Protocol betreffende speciaal beschermde gebieden en wilde dieren en planten bij het Verdrag inzake de bescherming en ontwikkeling van het mariene milieu in het Caraïbisch gebied

Type Verdrag
Publication 2015-03-09
State In force
Source BWB
artikelen 28
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

De Verdragsluitende Partijen bij dit Protocol,

Partij zijnde bij het Verdrag inzake de bescherming en ontwikkeling van het mariene milieu in het Caribisch gebied, ondertekend te Cartagena de Indias op 24 maart 1983,

In aanmerking nemend artikel 10 van het Verdrag dat de instelling van speciaal beschermde gebieden verlangt,

Gelet op de bijzondere hydrografische, biotische en ecologische kenmerken van het Caribisch gebied,

Zich bewust van de ernstige bedreiging die slecht opgezette ontwikkelingsplannen vormen voor de natuurlijke staat van het mariene milieu en de kusten van het Caribisch gebied,

Erkennende dat bescherming en behoud van het milieu van het Caribisch gebied van wezenlijk belang zijn voor een verantwoorde ontwikkeling in het gebied,

Zich bewust van de ontzaglijke ecologische, economische, esthetische, wetenschappelijke, culturele, nutritieve en recreatieve waarde van zeldzame en broze ecosystemen en inheemse dier- en plantesoorten voor het Caribisch gebied,

Erkennende dat het Caribisch gebied een groep onderling verbonden ecosystemen is, waarin een bedreiging voor het milieu in één deel een mogelijke bedreiging in andere delen vormt,

De nadruk leggend op het belang te komen tot regionale samenwerking met het oog op de bescherming en, indien van toepassing, het herstel en de verbetering van de toestand van ecosystemen, alsmede bedreigde en uitstervende soorten en hun leefmilieu in het Caribisch gebied door middel van, onder andere, de instelling van beschermde gebieden in de mariene gebieden en de daarmee samenhangende ecosystemen,

Erkennende dat de instelling en het beheer van zulke beschermde gebieden en de bescherming van bedreigde en uitstervende soorten het cultureel erfgoed en de waarden van de landen en gebieden in het Caribisch gebied zal versterken en hun grotere economische en ecologische voordelen zal brengen,

Zijn als volgt overeengekomen:

Artikel 1. Begripsomschrijvingen

Voor de toepassing van dit Protocol wordt verstaan onder

Artikel 2. Algemene bepalingen

1.

Dit Protocol is van toepassing op het Caribisch gebied zoals omschreven in artikel 1, letter c.

2.

De bepalingen van het Verdrag met betrekking tot de protocollen daarbij zijn op dit Protocol van toepassing, met inbegrip van met name de leden 2 en 3 van artikel 3 van het Verdrag.

3.

Dit Protocol is niet van toepassing op oorlogsschepen en andere schepen in eigendom van of geëxploiteerd door een Staat wanneer deze worden gebruikt in dienst van de overheid voor andere dan handelsdoeleinden. Niettemin zien alle Partijen erop toe, door middel van de aanneming van passende maatregelen die de exploitatie of de exploitatiemogelijkheden van schepen die zij in eigendom hebben of exploiteren niet in de weg staan, dat deze schepen zich houden aan de bepalingen van dit Protocol, voor zover zulks redelijk en haalbaar is.

Artikel 3. Algemene verplichtingen

1.

Elke Partij bij dit Protocol neemt, in overeenstemming met haar wetten en voorschriften en de bepalingen van dit Protocol, de nodige maatregelen ten einde in gebieden in het Caribisch gebied waarin zij soevereiniteit, soevereine rechten of rechtsmacht uitoefent op verantwoorde wijze te beschermen, in stand te houden en te beheren:

2.

Elke Partij reguleert en verbiedt, indien nodig, activiteiten die schadelijke gevolgen hebben voor deze gebieden en soorten. Elke Partij streeft naar samenwerking bij het doen naleven van deze maatregelen, zonder afbreuk te doen aan de soevereiniteit, soevereine rechten of rechtsmacht van andere Partijen. Alle maatregelen die door een zodanige Partij worden genomen om de krachtens dit Protocol overeengekomen maatregelen te doen naleven ofte trachten te doen naleven, dienen beperkt te zijn tot die maatregelen welke binnen de bevoegdheid van een zodanige Partij liggen en dienen in overeenstemming te zijn met het internationale recht.

