Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden met betrekking tot de Nederlandse Antillen en het Koninkrijk Noorwegen tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar het vermogen
De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden met betrekking tot de Nederlandse Antillen en de Regering van het Koninkrijk Noorwegen, geleid door de wens een verdrag te sluiten tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar het vermogen, zijn als volgt overeengekomen:
HOOFDSTUK I. REIKWIJDTE VAN HET VERDRAG
Artikel 1. Personen op wie het Verdrag van toepassing is
Dit Verdrag is van toepassing op personen die inwoner zijn van één Verdragsluitende Staat of van beide Verdragsluitende Staten.
Artikel 2. Belastingen waarop het Verdrag van toepassing is
Dit Verdrag is van toepassing op belastingen naar het inkomen en naar het vermogen die, ongeacht de wijze van heffing, worden geheven ten behoeve van een Verdragsluitende Staat of van de staatkundige onderdelen of plaatselijke publiekrechtelijke lichamen daarvan.
Als belastingen naar het inkomen en naar het vermogen worden beschouwd alle belastingen die worden geheven naar het gehele inkomen, naar het gehele vermogen of naar bestanddelen van het inkomen of van het vermogen, daaronder begrepen belastingen naar voordelen verkregen uit de vervreemding van roerende of onroerende goederen, belastingen naar het totaalbedrag van de door ondernemingen betaalde lonen of salarissen, alsmede belastingen naar waardevermeerdering.
De bestaande belastingen waarop het Verdrag van toepassing is, zijn met name:
- a). in Noorwegen:
- (i). de nationale inkomstenbelasting (inntektsskatt til staten);
- (ii). de provinciale inkomstenbelasting (inntektsskatt til fylkeskommunen);
- (iii). de gemeentelijke inkomstenbelasting (inntektsskatt til kommunen);
- (iv). de nationale bijdragen aan het Belastingvereveningsfonds (fellesskatt til Skattefordelingsfondet);
- (v). de nationale vermogensbelasting (formuesskat til staten);
- (vi). de gemeentelijke vermogensbelasting (formuesskat til kommunen)
- (vii). de nationale belasting betreffende inkomsten en vermogen verkregen uit de exploratie en exploitatie van onderzeese aardolievoorraden en activiteiten en werk die daarmee verband houden, daaronder begrepen het transport van de gewonnen aardolie door pijpleidingen (skatt til staten vedrørende inntekt og formue i forbindelse med undersøkelse etter og utnyttelse av undersjøiske petroleumsforekomster og dertil knyttet virksomhet og arbeid, herunder rørledningstransport av utvunnet petroleum);
- (viii). de nationale heffingen op salarissen van buitenlandse artiesten (avgift til staten av honorarer som tilfaller kunstnere bosatt i utlandet); (hierna te noemen: „Noorse belastingen”);
- b). in de Nederlandse Antillen:
- (i). de inkomstenbelasting;
- (ii). de loonbelasting;
- (iii). de winstbelasting; en
- (iv). de extra toeslagen (opcenten) op inkomsten- en winstbelasting; (hierna te noemen: „Nederlands-Antilliaanse belastingen”).
Het Verdrag is ook van toepassing op alle gelijke of in wezen gelijksoortige belastingen die door de Verdragsluitende Staten na de datum van ondertekening van het Verdrag naast of in de plaats van de bestaande belastingen worden geheven.
HOOFDSTUK II. BEGRIPSBEPALINGEN
Artikel 3. Algemene begripsbepalingen
Voor de toepassing van dit Verdrag, tenzij het zinsverband anders vereist:
- a). betekent de uitdrukking „Noorwegen” het Koninkrijk Noorwegen, daaronder begrepen ieder gebied buiten de territoriale zee van het Koninkrijk Noorwegen waar het Koninkrijk Noorwegen, volgens de Noorse wetgeving en in overeenstemming met het internationale recht, zijn rechten kan uitoefenen met betrekking tot de zeebodem en de ondergrond daarvan en hun natuurlijke rijkdommen; de uitdrukking omvat niet Spitsbergen, Jan Mayen en de van Noorwegen afhankelijke gebieden („biland”);
- b). betekent de uitdrukking „Nederlandse Antillen” dat gedeelte van het Koninkrijk der Nederlanden dat is gelegen in het Caribisch gebied en bestaat uit de Eilandgebieden Bonaire, Curaçao, Saba, St.-Eustatius en St.-Maarten (Nederlands gedeelte), daaronder begrepen de territoriale zee van die gebieden en het gedeelte van de zeebodem en de ondergrond daarvan onder de Caribische Zee waarop het Koninkrijk der Nederlanden in overeenstemming met het internationale recht soevereine rechten heeft, maar niet inbegrepen het gedeelte daarvan dat betrekking heeft op Aruba;
- c). betekent de uitdrukking „onderdanen”:
- (i). met betrekking tot Noorwegen, alle natuurlijke personen die de Noorse nationaliteit bezitten; en alle rechtspersonen, vennootschappen en verenigingen die hun rechtspositie als zodanig ontlenen aan de wetgeving die in Noorwegen van kracht is;
- (ii). met betrekking tot de Nederlandse Antillen, alle natuurlijke personen die de Nederlandse nationaliteit bezitten en die het kiesrecht zouden mogen uitoefenen in de Nederlandse Antillen indien zij meerderjarig zouden zijn en zich in de Nederlandse Antillen zouden bevinden, met dien verstande echter dat indien een natuurlijke persoon geen inwoner van de Nederlandse Antillen is, hij óf op de Nederlandse Antillen moet zijn geboren óf gedurende ten minste vijfjaar inwoner van de Nederlandse Antillen moet zijn geweest; en alle rechtspersonen, vennootschappen of verenigingen die hun rechtspositie als zodanig ontlenen aan de wetgeving die op de Nederlandse Antillen van kracht is;
- d). omvat de uitdrukking „persoon” een natuurlijke persoon, een lichaam en elke andere vereniging van personen;
- e). betekent de uitdrukking „lichaam” elke rechtspersoon of elke eenheid die voor de belastingheffing als een rechtspersoon wordt behandeld;
- f). betekenen de uitdrukkingen „een Verdragsluitende Staat” en „de andere Verdragsluitende Staat” Noorwegen of de Nederlandse Antillen, al naar het zinsverband vereist;
- g). betekenen de uitdrukkingen „onderneming van een Verdragsluitende Staat” en „onderneming van de andere Verdragsluitende Staat” een onderneming gedreven door een inwoner van een Versluitende Staat, respectievelijk een onderneming gedreven door een inwoner van de andere Verdragsluitende Staat;
- h). betekent de uitdrukking „internationaal verkeer” alle vervoer door middel van een schip of luchtvaartuig dat wordt geëxploiteerd door een onderneming waarvan de plaats van werkelijke leiding in een Verdragsluitende Staat is gelegen, behalve indien het schip of luchtvaartuig uitsluitend tussen plaatsen in de andere Verdragsluitende Staat wordt geëxploiteerd.
- i). betekent de uitdrukking „bevoegde autoriteiten” :
- (i). in Noorwegen: de Minister van Financiën en Douane of diens bevoegde vertegenwoordiger;
- (ii). in de Nederlandse Antillen: de Minister van Financiën of diens bevoegde vertegenwoordiger.
Voor de toepassing van het Verdrag door een Verdragsluitende Staat heeft, tenzij het zinsverband anders vereist, elke daarin niet omschreven uitdrukking de betekenis die zij heeft volgens de wetgeving van die Staat met betrekking tot de belastingen waarop het Verdrag van toepassing is.
Artikel 4. Inwoner
Voor de toepassing van dit Verdrag betekent de uitdrukking „inwoner” van een Verdragsluitende Staat” iedere persoon die, ingevolge de wetgeving van die Staat, aldaar aan belasting is onderworpen op grond van zijn woonplaats, verblijf, plaats van leiding of enige andere soortgelijke omstandigheid. Deze uitdrukking omvat echter niet een persoon die in die Staat slechts aan belasting is onderworpen terzake van inkomsten uit bronnen in die Staat of van vermogen dat in die Staat is gelegen.
