Protocol van Montreal betreffende stoffen die de ozonlaag afbreken

Type Verdrag
Publication 2019-06-21
State In force
Source BWB
artikelen 33
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

De Partijen bij dit Protocol,

Partij zijnde bij het Verdrag van Wenen ter bescherming van de ozonlaag,

Indachtig de uit hoofde van dat Verdrag op hen rustende verplichting passende maatregelen te treffen om de gezondheid van de mens en het milieu te beschermen tegen de schadelijke gevolgen, voortvloeiend of vermoedelijk voortvloeiend uit activiteiten van de mens die veranderingen veroorzaken of vermoedelijk veroorzaken in de ozonlaag,

Erkennende dat de uitworp van bepaalde stoffen over de gehele wereld de ozonlaag dusdanig kan afbreken en anderszins veranderen, dat daaruit vermoedelijk schadelijke gevolgen voor de gezondheid van de mens en het leefmilieu voortvloeien,

Zich bewust van de mogelijke klimatologische gevolgen van de uitworp van deze stoffen,

Beseffende dat maatregelen ter bescherming van de ozonlaag tegen afbraak gebaseerd zouden moeten zijn op ter zake dienende wetenschappelijke kennis, rekening houdend met technische en economische overwegingen,

Vastbesloten de ozonlaag te beschermen door middel van voorzorgsmaatregelen die beogen de totale mondiale uitworp van stoffen die de ozonlaag afbreken op billijke wijze te beheersen, met het uiteindelijke doel deze uitworp geheel uit te bannen gebaseerd op ontwikkelingen in de wetenschappelijke kennis, rekening houdend met technische en economische overwegingen en met de bijzondere behoeften van ontwikkelingslanden,

Erkennende dat er een bijzondere regeling noodzakelijk is om tegemoet te komen aan de behoeften van de ontwikkelingslanden, met inbegrip van het verschaffen van extra financiële middelen en het verschaffen van toegang tot de desbetreffende technologieën, indachtig het feit dat de hoeveelheid benodigde financiële middelen voorspeld kan worden, en dat die middelen een aanzienlijk verschil kunnen maken in de mate waarin de wereld in staat is het wetenschappelijk vastgestelde probleem van het afbreken van de ozonlaag en de schadelijke gevolgen daarvan op te lossen,

Vaststellende dat op nationale en regionale schaal reeds voorzorgsmaatregelen zijn getroffen om de uitworp van bepaalde chloorfluorkoolwaterstoffen beheersen,

Overwegende dat het van belang is internationale samenwerking te bevorderen op het gebied van onderzoek, ontwikkeling en overdracht van vervangende technologieën met betrekking tot de beheersing en vermindering van de uitworp van stoffen die de ozonlaag afbreken, met bijzondere aandacht voor de behoeften van de ontwikkelingslanden,

Zijn als volgt overeengekomen:

Artikel 1. Begripomschrijvingen

Voor de toepassing van dit Protocol wordt verstaan onder:

Artikel 2. Beheersingsmaatregelen

1.

Opgenomen door artikel 2A.

2.

Vervangen door artikel 2B.

3.

Elke Partij verzekert dat gedurende het tijdvak van 1 juli 1993 tot en met 30 juni 1994, en in elk tijdvak van twaalf maanden daarna, haar berekend gebruik van de in Groep I van Bijlage A genoemde aan uitworpbeheersing onderworpen stoffen jaarlijks niet meer zal bedragen dan tachtig procent van haar berekende consumptie over 1986. Elke Partij die één of meer van deze stoffen produceert, verzekert dat gedurende dezelfde tijdvakken haar berekende produktie van deze stoffen jaarlijks niet meer zal bedragen dan tachtig procent van haar berekende produktie over 1986. Om te voorzien in de fundamentele binnenlandse behoeften van de onder de werking van artikel 5 vallende Partijen en met het oog op industriële rationalisering tussen de Partijen mag haar berekende produktie deze limiet evenwel overschrijden met ten hoogste tien procent van haar berekende produktie over 1986.

4.

Elke Partij verzekert dat gedurende het tijdvak van 1 juli 1998 tot en met 30 juni 1999, en in elk tijdvak van twaalf maanden daarna, haar berekende consumptie van de in Groep I van Bijlage A genoemde aan uitworpbeheersing onderworpen stoffen jaarlijks niet meer zal bedragen dan vijftig procent van haar berekende consumptie over 1986. Elke Partij die één of meer van deze stoffen produceert, verzekert dat gedurende dezelfde tijdvakken haar berekende produktie van deze stoffen jaarlijks niet meer zal bedragen dan vijftig procent van haar berekende produktie over 1986. Om te voorzien in de fundamentele binnenlandse behoeften van de onder de werking van artikel 5 vallende Partijen en met het oog op industriële rationalisering tussen de Partijen mag haar berekende produktie deze limiet evenwel overschrijden met ten hoogste vijftien procent van haar berekende produktie over 1986. De bepalingen van dit lid zijn van toepassing, tenzij de Partijen tijdens een bijeenkomst anders beslissen bij een meerderheid van tweederde van de Partijen die aanwezig zijn en hun stem uitbrengen, die ten minste tweederde van het totale berekende gebruik van de Partijen van deze stoffen vertegenwoordigen. Deze beslissing dient te worden overwogen en genomen in het licht van de in artikel 6 bedoelde beoordeling.

5.

Een Partij kan gedurende één of meer beheersingstijdvakken een gedeelte van haar berekende produktie zoals bedoeld in de artikelen 2A tot en met 2F en de artikelen 2H en 2J aan een andere Partij overdragen, mits de totale gezamenlijke berekende produktie van de betrokken Partijen voor de verschillende groepen aan uitworpbeheersing onderworpen stoffen de in die artikelen voor de desbetreffende groep gestelde limieten niet overschrijdt. Van een dergelijke overdracht van produktie wordt door elk der betrokken Partijen een kennisgeving naar het secretariaat gezonden, waarin de voorwaarden van de overdracht en het tijdvak waarvoor deze geldt, worden vermeld.

5bis. Een niet onder de werking van het eerste lid van artikel 5 vallende Partij kan gedurende één of meer beheersingstijdvakken een gedeelte van haar berekend gebruik als bedoeld in artikel 2F aan een andere Partij overdragen, mits het berekend gebruik van de in Groep I van Bijlage A genoemde aan uitworpbeheersing onderworpen stoffen van de Partij die een gedeelte van haar berekend gebruik ontvangt, in 1989 niet meer bedroeg dan 0,25 kilogram per hoofd van de bevolking en mits het totale gezamenlijke gebruik van de betrokken Partijen de in artikel 2F genoemde limieten voor het gebruik niet overschrijdt. Van een dergelijke overdracht van gebruik wordt door elk der betrokken Partijen een kennisgeving naar het secretariaat gezonden, waarin de voorwaarden van de overdracht en het tijdvak waarvoor deze geldt, worden vermeld.

6.