3.

Elke Partij beheert, voor zover mogelijk, in overeenstemming met haar rechtsstelsel, dier- en plantesoorten met het doel te voorkomen dat zij uitstervende of bedreigde soorten worden.

Artikel 4. Instelling van beschermde gebieden

1.

Elke Partij stelt, wanneer nodig, in de gebieden waarover zij soevereiniteit, soevereine rechten of rechtsmacht uitoefent beschermde gebieden in, ten einde de natuurlijke rijkdommen van het Caribisch gebied in stand te houden en ecologisch verantwoord en gepast gebruik, begrip en genot van deze gebieden aan te moedigen, in overeenstemming met de doelstellingen en kenmerken van elk daarvan.

2.

Dergelijke gebieden worden ingesteld ten behoeve van het behoud, de handhaving en het herstel van met name:

Artikel 5. Beschermingsmaatregelen

1.

Elke Partij neemt, rekening houdend met de kenmerken van elk beschermd gebied waarover zij soevereiniteit, soevereine rechten of rechtsmacht uitoefent, in overeenstemming met haar nationale wetten en voorschriften en met het internationale recht, geleidelijk de maatregelen die noodzakelijk en uitvoerbaar zijn om de doelstellingen waarvoor het beschermde gebied werd ingesteld te verwezenlijken.

2.

Bedoelde maatregelen dienen, indien van toepassing, te omvatten:

Artikel 6. Plannings- en beheersregels voor beschermde gebieden

1.

Ten einde de voordelen van beschermde gebieden optimaal te benutten en de daadwerkelijke uitvoering van de in artikel 5 uiteengezette maatregelen te waarborgen, neemt elke Partij voor beschermde gebieden waarover zij soevereiniteit, soevereine rechten of rechtsmacht uitoefent, plannings-, beheers- en uitvoeringsmaatregelen en past deze toe. Daarbij houdt elke Partij rekening met de door de Wetenschappelijke en Technische Raadgevende Commissie vastgestelde richtlijnen en criteria, bedoeld in artikel 21, die zijn aangenomen op de vergaderingen van de Partijen.

2.

Deze maatregelen dienen te omvatten:

Artikel 7. Samenwerkingsprogramma voor en opstelling van een lijst van beschermde gebieden

1.

De Partijen brengen samenwerkingsprogramma's tot stand binnen het kader van het Verdrag en het Actieplan en in overeenstemming met hun soevereiniteit, soevereine rechten of rechtsmacht, ter bevordering van de doelstellingen van dit Protocol.

2.

Een samenwerkingsprogramma wordt tot stand gebracht ter ondersteuning van de opstelling van een lijst van beschermde gebieden en ten behoeve van de keuze, de instelling, de planning, het beheer en het behoud van beschermde gebieden, en het scheppen van een netwerk van beschermde gebieden.

Daartoe stellen de Partijen een lijst van beschermde gebieden op. De Partijen:

3.

De procedure voor de opstelling van deze lijst van beschermde gebieden is als volgt:

Artikel 8. Instelling van bufferzones

Elke Partij bij dit Protocol kan, indien noodzakelijk, de bescherming van een beschermd gebied versterken door in de gebieden waarin zij soevereiniteit, soevereine rechten of rechtsmacht uitoefent één of meer bufferzones in te stellen waarin activiteiten aan minder beperkingen zijn gebonden dan in het beschermde gebied, zolang deze verenigbaar blijven met de verwezenlijking van de doelstellingen van het beschermde gebied.

Artikel 9. Beschermde gebieden en bufferzones langs internationale grenzen

1.

Indien een Partij voornemens is een beschermd gebied of een bufferzone in te stellen langs de landsgrens of de grenzen van het nationale rechtsgebied van een andere Partij, plegen beide Partijen met elkander overleg ten einde overeenstemming te bereiken over de te nemen maatregelen en bestuderen zij, onder andere, de mogelijkheid dat de andere Partij een overeenkomstig aangrenzend beschermd gebied of een bufferzone instelt of andere passende maatregelen aanneemt, waaronder op samenwerking gerichte beheersprogramma's.