Wanneer een natuurlijke persoon ingevolge de bepalingen van het eerste lid inwoner van beide Verdragsluitende Staten is, wordt zijn positie als volgt bepaald:
- a). hij wordt geacht inwoner te zijn van de Staat waar hij een duurzaam tehuis tot zijn beschikking heeft; indien hij in beide Staten een duurzaam tehuis tot zijn beschikking heeft, wordt hij geacht inwoner te zijn van de Staat waarmee zijn persoonlijke en economische betrekkingen het nauwst zijn (middelpunt van levensbelangen);
- b). indien niet kan worden bepaald in welke Staat hij het middelpunt van zijn levensbelangen heeft, of indien hij in geen der Staten een duurzaam tehuis tot zijn beschikking heeft, wordt hij geacht inwoner te zijn van de Staat waar hij gewoonlijk verblijft;
- c). indien hij in beide Staten of in geen van beide gewoonlijk verblijft, wordt hij geacht inwoner te zijn van de Staat waarvan hij onderdaan is;
- d). indien hij onderdaan van beide Staten of van geen van beide is, regelen de bevoegde autoriteiten van de Verdragsluitende Staten de aangelegenheid in onderlinge overeenstemming.
Wanneer een andere dan een natuurlijke persoon ingevolge de bepalingen van het eerste lid inwoner van beide Verdragsluitende Staten is, wordt hij geacht inwoner te zijn van de Staat waar de plaats van zijn werkelijke leiding is gelegen.
Artikel 5. Vaste inrichting
Voor de toepassing van dit Verdrag betekent de uitdrukking „vaste inrichting” een vaste bedrijfsinrichting door middel waarvan de werkzaamheden van een onderneming geheel of gedeeltelijk worden uitgeoefend.
De uitdrukking „vaste inrichting” omvat in het bijzonder:
- a). een plaats waar leiding wordt gegeven;
- b). een filiaal;
- c). een kantoor;
- d). een fabriek;
- e). een werkplaats; en
- f). een mijn, een olie- of gasbron, een groeve of een andere plaats waar natuurlijke rijkdommen worden gewonnen.
De plaats van uitvoering van een bouwwerk of van constructie-, montage- of installatiewerkzaamheden of daarmee verband houdende werkzaamheden van toezichthoudende of raadgevende aard, vormt alleen een vaste inrichting indien de duur van dat bouwwerk of die werkzaamheden een periode van twaalf maanden overschrijdt.
Niettegenstaande de voorgaande bepalingen van dit artikel wordt een vaste inrichting niet aanwezig geacht, indien:
- a). gebruik wordt gemaakt van inrichtingen uitsluitend voor de opslag, uitstalling of aflevering van aan de onderneming toebehorende goederen of koopwaar;
- b). een voorraad van aan de onderneming toebehorende goederen of koopwaar wordt aangehouden uitsluitend voor opslag, uitstalling of aflevering;
- c). een voorraad van aan de onderneming toebehorende goederen of koopwaar wordt aangehouden uitsluitend voor de bewerking of verwerking door een andere onderneming;
- d). een vaste bedrijfsinrichting wordt aangehouden uitsluitend om voor de onderneming goederen of koopwaar aan te kopen of inlichtingen in te winnen;
- e). een vaste bedrijfsinrichting wordt aangehouden uitsluitend om voor de onderneming enige andere werkzaamheid uit te oefenen die van voorbereidende aard is of het karakter van hulpwerkzaamheid heeft;
- f). een vaste bedrijfsinrichting wordt aangehouden uitsluitend voor een combinatie van twee of meer van de in de letters a) tot en met e) genoemde werkzaamheden, mits het totaal van de werkzaamheden van de vaste bedrijfsinrichting dat uit deze combinatie voortvloeit van voorbereidende aard is of het karakter van hulpwerkzaamheid heeft.
Wanneer een persoon - niet zijnde een onafhankelijke vertegenwoordiger in de zin van het zesde lid - voor een onderneming werkzaam is en een machtiging bezit om namens de onderneming overeenkomsten te sluiten, en dit recht in een Verdragsluitende Staat gewoonlijk uitoefent, wordt die onderneming, niettegenstaande de bepalingen van het eerste en tweede lid, geacht in die Staat een vaste inrichting te hebben met betrekking tot de werkzaamheden die die persoon voor de onderneming verricht, tenzij de werkzaamheden van die persoon beperkt blijven tot die in het vierde lid genoemde werkzaamheden die, indien zij worden uitgeoefend door middel van een vaste bedrijfsinrichting, deze vaste bedrijfsinrichting op grond van de bepalingen van dat lid niet tot een vaste inrichting zouden maken.
Een onderneming wordt niet geacht een vaste inrichting in een Verdragsluitende Staat te bezitten op grond van de enkele omstandigheid dat zij in die Staat zaken doet door tussenkomst van een makelaar, commissionair of enige andere onafhankelijke vertegenwoordiger, mits deze personen in de normale uitoefening van hun bedrijf handelen.
Wanneer een onderneming van een Verdragsluitende Staat in de andere Verdragsluitende Staat werkzaamheden verricht in gecoördineerde zakelijke samenwerking met een onderneming die inwoner is van of een vaste inrichting heeft in die andere Staat, wordt de eerstbedoelde onderneming, onverminderd de bepalingen van het vierde lid, met betrekking tot die werkzaamheden geacht in die andere Staat een vaste inrichting te hebben.
De enkele omstandigheid dat een lichaam dat inwoner is van een Verdragsluitende Staat, een lichaam beheerst of wordt beheerst door een lichaam dat inwoner is van de andere Verdragsluitende Staat of dat in die andere Staat zaken doet (hetzij door middel van een vaste inrichting, hetzij op andere wijze), stempelt één van de beide lichamen niet tot een vaste inrichting van het andere.
HOOFDSTUK III. BELASTINGHEFFING NAAR HET INKOMEN
Artikel 6. Inkomsten uit onroerende goederen
Inkomsten verkregen door een inwoner van een Verdragsluitende Staat uit onroerende goederen (daaronder begrepen inkomsten uit land- of bosbouwbedrijven) die in de andere Verdragsluitende Staat zijn gelegen, mogen in die andere Staat worden belast.
De uitdrukking „onroerende goederen” heeft de betekenis die zij heeft volgens de wetgeving van de Verdragsluitende Staat waar de desbetreffende goederen zijn gelegen. De uitdrukking omvat in ieder geval de goederen die bij de onroerende goederen behoren, levende have en benodigdheden die worden gebruikt in land- en bosbouwbedrijven, rechten waarop de bepalingen van het privaatrecht betreffende de grondeigendom van toepassing zijn, vruchtgebruik van onroerende goederen en rechten op veranderlijke of vaste vergoedingen ter zake van de exploitatie of concessie tot exploitatie van minerale aardlagen, bronnen en andere natuurlijke rijkdommen; schepen en luchtvaartuigen worden niet als onroerende goederen beschouwd.
De bepalingen van het eerste lid zijn van toepassing op de inkomsten verkregen uit de rechtstreekse exploitatie, uit het verhuren of verpachten, of uit elke andere vorm van exploitatie van onroerende goederen.
De bepalingen van het eerste en derde lid zijn ook van toepassing op inkomsten uit onroerende goederen van een onderneming en op inkomsten uit onroerende goederen gebruikt voor het verrichten van zelfstandige arbeid.
Artikel 7. Winst uit onderneming
De voordelen van een onderneming van een Verdragsluitende Staat zijn slechts in die Staat belastbaar, tenzij de onderneming in de andere Verdragsluitende Staat haar bedrijf uitoefent door middel van een aldaar gevestigde vaste inrichting. Indien de onderneming aldus haar bedrijf uitoefent, mogen de voordelen van de onderneming in de andere Staat worden belast, maar slechts in zoverre als zij aan die vaste inrichting kunnen worden toegerekend.
Onder voorbehoud van de bepalingen van het derde lid worden, wanneer een onderneming van een Verdragsluitende Staat in de andere Verdragsluitende Staat haar bedrijf uitoefent door middel van een aldaar gevestigde vaste inrichting, in elk van de Verdragsluitende Staten aan die vaste inrichting de voordelen toegerekend die zij geacht zou kunnen worden te behalen indien zij een zelfstandige onderneming zou zijn die dezelfde of soortgelijke werkzaamheden zou uitoefenen onder dezelfde of soortgelijke omstandigheden en die geheel onafhankelijk transacties zou aangaan met de onderneming waarvan zij een vaste inrichting is.
Bij het bepalen van de voordelen van een vaste inrichting worden in aftrek toegelaten kosten - daaronder begrepen kosten van de leiding en algemene beheerskosten - die ten behoeve van de vaste inrichting worden gemaakt, hetzij in de Staat waar de vaste inrichting is gevestigd, hetzij elders.
