Verdrag inzake milieu-effectrapportage in grensoverschrijdend verband

Type Verdrag
Publication 2017-10-23
State In force
Source BWB
artikelen 21
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

De Partijen bij dit Verdrag,

Zich bewust van het verband tussen economische bedrijvigheid en de gevolgen daarvan voor het milieu,

Bevestigend dat het noodzakelijk is vanuit het oogpunt van het milieu verantwoorde en duurzame ontwikkeling te verzekeren,

Vastbesloten de internationale samenwerking bij milieu-effectrapportage, met name in grensoverschrijdend verband, uit te breiden,

Indachtig de noodzaak en het belang van het ontwikkelen van anticiperend beleid, en van het voorkomen, verminderen en controleren van belangrijke nadelige milieu-effecten in het algemeen en meer in het bijzonder in grensoverschrijdend verband,

Herinnerend aan de desbetreffende bepalingen van het Handvest van de Verenigde Naties, de Verklaring van de Conferentie inzake het menselijk leefmilieu te Stockholm, de Slotakte van de Conferentie over Veiligheid en Samenwerking in Europa (CVSE) en de Slotdocumenten van de Bijeenkomsten te Madrid en te Wenen van vertegenwoordigers van de Staten die deelnemen aan de CVSE,

Verheugd over de voortdurende inzet van Staten om, door middel van hun nationale wettelijke en bestuurlijke bepalingen en hun nationale beleid, de toepassing van milieu-effectrapportage te verzekeren,

Zich bewust van de noodzaak in een vroeg stadium van het besluitvormingsproces expliciete aandacht aan milieufactoren te schenken door de toepassing van milieu-effectrapportage, op alle betrokken bestuurlijke niveaus, als noodzakelijk instrument voor het verbeteren van de kwaliteit van de informatie die wordt aangeboden aan degenen die besluiten moeten nemen, opdat vanuit het oogpunt van het milieu verantwoorde besluiten kunnen worden genomen, waarbij er zorgvuldig naar wordt gestreefd belangrijke nadelige effecten, met name in grensoverschrijdend verband, tot het minimum te beperken;

Indachtig de inspanningen van internationale organisaties ter bevordering van de toepassing van milieu-effectrapportage op zowel nationaal als internationaal niveau, en rekening houdend met het werk op het gebied van de milieu-effectrapportage dat wordt verricht onder de auspiciën van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties, met name de resultaten die zijn bereikt door het Seminar inzake milieu-effectrapportage (september 1987, Warschau, Polen), alsmede gelet op de Doeleinden en Beginselen inzake milieueffectrapportage, aangenomen door de Beheersraad van het Milieuprogramma van de Verenigde Naties, en de Ministeriële Verklaring inzake duurzame ontwikkeling (mei 1990, Bergen, Noorwegen),

Zijn het volgende overeengekomen:

Artikel 1. Begripsomschrijvingen

Voor de toepassing van dit Verdrag wordt verstaan onder:

Artikel 2. Algemene bepalingen

1.

De Partijen nemen, afzonderlijk of gezamenlijk, alle passende en doeltreffende maatregelen ter voorkoming, beperking en beheersing van belangrijke nadelige grensoverschrijdende milieu-effecten van voorgenomen activiteiten.

2.

Elke Partij neemt de nodige wettelijke, bestuurlijke of andere maatregelen ter uitvoering van de bepalingen van dit Verdrag; onder meer stelt zij ten aanzien van in Aanhangsel I genoemde voorgenomen activiteiten die mogelijk een belangrijk nadelig grensoverschrijdend effect hebben, een milieu-effectrapportageprocedure vast, die deelneming door het publiek toelaat en voorziet in het opstellen van het in Aanhangsel II nader omschreven milieu-effectrapport.

3.

De Partij van herkomst draagt er zorg voor dat in overeenstemming met de bepalingen van dit Verdrag milieu-effectrapportage plaatsvindt vóór een besluit tot machtiging of uitvoering van een in Aanhangsel I genoemde voorgenomen activiteit die mogelijk een belangrijk nadelig grensoverschrijdend effect heeft.

4.

De Partij van herkomst draagt er overeenkomstig de bepalingen van dit Verdrag zorg voor dat de mogelijk benadeelde Partijen in kennis worden gesteld van het feit dat er sprake is van een in Aanhangsel I genoemde voorgenomen activiteit die mogelijk een belangrijk nadelig grensoverschrijdend effect heeft.

5.

Betrokken Partijen bespreken, op initiatief van een van hen, of een niet in Aanhangsel I genoemde voorgenomen activiteit mogelijk een belangrijk nadelig grensoverschrijdend effect heeft, en of zij derhalve moet worden behandeld alsof zij wel als zodanig wordt genoemd. Indien de Partijen dit overeenkomen, wordt deze activiteit als zodanig behandeld. Algemene richtsnoeren voor het kiezen van criteria om te bepalen of er al dan niet sprake is van een belangrijk nadelig grensoverschrijdend effect, worden gegeven in Aanhangsel III.

6.

De Partij van herkomst biedt, in overeenstemming met de bepalingen van dit Verdrag, het publiek in de gebieden die het effect mogelijk raakt, de gelegenheid deel te nemen aan desbetreffende milieu-effectrapportageprocedures ten aanzien van voorgenomen activiteiten, en draagt er zorg voor dat de gelegenheid die wordt geboden aan het publiek van de mogelijk benadeelde Partij gelijkwaardig is aan die welke wordt geboden aan het publiek in de Partij van herkomst.

7.

Milieu-effectrapportage als voorgeschreven door dit Verdrag vindt ten minste plaats op projectniveau. Voor zover relevant trachten de Partijen de beginselen van milieu-effectrapportage eveneens toe te passen op beleidsvoornemens, plannen en programma's.

8.

De bepalingen van dit Verdrag doen geen afbreuk aan het recht van Partijen nationale wetten, regelingen, bestuurlijke bepalingen of algemeen aanvaarde rechtspraktijken toe te passen ter bescherming van informatie, waarvan de verschaffing schadelijk zou zijn voor industriële geheimen en handelsgeheimen, of voor de nationale veiligheid.

9.

De bepalingen van dit Verdrag doen geen afbreuk aan het recht van Partijen om, eventueel door bilaterale of multilaterale regelingen, strengere maatregelen toe te passen dan voorzien in dit Verdrag.

10.

De bepalingen van dit Verdrag laten iedere verplichting die de Partijen krachtens het internationale recht hebben ten aanzien van activiteiten die (mogelijk) een grensoverschrijdend effect hebben, onverlet.

11.

Indien de Partij van herkomst van plan is een procedure uit te voeren om de inhoud van de documentatie inzake de milieu-effectrapportage vast te stellen, dient de mogelijk benadeelde Partij voor zover van toepassing in de gelegenheid te worden gesteld aan deze procedure deel te nemen.

Artikel 3. Kennisgeving

1.

