Protocol bij het Verdrag van 1979 betreffende grensoverschrijdende luchtverontreiniging over lange afstand inzake de beheersing van emissies van stikstofoxyden of van de grensoverschrijdende stromen van deze stikstofverbindingen
De Partijen,
Vastbesloten het Verdrag betreffende grensoverschrijdende luchtverontreiniging over lange afstand uit te voeren,
Bevreesd dat de huidige emissies van luchtverontreinigende stoffen schade veroorzaken, in daaraan blootgestelde delen van Europa en Noord-Amerika, aan de natuurlijke hulpbronnen die van vitaal belang zijn voor het milieu en de economie,
In herinnering brengend dat het Uitvoerend Orgaan voor het Verdrag tijdens zijn tweede zitting de noodzaak heeft erkend van een doeltreffende vermindering in 1995 van de totale jaarlijkse emissies van stikstofoxiden uit stationaire en mobiele bronnen, of van de grensoverschrijdende stromen van deze verbindingen, alsmede de behoefte van andere Staten die reeds vooruitgang hadden geboekt bij de beperking van deze emissies, om hun emissienormen voor stikstofoxiden te handhaven en opnieuw te bezien,
In overweging nemend de bestaande wetenschappelijke en technische gegevens inzake emissies, atmosferische bewegingen en de gevolgen voor het milieu van stikstofoxiden en hun bijprodukten, alsook inzake technologieën voor de beheersing daarvan,
Zich ervan bewust dat de schadelijke gevolgen van emissies van stikstofoxiden voor het milieu van land tot land verschillen,
Vastbesloten doeltreffende maatregelen te nemen ter beheersing en vermindering van de nationale jaarlijkse emissies van stikstofoxiden of van grensoverschrijdende stromen van deze verbindingen door, in het bijzonder, de toepassing van passende nationale emissienormen op nieuwe mobiele en belangrijke nieuwe stationaire bronnen en de aanpassing van bestaande belangrijke stationaire bronnen,
Erkennend dat de wetenschappelijke en technische kennis van deze zaken zich steeds verder ontwikkelt en dat het nodig zal zijn met deze ontwikkelingen rekening te houden bij het toetsen van de werking van dit Protocol en het nemen van besluiten omtrent verdere maatregelen,
Erop wijzend dat met de uitwerking van een op kritische belasting gebaseerde aanpak wordt beoogd tot een doelgerichte wetenschappelijke grondslag te komen, waarmede rekening moet worden gehouden bij het toetsen van de werking van dit Protocol en het nemen van besluiten omtrent verdere internationaal overeen te komen maatregelen ter beperking en vermindering van emissies van stikstofoxiden of van de grensoverschrijdende stromen van deze verbindingen,
Erkennend dat de spoedige overweging van procedures voor het scheppen van gunstiger voorwaarden voor de uitwisseling van technologie zal bijdragen tot de doeltreffende vermindering van emissies van stikstofoxiden in het gebied van de Commissie,
Met waardering wijzend op de onderlinge verplichting die verscheidene landen op zich hebben genomen om over te gaan tot onmiddellijke en aanzienlijke verminderingen van de nationale jaarlijkse emissies van stikstofoxiden,
Erkennend de reeds door sommige landen genomen maatregelen die hebben geleid tot vermindering van de emissies van stikstofoxiden,
Zijn als volgt overeengekomen:
Artikel 1. Begripsomschrijvingen
Voor de toepassing van dit Protocol wordt verstaan onder:
-
- „Verdrag”: het Verdrag betreffende grensoverschrijdende luchtverontreiniging over lange afstand, aangenomen op 13 november 1979 in Genève;
-
- „EMEP”: het Programma voor samenwerking inzake de bewaking en evaluatie van het transport van luchtverontreinigende stoffen over lange afstand in Europa;
-
- „Uitvoerend Orgaan”: het Uitvoerend Orgaan voor het Verdrag, opgericht ingevolge het bepaalde in artikel 10, eerste lid, van het Verdrag;
-
- „Geografische reikwijdte van het EMEP”: het gebied, omschreven in artikel 1, vierde punt, van het Protocol bij het Verdrag van 1979 betreffende grensoverschrijdende luchtverontreiniging over lange afstand aangaande de langlopende financiering van het programma voor samenwerking inzake de bewaking en evaluatie van het transport van luchtverontreinigende stoffen over lange afstand in Europa (EMEP), aangenomen op 28 september 1984 in Genève;
-
- „Partijen”: tenzij de context anderszins vereist, de Partijen bij dit Protocol;
-
- „Commissie”: de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties;
-
- „Kritische belasting”: een kwantitatieve schatting van de blootstelling aan één of meer verontreinigende stoffen, beneden welke zich volgens de huidige kennis geen aanzienlijke schadelijke gevolgen voor nader omschreven gevoelige bestanddelen van het milieu voordoen;
-
- „Belangrijke bestaande stationaire bron”: elke bestaande stationaire bron met een thermisch vermogen van tenminste 100 MW;
-
- „Belangrijke nieuwe stationaire bron”: elke nieuwe stationaire bron met een thermisch vermogen van tenminste 50 MW;
-
- „Belangrijke categorie van bronnen”: elke categorie van bronnen die luchtverontreinigende stoffen in de vorm van stikstofoxiden uitstoot of kan uitstoten, met inbegrip van de categorieën beschreven in de Technische Bijlage, en die een bijdrage levert van tenminste 10 procent van de totale nationale emissies van stikstofoxiden op jaarbasis zoals gemeten of berekend in het eerste kalenderjaar na de datum van inwerkingtreding van dit Protocol en elk vierde jaar daarna;
-
- „Nieuwe stationaire bron”: elke stationaire bron met de bouw of ingrijpende wijziging waarvan een aanvang is gemaakt na het verstrijken van twee jaar na de datum van inwerkingtreding van dit Protocol; en
-
- „Nieuwe mobiele bron”: een motorvoertuig of andere mobiele bron vervaardigd na het verstrijken van twee jaar na de datum van inwerkingtreding van dit Protocol.
Artikel 2. Fundamentele verplichtingen
De Partijen nemen, zo spoedig mogelijk en als eerste stap, doeltreffende maatregelen ter beheersing en/of vermindering van hun nationale jaarlijkse emissies van stikstofoxiden of de grensoverschrijdende stromen van deze verbindingen zodat deze, uiterlijk op 31 december 1994, niet groter zijn dan hun nationale jaarlijkse emissies van stikstofoxiden of de grensoverschrijdende stromen van deze emissies in het kalenderjaar 1987 of een eerder jaar, aan te geven bij ondertekening van of toetreding tot het Protocol mits daarnaast, wat betreft een Partij die zulk een eerder jaar aangeeft, haar nationale gemiddelde jaarlijkse grensoverschrijdende stromen of nationale gemiddelde jaarlijkse emissies van stikstofoxiden in het tijdvak van 1 januari 1987 tot 1 januari 1996 niet groter zijn dan haar grensoverschrijdende stromen in het kalenderjaar 1987.
Bovendien zullen de Partijen in het bijzonder en uiterlijk twee jaar na de datum van inwerkingtreding van dit Protocol:
- (a). nationale emissienormen toepassen op belangrijke nieuwe stationaire bronnen en/of categorieën van bronnen, en op ingrijpend gewijzigde stationaire bronnen in belangrijke categorieën van bronnen, gebaseerd op de beste beschikbare technologieën die economisch uitvoerbaar zijn, in aanmerking nemend de Technische Bijlage;
- (b). nationale emissienormen toepassen op nieuwe mobiele bronnen in alle belangrijke categorieën van bronnen, gebaseerd op de beste beschikbare technologieën die economisch uitvoerbaar zijn, in aanmerking nemend de Technische Bijlage en de desbetreffende besluiten genomen in het kader van het Inland Transport Committee van de Commissie; en
- (c). maatregelen ter bestrijding van verontreiniging invoeren met betrekking tot belangrijke bestaande stationaire bronnen, in aanmerking nemend de Technische Bijlage en de kenmerken van de installatie, de ouderdom en de mate van gebruik daarvan en de noodzaak nodeloze verstoring van de exploitatie te vermijden.
- (a). De Partijen beginnen als tweede stap uiterlijk zes maanden na de datum van inwerkingtreding van dit Protocol onderhandelingen omtrent verdere stappen ter vermindering van de nationale jaarlijkse emissies van stikstofoxiden of de grensoverschrijdende stromen van zodanige emissies, rekening houdend met de beste beschikbare wetenschappelijke en technologische ontwikkelingen, internationaal aanvaarde kritische belastingen en andere gegevens voortvloeiend uit het ingevolge artikel 6 opgestelde werkprogramma.
- (b). Hiertoe werken de Partijen samen teneinde te komen tot vaststelling van:
- (i). Kritische belastingen;
- (ii). Verminderingen van nationale jaarlijkse emissies van stikstofoxiden of grensoverschrijdende stromen van zodanige emissies zoals vereist voor het verwezenlijken van de op kritische belastingen gebaseerde overeengekomen doelstellingen; en
- (iii). Maatregelen en een uiterlijk 1 januari 1996 aanvangend tijdschema om zodanige verminderingen te bereiken.
De Partijen kunnen stringentere maatregelen nemen dan die welke in dit artikel zijn voorgeschreven.
Artikel 3. Uitwisseling van technologie
De Partijen vergemakkelijken, in overeenstemming met hun nationale wetten, voorschriften en gewoonten, de uitwisseling van technologie ter vermindering van emissies van stikstofoxiden, met name door de bevordering van:
- (a). Commerciële uitwisseling van beschikbare technologie;
- (b). Rechtstreekse contacten en samenwerking tussen industrieën, met inbegrip van gezamenlijke ondernemingen;
- (c). Uitwisseling van informatie en ervaring; en
- (d). Verlening van technische bijstand.
Ter bevordering van de in letters (a) tot en met (d) hierboven genoemde activiteiten, scheppen de Partijen gunstige voorwaarden door contacten en samenwerking tussen daarvoor in aanmerking komende organisaties en personen in de particuliere en de openbare sector die technologie, ontwerp- en constructiediensten, apparatuur of financiering kunnen verschaffen, te vergemakkelijken.
De Partijen beginnen uiterlijk zes maanden na de datum van inwerkingtreding van dit Protocol procedures te bestuderen voor het scheppen van gunstiger voorwaarden voor de uitwisseling van technologie ter vermindering van emissies van stikstofoxiden.
Artikel 4. Loodvrije brandstof
De Partijen maken zo spoedig mogelijk en uiterlijk twee jaar na de datum van inwerkingtreding van dit Protocol in voldoende mate loodvrije brandstof verkrijgbaar, in bepaalde gevallen tenminste langs de internationale hoofdverkeerswegen, ter vergemakkelijking van het verkeer van voertuigen die zijn uitgerust met een katalysator.
Artikel 5. Herziening
De Partijen onderwerpen dit Protocol regelmatig aan een toetsing, rekening houdend met de beste beschikbare wetenschappelijke verworvenheden en technologische ontwikkeling.
Het eerste onderzoek vindt plaats uiterlijk één jaar na de datum van inwerkingtreding van dit Protocol.
