Statuut van de Internationale Arbeidsorganisatie

Type Verdrag
Publication 2015-10-08
State In force
Source BWB
artikelen 40
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

PREAMBULE

Aangezien een duurzame wereldvrede slechts kan worden gevestigd indien zij is gegrond op sociale rechtvaardigheid;

Aangezien er arbeidsvoorwaarden bestaan die voor velen onrecht, leed en ontberingen met zich brengen, hetgeen aanleiding geeft tot een zodanige ontevredenheid dat daardoor de vrede en de eensgezindheid in de wereld in gevaar worden gebracht, en aangezien een verbetering van deze voorwaarden dringend noodzakelijk is: bijvoorbeeld door het vaststellen van arbeidstijden, met inbegrip van de maximale duur van de werkdag en de werkweek, het opstellen van regels voor de werving van werknemers, het bestrijden van de werkloosheid, het waarborgen van een loon dat redelijke bestaansvoorwaarden verzekert, het beschermen van de werknemers tegen ziekten van algemene aard of beroepsziekten en arbeidsongevallen, het beschermen van kinderen, jongeren en vrouwen, het instellen van ouderdoms- en invaliditeitsvoorzieningen, het beschermen van de belangen van in het buitenland werkzame werknemers, het erkennen van het beginsel van gelijk loon voor gelijke arbeid, het erkennen van het beginsel van vakverenigingsvrijheid, het organiseren van het beroepsonderwijs en het technische onderwijs alsmede het nemen van andere soortgelijke maatregelen;

Aangezien het streven van de volken om het lot van de werknemers in hun eigen landen te verbeteren, zou worden belemmerd wanneer enige natie een werkelijk menswaardige arbeidsregeling niet zou aannemen;

Hechten de Hoge Verdragsluitende Partijen, evenzeer gedreven door gevoelens van gerechtigheid en menslievendheid als door het verlangen een duurzame wereldvrede te verzekeren, en met het oog op het bereiken van de in deze preambule genoemde doeleinden, hun goedkeuring aan het volgende Statuut van de Internationale Arbeidsorganisatie:

HOOFDSTUK I. Organisatie

Artikel 1

1.

Er wordt een permanente Organisatie opgericht die tot taak heeft te streven naar de verwezenlijking van het programma zoals dat is uiteengezet in de Preambule van dit Statuut en in de Verklaring nopens de doelstellingen van de Internationale Arbeidsorganisatie, welke Verklaring op 10 mei 1944 te Philadelphia is aangenomen en waarvan de tekst als bijlage aan dit Statuut is toegevoegd.

2.

Leden van de Internationale Arbeidsorganisatie zijn de Staten die op 1 november 1945 Lid van de Organisatie waren, en alle andere Staten die overeenkomstig het bepaalde in de leden 3 en 4 van dit artikel Lid worden.

3.

Elk oorspronkelijk Lid der Verenigde Naties en elke Staat die bij beslissing van de Algemene Vergadering overeenkomstig de bepalingen van het Handvest tot het Lidmaatschap der Verenigde Naties is toegelaten, kan Lid worden van de Internationale Arbeidsorganisatie door de Directeur-Generaal van het Internationale Arbeidsbureau mededeling te doen van zijn officiële aanvaarding van de uit het Statuut van de Internationale Arbeidsorganisatie voortvloeiende verplichtingen.

4.

De Algemene Conferentie van de Internationale Arbeidsorganisatie kan eveneens Leden tot de Organisatie toelaten met een meerderheid van twee derde van de ter zitting aanwezige afgevaardigden, waaronder twee derde van de aanwezige en stemmende regeringsafgevaardigden zijn begrepen. Deze toelating wordt van kracht wanneer de regering van het nieuwe Lid de Directeur van het Internationaal Arbeidsbureau mededeling heeft gedaan van haar officiële aanvaarding van uit het Statuut van de Organisatie voortvloeiende verplichtingen.

5.

Geen enkel Lid van de Internationale Arbeidsorganisatie kan zich uit de Organisatie terugtrekken zonder de Directeur-Generaal van het Internationaal Arbeidsbureau van zijn voornemen daartoe in kennis te hebben gesteld. Deze kennisgeving wordt van kracht twee jaar na de datum van ontvangst door de Directeur-Generaal, onder voorbehoud dat het Lid op die datum alle uit zijn lidmaatschap voortvloeiende financiële verplichtingen heeft vervuld. Wanneer een Lid een internationaal arbeidsverdrag heeft bekrachtigd, is deze terugtrekking niet van invloed op de voortduur, tijdens de door het Verdrag bedoelde periode, van de verplichtingen die voortvloeien uit of betrekking hebben op het Verdrag.

6.

Ingeval een Staat heeft opgehouden Lid te zijn van de Organisatie, wordt zijn wedertoelating als Lid geregeld door het bepaalde in de leden 3 en 4 van dit artikel.

Artikel 2

De permanente Organisatie omvat:

  • a). een Algemene Conferentie van vertegenwoordigers der Leden;
  • b). een Raad van Beheer, samengesteld als bepaald in artikel 7;
  • c). een Internationaal Arbeidsbureau onder toezicht van de Raad van Beheer.

Artikel 3

1.

De Algemene Conferentie van vertegenwoordigers der Leden komt bijeen telkens wanneer dit nodig is en ten minste eenmaal per jaar. Zij is samengesteld uit vier vertegenwoordigers van elk Lid, waaronder twee regeringsafgevaardigden en twee afgevaardigden die onderscheidenlijk de werkgevers en de werknemers van elk Lid vertegenwoordigen.

2.

Iedere afgevaardigde kan worden vergezeld door ten hoogste twee adviseurs voor elk punt op de agenda van de zitting. Wanneer ter Conferentie vraagstukken in behandeling komen die in het bijzonder betrekking hebben op vrouwen, moet ten minste één van de adviseurs een vrouw zijn.

3.