Indien er sprake is van een in Aanhangsel I genoemde voorgenomen activiteit die mogelijk een belangrijk nadelig grensoverschrijdend effect heeft, doet de Partij van herkomst hiervan, met het oog op voldoende en doeltreffend overleg zoals bedoeld in artikel 5, in een zo vroeg mogelijk stadium en niet later dan het tijdstip waarop zij haar eigen publiek over de voorgenomen activiteit informeert, kennisgeving aan iedere Partij die zij als mogelijk benadeelde Partij beschouwt.

2.

Deze kennisgeving bevat onder meer:

en kan tevens de in het vijfde lid van dit artikel bedoelde informatie bevatten.

3.

De mogelijk benadeelde Partij zendt de Partij van herkomst haar antwoord binnen de in de kennisgeving vermelde termijn; zij bevestigt de ontvangst van de kennisgeving en geeft aan of zij al dan niet voornemens is deel te nemen aan de milieu-effectrapportageprocedure.

4.

Indien de mogelijk benadeelde Partij aangeeft dat zij niet voornemens is deel te nemen aan de milieu-effectrapportageprocedure, of indien zij niet binnen de in de kennisgeving aangeduide termijn een antwoord zendt, zijn de bepalingen van het vijfde, zesde, zevende en achtste lid van dit artikel en van de artikelen 4 tot en met 7 niet van toepassing. In deze omstandigheden blijft het recht van een Partij van herkomst om te bepalen of, op grond van haar nationale recht en praktijk, milieu-effectrapportage al dan niet moet plaatsvinden, onverminderd bestaan.

5.

Zodra de Partij van herkomst van de mogelijk benadeelde Partij een antwoord ontvangt waarin deze aangeeft te willen deelnemen aan de milieu-effectrapportageprocedure, verstrekt de Partij van herkomst de mogelijk benadeelde Partij, indien zij dit niet reeds heeft gedaan:

6.

Een mogelijk benadeelde Partij verstrekt de Partij van herkomst, indien deze daarom verzoekt, informatie, mits redelijkerwijs verkrijgbaar, over het mogelijk benadeelde milieu onder de rechtsmacht van de mogelijk benadeelde Partij, indien deze informatie vereist is voor het opstellen van het milieu-effectrapport. De informatie wordt onverwijld verstrekt, eventueel door tussenkomst van een gezamenlijk lichaam.

7.

Wanneer een Partij van mening is dat zij een belangrijk nadelig grensoverschrijdend effect zou kunnen ondervinden van een in Aanhangsel I genoemde voorgenomen activiteit, en indien geen kennisgeving is gedaan in overeenstemming met het eerste lid van dit artikel, wisselen de betrokken Partijen, op verzoek van de mogelijk benadeelde Partij, voldoende informatie uit voor het houden van besprekingen over de vraag of er mogelijk een belangrijk nadelig grensoverschrijdend effect zal optreden. Indien die Partijen overeenkomen dat deze mogelijkheid aanwezig is, zijn de bepalingen van dit Verdrag dienovereenkomstig van toepassing. Indien de Partijen het niet eens kunnen worden over de vraag of er mogelijk een belangrijk nadelig grensoverschrijdend effect zal optreden, kan elk van die Partijen deze vraag in overeenstemming met de bepalingen van Aanhangsel IV voorleggen aan een onderzoekscommissie, met het verzoek om advies over de mogelijkheid dat een belangrijk nadelig grensoverschrijdend effect zal optreden, tenzij de Partijen een andere methode overeenkomen voor het oplossen van deze vraag.

8.

De betrokken Partijen dragen er zorg voor dat het publiek van de mogelijk benadeelde Partij in de gebieden die het grensoverschrijdende effect mogelijk raakt, wordt geïnformeerd over de voorgenomen activiteit, en de gelegenheid wordt geboden commentaar te geven op of bezwaar te maken tegen de voorgenomen activiteit, en dit commentaar of bezwaar, hetzij rechtstreeks, hetzij door tussenkomst van de Partij van herkomst, te doen toekomen aan de bevoegde autoriteit van de Partij van herkomst.

Artikel 4. Het opstellen van het milieu-effectrapport

1.

Het milieu-effectrapport dat bij de bevoegde autoriteit van de Partij van herkomst moet worden ingediend, omvat ten minste de in Aanhangsel II omschreven informatie.

2.

De Partij van herkomst zendt de mogelijk benadeelde Partij, eventueel door tussenkomst van een gezamenlijk lichaam, het milieueffectrapport toe. De betrokken Partijen dragen zorg voor de toezending van het milieu-effectrapport aan de autoriteiten en het publiek van de mogelijk benadeelde Partij in de gebieden die het grensoverschrijdende effect mogelijk raakt, en bieden een redelijke termijn voor het indienen van commentaar bij de bevoegde autoriteit van de Partij van herkomst, hetzij rechtstreeks, hetzij door tussenkomst van de Partij van herkomst, voordat het definitieve besluit over de voorgenomen activiteit wordt genomen.

Artikel 5. Overleg op basis van het milieu-effectrapport

Na de voltooiing van het milieu-effectrapport treedt de Partij van herkomst, zonder onnodige vertraging, met de mogelijk benadeelde Partij in overleg over onder meer het mogelijke grensoverschrijdende effect van de voorgenomen activiteit en over maatregelen om dit effect te beperken of uit te sluiten. In dit overleg kunnen de volgende zaken aan de orde komen:

De Partijen komen bij aanvang van het overleg een redelijk tijdsbestek voor de duur ervan overeen. Het overleg kan eventueel worden gevoerd door tussenkomst van een gezamenlijk lichaam.

Artikel 6. Het definitieve besluit

1.

De Partijen dragen er zorg voor dat bij het nemen van het definitieve besluit over de voorgenomen activiteit gepast rekening wordt gehouden met het resultaat van de milieu-effectrapportage, met inbegrip van het milieu-effectrapport, alsook met het commentaar daarop dat is ontvangen ingevolge artikel 3, achtste lid, en artikel 4, tweede lid, en met het resultaat van het in artikel 5 bedoelde overleg.

2.

De Partij van herkomst deelt de mogelijk benadeelde Partij het definitieve besluit over de voorgenomen activiteit mede, alsmede de redenen en overwegingen waarop het is gebaseerd.

3.

Indien een betrokken Partij, voordat de uitvoering van een voorgenomen activiteit wordt aangevangen, de beschikking krijgt over bijkomende informatie over het belangrijke nadelige grensoverschrijdende effect van die activiteit, welke informatie niet beschikbaar was op het tijdstip waarop het besluit over die activiteit werd genomen, en die het besluit inhoudelijk zou kunnen hebben beïnvloed, deelt die Partij dit onmiddellijk mede aan de andere betrokken Partij of Partijen. Indien een van de betrokken Partijen hierom verzoekt, wordt overleg gepleegd over de vraag of het besluit moet worden herzien.

Artikel 7. Evaluatie

1.