Artikel 6. Te verrichten werkzaamheden
De Partijen kennen een hoge prioriteit toe aan onderzoek en observaties met betrekking tot de ontwikkeling en toepassing van een op kritische belastingen gebaseerde aanpak, teneinde op wetenschappelijke grondslag de noodzakelijke verminderingen van emissies van stikstofoxiden te bepalen. De Partijen streven er in het bijzonder naar, via nationale onderzoekprogramma's, in het werkplan van het Uitvoerend Orgaan en via andere samenwerkingsprogramma's in het kader van het Verdrag:
- (a). de gevolgen van emissies van stikstofoxiden voor de mens, flora en fauna, water, bodem en materialen na te gaan en te kwantificeren, rekening houdend met de invloed daarop van stikstofoxiden uit andere bronnen dan atmosferische neerslag;
- (b). de geografische spreiding van gevoelige gebieden te bepalen;
- (c). meetmethoden en modelberekeningen te ontwikkelen, met inbegrip van geharmoniseerde methoden voor de berekening van emissies, ter kwantificering van verplaatsing over lange afstand van stikstofoxiden en aanverwante verontreinigende stoffen;
- (d). de ramingen te verbeteren van het rendement en de kosten van technologieën ter beheersing van emissies van stikstofoxiden en de ontwikkeling van verbeterde en nieuwe technologieën te boekstaven; en
- (e). in het kader van een op kritische belastingen gebaseerde aanpak methoden te ontwikkelen om te komen tot een samenhangend geheel van wetenschappelijke, technische en economische gegevens teneinde passende beheersingsstrategieën te bepalen.
Artikel 7. Nationale programma 's, beleidslijnen en strategieën
Ter uitvoering van de verplichtingen ingevolge dit Protocol stellen de Partijen zonder onnodig uitstel nationale programma's, beleidslijnen en strategieën op, die dienen als middel om emissies van stikstofoxiden of de grensoverschrijdende stromen van deze verbindingen te beheersen en te verminderen.
Artikel 8. Uitwisseling van informatie en jaarlijkse verslaglegging
De Partijen wisselen informatie uit door middel van kennisgeving aan het Uitvoerend Orgaan van de nationale programma's, beleidslijnen en strategieën die zij overeenkomstig artikel 7 hebben opgesteld, en door jaarlijkse verslaglegging aan het Orgaan omtrent de vooruitgang die is geboekt in het kader van deze programma's, beleidslijnen en strategieën, alsmede omtrent veranderingen daarin, en in het bijzonder omtrent:
- (a). de niveaus van de nationale jaarlijkse emissies van stikstofoxiden en de daarvoor gehanteerde berekeningsgrondslag;
- (b). voortgang bij de toepassing van nationale emissienormen, vereist ingevolge artikel 2, tweede lid, letters (a) en (b), en de toegepaste of toe te passen nationale emissienormen, alsmede de betrokken bronnen en/of categorieën van bronnen;
- (c). voortgang bij de invoering van de ingevolge artikel 2, tweede lid, letter (c), vereiste maatregelen ter beheersing van de verontreiniging, de betrokken bronnen en de ingevoerde of in te voeren maatregelen;
- (d). voortgang bij het verkrijgbaar maken van loodvrije brandstof;
- (e). maatregelen genomen ter vergemakkelijking van de uitwisseling van technologie; en
- (f). voortgang bij de vaststelling van kritische belastingen.
Deze informatie wordt voor zover mogelijk overgelegd volgens een uniform verslagleggingsschema.
Artikel 9. Berekeningen
Het EMEP verstrekt het Uitvoerend Orgaan, met gebruikmaking van passende modellen en tijdig voor de jaarvergadering van het Uitvoerend Orgaan, berekeningen van stikstofbudgets en tevens van grensoverschrijdende stromen en depositie van stikstofoxiden binnen de geografische reikwijdte van het EMEP. In gebieden buiten de geografische reikwijdte van het EMEP worden modellen gebruikt passend bij de bijzondere omstandigheden van de Partijen bij het Verdrag in die gebieden.
Artikel 10. Technische Bijlage
De Technische Bijlage bij dit Protocol draagt het karakter van een aanbeveling. Zij vormt een integrerend deel van het Protocol.
Artikel 11. Wijzigingen op het Protocol
Elke Partij kan wijzigingen op dit Protocol voorstellen.
De voorgestelde wijzigingen dienen schriftelijk te worden voorgelegd aan de Uitvoerend Secretaris van de Commissie, die alle Partijen daarvan mededeling doet. Het Uitvoerend Orgaan bespreekt de voorgestelde wijzigingen tijdens zijn eerstvolgende jaarlijkse vergadering, mits deze voorstellen door de Uitvoerend Secretaris tenminste 90 dagen voordien onder de Partijen zijn verspreid.
Andere wijzigingen op dit Protocol dan wijzigingen op de Technische Bijlage daarbij dienen bij consensus door de tijdens een vergadering van het Uitvoerend Orgaan aanwezige Partijen te worden aangenomen en worden van kracht voor de Partijen die de wijzigingen hebben aanvaard, op de negentigste dag na de datum waarop tweederde van de Partijen een akte van aanvaarding heeft nedergelegd. Voor elke Partij die wijzigingen aanvaardt nadat tweederde van de Partijen een akte van aanvaarding van de wijzigingen heeft nedergelegd, treden de wijzigingen in werking op de negentigste dag na de datum waarop die Partij haar akte van aanvaarding van de wijzigingen heeft nedergelegd.
Wijzigingen op de Technische Bijlage dienen bij consensus door de tijdens een vergadering van het Uitvoerend Orgaan aanwezige Partijen te worden aangenomen en worden van kracht dertig dagen na de datum waarop zij overeenkomstig het vijfde lid zijn medegedeeld.
De in het derde en het vierde lid bedoelde wijzigingen dienen zo spoedig mogelijk na hun aanneming te worden medegedeeld aan alle Partijen door de Uitvoerend Secretaris.
Artikel 12. Regeling van geschillen
Indien een geschil ontstaat tussen twee of meer Partijen met betrekking tot de uitlegging of de toepassing van dit Protocol, trachten zij tot een oplossing te komen door middel van onderhandelingen of enige andere methode voor de regeling van geschillen die voor de partijen bij het geschil aanvaardbaar is.
Artikel 13. Ondertekening
Dit Protocol staat open voor ondertekening te Sofia van 1 november 1988 tot en met 4 november 1988 en daarna op de Zetel van de Verenigde Naties te New York tot 5 mei 1989 door de lidstaten van de Commissie, alsmede door de Staten die een raadgevende status bij de Commissie hebben krachtens het bepaalde in paragraaf 8 van Resolutie 36 (IV) van de Economische en Sociale Raad van 28 maart 1947, en door organisaties voor regionale economische integratie die door soevereine Staten die lid zijn van de Commissie zijn opgericht en die bevoegd zijn te onderhandelen over internationale overeenkomsten met betrekking tot de onder dit Protocol vallende aangelegenheden en zulke overeenkomsten te sluiten en toe te passen, mits de betrokken Staten en organisaties Partij bij het Verdrag zijn.
Deze organisaties voor regionale economische integratie oefenen, wanneer het aangelegenheden betreft die onder hun bevoegdheid vallen, zelfstandig de rechten uit en vervullen de taken die door dit Protocol aan hun lidstaten worden toegekend. In deze gevallen mogen de lidstaten van deze organisaties deze rechten niet individueel uitoefenen.
Artikel 14. Bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring en toetreding
Dit Protocol dient te worden bekrachtigd, aanvaard of goedgekeurd door de ondertekenaars.
Dit Protocol staat vanaf 6 mei 1989 open voor toetreding door de Staten en organisaties bedoeld in artikel 13, eerste lid.
Een Staat of organisatie die tot dit Protocol toetreedt na 31 december 1993 mag de artikelen 2 en 4 niet later ten uitvoer leggen dan op 31 december 1995.
De akten van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding worden nedergelegd bij de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties, die de functies van depositaris vervult.
Artikel 15. Inwerkingtreding
Dit Protocol treedt in werking op de negentigste dag na de datum waarop de zestiende akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding is nedergelegd.
Voor elke in artikel 13, eerste lid, bedoelde Staat en organisatie die dit Protocol bekrachtigt, aanvaardt of goedkeurt of daartoe toetreedt na de nederlegging van de zestiende akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding, treedt dit Protocol in werking op de negentigste dag na de datum van nederlegging door deze Partij van haar akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding.
Artikel 16. Opzegging
Na vijf jaar, te rekenen van de datum waarop dit Protocol in werking is getreden voor een Partij, kan deze Partij te allen tijde dit Protocol opzeggen door middel van een aan de depositaris gerichte schriftelijke kennisgeving. Deze opzegging wordt van kracht op de negentigste dag na de datum waarop de depositaris deze kennisgeving heeft ontvangen of op een in de kennisgeving van opzegging aan te geven latere datum.
Artikel 17. Authentieke teksten
Het origineel van dit Protocol, waarvan de Engelse, de Franse en de Russische tekst gelijkelijk authentiek zijn, wordt nedergelegd bij de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties.
1
De bijlage heeft tot doel de Partijen bij het Verdrag een richtsnoer te bieden bij het zoeken naar mogelijkheden en technieken voor de beheersing van NOx ter nakoming van hun verplichtingen ingevolge het Protocol.
2
Deze bijlage is gebaseerd op gegevens inzake mogelijkheden en technieken voor de vermindering van NOx-emissies en de prestaties en kosten daarvan als vervat in officiële documentatie van het Uitvoerend Orgaan en de daaraan ondergeschikte lichamen en in documentatie van het Comité voor Binnenlands Vervoer van de ECE en de daaraan ondergeschikte organen, alsmede op aanvullende informatie, verstrekt door van regeringswege aangewezen deskundigen.
3
De bijlage is gericht op de beheersing van NOx-emissies, beschouwd als de som van stikstofoxide (NO) en stikstofdioxide (NO2), uitgedrukt als NO2, en geeft een aantal maatregelen en technieken ter vermindering van NOx die een breed scala van kosten en rendementen bestrijken. Tenzij anders is aangegeven, worden deze technieken geacht hun waarde terdege te hebben bewezen op grond van omvangrijke bedrijfservaring, die in de meeste gevallen werd opgedaan over een periode van ten minste vijf jaar. Deze bijlage kan echter niet als een uitputtende opsomming van beheersingsmogelijkheden worden beschouwd; zij heeft tot doel de Partijen een richtsnoer te bieden bij het zoeken naar de beste beschikbare technologieën die economisch haalbaar zijn als uitgangspunt voor nationale emissienormen en bij de invoering van maatregelen ter bestrijding van verontreiniging.
4
De keuze van maatregelen ter bestrijding van verontreiniging in een bepaald geval hangt af van een aantal factoren, waaronder de desbetreffende bepalingen van wetgevende en regelgevende aard, het verbruikspatroon van primaire energie, de industriële infrastructuur en de economische omstandigheden van de betrokken Partij en, in het geval van stationaire bronnen, de specifieke omstandigheden van de installatie. Tevens dient te worden beseft dat NOx-bronnen vaak ook bronnen van andere verontreinigende stoffen zijn, zoals zwaveloxiden (SOx), vluchtige organische verbindingen (VOC’s) en zwevende deeltjes. Bij het uitdenken van beheersingsmogelijkheden voor dergelijke bronnen moeten alle verontreinigende emissies gezamenlijk in aanmerking worden genomen, teneinde het totale bestrijdingseffect te maximaliseren en de inwerking op het milieu vanuit de desbetreffende bron tot een minimum te beperken.