Ieder Lid dat verantwoordelijk is voor de buitenlandse betrekkingen van buiten het moederland gelegen gebieden, kan voor elke afgevaardigde bovendien als adviseurs aanwijzen:

  • a). personen die door dat Lid zijn aangewezen als vertegenwoordigers van dat gebied voor vraagstukken die onder de bevoegdheden van de autoriteiten van dat gebied vallen;
  • b). personen die door dat Lid zijn aangewezen om zijn afgevaardigden bij te staan bij vraagstukken betreffende gebieden die geen zelfbestuur hebben.
4.

Indien het een gebied betreft dat onder het gemeenschappelijk gezag van twee of meer Leden is geplaatst, kunnen personen worden aangewezen om de afgevaardigden van deze Leden bij te staan.

5.

De Leden verbinden zich de afgevaardigden en de adviseurs die niet hun regering vertegenwoordigen aan te wijzen in overeenstemming met de meest representatieve werkgevers- en werknemersorganisaties, indien deze in het betreffende land bestaan.

6.

De adviseurs mogen alleen het woord voeren op verzoek van de afgevaardigde aan wie zij zijn toegevoegd en met bijzondere toestemming van de Voorzitter van de Conferentie; zij mogen niet aan de stemmingen deelnemen.

7.

Een afgevaardigde kan, bij een aan de Voorzitter gerichte schriftelijke mededeling, een van zijn adviseurs als zijn plaatsvervanger aanwijzen en deze plaatsvervanger kan in die hoedanigheid aan de beraadslagingen en aan de stemmingen deelnemen.

8.

De namen van de afgevaardigden en hun adviseurs worden door de regering van elk Lid aan het Internationaal Arbeidsbureau medegedeeld.

9.

De geloofsbrieven van de afgevaardigden en van hun adviseurs worden onderzocht door de Conferentie die, bij een meerderheid van twee derde van de door de aanwezige Leden uitgebrachte stemmen, kan weigeren een afgevaardigde of een adviseur toe te laten die naar haar mening niet is aangewezen in overeenstemming met het bepaalde in dit artikel.

Artikel 4

1.

Iedere afgevaardigde heeft het recht hoofdelijk te stemmen over alle aangelegenheden die door de Conferentie worden behandeld.

2.

Indien een der Leden heeft nagelaten een der niet-regeringsafgevaardigden waarop dat Lid recht heeft, aan te wijzen, mag de andere niet-regeringsafgevaardigde aan de beraadslagingen van de Conferentie deelnemen, doch niet aan de stemmingen.

3.

Indien de Conferentie op grond van het bepaalde in artikel 3 de toelating van een afgevaardigde van een der Leden weigert, wordt het bepaalde in dit artikel toegepast alsof die afgevaardigde niet was aangewezen.

Artikel 5

De bijeenkomsten der Conferentie worden, behoudens een door de Conferentie zelf in een voorafgaande zitting genomen beslissing, gehouden in een door de Raad van Beheer aan te wijzen plaats.

Artikel 6

De Conferentie beslist over verplaatsing van de zetel van het Internationaal Arbeidsbureau met een meerderheid van twee derde van de door de aanwezige afgevaardigden uitgebrachte stemmen.

Artikel 7

1.

De Raad van Beheer is samengesteld uit 56 personen, namelijk:

28 vertegenwoordigers van regeringen,

14 vertegenwoordigers van werkgevers, en

14 vertegenwoordigers van werknemers.

2.

Tien van de achtentwintig regeringsvertegenwoordigers worden aangewezen door de Leden die op het gebied van de industrie de belangrijkste plaatsen innemen, terwijl er achttien worden aangewezen door de Leden die daartoe zijn aangewezen door de regeringsafgevaardigden ter Conferentie, met uitzondering van de afgevaardigden van de tien bovengenoemde Leden.

3.

De Raad van Beheer bepaalt, telkens wanneer dit nodig is, welke Leden op het gebied van de industrie de belangrijkste plaatsen innemen, en stelt regels vast ten einde te verzekeren dat alle aangelegenheden betreffende de aanwijzing van de Leden die op het gebied van de industrie de belangrijkste plaatsen innemen, door een onpartijdige commissie worden onderzocht, alvorens de Raad van Beheer hieromtrent een beslissing neemt. Over elk beroep van een Lid tegen het besluit van de Raad van Beheer waarbij deze heeft vastgesteld welke Leden op het gebied van de industrie de belangrijkste plaatsen innemen, wordt beslist door de Conferentie, doch het feit dat bij de Conferentie een beroep is ingesteld betekent niet dat, hangende dit beroep, de uitvoering van het besluit wordt opgeschort.

4.

De personen die de werkgevers vertegenwoordigen en de personen die de werknemers vertegenwoordigen, worden onderscheidenlijk gekozen door de afgevaardigden van de werkgevers en de afgevaardigden van de werknemers op de Conferentie.

5.

De zittingsduur van de Raad van Beheer is drie jaar. Indien de verkiezingen voor de Raad van Beheer, om welke reden dan ook, niet plaatsvinden voor het verstrijken van deze termijn, blijven de Leden van de Raad van Beheer aan totdat deze verkiezingen zijn gehouden.

6.

De wijze van voorziening in opengevallen plaatsen, de aanwijzing van plaatsvervangers en andere soortgelijke aangelegenheden kunnen door de Raad van Beheer worden geregeld onder voorbehoud van goedkeuring door de Conferentie.

7.

De Raad van Beheer kiest uit zijn midden een Voorzitter en twee Ondervoorzitters. Een van deze personen is een regeringsvertegenwoordiger terwijl de andere twee onderscheidenlijk de werkgevers en de werknemers vertegenwoordigen.

8.

De Raad van Beheer stelt een reglement van orde vast en komt op door de Raad zelf te bepalen tijdstippen bijeen. Een buitengewone zitting moet worden gehouden telkens wanneer ten minste 16 vertegenwoordigers in de Raad van Beheer een schriftelijke aanvraag daartoe hebben ingediend.

Artikel 8

1.