Voor zover het in een Verdragsluitende Staat gebruikelijk is de aan een vaste inrichting toe te rekenen voordelen te bepalen op basis van een verdeling van de totale winst van de onderneming over haar verschillende delen, belet het tweede lid die Verdragsluitende Staat niet de te belasten voordelen te bepalen volgens de gebruikelijke verdeling; de gevolgde methode van verdeling moet echter zodanig zijn, dat het resultaat in overeenstemming is met de in dit artikel neergelegde beginselen.
Aan een vaste inrichting worden geen voordelen toegerekend enkel op grond van de aankoop door die vaste inrichting van goederen of koopwaar voor de onderneming.
Voor de toepassing van de voorgaande leden worden de aan de vaste inrichting toe te rekenen voordelen van jaar tot jaar volgens dezelfde methode bepaald, tenzij er een goede en genoegzame reden bestaat om daarvan af te wijken.
Wanneer in de voordelen bestanddelen zijn begrepen die afzonderlijk in andere artikelen van dit Verdrag worden behandeld, worden de bepalingen van die artikelen niet aangetast door de bepalingen van dit artikel.
Artikel 8. Scheepvaart, luchtvaart en laadkisten
Voordelen uit de exploitatie van schepen of luchtvaartuigen in internationaal verkeer zijn slechts belastbaar in de Verdragsluitende Staat waarin de plaats van werkelijke leiding van de onderneming is gelegen. Indien deze Staat geen belasting kan heffen over de totale winst van de onderneming, mogen die voordelen worden belast in de Staat waarvan de genieter inwoner is.
Indien de plaats van werkelijke leiding van een scheepvaartonderneming zich aan boord van een schip bevindt, wordt deze plaats geacht te zijn gelegen in de Verdragsluitende Staat waar de thuishaven van het schip is gelegen, of, indien het schip geen thuishaven heeft, in de Verdragsluitende Staat waarvan de exploitant van het schip inwoner is.
De bepalingen van het eerste lid zijn ook van toepassing op voordelen verkregen uit de deelneming in een „pool”, een gemeenschappelijke onderneming of een internationaal geëxploiteerd agentschap.
Niettegenstaande de bepalingen van artikel 7 van dit Verdrag zijn voordelen van een onderneming van een Verdragsluitende Staat, verkregen uit het gebruik, het onderhoud of de verhuur van laadkisten (met inbegrip van opleggers en de daarbij behorende uitrusting voor het vervoer van laadkisten) die worden gebruikt voor het vervoer van goederen of koopwaar, slechts belastbaar in de Verdragsluitende Staat waar de plaats van werkelijke leiding is gelegen, behalve voor zover die laadkisten of opleggers en de daarbij behorende uitrusting uitsluitend voor vervoer tussen plaatsen binnen de andere Verdragsluitende Staat worden gebruikt.
Wanneer schepen of luchtvaartuigen in het internationale verkeer worden geëxploiteerd door een vennootschap met één of meer vennoten die inwoner zijn van een Verdragsluitende Staat en één of meer vennoten die inwoner zijn van de andere Verdragsluitende Staat, en mits de werkelijke leiding van de onderneming niet uitsluitend in één van de Verdragsluitende Staten is gelegen, zijn de voordelen, niettegenstaande de voorgaande bepalingen van dit artikel, slechts belastbaar in de Staat waarvan ieder van deze vennoten inwoner is, evenredig aan het aandeel van de bedoelde vennoten.
De bepalingen van het eerste en derde lid zijn van toepassing op voordelen verkregen door het gezamenlijke Noorse, Deense en Zweedse consortium voor luchtvervoer Scandinavian Airlines System (SAS), maar alleen voor zover de voordelen verkregen door Det Norske Luftfartsselskap A/S (DNL), de Noorse vennoot van het Scandinavian Airlines System (SAS), evenredig zijn aan zijn aandeel in die organisatie.
Artikel 9. Gelieerde ondernemingen
Wanneer:
- a). een onderneming van een Verdragsluitende Staat direct of indirect deelneemt aan de leiding van, aan het toezicht op dan wel in het kapitaal van een onderneming van de andere Verdragsluitende Staat, of
- b). dezelfde personen direct of indirect deelnemen aan de leiding van, aan het toezicht op, dan wel in het kapitaal van een onderneming van een Verdragsluitende Staat en een onderneming van de andere Verdragsluitende Staat, en in het ene of in het andere geval tussen de beide ondernemingen in hun handelsbetrekkingen of financiële betrekkingen voorwaarden worden overeengekomen of opgelegd die afwijken van die welke zouden worden overeengekomen tussen onafhankelijke ondernemingen, mogen alle voordelen die één van de ondernemingen zonder deze voorwaarden zou hebben verkregen, maar ten gevolge van die voorwaarden niet heeft verkregen, worden begrepen in de voordelen van die onderneming en dienovereenkomstig worden belast.
Artikel 10. Dividenden
Dividenden betaald door een lichaam dat inwoner is van een Verdragsluitende Staat aan een inwoner van de andere Verdragsluitende Staat, mogen in die andere Staat worden belast.
Deze dividenden mogen echter ook in de Verdragsluitende Staat waarvan het lichaam dat de dividenden betaalt inwoner is, overeenkomstig de wetgeving van die Staat worden belast, maar indien de genieter de uiteindelijk gerechtigde tot de dividenden is, mag de aldus geheven belasting niet meer bedragen dan:
- a). 5 procent van het brutobedrag van de dividenden indien de uiteindelijk gerechtigde een lichaam is dat direct ten minste 25 procent bezit van het kapitaal van het lichaam dat de dividenden betaalt;
- b). 15 procent van het brutobedrag van de dividenden in alle andere gevallen. De bepalingen van dit lid laten de belastingheffing van het lichaam ter zake van de winst waaruit de dividenden worden betaald, onverlet.
Niettegenstaande de bepalingen van het tweede lid mogen dividenden verkregen door een inwoner van de Nederlandse Antillen van een lichaam dat inwoner van Noorwegen is in Noorwegen worden belast tegen een tarief van ten hoogste 15 procent, zolang dividenden betaald door Noorse lichamen worden toegelaten in aftrek van hun winst bij het berekenen van de door hen te betalen Noorse nationale belasting.
De uitdrukking „dividenden” zoals gebezigd in dit artikel betekent inkomsten uit aandelen, mijnaandelen, oprichtersaandelen of andere rechten - met uitzondering van schuldvorderingen - die aanspraak geven op een aandeel in de winst, alsmede inkomsten uit andere vennootschappelijke rechten die door de wetgeving van de Staat waarvan het lichaam dat de uitdeling doet, inwoner is, op dezelfde wijze aan de belastingheffing worden onderworpen als inkomsten uit aandelen.
De bepalingen van het eerste, tweede en derde lid zijn niet van toepassing indien de uiteindelijk gerechtigde tot de dividenden inwoner is van een Verdragsluitende Staat en het lichaam dat de dividenden betaalt inwoner is van de andere Verdragsluitende Staat, en de uiteindelijk gerechtigde in die andere Staat een bedrijf uitoefent door middel van een aldaar gevestige vaste inrichting, of in die andere Staat zelfstandige arbeid verricht vanuit een aldaar gevestigd vast middelpunt, en het aandelenbezit uit hoofde waarvan de dividenden worden betaald, tot het bedrijfsvermogen van die vaste inrichting of tot het beroepsvermogen van dat vaste middelpunt behoort. In dat geval zijn, naar gelang van het geval, de bepalingen van artikel 7 of artikel 14 van toepassing.
Wanneer een lichaam dat inwoner is van een Verdragsluitende Staat voordelen of inkomsten verkrijgt uit de andere Verdragsluitende Staat, mag die andere Staat geen belasting heffen op de dividenden die door het lichaam worden betaald, behalve voor zover deze dividenden worden betaald aan een inwoner van die andere Staat of voor zover het aandelenbezit uit hoofde waarvan de dividenden worden betaald, tot het bedrijfsvermogen van een in die andere Staat gevestigde vaste inrichting of tot het beroepsvermogen van een aldaar gevestigd vast middelpunt behoort, noch de niet-uitgedeelde winst van het lichaam onderwerpen aan een belasting op niet-uitgedeelde winst van het lichaam, zelfs indien de betaalde dividenden of de niet-uitgedeelde winst geheel of gedeeltelijk bestaan uit voordelen of inkomsten die uit die andere Staat afkomstig zijn.
Artikel 11. Interest
Interest afkomstig uit een Verdragsluitende Staat en betaald aan een inwoner van de andere Verdragsluitende Staat is slechts in die andere Staat belastbaar.