5
De bijlage is een weergave van de stand van zaken met betrekking tot de kennis van en de ervaring met maatregelen ter beheersing van NOx, inclusief aanpassing van bestaande bronnen, die was bereikt in 1992 wat stationaire bronnen betreft, en in 1994 wat mobiele bronnen betreft. Aangezien deze kennis en ervaring zich voortdurend ontwikkelen, met name door middel van achtereenvolgens nieuwe voertuigen waarin lage-emissie-technologie is verwerkt, de ontwikkeling van alternatieve brandstoffen door middel van achtereenvolgens aanpassing van en andere strategieën voor bestaande voertuigen, dient de bijlage regelmatig te worden bijgewerkt en gewijzigd.
I. TECHNOLOGIEEN VOOR BEHEERSING VAN NOx-EMISSIES UIT STATIONAIRE BRONNEN
6
De verbranding van fossiele brandstoffen is de belangrijkste bron van antropogene NOx-emissies uit stationaire bronnen. Daarnaast kunnen enkele processen waarbij geen verbranding optreedt in aanzienlijke mate aan deze emissies bijdragen. De belangrijkste categorieën stationaire bronnen van NOx-emissies, gebaseerd op EMEP/CORINAIR ’90, omvatten:
- a. Openbare elektriciteits-, warmtekracht- en blokverwarmingscentrales:
- i. stoomketels;
- ii. stationaire verbrandingsturbines en inwendige-verbrandingsmotoren;
- b. Stookinstallaties in de sectoren bedrijven, diensten en huishoudens:
- i. bedrijfsketels;
- ii. huishoudelijke verwarmingsinstallaties;
- c. Industriële verbrandingsinstallaties en processen waarbij verbranding optreedt:
- i. stoomketels en procesfornuizen (geen direct contact tussen rookgas en produkten);
- ii. processen (direct contact) (bijvoorbeeld calcinatieprocessen in draaiovens, cement- en kalkproduktie enz., glasproduktie, metallurgische bewerking, pulpproduktie);
- d. Processen waarbij geen verbranding optreedt, (bijvoorbeeld de produktie van salpeterzuur);
- e. Winning, be-/verwerking en distributie van fossiele brandstoffen;
- f. Afvalbehandeling en -verwijdering, bijvoorbeeld verbranding van stedelijk en industrieel afval.
7
Wat het gebied van de ECE betreft, nemen verbrandingsprocessen (categorieën a, b, c en d) 85% van de NOx-emissies uit stationaire bronnen voor hun rekening. Processen waarbij geen verbranding optreedt, bijvoorbeeld produktieprocessen, nemen 12% van de totale NOx-emissies voor hun rekening en de winning, be/werking en distributie van fossiele brandstoffen 3%. Hoewel in veel ECE-landen elektriciteitscentrales in categorie a de grootste stationaire bron van NOx-emissies zijn, is het wegverkeer in het algemeen de grootste afzonderlijke bron van NOx- emissies, maar tussen de Partijen bij het Verdrag zijn er verschillen in de onderlinge verhouding van deze bronnen. Bovendien mogen industriële bronnen niet over het hoofd worden gezien.
ALGEMENE MOGELIJKHEDEN VOOR DE VERMINDERING VAN NOx-EMISSIES UIT VERBRANDING
8
Algemene mogelijkheden voor NOx-vermindering zijn:
- a. Maatregelen voor energiebeheer1)Mogelijkheden a i) en ii) zijn verwerkt in de energiestructuur / het energiebeleid van een Partij. Uitvoeringsstadium, rendement en kosten per sector blijven buiten beschouwing.:
- i. energiebesparing;
- ii. samenstelling van het energiepakket;
- b. Technische mogelijkheden:
- i. overschakelen op andere brandstoffen/brandstofreiniging;
- ii. andere verbrandingstechnologieën;
- iii. wijzigingen in het verbrandingsproces en andere processen;
- iv. rookgasbehandeling.
9
Teneinde het meest efficiënte programma voor NOx-vermindering te verkrijgen, naast de in letter a genoemde maatregelen, kan een combinatie van de in letter b gegeven technische mogelijkheden worden overwogen. Daarnaast behoeft de combinatie van wijzigingen in het verbrandingsproces en rookgasbehandeling een op de locatie toegesneden evaluatie.
10
In sommige gevallen kunnen mogelijkheden voor de vermindering van NOx-emissies ook leiden tot een vermindering van de emissies van CO2 en SO2 en andere verontreinigende stoffen.
Energiebesparing
11
Verstandig gebruik van energie (verbetering van rendement en processen, warmtekrachtkoppeling en/of beheer van de vraag) leidt gewoonlijk tot een vermindering van NOx-emissies.
Samenstelling van het energiepakket
12
In het algemeen kunnen de NOx-emissies worden verminderd door het aandeel van de energiebronnen waarvoor geen verbranding nodig is (d.w.z. waterkracht, kern- en windenergie, enz.) in het energiepakket te vergroten. Verdere milieu-effecten moeten echter in beschouwing worden genomen.
Overschakelen op andere brandstoffen/brandstofreiniging
13
In Tabel 1 zijn de onbestreden NOx-emissiewaarden weergegeven die voor de verschillende sectoren worden verwacht bij de verbranding van fossiele brandstoffen.
14
Overschakelen op andere brandstoffen (bijvoorbeeld van brandstoffen met hoog stikstofgehalte op brandstoffen met laag stikstofgehalte of van steenkool op gas) kan leiden tot lagere NOx-emissies, maar er kan sprake zijn van bepaalde restricties, zoals de beschikbaarheid van brandstoffen waarbij weinig NOx vrijkomt (bijvoorbeeld aardgas op bedrijfsniveau) en de mogelijkheden om bestaande ovens aan andere brandstoffen aan te passen. In veel ECE-landen worden sommige verbrandingsinstallaties op steenkool of olie vervangen door gasgestookte verbrandingsinstallaties.
15
Het verwijderen van stikstof uit brandstof is geen rendabele oplossing. Uitbreiding van de toepassing van de kraaktechnologie in raffinaderijen leidt echter ook tot een verlaging van het stikstofgehalte in het eindprodukt.
Andere verbrandingstechnologieën
16
Er zijn verbrandingstechnologieën met een beter thermisch rendement en minder NOx-emissies. Dit zijn o.a.:
- a. warmtekrachtkoppeling met gebruikmaking van gasturbines en motoren;
- b. wervelbedverbranding (FBC): vast bed (BFBC) en circulerend bed (CFBC);
- c. stoom/gasturbine-cyclus met geı¨ntegreerde kolenvergassing (IGCC);
- d. stoom/gasturbine-cyclus (CCGT).
17
De emissiewaarden bij deze technieken zijn beknopt weergegeven in Tabel 1.
18
Stationaire verbrandingsturbines kunnen ook in bestaande conventionele elektriciteitscentrales worden geïntegreerd (zogeheten „topping”). Het totale rendement kan met 5 tot 6% toenemen, maar de bereikbare NOx-vermindering is afhankelijk van de omstandigheden die worden bepaald door de locatie en de gebruikte brandstof. Gasturbines en -motoren worden op grote schaal toegepast bij warmtekrachtkoppeling. Doorgaans kan een energiebesparing van circa 30% worden bereikt. Bij beide technieken is aanzienlijke vooruitgang geboekt in het verminderen van NOx-emissies door middel van vernieuwingen in de verbrandings- en systeemtechnologie. Hiervoor zijn echter ingrijpende veranderingen in het bestaande ketelsysteem noodzakelijk.
19
Wervelbedverbranding (FBC) is een verbrandingstechnologie voor het verbranden van steenkool en bruinkool, maar hiermee kunnen ook andere vaste brandstoffen worden verbrand, zoals petroleumcokes en laagwaardige brandstoffen, zoals afval, turf en hout. Bovendien kunnen de emissies worden verminderd door middel van een geïntegreerde verbrandingsregeling in het systeem. Een nieuwere vorm van wervelbedverbranding is wervelbedverbranding onder druk (PFBC), die thans op de markt wordt gebracht voor de opwekking van elektriciteit en warmte. De totale bestaande capaciteit van wervelbedverbranding bedraagt ca. 30.000 MWth (250 tot 350 installaties), waaronder 8.000 MWth in installaties met een capaciteit van > 50 MWth.
20
Bij het IGCC-proces wordt kolenvergassing geïntegreerd met elektriciteitsopwekking in gecombineerde cyclus van gas- en stoomturbine. De vergaste kool wordt verbrand in de verbrandingskamer van de gasturbine. Deze technologie bestaat ook voor residuen van zware olie en bitumenemulsie. De bestaande capaciteit bedraagt thans ca. 1.000 MWel (5 installaties).
21
Momenteel worden gasgestookte elektriciteitscentrales met een rendement van 48-52% en verlaagde NOx-emissies gepland die gebruik maken van gecombineerde cyclus en geavanceerde gasturbines.
Wijzigingen in het verbrandingsproces en andere processen
22
Er worden maatregelen toegepast om de vorming van NOx tijdens het verbrandingsproces te beperken. Deze omvatten regeling van de verbrandingsluchtverhouding, vlamtemperatuur, brandstof/lucht-verhouding, enz. De onderstaande verbrandingstechnieken zijn, hetzij afzonderlijk, hetzij in combinatie, beschikbaar voor nieuwe en bestaande installaties. Zij worden op grote schaal toegepast in de elektriciteitssector en op sommige gebieden van de industriesector:
- a. verbranding met geringe lucht-overmaat (LEA);1)Gangbare aanpassingsmaatregelen, met beperkt rendement en beperkte toepassingsmogelijkheden.
- b. verminderde-lucht-voorverwarming (RAP);1)Gangbare aanpassingsmaatregelen, met beperkt rendement en beperkte toepassingsmogelijkheden.
- c. brander uit bedrijf (getrapte luchtvervoer) (BOOS);1)Gangbare aanpassingsmaatregelen, met beperkt rendement en beperkte toepassingsmogelijkheden.
- d. brander-onbalans (getrapte brandstoftoevoer) (BBF);1)Gangbare aanpassingsmaatregelen, met beperkt rendement en beperkte toepassingsmogelijkheden.
- e. lage-NOx-branders (LNB);1)Gangbare aanpassingsmaatregelen, met beperkt rendement en beperkte toepassingsmogelijkheden. en 2)Geaccepteerde moderne techniek in nieuwe installaties.
- f. rookgasrecirculatie (FGR);2)Geaccepteerde moderne techniek in nieuwe installaties.
- g. getrapte verbranding/bovenluchtbedrijf (OFA);1)Gangbare aanpassingsmaatregelen, met beperkt rendement en beperkte toepassingsmogelijkheden. en 2)Geaccepteerde moderne techniek in nieuwe installaties.
- h. in-vuurhaard-NOx-reductie (IFNR);3)Uitgevoerd in op zichzelf staande grote installaties in de bedrijfssector; slechts beperkte praktijkervaring.
- i. water-/stoominjectie en arm-mengsel-stooktechniek met voormenging.4)Voor verbrandingsturbines.
23
De emissiewaarden dankzij de toepassing van deze technieken zijn beknopt weergegeven in Tabel 1 (hoofdzakelijk op basis van ervaring in elektriciteitscentrales).