Aan het hoofd van het Internationaal Arbeidsbureau staat een Directeur-Generaal die wordt aangewezen door de Raad van Beheer van welke hij zijn instructies ontvangt en tegenover welke hij verantwoordelijk is voor de goede gang van zaken van het Bureau alsmede voor de uitvoering van alle andere werkzaamheden die hem worden opgedragen.

2.

De Directeur-Generaal of zijn plaatsvervanger woont alle bijeenkomsten van de Raad van Beheer bij.

Artikel 9

1.

Het personeel van het Internationaal Arbeidsbureau wordt aangesteld door de Directeur-Generaal overeenkomstig de door de Raad van Beheer goedgekeurde voorschriften.

2.

Voor zover zulks met een goede bezetting der posten verenigbaar is, doet de Directeur-Generaal zijn keuze uit personen van verschillende nationaliteiten.

3.

Een bepaald aantal van deze personen moeten vrouwen zijn.

4.

De verantwoordelijkheden van de Directeur-Generaal en van het personeel zijn uitsluitend van internationale aard. De Directeur-Generaal en het personeel mogen, bij het vervullen van hun taken, geen instructies van enige regering of van enige andere autoriteit buiten de Organisatie vragen of aanvaarden. Zij dienen zich te onthouden van enig optreden dat in strijd zou zijn met hun positie als internationale ambtenaren die alleen aan de Organisatie verantwoording verschuldigd zijn.

5.

Ieder Lid van de Organisatie verbindt zich het uitsluitend internationale karakter van de verantwoordelijkheden van de Directeur-Generaal en van het personeel te eerbiedigen en niet te trachten invloed op hen uit te oefenen bij de vervulling van hun taken.

Artikel 10

1.

De werkzaamheden van het Internationaal Arbeidsbureau omvatten het verzamelen en het verspreiden van inlichtingen over alle onderwerpen die betrekking hebben op de internationale regeling van de werkomstandigheden en van de arbeidsverhoudingen der werknemers, en in het bijzonder het bestuderen van de vraagstukken die worden voorgesteld ter bespreking door de Conferentie, met het oog op het sluiten van internationale verdragen, alsmede het instellen van alle door de Conferentie of de Raad van Beheer opgedragen bijzondere onderzoeken.

2.

Met inachtneming van de door de Raad van Beheer eventueel gegeven richtlijnen, zal het Bureau:

  • (a). documentatiemateriaal samenstellen betreffende de verschillende punten van de agenda der zittingen van de Conferentie;
  • (b). aan de regeringen die hierom verzoeken, voor zover mogelijk, alle gewenste hulp verschaffen bij het opstellen van wetten naar aanleiding van de beslissingen van de Conferentie alsmede bij het verbeteren van de toepassing ervan en van de inspectiesystemen;
  • (c). zich overeenkomstig de bepalingen van dit Statuut kwijten van zijn taken met betrekking tot de feitelijke naleving van de verdragen;
  • (d). publikaties betreffende industrie- en arbeidsvraagstukken van internationaal belang opstellen en uitgeven in die talen welke de Raad van Beheer wenselijk acht.
3.

Verder bezit het Bureau die bevoegdheden en functies welke hem worden toegekend door de Conferentie of de Raad van Beheer.

Artikel 11

De ministeries van de Leden die zich met industrie- en arbeidsvraagstukken bezighouden, kunnen rechtstreeks in verbinding treden met de Directeur-Generaal door tussenkomst van hun regeringsvertegenwoordiger in de Raad van Beheer van het Internationaal Arbeidsbureau of, indien een zodanige vertegenwoordiger ontbreekt, door tussenkomst van enige andere bevoegde functionaris die daartoe door de betrokken regering is aangewezen.

Artikel 12

1.

Binnen het kader van dit Statuut werkt de Internationale Arbeidsorganisatie samen met iedere algemene internationale organisatie die is belast met het coördineren van de werkzaamheden van publiekrechtelijke internationale organisaties die gespecialiseerde taken hebben alsmede met publiekrechtelijke internationale organisaties die gespecialiseerde taken hebben op aanverwante gebieden.

2.

De Internationale Arbeidsorganisatie kan de nodige maatregelen treffen om de vertegenwoordigers van publiekrechtelijke internationale organisaties zonder stemrecht aan haar beraadslagingen te doen deelnemen.

3.

De Internationale Arbeidsorganisatie kan de nodige maatregelen treffen om, indien zij dit wenselijk oordeelt, erkende niet-gouvernementele internationale organisaties te raadplegen, met inbegrip van internationale organisaties van werkgevers, werknemers, landbouwers en coöperatieve organisaties.

Artikel 13

1.

De Internationale Arbeidsorganisatie kan met de Verenigde Naties zodanige financiële en budgettaire regelingen treffen als wenselijk worden geacht.

2.

In afwachting van het treffen van zodanige regelingen of indien te eniger tijd zodanige regelingen niet van kracht zijn:

  • (a). betaalt ieder Lid de reis- en verblijfkosten van zijn afgevaardigden en hun adviseurs alsmede van zijn vertegenwoordigers die deelnemen aan de zittingen van de Conferentie en van de Raad van Beheer, naar gelang van het geval;
  • (b). worden alle andere kosten van het Internationaal Arbeidsbureau en van de zittingen van de Conferentie of van de Raad van Beheer betaald door de Directeur-Generaal van het Internationaal Arbeidsbureau uit de algemene middelen van de Internationale Arbeidsorganisatie;
  • (c). worden de regelingen met betrekking tot de goedkeuring van de begroting van de Internationale Arbeidsorganisatie, alsmede tot het bepalen en het innen van de bijdragen van de Leden, vastgesteld door de Conferentie met een meerderheid van twee derde der door de aanwezige afgevaardigden uitgebrachte stemmen, en houden deze regelingen in dat de begroting en de regelingen betreffende de verdeling van de kosten onder de Leden van de Organisatie moeten worden goedgekeurd door een commissie bestaande uit regeringsafgevaardigden.
3.