2.

Indien een Partij voornemens is een beschermd gebied of een bufferzone in te stellen langs de landsgrens of de grenzen van het nationale rechtsgebied van een Staat die geen Partij bij dit Protocol is, tracht de Partij samen te werken met de bevoegde autoriteiten van die Staat ten einde te komen tot het in het eerste lid bedoelde overleg.

3.

Wanneer een Partij ervan kennis neemt dat een Staat die geen Partij is voornemens is een beschermd gebied of een bufferzone in te stellen langs de landsgrens of de grenzen van het nationale rechtsgebied van een Partij bij dit Protocol, tracht deze Partij samen te werken met die Staat ten einde te komen tot het in het eerste lid bedoelde overleg.

4.

Indien aangrenzende beschermde gebieden en/of bufferzones worden ingesteld door een Partij en een Staat die geen Partij bij dit Protocol is, tracht de Partij, indien mogelijk, overeenstemming te bereiken met de bepalingen van het Verdrag en de protocollen daarbij.

Artikel 10. Nationale maatregelen ter bescherming van wilde dier- en plantesoorten

1.

Elke Partij stelt in de gebieden waarover zij soevereiniteit, soevereine rechten of rechtsmacht uitoefent vast welke dier- en plantesoorten uitstervende of bedreigde soorten zijn en kent deze soorten een beschermde status toe. Elke Partij reguleert en verbiedt overeenkomstig haar wetten en voorschriften, indien van toepassing, activiteiten die schadelijke gevolgen hebben voor deze soorten of hun leefmilieus en ecosystemen, en voert maatregelen tot herstel, beheer en planning van de soort en andere maatregelen uit om het voortbestaan van deze soorten te bewerkstelligen. Elke Partij neemt, in overeenstemming met haar rechtsstelsel, tevens passende maatregelen om te voorkomen dat soorten uitstervende of bedreigde soorten worden.

2.

Ten aanzien van beschermde plantesoorten en delen en produkten daarvan reguleert en, indien van toepassing, verbiedt elke Partij, in overeenstemming met haar wetten en voorschriften, alle vormen van vernietiging en verstoring, met inbegrip van het plukken, verzamelen, afsnijden, ontwortelen of in bezit hebben, dan wel het verhandelen van deze soorten.

3.

Ten aanzien van beschermde diersoorten reguleert en, indien van toepassing, verbiedt elke Partij, in overeenstemming met haar wetten en voorschriften:

4.

Elke Partij stippelt beleidslijnen en plannen uit tot beheer van het fokken van beschermde diersoorten en de voortplanting van beschermde plantesoorten, en neemt deze aan.

5.

De Partijen stemmen, naast het nemen van de in het derde lid genoemde maatregelen, hun inspanningen op elkander af door middel van bilaterale of multilaterale maatregelen, met inbegrip van, indien noodzakelijk, verdragen inzake de bescherming en het herstel van trekkende soorten waarvan het verspreidingsgebied zich uitstrekt tot in gebieden die onder hun soevereiniteit, soevereine rechten of rechtsmacht vallen.

6.

De Partijen trachten met tot het verspreidingsgebied behorende Staten die geen Partij bij dit Protocol zijn, overleg te plegen ten einde hun inspanningen voor het beheer en de bescherming van uitstervende of bedreigde trekkende soorten op elkander af te stemmen.

7.

De Partijen treffen, indien mogelijk, voorzieningen voor de repatriëring van illegaal uitgevoerde beschermde soorten. Partijen dienen zich in te spannen om deze soorten uit te zetten in het wild of, indien dit niet gelukt, voorzieningen te treffen om ze te gebruiken in wetenschappelijke onderzoeken of voor algemene vormingsdoeleinden.

8.

De maatregelen die Partijen nemen uit hoofde van dit artikel zijn ondergeschikt aan hun verplichtingen uit hoofde van artikel 11 en mogen geenszins afbreuk doen aan die verplichtingen.

Artikel 11. Gemeenschappelijke maatregelen voor de bescherming van wilde dier- en plantesoorten

1.