24
Het verbrandingsproces wordt voortdurend verder ontwikkeld en verbeterd. In-vuurhaard-NOx-reductie wordt getest in enkele grote demonstratie-installaties, terwijl fundamentele wijzigingen in het verbrandingsproces hoofdzakelijk worden doorgevoerd in het ontwerp van stoomketels en branders. De ontwerpen van moderne vuurhaarden omvatten bijvoorbeeld poorten voor bovenluchtverbranding en gas-/ oliebranders zijn geschikt gemaakt voor rookgasrecirculatie. De laatste generatie lage-NOx-branders kent een combinatie van zowel getrapte luchttoevoer als getrapte brandstoftoevoer. In de afgelopen jaren is in lidstaten van de ECE sprake van een opmerkelijke toeneming van volledige aanpassing van bestaande installaties om wijzigingen in het verbrandingsproces te verwezenlijken. In 1992 was er in totaal ca. 150.000 MW geïnstalleerd.
Rookgasbehandeling
25
Rookgasbehandeling heeft tot doel reeds gevormde NOx te verwijderen en wordt ook betiteld als secundaire maatregelen. Het is gebruikelijk om, waar mogelijk, primaire maatregelen toe te passen als eerste stap ter vermindering van NOx alvorens tot rookgasbehandeling over te gaan. De geaccepteerde moderne methoden voor rookgasbehandeling zijn alle gebaseerd op de verwijdering van NOx door middel van een droog chemisch proces.
26
Deze methoden zijn de volgende:
- a. selectieve katalytische reductie (SCR);
- b. selectieve niet-katalytische reductie (SNCR);
- c. gecombineerde NOx/SOx-verwijderingsprocessen:
- i. actieve-koolstofprocessen (AC);
- ii. gecombineerde katalytische NOx/SOx-verwijdering.
27
De emissiewaarden voor SCR en SNCR zijn beknopt weergegeven in Tabel 1. De gegevens zijn gebaseerd op de praktijkervaring in een groot aantal installaties waar deze technieken zijn toegepast. In 1991 waren er in het Europese deel van de ECE ca. 130 SCR-installaties, overeenkomend met 50.000 MWel, 12 SNCR-installaties (2.000 MWel), 1 AC-installatie (250 MWel) en 2 installaties met gecombineerde katalytische processen (400 MWel) gebouwd. Het rendement van NOx-verwijdering bij AC en gecombineerde katalytische processen is vergelijkbaar met dat van SCR.
28
In Tabel 1 zijn ook de kosten van de toepassing van NOx-verminderingstechnologieën beknopt weergegeven.
BEHEERSINGSTECHNIEKEN VOOR ANDERE SECTOREN
29
Anders dan bij de meeste verbrandingsprocessen, heeft de toepassing van wijzigingen in het verbrandingsproces en/of andere processen in de industriesector vele procesgebonden beperkingen. In cementovens of glassmeltovens zijn bijvoorbeeld bepaalde hogere temperaturen noodzakelijk om de kwaliteit van het produkt te garanderen. Wijzigingen in het verbrandingsproces die doorgaans worden toegepast zijn getrapte verbranding/lage-NOx-branders, rookgasrecirculatie en procesoptimalisatie (bijvoorbeeld precalcinatie in cementovens).
30
In Tabel 1 worden enkele voorbeelden gegeven.
NEVENEFFECTEN / BIJPRODUKTEN
31
De onderstaande neveneffecten zullen geen beletsel vormen voor de toepassing van een technologie of methode, maar moeten in overweging worden genomen wanneer er verschillende mogelijkheden voor NOx-vermindering zijn. Deze neveneffecten kunnen in het algemeen echter door een goed ontwerp en een goede bedrijfsvoering worden beperkt:
- a. wijzigingen in het verbrandingsproces:
- mogelijke daling van het totale rendement;
- toename van CO-vorming en koolwaterstofemissies;
- corrosie ten gevolge van reducerende atmosfeer;
- mogelijke N2O-vorming in systemen met wervelbedverbranding;
- mogelijke toename van het koolstofgehalte in de vliegas;
- b. SCR:
- NH3 in de vliegas;
- vorming van ammoniumzouten in installaties verderop in het proces;
- deactivering van de katalysator;
- toenemende omzetting van SO2 in SO3;
- c. SNCR:
- NH3 in de vliegas;
- vorming van ammoniumzouten in installaties verderop in het proces;
- mogelijke vorming van N2O.
32
Wat bijprodukten betreft, zijn gedeactiveerde katalysatoren bij het SCR-proces de enige produkten van belang. Omdat deze als afval worden aangemerkt, kunnen zij niet zonder meer worden verwijderd; er bestaan echter mogelijkheden voor hergebruik.
33
De produktie van de reagentia ammoniak en ureum voor rookgasbehandeling omvat een aantal afzonderlijke stadia waarvoor energie en grondstoffen nodig zijn. Opslagsystemen voor ammoniak vallen onder de desbetreffende veiligheidswetgeving en deze systemen zijn ontworpen als volledig gesloten systemen, met als resultaat een minimum aan ammoniakemissies. Het gebruik van NH3 staat echter niet ter discussie, zelfs niet wanneer men de indirecte emissies verband houdend met de produktie en het vervoer van NH3 in aanmerking neemt.
MONITORING EN RAPPORTAGE
34
De maatregelen genomen ter uitvoering van nationale strategieën en beleidslijnen ter bestrijding van luchtvervuiling omvatten voorschriften van wetgevende en regelgevende aard, economische prikkels en ontmoedigingsmaatregelen, alsmede technologische vereisten (beste beschikbare technologie).
35
In het algemeen kunnen emissiebeperkende normen per emissiebron worden opgesteld, naar gelang de grootte van de installatie, de werkwijze, de verbrandingstechnologie, het type brandstof en naar gelang het een nieuwe of een bestaande installatie betreft. Een andere benadering die ook wordt gehanteerd, is een doel vaststellen voor de vermindering van de totale NOx-emissies uit een groep bestaande bronnen en de Partijen toestaan te kiezen waar maatregelen moeten worden genomen om dit doel te bereiken („bubble concept”).
36
Op het beperken van de NOx-emissies tot de binnen het kader van de nationale wetgeving vastgestelde waarden dient te worden toegezien door middel van een permanent monitoring- en rapportagesysteem en hiervan dient verslag te worden gedaan aan de toezichthoudende autoriteiten.
37
Er zijn verscheidene monitoringsystemen beschikbaar, die werken met zowel continue als niet-continue meetmethoden. De kwaliteitseisen verschillen echter tussen de Partijen. De metingen dienen te worden verricht door gekwalificeerde instituten en met goedgekeurde meet-/ monitoringsystemen. Hiertoe zou een stelsel van certificering de beste garantie kunnen bieden.
38
In het kader van moderne geautomatiseerde monitoringsystemen en procesbesturingsapparatuur levert rapportage geen problemen op. Het verzamelen van gegevens voor verder gebruik is een geaccepteerde moderne techniek. De gegevens die aan de bevoegde autoriteiten moeten worden doorgegeven, verschillen echter van Partij tot Partij. Om deze beter te kunnen vergelijken, zouden de te rapporteren gegevens en voorschriften moeten worden geharmoniseerd. Harmonisatie is ook gewenst voor het waarborgen van de kwaliteit van meet-/monitoringsystemen. Dit moet in aanmerking worden genomen bij het vergelijken van gegevens afkomstig van verschillende Partijen.
39
Teneinde onderlinge afwijkingen en tegenstrijdigheden te vermijden, moeten belangrijke aangelegenheden en parameters, met inbegrip van de onderstaande, goed worden omschreven:
- omschrijven van de normen uitgedrukt in ppmv, mg/m3, g/GJ, kg/h of kg/t van het produkt. De meeste van deze eenheden moeten worden berekend en nader worden gespecificeerd wat betreft gastemperatuur, vochtigheid, druk, zuurstofgehalte of thermische belasting;
- omschrijven van het tijdvak waarover de normen kunnen worden gemiddeld, uitgedrukt in uren, maanden of een jaar;
- omschrijven van de duur van storingen en de bijbehorende noodregelingen betreffende het overbruggen van monitoringsystemen of het buiten werking stellen van de installatie;
- omschrijven van de methoden voor het achteraf aanvullen van gegevens die ontbreken of verloren zijn gegaan ten gevolge van een storing in de apparatuur;
- omschrijven van de reeks parameters die moet worden gemeten. De noodzakelijke informatie kan variëren, afhankelijk van het soort industriële processen. Dit heeft tevens betrekking op de plaatsing van het meetpunt binnen het systeem.
40
Er moet worden gezorgd voor kwaliteitscontrole op de metingen.
II. TECHNOLOGIEEN VOOR BEHEERSING VAN NOx-EMISSIES UIT MOBIELE BRONNEN
BELANGRIJKSTE MOBIELE BRONNEN VAN NOx-EMISSIES
41
De voornaamste mobiele bronnen van antropogene NOx-emissies omvatten:
Wegvoertuigen:
- op benzine en op dieselolie rijdende personenauto’s;
- lichte bedrijfswagens;
- zware vrachtwagens;
- motorfietsen en bromfietsen;
- tractoren (land- en bosbouw).
Terreinvoertuigen:
- machines voor de landbouw, de industrie en de bouwnijverheid.
Overige mobiele bronnen:
- spoorwegmaterieel;
- schepen en andere zeevaartuigen;
- luchtvaartuigen.
42
In veel ECE-landen is het wegvervoer een belangrijke bron van antropogene NOx-emissies, die tot tweederde van de totale nationale emissies voor haar rekening neemt. Huidige op benzine rijdende voertuigen nemen tot tweederde van de NOx-emissies van het totale nationale wegvervoer voor hun rekening. In een aantal gevallen zullen de NOx-emissies van het zware vrachtverkeer echter uitstijgen boven de afnemende emissies van personenauto’s.
43
In veel landen zijn wettelijke regelingen ingevoerd ter beperking van de emissie van verontreinigende stoffen uit wegvoertuigen. Voor terreinvoertuigen zijn in enkele ECE-landen emissienormen ingevoerd, mede voor NOx; bij de ECE zelf zijn deze in voorbereiding. De NOx- emissies uit deze overige bronnen kunnen aanzienlijk zijn.
44
Totdat andere gegevens beschikbaar zijn, worden in deze bijlage alleen wegvoertuigen behandeld.
ALGEMENE ASPECTEN VAN TECHNOLOGIEEN VOOR DE BEHEERSING VAN NOx-EMISSIES VAN WEGVOERTUIGEN
45
In deze bijlage gaat het om personenauto’s, lichte bedrijfswagens, motorfietsen, bromfietsen en zware vrachtwagens.
46
In deze bijlage komen zowel nieuwe als in gebruik zijnde voertuigen aan de orde, waarbij de aandacht voornamelijk gericht is op NOx-emissiebeheersing voor nieuwe typen voertuigen.
47
De cijfers betreffende de kosten voor de verschillende technologieën zijn geen detailhandelsprijzen, maar verwachte produktiekosten.
48
Het is van belang te verzekeren dat de emissienormen voor nieuwe voertuigen worden gehandhaafd wanneer zij in gebruik zijn genomen. Dit kan geschieden door middel van inspectie- en onderhoudsprogramma’s waarin gelijkvormigheid van de produktie, duurzaamheid voor de volledige gebruiksduur, garantie op emissiebeheersingsonderdelen en terugname van voertuigen die gebreken vertonen, worden verzekerd.
49
Fiscale voordelen kunnen de versnelde invoering van wenselijke technologie bevorderen. Aanpassing is van beperkt nut voor de vermindering van NOx-emissies en is wellicht moeilijk te verwezenlijken voor meer dan een klein percentage van alle voertuigen.