De betrokken Partijen besluiten, indien een van hen daarom verzoekt, of, en zo ja, in welke mate, een evaluatie wordt verricht, rekening houdend met het oog op het mogelijke belangrijke nadelige grensoverschrijdende effect van de activiteit ten aanzien waarvan milieu-effectrapportage heeft plaatsgevonden ingevolge dit Verdrag. Evaluatie behelst met name toezicht op de activiteit en vaststelling van eventuele nadelige grensoverschrijdende effecten. Dit toezicht en deze vaststelling kunnen plaatsvinden met het oog op de verwezenlijking van de in Aanhangsel V genoemde doeleinden.

2.

Wanneer de Partij van herkomst of de mogelijk benadeelde Partij ten gevolge van een evaluatie op redelijke gronden tot de slotsom komt dat er sprake is van een belangrijk nadelig grensoverschrijdend effect of dat factoren aan het licht zijn gekomen die tot een dergelijk effect kunnen leiden, deelt zij dit onmiddellijk mee aan de andere Partij. De betrokken Partijen plegen vervolgens overleg over de nodige maatregelen om dat effect te beperken of uit te sluiten.

Artikel 8. Bilaterale en multilaterale samenwerking

De Partijen kunnen bestaande bilaterale of multilaterale overeenkomsten of andere regelingen voortzetten, of nieuwe zodanige overeenkomsten of regelingen aangaan, ter nakoming van hun verplichtingen krachtens dit Verdrag of krachtens een van de protocollen daarbij waarbij zij Partij zijn. De lijst van punten in Aanhangsel VI zou als basis kunnen dienen voor deze overeenkomsten of regelingen.

Artikel 9. Onderzoeksprogramma's

De Partijen schenken bijzondere aandacht aan het opzetten of intensiveren van specifieke onderzoeksprogramma's gericht op:

De Partijen wisselen de resultaten van de hierboven bedoelde onderzoeksprogramma's uit.

Artikel 10. Status van de aanhangsels

De aanhangsels bij dit Verdrag vormen een integrerend deel van het Verdrag.

Artikel 11. Vergaderingen van de Partijen

1.

De Partijen komen, voor zover mogelijk, bijeen ter gelegenheid van de jaarlijkse zittingen van de Adviseurs van Regeringen van ECE-lidstaten inzake milieu- en waterproblemen. De eerste vergadering van de Partijen wordt niet later dan een jaar na de datum van inwerkingtreding van dit Verdrag belegd. Daarna worden vergaderingen van de Partijen gehouden wanneer nodig geacht door een vergadering van de Partijen, of op schriftelijk verzoek van een Partij, mits dit verzoek, binnen zes maanden nadat het door het secretariaat aan de Partijen is toegezonden, door ten minste een derde van de Partijen wordt gesteund.

2.

De Partijen toetsen de uitvoering van het Verdrag voortdurend, en hiertoe verbinden zij zich tot:

Artikel 12. Stemrecht

1.

Elke Partij bij dit Verdrag heeft één stem.

2.

In afwijking van het eerste lid van dit artikel oefenen regionale organisaties voor economische integratie, ten aanzien van aangelegenheden die onder hun bevoegdheid vallen, hun stemrecht uit met een aantal stemmen dat gelijk is aan het aantal van hun lidstaten die Partij zijn bij het Verdrag. Deze organisaties oefenen hun stemrecht niet uit indien hun lidstaten hun stemrecht uitoefenen, en omgekeerd.

Artikel 13. Secretariaat

Het Uitvoerend Secretariaat van de Economische Commissie voor Europa verricht de volgende secretariaatstaken:

Artikel 14. Wijziging van het Verdrag

1.

Iedere Partij kan voorstellen doen tot wijziging van dit Verdrag.

2.

Voorstellen tot wijziging worden schriftelijk ingediend bij het secretariaat, dat ze doet toekomen aan alle Partijen. Tijdens de volgende vergadering van de Partijen worden de voorstellen besproken, mits zij door het secretariaat ten minste negentig dagen tevoren aan de Partijen zijn toegezonden.

3.

De Partijen stellen alles in het werk om overeenstemming te bereiken over voorstellen tot wijziging van dit Verdrag door middel van consensus. Indien alles in het werk is gesteld om tot consensus te komen, en geen overeenstemming is bereikt, wordt het voorstel in laatste instantie aangenomen met een meerderheid van drie vierde van de stemmen van de Partijen die aanwezig zijn en hun stem uitbrengen op de vergadering.

4.

Wijzigingen van dit Verdrag die worden aangenomen in overeenstemming met het derde lid van dit artikel, worden door de Depositaris aan alle Partijen voorgelegd ter bekrachtiging, goedkeuring of aanvaarding. Wijzigingen treden ten aanzien van Partijen die deze hebben bekrachtigd, goedgekeurd of aanvaard, in werking negentig dagen nadat de depositaris een kennisgeving van bekrachtiging, goedkeuring of aanvaarding heeft ontvangen van ten minste drie vierde van het aantal Partijen op het tijdstip waarop die wijzigingen zijn aangenomen. Daarna treden zij ten aanzien van iedere andere Partij in werking op de negentigste dag nadat die Partij haar akte van bekrachtiging, goedkeuring of aanvaarding van de wijzigingen heeft nedergelegd.

5.

Voor de toepassing van dit artikel wordt onder de „Partijen die aanwezig zijn en hun stem uitbrengen” verstaan de Partijen die aanwezig zijn en een stem voor of tegen een voorstel uitbrengen.

6.

De in het derde lid van dit artikel beschreven stemprocedure wordt niet geacht een precedent te vormen voor in de toekomst binnen de Economische Commissie voor Europa te sluiten overeenkomsten.

Artikel 15. De regeling van geschillen

1.

Indien tussen twee of meer Partijen een geschil ontstaat over de uitlegging of de toepassing van dit Verdrag, trachten zij dit op te lossen door onderhandeling of volgens een andere voor alle partijen bij het conflict aanvaardbare methode voor de regeling van geschillen.

2.

Een Partij kan bij haar ondertekening, bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring van of toetreding tot dit Verdrag, of te allen tijde daarna, schriftelijk aan de Depositaris mededelen dat zij, in geval van een geschil dat niet wordt opgelost in overeenstemming met het eerste lid van dit artikel, de toepassing van de volgende twee methoden voor het regelen van geschillen, dan wel één van beide, als verplicht aanvaardt ten aanzien van iedere Partij die dezelfde verplichting aanvaardt:

3.

Indien de partijen bij het geschil beide in het tweede lid van dit artikel genoemde methoden voor de regeling van geschillen hebben aanvaard, kan het geschil alleen aan het Internationaal Gerechtshof worden voorgelegd, tenzij de partijen anders overeenkomen.

