokken, waarvan naar behoren kennisgeving dient te zijn gedaan.

6

De Partij die om bijstand verzoekt, vergemakkelijkt de binnenkomst en het verblijf op en het vertrek van haar nationale grondgebied van personeel, materieel en goederen die bij de bijstand zijn betrokken, waarvan naar behoren kennisgeving is gedaan.

7

Met betrekking tot handelingen die rechtstreeks voortvloeien uit de verleende bijstand zal de Partij die om bijstand verzoekt, in geval van overlijden of lichamelijk letsel, schade aan of verlies van goederen, of schade aan het milieu, veroorzaakt op haar grondgebied tijdens de verlening van de bijstand waarom is verzocht, de bijstand verlenende Partij of de namens haar handelende personen vrijwaren en schadeloos stellen en hun schadevergoeding betalen voor het overlijden of het toegebrachte letsel, of het verlies van dan wel de schade aan het materiaal of de andere goederen die bij de bijstandverlening zijn betrokken. De Partij die om bijstand verzoekt, is verplicht vorderingen van derden ten laste van de bijstand verlenende Partij of de namens deze handelende personen in behandeling te nemen.

8

De betrokken Partijen werken nauw samen ter vergemakkelijking van de afwikkeling van gerechtelijke procedures en vorderingen die zouden kunnen voortvloeien uit de bijstandverlening.

9

Een Partij kan verzoeken om bijstand met betrekking tot de medische behandeling of de tijdelijke overbrenging naar een andere Partij van personen die zijn betrokken bij een ongeval.

10

De benadeelde Partij of de Partij die om bijstand verzoekt kan te allen tijde, na passend overleg en door middel van een kennisgeving, verzoeken om beëindiging van de ingevolge dit Verdrag ontvangen of verleende bijstand. Zodra een zodanig verzoek is gedaan, plegen de betrokken Partijen onderling overleg ten einde regelingen te treffen om de bijstand op passende wijze te beëindigen.

1. Verzameling en verspreiding van informatie en gegevens

a. De totstandbrenging en exploitatie van een meldsysteem voor industriële ongevallen dat informatie kan verschaffen over industriële ongevallen en over deskundigen, ten einde de deskundigen zo spoedig mogelijk te kunnen inschakelen om bijstand te verlenen;

b. de totstandbrenging en exploitatie van een databank voor de ontvangst, verwerking en verspreiding van de nodige informatie over industriële ongevallen, en de gevolgen daarvan, alsook over de toegepaste maatregelen en de doelmatigheid daarvan;

c. het opstellen en bijhouden van een lijst van gevaarlijke stoffen, onder vermelding van hun eigenschappen en de wijze waarop daarmee moet worden omgegaan in geval van een industrieel ongeval;

d. het opstellen en bijhouden van een register van deskundigen die advies en andere vormen van bijstand kunnen verlenen met betrekking tot preventie-, voorbereidings - en bestrijdingsmaatregelen, met inbegrip van herstelmaatregelen;

e. het bijhouden van een lijst van gevaarlijke activiteiten;

f. het opstellen en bijhouden van een lijst van gevaarlijke stoffen die vallen onder de bepalingen van Bijlage I, Deel I.

2. Onderzoek, opleiding en methodologieën

a. Het maken en verstrekken van modellen, gebaseerd op de ervaring met industriële ongevallen, en scenario's voor preventie-, voorbereidings- en bestrijdingsmaatregelen;

b. het bevorderen van opleidingen en oefeningen, het organiseren van internationale symposia en het bevorderen van samenwerking op het gebied van onderzoek en ontwikkeling.

3. Technische bijstand

a. Het verrichten van adviserende taken, gericht op de verbetering van het vermogen om preventie-, voorbereidings- en bestrijdingsmaatregelen toe te passen;

b. het verrichten, op verzoek van een Partij, van inspecties van haar gevaarlijke activiteiten en het verlenen van bijstand bij het organiseren van haar nationale inspecties overeenkomstig de bepalingen van dit Verdrag

4. Bijstand ingeval van een noodsituatie

Het verlenen, op verzoek van een Partij, van bijstand, onder meer door het zenden van deskundigen naar de plaats van een industrieel ongeval ten einde advies en andere vormen van bijstand te verlenen bij de bestrijding van het industriële ongeval.

1

De eisende Partij (en) stelt (stellen) het secretariaat ervan in kennis dat de Partijen zijn overeengekomen het geschil te onderwerpen aan arbitrage overeenkomstig artikel 21, tweede lid, van dit Verdrag. In de kennisgeving dient het onderwerp van de arbitrage te worden vermeld en daarin dienen in het bijzonder de artikelen van dit Verdrag te zijn aangegeven over de uitlegging of toepassing waarvan een geschil is ontstaan. Het secretariaat zendt de ontvangen informatie toe aan alle Partijen bij dit Verdrag.