50
Voor technologieën waarbij gebruik wordt gemaakt van katalysatoren bij benzinemotoren met vonkontsteking is loodvrije brandstof vereist, die algemeen verkrijgbaar dient te zijn. De toepassing van nabehandelingstechnologieën bij dieselmotoren, zoals driewegkatalysatoren of deeltjesvangers, vereist het gebruik van laagzwavelige brandstoffen (zwavelgehalte maximaal 0,05%).
51
De beheersing van stedelijk verkeer en verkeer over lange afstanden, die in deze bijlage niet nader wordt uitgewerkt, is niettemin van belang als doelmatige bijkomende aanpak ter vermindering van NOx- emissies. Maatregelen ter vermindering van NOx-emissies en andere luchtverontreinigende stoffen kunnen het opleggen van snelheidslimieten en doelmatige verkeersbeheersing omvatten. De belangrijkste maatregelen voor verkeersbeheersing zijn gericht op het veranderen van de vervoerswijzeverdeling (modal split) wat betreft het openbaar vervoer en het vervoer over lange afstanden, met name in gevoelige gebieden, zoals steden of de Alpen, door het vervoer over te hevelen van de weg naar het spoor door middel van tactische, structurele, financiële en beperkende elementen en tevens via optimalisering van de logistiek van de distributiesystemen. Zij zullen tevens bevorderlijk zijn voor het verminderen van de overige schadelijke gevolgen van de toename van het verkeer, zoals geluidsoverlast, verkeersopstoppingen, enz.
52
Er zijn verscheidene technologieën en keuzemogelijkheden m.b.t. het ontwerp beschikbaar die gelijktijdige beheersing van diverse verontreinigende stoffen mogelijk maken. Bij enkele toepassingen zijn tegengestelde effecten ondervonden bij de vermindering van NOx-emissies (bijv. benzine- of dieselmotoren zonder katalysator). Dit kan veranderen met de toepassing van nieuwe technologieën (bijv. reinigende nabehandelingsvoorzieningen en elektronica. Dieselbrandstof met een vernieuwde samenstelling en brandstof die additieven bevat die de NOx na de verbranding reduceren, zouden ook een rol kunnen spelen in een strategie om de emissie van NOx uit dieselvoertuigen tegen te gaan.
TECHNOLOGIEEN VOOR DE BEHEERSING VAN NOx-EMISSIES UIT WEGVOERTUIGEN
Op benzine en op dieselolie rijdende personenauto’s en lichte bedrijfswagens
53
De belangrijkste technologieën voor het beheersen van NOx- emissies zijn vermeld in tabel 2.
54
De basis voor vergelijking in tabel 2 is technologie B, een nietkatalytische technologie, ontwikkeld om te voldoen aan de vereisten van de Verenigde Staten voor 1973-74 of van ECE-Reglement 15-041)Vervangen door Reglement nr. 83. ingevolge de Overeenkomst van 1958 betreffende het aannemen van eenvormige goedkeuringsvoorwaarden en de wederzijdse erkenning van goedkeuring van uitrustingsstukken en onderdelen van motorrijtuigen. De tabel geeft ook de karakteristieke emissieniveaus weer voor ongeregelde en geregelde katalysatoren, alsmede de kosten ervan.
55
Het niveau „zonder emissiebeheersing” (A) in tabel 2 verwijst naar de situatie in de ECE-regio in 1970, maar kan in bepaalde gebieden nog steeds voorkomen.
56
Het emissieniveau in tabel 2 geeft emissies weer die zijn gemeten door middel van standaard-beproevingsprocedures. Emissies uit voertuigen op de weg kunnen hiervan afwijken onder invloed van, onder meer, de omgevingstemperatuur, de rijomstandigheden (met name bij hogere snelheid), de brandstof en het onderhoud. Het in tabel 2 aangegeven verminderingspotentieel wordt echter als representatief beschouwd voor de verminderingen die in de praktijk haalbaar zijn.
57
De meest doelmatige momenteel beschikbare technologie voor de vermindering van NOx-emissies is keuzemogelijkheid E. Deze technologie levert grote verminderingen op van emissies van NOx, vluchtige organische verbindingen (VOC’s) en CO.
58
In reactie op regelgeving voor verdere vermindering van NOx- emissies (bijv. voertuigen met lage emissieniveaus in Californië) zijn verbeterde geregelde drieweg-katalysatoren in ontwikkeling (keuzemogelijkheid F). De verbeteringen betreffen vooral motormanagement, zeer nauwkeurige beheersing van de verhouding lucht/brandstof, zwaardere belasting van de katalysator, ingebouwde diagnosesystemen (OBD’s) en andere moderne beheersingstechnieken.
Motorfietsen en bromfietsen
59
Hoewel de feitelijke NOx-emissies van motorfietsen en bromfietsen zeer laag zijn (bijv. bij tweetaktmotoren), dienen ze toch in aanmerking te worden genomen. Terwijl de VOC-emissies van deze voertuigen door vele Partijen bij het Verdrag zullen worden beperkt, kunnen de NOx-emissies toenemen (bijv. bij viertaktmotoren). In het algemeen zijn dezelfde technologische keuzemogelijkheden als beschreven voor op benzine rijdende personenauto’s van toepassing. In Oostenrijk en Zwitserland worden reeds strenge NOx-emissienormen gehanteerd.
Zware, op dieselolie rijdende vrachtwagens
60
In tabel 3 zijn drie technologische keuzemogelijkheden beknopt weergegeven. De referentieconfiguratie van motoren is die van de drukgevulde dieselmotor. De tendens is dat deze worden vervangen door drukgevulde motoren met tussenkoeling, moderne brandstofinspuitsystemen en elektronische regeling. Deze tendens zou kunnen leiden tot verbetering van het referentiebrandstofverbruik. Vergelijkende schattingen van het brandstofverbruik zijn niet in de tabel opgenomen.
BEHEERSINGSTECHNIEKEN VOOR IN GEBRUIK ZIJNDE VOERTUIGEN
Volledige gebruiksduur, terugname en garantie
61
Ter bevordering van duurzame emissiebeheersingssystemen dient aandacht te worden geschonken aan emissienormen die niet mogen worden overschreden gedurende de „volledige gebruiksduur” van het voertuig. Er zijn toezichtprogramma’s nodig om zorg te dragen voor de naleving van dit vereiste. Dergelijke programma’s houden in dat fabrikanten voertuigen die niet aan de vereiste normen voldoen, moeten terugnemen. Om te verzekeren dat de eigenaar geen met de produktie verband houdende problemen ondervindt, dienen fabrikanten garanties te bieden voor emissiebeheersingsonderdelen.
62
Er mag geen sprake zijn van instrumenten die de doelmatigheid van emissiebeheersingssystemen verminderen of deze buiten werking stellen gedurende welke rijomstandigheden dan ook, behalve onder omstandigheden die noodzakelijk zijn voor probleemloos rijden (bijv. een koude start).
Inspectie en onderhoud
63
Het inspectie- en onderhoudsprogramma heeft een belangrijke bijkomende functie. Het kan eigenaren van voertuigen aanmoedigen tot regelmatig onderhoud, en ontmoedigen met de emissiebeheersingsonderdelen te knoeien of deze buiten werking te stellen, zowel door rechtstreeks toezicht als door voorlichting. Via inspectie dient te worden geverifieerd of de emissiebeheersingsonderdelen functioneren zoals zij oorspronkelijk werkten. Tevens dient hiermee te worden gewaarborgd dat de emissiebeheersingssystemen niet zijn verwijderd.
64
Betere monitoring van de emissiebeheersing kan worden bereikt met behulp van ingebouwde diagnosesystemen (OBD’s) die het functioneren van de emissiebeheersingsonderdelen controleren, foutcodes opslaan voor nader onderzoek en, in geval van een defect, de bestuurder hierop attenderen, teneinde het te doen repareren.
65
Inspectie- en onderhoudsprogramma’s kunnen gunstig zijn voor alle soorten technologie voor emissiebeheersing, door te waarborgen dat de emissieniveaus van nieuwe voertuigen worden gehandhaafd. Bij voertuigen met emissiebeheersing is het van wezenlijk belang ervoor te zorgen dat de technische normen en instellingen van nieuwe voertuigen worden gehandhaafd, teneinde verslechtering ten aanzien van alle belangrijke verontreinigende stoffen, met inbegrip van NOx, te vermijden.