De Partijen nemen gemeenschappelijke maatregelen aan ten behoeve van de bescherming en het herstel van uitstervende of bedreigde dier- en plantesoorten opgenomen in de lijsten in de Bijlagen I, II en III bij dit Protocol.

2.

Elke Partij kan met betrekking tot de verboden voorgeschreven tot bescherming en herstel van de soorten opgenomen in de lijsten in de Bijlagen I en II vrijstellingen aannemen voor wetenschaps-, vormings- en beheersdoeleinden die nodig zijn voor het voortbestaan van de soorten of ter voorkoming van aanzienlijke schade aan bossen of gewassen. Deze vrijstellingen mogen geen bedreiging vormen voor de soorten en dienen te worden gemeld aan de Organisatie, opdat de Wetenschappelijke en Technische Raadgevende Commissie de gegrondheid van de verleende vrijstellingen beoordeelt.

3.

De Partijen kennen tevens prioriteit toe

4.

De procedure tot wijziging van de bijlagen is als volgt:

5.

De Partijen stellen samenwerkingsprogramma's op in het kader van het Verdrag en het Actieplan ten behoeve van het beheer en het behoud van beschermde soorten en ontwikkelen regionale herstelprogramma's voor beschermde soorten in het Caribisch gebied, en voeren deze uit, ten volle rekening houdend met andere bestaande regionale maatregelen tot behoud die voor het beheer van die soorten van belang zijn. De Organisatie verleent bijstand bij de opstelling en uitvoering van deze regionale herstelprogramma's.

Artikel 12. Uitzetting van niet-inheemse of genetisch gewijzigde soorten

Elke Partij neemt alle passende maatregelen om de opzettelijke of ongewenste uitzetting in het wild van niet-inheemse of genetisch gewijzigde soorten die voor natuurlijke dier- en plantesoorten en andere kenmerken van het Caribisch gebied schadelijke gevolgen kan hebben, te reguleren of te verbieden.

Artikel 13. Evaluatie van milieu-effecten

1.

Inde planningsprocessen die leiden tot beslissingen over industriële en andere projecten en activiteiten die negatieve milieu-effecten en ingrijpende gevolgen kunnen hebben voor gebieden of soorten waaraan bijzondere bescherming is toegekend krachtens dit Protocol, evalueert elke Partij de mogelijke directe en indirecte effecten, met inbegrip van de cumulatieve effecten van de beoogde projecten en activiteiten, en neemt zij deze in aanmerking.

2.

De Organisatie en de Wetenschappelijke en Technische Raadgevende Commissie geven, voor zover mogelijk, op verzoek raad en verlenen bijstand aan een Partij bij bedoelde evaluaties.

Artikel 14. Vrijstellingen voor traditionele activiteiten

1.

Elke Partij houdt bij het opstellen van beheers- en beschermingsmaatregelen rekening met en voorziet in vrijstellingen, indien nodig, om tegemoet te komen aan de traditionele bestaansmogelijkheden en culturele behoeften van de plaatselijke bevolking. Voor zover zulks enigszins mogelijk is, mag geen enkele vrijstelling die om deze reden is verleend van zodanige aard zijn dat zij:

2.

Partijen die vrijstellingen verlenen met betrekking tot beschermingsmaatregelen stellen de Organisatie daarvan in kennis.

Artikel 15. Wijzigingen in de status van beschermde gebieden of beschermde soorten

1.

Wijzigingen in de afbakening of wettelijke status van een gebied, of een gedeelte daarvan, of van een beschermde soort kunnen slechts plaatsvinden om belangrijke redenen, de noodzaak het milieu te beschermen in aanmerking nemend en in overeenstemming met de bepalingen van dit Protocol, na kennisgeving aan de Organisatie.

2.

De status van gebieden en soorten dient periodiek te worden bezien en beoordeeld door de Wetenschappelijke en Technische Raadgevende Commissie op basis van de door de Partijen via de Organisatie verstrekte gegevens. Gebieden en soorten kunnen uit de lijsten van gebieden of de bijlagen bij dit Protocol worden verwijderd op dezelfde wijze als waarop zij daarin werden opgenomen.