Artikel 16. Ondertekening

Dit Verdrag staat van 25 februari tot 1 maart 1991 te Espoo (Finland), en daarna tot 2 september 1991 op de Zetel van de Verenigde Naties te New York open voor ondertekening door de lidstaten van de Economische Commissie voor Europa alsmede voor Staten die een consultatieve status bij de Economische Commissie voor Europa hebben krachtens paragraaf 8 van resolutie 36 (IV) van 28 maart 1947 van de Economische en Sociale Raad, en door regionale organisaties voor economische integratie opgericht door soevereine Staten die lid zijn van de Economische Commissie voor Europa waaraan de lidstaten bevoegdheden hebben overgedragen ten aanzien van aangelegenheden die onder dit Verdrag vallen, met inbegrip van de bevoegdheid ten aanzien van die aangelegenheden verdragen aan te gaan.

Artikel 17. Bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring en toetreding

1.

Dit Verdrag dient te worden bekrachtigd, aanvaard of goedgekeurd door ondertekenende Staten en regionale organisaties voor economische integratie.

2.

Dit Verdrag staat vanaf 3 september 1991 open voor toetreding door de in artikel 16 bedoelde Staten en organisaties.

3.

Elke andere, niet in het tweede lid van dit artikel bedoelde, Staat die lid is van de Verenigde Naties kan, na goedkeuring door de Vergadering van de Partijen, toetreden tot het Verdrag. De Vergadering van de Partijen kan een verzoek tot toetreding van een dergelijke Staat pas overwegen of goedkeuren nadat dit lid in werking is getreden voor alle Staten en organisaties die op 27 februari 2001 Partij waren bij het Verdrag.

4.

De akten van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding worden nedergelegd bij de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties, die de functie van Depositaris vervult.

5.

Iedere organisatie zoals bedoeld in artikel 16 die Partij wordt bij dit Verdrag zonder dat een van haar lidstaten Partij is, is gebonden door alle verplichtingen krachtens dit Verdrag. Wanneer een of meer lidstaten van een zodanige organisatie Partij bij dit Verdrag zijn, beslissen de organisatie en haar lidstaten over hun onderscheiden verantwoordelijkheden ten aanzien van de nakoming van hun verplichtingen krachtens het Verdrag. In dat geval mogen de organisatie en de lidstaten niet tegelijkertijd rechten krachtens dit Verdrag uitoefenen.

6.

In hun akten van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding geven de in artikel 16 bedoelde regionale organisaties voor economische integratie de reikwijdte aan van hun bevoegdheid ten aanzien van de aangelegenheden die onder dit Verdrag vallen. Deze organisaties doen de Depositaris tevens mededeling van iedere relevante verandering in de reikwijdte van hun bevoegdheid.

7.

Elke Staat of organisatie die dit Verdrag bekrachtigt, aanvaardt of goedkeurt, wordt geacht tegelijkertijd de wijziging van het Verdrag als vastgesteld in Besluit II/14, genomen tijdens de tweede zitting van de vergadering van de Partijen, te bekrachtigen, te aanvaarden of goed te keuren.

Artikel 18. Inwerkingtreding

1.

Dit Verdrag treedt in werking op de negentigste dag na de datum van nederlegging van de zestiende akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding.

2.

Voor de toepassing van het eerste lid van dit artikel wordt de door een regionale organisatie voor economische integratie nedergelegde akte niet meegeteld naast akten die zijn nedergelegd door lidstaten van die organisatie.

3.

Ten aanzien van elke in artikel 16 bedoelde Staat of organisatie die dit Verdrag bekrachtigt, aanvaardt of goedkeurt of ertoe toetreedt na de nederlegging van de zestiende akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding, treedt het Verdrag in werking op de negentigste dag na de datum van nederlegging door die Staat of organisatie van zijn of haar akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding.

Artikel 19. Opzegging

Elke Partij kan, te allen tijde na vier jaar vanaf de datum waarop dit Verdrag ten aanzien van die Partij in werking is getreden, het Verdrag opzeggen door middel van een schriftelijke kennisgeving aan de Depositaris. De opzegging wordt van kracht op de negentigste dag na de datum van ontvangst van de kennisgeving door de Depositaris. De opzegging doet geen afbreuk aan de toepassing van de artikelen 3 tot en met 6 van dit Verdrag op een voorgenomen activiteit ten aanzien waarvan een kennisgeving is gedaan overeenkomstig artikel 3, eerste lid, of een verzoek is gedaan ingevolge artikel 3, zevende lid, voordat de opzegging van kracht werd.

Artikel 20. Authentieke teksten

Het originele exemplaar van dit Verdrag, waarvan de Engelse, de Franse en de Russische tekst gelijkelijk authentiek zijn, wordt nedergelegd bij de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties.

1

Raffinaderijen van ruwe aardolie (met uitzondering van bedrijven die uitsluitend smeermiddelen uit ruwe olie vervaardigen), alsmede installaties voor de vergassing en vloeibaarmaking van ten minste 500 ton steenkool of bitumineuze schisten per dag.

2

Thermische centrales en andere verbrandingsinstallaties met een warmtevermogen van ten minste 300 MW, alsmede kerncentrales en andere kernreactoren (met uitzondering van de onderzoeksinstallaties voor de produktie en verwerking van splijt- en kweekstoffen, met een constant vermogen van ten hoogste 1 thermische kW).

3

Installaties die uitsluitend bestemd zijn voor de produktie of de verrijking van splijtstoffen, voor de opwerking van bestraalde splijtstoffen, of voor de opslag, de verwijdering en de behandeling van radioactief afval.

4

Grootschalige hoogovenbedrijven voor de produktie van ruwijzer, staal en niet-ijzerhoudende metalen.

5

Installaties voor de winning van asbest, alsmede voor de behandeling en de verwerking van asbest en asbesthoudende produkten; voor produkten van asbestcement, met een jaarproduktie van meer dan 20 000 ton eindprodukten, voor remvoeringen, met een jaarproduktie van meer dan 50 ton eindprodukten, alsmede - voor andere toepassingsmogelijkheden van asbest - met een gebruik van meer dan 200 ton per jaar.

6

Geïntegreerde chemische installaties.

7

Aanleg van autosnelwegen, autowegen*)Voor de toepassing van dit Verdrag wordt verstaan onder:„autosnelweg”: een weg die speciaal is ontworpen en aangelegd voor verkeer met motorvoertuigen, zonder uitwegen naar aanliggende percelen, en die:a.behalve op bepaalde plaatsen of tijdelijk is voorzien van gescheiden rijbanen voor beide verkeersrichtingen, welke rijbanen van elkaar gescheiden zijn hetzij door een strook die niet voor het verkeer is bestemd, hetzij, bij uitzondering, op andere wijze;b.geen andere weg, geen spoor- of tramweg of voetpad gelijkvloers kruist;c.door speciale verkeerstekens als autosnelweg is aangeduid.„autoweg”: een weg, bestemd voor verkeer met motorvoertuigen, alleen toegankelijk via knooppunten of door verkeerslichten geregelde kruispunten en waarop het in het bijzonder verboden is te stoppen en te parkeren op de rijbanen., spoorwegtrajecten voor spoorverkeer over lange afstand, alsmede van vliegvelden met een start- en landingsbaan van ten minste 2 100 meter.