De uitdrukking „interest” zoals gebezigd in dit artikel betekent inkomsten uit schuldvorderingen van welke aard ook, al dan niet verzekerd door hypotheek, en in het bijzonder inkomsten uit overheidsleningen en inkomsten uit obligaties of schuldbewijzen, daaronder begrepen de aan zodanige leningen, obligaties of schuldbewijzen verbonden premies en prijzen. In rekening gebrachte boete voor te late betaling wordt voor de toepassing van dit artikel niet als interest aangemerkt.
De bepalingen van het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing indien de uiteindelijk gerechtigde tot de interest inwoner is van een Verdragsluitende Staat en de interest afkomstig is uit de andere Verdragsluitende Staat, en de uiteindelijk gerechtigde in die andere Staat een bedrijf uitoefent door middel van een aldaar gevestigde vaste inrichting, of in die andere Staat zelfstandige arbeid verricht vanuit een aldaar gevestigd vast middelpunt, en de vordering uit hoofde waarvan de interest wordt betaald tot het bedrijfsvermogen van die vaste inrichting of tot het beroepsvermogen van dat vaste middelpunt behoort. In dat geval zijn, naar gelang van het geval, de bepalingen van artikel 7 of artikel 14 van toepassing.
Interest wordt geacht uit een Verdragsluitende Staat afkomstig te zijn wanneer deze wordt betaald door die Staat zelf, door een staatkundig onderdeel, door een plaatselijk publiekrechtelijk lichaam of door een inwoner van die Staat. Wanneer evenwel de persoon die de interest betaalt, ongeacht of hij inwoner van een Verdragsluitende Staat is of niet, in een Verdragsluitende Staat een vaste inrichting of vast middelpunt heeft waarvoor de schuld ter zake waarvan de interest wordt betaald, was aangegaan, en deze interest ten laste komt van die vaste inrichting of dat vaste middelpunt, wordt deze interest geacht afkomstig te zijn uit de Staat waar de vaste inrichting of het vaste middelpunt is gevestigd.
Wanneer, ten gevolge van een bijzondere verhouding tussen de schuldenaar en de uiteindelijk gerechtigde of tussen hen beiden en een derde, het bedrag van de interest, gelet op de schuldvordering terzake waarvan deze wordt betaald, hoger is dan het bedrag dat zonder zulk een verhouding door de schuldenaar en de uiteindelijk gerechtigde zou zijn overeengekomen, vinden de bepalingen van dit artikel slechts op het laatstbedoelde bedrag toepassing. In dat geval blijft het daarboven uitgaande deel van het betaalde bedrag belastbaar volgens de wetgeving van elk van de Verdragsluitende Staten, zulks met inachtneming van de overige bepalingen van dit Verdrag.
Artikel 12. Royalty's
Royalty's afkomstig uit een Verdragsluitende Staat en betaald aan een inwoner van de andere Verdragsluitende Staat zijn slechts in die andere Staat belastbaar.
De uitdrukking „royalty's” zoals gebezigd in dit Verdrag betekent vergoedingen van welke aard ook voor het gebruik van, of voor het recht tot gebruik van, een auteursrecht op een werk op het gebied van letterkunde, kunst of wetenschap - daaronder begrepen bioscoopfilms en beeld- of geluidsbanden voor radio- en televisieuitzendingen - van een octrooi, een fabrieks-, of handelsmerk, een tekening of model, een plan, een geheim recept of een geheime werkwijze, of voor inlichtingen omtrent ervaringen op het gebied van nijverheid, handel of wetenschap.
De bepalingen van het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing indien de uiteindelijk gerechtigde tot de royalty's inwoner is van een Verdragsluitende Staat en de royalty's afkomstig zijn uit de andere Verdragsluitende Staat, en de uiteindelijk gerechtigde in die andere Staat een bedrijf uitoefent door middel van een aldaar gevestigde vaste inrichting, of in die andere Staat zelfstandige arbeid verricht vanuit aan aldaar gevestigd vast middelpunt, en het recht of de zaak uit hoofde waarvan de royalty's worden betaald, tot het bedrijfsvermogen van die vaste inrichting of tot het beroepsvermogen van dat vaste middelpunt behoort. In dat geval zijn, naar gelang van het geval, de bepalingen van artikel 7 of artikel 14 van toepassing.
Royalty's worden geacht uit een Verdragsluitende Staat afkomstig te zijn indien zij worden betaald door die Staat zelf, door een staatkundig onderdeel, door een plaatselijk publiekrechtelijk lichaam of door een inwoner van die Staat. Wanneer evenwel de persoon die de royalty's betaalt, ongeacht of hij inwoner is van een Verdragsluitende Staat is of niet, in een Verdragsluitende Staat een vaste inrichting of een vast middelpunt heeft waarvoor de verplichting tot het betalen van de royalty's was aangegaan, en deze royalty's ten laste komen van die vaste inrichting of van dat vaste middelpunt, worden de royalty's geacht afkomstig te zijn uit de Staat waar de vaste inrichting of het vaste middelpunt is gevestigd.
Wanneer ten gevolge van een bijzondere verhouding tussen de schuldenaar en de uiteindelijk gerechtigde of tussen hen beiden en een derde, het bedrag van de betaalde royalty's, gelet op het gebruik, het recht of de inlichtingen waarvoor zij worden betaald, hoger is dan het bedrag dat zonder zulk een verhouding door de schuldenaar en de uiteindelijk gerechtigde zou zijn overeengekomen, vinden de bepalingen van dit artikel slechts op het laatstbedoelde bedrag toepassing. In dat geval blijft het daarboven uitgaande deel van het betaalde bedrag belastbaar volgens de wetgeving van elk der Verdragsluitende Staten, zulks met inachtneming van de overige bepalingen van het Verdrag.
Artikel 13. Vermogenswinsten
Voordelen verkregen door een inwoner van een Verdragsluitende Staat uit de vervreemding van onroerende goederen zoals bedoeld in artikel 6 die zijn gelegen in de andere Verdragsluitende Staat, mogen in die andere Staat worden belast.
Voordelen verkregen uit de vervreemding van roerende goederen die deel uitmaken van het bedrijfsvermogen van een vaste inrichting die een onderneming van een Verdragsluitende Staat in de andere Verdragsluitende Staat heeft, of van onroerende goederen die behoren tot een vast middelpunt dat een inwoner van een Verdragsluitende Staat in de andere Verdragsluitende Staat tot zijn beschikking heeft voor het verrichten van zelfstandige arbeid, daaronder begrepen dergelijke voordelen verkregen uit de vervreemding van die vaste inrichting (alleen of met de gehele onderneming) of van dat vaste middelpunt, mogen in die andere Staat worden belast.
Voordelen verkregen uit de vervreemding van schepen of luchtvaartuigen die in het internationale verkeer worden geëxploiteerd, of van roerende goederen die worden gebruikt bij de exploitatie van deze schepen of luchtvaartuigen, zijn slechts belastbaar in de Verdragsluitende Staat waar de winst van de onderneming overeenkomstig artikel 8 van dit Verdrag belastbaar is.
Voordelen verkregen door een onderneming van een Verdragsluitende Staat uit de vervreemding van laadkisten (daaronder begrepen opleggers en de daarbij behorende uitrusting voor het vervoer van laadkisten) die worden gebruikt voor het vervoer van goederen of koopwaar, zijn slechts belastbaar in de Verdragsluitende Staat waar de plaats van werkelijke leiding van de onderneming is gelegen, behalve voor zover die laadkisten of opleggers en daarbij behorende uitrusting uitsluitend voor het vervoer tussen plaatsen binnen de andere Verdragsluitende Staat worden gebruikt.
Voordelen verkregen uit de vervreemding van aandelen in een lichaam dat inwoner is van een Verdragsluitende Staat mogen in die Staat worden belast, maar alleen indien de vervreemde aandelen deel uitmaken van een belang van ten minste 30 procent van de aandelen in het lichaam.
Voordelen verkregen uit de vervreemding van alle andere zaken dan bedoeld in de voorgaande leden zijn slechts belastbaar in de Verdragsluitende Staat waarvan de vervreemder inwoner is.