Artikel 16. Openbaarheid, voorlichting, publiek bewustzijn en vorming

1.

Elke Partij geeft passende openbaarheid aan de instelling van beschermde gebieden, in het bijzonder hun grenzen, bufferzones en toepasselijke regelingen, alsmede aan de aanwijzing van beschermde soorten, in het bijzonder hun essentiële leefmilieus en de toepasselijke regelingen.

2.

Ten einde publiek bewustzijn te kweken tracht elke Partij het publiek zo ruim mogelijk voor te lichten over de betekenis en de waarde van de beschermde gebieden en soorten en over de wetenschappelijke kennis en andere voordelen die daaruit kunnen worden verkregen of over veranderingen daarin. Deze voorlichting dient een passende plaats te krijgen in vormingsprogramma's op het gebied van milieu en geschiedenis. Elke Partij dient er tevens naar te streven te bevorderen dat haar publiek en haar organisaties voor natuurbehoud worden betrokken bij maatregelen die nodig zijn ter bescherming van de betrokken gebieden en soorten.

Artikel 17. Wetenschappelijk, technisch en beheergericht onderzoek

1.

Elke Partij stimuleert en ontwikkelt wetenschappelijk, technisch en beheergericht onderzoek inzake beschermde gebieden, met inbegrip van met name de ecologische processen en het archeologisch historisch en cultureel erfgoed daarvan, alsmede inzake bedreigde of uitstervende dier- en plantesoorten en hun leefmilieus.

2.

Elke Partij kan met andere Partijen en met daarvoor in aanmerking komende regionale en internationale organisaties overleggen met het oog op het vaststellen, plannen en uitvoeren van programma's voor wetenschappelijk en technisch onderzoek en toezicht die nodig zijn om beschermde gebieden en soorten te kenschetsen en daarop toezicht te houden en om de doeltreffendheid van maatregelen ter uitvoering van beheers- en herstelplannen te beoordelen.

3.

De Partijen wisselen rechtstreeks of via de Organisatie wetenschappelijke en technische informatie uit betreffende bestaande en geplande programma's voor onderzoek en toezicht en de resultaten daarvan. Zij stemmen in de hoogst mogelijke mate hun programma's voor onderzoek en toezicht op elkander af en trachten procedures voor het verzamelen, optekenen, archiveren en analyseren van ter zake dienende wetenschappelijke en technische informatie te standaardiseren.

4.

De Partijen stellen overeenkomstig de bepalingen van het eerste lid hierboven uitgebreide inventarisatielijsten op van:

Artikel 18. Wederzijdse bijstand

1.

De Partijen werken rechtstreeks of met hulp van de Organisatie of andere daarvoor in aanmerking komende internationale organisaties samen bij het opzetten, ontwerpen, financieren en uitvoeren van programma's voor bijstand aan de Partijen die te kennen geven daaraan behoefte te hebben bij de keuze, de instelling en het beheer van beschermde gebieden en soorten.

2.

Deze programma's dienen algemene milieukundige vorming, de opleiding van wetenschappelijk, technisch en beherend personeel, wetenschappelijk onderzoek, alsmede de verwerving, het gebruik, het ontwerp en de ontwikkeling van passende uitrusting op gunstige door de betrokken Partijen overeen te komen voorwaarden te omvatten.

Artikel 19. Kennisgeving en verslaglegging aan de Organisatie

1.

Elke Partij doet de Organisatie periodiek verslag van:

2.

De verslagen inzake de beschermde gebieden en bufferzones dienen informatie te bevatten over:

3.

De verslagen inzake de beschermde soorten behoren, voor zover mogelijk, informatie te bevatten over:

4.

De door de Partijen aan de Organisatie verstrekte verslagen worden gebruikt voor de in de artikelen 20 en 22 genoemde doeleinden.

Artikel 20. Wetenschappelijke en Technische Raadgevende Commissie

1.

Hierbij wordt een Wetenschappelijke en Technische Raadgevende Commissie ingesteld.

2.