8

Olie- en buisleidingen met een grote diameter.

9

Zeehandelshavens alsmede waterwegen en havens voor de binnenvaart, bevaarbaar voor schepen van meer dan 1 350 ton.

10

Afvalverwijderingsinstallaties voor verbranding, chemische omzetting of opslag in de grond van toxische en gevaarlijke afvalstoffen.

11

Grote dammen en waterreservoirs.

12

Werkzaamheden voor het onttrekken van grondwater aan de bodem in gevallen waarin het jaarlijkse volume aan de bodem te onttrekken water 10 miljoen m3 of meer bedraagt.

13

Pulp- en papierproduktie van 200 luchtdroge meterton of meer per dag.

14

Grootschalige mijnbouw, winning en verwerking ter plaatse van metallische ertsen of steenkool.

15

Offshore olie-en gaswinning.

16

Grote installaties voor de opslag van aardolie en van petrochemische en chemische produkten.

17

Ontbossing van grote gebieden.

1

Indien er sprake is van een voorgenomen activiteit waarop artikel 2, vijfde lid, van toepassing is, kunnen de betrokken Partijen bezien of die activiteit mogelijk een belangrijk nadelig grensoverschrijdend milieu-effect heeft, met name aan de hand van een of meer van de volgende criteria:

2

De betrokken Partijen bezien in dit verband voorgenomen activiteiten die nabij een internationale grens zijn gepland, alsmede voorgenomen activiteiten die op grotere afstand zouden plaatsvinden, die belangrijke nadelige grensoverschrijdende milieu-effecten zouden kunnen veroorzaken op grote afstand van de plaats waar zij zijn gepland.

1

De verzoekende Partij(en) stelt(stellen) het secretariaat ervan in kennis dat zij de vraag of een in Aanhangsel I genoemde voorgenomen activiteit mogelijk een belangrijk nadelig grensoverschrijdend milieueffect heeft, voorlegt(voorleggen) aan een in overeenstemming met de bepalingen van dit Aanhangsel ingestelde onderzoekscommissie. In deze kennisgeving wordt het onderwerp van het onderzoek vermeld. Het secretariaat stelt alle Partijen bij het Verdrag onverwijld in kennis van het feit dat de vraag aan een onderzoekscommissie is voorgelegd.

2

De onderzoekscommissie bestaat uit drie leden. De verzoekende partij en de andere partij bij de onderzoeksprocedure benoemen elk een wetenschappelijk of technisch deskundige, en de twee aldus benoemde deskundigen wijzen met gezamenlijke instemming de derde deskundige aan, die voorzitter van de onderzoekscommissie wordt. Deze derde deskundige mag geen onderdaan van een van de partijen bij de onderzoeksprocedure zijn, noch mag hij of zij zijn of haar gewone verblijfplaats op het grondgebied van een van die partijen hebben, of in dienst zijn bij een van hen, of in een andere hoedanigheid reeds bij de aangelegenheid betrokken zijn geweest.

3

Indien de voorzitter van de onderzoekscommissie niet is aangewezen binnen twee maanden na de benoeming van de tweede deskundige, wijst de Uitvoerend Secretaris van de Economische Commissie voor Europa, op verzoek van een van beide partijen, binnen een volgend tijdvak van twee maanden de voorzitter aan.

4

Indien een van de partijen bij de onderzoeksprocedure niet binnen een maand nadat zij de kennisgeving van het secretariaat heeft ontvangen, een deskundige heeft benoemd, kan de andere partij dit mededelen aan de Uitvoerend Secretaris van de Economische Commissie voor Europa, die binnen een volgend tijdvak van twee maanden de voorzitter van de onderzoekscommissie aanwijst. Vervolgens verzoekt de voorzitter van de onderzoekscommissie de partij die nog geen deskundige heeft benoemd, dit binnen een maand te doen. Indien die partij dit na het verstrijken van dat tijdvak niet heeft gedaan, deelt de voorzitter dit mede aan de Uitvoerend Secretaris van de Economische Commissie voor Europa, die vervolgens binnen twee maanden de benoeming verricht.

5

De onderzoekscommissie stelt haar eigen procedureregels vast.

6

De onderzoekscommissie kan alle passende maatregelen nemen voor de uitvoering van haar taken.

7

De partijen bij de onderzoeksprocedure doen alles wat in hun vermogen ligt om het werk van de onderzoekscommissie te vergemakkelijken, met name door:

8

De partijen en de deskundigen beschermen de vertrouwelijkheid van de informatie die zij gedurende het werk van de onderzoekscommissie in vertrouwen verkrijgen.

9

Indien een van de partijen bij de onderzoeksprocedure niet voor de onderzoekscommissie verschijnt of haar zaak niet toelicht, kan de andere partij de onderzoekscommissie verzoeken de procedure voort te zetten en haar werk te voltooien. Het feit dat een partij niet voor de commissie verschijnt of haar zaak niet toelicht, vormt geen belemmering voor de voortzetting en voltooiing van het werk van de onderzoekscommissie.

10

Tenzij de onderzoekscommissie anders bepaalt vanwege de bijzondere omstandigheden van de aangelegenheid, worden de kosten van de commissie, met inbegrip van de honorering van haar leden, in gelijke delen gedragen door de partijen bij de onderzoeksprocedure. De onderzoekscommissie houdt een overzicht van al haar kosten bij, en verstrekt de partijen daarvan een eindopgave.

11

Iedere Partij die een belang ten aanzien van de feiten heeft bij de aangelegenheid die het onderwerp van de onderzoeksprocedure vormt, en waarvoor het advies van de commissie gevolgen kan hebben, kan zich met de instemming van de onderzoekscommissie voegen in de procedure.

12

De besluiten van de onderzoekscommissie over procedure-aangelegenheden worden genomen met een meerderheid van de stemmen van haar leden. In het uiteindelijke advies van de onderzoekscommissie dient de opvatting van de meerderheid van haar leden te worden weerspiegeld, en dient iedere daarvan afwijkende opvatting te worden opgenomen.

13

De onderzoekscommissie biedt haar uiteindelijke advies aan binnen twee maanden na de datum waarop zij werd ingesteld, tenzij zij het noodzakelijk acht deze termijn te verlengen met een tijdvak van ten hoogste twee maanden.

14

Het uiteindelijke advies van de onderzoekscommissie dient gebaseerd te zijn op algemeen aanvaarde wetenschappelijke beginselen. Het uiteindelijke advies wordt door de onderzoekscommissie toegezonden aan de partijen bij de onderzoeksprocedure, alsmede aan het secretariaat.

1

Partijen kunnen, indien passend, institutionele regelingen treffen, of het mandaat van bestaande institutionele regelingen uitbreiden, in het kader van bilaterale of multilaterale overeenkomsten ten einde volledige uitvoering te geven aan dit Verdrag.