Elke niet onder de werking van artikel 5 vallende Partij die vóór 16 september 1987 installaties voor de produktie van de in Bijlage A of Bijlage B genoemde aan uitworpbeheersing onderworpen stoffen in aanbouw heeft of heeft aanbesteed en zulks vóór 1 januari 1987 in nationale wetgeving heeft geregeld, mag de produktie van deze installaties optellen bij de produktie van zodanige stoffen in 1986 ter vaststelling van haar berekende produktie over 1986 mits deze installaties op 31 december 1990 zijn voltooid en zodanige produktie het jaarlijkse berekende gebruik van de betrokken Partij van de aan uitworpbeheersing onderworpen stoffen niet doet toenemen tot meer dan 0,5 kilogram per hoofd van de bevolking.

7.

Elke produktie-overdracht uit hoofde van het vijfde lid of produktiestijging uit hoofde van het zesde lid moet uiterlijk op het tijdstip waarop de overdracht of stijging plaatsvindt aan het secretariaat worden medegedeeld.

10.

Op grond van de overeenkomstig artikel 6 van dit Protocol verrichte beoordeling en in overeenstemming met de in artikel 9 van het Verdrag beschreven procedure, kunnen de Partijen:

11.

Niettegenstaande de bepalingen van dit artikel en de artikelen 2A tot en met 2J kunnen de Partijen verdergaande maatregelen nemen dan daarin is voorgeschreven.

Artikel 2A. CFK's

1.

Elke Partij verzekert dat gedurende het tijdvak van twaalf maanden dat begint op de eerste dag van de zevende maand na de datum van inwerkingtreding van dit Protocol, en in elk tijdvak van twaalf maanden daarna, haar berekend gebruik van de in Groep I van Bijlage A genoemde aan uitworpbeheersing onderworpen stoffen niet meer zal bedragen dan haar berekend gebruik over 1986. Elke Partij die één of meer van deze stoffen produceert, verzekert dat aan het einde van ditzelfde tijdvak haar berekende produktie van deze stoffen niet meer zal bedragen dan haar berekende produktie over 1986, zij het dat deze produktie ten opzichte van 1986 mag zijn gestegen met ten hoogste tien procent. Een dergelijke stijging is evenwel slechts toegestaan om te voorzien in de fundamentele binnenlandse behoeften van de onder de werking van artikel 5 vallende Partijen en met het oog op industriële rationalisering tussen de Partijen.

2.

Elke Partij verzekert dat gedurende het tijdvak van 1 juli 1991 tot en met 31 december 1992 haar berekende gebruik en produktie van de in Groep I van Bijlage A genoemde aan uitworpbeheersing onderworpen stoffen niet meer zullen bedragen dan 150 procent van haar berekende produktie en gebruik van deze stoffen over 1986. Met ingang van 1 januari 1993 zal het beheersingstijdvak van twaalf maanden voor deze aan uitworpbeheersing onderworpen stoffen ieder jaar lopen van 1 januari tot en met 31 december.

3.

Elke Partij verzekert dat gedurende het tijdvak van twaalf maanden dat begint op 1 januari 1994 en in elk tijdvak van twaalf maanden daarna haar berekend gebruik van de in Groep I van Bijlage A genoemde aan uitworpbeheersing onderworpen stoffen per jaar niet meer bedraagt dan vijfentwintig procent van haar berekend gebruik over 1986. Elke Partij die één of meer van deze stoffen produceert, verzekert dat gedurende dezelfde tijdvakken haar berekende produktie van deze stoffen per jaar niet meer bedraagt dan vijfentwintig procent van haar berekende produktie over 1986. Om te voorzien in de fundamentele binnenlandse behoeften van onder de werking van het eerste lid van artikel 5 vallende Partijen mag haar berekende produktie deze limiet evenwel overschrijden met ten hoogste tien procent van haar berekende produktie over 1986.

4.

Elke Partij verzekert dat gedurende het tijdvak van twaalf maanden dat begint op 1 januari 1996 en in elk tijdvak van twaalf maanden daarna haar berekend gebruik van de in Groep I van Bijlage A genoemde aan uitworpbeheersing onderworpen stoffen nihil is. Elke Partij die één of meer van deze stoffen produceert, verzekert dat gedurende dezelfde tijdvakken haar berekende produktie van deze stoffen nihil is. Teneinde te voorzien in de fundamentele binnenlandse behoeften van onder werking van het eerste lid van artikel 5 vallende Partijen mag haar berekende productie deze limiet evenwel overschrijden met een hoeveelheid die gelijk is aan haar gemiddelde productie per jaar van de aan uitworpbeheersing onderworpen stoffen uit Groep I van Bijlage A voor de fundamentele binnenlandse behoeften voor het tijdvak van 1995 tot en met 1997. Dit lid is van toepassing, tenzij de Partijen besluiten het produktie- of gebruiksniveau toe te staan dat nodig is om te voorzien in behoeften voor vormen van gebruik waarvan zij overeenkomen dat deze essentieel zijn.

5.

Elke Partij verzekert dat gedurende het tijdvak van twaalf maanden dat begint op 1 januari 2003 en in elk tijdvak van twaalf maanden daarna, haar berekende productie van de aan uitworpbeheersing onderworpen stoffen van Groep I van Bijlage A voor de fundamentele binnenlandse behoeften van de onder de werking van het eerste lid van artikel 5 vallende Partijen niet meer bedraagt dan tachtig procent van haar gemiddelde productie per jaar van deze stoffen voor fundamentele binnenlandse behoeften in het tijdvak van 1995 tot en met 1997.

6.

Elke Partij verzekert dat gedurende het tijdvak van twaalf maanden dat begint op 1 januari 2005 en in elk tijdvak van twaalf maanden daarna, haar berekende productie van de aan uitworpbeheersing onderworpen stoffen van Groep I van Bijlage A voor de fundamentele binnenlandse behoeften van de onder de werking van het eerste lid van artikel 5 vallende Partijen niet meer bedraagt dan vijftig procent van haar gemiddelde productie per jaar van deze stoffen voor fundamentele binnenlandse behoeften in het tijdvak van 1995 tot en met 1997.

7.

Elke Partij verzekert dat gedurende het tijdvak van twaalf maanden dat begint op 1 januari 2007 en in elk tijdvak van twaalf maanden daarna, haar berekende productie van de aan uitworpbeheersing onderworpen stoffen van Groep I van Bijlage A voor de fundamentele binnenlandse behoeften van de onder de werking van het eerste lid van artikel 5 vallende Partijen niet meer bedraagt dan vijftien procent van haar gemiddelde productie per jaar van deze stoffen voor fundamentele binnenlandse behoeften in het tijdvak van 1995 tot en met 1997.

8.

Elke Partij verzekert dat voor het tijdvak van twaalf maanden dat begint op 1 januari 2010 en in elk tijdvak van twaalf maanden daarna, haar berekende productie van de aan uitworpbeheersing onderworpen stoffen van Groep I van Bijlage A voor de fundamentele binnenlandse behoeften van de onder de werking van het eerste lid van artikel 5 vallende Partijen nihil is.

9.