Broncategorie (i): Openbare electriciteitsopwekking-, warmtekracht- en blokverwarmingscentrales
| Energiebron | Onbestreden emissies | Onbestreden emissies | Wijzingen in verbrandingsproces en andere processen | Wijzingen in verbrandingsproces en andere processen | Wijzingen in verbrandingsproces en andere processen | Rookgas-behandeling: | Rookgas-behandeling: | (a) Niet-katalytisch | (b) Katalytisch (na primaire maatregelen) | (b) Katalytisch (na primaire maatregelen) | (b) Katalytisch (na primaire maatregelen) | |
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| mg/m31)Emissies in mg/m3 NO2 (NTD droog) resp. g/GJ thermische belasting. Conversiefactoren (mg/m3 in g/GJ) bij NOx-emissies uit kolen (steenkool): 0.35, kolen (bruinkool): 0.42, olie/gas: 0.277, turf: 0.5, hout + schors: 0.588 [1 g/GJ = 3.6 mg/kWh]. | g/GJ1)Emissies in mg/m3 NO2 (NTD droog) resp. g/GJ thermische belasting. Conversiefactoren (mg/m3 in g/GJ) bij NOx-emissies uit kolen (steenkool): 0.35, kolen (bruinkool): 0.42, olie/gas: 0.277, turf: 0.5, hout + schors: 0.588 [1 g/GJ = 3.6 mg/kWh]. | mg/m31)Emissies in mg/m3 NO2 (NTD droog) resp. g/GJ thermische belasting. Conversiefactoren (mg/m3 in g/GJ) bij NOx-emissies uit kolen (steenkool): 0.35, kolen (bruinkool): 0.42, olie/gas: 0.277, turf: 0.5, hout + schors: 0.588 [1 g/GJ = 3.6 mg/kWh]. | g/GJ1)Emissies in mg/m3 NO2 (NTD droog) resp. g/GJ thermische belasting. Conversiefactoren (mg/m3 in g/GJ) bij NOx-emissies uit kolen (steenkool): 0.35, kolen (bruinkool): 0.42, olie/gas: 0.277, turf: 0.5, hout + schors: 0.588 [1 g/GJ = 3.6 mg/kWh]. | ECU/kWel2)Totale investeringen 1 ECU = 2 DM. | mg/m31)Emissies in mg/m3 NO2 (NTD droog) resp. g/GJ thermische belasting. Conversiefactoren (mg/m3 in g/GJ) bij NOx-emissies uit kolen (steenkool): 0.35, kolen (bruinkool): 0.42, olie/gas: 0.277, turf: 0.5, hout + schors: 0.588 [1 g/GJ = 3.6 mg/kWh]. | g/GJ1)Emissies in mg/m3 NO2 (NTD droog) resp. g/GJ thermische belasting. Conversiefactoren (mg/m3 in g/GJ) bij NOx-emissies uit kolen (steenkool): 0.35, kolen (bruinkool): 0.42, olie/gas: 0.277, turf: 0.5, hout + schors: 0.588 [1 g/GJ = 3.6 mg/kWh]. | ECU/kWel2)Totale investeringen 1 ECU = 2 DM. | mg/m31)Emissies in mg/m3 NO2 (NTD droog) resp. g/GJ thermische belasting. Conversiefactoren (mg/m3 in g/GJ) bij NOx-emissies uit kolen (steenkool): 0.35, kolen (bruinkool): 0.42, olie/gas: 0.277, turf: 0.5, hout + schors: 0.588 [1 g/GJ = 3.6 mg/kWh]. | g/GJ1)Emissies in mg/m3 NO2 (NTD droog) resp. g/GJ thermische belasting. Conversiefactoren (mg/m3 in g/GJ) bij NOx-emissies uit kolen (steenkool): 0.35, kolen (bruinkool): 0.42, olie/gas: 0.277, turf: 0.5, hout + schors: 0.588 [1 g/GJ = 3.6 mg/kWh]. | ECU/kWel2)Totale investeringen 1 ECU = 2 DM. | ||
| Stoomketels: | ||||||||||||
| - Steenkool, vloeibare asaftap4)Bij 5% O2. | 1500-2 200 | 530-770 | 1 000-1 800 | 350-630 | 3-25 | geen gegevens | geen gegevens | < 200 | < 70 | 50-100(125-200)12)Nageschakelde (tail gas) versus voor geschakelde (high dust) SCR-opstelling. | ||
| - Steenkool, droge asaftap5)Bij 6% O2. | 800-1 500 | 280-530 | 300-850 | 100-300 | 3-25 | 200-400 | 70-140 | 9-11 | < 200 | < 70 | 50-100(125-200)12)Nageschakelde (tail gas) versus voor geschakelde (high dust) SCR-opstelling. | |
| - Bruinkool5)Bij 6% O2. | 450-750 | 189-315 | 190-300 | 80-126 | 30-40 | < 200 | <84 | < 200 | < 85 | 80-100 | ||
| - Zware olie6)Bij 3% O2. | 700-1 400 | 140-400 | 150-500 | 40-140 | tot 20 | 175-250 | 50-70 | 6-8 | < 150 | < 40 | 50-70 | |
| - Lichte olie6)Bij 3% O2. | 350-1200 | 100-332 | 100-350 | 30-100 | tot 20 | geen gegevens | 6-8 | < 150 | < 40 | 50-70 | ||
| - BE14)Bitumenemulsie. | 800 | geen gegevens | geen gegevens | geen gegevens | geen gegevens | |||||||
| - Aardgas6)Bij 3% O2. | 150-600 | 40-170 | 50-200 | 15-60 | 3-20 | geen gegevens | 5-7 | < 100 | < 30 | |||
| FBC | 200-700 | 180-400 | 1400-1 6007)Incl. kosten van stoomketel. | < 130 | geen gegevens | |||||||
| PFBC IGCC13)Bij 5% O2. | 150-200 <600 | 50-70 | < 100 | 1 0007)Incl. kosten van stoomketel. | 60 | < 140 | < 50 | |||||
| Gasturbines + CCGT13)Bij 5% O2.18)Met bijstoken; extra thermische NOx bij benadering: 0-20 g/GJ. | Investeringskosten: | geen gegevens | ||||||||||
| - aardgas | 165-310 | 140-270 | 30-150 | 26-130 | Droog: 50-100 ECU/kWel2)Totale investeringen 1 ECU = 2 DM. | n.v.t. | 20 | 17 | ||||
| - dieselolie | 235-430 | 200-370 | 50-200 | 45-175 | Nat: 10-50 ECU/kWel2)Totale investeringen 1 ECU = 2 DM. | n.v.t. | 120-180 | 70 | ||||
| Inw.-verbr.-motoren 4) Bij 5% O2. (aardgas < 1 MWel) | 4 800-6 300 | 1500-2 000 | 320-640 | 100-200 |
Categorie (ii): Stookinstallaties in de sectoren bedrijven, diensten en huishoudens
| Energiebron | Onbestreden emissies | Onbestreden emissies | Wijzingen in verbrandingsproces en andere processen | Wijzingen in verbrandingsproces en andere processen | Wijzingen in verbrandingsproces en andere processen | Rookgas-behandeling: | Rookgas-behandeling: | (a) Niet-katalytisch | (b) Katalytisch (na primaire maatregelen) | (b) Katalytisch (na primaire maatregelen) | (b) Katalytisch (na primaire maatregelen) | |
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| mg/m31)Emissies in mg/m3 NO2 (NTD droog) resp. g/GJ thermische belasting. Conversiefactoren (mg/m3 in g/GJ) bij NOx-emissies uit kolen (steenkool): 0.35, kolen (bruinkool): 0.42, olie/gas: 0.277, turf: 0.5, hout + schors: 0.588 [1 g/GJ = 3.6 mg/kWh]. | g/GJ1)Emissies in mg/m3 NO2 (NTD droog) resp. g/GJ thermische belasting. Conversiefactoren (mg/m3 in g/GJ) bij NOx-emissies uit kolen (steenkool): 0.35, kolen (bruinkool): 0.42, olie/gas: 0.277, turf: 0.5, hout + schors: 0.588 [1 g/GJ = 3.6 mg/kWh]. | mg/m31)Emissies in mg/m3 NO2 (NTD droog) resp. g/GJ thermische belasting. Conversiefactoren (mg/m3 in g/GJ) bij NOx-emissies uit kolen (steenkool): 0.35, kolen (bruinkool): 0.42, olie/gas: 0.277, turf: 0.5, hout + schors: 0.588 [1 g/GJ = 3.6 mg/kWh]. | g/GJ1)Emissies in mg/m3 NO2 (NTD droog) resp. g/GJ thermische belasting. Conversiefactoren (mg/m3 in g/GJ) bij NOx-emissies uit kolen (steenkool): 0.35, kolen (bruinkool): 0.42, olie/gas: 0.277, turf: 0.5, hout + schors: 0.588 [1 g/GJ = 3.6 mg/kWh]. | ECU/kWel2)Totale investeringen 1 ECU = 2 DM. | mg/m31)Emissies in mg/m3 NO2 (NTD droog) resp. g/GJ thermische belasting. Conversiefactoren (mg/m3 in g/GJ) bij NOx-emissies uit kolen (steenkool): 0.35, kolen (bruinkool): 0.42, olie/gas: 0.277, turf: 0.5, hout + schors: 0.588 [1 g/GJ = 3.6 mg/kWh]. | g/GJ1)Emissies in mg/m3 NO2 (NTD droog) resp. g/GJ thermische belasting. Conversiefactoren (mg/m3 in g/GJ) bij NOx-emissies uit kolen (steenkool): 0.35, kolen (bruinkool): 0.42, olie/gas: 0.277, turf: 0.5, hout + schors: 0.588 [1 g/GJ = 3.6 mg/kWh]. | ECU/kWel2)Totale investeringen 1 ECU = 2 DM. | mg/m31)Emissies in mg/m3 NO2 (NTD droog) resp. g/GJ thermische belasting. Conversiefactoren (mg/m3 in g/GJ) bij NOx-emissies uit kolen (steenkool): 0.35, kolen (bruinkool): 0.42, olie/gas: 0.277, turf: 0.5, hout + schors: 0.588 [1 g/GJ = 3.6 mg/kWh]. | g/GJ1)Emissies in mg/m3 NO2 (NTD droog) resp. g/GJ thermische belasting. Conversiefactoren (mg/m3 in g/GJ) bij NOx-emissies uit kolen (steenkool): 0.35, kolen (bruinkool): 0.42, olie/gas: 0.277, turf: 0.5, hout + schors: 0.588 [1 g/GJ = 3.6 mg/kWh]. | ECU/kWel2)Totale investeringen 1 ECU = 2 DM. | ||
| Steenkool | 110-500 | 40-175 | ||||||||||
| Bruinkool | 70-400 | 30-160 | ||||||||||
| Lichte olie | 180-440 | 50-120 | 130-250 | 35-70 | ||||||||
| Gas | 140-290 | 40-80 | 60-150 | 16-40 | 2-10 | |||||||
| Hout15)Uitsluitend onbehandeld hout. | 85-200 | 50-120 | 70-140 | 40-80 |
Categorie (iii) Industriële verbrandingsinstallaties en processen waarbij verbranding optreedt
| Energiebron | Onbestreden emissies | Onbestreden emissies | Wijzingen in verbrandingsproces en andere processen | Wijzingen in verbrandingsproces en andere processen | Wijzingen in verbrandingsproces en andere processen | Rookgas-behandeling: | Rookgas-behandeling: | (a) Niet-katalytisch | (b) Katalytisch (na primaire maatregelen) | (b) Katalytisch (na primaire maatregelen) | (b) Katalytisch (na primaire maatregelen) | |