Artikel 14. Zelfstandige arbeid
Voordelen verkregen door een natuurlijke persoon die inwoner is van een Verdragsluitende Staat in de uitoefening van een vrij beroep of ter zake van andere werkzaamheden van zelfstandige aard zijn slechts in die Staat belastbaar, behalve in de volgende omstandigheden, in welke deze voordelen in de andere Verdragsluitende Staat mogen worden belast:
- a). indien de bedoelde persoon in de andere Staat verblijft gedurende een tijdvak of tijdvakken die in een tijdvak van twaalf maanden een totaal van 183 dagen te boven gaan; of
- b). indien deze persoon in die andere Staat voor het verrichten van zijn werkzaamheden geregeld over een vast middelpunt beschikt;
maar enkel voor zover deze voordelen kunnen worden toegerekend aan in die andere Staat verrichte werkzaamheden.
De uitdrukking „vrij beroep”omvat in het bijzonder zelfstandige werkzaamheden op het gebied van wetenschap, letterkunde, kunst, opvoeding of onderwijs, alsmede de zelfstandige werkzaamheden van artsen, advocaten, technici, architecten, tandartsen en accountants.
Artikel 15. Niet-zelfstandige arbeid
Onder voorbehoud van de bepalingen van de artikelen 16, 17, 18 en 19 zijn salarissen, lonen en andere soortgelijke beloningen, verkregen door een inwoner van een Verdragsluitende Staat ter zake van een dienstbetrekking, slechts in die Staat belastbaar, tenzij de dienstbetrekking in de andere Verdragsluitende Staat wordt uitgeoefend. Indien de dienstbetrekking aldaar wordt uitgeoefend, mag de ter zake daarvan verkregen beloning in die andere Staat worden belast.
Niettegenstaande de bepalingen van het eerste lid is de beloning verkregen door een inwoner van een Verdragsluitende Staat ter zake van een in de andere Verdragsluitende Staat uitgeoefende dienstbetrekking slechts in de eerstbedoelde Staat belastbaar, indien:
- a). de genieter in de andere Staat verblijft gedurende een tijdvak of tijdvakken die in een tijdvak van twaalf maanden een totaal van 183 dagen niet te boven gaan; en
- b). indien de beloning wordt betaald door of namens een werkgever die inwoner is van de Staat waarvan de genieter inwoner is, en wiens werkzaamheden niet bestaan in het verhuren van arbeidskracht; en
- c). indien de beloning niet ten laste komt van een vaste inrichting of een vast middelpunt dat de werkgever in die andere Staat heeft.
Niettegenstaande de voorgaande bepalingen van dit artikel mag de beloning verkregen ter zake van een dienstbetrekking uitgeoefend aan boord van een in het internationale verkeer geëxploiteerd schip of luchtvaartuig, worden belast in de Verdragsluitende Staat waar de winst van de onderneming volgens artikel 8 van dit Verdrag belastbaar is. Indien de bepalingen van het vijfde lid van artikel 8 echter van toepassing zijn, is deze beloning alleen belastbaar in de Verdragsluitende Staat van welke de genieter inwoner is.
Wanneer een inwoner van Noorwegen een beloning verkrijgt ter zake van een dienstbetrekking uitgeoefend aan boord van een luchtvaartuig dat in het internationale verkeer wordt geëxploiteerd door het consortium Scandinavian Airlines System (SAS), is deze beloning slechts in Noorwegen belastbaar.
Artikel 16. Beloningen ter zake van bestuurlijke werkzaamheden
Beloningen ter zake van bestuurlijke werkzaamheden en soortgelijke betalingen verkregen door een inwoner van de Nederlandse Antillen in zijn hoedanigheid van lid van de raad van beheer of van een soortgelijk orgaan van een lichaam dat inwoner van Noorwegen is, mogen in Noorwegen worden belast.
Beloningen ter zake van bestuurlijke werkzaamheden en soortgelijke betalingen verkregen door een inwoner van Noorwegen in zijn hoedanigheid van bestuurder of commissaris van een lichaam dat inwoner van de Nederlandse Antillen is, mogen op de Nederlandse Antillen worden belast.
Artikel 17. Artiesten en sportbeoefenaars
Niettegenstaande de bepalingen van de artikelen 14 en 15 mogen voordelen of inkomsten verkregen door een inwoner van een Verdragsluitende Staat als artiest, zoals een toneelspeler, een film-, radio- of televisieartiest of een musicus, dan wel als sportbeoefenaar, uit zijn persoonlijke werkzaamheden die hij in die hoedanigheid in de andere Verdragsluitende Staat heeft verricht, in die andere Staat worden belast.
Wanneer voordelen of inkomsten ter zake van persoonlijke werkzaamheden die door een artiest of een sportbeoefenaar in die hoedanigheid worden verricht, niet aan de artiest of de sportbeoefenaar zelf toekomen, maar aan een andere persoon, mogen die voordelen of inkomsten, niettegenstaande de bepalingen van de artikelen 7, 14 en 15, worden belast in de Verdragsluitende Staat waar de werkzaamheden van de artiest of sportbeoefenaar worden verricht.
De bepalingen van het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op voordelen of inkomsten verkregen uit werkzaamheden die door artiesten of sportbeoefenaars in een Verdragsluitende Staat worden verricht indien het bezoek aan die Staat in hoofdzaak wordt bekostigd uit openbare middelen van de andere Verdragsluitende Staat of van een staatkundig onderdeel of een plaatselijk publiekrechtelijk lichaam daarvan. In dat geval zijn de voordelen of inkomsten slechts belastbaar in de Staat waarvan de artiest of sportbeoefenaar inwoner is.
Artikel 18. Pensioenen, lijfrenten, betalingen uit hoofde van een stelsel van sociale zekerheid, en alimentatie
Pensioenen (daaronder begrepen overheidspensioenen en betalingen uit hoofde van een stelsel van sociale zekerheid) en lijfrenten afkomstig van een Verdragsluitende Staat, mogen in die Staat worden belast.
Alimentatie en andere betalingen voor het onderhoud, gedaan aan een inwoner van een Verdragsluitende Staat, zijn slechts in die Staat belastbaar. Echter, iedere betaling van alimentatie of andere betalingen voor het onderhoud, gedaan door een inwoner van een Verdragsluitende Staat aan een inwoner van de andere Verdragsluitende Staat, is, voor zover deze niet kan gelden als aftrekpost voor de betaler, slechts in de eerstbedoelde Staat belastbaar.
Artikel 19. Overheidsfuncties
- a). Beloningen, niet zijnde pensioenen, betaald door een Verdragsluitende Staat of een staatkundig onderdeel of een plaatselijk publiekrechtelijk lichaam daarvan aan een natuurlijke persoon ter zake van diensten bewezen aan die Staat of dat onderdeel of dat publiekrechtelijke lichaam, zijn slechts in die Staat belastbaar.
- b). Deze beloningen zijn echter slechts in de andere Verdragsluitende Staat belastbaar indien de diensten in die Staat worden bewezen en de natuurlijke persoon een inwoner is van die Staat, die:
- (i). onderdaan is van die Staat; of
- (ii). niet uitsluitend voor het verrichten van de diensten inwoner van die Staat werd.
De bepalingen van de artikelen 15 en 16 zijn van toepassing op beloningen, niet zijnde pensioenen, ter zake van diensten bewezen in het kader van een op winst gericht bedrijf uitgeoefend door een Verdragsluitende Staat of een staatkundig onderdeel of een plaatselijk publiekrechtelijk lichaam daarvan, anders dan die bedrijven die in het derde lid van dit artikel worden bedoeld.
Voor de toepassing van dit artikel omvatten diensten bewezen aan een Verdragsluitende Staat of een staatkundig onderdeel of een plaatselijk publiekrechtelijk lichaam daarvan openbare postale werkzaamheden, telecommunicatiewerkzaamheden en electriciteits- en watervoorziening, daaronder begrepen deze diensten bewezen aan een lichaam dat geheel of nagenoeg geheel het eigendom is van die Verdragsluitende Staat.
Artikel 20. Studenten
Betalingen die een student of een voor een beroep of bedrijf in opleiding zijnde persoon, die inwoner is of onmiddellijk vóór zijn bezoek aan een Verdragsluitende Staat inwoner was van de andere Verdragsluitende Staat, en die uitsluitend voor zijn studie of opleiding in de eerstbedoelde Staat verblijft, ontvangt ten behoeve van zijn onderhoud, studie of opleiding, worden in die Staat niet belast, mits deze betalingen aan hem worden gedaan uit bronnen buiten die Staat.
Artikel 21. Werkzaamheden buitengaats
De bepalingen van dit artikel zijn van toepassing niettegenstaande enige andere bepaling van dit Verdrag.