Ten behoeve van de berekening van de fundamentele binnenlandse behoeften ingevolge het vierde tot en met het achtste lid van dit artikel, omvat de berekening van de gemiddelde productie per jaar van een Partij mede alle productierechten die zij heeft overgedragen in overeenstemming met artikel 2, vijfde lid, maar niet de productierechten die zij heeft verworven in overeenstemming met artikel 2, vijfde lid.

Artikel 2B. Halonen

1.

Elke Partij verzekert dat gedurende het tijdvak van twaalf maanden dat begint op 1 januari 1992 en in elk tijdvak van twaalf maanden daarna haar berekend gebruik van de in Groep II van Bijlage A genoemde aan uitworpbeheersing onderworpen stoffen jaarlijks niet meer bedraagt dan haar berekend gebruik over 1986. Elke Partij die één of meer van deze stoffen produceert, verzekert dat gedurende dezelfde tijdvakken haar berekende produktie van deze stoffen jaarlijks niet meer bedraagt dan haar berekende produktie over 1986. Om te voorzien in de fundamentele binnenlandse behoeften van de onder de werking van het eerste lid van artikel 5 vallende Partijen mag haar berekende produktie deze limiet evenwel overschrijden met ten hoogste tien procent van haar berekende produktie over 1986.

2.

Elke Partij verzekert dat gedurende het tijdvak van twaalf maanden dat begint op 1 januari 1994 en in elk tijdvak van twaalf maanden daarna haar berekend gebruik van de in Groep II van Bijlage A genoemde aan uitworpbeheersing onderworpen stoffen nihil is. Elke Partij die één of meer van deze stoffen produceert, verzekert dat gedurende dezelfde tijdvakken haar berekende produktie van deze stoffen nihil is. Om te voorzien in de fundamentele binnenlandse behoeften van de onder werking van het eerste lid van artikel 5 vallende Partijen mag haar berekende productie tot 1 januari 2002 deze limiet evenwel overschrijden met ten hoogste vijftien procent van haar productie over 1986; daarna mag zij die limiet overschrijden met een hoeveelheid die gelijk is aan haar gemiddelde productie per jaar van de aan uitworpbeheersing onderworpen stoffen uit Groep II van Bijlage A voor fundamentele binnenlandse behoeften voor het tijdvak van 1995 tot en met 1997. Dit lid is van toepassing, tenzij de Partijen besluiten het produktie- of gebruiksniveau toe te staan dat nodig is om te voorzien in behoeften voor vormen van gebruik waarvan zij overeenkomen dat deze essentieel zijn.

3.

Elke Partij verzekert dat gedurende het tijdvak van twaalf maanden dat begint op 1 januari 2005 en in elk tijdvak van twaalf maanden daarna, haar berekende productie van de aan uitworpbeheersing onderworpen stoffen van Groep II van Bijlage A voor de fundamentele binnenlandse behoeften van de onder de werking van het eerste lid van artikel 5 vallende Partijen niet meer bedraagt dan vijftig procent van haar gemiddelde productie per jaar van deze stoffen voor fundamentele binnenlandse behoeften in het tijdvak van 1995 tot en met 1997.

4.

Elke Partij verzekert dat voor het tijdvak van twaalf maanden dat begint op 1 januari 2010 en in elk tijdvak van twaalf maanden daarna, haar berekende productie van de aan uitworpbeheersing onderworpen stoffen van Groep II van Bijlage A voor de fundamentele binnenlandse behoeften van de onder de werking van het eerste lid van artikel 5 vallende Partijen nihil is.

Artikel 2C. : Andere volledig gehalogeneerde CFK's

1.

Elke Partij verzekert dat gedurende het tijdvak van twaalf maanden dat begint op 1 januari 1993 haar berekend gebruik van de in Groep I van Bijlage B genoemde aan uitworpbeheersing onderworpen stoffen per jaar niet meer bedraagt dan tachtig procent van haar berekend gebruik over 1989. Elke Partij die één of meer van deze stoffen produceert, verzekert dat gedurende hetzelfde tijdvak haar berekende produktie van deze stoffen per jaar niet meer bedraagt dan tachtig procent van haar berekende produktie over 1989. Om te voorzien in de fundamentele binnenlandse behoeften van onder de werking van het eerste lid van artikel 5 vallende Partijen mag haar berekende produktie deze limiet evenwel overschrijden met ten hoogste tien procent van haar berekende produktie over 1989.

2.

Elke Partij verzekert dat gedurende het tijdvak van twaalf maanden dat begint op 1 januari 1994 en in elk tijdvak van twaalf maanden daarna haar berekend gebruik van de in Groep I van Bijlage B genoemde aan uitworpbeheersing onderworpen stoffen per jaar niet meer bedraagt dan vijfentwintig procent van haar berekend gebruik over 1989. Elke Partij die één of meer van deze stoffen produceert, verzekert dat gedurende dezelfde tijdvakken haar berekende produktie van deze stoffen per jaar niet meer bedraagt dan vijfentwintig procent van haar berekende produktie over 1989. Om te voorzien in de fundamentele binnenlandse behoeften van onder de werking van het eerste lid van artikel 5 vallende Partijen mag haar berekende produktie deze limiet evenwel overschrijden met ten hoogste tien procent van haar berekende produktie over 1989.

3.

Elke Partij verzekert dat gedurende het tijdvak van twaalf maanden dat begint op 1 januari 1996 en in elk tijdvak van twaalf maanden daarna haar berekend gebruik van de in Groep I van Bijlage B genoemde aan uitworpbeheersing onderworpen stoffen nihil is. Elke Partij die één of meer van deze stoffen produceert, verzekert dat gedurende dezelfde tijdvakken haar berekende produktie van deze stoffen nihil is. Om te voorzien in de fundamentele binnenlandse behoeften van de onder werking van het eerste lid van artikel 5 vallende Partijen mag haar berekende productie tot 1 januari 2003 deze limiet evenwel overschrijden met ten hoogste vijftien procent van haar berekende productie over 1989; daarna mag zij die limiet overschrijden met een hoeveelheid die gelijk is aan ten hoogste tachtig procent van haar jaarlijkse gemiddelde productie van de aan uitworpbeheersing onderworpen stoffen uit Groep I van Bijlage B voor de fundamentele binnenlandse behoeften voor het tijdvak van 1998 tot en met 2000. Dit lid is van toepassing, tenzij de Partijen besluiten het produktie- of gebruiksniveau toe te staan dat nodig is om te voorzien in behoeften voor vormen van gebruik waarvan zij overeenkomen dat deze essentieel zijn.

4.

Elke Partij verzekert dat gedurende het tijdvak van twaalf maanden dat begint op 1 januari 2007 en in elk tijdvak van twaalf maanden daarna, haar berekende productie van de aan uitworpbeheersing onderworpen stoffen van Groep I van Bijlage B voor de fundamentele binnenlandse behoeften van de onder de werking van het eerste lid van artikel 5 vallende Partijen niet meer bedraagt dan vijftien procent van haar gemiddelde productie per jaar van deze stoffen voor fundamentele binnenlandse behoeften in het tijdvak van 1998 tot en met 2000.

5.