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| mg/m31)Emissies in mg/m3 NO2 (NTD droog) resp. g/GJ thermische belasting. Conversiefactoren (mg/m3 in g/GJ) bij NOx-emissies uit kolen (steenkool): 0.35, kolen (bruinkool): 0.42, olie/gas: 0.277, turf: 0.5, hout + schors: 0.588 [1 g/GJ = 3.6 mg/kWh]. | g/GJ1)Emissies in mg/m3 NO2 (NTD droog) resp. g/GJ thermische belasting. Conversiefactoren (mg/m3 in g/GJ) bij NOx-emissies uit kolen (steenkool): 0.35, kolen (bruinkool): 0.42, olie/gas: 0.277, turf: 0.5, hout + schors: 0.588 [1 g/GJ = 3.6 mg/kWh]. | mg/m31)Emissies in mg/m3 NO2 (NTD droog) resp. g/GJ thermische belasting. Conversiefactoren (mg/m3 in g/GJ) bij NOx-emissies uit kolen (steenkool): 0.35, kolen (bruinkool): 0.42, olie/gas: 0.277, turf: 0.5, hout + schors: 0.588 [1 g/GJ = 3.6 mg/kWh]. | g/GJ1)Emissies in mg/m3 NO2 (NTD droog) resp. g/GJ thermische belasting. Conversiefactoren (mg/m3 in g/GJ) bij NOx-emissies uit kolen (steenkool): 0.35, kolen (bruinkool): 0.42, olie/gas: 0.277, turf: 0.5, hout + schors: 0.588 [1 g/GJ = 3.6 mg/kWh]. | ECU/kWel2)Totale investeringen 1 ECU = 2 DM. | mg/m31)Emissies in mg/m3 NO2 (NTD droog) resp. g/GJ thermische belasting. Conversiefactoren (mg/m3 in g/GJ) bij NOx-emissies uit kolen (steenkool): 0.35, kolen (bruinkool): 0.42, olie/gas: 0.277, turf: 0.5, hout + schors: 0.588 [1 g/GJ = 3.6 mg/kWh]. | g/GJ1)Emissies in mg/m3 NO2 (NTD droog) resp. g/GJ thermische belasting. Conversiefactoren (mg/m3 in g/GJ) bij NOx-emissies uit kolen (steenkool): 0.35, kolen (bruinkool): 0.42, olie/gas: 0.277, turf: 0.5, hout + schors: 0.588 [1 g/GJ = 3.6 mg/kWh]. | ECU/kWel2)Totale investeringen 1 ECU = 2 DM. | mg/m31)Emissies in mg/m3 NO2 (NTD droog) resp. g/GJ thermische belasting. Conversiefactoren (mg/m3 in g/GJ) bij NOx-emissies uit kolen (steenkool): 0.35, kolen (bruinkool): 0.42, olie/gas: 0.277, turf: 0.5, hout + schors: 0.588 [1 g/GJ = 3.6 mg/kWh]. | g/GJ1)Emissies in mg/m3 NO2 (NTD droog) resp. g/GJ thermische belasting. Conversiefactoren (mg/m3 in g/GJ) bij NOx-emissies uit kolen (steenkool): 0.35, kolen (bruinkool): 0.42, olie/gas: 0.277, turf: 0.5, hout + schors: 0.588 [1 g/GJ = 3.6 mg/kWh]. | ECU/kWel2)Totale investeringen 1 ECU = 2 DM. | ||
| Industriële verbrandingsinstallaties: | ||||||||||||
| - steenkool (poederkoolverbranding)8)Bij 7% O2. | 600-2200 | 200-770 | tot 700 | tot 245 | ||||||||
| - steenkool (rooster vuurhaard)3)NO2 (NTD droog) resp. g/GJ thermische belasting. Conversiefactoren (mg/m3 in g/GJ) bij NOx-emissies uit kolen (steenkool): 0.35, kolen (bruinkool): 0.42, olie/gas: 0.277, turf: 0.5, hout +schors: 0.588 [1 g/GJ = 3.6 mg/kWh]. | 150-600 | 50-200 | tot 500 | tot 175 | ||||||||
| - Bruinkool | 200-800 | 80-340 | ||||||||||
| - Zware olie6)Bij 3% O2. | 400-1 000 | 110-280 | tot 650 | tot 180 | ||||||||
| - Lichte olie6)Bij 3% O2. | 150-400 | 40-110 | tot 250 | tot 70 | ||||||||
| - Aardgas 6) Bij 3% O2.Gasturbines CCGT:13)Bij 5% O2.18)Met bijstoken; extra thermische NOx bij benadering: 0-20 g/GJ. | 100-300 | 30-80 | tot 150 | tot 42 | 2-10 Investeringskosten: | |||||||
| - aardgas | 165-310 | 140-270 | 30-150 | 26-130 | Droog: 50-100 ECU/kWel2)Totale investeringen 1 ECU = 2 DM. | n.v.t. | 20 | 17 | ||||
| - dieselolie | 235-430 | 200-370 | 50-200 | 45-175 | Nat: 10-50 ECU/kWel2)Totale investeringen 1 ECU = 2 DM. | n.v.t. | 120-180 | 70 | ||||
| Energiebron | Onbestreden emissies | Onbestreden emissies | Wijzingen in verbrandingsproces en andere processen | Wijzingen in verbrandingsproces en andere processen | Wijzingen in verbrandingsproces en andere processen | Rookgas-behandeling: | Rookgas-behandeling: | (a) Niet-katalytisch | (b) Katalytisch (na primaire maatregelen) | (b) Katalytisch (na primaire maatregelen) | (b) Katalytisch (na primaire maatregelen) | |
| --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- |
| mg/m31)Emissies in mg/m3 NO2 (NTD droog) resp. g/GJ thermische belasting. Conversiefactoren (mg/m3 in g/GJ) bij NOx-emissies uit kolen (steenkool): 0.35, kolen (bruinkool): 0.42, olie/gas: 0.277, turf: 0.5, hout + schors: 0.588 [1 g/GJ = 3.6 mg/kWh]. | g/GJ1)Emissies in mg/m3 NO2 (NTD droog) resp. g/GJ thermische belasting. Conversiefactoren (mg/m3 in g/GJ) bij NOx-emissies uit kolen (steenkool): 0.35, kolen (bruinkool): 0.42, olie/gas: 0.277, turf: 0.5, hout + schors: 0.588 [1 g/GJ = 3.6 mg/kWh]. | mg/m31)Emissies in mg/m3 NO2 (NTD droog) resp. g/GJ thermische belasting. Conversiefactoren (mg/m3 in g/GJ) bij NOx-emissies uit kolen (steenkool): 0.35, kolen (bruinkool): 0.42, olie/gas: 0.277, turf: 0.5, hout + schors: 0.588 [1 g/GJ = 3.6 mg/kWh]. | g/GJ1)Emissies in mg/m3 NO2 (NTD droog) resp. g/GJ thermische belasting. Conversiefactoren (mg/m3 in g/GJ) bij NOx-emissies uit kolen (steenkool): 0.35, kolen (bruinkool): 0.42, olie/gas: 0.277, turf: 0.5, hout + schors: 0.588 [1 g/GJ = 3.6 mg/kWh]. | ECU/kWel2)Totale investeringen 1 ECU = 2 DM. | mg/m31)Emissies in mg/m3 NO2 (NTD droog) resp. g/GJ thermische belasting. Conversiefactoren (mg/m3 in g/GJ) bij NOx-emissies uit kolen (steenkool): 0.35, kolen (bruinkool): 0.42, olie/gas: 0.277, turf: 0.5, hout + schors: 0.588 [1 g/GJ = 3.6 mg/kWh]. | g/GJ1)Emissies in mg/m3 NO2 (NTD droog) resp. g/GJ thermische belasting. Conversiefactoren (mg/m3 in g/GJ) bij NOx-emissies uit kolen (steenkool): 0.35, kolen (bruinkool): 0.42, olie/gas: 0.277, turf: 0.5, hout + schors: 0.588 [1 g/GJ = 3.6 mg/kWh]. | ECU/kWel2)Totale investeringen 1 ECU = 2 DM. | mg/m31)Emissies in mg/m3 NO2 (NTD droog) resp. g/GJ thermische belasting. Conversiefactoren (mg/m3 in g/GJ) bij NOx-emissies uit kolen (steenkool): 0.35, kolen (bruinkool): 0.42, olie/gas: 0.277, turf: 0.5, hout + schors: 0.588 [1 g/GJ = 3.6 mg/kWh]. | g/GJ1)Emissies in mg/m3 NO2 (NTD droog) resp. g/GJ thermische belasting. Conversiefactoren (mg/m3 in g/GJ) bij NOx-emissies uit kolen (steenkool): 0.35, kolen (bruinkool): 0.42, olie/gas: 0.277, turf: 0.5, hout + schors: 0.588 [1 g/GJ = 3.6 mg/kWh]. | ECU/kWel2)Totale investeringen 1 ECU = 2 DM. | ||
| FBC8)Bij 7% O2. | 100-700 | 100-600 | ||||||||||
| Inw.-verbr.-motoren (aardgas)4)Bij 5% O2. | 4 800-6 300 | 1 500-2 000 | 320-640 | 100-200 | ||||||||
| Industriële processen: | ||||||||||||
| - Calcinatie Glas: | 500-800 | |||||||||||
| - Spiegelglas | 6 kg/t | 500-2000 | < 500 | |||||||||
| - Houders | 2.5 kg/t | |||||||||||
| - Glasvezel | 0.5 kg/t | |||||||||||
| - industrieel glas | 4.2 kg/t | |||||||||||
| Metalen | ||||||||||||
| - Sinteren | 300-50016)Warmteterugwinning en gasrecirculatie. | 1.5 kg/t | < 500 | |||||||||
| - Cokesovens | 1 000 | 1 kg/t | ||||||||||
| - „Baked Carbon” - brandstoffen | < 3 000 | |||||||||||
| Vlamboogovens | 50-200 | |||||||||||
| Papier en pulp: | ||||||||||||
| - „Black Liquor” | 17017)Bij <75% droge stof. | (50-80 g/GJ) | (20-40) g/GJ) | 60 | 13-20 |
Categorie (iv): Processen waarbij geen verbranding opteedt
| Energiebron | Onbestreden emissies | Onbestreden emissies | Wijzigingen in de processen | Wijzigingen in de processen | Wijzigingen in de processen | Rookgas- behandeling | Rookgas- behandeling | (a) Nietkatalytisch | (b) Katalytisch (na primaire maat- regelen) | (b) Katalytisch (na primaire maat- regelen) | (b) Katalytisch (na primaire maat- regelen) | |
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| mg/m3)1)Emissies in mg/m3 NO2 (NTD droog) resp. g/GJ thermische belasting. Conversiefactoren (mg/m3 in g/GJ) bij NOx-emissies uit kolen (steenkool): 0.35, kolen (bruinkool): 0.42, olie/gas: 0.277, turf: 0.5, hout +schors: 0.588 [1 g/GJ = 3.6 mg/kWh]. | kg/t9)Emissies uit industriële processen worden gewoonlijk weergegeven in kg/t van het produkt. | mg/m3 )1)Emissies in mg/m3 NO2 (NTD droog) resp. g/GJ thermische belasting. Conversiefactoren (mg/m3 in g/GJ) bij NOx-emissies uit kolen (steenkool): 0.35, kolen (bruinkool): 0.42, olie/gas: 0.277, turf: 0.5, hout +schors: 0.588 [1 g/GJ = 3.6 mg/kWh]. | kg/t9)Emissies uit industriële processen worden gewoonlijk weergegeven in kg/t van het produkt. | ECU/t2)Totale investeringen 1 ECU = 2 DM. | mg/m3 )1)Emissies in mg/m3 NO2 (NTD droog) resp. g/GJ thermische belasting. Conversiefactoren (mg/m3 in g/GJ) bij NOx-emissies uit kolen (steenkool): 0.35, kolen (bruinkool): 0.42, olie/gas: 0.277, turf: 0.5, hout +schors: 0.588 [1 g/GJ = 3.6 mg/kWh]. | kg/t | ECU/kWel2)Totale investeringen 1 ECU = 2 DM. | mg/m3 )1)Emissies in mg/m3 NO2 (NTD droog) resp. g/GJ thermische belasting. Conversiefactoren (mg/m3 in g/GJ) bij NOx-emissies uit kolen (steenkool): 0.35, kolen (bruinkool): 0.42, olie/gas: 0.277, turf: 0.5, hout +schors: 0.588 [1 g/GJ = 3.6 mg/kWh]. | kg/t9)Emissies uit industriële processen worden gewoonlijk weergegeven in kg/t van het produkt. | ECU/kWel2)Totale investeringen 1 ECU = 2 DM. | ||
| Salpeterzuur: | ||||||||||||
| - Lage druk (1-2.2 bar) | 5 000 | 16.5 | ||||||||||
| - Middelhoge druk (2.3-8 bar) | circa 1000 | 3.3 | ||||||||||
| - Hoge druk (8-15 bar) | <380 | <1.25 | 0.01-0.8 | |||||||||
| - HOKO (-50 bar) | <380 | Ml.25 | ||||||||||
| Beitsen: | ||||||||||||
| - Messing | 2510)g/m2 oppervlakte. | |||||||||||
| - Roestvrij staal | 0.3 | |||||||||||
| - Koolstofstaal | 0.1 |
Categorie (v): Winning, be/verwerking en distributie van fossiele brandstoffen
| Energiebron | Onbestreden emissies | Onbestreden emissies | Wijzingen in verbrandingsproces en andere processen | Wijzingen in verbrandingsproces en andere processen | Wijzingen in verbrandingsproces en andere processen | Rookgasbehandeling: | Rookgasbehandeling: | (a) Niet-katalytisch | (b) Katalytisch (na primaire maatregelen) | (b) Katalytisch (na primaire maatregelen) | (b) Katalytisch (na primaire maatregelen) | |