Een persoon die inwoner is van een Verdragsluitende Staat en in de andere Verdragsluitende Staat buitengaats werkzaamheden verricht in verband met de exploratie of exploitatie van de in die andere Staat gelegen zeebodem en de ondergrond daarvan en hun natuurlijke rijkdommen, wordt, onder voorbehoud van het derde en vierde lid van dit artikel, geacht ter zake van die werkzaamheden in die andere Staat een bedrijf uit te oefenen door middel van een aldaar gevestigde vaste inrichting of een aldaar gevestigd vast middelpunt.
De bepalingen van het tweede lid zijn niet van toepassing wanneer de werkzaamheden worden verricht gedurende een tijdvak dat in een tijdvak van twaalf maanden een totaal van 30 dagen niet te boven gaat. Voor de toepassing van dit lid geldt echter dat:
- a). werkzaamheden verricht door een onderneming die gelieerd is met een andere onderneming worden beschouwd als verricht door de onderneming waarmee zij gelieerd is, indien de desbetreffende werkzaamheden in wezen gelijk zijn aan de werkzaamheden die door laatstbedoelde onderneming worden verricht;
- b). twee ondernemingen worden geacht met elkaar gelieerd te zijn indien de één direct of indirect door de ander wordt beheerst, of beiden direct of indirect worden beheerst door een derde persoon of personen.
Voordelen verkregen door een inwoner van een Verdragsluitende Staat uit het vervoer van voorraden of personeel naar een plaats of tussen plaatsen in een Verdragsluitende Staat waar werkzaamheden worden verricht in verband met de exploratie of exploitatie van de zeebodem en de ondergrond daarvan en hun natuurlijke rijkdommen, of uit de exploitatie van sleepboten en andere vaartuigen in verband met deze werkzaamheden, zijn slechts belastbaar in de Verdragsluitende Staat waar de plaats van werkelijke leiding van de onderneming is gelegen.
- a). Onder voorbehoud van de bepalingen van letter b) van dit lid mogen salarissen, lonen en soortgelijke beloningen, verkregen door een inwoner van een Verdragsluitende Staat ter zake van een dienstbetrekking in verband met de exploratie of exploitatie van de in de andere Verdragsluitende Staat gelegen zeebodem en de ondergrond daarvan en hun natuurlijke rijkdommen, voor zover de taken in die andere Staat buitengaats worden verricht, in die andere Staat worden belast, mits de dienstbetrekking buitengaats wordt uitgeoefend gedurende een tijdvak dat in een tijdvak van twaalf maanden een totaal van 30 dagen te boven gaat.
- b). Salarissen, lonen en soortgelijke beloningen, verkregen door een inwoner van een Verdragsluitende Staat ter zake van een dienstbetrekking uitgeoefend aan boord van een schip of luchtvaartuig dat etrokken is bij het vervoer van voorraden of personeel naar een plaats of tussen plaatsen in een Verdragsluitende Staat waar werkzaamheden worden verricht in verband met de exploratie of exploitatie van de zeebodem en de ondergrond daarvan en hun natuurlijke rijkdommen, of ter zake van een dienstbetrekking uitgeoefend aan oord van sleepboten of andere vaartuigen geëxploiteerd in verband met deze werkzaamheden, zijn slechts belastbaar in de Verdragsluitende Staat waar de plaats van werkelijke leiding van de onderneming is gelegen.
Voordelen verkregen door een inwoner van een Verdragsluitende Staat uit de vervreemding van:
- a). exploratie- of exploitatierechten; of
- b). eigendommen die zijn gelegen in de andere Verdragsluitende Staat en worden gebruikt in verband met de exploratie of exploitatie van de zeebodem en de ondergrond daarvan en hun natuurlijke rijkdommen, gelegen in die andere Staat; of
- c). aandelen die hun waarde geheel of grotendeels direct of indirect ontlenen aan dergelijke rechten of eigendommen of aan dergelijke rechten en eigendommen te zamen mogen in die andere Staat worden belast.
In dit lid wordt met „exploratie- of exploitatierechten” bedoeld rechten op goederen die worden voortgebracht met de exploratie of exploitatie van de in de andere Verdragsluitende Staat gelegen zeebodem en de ondergrond daarvan en hun natuurlijke rijkdommen, daaronder begrepen rechten ter zake van belangen bij die goederen of voordelen daaruit.
Artikel 22. Overige inkomsten
Bestanddelen van het inkomen van een inwoner van een Verdragsluitende Staat, ongeacht uit welke bron, die niet in de voorgaande artikelen van dit Verdrag zijn behandeld, zijn slechts in die Staat belastbaar.
De bepalingen van het eerste lid zijn niet van toepassing op andere inkomsten dan inkomsten uit onroerende goederen zoals omschreven in het tweede lid van artikel 6, indien de genieter van die inkomsten inwoner is van een Verdragsluitende Staat en in de andere Verdragsluitende Staat een bedrijf uitoefent door middel van een aldaar gevestigde vaste inrichting, of in die andere Staat zelfstandige arbeid verricht vanuit een aldaar gevestigd vast middelpunt, en het recht of de zaak ter zake waarvan de inkomsten worden betaald, tot het bedrijfsvermogen van die vaste inrichting of tot het beroepsvermogen van dat vaste middelpunt behoort. In dat geval zijn, naar gelang van het geval, de bepalingen van artikel 7 of artikel 14 van toepassing.
HOOFDSTUK IV. BELASTINGHEFFING NAAR HET VERMOGEN
Artikel 23
Vermogen bestaande uit onroerende goederen zoals bedoeld in artikel 6 die een inwoner van een Verdragsluitende Staat bezit en die zijn gelegen in de andere Verdragsluitende Staat, mag in die andere Staat worden belast.
Vermogen bestaande uit roerende goederen die deel uitmaken van het bedrijfsvermogen van een vaste inrichting die een onderneming van een Verdragsluitende Staat in de andere Verdragsluitende Staat heeft, of uit roerende goederen die behoren tot een vast middelpunt dat een inwoner van een Verdragsluitende Staat in de andere Verdragsluitende Staat tot zijn beschikking heeft voor het verrichten van zelfstandige arbeid, mag in die andere Staat worden belast.
Vermogen bestaande uit schepen of luchtvaartuigen die in het internationale verkeer worden geëxploiteerd en uit roerende goederen die worden gebruikt bij de exploitatie van deze schepen of luchtvaartuigen, zijn slechts belastbaar in de Verdragsluitende Staat waar de winst van de onderneming volgens artikel 8 van dit Verdrag belastbaar is.
Vermogen van een onderneming van een Verdragsluitende Staat bestaande uit laadkisten (daaronder begrepen opleggers en de daarbij behorende uitrusting voor het vervoer van laadkisten) die worden gebruikt voor het vervoer van goederen of koopwaar, is slechts belastbaar in de Verdragsluitende Staat waar de plaats van werkelijke leiding van die onderneming is gelegen, behalve voor zover die laadkisten of opleggers en de daarbij behorende uitrusting uitsluitend voor vervoer tussen plaatsen binnen de andere Verdragsluitende Staat worden gebruikt.
Alle andere bestanddelen van het vermogen van een inwoner van een Verdragsluitende Staat zijn slechts in die Staat belastbaar.
HOOFDSTUK V. WIJZE VAN VERMIJDING VAN DUBBELE BELASTING
Artikel 24. Vermijding van dubbele belasting
In Noorwegen wordt dubbele belasting als volgt vermeden:
- a). Wanneer een inwoner van Noorwegen inkomensbestanddelen verkrijgt of vermogensbestanddelen bezit die, overeenkomstig de bepalingen van dit Verdrag, in de Nederlandse Antillen mogen worden belast, stelt Noorwegen, behoudens de bepalingen van letter b) van dit lid, die inkomens- of vermogensbestanddelen vrij van belasting; Noorwegen mag evenwel bij de berekening van de belasting over de overige inkomensbestanddelen of vermogensbestanddelen van die persoon het belastingtarief toepassen dat van toepassing zou zijn geweest indien de vrijgestelde inkomens- of vermogensbestanddelen niet aldus waren vrijgesteld.
- b). Wanneer een inwoner van Noorwegen inkomensbestanddelen verkrijgt die, overeenkomstig de bepalingen van artikel 10, artikel 13, vijfde lid, en de artikelen 16, 18 en 21, in de Nederlandse Antillen mogen worden belast, verleent Noorwegen een vermindering op de belasting naar het inkomen van die persoon tot een bedrag dat gelijk is aan de in de Nederlandse Antillen betaalde belasting. Deze vermindering overschrijdt evenwel niet dat deel van de belasting zoals deze is berekend vóór het verlenen van de vermindering, dat kan worden toegerekend aan de inkomensbestanddelen die van de Nederlandse Antillen afkomstig zijn.