2

Het scheidsgerecht bestaat uit drie leden. De eisende partij(en) en de andere partij(en) bij het geschil benoemen een arbiter, en de twee aldus benoemde arbiters wijzen met gezamenlijke instemming de derde arbiter aan, die voorzitter van het scheidsgerecht wordt. De derde arbiter mag geen onderdaan van één van de partijen bij het geschil zijn, noch mag hij of zij zijn of haar gewone verblijfplaats op het grondgebied van één van die partijen hebben, of in dienst zijn bij een van hen, of in een andere hoedanigheid reeds bij de aangelegenheid betrokken zijn geweest.

3

Indien de voorzitter van het scheidsgerecht niet is aangewezen binnen twee maanden na de benoeming van de tweede arbiter, wijst de Uitvoerend Secretaris van de Economische Commissie voor Europa, op verzoek van een van beide partijen bij het geschil, binnen een volgend tijdvak van twee maanden de voorzitter aan.

4

Indien een van de partijen bij het geschil niet binnen twee maanden nadat zij het verzoek daartoe heeft ontvangen, een arbiter heeft benoemd, kan de andere partij dit mededelen aan de Uitvoerend Secretaris van de Economische Commissie voor Europa, die binnen een volgend tijdvak van twee maanden de voorzitter van het scheidsgerecht aanwijst. Vervolgens verzoekt de voorzitter van het scheidsgerecht de partij die nog geen arbiter heeft benoemd, dit binnen twee maanden te doen. Indien zij dit binnen dat tijdvak niet doet, deelt de voorzitter dit mede aan de Uitvoerend Secretaris van de Economische Commissie voor Europa, die vervolgens binnen een volgend tijdvak van twee maanden de benoeming verricht.

5

Het scheidsgerecht neemt zijn beslissing in overeenstemming met het internationale recht en met de bepalingen van dit Verdrag.

6

Ieder krachtens deze bepalingen ingesteld scheidsgerecht stelt zijn eigen procedureregels vast.

7

De beslissingen van het scheidsgerecht betreffende zowel procedures als aan hem voorgelegde aangelegenheden worden genomen met een meerderheid van de stemmen van zijn leden.

8

Het scheidsgerecht kan alle passende maatregelen nemen ter vaststelling van de feiten.

9

De partijen bij het geschil doen alles wat in hun vermogen ligt om het werk van het scheidsgerecht te vergemakkelijken, met name door:

10

De partijen bij het geschil en de arbiters beschermen de vertrouwelijkheid van de informatie die zij gedurende het werk van het scheidsgerecht in vertrouwen krijgen.

11

Het scheidsgerecht kan, op verzoek van één van de partijen tussentijdse maatregelen ter bescherming aanbevelen.

12

Indien één van de partijen bij het geschil niet voor het scheidsgerecht verschijnt of haar zaak niet verdedigt, kan de andere partij het scheidsgerecht verzoeken de procedure voort te zetten en zijn uiteindelijke beslissing te nemen. Het feit dat een partij niet voor het scheidsgerecht verschijnt of haar zaak niet verdedigt, vormt geen belemmering voor de voortzetting van de procedure.

13

Het scheidsgerecht kan tegeneisen die rechtstreeks voortkomen uit de aangelegenheid die het onderwerp van het geschil is, horen en erover beslissen.

14

Tenzij het scheidsgerecht anders bepaalt vanwege de bijzondere omstandigheden van de zaak, worden de kosten van het scheidsgerecht, met inbegrip van de honorering van zijn leden, gelijkelijk gedragen door de partijen bij het geschil. Het scheidsgerecht houdt een overzicht van al zijn kosten bij, en verstrekt de partijen bij het geschil daarvan een eindopgave.

15

Iedere Partij bij dit Verdrag die een belang ten aanzien van het recht heeft bij de aangelegenheid die het onderwerp van het geschil is, en waarvoor de beslissing van het scheidsgerecht gevolgen kan hebben, kan zich met de instemming van het scheidsgerecht voegen in de procedure.

16

Het scheidsgerecht doet zijn uitspraak binnen vijf maanden na de datum waarop het werd ingesteld, tenzij het het noodzakelijk acht deze termijn te verlengen met een tijdvak van ten hoogste vijf maanden.

17

De uitspraak van het scheidsgerecht dient vergezeld te gaan van een uiteenzetting van de gronden. De uitspraak is onherroepelijk en bindend voor alle partijen bij het geschil. De uitspraak wordt door het scheidsgerecht toegezonden aan de partijen bij het geschil en aan het secretariaat. Het secretariaat zendt de ontvangen informatie toe aan alle Partijen bij dit Verdrag.

18

Ieder geschil dat tussen de partijen ontstaat betreffende de uitlegging of tenuitvoerlegging van de uitspraak kan door elk van de partijen worden voorgelegd aan het scheidsgerecht dat de uitspraak heeft gedaan of, indien het daaraan niet kan worden voorgelegd, aan een ander scheidsgerecht dat hiertoe wordt ingesteld op dezelfde wijze als eerstbedoelde scheidsgerecht.

IN WITNESS WHEREOF the undersigned, being duly authorized thereto, have signed this Convention.

DONE at Helsinki, this seventeenth day of March one thousand nine hundred and ninety-two.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)