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| mg/m31)Emissies in mg/m3 NO2 (NTD droog) resp. g/GJ thermische belasting. Conversiefactoren (mg/m3 in g/GJ) bij NOx-emissies uit kolen (steenkool): 0.35, kolen (bruinkool): 0.42, olie/gas: 0.277, turf: 0.5, hout + schors: 0.588 [1 g/GJ = 3.6 mg/kWh]. | g/GJ1)Emissies in mg/m3 NO2 (NTD droog) resp. g/GJ thermische belasting. Conversiefactoren (mg/m3 in g/GJ) bij NOx-emissies uit kolen (steenkool): 0.35, kolen (bruinkool): 0.42, olie/gas: 0.277, turf: 0.5, hout + schors: 0.588 [1 g/GJ = 3.6 mg/kWh]. | mg/m31)Emissies in mg/m3 NO2 (NTD droog) resp. g/GJ thermische belasting. Conversiefactoren (mg/m3 in g/GJ) bij NOx-emissies uit kolen (steenkool): 0.35, kolen (bruinkool): 0.42, olie/gas: 0.277, turf: 0.5, hout + schors: 0.588 [1 g/GJ = 3.6 mg/kWh]. | g/GJ1)Emissies in mg/m3 NO2 (NTD droog) resp. g/GJ thermische belasting. Conversiefactoren (mg/m3 in g/GJ) bij NOx-emissies uit kolen (steenkool): 0.35, kolen (bruinkool): 0.42, olie/gas: 0.277, turf: 0.5, hout + schors: 0.588 [1 g/GJ = 3.6 mg/kWh]. | ECU/kWel2)Totale investeringen 1 ECU = 2 DM. | mg/m31)Emissies in mg/m3 NO2 (NTD droog) resp. g/GJ thermische belasting. Conversiefactoren (mg/m3 in g/GJ) bij NOx-emissies uit kolen (steenkool): 0.35, kolen (bruinkool): 0.42, olie/gas: 0.277, turf: 0.5, hout + schors: 0.588 [1 g/GJ = 3.6 mg/kWh]. | g/GJ1)Emissies in mg/m3 NO2 (NTD droog) resp. g/GJ thermische belasting. Conversiefactoren (mg/m3 in g/GJ) bij NOx-emissies uit kolen (steenkool): 0.35, kolen (bruinkool): 0.42, olie/gas: 0.277, turf: 0.5, hout + schors: 0.588 [1 g/GJ = 3.6 mg/kWh]. | ECU/kWel2)Totale investeringen 1 ECU = 2 DM. | mg/m31)Emissies in mg/m3 NO2 (NTD droog) resp. g/GJ thermische belasting. Conversiefactoren (mg/m3 in g/GJ) bij NOx-emissies uit kolen (steenkool): 0.35, kolen (bruinkool): 0.42, olie/gas: 0.277, turf: 0.5, hout + schors: 0.588 [1 g/GJ = 3.6 mg/kWh]. | g/GJ1)Emissies in mg/m3 NO2 (NTD droog) resp. g/GJ thermische belasting. Conversiefactoren (mg/m3 in g/GJ) bij NOx-emissies uit kolen (steenkool): 0.35, kolen (bruinkool): 0.42, olie/gas: 0.277, turf: 0.5, hout + schors: 0.588 [1 g/GJ = 3.6 mg/kWh]. | ECU/kWel2)Totale investeringen 1 ECU = 92 DM. | ||
| Raffinaderijen5)Bij 6% O2. | -1 000 | 100-700 |
Categorie (vi): Afvalbehandeling en -verwijdering
| Energiebron | Onbestreden emissies | Onbestreden emissies | Wijzingen in verbrandingsproces en andere processen | Wijzingen in verbrandingsproces en andere processen | Wijzingen in verbrandingsproces en andere processen | Rookgas-behandeling: | Rookgas-behandeling: | (a) Niet-katalytisch | (b) Katalytisch (na primaire maatregelen) | (b) Katalytisch (na primaire maatregelen) | (b) Katalytisch (na primaire maatregelen) | |
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| mg/m31)Emissies in mg/m3 NO2 (NTD droog) resp. g/GJ thermische belasting. Conversiefactoren (mg/m3 in g/GJ) bij NOx-emissies uit kolen (steenkool): 0.35, kolen (bruinkool): 0.42, olie/gas: 0.277, turf: 0.5, hout + schors: 0.588 [1 g/GJ = 3.6 mg/kWh]. | g/GJ1)Emissies in mg/m3 NO2 (NTD droog) resp. g/GJ thermische belasting. Conversiefactoren (mg/m3 in g/GJ) bij NOx-emissies uit kolen (steenkool): 0.35, kolen (bruinkool): 0.42, olie/gas: 0.277, turf: 0.5, hout + schors: 0.588 [1 g/GJ = 3.6 mg/kWh]. | mg/m31)Emissies in mg/m3 NO2 (NTD droog) resp. g/GJ thermische belasting. Conversiefactoren (mg/m3 in g/GJ) bij NOx-emissies uit kolen (steenkool): 0.35, kolen (bruinkool): 0.42, olie/gas: 0.277, turf: 0.5, hout + schors: 0.588 [1 g/GJ = 3.6 mg/kWh]. | g/GJ1)Emissies in mg/m3 NO2 (NTD droog) resp. g/GJ thermische belasting. Conversiefactoren (mg/m3 in g/GJ) bij NOx-emissies uit kolen (steenkool): 0.35, kolen (bruinkool): 0.42, olie/gas: 0.277, turf: 0.5, hout + schors: 0.588 [1 g/GJ = 3.6 mg/kWh]. | ECU/kWel2)Totale investeringen 1 ECU = 2 DM. | mg/m31)Emissies in mg/m3 NO2 (NTD droog) resp. g/GJ thermische belasting. Conversiefactoren (mg/m3 in g/GJ) bij NOx-emissies uit kolen (steenkool): 0.35, kolen (bruinkool): 0.42, olie/gas: 0.277, turf: 0.5, hout + schors: 0.588 [1 g/GJ = 3.6 mg/kWh]. | g/GJ1)Emissies in mg/m3 NO2 (NTD droog) resp. g/GJ thermische belasting. Conversiefactoren (mg/m3 in g/GJ) bij NOx-emissies uit kolen (steenkool): 0.35, kolen (bruinkool): 0.42, olie/gas: 0.277, turf: 0.5, hout + schors: 0.588 [1 g/GJ = 3.6 mg/kWh]. | ECU/kWel2)Totale investeringen 1 ECU = 2 DM. | mg/m31)Emissies in mg/m3 NO2 (NTD droog) resp. g/GJ thermische belasting. Conversiefactoren (mg/m3 in g/GJ) bij NOx-emissies uit kolen (steenkool): 0.35, kolen (bruinkool): 0.42, olie/gas: 0.277, turf: 0.5, hout + schors: 0.588 [1 g/GJ = 3.6 mg/kWh]. | g/GJ1)Emissies in mg/m3 NO2 (NTD droog) resp. g/GJ thermische belasting. Conversiefactoren (mg/m3 in g/GJ) bij NOx-emissies uit kolen (steenkool): 0.35, kolen (bruinkool): 0.42, olie/gas: 0.277, turf: 0.5, hout + schors: 0.588 [1 g/GJ = 3.6 mg/kWh]. | ECU/kWel2)Totale investeringen 1 ECU = 2 DM. | ||
| Verbranding11)Bij 11% O2. | 250-500 | 200-400 | <100 | |||||||||
| Technologieën | NOx-emissieniveau % | Schatting van bijkomende produktiekosten1)Per voertuig, in verhouding tot keuzemogelijkheid B. Vereisten m.b.t. NOx-emissies kunnen gevolgen hebben voor de brandstofprijzen en de produktiekosten van raffinaderijen, maar deze zijn niet inbegrepen in de schatting van bijkomende produktiekosten. (US$) | ||||||||||
| --- | --- | --- | ||||||||||
| Op benzine rijdend | ||||||||||||
| A. Geen emissiebeheersing | 100 | – | ||||||||||
| B. Aanpassingen van de motor (motorontwerp, carburatie- en onstekingssysteem, luchtinspuiting) | 70 | 2) Kosten voor motorische aanpassingen van keuzemogelijkheden A en B worden geschat op US$ 40–100. | ||||||||||
| C. Ongeregelde katalysator | 50 | 150–200 | ||||||||||
| D. Geregelde drieweg-katalysator | 25 | 250–4503)Bij keuzemogelijkheden D, E en F worden de emissies van CO en VOC’s ook aanzienlijk verminderd, naast de NOx-emissies. Keuzemogelijkheden B en C leiden ook tot beheersing van CO- en VOC-emissies. | ||||||||||
| E. Verbeterde geregelde driewegkatalysator | 10 | 350–6003)Bij keuzemogelijkheden D, E en F worden de emissies van CO en VOC’s ook aanzienlijk verminderd, naast de NOx-emissies. Keuzemogelijkheden B en C leiden ook tot beheersing van CO- en VOC-emissies. | ||||||||||
| F. Californische voertuigen met lage emissie (verbeterde technologie E) | 6 | >7003)Bij keuzemogelijkheden D, E en F worden de emissies van CO en VOC’s ook aanzienlijk verminderd, naast de NOx-emissies. Keuzemogelijkheden B en C leiden ook tot beheersing van CO- en VOC-emissies. | ||||||||||
| Op dieselolie rijdend | ||||||||||||
| G. Conventionele diesel-motor met indirecte inspuiting | 40 | |||||||||||
| H. Motor met indirecte inspuiting, met secundaire inspuiting, hoge inspuit- druk, elektronisch geregeld; | 30 | 1.000–1.2004)Het brandstofverbruik wordt verminderd in vergelijking met keuzemogelijkheid G, terwijl de emissieniveaus van deeltjes bij keuzemogelijkheid G aanzienlijk hoger zijn. | ||||||||||
| I. Drukgevulde motor met directe inspuiting | 50 | 1.000–1.2004)Het brandstofverbruik wordt verminderd in vergelijking met keuzemogelijkheid G, terwijl de emissieniveaus van deeltjes bij keuzemogelijkheid G aanzienlijk hoger zijn. |
N.B. Keuzemogelijkheden C, D, E en F vereisen het gebruik van loodvrije benzine; keuzemogelijkheden H en I vereisen het gebruik van laagzwavelige dieselbrandstof.
| Technologieën | Technologieën | NOx-emissieniveau % | Verwachte bijkomende produktiekosten1)Per voertuig en afhankelijk van de omvang van de motor in verhouding tot referentietechnologie A. Vereisten m.b.t. NOx-emissies kunnen gevolgen hebben voor de brandstofprijzen en de produktiekosten van raffinaderijen, maar deze zijn niet inbegrepen in de schatting van de bijkomende produktiekosten. (US$) |
|---|---|---|---|
| A. | Drukgevulde dieselmotor (EURO 1) | 100 | 0 |
| B. | Drukgevulde dieselmotor met tussenkoeling (EURO II) | 85 | 1500–3000 |
| C. | Drukgevulde dieselmotor met tussenkoeling, hogedrukbrandstofinspuiting, elektronisch geregelde brandstofpomp, verbrandingskamer en uitlaatgasterugvoer naar inlaat (EGR) | 50–60 | 3000–6000 |
| D. | Overgang naar Otto-motor met driewegkatalysator op LPG, CNG of zuurstofhoudende brandstoffen | 10–30 | tot 10.000 |
N.B.: Keuzemogelijkheid C vereist het gebruik van laagzwavelige dieselbrandstof
IN WITNESS WHEREOF the undersigned, being duly authorized thereto, have signed the present Protocol.
DONE at Sofia this thirty-first day of October one thousand nine hundred and eighty-eight.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)