2

Bilaterale en multilaterale overeenkomsten of andere regelingen kunnen omvatten:

1

De eisende Partij(en) stelt (stellen) het secretariaat in kennis van het feit dat de Partijen zijn overeengekomen het geschil aan arbitrage te onderwerpen ingevolge artikel 15, tweede lid, van dit Verdrag. In de kennisgeving wordt het onderwerp van arbitrage vermeld, en met name de artikelen van dit Verdrag over de uitlegging of toepassing waarvan een geschil is ontstaan. Het secretariaat zendt de ontvangen informatie toe aan alle Partijen bij dit Verdrag.

2

Het scheidsgerecht bestaat uit drie leden. De eisende Partij(en) en de andere Partij(en) bij het geschil benoemen een arbiter, en de twee aldus benoemde arbiters wijzen met gezamenlijke instemming de derde arbiter aan, die voorzitter van het scheidsgerecht wordt. De derde arbiter mag geen onderdaan van een van de partijen bij het geschil zijn, noch mag hij of zij zijn of haar gewone verblijfplaats op het grondgebied van een van die Partijen hebben, of in dienst zijn bij een van hen, of in een andere hoedanigheid reeds bij de aangelegenheid betrokken zijn geweest.

3

Indien de voorzitter van het scheidsgerecht niet is aangewezen binnen twee maanden na de benoeming van de tweede arbiter, wijst de Uitvoerend Secretaris van de Economische Commissie voor Europa, op verzoek van een van beide partijen bij het geschil, binnen een volgend tijdvak van twee maanden de voorzitter aan.

4

Indien een van de partijen bij het geschil niet binnen twee maanden nadat zij het verzoek daartoe heeft ontvangen, een arbiter heeft benoemd, kan de andere partij dit mededelen aan de Uitvoerend Secretaris van de Economische Commissie voor Europa, die binnen een volgend tijdvak van twee maanden de voorzitter van het scheidsgerecht aanwijst. Vervolgens verzoekt de voorzitter van het scheidsgerecht de partij die nog geen arbiter heeft benoemd, dit binnen twee maanden te doen. Indien die partij dit na het verstrijken van dat tijdvak niet heeft gedaan, deelt de voorzitter dit mede aan de Uitvoerend Secretaris van de Economische Commissie voor Europa, die vervolgens binnen twee maanden de benoeming verricht.

5

Het scheidsgerecht neemt zijn beslissing in overeenstemming met het internationale recht en met de bepalingen van dit Verdrag.

6

Ieder krachtens de bepalingen van dit Aanhangsel ingesteld scheidsgerecht stelt zijn eigen procedureregels vast.

7

De beslissingen van het scheidsgerecht betreffende zowel procedures als aan hem voorgelegde aangelegenheden, worden genomen met een meerderheid van de stemmen van zijn leden.

8

Het scheidsgerecht kan alle passende maatregelen nemen ter vaststelling van de feiten.

9

De partijen bij het geschil doen alles wat in hun vermogen ligt om het werk van het scheidsgerecht te vergemakkelijken, met name door:

10

De partijen en de arbiters beschermen de vertrouwelijkheid van de informatie die zij gedurende het werk van het scheidsgerecht in vertrouwen verkrijgen.

11

Het scheidsgerecht kan, op verzoek van een van de partijen, tussentijdse maatregelen ter bescherming aanbevelen.

12

Indien een van de partijen bij het geschil niet voor het scheidsgerecht verschijnt of haar zaak niet verdedigt, kan de andere partij het scheidsgerecht verzoeken de procedure voort te zetten en zijn uiteindelijke beslissing te nemen. Het feit dat een partij niet voor het scheidsgerecht verschijnt of haar zaak niet verdedigt, vormt geen belemmering voor de voortzetting van de procedure. Voordat het scheidsgerecht zijn uiteindelijke beslissing neemt, moet het zich ervan overtuigen dat de eis ten aanzien van de feiten en het recht gegrond is.

13

Het scheidsgerecht kan tegeneisen die rechtstreeks voortkomen uit de aangelegenheid die het onderwerp van het geschil is, horen en erover beslissen.

14

Tenzij het scheidsgerecht anders bepaalt vanwege de bijzondere omstandigheden van de zaak, worden de kosten van het scheidsgerecht, met inbegrip van de honorering van zijn leden, in gelijke delen gedragen door de partijen bij het geschil. Het scheidsgerecht houdt een overzicht van al zijn kosten bij, en verstrekt de partijen daarvan een eindopgave.

15

Iedere Partij bij dit Verdrag die een belang ten aanzien van het recht heeft bij de aangelegenheid die het onderwerp van het geschil is, en waarvoor de beslissing van het scheidsgerecht gevolgen kan hebben, kan zich met de instemming van het scheidsgerecht voegen in de procedure.

16

Het scheidsgerecht doet zijn uitspraak binnen vijf maanden na de datum waarop het werd ingesteld, tenzij het het noodzakelijk acht deze termijn te verlengen met een tijdvak van ten hoogste vijf maanden.

17

De uitspraak van het scheidsgerecht dient vergezeld te gaan van een uiteenzetting van de gronden. De uitspraak is onherroepelijk en bindend voor alle partijen bij het geschil. De uitspraak wordt door het scheidsgerecht toegezonden aan de partijen bij het geschil en aan het secretariaat. Het secretariaat zendt de ontvangen informatie toe aan alle Partijen bij dit Verdrag.

18

Ieder geschil dat tussen Partijen ontstaat betreffende de uitlegging of tenuitvoerlegging van de uitspraak kan door elk van de partijen worden voorgelegd aan het scheidsgerecht dat de uitspraak heeft gedaan of, indien het daaraan niet kan worden voorgelegd, aan een ander scheidsgerecht dat hiertoe wordt ingesteld op dezelfde wijze als het eerstbedoelde scheidsgerecht.

IN WITNESS WHEREOF the undersigned, being duly authorized thereto, have signed this Convention.

DONE at Espoo (Finland), this twenty-fifth day of February one thousand nine hundred and ninety-one.

Artikel 14bis. Toetsing van de naleving

1.

De Partijen toetsen de naleving van de bepalingen van dit Verdrag volgens de nalevingsprocedure, die door de Vergadering van de Partijen wordt aangenomen als een non-contradictoire, op bijstand gerichte procedure. De toetsing wordt gebaseerd op, maar niet beperkt tot, regelmatige rapportage door de Partijen. De Vergadering van de Partijen bepaalt hoe vaak de door de Partijen verlangde regelmatige rapportage dient plaats te vinden en welke gegevens in deze periodieke verslagen moeten zijn opgenomen.

2.

De nalevingsprocedure kan worden toegepast op elk protocol dat uit hoofde van dit Verdrag wordt aangenomen.

1

Raffinaderijen van ruwe aardolie (met uitzondering van bedrijven die uitsluitend smeermiddelen uit ruwe olie vervaardigen), alsmede installaties voor de vergassing en vloeibaarmaking van ten minste 500 ton steenkool of bitumineuze schisten per dag.