Elke Partij verzekert dat voor het tijdvak van twaalf maanden dat begint op 1 januari 2010 en in elk tijdvak van twaalf maanden daarna, haar berekende productie van de aan uitworpbeheersing onderworpen stoffen van Groep I van Bijlage B voor de fundamentele binnenlandse behoeften van de onder de werking van het eerste lid van artikel 5 vallende Partijen nihil is.

Artikel 2D. : Tetrachloorkoolstof

1.

Elke Partij verzekert dat gedurende het tijdvak van twaalf maanden dat begint op 1 januari 1995 haar berekend gebruik van de in Groep II van Bijlage B genoemde aan uitworpbeheersing onderworpen stoffen per jaar niet meer bedraagt dan vijftien procent van haar berekend gebruik over 1989. Elke Partij die deze stof produceert, verzekert dat gedurende hetzelfde tijdvak haar berekende produktie van deze stof per jaar niet meer bedraagt dan vijftien procent van haar berekende produktie over 1989. Om te voorzien in de fundamentele binnenlandse behoeften van onder de werking van het eerste lid van artikel 5 vallende Partijen mag haar berekende produktie deze limiet evenwel overschrijden met ten hoogste tien procent van haar berekende produktie over 1989.

2.

Elke Partij verzekert dat gedurende het tijdvak van twaalf maanden dat begint op 1 januari 1996 en in elk tijdvak van twaalf maanden daarna haar berekend gebruik van de in Groep II van Bijlage B genoemde aan uitworpbeheersing onderworpen stof nihil is. Elke Partij die deze stof produceert, verzekert dat gedurende dezelfde tijdvakken haar berekende produktie van deze stoffen nihil is. Om te voorzien in de fundamentele binnenlandse behoeften van onder de werking van het eerste lid van artikel 5 vallende Partijen mag haar berekende produktie deze limiet evenwel overschrijden met ten hoogste vijftien procent van haar berekende produktie over 1989. Dit lid is van toepassing, tenzij de Partijen besluiten het produktie- of gebruiksniveau toe te staan dat nodig is om te voorzien in behoeften voor vormen van gebruik waarvan zij overeenkomen dat deze essentieel zijn.

Artikel 2E. : 1,1,1-trichloorethaan (methylchloroform)

1.

Elke Partij verzekert dat gedurende het tijdvak van twaalf maanden dat begint op 1 januari 1993 haar berekend gebruik van de in Groep III van Bijlage B genoemde aan uitworpbeheersing onderworpen stof per jaar niet meer bedraagt dan haar berekend gebruik over 1989. Elke Partij die deze stof produceert, verzekert dat gedurende hetzelfde tijdvak haar berekende produktie van deze stof per jaar niet meer bedraagt dan haar berekende produktie over 1989. Om te voorzien in de fundamentele binnenlandse behoeften van onder de werking van het eerste lid van artikel 5 vallende Partijen mag haar berekende produktie deze limiet evenwel overschrijden met ten hoogste tien procent van haar berekende produktie over 1989.

2.

Elke Partij verzekert dat gedurende het tijdvak van twaalf maanden dat begint op 1 januari 1994 en in elk tijdvak van twaalf maanden daarna haar berekend gebruik van de in Groep III van Bijlage B genoemde aan uitworpbeheersing onderworpen stof per jaar niet meer bedraagt dan vijftig procent van haar berekend gebruik over 1989. Elke Partij die deze stof produceert, verzekert dat gedurende dezelfde tijdvakken haar berekende produktie van deze stof per jaar niet meer bedraagt dan vijftig procent van haar berekende produktie over 1989. Om te voorzien in de fundamentele binnenlandse behoeften van onder de werking van het eerste lid van artikel 5 vallende Partijen mag haar berekende produktie deze limiet evenwel overschrijden met ten hoogste tien procent van haar berekende produktie over 1989.

3.

Elke Partij verzekert dat gedurende het tijdvak van twaalf maanden dat begint op 1 januari 1996 en in elk tijdvak van twaalf maanden daarna haar berekend gebruik van de in Groep III van Bijlage B genoemde aan uitworpbeheersing onderworpen stof nihil is. Elke Partij die deze stof produceert, verzekert dat gedurende dezelfde tijdvakken haar berekende produktie van deze stoffen nihil is. Om te voorzien in de fundamentele binnenlandse behoeften van onder de werking van het eerste lid van artikel 5 vallende Partijen mag haar berekende produktie deze limiet evenwel overschrijden met ten hoogste vijftien procent van haar berekende produktie over 1989. Dit lid is van toepassing, tenzij de Partijen besluiten het produktie- of gebruiksniveau toe te staan dat nodig is om te voorzien in behoeften voor vormen van gebruik waarvan zij overeenkomen dat deze essentieel zijn.

Artikel 2F. : Chloorfluorkoolwaterstoffen

1.

Elke Partij verzekert dat gedurende het tijdvak van twaalf maanden dat begint op 1 januari 1996 en in elk tijdvak van twaalf maanden daarna haar berekend gebruik van de in Groep I van Bijlage C genoemde aan uitworpbeheersing onderworpen stoffen per jaar niet meer bedraagt dan de som van:

2.

Elke Partij die een of meer van deze stoffen produceert verzekert dat gedurende het tijdvak van twaalf maanden dat begint op 1 januari 2004 en in elk tijdvak van twaalf maanden daarna haar berekende productie van de in Groep I van Bijlage C aan uitworpbeheersing onderworpen stoffen per jaar niet meer bedraagt dan het gemiddelde van:

3.

Elke Partij verzekert dat gedurende het tijdvak van twaalf maanden dat begint op 1 januari 2004 en in elk tijdvak van twaalf maanden daarna haar berekend gebruik van de in Groep I van Bijlage C genoemde aan uitworpbeheersing onderworpen stoffen per jaar niet meer bedraagt dan vijfenzestig procent van de in het eerste lid van dit artikel bedoelde som.

4.

Elke Partij verzekert dat gedurende het tijdvak dat begint op 1 januari 2010 en in elk tijdvak van twaalf maanden daarna haar berekend gebruik van de in Groep I van Bijlage C genoemde aan uitworpbeheersing onderworpen stoffen per jaar niet meer bedraagt dan vijfentwintig procent van de in het eerste lid van dit artikel bedoelde som. Elke Partij die een of meer van deze stoffen produceert, verzekert, voor dezelfde tijdvakken, dat haar berekende productie van de in Groep I van Bijlage C genoemde aan uitworpbeheersing onderworpen stoffen per jaar niet meer bedraagt dan vijfentwintig procent van het in het tweede lid van dit artikel bedoelde niveau. Om te voorzien in de fundamentele binnenlandse behoeften van de onder de werking van het eerste lid van artikel 5 vallende Partijen, mag haar berekende productie deze limiet evenwel overschrijden met ten hoogste tien procent van haar berekende productie van de in Groep I van Bijlage C genoemde aan uitworpbeheersing onderworpen stoffen, zoals bedoeld in het tweede lid.

5.