De kosten van de Internationale Arbeidsorganisatie worden gedragen door de Leden overeenkomstig de krachtens lid 1 of lid 2, letter (c), van dit artikel geldende regelingen.

4.

Een lid van de Organisatie dat nog niet zijn financiële bijdrage aan de Organisatie heeft betaald, mag geen stem uitbrengen in de Conferentie, de Raad van Beheer, enige commissie of bij de verkiezing van de Leden van de Raad van Beheer, indien het achterstallige bedrag gelijk is aan of meer bedraagt dan het door hem over de twee volle voorafgaande jaren verschuldigde bedrag. De Conferentie kan evenwel met een meerderheid van twee derde der door de aanwezige afgevaardigden uitgebrachte stemmen een zodanig Lid toestaan te stemmen indien zij overtuigd is dat de achterstallige betaling te wijten is aan omstandigheden die buiten de macht van het Lid liggen.

5.

De Directeur-Generaal van het Internationaal Arbeidsbureau is tegenover de Raad van Beheer verantwoordelijk voor de besteding van de middelen van de Internationale Arbeidsorganisatie.

HOOFDSTUK II. Werkwijze

Artikel 14

1.

De Raad van Beheer stelt de agenda voor de zittingen van de Conferentie vast na alle voorstellen te hebben onderzocht die ten aanzien van de te behandelen punten zijn gedaan door de regering van een der Leden, door een representatieve organisatie als bedoeld in artikel 3 of door een publiekrechtelijke internationale organisatie.

2.

De Raad van Beheer stelt regels vast om, door middel van een voorbereidende technische conferentie of anderszins, een nauwkeurige technische voorbereiding en een behoorlijke raadpleging van de meest belanghebbende Leden te verzekeren alvorens een verdrag of een aanbeveling door de Conferentie wordt aangenomen.

Artikel 15

1.

De Directeur-Generaal treedt op als Secretaris-Generaal van de Conferentie en doet de agenda van elke zitting vier maanden tevoren toekomen aan alle Leden en, door tussenkomst van deze, aan de niet-regeringsafgevaardigden, indien deze laatsten zijn aangewezen.

2.

De verslagen over elk punt van de agenda moeten de Leden tijdig worden toegezonden om hen in staat te stellen deze behoorlijk te bestuderen vóór de aanvang van de Conferentie. De Raad van Beheer stelt regels vast voor de uitvoering van deze bepaling.

Artikel 16

1.

Iedere regering der Leden heeft het recht zich te verzetten tegen de plaatsing van een of meer der voorgestelde onderwerpen op de agenda van de zitting. De redenen van dit verzet moeten worden uiteengezet in een nota gericht aan de Directeur-Generaal die deze ter kennis brengt van de Leden der Organisatie.

2.

De onderwerpen waartegen verzet is gerezen blijven echter op de agenda staan indien de Conferentie daartoe besluit met een meerderheid van twee derde der door de aanwezige afgevaardigden uitgebrachte stemmen.

3.

Iedere aangelegenheid ten aanzien waarvan de Conferentie (anders dan bedoeld in het vorige lid) met een zelfde twee derde meerderheid besluit dat deze in behandeling moet worden genomen, wordt op de agenda van de volgende zitting geplaatst.

Artikel 17

1.

De Conferentie kiest een voorzitter en drie ondervoorzitters. Als ondervoorzitters worden gekozen een regeringsafgevaardigde, een afgevaardigde van de werkgevers en een afgevaardigde van de werknemers. De Conferentie stelt haar eigen reglement van orde vast en kan commissies benoemen voor het uitbrengen van verslagen over alle vraagstukken die naar haar mening in studie moeten worden genomen.

2.

De eenvoudige meerderheid der door de aanwezige afgevaardigden uitgebrachte stemmen is beslissend in alle gevallen waarin een grotere meerderheid niet uitdrukkelijk is vereist ingevolge andere artikelen van dit Statuut, bepalingen van een verdrag of een akte waarbij bevoegdheden aan de Conferentie worden toegekend, of ingevolge de krachtens artikel 13 aanvaarde financiële of budgettaire regelingen.

3.

De stemming is ongeldig indien het aantal uitgebrachte stemmen minder is dan de helft van het aantal der bij de zitting van de Conferentie aanwezige afgevaardigden.

Artikel 18

De Conferentie kan aan de door haar ingestelde commissies adviseurs toevoegen die geen stemrecht hebben.

Artikel 19

1.

Indien de Conferentie zich uitspreekt voor het aannemen van voorstellen die betrekking hebben op een punt van de agenda, dient zij te bepalen of deze voorstellen de vorm zullen krijgen van: (a) een internationaal verdrag; (b) een aanbeveling, wanneer het behandelde onderwerp of een aspect daarvan op dat ogenblik niet geschikt wordt geacht voor een verdrag.

2.

Voor het aannemen zowel van een verdrag als van een aanbeveling is bij de eindstemming door de Conferentie een meerderheid van twee derde der door de aanwezige afgevaardigden uitgebrachte stemmen vereist.

3.

Bij het opstellen van een verdrag of van een aanbeveling van algemene toepassing, dient de Conferentie rekening te houden met die landen waarin, door het klimaat, door onvolledige ontwikkeling van de nijverheidsorganisatie of door andere bijzondere omstandigheden, de situatie in de industrie sterk afwijkt van die in andere landen, en moet zij zodanige wijzigingen voorstellen als zij nodig oordeelt om aan de situatie in dergelijke landen tegemoet te komen.

4.

Twee exemplaren van het verdrag of van de aanbeveling worden door de Voorzitter van de Conferentie en de Directeur-Generaal ondertekend. Eén van deze exemplaren wordt nedergelegd in het archief van het Internationaal Arbeidsbureau, terwijl het andere wordt gezonden aan de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties. De Directeur-Generaal doet een gewaarmerkt afschrift van het verdrag of van de aanbeveling aan elk Lid toekomen.

5.