2

3

4

Grootschalige hoogovenbedrijven voor de productie van ruwijzer, staal en niet-ijzerhoudende metalen.

5

Installaties voor de winning van asbest, alsmede voor de behandeling en de verwerking van asbest en asbesthoudende producten: voor producten van asbestcement, met een jaarproductie van meer dan 20.000 ton eindproducten; voor remvoeringen, met een jaarproductie van meer dan 50 ton eindproducten, alsmede – voor andere toepassingsmogelijkheden van asbest – met een verbruik van meer dan 200 ton per jaar.

6

Geïntegreerde chemische installaties.

7

8

Pijpleidingen met een grote diameter voor het transport van olie, gas of chemicaliën.

9

Zeehandelshavens alsmede waterwegen en havens voor de binnenvaart, bevaarbaar voor schepen van meer dan 1350 ton.

10

11

Grote dammen en waterreservoirs.

12

Werkzaamheden voor het onttrekken of kunstmatig aanvullen van grondwater wanneer het jaarlijkse volume te onttrekken of aan te vullen water 10 miljoen kubieke meter of meer bedraagt.

13

Pulp-, papier- en kartonproductie van 200 luchtdroge ton of meer per dag.

14

Grote steengroeven, mijnbouw, winning en verwerking ter plaatse van metallische ertsen of steenkool.

15

Offshore koolwaterstofproductie. Commerciële winning van aardolie en aardgas wanneer de gewonnen hoeveelheid meer dan 500 ton aardolie per dag of meer dan 500.000 m³ aardgas per dag bedraagt.

16

Grote installaties voor de opslag van aardolie en van petrochemische en chemische producten.

17

Ontbossing van grote gebieden.

18

19

Rioolwaterzuiveringsinstallaties met een capaciteit van meer dan 150.000 inwonerequivalenten.

20

Installaties voor de intensieve pluimvee- of varkenshouderij met meer dan:

21

Aanleg van bovengrondse hoogspanningsleidingen van 220 kV of meer en langer dan 15 km.

22

Grote installaties voor de winning van windenergie voor de energieproductie (windturbineparken).

1

Indien er sprake is van een voorgenomen activiteit waarop artikel 2, vijfde lid, van toepassing is, kunnen de betrokken Partijen bezien of die activiteit mogelijk een belangrijk nadelig grensoverschrijdend milieu-effect heeft, met name aan de hand van een of meer van de volgende criteria:

2

De betrokken Partijen bezien in dit verband voorgenomen activiteiten die nabij een internationale grens zijn gepland, alsmede voorgenomen activiteiten die op grotere afstand zouden plaatsvinden, die belangrijke nadelige grensoverschrijdende milieu-effecten zouden kunnen veroorzaken op grote afstand van de plaats waar zij zijn gepland.

1

De verzoekende Partij(en) stelt(stellen) het secretariaat ervan in kennis dat zij de vraag of een in Aanhangsel I genoemde voorgenomen activiteit mogelijk een belangrijk nadelig grensoverschrijdend milieueffect heeft, voorlegt(voorleggen) aan een in overeenstemming met de bepalingen van dit Aanhangsel ingestelde onderzoekscommissie. In deze kennisgeving wordt het onderwerp van het onderzoek vermeld. Het secretariaat stelt alle Partijen bij het Verdrag onverwijld in kennis van het feit dat de vraag aan een onderzoekscommissie is voorgelegd.

2

De onderzoekscommissie bestaat uit drie leden. De verzoekende partij en de andere partij bij de onderzoeksprocedure benoemen elk een wetenschappelijk of technisch deskundige, en de twee aldus benoemde deskundigen wijzen met gezamenlijke instemming de derde deskundige aan, die voorzitter van de onderzoekscommissie wordt. Deze derde deskundige mag geen onderdaan van een van de partijen bij de onderzoeksprocedure zijn, noch mag hij of zij zijn of haar gewone verblijfplaats op het grondgebied van een van die partijen hebben, of in dienst zijn bij een van hen, of in een andere hoedanigheid reeds bij de aangelegenheid betrokken zijn geweest.

3

Indien de voorzitter van de onderzoekscommissie niet is aangewezen binnen twee maanden na de benoeming van de tweede deskundige, wijst de Uitvoerend Secretaris van de Economische Commissie voor Europa, op verzoek van een van beide partijen, binnen een volgend tijdvak van twee maanden de voorzitter aan.

4

Indien een van de partijen bij de onderzoeksprocedure niet binnen een maand nadat zij de kennisgeving van het secretariaat heeft ontvangen, een deskundige heeft benoemd, kan de andere partij dit mededelen aan de Uitvoerend Secretaris van de Economische Commissie voor Europa, die binnen een volgend tijdvak van twee maanden de voorzitter van de onderzoekscommissie aanwijst. Vervolgens verzoekt de voorzitter van de onderzoekscommissie de partij die nog geen deskundige heeft benoemd, dit binnen een maand te doen. Indien die partij dit na het verstrijken van dat tijdvak niet heeft gedaan, deelt de voorzitter dit mede aan de Uitvoerend Secretaris van de Economische Commissie voor Europa, die vervolgens binnen twee maanden de benoeming verricht.

5

De onderzoekscommissie stelt haar eigen procedureregels vast.

6

De onderzoekscommissie kan alle passende maatregelen nemen voor de uitvoering van haar taken.

7

De partijen bij de onderzoeksprocedure doen alles wat in hun vermogen ligt om het werk van de onderzoekscommissie te vergemakkelijken, met name door:

8

De partijen en de deskundigen beschermen de vertrouwelijkheid van de informatie die zij gedurende het werk van de onderzoekscommissie in vertrouwen verkrijgen.

9

Indien een van de partijen bij de onderzoeksprocedure niet voor de onderzoekscommissie verschijnt of haar zaak niet toelicht, kan de andere partij de onderzoekscommissie verzoeken de procedure voort te zetten en haar werk te voltooien. Het feit dat een partij niet voor de commissie verschijnt of haar zaak niet toelicht, vormt geen belemmering voor de voortzetting en voltooiing van het werk van de onderzoekscommissie.

10

Tenzij de onderzoekscommissie anders bepaalt vanwege de bijzondere omstandigheden van de aangelegenheid, worden de kosten van de commissie, met inbegrip van de honorering van haar leden, in gelijke delen gedragen door de partijen bij de onderzoeksprocedure. De onderzoekscommissie houdt een overzicht van al haar kosten bij, en verstrekt de partijen daarvan een eindopgave.

11

Iedere Partij die een belang ten aanzien van de feiten heeft bij de aangelegenheid die het onderwerp van de onderzoeksprocedure vormt, en waarvoor het advies van de commissie gevolgen kan hebben, kan zich met de instemming van de onderzoekscommissie voegen in de procedure.

12

De besluiten van de onderzoekscommissie over procedure-aangelegenheden worden genomen met een meerderheid van de stemmen van haar leden. In het uiteindelijke advies van de onderzoekscommissie dient de opvatting van de meerderheid van haar leden te worden weerspiegeld, en dient iedere daarvan afwijkende opvatting te worden opgenomen.