Op de Nederlandse Antillen wordt dubbele belasting als volgt vermeden:
De Nederlandse Antillen zijn bevoegd bij het heffen van belasting van hun inwoners in de grondslag waarnaar belasting wordt geheven de bestanddelen van het inkomen te begrijpen die, volgens de bepalingen van dit Verdrag, in Noorwegen mogen worden belast, met dien verstande dat de Nederlandse Antillen toestaan dat het belastingbedrag dat ingevolge de wetten van Noorwegen en overeenkomstig dit Verdrag moet worden betaald, met de aldus berekende belasting wordt verrekend.
Het bedrag van verrekening dient gelijk te zijn aan een zodanig gedeelte van die belasting dat dezelfde verhouding tot de totale belasting heeft als het gedeelte van de inkomsten dat is begrepen in de bovengenoemde grondslag heeft tot de totale inkomsten waaruit die grondslag bestaat. De bevoegde autoriteit van de Nederlandse Antillen kan echter bepalen dat, hetzij in het algemeen, hetzij in een bepaald geval, minder dan de volledige verrekening wordt toegestaan.
HOOFDSTUK VI. BIJZONDERE BEPALINGEN
Artikel 25. Non-discriminatie
Onderdanen van. een Verdragsluitende Staat worden in de andere Verdragsluitende Staat niet onderworpen aan enige belastingheffing of daarmee verband houdende verplichting die anders of zwaarder is dan de belastingheffing en daarmee verband houdende verplichtingen waaraan onderdanen van die Staat onder dezelfde omstandigheden zijn of kunnen worden onderworpen. Deze bepaling is, niettegenstaande de bepalingen van artikel 1, ook van toepassing op personen die geen inwoner zijn van een Verdragsluitende Staat of van beide Verdragsluitende Staten.
Staatloze personen die inwoner van een Verdragsluitende Staat zijn, worden in de andere Verdragsluitende Staat niet onderworpen aan enige belastingheffing of daarmee verband houdende verplichting die anders of zwaarder is dan de belastingheffing en daarmee verband houdende verplichtingen waaraan onderdanen van die andere Staat onder dezelfde omstandigheden zijn of kunnen worden onderworpen.
De belastingheffing van een vaste inrichting die een onderneming van een Verdragsluitende Staat in de andere Verdragsluitende Staat heeft, is in die andere Staat niet ongunstiger dan de belastingheffing van ondernemingen van die andere Staat die dezelfde werkzaamheden uitoefenen. Deze bepaling mag niet aldus worden uitgelegd dat zij een Verdragsluitende Staat verplicht aan inwoners van de andere Verdragsluitende Staat bij de belastingheffing de persoonlijke aftrekken, tegemoetkomingen en verminderingen uit hoofde van de gezinssamenstelling of gezinslasten te verlenen, die eerstbedoelde Staat aan zijn eigen inwoners verleent.
Indien een lichaam van een Verdragsluitende Staat in de andere Verdragsluitende Staat een vaste inrichting heeft, mag die andere Staat de vaste inrichting belasten tegen het tarief dat geldt voor de niet-uitgedeelde winst van een lichaam dat inwoner van die andere Staat is.
Behalve wanneer de bepalingen van artikel 9, artikel 11, vijfde lid, of artikel 12, vijfde lid, van toepassing zijn, zijn interest, royalty's en andere uitgaven, betaald door een onderneming van een Verdragsluitende Staat aan een inwoner van de andere Verdragsluitende Staat, bij de vaststelling van de belastbare winst van die onderneming onder dezelfde voorwaarden aftrekbaar als wanneer zij waren betaald aan een inwoner van de eerstbedoelde Staat. Evenzo zijn alle schulden van een onderneming van een Verdragsluitende Staat aan een inwoner van de andere Verdragsluitende Staat bij de vaststelling van het belastbare vermogen van die onderneming onder dezelfde voorwaarden aftrekbaar als wanneer zij waren aangegaan met een inwoner van de eerstbedoelde Staat.
Ondernemingen van een Verdragsluitende Staat waarvan het kapitaal geheel of gedeeltelijk, direct of indirect, in het bezit is van of wordt beheerst door één of meer inwoners van de andere Verdragsluitende Staat, worden in de eerstbedoelde Staat niet onderworpen aan enige belastingheffing of daarmee verband houdende verplichting die anders of zwaarder is dan de belastingheffing en daarmee verband houdende verplichtingen waaraan andere, soortgelijke ondernemingen van de eerstbedoelde Staat zijn of kunnen worden onderworpen.
De bepalingen van dit artikel zijn van toepassing op belastingen van elke soort en benaming.
Artikel 26. Regeling voor onderling overleg
Wanneer een persoon van oordeel is dat de maatregelen van één van de Verdragsluitende Staten of van beide Verdragsluitende Staten voor hem leiden of zullen leiden tot een belastingheffing die niet in overeenstemming is met de bepalingen van dit Verdrag, kan hij, ongeacht de rechtsmiddelen waarin de nationale wetgeving van die Staten voorziet, zijn geval voorleggen aan de bevoegde autoriteit van de Verdragsluitende Staat waarvan hij inwoner is of, indien zijn geval onder het eerste lid van artikel 25 valt, aan de bevoegde autoriteiten van de Verdragsluitende Staat waarvan hij onderdaan is. Het geval moet worden voorgelegd binnen drie jaar nadat hij voor het eerst kennisgeving heeft ontvangen van de maatregel die leidt tot een belastingheffing die niet in overeenstemming is met de bepalingen van het Verdrag.
De bevoegde autoriteit tracht, indien het bezwaar haar gegrond voorkomt en indien zij zelf niet in staat is tot een bevredigende oplossing te komen, de aangelegenheid in onderlinge overeenstemming met de bevoegde autoriteit van de andere Verdragsluitende Staat te regelen, ten einde een belastingheffing die niet in overeenstemming is met het Verdrag, te vermijden. De overeengekomen regeling wordt uitgevoerd niettegenstaande de verjaringstermijnen in de nationale wetgeving van de Verdragsluitende Staat.
De bevoegde autoriteiten van de Verdragsluitende Staten trachten moeilijkheden of twijfelpunten die mochten rijzen met betrekking tot de uitlegging of de toepassing van het Verdrag in onderlinge overeenstemming op te lossen. Zij kunnen ook met elkaar overleg plegen ten einde dubbele belasting ongedaan te maken in gevallen waarvoor in het Verdrag geen voorziening is getroffen.
De bevoegde autoriteiten van de Verdragsluitende Staten kunnen zich rechtstreeks met elkaar in verbinding stellen ten einde een overeenstemming als bedoeld in de voorgaande leden te bereiken. Indien voor het bereiken van overeenstemming een mondelinge gedachtenwisseling raadzaam lijkt, kan deze gedachtenwisseling plaatsvinden in een commissie die bestaat uit vertegenwoordigers van de bevoegde autoriteiten van de Verdragsluitende Staten.
Artikel 27. Uitwisseling van inlichtingen
De bevoegde autoriteiten van de Verdragsluitende Staten wisselen de inlichtingen uit die naar verwachting van belang zullen zijn voor het uitvoeren van de bepalingen van dit Verdrag of voor de toepassing of handhaving van de nationale wetgeving met betrekking tot belastingen van elke soort en benaming die worden geheven ten behoeve van de Verdragsluitende Staten, of van de staatkundige onderdelen of plaatselijke publiekrechtelijke lichamen daarvan, voor zover de heffing ingevolge die wetgeving niet in strijd is met het Verdrag. De uitwisseling van inlichtingen wordt niet beperkt door de artikelen 1 en 2.
Alle uit hoofde van het eerste lid door een Verdragsluitende Staat ontvangen inlichtingen worden op dezelfde wijze vertrouwelijk behandeld als inlichtingen die volgens de nationale wetgeving van die Verdragsluitende Staat zijn verkregen en worden uitsluitend ter kennis gebracht van personen of autoriteiten (met inbegrip van rechterlijke en bestuursrechtelijke instanties) die betrokken zijn bij de vaststelling of inning van, de tenuitvoerlegging of vervolging ter zake van, de beslissing in beroepszaken betrekking hebbende op de in het eerste lid bedoelde belastingen, of het toezicht daarop. Deze personen of autoriteiten mogen uitsluitend voor deze doeleinden van de inlichtingen gebruikmaken. Zij mogen de inlichtingen bekendmaken in openbare rechtszittingen of in gerechtelijke beslissingen. Niettegenstaande het voorgaande, mogen inlichtingen ontvangen door een Verdragsluitende Staat voor andere doeleinden worden gebruikt, indien dat krachtens de wetgeving van beide Verdragsluitende Staten is toegestaan en de bevoegde autoriteit van de aangezochte Verdragsluitende Staat een dergelijk gebruik toestaat.