Indien het een verdrag betreft, gelden de volgende voorschriften:

  • (a). het verdrag wordt aan alle Leden ter bekrachtiging toegezonden;
  • (b). ieder Lid verbindt zich om binnen één jaar na de sluiting van de zitting der Conferentie of, indien in verband met buitengewone omstandigheden zulks binnen een jaar niet mogelijk is, zo spoedig mogelijk doch in geen geval later dan achttien maanden na de sluiting van de zitting der Conferentie het verdrag voor te leggen aan de bevoegde autoriteit of autoriteiten, opdat er wetgevende of andere maatregelen ter zake worden genomen;
  • (c). de Leden stellen de Directeur-Generaal van het Internationaal Arbeidsbureau in kennis van de maatregelen die zij ingevolge het bepaalde in dit artikel hebben genomen om het verdrag aan de bevoegde autoriteit of autoriteiten voor te leggen, terwijl zij hem alle inlichtingen verschaffen over de als bevoegd beschouwde autoriteit of autoriteiten alsmede over de beslissingen die deze autoriteit of autoriteiten nemen;
  • (d). het Lid dat de goedkeuring van de bevoegde autoriteit of autoriteiten heeft gekregen, doet de Directeur-Generaal mededeling van de officiële bekrachtiging van het verdrag en neemt de nodige maatregelen om aan de bepalingen van dat verdrag uitvoering te geven;
  • (e). indien een verdrag niet wordt goedgekeurd door de bevoegde autoriteit of autoriteiten, is het Lid alleen verplicht om, op door de Raad van Beheer te bepalen tijdstippen, aan de Directeur-Generaal van het Internationaal Arbeidsbureau verslag uit te brengen omtrent de stand van zijn wetgeving en omtrent de in zijn land geldende gebruiken met betrekking tot de in het verdrag behandelde aangelegenheid, daarbij nauwkeurig aangevend in hoeverre aan iedere bepaling van het verdrag gevolg is gegeven of zal worden gegeven door middel van wetgevende of bestuurlijke maatregelen, collectieve overeenkomsten of anderszins, alsmede welke moeilijkheden de bekrachtiging van dat verdrag verhinderen of vertragen.
6.

Indien het een aanbeveling betreft, gelden de volgende voorschriften:

  • (a). de aanbeveling wordt aan alle Leden ter bestudering toegezonden, ten einde hieraan door de nationale wetgeving of anderszins uitvoering te geven;
  • (b). ieder Lid verbindt zich om binnen een jaar na de sluiting van de zitting der Conferentie of, indien in verband met buitengewone omstandigheden zulks binnen een jaar niet mogelijk is, zo spoedig mogelijk doch in geen geval later dan achttien maanden na de sluiting van de zitting der Conferentie, de aanbeveling voor te leggen aan de bevoegde autoriteit of autoriteiten opdat er wetgevende of andere maatregelen ter zake worden genomen;
  • (c). de Leden stellen de Directeur-Generaal van het Internationaal Arbeidsbureau in kennis van de maatregelen die zij ingevolge het bepaalde in dit artikel hebben genomen om de aanbeveling aan de bevoegde autoriteit of autoriteiten voor te leggen, terwijl zij hem alle inlichtingen verschaffen over de als bevoegd beschouwde autoriteit of autoriteiten alsmede over de beslissingen die deze autoriteit of autoriteiten nemen;
  • (d). afgezien van de verplichting de aanbeveling voor te leggen aan de bevoegde autoriteit of autoriteiten, zijn de Leden alleen verplicht om, op de door de Raad van Beheer te bepalen tijdstippen, aan de Directeur-Generaal van het Internationaal Arbeidsbureau verslag uit te brengen omtrent de stand van hun wetgeving en omtrent de in hun land geldende gebruiken met betrekking tot de in de aanbeveling behandelde aangelegenheid, daarbij nauwkeurig aangevend in hoeverre aan iedere bepaling van de aanbeveling gevolg is gegeven of zal worden gegeven, alsmede welke wijzigingen van deze bepalingen zij eventueel noodzakelijk achten met het oog op de aanneming of de toepassing ervan.
7.

Wanneer het een bondsstaat betreft, gelden de volgende voorschriften:

  • (a). met betrekking tot de verdragen en aanbevelingen ten aanzien waarvan de regering van een bondsstaat, krachtens diens grondwettelijk stelsel, een optreden door de bondsstaat zelf gewenst acht, zijn de verplichtingen van die bondsstaat dezelfde als die van de Leden die geen bondsstaat zijn;
  • (b). met betrekking tot de verdragen en aanbevelingen ten aanzien waarvan de regering van een bondsstaat, krachtens diens grondwettelijk stelsel, een optreden door de deelstaten, provincies of kantons op alle of sommige punten wenselijker acht dan een optreden door de bondsstaat zelf, moet deze regering:
  • (i). overeenkomstig haar grondwet en de grondwetten van de betrokken deelstaten, provincies of kantons, doeltreffende maatregelen nemen opdat deze verdragen of aanbevelingen niet later dan achttien maanden na de sluiting van de zitting der Conferentie worden voorgelegd aan de bevoegde autoriteiten van de bondsstaat, van de deelstaten, van de provincies of van de kantons, met het oog op het treffen van wetgevende of andere maatregelen;
  • (ii). onder voorbehoud van de goedkeuring door de betrokken deelstaten, provincies of kantons, maatregelen nemen voor periodiek overleg tussen de autoriteiten van de bondsstaat enerzijds en de autoriteiten van de deelstaten, provincies of kantons anderzijds, ten einde binnen de bondsstaat een coördinatie te bevorderen van de werkzaamheden die erop zijn gericht de bepalingen van deze verdragen en aanbevelingen ten uitvoer te leggen;
  • (iii). de Directeur-Generaal van het Internationaal Arbeidsbureau mededeling doen van de overeenkomstig dit artikel genomen maatregelen om deze verdragen en aanbevelingen voor te leggen aan de bevoegde autoriteiten van de bondsstaat, van de deelstaten, van de provincies of van de kantons, terwijl zij hem alle inlichtingen verschaft over de als bevoegd beschouwde autoriteiten alsmede over de beslissingen die deze autoriteiten nemen;
  • (iv). ten aanzien van elk verdrag dat zij niet heeft bekrachtigd, op de door de Raad van Beheer vast te stellen tijdstippen de Directeur-Generaal van het Internationaal Arbeidsbureau verslag uitbrengen omtrent de stand van de wetgeving en van de gebruiken in de bondsstaat, de deelstaten, de provincies of de kantons met betrekking tot de in het verdrag behandelde aangelegenheid, daarbij nauwkeurig aangevend in hoeverre aan de bepalingen van het verdrag gevolg is gegeven of zal worden gegeven door middel van wetgevende of bestuurlijke maatregelen, collectieve overeenkomsten of anderszins;
  • (v). ten aanzien van elke aanbeveling, op de door de Raad van Beheer vast te stellen tijdstippen aan de Directeur-Generaal van het Internationaal Arbeidsbureau verslag uitbrengen omtrent de stand van de wetgeving en de gebruiken in de bondsstaat, de deelstaten, de provincies of de kantons met betrekking tot de in de aanbeveling behandelde aangelegenheid, daarbij nauwkeurig aangevend in hoeverre aan de bepalingen van de aanbeveling gevolg is gegeven of zal worden gegeven alsmede welke wijzigingen van deze bepalingen zij eventueel noodzakelijk acht met het oog op de aanneming of de toepassing ervan.
8.