13

De onderzoekscommissie biedt haar uiteindelijke advies aan binnen twee maanden na de datum waarop zij werd ingesteld, tenzij zij het noodzakelijk acht deze termijn te verlengen met een tijdvak van ten hoogste twee maanden.

14

Het uiteindelijke advies van de onderzoekscommissie dient gebaseerd te zijn op algemeen aanvaarde wetenschappelijke beginselen. Het uiteindelijke advies wordt door de onderzoekscommissie toegezonden aan de partijen bij de onderzoeksprocedure, alsmede aan het secretariaat.

1

Partijen kunnen, indien passend, institutionele regelingen treffen, of het mandaat van bestaande institutionele regelingen uitbreiden, in het kader van bilaterale of multilaterale overeenkomsten ten einde volledige uitvoering te geven aan dit Verdrag.

2

Bilaterale en multilaterale overeenkomsten of andere regelingen kunnen omvatten:

1

De eisende Partij(en) stelt (stellen) het secretariaat in kennis van het feit dat de Partijen zijn overeengekomen het geschil aan arbitrage te onderwerpen ingevolge artikel 15, tweede lid, van dit Verdrag. In de kennisgeving wordt het onderwerp van arbitrage vermeld, en met name de artikelen van dit Verdrag over de uitlegging of toepassing waarvan een geschil is ontstaan. Het secretariaat zendt de ontvangen informatie toe aan alle Partijen bij dit Verdrag.

2

Het scheidsgerecht bestaat uit drie leden. De eisende Partij(en) en de andere Partij(en) bij het geschil benoemen een arbiter, en de twee aldus benoemde arbiters wijzen met gezamenlijke instemming de derde arbiter aan, die voorzitter van het scheidsgerecht wordt. De derde arbiter mag geen onderdaan van een van de partijen bij het geschil zijn, noch mag hij of zij zijn of haar gewone verblijfplaats op het grondgebied van een van die Partijen hebben, of in dienst zijn bij een van hen, of in een andere hoedanigheid reeds bij de aangelegenheid betrokken zijn geweest.

3

Indien de voorzitter van het scheidsgerecht niet is aangewezen binnen twee maanden na de benoeming van de tweede arbiter, wijst de Uitvoerend Secretaris van de Economische Commissie voor Europa, op verzoek van een van beide partijen bij het geschil, binnen een volgend tijdvak van twee maanden de voorzitter aan.

4

Indien een van de partijen bij het geschil niet binnen twee maanden nadat zij het verzoek daartoe heeft ontvangen, een arbiter heeft benoemd, kan de andere partij dit mededelen aan de Uitvoerend Secretaris van de Economische Commissie voor Europa, die binnen een volgend tijdvak van twee maanden de voorzitter van het scheidsgerecht aanwijst. Vervolgens verzoekt de voorzitter van het scheidsgerecht de partij die nog geen arbiter heeft benoemd, dit binnen twee maanden te doen. Indien die partij dit na het verstrijken van dat tijdvak niet heeft gedaan, deelt de voorzitter dit mede aan de Uitvoerend Secretaris van de Economische Commissie voor Europa, die vervolgens binnen twee maanden de benoeming verricht.

5

Het scheidsgerecht neemt zijn beslissing in overeenstemming met het internationale recht en met de bepalingen van dit Verdrag.

6

Ieder krachtens de bepalingen van dit Aanhangsel ingesteld scheidsgerecht stelt zijn eigen procedureregels vast.

7

De beslissingen van het scheidsgerecht betreffende zowel procedures als aan hem voorgelegde aangelegenheden, worden genomen met een meerderheid van de stemmen van zijn leden.

8

Het scheidsgerecht kan alle passende maatregelen nemen ter vaststelling van de feiten.

9

De partijen bij het geschil doen alles wat in hun vermogen ligt om het werk van het scheidsgerecht te vergemakkelijken, met name door:

10

De partijen en de arbiters beschermen de vertrouwelijkheid van de informatie die zij gedurende het werk van het scheidsgerecht in vertrouwen verkrijgen.

11

Het scheidsgerecht kan, op verzoek van een van de partijen, tussentijdse maatregelen ter bescherming aanbevelen.

12

Indien een van de partijen bij het geschil niet voor het scheidsgerecht verschijnt of haar zaak niet verdedigt, kan de andere partij het scheidsgerecht verzoeken de procedure voort te zetten en zijn uiteindelijke beslissing te nemen. Het feit dat een partij niet voor het scheidsgerecht verschijnt of haar zaak niet verdedigt, vormt geen belemmering voor de voortzetting van de procedure. Voordat het scheidsgerecht zijn uiteindelijke beslissing neemt, moet het zich ervan overtuigen dat de eis ten aanzien van de feiten en het recht gegrond is.

13

Het scheidsgerecht kan tegeneisen die rechtstreeks voortkomen uit de aangelegenheid die het onderwerp van het geschil is, horen en erover beslissen.

14

Tenzij het scheidsgerecht anders bepaalt vanwege de bijzondere omstandigheden van de zaak, worden de kosten van het scheidsgerecht, met inbegrip van de honorering van zijn leden, in gelijke delen gedragen door de partijen bij het geschil. Het scheidsgerecht houdt een overzicht van al zijn kosten bij, en verstrekt de partijen daarvan een eindopgave.

15

Iedere Partij bij dit Verdrag die een belang ten aanzien van het recht heeft bij de aangelegenheid die het onderwerp van het geschil is, en waarvoor de beslissing van het scheidsgerecht gevolgen kan hebben, kan zich met de instemming van het scheidsgerecht voegen in de procedure.

16

Het scheidsgerecht doet zijn uitspraak binnen vijf maanden na de datum waarop het werd ingesteld, tenzij het het noodzakelijk acht deze termijn te verlengen met een tijdvak van ten hoogste vijf maanden.

17

De uitspraak van het scheidsgerecht dient vergezeld te gaan van een uiteenzetting van de gronden. De uitspraak is onherroepelijk en bindend voor alle partijen bij het geschil. De uitspraak wordt door het scheidsgerecht toegezonden aan de partijen bij het geschil en aan het secretariaat. Het secretariaat zendt de ontvangen informatie toe aan alle Partijen bij dit Verdrag.

18

Ieder geschil dat tussen Partijen ontstaat betreffende de uitlegging of tenuitvoerlegging van de uitspraak kan door elk van de partijen worden voorgelegd aan het scheidsgerecht dat de uitspraak heeft gedaan of, indien het daaraan niet kan worden voorgelegd, aan een ander scheidsgerecht dat hiertoe wordt ingesteld op dezelfde wijze als het eerstbedoelde scheidsgerecht.

IN WITNESS WHEREOF the undersigned, being duly authorized thereto, have signed this Convention.

DONE at Espoo (Finland), this twenty-fifth day of February one thousand nine hundred and ninety-one.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)