Elke Partij verzekert dat gedurende het tijdvak dat begint op 1 januari 2015 en in elk tijdvak van twaalf maanden daarna haar berekend gebruik van de in Groep I van Bijlage C genoemde aan uitworpbeheersing onderworpen stoffen per jaar niet meer bedraagt dan tien procent van de in het eerste lid van dit artikel bedoelde som. Elke Partij die een of meer van deze stoffen produceert, verzekert, voor dezelfde tijdvakken, dat haar berekende productie van de in Groep I van Bijlage C genoemde aan uitworpbeheersing onderworpen stoffen per jaar niet meer bedraagt dan tien procent van het in het tweede lid van dit artikel bedoelde niveau. Om te voorzien in de fundamentele binnenlandse behoeften van de onder de werking van het eerste lid van artikel 5 vallende Partijen, mag haar berekende productie deze limiet evenwel overschrijden met ten hoogste tien procent van haar berekende productie van de in Groep I van Bijlage C genoemde aan uitworpbeheersing onderworpen stoffen, zoals bedoeld in het tweede lid.

6.

Elke Partij verzekert dat gedurende het tijdvak dat begint op 1 januari 2020 en in elk tijdvak van twaalf maanden daarna haar berekend gebruik van de in Groep I van Bijlage C genoemde aan uitworpbeheersing onderworpen stoffen tot nul is teruggebracht. Elke Partij die een of meer van deze stoffen produceert, verzekert, voor dezelfde tijdvakken, dat haar berekende productie van de in Groep I van Bijlage C genoemde aan uitworpbeheersing onderworpen stoffen tot nul is teruggebracht. Dit lid is van toepassing tenzij de Partijen besluiten het productie- of gebruiksniveau toe te staan dat nodig is om te voorzien in behoeften voor vormen van gebruik waarvan zij overeenkomen dat deze essentieel zijn. Echter:

7.

Vanaf 1 januari 1996 streeft elke Partij ernaar te verzekeren dat:

Artikel 2G. : Broomfluorkoolwaterstoffen

Elke Partij verzekert dat gedurende het tijdvak van twaalf maanden dat begint op 1 januari 1996 en in elk tijdvak van twaalf maanden daarna haar berekend gebruik van de in Groep II van Bijlage C genoemde aan uitworpbeheersing onderworpen stoffen nihil is. Elke Partij die deze stoffen produceert, verzekert dat gedurende dezelfde tijdvakken haar berekende produktie van deze stoffen nihil is. Dit lid is van toepassing, tenzij de Partijen besluiten het produktie- of gebruiksniveau toe te staan dat nodig is om te voorzien in behoeften voor vormen van gebruik waarvan zij overeenkomen dat deze essentieel zijn.

Artikel 2H. : Methylbromide

1.

Elke Partij verzekert dat gedurende het tijdvak van twaalf maanden dat begint op 1 januari 1995 en in elk tijdvak van twaalf maanden daarna haar berekende gebruik van de in Bijlage E genoemde aan uitworpbeheersing onderworpen stof per jaar niet meer bedraagt dan haar berekende gebruik over 1991. Elke Partij die deze stof produceert, verzekert dat gedurende dezelfde tijdvakken haar berekende produktie van deze stof per jaar niet meer bedraagt dan haar berekende produktie over 1991. Om te voorzien in de fundamentele binnenlandse behoeften van onder artikel 5, eerste lid, vallende Partijen, mag haar berekende produktie deze limiet evenwel overschrijden met ten hoogste tien procent van haar berekende produktie over 1991.

2.

Elke Partij verzekert dat gedurende het tijdvak van twaalf maanden dat begint op 1 januari 1999 en in het tijdvak van twaalf maanden daarna haar berekende gebruik van de in Bijlage E genoemde aan uitworpbeheersing onderworpen stof per jaar niet meer bedraagt dan vijfenzeventig procent van haar berekende gebruik over 1991. Elke Partij die deze stof produceert, verzekert dat gedurende dezelfde tijdvakken haar berekende productie van deze stof per jaar niet meer bedraagt dan vijfenzeventig procent van haar berekende productie over 1991. Om te voorzien in de fundamentele binnenlandse behoeften van de in artikel 5, eerste lid, bedoelde Partijen, mag haar berekende productie deze limiet evenwel overschrijden met ten hoogste tien procent van haar berekende productie over 1991.

3.

Elke Partij verzekert dat gedurende het tijdvak van twaalf maanden dat begint op 1 januari 2001 en in het tijdvak van twaalf maanden daarna haar berekende gebruik van de in Bijlage E aan uitworpbeheersing onderworpen stof per jaar niet meer bedraagt dan vijftig procent van haar berekende gebruik over 1991. Elke Partij die deze stof produceert, verzekert dat gedurende dezelfde tijdvakken haar berekende productie van deze stof per jaar niet meer bedraagt dan vijftig procent van haar berekende productie over 1991. Om te voorzien in de fundamentele binnenlandse behoeften van de in artikel 5, eerste lid, bedoelde Partijen, mag haar berekende productie deze limiet evenwel overschrijden met ten hoogste tien procent van haar berekende productie over 1991.

4.

Elke Partij verzekert dat gedurende het tijdvak van twaalf maanden dat begint op 1 januari 2003 en in het tijdvak van twaalf maanden daarna haar berekende gebruik van de in Bijlage E aan uitworpbeheersing onderworpen stof per jaar niet meer bedraagt dan dertig procent van haar berekende gebruik over 1991. Elke Partij die deze stof produceert, verzekert dat gedurende dezelfde tijdvakken haar berekende productie van deze stof per jaar niet meer bedraagt dan dertig procent van haar berekende productie over 1991. Om te voorzien in de fundamentele binnenlandse behoeften van de in artikel 5, eerste lid, bedoelde Partijen, mag haar berekende productie deze limiet evenwel overschrijden met ten hoogste tien procent van haar berekende productie over 1991.

5.

Elke Partij verzekert dat gedurende het tijdvak van twaalf maanden dat begint op 1 januari 2005 en in elk tijdvak van twaalf maanden daarna haar berekende gebruik van de in Bijlage E aan uitworpbeheersing onderworpen stof nihil is. Elke Partij die deze stof produceert, verzekert dat gedurende dezelfde tijdvakken haar berekende productie van deze stof per jaar nihil is. Om te voorzien in de fundamentele binnenlandse behoeften van de onder werking van het eerste lid van artikel 5 vallende Partijen mag haar berekende productie tot 1 januari 2002 deze limiet evenwel overschrijden met ten hoogste vijftien procent van haar berekende productie over 1991; daarna mag zij die limiet overschrijden met een hoeveelheid die gelijk is aan haar jaarlijkse gemiddelde productie van de aan uitworpbeheersing onderworpen stof in Bijlage E voor de fundamentele binnenlandse behoeften voor het tijdvak van 1995 tot en met 1998. Dit lid vindt geen toepassing wanneer de Partijen besluiten de productie of het gebruik toe te staan tot het niveau dat nodig is om te voorzien in de behoeften voor vormen van gebruik ten aanzien waarvan zij overeenkomen dat deze cruciale landbouwgebruiken zijn.