In geen geval mag de aanneming van een verdrag of een aanbeveling door de Conferentie, of de bekrachtiging van een verdrag door een Lid, worden beschouwd van invloed te zijn op een wet, uitspraak, gewoonte of overeenkomst die aan de betrokken werknemers gunstiger voorwaarden biedt dan het verdrag of de aanbeveling.

9.

Handelend op voorstel van de Raad van Beheer kan de Conferentie, met een meerderheid van twee derde der door de aanwezige afgevaardigden uitgebrachte stemmen, een verdrag dat conform de bepalingen van dit artikel is aangenomen intrekken indien blijkt dat het verdrag zijn doel heeft verloren of dat het geen zinvolle bijdrage meer levert aan de verwezenlijking van de doelstellingen van de Organisatie.

Artikel 20

Ieder aldus bekrachtigd verdrag wordt door de Directeur-Generaal van het Internationaal Arbeidsbureau ter kennis gebracht van de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties ten einde overeenkomstig het bepaalde in artikel 102 van het Handvest der Verenigde Naties te worden geregistreerd, maar is slechts bindend voor de Leden die het hebben bekrachtigd.

Artikel 21

1.

Indien bij de eindstemming over een ontwerp-verdrag niet de meerderheid van twee derde der door de aanwezige afgevaardigden uitgebrachte stemmen wordt behaald, kunnen de Leden der Organisatie die zulks wensen, ertoe overgaan een zodanig verdrag onderling te sluiten.

2.

Ieder aldus gesloten verdrag wordt door de betrokken regeringen ter kennis gebracht van de Directeur-Generaal van het Internationaal Arbeidsbureau en van de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties ten einde overeenkomstig het bepaalde in artikel 102 van het Handvest der Verenigde Naties te worden geregistreerd.

Artikel 22

Ieder Lid verbindt zich aan het Internationaal Arbeidsbureau een jaarverslag uit te brengen betreffende de door hem genomen maatregelen ter uitvoering van de verdragen waartoe hij is toegetreden. Deze verslagen worden opgesteld in de door de Raad van Beheer aangegeven vorm en dienen de bijzonderheden te bevatten waarom door de Raad is verzocht.

Artikel 23

1.

De Directeur-Generaal geeft de Conferentie op haar eerstvolgende zitting een samenvatting van de inlichtingen en de verslagen die hem ingevolge het bepaalde in de artikelen 19 en 22 door de Leden zijn toegezonden.

2.

Elk Lid zendt aan de representatieve organisaties die voor de toepassing van het bepaalde in artikel 3 als zodanig zijn erkend, afschriften van de inlichtingen en verslagen die de Directeur-Generaal ingevolge het bepaalde in de artikelen 19 en 22 zijn toegezonden.

Artikel 24

Elk door een werkgevers- of werknemersorganisatie aan het Internationaal Arbeidsbureau gericht bezwaarschrift volgens hetwelk een Lid niet op een bevredigende wijze uitvoering zou hebben gegeven aan een verdrag waartoe dat Lid is toegetreden, kan door de Raad van Beheer ter kennis worden gebracht van de betrokken regering, die kan worden uitgenodigd ter zake een passende verklaring af te leggen.

Artikel 25

Indien van de betrokken regering binnen een redelijke termijn geen verklaring is ontvangen of indien de Raad van Beheer de ontvangen verklaring niet bevredigend acht, heeft de Raad het recht het ontvangen bezwaarschrift en de eventuele reactie daarop openbaar te maken.

Artikel 26

1.

Ieder Lid kan bij het Internationaal Arbeidsbureau een klacht indienen tegen een ander Lid dat, naar zijn mening, niet op een bevredigende wijze uitvoering geeft aan een verdrag dat beide krachtens het bepaalde in de voorgaande artikelen hebben bekrachtigd.

2.

De Raad van Beheer kan, indien hij zulks wenselijk acht en alvorens de klacht op een hieronder aangegeven wijze te verwijzen naar een commissie van onderzoek, zich met de betrokken regering in verbinding stellen op de wijze zoals is aangegeven in artikel 24.

3.

Indien de Raad van Beheer het niet noodzakelijk acht de klacht aan de betrokken regering mede te delen, of indien deze mededeling wel is gedaan doch hierop binnen een redelijke termijn geen voor de Raad bevredigend antwoord is ontvangen, kan de Raad een commissie van onderzoek instellen die tot taak heeft de klacht te onderzoeken en verslag daarover uit te brengen.

4.