Elke Partij wijst een wetenschappelijke deskundige die over de juiste bekwaamheid beschikt op het door het Protocol bestreken gebied aan als haar vertegenwoordiger in de Commissie; deze kan zich doen vergezellen door andere door de Partij aangewezen deskundigen en adviseurs. De Commissie kan ook advies inwinnen bij in wetenschappelijk en technisch opzicht bekwame deskundigen en organisaties.

3.

De Commissie heeft tot taak de Partijen via de Organisatie te adviseren inzake de volgende wetenschappelijke en technische aangelegenheden die verband houden met het Protocol:

4.

De Commissie stelt haar eigen reglement van orde vast.

Artikel 21. Vaststelling van gemeenschappelijke richtlijnen en criteria

1.

Op hun eerste vergadering, of zo spoedig mogelijk daarna, beoordelen de Partijen en hechten zij hun goedkeuring aan door de Wetenschappelijke en Technische Raadgevende Commissie opgestelde richtlijnen en criteria, met name op het gebied van:

2.

Bij de toepassing van dit Protocol houden de Partijen rekening met deze gemeenschappelijke richtlijnen en criteria; dit doet geen afbreuk aan het recht van een Partij om strengere richtlijnen en criteria aan te nemen.

Artikel 22. Institutionele regelingen

1.

Elke Partij wijst een Centraal Punt aan om contacten met de Organisatie te onderhouden over de technische aspecten van de toepassing van dit Protocol.

2.

De Partijen wijzen de Organisatie aan om de volgende secretariaatswerkzaamheden te verrichten:

Artikel 23. Vergaderingen van de Partijen

1.

De gewone vergaderingen van de Partijen worden gehouden te zamen met de gewone vergaderingen van de Partijen bij het Verdrag, gehouden overeenkomstig artikel 16 van het Verdrag. De Partijen kunnen ook buitengewone vergaderingen houden in overeenstemming met artikel 16 van het Verdrag. Voor de vergaderingen geldt het reglement van orde aangenomen overeenkomstig artikel 20 van het Verdrag.

2.

De vergaderingen van de Partijen bij dit Protocol hebben tot taak:

Artikel 24. Fondsen

Naast de door de Partijen in overeenstemming met artikel 20, tweede lid, van het Verdrag verstrekte fondsen kunnen de Partijen de Organisatie opdracht geven aanvullende fondsen te werven. Deze kunnen vrijwillige bijdragen omvatten voor met het Protocol verband houdende doelstellingen, afkomstig van Partijen, andere regeringen, overheidsinstanties, niet-gouvernementele, internationale, regionale of particuliere organisaties en personen.

Artikel 25. Verhouding tot andere Verdragen inzake de bijzondere bescherming van wilde dieren en planten

Geen enkele bepaling van dit Protocol mag zodanig worden uitgelegd dat afbreuk wordt gedaan aan de rechten en verplichtingen van Partijen uit hoofde van de Overeenkomst inzake de internationale handel in bedreigde in het wild levende dier- en plantesoorten(CITES) en het Verdrag inzake de bescherming van trekkende wilde diersoorten (CMS).

Artikel 26. Overgangsbepaling

De oorspronkelijke versie van de bijlagen, die een integrerend deel van dit Protocol uitmaken, wordt door middel van consensus op een Conferentie van gevolmachtigden van de Verdragsluitende Partijen bij het Verdrag aangenomen.

Artikel 27. Inwerkingtreding

1.

Dit Protocol en de daarbij behorende bijlagen, nadat zij door de Verdragsluitende Partijen bij het Verdrag zijn aangenomen, zullen overeenkomstig de in artikel 28, tweede lid, van het Verdrag vastgestelde procedure in werking treden.

2.

Het Protocol treedt eerst in werking wanneer de oorspronkelijke bijlagen in overeenstemming met artikel 26 zijn aangenomen.

Artikel 28. Ondertekening

Dit Protocol staat open voor ondertekening te Kingston van 18 januari tot en met 31 januari 1990 en te Bogota van 1 februari 1990 tot en met 17 januari 1991 door elke Partij bij het Verdrag.

IN WITNESS WHEREOF the undersigned, being duly authorized by their respective Governments, have signed this Protocol.

DONE at Kingston, on this eighteenth day of January one thousand nine hundred and ninety in a single copy in the English, French and Spanish languages, the three texts being equally authentic.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)