5bis. Elke Partij verzekert dat gedurende het tijdvak van twaalf maanden dat begint op 1 januari 2005 en in elk tijdvak van twaalf maanden daarna, haar berekende productie van de aan uitworpbeheersing onderworpen stof van Bijlage E voor de fundamentele binnenlandse behoeften van de onder de werking van het eerste lid van artikel 5 vallende Partijen niet meer bedraagt dan tachtig procent van haar gemiddelde productie per jaar van deze stof voor fundamentele binnenlandse behoeften in het tijdvak van 1995 tot en met 1998.

5ter. Elke Partij verzekert dat voor het tijdvak van twaalf maanden dat begint op 1 januari 2015 en in elk tijdvak van twaalf maanden daarna, haar berekende productie van de aan uitworpbeheersing onderworpen stof van Bijlage E voor de fundamentele binnenlandse behoeften van de onder de werking van het eerste lid van artikel 5 vallende Partijen nihil is.

6.

In het berekende gebruik en de berekende produktie ingevolge dit artikel zijn niet inbegrepen de door de Partij gebruikte hoeveelheden voor quarantaine-doeleinden of voor toepassingen voorafgaand aan het vervoer.

Artikel 2I. : Broomchloormethaan

Elke Partij verzekert dat gedurende het tijdvak van twaalf maanden dat begint op 1 januari 2002 en in elk tijdvak van twaalf maanden daarna haar berekend gebruik en berekende productie van de in Groep III van Bijlage C aan uitworpbeheersing onderworpen stoffen niet hoger is dan nihil. Deze bepaling is van toepassing tenzij de Partijen besluiten het productie- of gebruiksniveau toe te staan dat nodig is om te voorzien in behoeften voor vormen van gebruik waarvan zij overeenkomen dat deze essentieel zijn.

Artikel 3. Berekening van de niveaus van beheerste stoffen

1.

Voor de toepassing van de artikelen 2, 2A tot en met 2J, en 5, dient elke Partij voor elke in Bijlage A, Bijlage B, Bijlage C, Bijlage E of Bijlage F genoemde groep van stoffen haar berekende niveaus vast te stellen door:

2.

Bij de berekening van de niveaus voor de productie, het gebruik, de invoer, de uitvoer en de uitstoot van de in groep I van Bijlage C en in Bijlage F genoemde stoffen, uitgedrukt in CO2-equivalenten, voor de toepassing van artikel 2J, artikel 2, lid 5, en artikel 3, eerste lid, letter d, dient elke Partij het aardopwarmingsvermogen te gebruiken dat voor deze stoffen is vastgesteld in groep I van Bijlage A, Bijlage C en Bijlage F.

Artikel 4. Handel met Staten die geen Partij zijn

1.

Met ingang van 1 januari 1990 verbiedt elke Partij de invoer van de in Bijlage A genoemde aan uitworpbeheersing onderworpen stoffen uit Staten die geen Partij zijn bij dit Protocol.

1bis. Binnen een jaar na de datum van inwerkingtreding van dit slid verbiedt elke Partij de invoer van de in Bijlage B genoemde aan uitworpbeheersing onderworpen stoffen uit Staten die geen Partij zijn bij dit Protocol.

1ter. Binnen een jaar na de datum van inwerkingtreding van dit lid verbiedt elke Partij de invoer van alle in Groep II van Bijlage C genoemde aan uitworpbeheersing onderworpen stoffen uit Staten die geen Partij zijn bij dit Protocol.

1quater. Met ingang van een jaar na de datum van inwerkingtreding van dit lid verbiedt elke Partij de invoer van de aan uitworpbeheersing onderworpen stof als genoemd in Bijlage E uit Staten die geen Partij zijn bij dit Protocol.

1 quinquies. Met ingang van 1 januari 2004 verbiedt elke Partij de invoer van de in Groep I van Bijlage C aan uitworpbeheersing onderworpen stoffen uit Staten die geen Partij zijn bij dit Protocol.

1 sexties. Binnen een jaar na de datum van inwerkingtreding van dit lid verbiedt elke Partij de invoer van de in Groep III van bijlage C aan uitworpbeheersing onderworpen stoffen uit Staten die geen Partij zijn bij dit Protocol.

1 septies. Bij de inwerkingtreding van dit lid verbiedt elke Partij de invoer van de in Bijlage F genoemde aan uitworpbeheersing onderworpen stoffen uit staten die geen Partij zijn bij dit Protocol.

2.

Met ingang van 1 januari 1993 verbiedt elke Partij de uitvoer van de in Bijlage A genoemde aan uitworpbeheersing onderworpen stoffen naar Staten die geen Partij zijn bij dit Protocol.

2bis. Een jaar na de datum van inwerkingtreding van dit lid verbiedt elke Partij de uitvoer van de in Bijlage B genoemde aan uitworpbeheersing onderworpen stoffen naar Staten die geen Partij zijn bij dit Protocol.

2ter. Met ingang van een jaar na de datum van inwerkingtreding van dit lid verbiedt elke Partij de uitvoer van alle in Groep II van Bijlage C genoemde aan uitworpbeheersing onderworpen stoffen naar Staten die geen Partij zijn bij dit Protocol.

2quater. Met ingang van een jaar na de datum van inwerkingtreding van dit lid verbiedt elke Partij de uitvoer van de aan uitworpbeheersing onderworpen stof als genoemd in Bijlage E naar Staten die geen Partij zijn bij dit Protocol.

2 quinquies. Met ingang van 1 januari 2000 verbiedt elke Partij de uitvoer van de in Groep I van Bijlage C aan uitworpbeheersing onderworpen stoffen naar Staten die geen Partij zijn bij dit Protocol.

2 sexties. Binnen een jaar na de inwerkingtreding van dit lid verbiedt elke Partij de uitvoer van de in Groep III van Bijlage C aan uitworpbeheersing onderworpen stoffen naar Staten die geen Partij zijn bij dit Protocol.

2 septies. Bij de inwerkingtreding van dit lid verbiedt elke Partij de uitvoer van de in Bijlage F genoemde aan uitworpbeheersing onderworpen stoffen naar staten die geen Partij zijn bij dit Protocol.

3.

Vóór 1 januari 1992 stellen de Partijen, overeenkomstig de in artikel 10 van het Verdrag vervatte procedures, in een bijlage een lijst op van produkten die de in Bijlage A genoemde aan uitworpbeheersing onderworpen stoffen bevatten. Partijen die niet overeenkomstig deze procedures bezwaar hebben gemaakt tegen de bijlage, verbieden binnen een jaar nadat de bijlage van kracht is geworden de invoer van die produkten uit Staten die geen Partij zijn bij dit Protocol.

3bis. Binnen drie jaar na de inwerkingtreding van dit lid stellen de Partijen, overeenkomstig de in artikel 10 van het Verdragvervatte procedures, in een bijlage een lijst op van produkten die in Bijlage B genoemde aan uitworpbeheersing onderworpen stoffen bevatten. Partijen die niet overeenkomstig deze procedures bezwaar hebben gemaakt tegen de bijlage, verbieden binnen een jaar nadat de bijlage van kracht is geworden de invoer van die produkten uit Staten die geen Partij zijn bij dit Protocol.