Dezelfde werkwijze kan door de Raad worden gevolgd zowel ambtshalve als naar aanleiding van een door een afgevaardigde ter Conferentie ingediende klacht.

5.

Wanneer een uit de toepassing van het bepaalde in de artikelen 25 of 26 voortvloeiende aangelegenheid wordt behandeld door de Raad van Beheer, heeft de betrokken regering, indien zij niet reeds in de Raad van Beheer is vertegenwoordigd, het recht een afgevaardigde te doen deelnemen aan de beraadslagingen van de Raad over deze aangelegenheid. Het tijdstip waarop deze aangelegenheid zal worden behandeld, dient tijdig ter kennis van de betrokken regering te worden gebracht.

Artikel 27

Indien een klacht krachtens het bepaalde in artikel 26 naar een commissie van onderzoek wordt verwezen, verbindt ieder Lid zich, ongeacht of het rechtstreeks bij de klacht is betrokken, alle inlichtingen waarover het met betrekking tot het onderwerp van de klacht beschikt, aan de commissie te verschaffen.

Artikel 28

Nadat de commissie van onderzoek de klacht grondig heeft onderzocht, stelt zij een verslag op over haar bevindingen omtrent alle feiten die voor de beoordeling van het geschil van belang zijn; tevens geeft zij aan welke maatregelen zij meent te moeten aanbevelen om aan de klacht tegemoet te komen en binnen welke termijn deze maatregelen zouden moeten worden genomen.

Artikel 29

1.

De Directeur-Generaal van het Internationaal Arbeidsbureau zendt het verslag van de commissie van onderzoek aan de Raad van Beheer en aan elke bij de klacht betrokken regering en zorgt voor de openbaarmaking daarvan.

2.

ledere betrokken regering deelt de Directeur-Generaal van het Internationaal Arbeidsbureau binnen drie maanden mede of zij de in het verslag van de commissie vervatte aanbevelingen al dan niet aanvaardt; en ingeval zij deze niet aanvaardt, of zij de klacht aan het Internationale Gerechtshof wenst voor te leggen.

Artikel 30

Ingeval een Lid ten aanzien van een verdrag of een aanbeveling niet de in de leden 5, letter b), 6, letter b), of 7 letter b) onder (i), van artikel 19 voorgeschreven maatregelen neemt, heeft elk ander Lid het recht deze zaak voor te leggen aan de Raad van Beheer. Indien de Raad van Beheer tot de slotsom komt dat het Lid in gebreke is gebleven, brengt hij daarover verslag uit aan de Conferentie.

Artikel 31

Tegen de beslissing van het Internationale Gerechtshof betreffende een klacht of een aangelegenheid die overeenkomstig artikel 29 aan het Gerechtshof is voorgelegd, is geen beroep mogelijk.

Artikel 32

Het Internationale Gerechtshof kan de conclusies of de aanbevelingen van de commissie van onderzoek bevestigen, wijzigen of vernietigen.

Artikel 33

Indien een Lid zich binnen de voorgeschreven termijn niet voegt naar de aanbevelingen die eventueel zijn vervat in het verslag van de commissie van onderzoek of in de beslissing van het Internationale Gerechtshof, kan de Raad van Beheer de Conferentie die maatregel aanbevelen welke hij dienstig acht om de uitvoering van de gedane aanbevelingen te waarborgen.

Artikel 34

De in gebreke gebleven regering kan de Raad van Beheer te allen tijde mededelen dat zij de nodige maatregelen heeft genomen om uitvoering te geven hetzij aan de aanbevelingen van de commissie van onderzoek, hetzij aan de aanbevelingen die zijn vervat in de beslissing van het Internationale Gerechtshof en kan de Raad verzoeken een commissie van onderzoek in te stellen om na te gaan of zij haar verklaringen gestand doet. In dat geval is het bepaalde in de artikelen 27, 28, 29, 31 en 32 van toepassing en, indien het verslag van de commissie van onderzoek of de beslissing van het Internationale Gerechtshof gunstig is voor de in gebreke gebleven regering, dient de Raad van Beheer onmiddellijk aan te bevelen de ingevolge artikel 33 genomen maatregelen op te heffen.

HOOFDSTUK III. Algemene voorschriften

Artikel 35

1.

De Leden verbinden zich de verdragen die zij overeenkomstig de bepalingen van dit Statuut hebben bekrachtigd, toe te passen op de buiten het moederland gelegen gebieden waarvoor zij de buitenlandse betrekkingen onderhouden, met inbegrip van alle trustgebieden met het beheer waarvan zij zijn belast, behalve wanneer de in het verdrag behandelde aangelegenheden vallen onder de eigen bevoegdheden van de autoriteiten van die gebieden of wanneer het verdrag niet van toepassing is in verband met plaatselijke omstandigheden of wanneer er wijzigingen noodzakelijk mochten zijn om de verdragen aan de plaatselijke omstandigheden aan te passen.

2.

Ieder Lid dat een verdrag bekrachtigt, doet zo spoedig mogelijk na de bekrachtiging de Directeur-Generaal van het Internationaal Arbeidsbureau een verklaring toekomen waarin het mededeelt in hoeverre het zich, met betrekking tot andere gebieden dan die welke zijn bedoeld in de leden 4 en 5 van dit artikel, verbindt de bepalingen van dit verdrag toe te passen, en waarbij het alle door het verdrag voorgeschreven inlichtingen verstrekt.

3.

Ieder Lid dat krachtens het bepaalde in het vorige lid een verklaring heeft ingediend, kan op gezette tijden overeenkomstig de bepalingen van het verdrag, een nieuwe verklaring indienen waarbij de inhoud van een vorige verklaring wordt gewijzigd en de nieuwe situatie van de in het vorige lid bedoelde gebieden wordt uiteengezet.

4.