In geen geval worden de bepalingen van het eerste en tweede lid zo uitgelegd dat zij een Verdragsluitende Staat de verplichting opleggen:
- a. bestuursrechtelijke maatregelen te nemen die in strijd zijn met de wetgeving en bestuursrechtelijke praktijk van die of van de andere Verdragsluitende Staat;
- b. inlichtingen te verstrekken die niet verkrijgbaar zijn volgens de wetgeving of in de normale gang van zaken in de administratie van die of van de andere Verdragsluitende Staat;
- c. inlichtingen te verstrekken waardoor een handelsgeheim, zakelijk geheim, industrieel, commercieel of beroepsgeheim of handelsproces zou worden onthuld, dan wel inlichtingen waarvan het verstrekken in strijd zou zijn met de openbare orde (ordre public).
Indien inlichtingen worden verzocht door een Verdragsluitende Staat in overeenstemming met dit artikel, wendt de andere Verdragsluitende Staat zijn maatregelen ten behoeve van het verzamelen van inlichtingen aan om de verzochte inlichtingen te verkrijgen, ongeacht het feit dat de andere Verdragsluitende Staat ten behoeve van zijn eigen belastingheffing niet over dergelijke inlichtingen hoeft te beschikken. Op de in de vorige zin vervatte verplichting zijn de beperkingen van het derde lid van toepassing, maar deze beperkingen mogen in geen geval zodanig worden uitgelegd dat het een Verdragsluitende Staat toegestaan is het verstrekken van inlichtingen te weigeren uitsluitend op grond van het feit dat hij geen nationaal belang heeft bij dergelijke inlichtingen.
De bepalingen van het derde lid mogen in geen geval zodanig worden uitgelegd dat het een Verdragsluitende Staat toegestaan is het verstrekken van inlichtingen te weigeren uitsluitend op grond van het feit dat de betreffende gegevens berusten bij een bank, een andere financiële instelling, gevolmachtigde of persoon die bij wijze van vertegenwoordiging of als vertrouwenspersoon optreedt, dan wel omdat deze betrekking hebben op eigendomsbelangen in een persoon.
Artikel 28. Beperkingen van voordelen
Een persoon die inwoner is van een Verdragsluitende Staat en die inkomsten verkrijgt uit bronnen binnen de andere Verdragsluitende Staat heeft in die andere Staat geen aanspraak op de voordelen van artikel 6 tot en met artikel 24 van dit Verdrag, indien:
- a). de persoon een lichaam is dat aanspraak heeft op enigerleid bijzonder Nederlands-Antilliaans belastingvoordeel (thans artikel 15 of artikel 14A van de Nederlands-Antilliaanse Nationale Landsverordening op de winsbelasting van 1940) dat van kracht is op de datum van ondertekening van dit Verdrag of in wezen gelijksoortige belastingvoordelen toegekend krachtens wetten van de Nederlandse Antillen die na die datum worden uitgevaardigd ter aanvulling op of in plaats van de bovengenoemde artikelen 14 of 14A; of
- b). de persoon die de inkomsten verkrijgt een Nederlands-Antilliaans lichaam is dat op de Nederlandse Antillen geen werkelijk zakelijk doel heeft; of
- c). minder dan 50% van het verkregen belang in deze persoon (of, in het geval van een lichaam, iedere categorie van aandelen met stemrecht van dat lichaam), direct of indirect het bezit is van een combinatie van één of meer natuurlijke personen die inwoner zijn van een Verdragsluitende Staat. Deze alinea is niet van toepassing indien de inkomsten verkregen uit de andere Verdragsluitende Staat worden verkregen in verband met een werkelijk zakelijk doel in de eerstbedoelde Verdragsluitende Staat, of indien de persoon die de inkomsten verkrijgt een lichaam is dat inwoner is van een Verdragsluitende Staat en in wiens belangrijkste fondsen een aanzienlijke en geregelde handel plaatsvindt op een erkende effectenbeurs, of dat direct of indirect geheel het bezit is van een lichaam in wiens belangrijkste fondsen een aanzienlijke en geregelde handel plaatsvindt op een erkende effectenbeurs. Voor de toepassing van deze bepaling wordt er bij de hantering van het vereiste „aanzienlijke en geregelde handel” van uitgegaan dat in de effecten van een lichaam dat is ingeschreven bij een erkende effectenbeurs aanzienlijke en geregelde handel plaatsvindt. Deze veronderstelling kan door bewijs van het tegendeel worden weerlegd.
- d). In de alinea's b) en c) wordt deelneming aan het internationale wezen door het uitschrijven van openbare leningen beschouwd als een werkelijk zakelijk doel op de Nederlandse Antillen.
Voor de toepassing van het eerste lid worden de volgende effectenbeurzen erkend:
- a). de Oslo Børs
- b). de Amsterdamse Effectenbeurs
- c). de New York Stock Exchange
- d). de London Stock Exchange
- e). de Tokyo Stock Exchange
- f). de effectenbeurs van Parijs
- g). de effectenbeurs van Frankfurt
- h). de effectenbeurs van Milaan
- i). Iedere andere effectenbeurs waarover de bevoegde autoriteiten van de Verdragsluitende Staten onderling overeenstemming bereiken, verenigbaar met het doel van dit artikel.
Artikel 29. Diplomatieke en consulaire ambtenaren
De bepalingen van dit Verdrag tasten in geen enkel opzicht de fiscale voorrechten aan die diplomatieke en consulaire ambtenaren ontlenen aan de algemene regels van het internationale recht of aan de bepalingen van bijzondere overeenkomsten.
HOOFDSTUK VII. SLOTBEPALINGEN
Artikel 30. Inwerkingtreding
Elk van de Verdragsluitende Staten stelt de ander in kennis van de voltooiing van de voor het van kracht worden van dit Verdrag volgens zijn wetgeving vereiste procedures.
Het Verdrag treedt in werking op de datum van ontvangst van de laatste van deze kennisgevingen en wordt vervolgens van kracht:
- a). in Noorwegen: ten aanzien van belastingen naar het inkomen of naar het vermogen die betrekking hebben op het kalenderjaar (daaronder begrepen boekhoudkundige tijdvakken die in dat jaar aanvangen) volgend op het kalenderjaar waarin het Verdrag in werking treedt en daarop volgende jaren;
- b). in de Nederlandse Antillen: ten aanzien van alle belastingen, voor belastingjaren en -tijdvakken die aanvangen op of na 1 januari van het kalenderjaar dat volgt op het kalenderjaar waarin de laatste van deze kennisgevingen wordt gedaan.
Artikel 31. Beëindiging
Dit Verdrag blijft voor onbepaalde tijd van kracht doch elk van de Verdragsluitende Staten kan, op of vóór 30 juni van enig kalenderjaar dat aanvangt na het verstrijken van een tijdvak van vijf jaren sedert de datum waarop het Verdrag in werking is getreden, aan de andere Verdragsluitende Staat, langs diplomatieke weg, een schriftelijke kennisgeving van beëindiging sturen. In dat geval houdt het Verdrag op van toepassing te zijn:
- a). in Noorwegen: ten aanzien van belastingen naar het inkomen of naar het vermogen die betrekking hebben op het kalenderjaar (daaronder begrepen boekhoudkundige tijdvakken die in dat jaar aanvangen) volgend op het kalenderjaar waarin de kennisgeving wordt gedaan;
- b). in de Nederlandse Antillen: voor enig belastingjaar of -tijdvak dat aanvangt na het einde van het kalenderjaar waarin de kennisgeving van beëindiging is gedaan.
IN WITNESS WHEREOF the undersigned, duly authorised thereto by their respective Governments, have signed this Convention.
DONE in Duplicate at Willemstad this 13th day of November 1989, in the English language.
For the Government of the Kingdom of the Netherlands in respect of the Netherlands Antilles
(sd.) G. DE PAULA
Gilbert de Paula
For the Government of the Kingdom of Norway
(sd.) KNUT BERGER
Knut Berger
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)