3ter. Binnen drie jaar na de datum van inwerkingtreding van dit lid stellen de Partijen, overeenkomstig de in artikel 10 van het Verdrag vervatte procedures, in een bijlage een lijst op van produkten die de in Groep II van Bijlage C genoemde aan uitworpbeheersing onderworpen stoffen bevatten. Partijen die niet overeenkomstig deze procedures bezwaar hebben gemaakt tegen de bijlage, verbieden binnen een jaar nadat de bijlage van kracht is geworden de invoer van die produkten uit Staten die geen Partij zijn bij dit Protocol.

4.

Vóór 1 januari 1994 stellen de Partijen de haalbaarheid vast van een verbod of beperking van de invoer uit Staten die geen Partij zijn bij dit Protocol ter zake van produkten die zijn vervaardigd met behulp van de in Bijlage A genoemde aan uitworpbeheersing onderworpen stoffen, doch deze niet bevatten. Indien dit haalbaar wordt geacht, stellen de Partijen overeenkomstig de in artikel 10 van het Verdrag vervatte procedures in een bijlage een lijst van zodanige produkten op. Partijen die niet overeenkomstig deze procedures bezwaar hebben gemaakt tegen de bijlage, verbieden binnen een jaar nadat de bijlage van kracht is geworden de invoer van die produkten uit Staten die geen Partij zijn bij dit Protocol.

4bis. Binnen vijf jaar na de datum van inwerkingtreding van dit lid stellen de Partijen de haalbaarheid vast van een verbod of beperking van de invoer uit Staten die geen Partij zijn bij dit Protocol ter zake van produkten die zijn vervaardigd met behulp van de in Bijlage B genoemde aan uitworpbeheersing onderworpen stoffen, doch deze niet bevatten. Indien dit haalbaar wordt geacht, stellen de Partijen overeenkomstig de in artikel 10 van het Verdrag vervatte procedures in een bijlage een lijst van zodanige produkten op. Partijen die niet overeenkomstig deze procedures bezwaar hebben gemaakt tegen de bijlage, verbieden binnen een jaar nadat de bijlage van kracht is geworden de invoer van die produkten uit Staten die geen Partij zijn bij dit Protocol

4ter. Binnen vijf jaar na de datum van inwerkingtreding van dit lid stellen de Partijen de haalbaarheid vast van een verbod of beperking van de invoer uit Staten die geen Partij zijn bij dit Protocol ter zake van produkten die zijn vervaardigd met de in Groep II van Bijlage C genoemde aan uitworpbeheersing onderworpen stoffen, doch die deze stoffen niet bevatten. Indien dit haalbaar wordt geacht, stellen de Partijen overeenkomstig de in artikel 10 van het Verdrag vervatte procedures in een bijlage een lijst van zodanige produkten op. Partijen die niet overeenkomstig deze procedures bezwaar hebben gemaakt tegen de bijlage, verbieden of beperken binnen een jaar nadat de bijlage van kracht is geworden de invoer van die produkten uit Staten die geen Partij zijn bij dit Protocol.

5.

Elke Partij stelt al het mogelijk in het werk om de uitvoer van technologie die bestemd is voor de produktie of het gebruik van de in de Bijlagen A, B, C, E en F genoemde aan uitworpbeheersing onderworpen stoffen naar Staten die geen Partij zijn bij dit Protocol te ontmoedigen.

6.

Elke Partij onthoudt zich van de verstrekking van nieuwe subsidies, steun, kredieten, garanties of verzekeringsprogramma's voor de uitvoer naar Staten die geen Partij zijn bij dit Protocol van produkten, apparatuur, installaties of technologie die de vervaardiging van de in de Bijlagen A, B, C, E en F genoemde aan uitworpbeheersing onderworpen stoffen zouden kunnen vergemakkelijken.

7.

De leden vijf en zes zijn niet van toepassing op produkten, apparatuur, installaties of technologie die de beheersbaarheid, de herwinning, het hergebruik of de vernietiging van de in de Bijlagen A, B, C, E en F genoemde aan uitworpbeheersing onderworpen stoffen verbeteren, de ontwikkeling van vervangende stoffen bevorderen, dan wel anderszins bijdragen tot beperking van de uitworp van de in de Bijlagen A, B, C, E en F genoemde aan uitworpbeheersing onderworpen stoffen.

8.

Niettegenstaande de bepalingen van dit artikel is de in de leden één tot en met vier ter van dit artikel bedoelde invoer uit en uitvoer naar een Staat die geen Partij is bij dit Protocol, toegestaan indien tijdens een vergadering van de Partijen is vastgesteld dat de betrokken Staat de artikelen 2A tot en met 2J en dit artikel geheel naleeft, en overeenkomstig het bepaalde in artikel 7 gegevens heeft verstrekt die dit bevestigen.

9.

Voor de toepassing van dit artikel wordt onder de uitdrukking „Staat die geen Partij is bij dit Protocol” ten aanzien van een bepaalde aan uitworpbeheersing onderworpen stof begrepen iedere Staat of organisatie voor regionale economische integratie die er niet in heeft toegestemd te worden gebonden door de beperkende maatregelen die voor die stof van kracht zijn.

10.

Uiterlijk 1 januari 1996 besluiten de Partijen of het noodzakelijk is dit Protocol te wijzigen ten einde de in dit artikel vervatte maatregelen uit te breiden tot de handel in de in Groep I van Bijlage C en de in Bijlage E genoemde aan uitworpbeheersing onderworpen stoffen met Staten die geen Partij zijn bij het Protocol.

Artikel 4A. : Handel met Partijen

1.

Wanneer, na het verstrijken van de datum van geleidelijke stopzetting die voor een Partij van toepassing is, deze Partij ten aanzien van een aan uitworpbeheersing onderworpen stof, ondanks het feit dat zij alle mogelijke stappen heeft ondernomen om aan haar verplichtingen ingevolge het Protocol te voldoen, niet in staat is de productie van die stof voor binnenlands gebruik stop te zetten, anders dan voor vormen van gebruik ten aanzien waarvan de Partijen zijn overeengekomen dat deze cruciaal zijn, verbiedt zij de uitvoer van gebruikte, hergebruikte en geregenereerde hoeveelheden van die stof, anders dan ten behoeve van vernietiging.

2.

Het eerste lid van dit artikel is van toepassing onverminderd de toepasselijkheid van artikel 11 van het Verdrag en de procedure inzake niet-naleving ingevolge artikel 8 van het Protocol.

Artikel 4B. : Vergunning

1.

Elke Partij zal met ingang van 1 januari 2000 of binnen drie maanden na de datum van inwerkingtreding van dit artikel ten aanzien van haar, naargelang van welke datum later is, een vergunningensysteem voor de invoer en uitvoer van nieuwe, gebruikte, hergebruikte en geregenereerde aan uitworpbeheersing onderworpen stoffen als genoemd in de Bijlagen A, B, C en E instellen en uitvoeren.