Wanneer de in het verdrag behandelde aangelegenheden vallen onder de bevoegdheden van de autoriteiten van een buiten het moederland gelegen gebied, dient het Lid dat de buitenlandse betrekkingen voor dat gebied onderhoudt, het verdrag zo spoedig mogelijk ter kennis te brengen van de regering van dat gebied, om deze regering in staat te stellen wettelijke of andere maatregelen te nemen. Vervolgens kan het Lid, in overeenstemming met de regering van dat gebied, de Directeur-Generaal van het Internationaal Arbeidsbureau een verklaring doen toekomen waarbij het de uit het verdrag voortvloeiende verplichtingen namens dat gebied aanvaardt.

5.

Een verklaring waarbij de uit het verdrag voortvloeiende verplichtingen worden aanvaard, kan de Directeur-Generaal van het Internationaal Arbeidsbureau worden toegezonden door:

  • (a). twee of meer Leden van de Organisatie voor een gebied dat onder hun gemeenschappelijk gezag is geplaatst;
  • (b). iedere internationale autoriteit die met het beheer van een gebied belast is krachtens bepalingen van het Handvest der Verenigde Naties of krachtens een andere geldende regeling ten aanzien van dat gebied.
6.

Wanneer de verplichtingen van een verdrag krachtens het bepaalde in lid 4 of lid 5 worden aanvaard, houdt dit in dat namens het betrokken gebied ook de uit het verdrag voortvloeiende verplichtingen worden aanvaard alsmede de verplichtingen die, overeenkomstig het Statuut van de Organisatie, betrekking hebben op de bekrachtigde verdragen. In een verklaring van aanvaarding kan worden aangegeven op welke punten het verdrag zou moeten worden gewijzigd ten einde het aan de plaatselijke omstandigheden aan te passen.

7.

Ieder Lid dat, of iedere internationale autoriteit die krachtens het bepaalde in lid 4 of lid 5 van dit artikel een verklaring heeft ingediend, kan op gezette tijden, overeenkomstig de bepalingen van het verdrag, een nieuwe verklaring indienen waarbij de inhoud van een vorige verklaring wordt gewijzigd of waarbij de aanvaarding van de uit het verdrag voortvloeiende verplichtingen namens het betrokken gebied wordt ingetrokken.

8.

Indien de uit een verdrag voortvloeiende verplichtingen niet worden aanvaard namens een gebied waarop het bepaalde in lid 4 of lid 5 van dit artikel betrekking heeft, wordt door het Lid of door de Leden of door de internationale autoriteit aan de Directeur-Generaal van het Internationaal Arbeidsbureau verslag uitgebracht over de stand van de wetgeving en de gebruiken in dat gebied ten aanzien van de in het verdrag behandelde aangelegenheden, waarbij in het verslag wordt aangegeven in hoeverre aan alle bepalingen van het verdrag uitvoering is gegeven of zal worden gegeven door middel van wettelijke of bestuurlijke maatregelen, collectieve overeenkomsten of anderszins en welke moeilijkheden de aanvaarding van dat verdrag verhinderen of vertragen.

Artikel 36

De wijzigingen van dit Statuut die door de Conferentie met een meerderheid van twee-derde der door de aanwezige afgevaardigden uitgebrachte stemmen zijn aangenomen, worden van kracht zodra zij zijn bekrachtigd of aanvaard door twee-derde van de Leden der Organisatie, waaronder vijf van de tien Leden die overeenkomstig het bepaalde in lid 3 van artikel 7 van dit Statuut in de Raad van Beheer zijn vertegenwoordigd in verband met hun belangrijkste plaatsen op het gebied van de industrie.

Artikel 37

1.

Alle vragen of geschillen betreffende de uitleg van dit Statuut en van de verdragen die op een later tijdstip door de Leden krachtens dit Statuut worden gesloten, worden aan het Internationale Gerechtshof voorgelegd.

2.

Onverminderd het bepaalde in lid 1 van dit artikel, kan de Raad van Beheer voorschriften voor de instelling van een scheidsgerecht opstellen en aan de Conferentie ter goedkeuring voorleggen met het oog op een snelle regeling van de op de uitleg van een verdrag betrekking hebbende vragen of geschillen die aan het scheidsgerecht kunnen worden voorgelegd door de Raad van Beheer of overeenkomstig de bepalingen van dat verdrag. Alle vonnissen of adviezen van het Internationale Gerechtshof zijn bindend voor ieder scheidsgerecht dat krachtens het bepaalde in dit lid is ingesteld. Iedere uitspraak van een dergelijk scheidsgerecht wordt aan de Leden van de Organisatie medegedeeld en hun eventuele opmerkingen worden aan de Conferentie voorgelegd.

Artikel 38

1.

De Internationale Arbeidsorganisatie kan de regionale conferenties bijeenroepen en de regionale instellingen oprichten die zij wenselijk acht voor het bereiken van haar doeleinden.

2.

De bevoegdheden, de werkzaamheden en de werkwijze van de regionale conferenties worden geregeld volgens voorschriften die door de Raad van Beheer worden opgesteld en aan de algemene Conferentie ter goedkeuring worden voorgelegd.

HOOFDSTUK IV. Diverse bepalingen

Artikel 39

De Internationale Arbeidsorganisatie bezit rechtspersoonlijkheid en heeft met name de bevoegdheid om:

  • (a). overeenkomsten te sluiten;
  • (b). roerende en onroerende goederen te verwerven en daarover te beschikken;
  • (c). in rechte op te treden.

Artikel 40

1.

De Internationale Arbeidsorganisatie geniet op het gebied van ieder Lid de voorrechten en immuniteiten die nodig zijn voor het verwezenlijken van haar doeleinden.

2.

De afgevaardigden ter Conferentie, de Leden van de Raad van Beheer en de Directeur-Generaal alsmede de functionarissen van het Bureau genieten eveneens de voorrechten en immuniteiten die nodig zijn voor de onafhankelijke uitoefening van hun werkzaamheden in verband met de Organisatie.

3.

Deze voorrechten en immuniteiten worden omschreven in een afzonderlijke regeling die door de Organisatie wordt opgesteld en door de Lid-Staten moet worden aanvaard.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)