2.

Niettegenstaande het eerste lid van dit artikel kan elke in artikel 5, eerste lid, bedoelde Partij die besluit dat zij niet in staat is een vergunningensysteem voor de invoer en uitvoer van aan uitworpbeheersing onderworpen stoffen als genoemd in de Bijlagen C en E in te stellen en uit te voeren, deze maatregelen uitstellen tot respectievelijk 1 januari 20001In de Engelse tekst staat hier het jaartal „2005”, in de Franse tekst „2000”. en 1 januari 2002.

2 bis. Elke Partij zal met ingang van 1 januari 2019 of binnen drie maanden na de datum van inwerkingtreding van dit lid ten aanzien van haar, naargelang van welke datum later is, een vergunningensysteem in voor de invoer en uitvoer van nieuwe, gebruikte, hergebruikte en geregenereerde aan uitworpbeheersing onderworpen stoffen als genoemd in Bijlage F instellen en uitvoeren. Elke Partij die onder de werking van artikel 5, eerste lid, valt die besluit dat zij niet in staat is een dergelijk systeem met ingang van 1 januari 2019 in te stellen en uit te voeren, kan deze maatregelen uitstellen tot 1 januari 2021.

3.

Elke Partij brengt binnen drie maanden na de datum van de invoering van haar vergunningensysteem aan het Secretariaat verslag uit over de instelling en het functioneren van dat systeem.

4.

Het Secretariaat stelt periodiek een lijst op van de Partijen die verslag hebben uitgebracht over hun vergunningensysteem en zendt deze aan alle Partijen; het Secretariaat verstrekt deze informatie aan het Implementatiecomité ter bestudering en het doen van passende aanbevelingen aan de Partijen.

Artikel 5. Bijzondere positie van ontwikkelingslanden

1.

Elke Partij die een ontwikkelingsland is en waarvan het jaarlijkse berekend gebruik van de in Bijlage A genoemde aan uitworpbeheersing onderworpen stoffen of de datum van inwerkingtreding van het Protocol ten aanzien van die Partij, dan wel op enig later tijdstip tot 1 januari 1999, minder bedraagt dan 0,3 kilogram per hoofd van de bevolking, is gerechtigd, ten einde in haar fundamentele binnenlandse behoeften te voorzien, de naleving van de in de artikelen 2 A tot en met 2E vervatte beheersingsmaatregelen tien jaar op te schorten, met dien verstande dat verdere wijzigingen op de aanpassingen of wijzigingen die zijn aangenomen op de Tweede Vergadering van de Partijen te Londen op 29 juni 1990 van toepassing dienen te zijn op de onder de werking van dit lid vallende Partijen nadat de situatie opnieuw is bezien zoals is voorgeschreven in het achtste lid van dit artikel, en deze verdere wijzigingen daarop dienen te zijn gebaseerd.

1bis. Op basis van de opnieuw beziene situatie, als bedoeld in het achtste lid van dit artikel, de beoordelingen ingevolge artikel 6 en alle andere relevante informatie besluiten de Partijen uiterlijk 1 januari 1996, met toepassing van de in artikel 2, negende lid, uiteengezette procedure:

2.

Het jaarlijkse berekend gebruik van de in Bijlage A genoemde aan uitworpbeheersing onderworpen stoffen van een onder de werking van het eerste lid van dit artikel vallende Partij mag evenwel de limiet van 0,3 kilogram per hoofd van de bevolking niet overschrijden, en haar jaarlijkse berekend gebruik van de in Bijlage B genoemde aan uitworpbeheersing onderworpen stoffen mag de limiet van 0,2 kilogram per hoofd van de bevolking niet overschrijden.

3.

Bij de toepassing van de in de artikelen 2A tot en met 2E vervatte beheersingsmaatregelen is elke onder de werking van het eerste lid van dit artikel vallende Partij gerechtigd:

4.

Indien een onder het eerste lid van dit artikel vallende Partij, op enige tijdstip voordat de verplichtingen ten aanzien van de in de artikelen 2A tot en met 2J vervatte beheersingsmaatregelen voor die Partij van kracht worden, van oordeel is dat zij zich niet voldoende aan uitworpbeheersing onderworpen stoffen kan verschaffen, kan zij het secretariaat hiervan in kennis stellen. Het secretariaat zendt dan onverwijld een afschrift van deze kennisgeving aan de Partijen, die tijdens hun volgende vergadering overleg zullen plegen over deze kwestie, en een beslissing zullen nemen over passende maatregelen.

5.

De ontwikkeling van het vermogen van de onder werking van het eerste lid van dit artikel vallende Partijen om te voldoen aan hun verplichtingen betreffende de naleving van de in de artikelen 2A tot en met 2Een de artikelen 2I en 2J vervatte beheersingsmaatregelen, en aan alle in de artikelen 2F tot en met 2H vervatte beheersingsmaatregelen waartoe wordt besloten ingevolge lid een bis van dit artikel, alsmede de uitvoering ervan door die Partijen, hangt af van de daadwerkelijke verwezenlijking van de financiële samenwerking zoals bedoeld in artikel 10 en de overdracht van technologie als bedoeld in artikel 10A.

6.

Elke onder de werking van het eerste lid van dit artikel vallende Partij die, na alle mogelijke stappen te hebben ondernomen, niet in staat is aan enige of alle in de artikelen 2A tot en met 2E en de artikelen 2I en 2J vervatte verplichtingen, of alle in de artikelen 2F tot en met 2H vervatte verplichtingen waartoe wordt besloten ingevolge lid een bis van dit artikel te voldoen wegens de ontoereikende toepassing van de artikelen 10 en 10A, kan het secretariaat hiervan te allen tijde in kennis stellen. Het secretariaat zendt dan onverwijld een afschrift van die kennisgeving aan de Partijen, die tijdens hun volgende vergadering met gepaste inachtneming van het vijfde lid van dit artikel overleg zullen plegen over deze kwestie en een beslissing zullen nemen over passende maatregelen.

7.

Gedurende het tijdvak tussen de kennisgeving en de vergadering van de Partijen tijdens welke een beslissing wordt genomen over de in het zesde lid hierboven bedoelde passende maatregelen, of gedurende een langer tijdvak indien de vergadering van de Partijen hiertoe besluit, worden de in artikel 8 bedoelde procedures betreffende nietnaleving van het Protocol niet aangewend tegen de Partij die de kennisgeving doet.

8.

Uiterlijk in 1995 wordt tijdens een vergadering van de Partijen de situatie van de onder de werking van het eerste lid van dit artikel vallende Partijen opnieuw bezien, met inbegrip van de daadwerkelijke verwezenlijking van financiële samenwerking en overdracht van technologie aan deze Partijen, en kunnen herzieningen worden aangenomen die noodzakelijk worden geacht ten aanzien van het voor die Partijen geldende schema van beheersingsmaatregelen.

8bis. Op basis van de opnieuw beziene situatie als bedoeld in het achtste lid:

8ter. Overeenkomstig lid 1bis hierboven:

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)