Protocol betreffende speciaal beschermde gebieden en wilde dieren en planten bij het Verdrag inzake de bescherming en ontwikkeling van het mariene milieu in het Caraïbisch gebied
De Verdragsluitende Partijen bij dit Protocol,
Partij zijnde bij het Verdrag inzake de bescherming en ontwikkeling van het mariene milieu in het Caribisch gebied, ondertekend te Cartagena de Indias op 24 maart 1983,
In aanmerking nemend artikel 10 van het Verdrag dat de instelling van speciaal beschermde gebieden verlangt,
Gelet op de bijzondere hydrografische, biotische en ecologische kenmerken van het Caribisch gebied,
Zich bewust van de ernstige bedreiging die slecht opgezette ontwikkelingsplannen vormen voor de natuurlijke staat van het mariene milieu en de kusten van het Caribisch gebied,
Erkennende dat bescherming en behoud van het milieu van het Caribisch gebied van wezenlijk belang zijn voor een verantwoorde ontwikkeling in het gebied,
Zich bewust van de ontzaglijke ecologische, economische, esthetische, wetenschappelijke, culturele, nutritieve en recreatieve waarde van zeldzame en broze ecosystemen en inheemse dier- en plantesoorten voor het Caribisch gebied,
Erkennende dat het Caribisch gebied een groep onderling verbonden ecosystemen is, waarin een bedreiging voor het milieu in één deel een mogelijke bedreiging in andere delen vormt,
De nadruk leggend op het belang te komen tot regionale samenwerking met het oog op de bescherming en, indien van toepassing, het herstel en de verbetering van de toestand van ecosystemen, alsmede bedreigde en uitstervende soorten en hun leefmilieu in het Caribisch gebied door middel van, onder andere, de instelling van beschermde gebieden in de mariene gebieden en de daarmee samenhangende ecosystemen,
Erkennende dat de instelling en het beheer van zulke beschermde gebieden en de bescherming van bedreigde en uitstervende soorten het cultureel erfgoed en de waarden van de landen en gebieden in het Caribisch gebied zal versterken en hun grotere economische en ecologische voordelen zal brengen,
Zijn als volgt overeengekomen:
Artikel 1. Begripsomschrijvingen
Voor de toepassing van dit Protocol wordt verstaan onder
- a. „het Verdrag”: het Verdrag inzake de bescherming en ontwikkeling van het mariene milieu in het Caribisch gebied (Cartagena de Indias, 24 maart 1983);
- b. „het Actieplan”: het Actieplan voor het Caribisch Milieuprogramma (Montego Bay, april 1981);
- c. „het Caribisch gebied”: het „Verdragsgebied” bedoeld in artikel 2, eerste lid, van het Verdrag; dit omvat bovendien voor de toepassing van dit Protocol:
- i. wateren gelegen aan de landzijde van de basislijn vanwaar de breedte van de territoriale zee wordt gemeten en zich uitstrekkende, in geval van waterlopen, tot de zoetwatergrens; en
- ii. de daarmee verbonden landgebieden (met inbegrip van stroomgebieden) die worden aangewezen door de Partij die soevereine rechten en rechtsmacht over die gebieden heeft;
- d. „de Organisatie”: het in artikel 2, tweede lid, van het Verdrag bedoelde lichaam;
- e. „beschermd gebied”: een gebied dat wordt beschermd uit hoofde van artikel 4 van dit Protocol;
- f. „uitstervende soorten”: dier- en plantesoorten of ondersoorten of hun populaties die in hun gehele verspreidingsgebied of een gedeelte daarvan met uitsterven worden bedreigd en waarvan het voortbestaan niet waarschijnlijk is indien de factoren die ze in gevaar brengen blijven bestaan;
- g. „bedreigde soorten”: dier- en plantesoorten of ondersoorten of hun populaties:
- i. die in de nabije toekomst in hun gehele verspreidingsgebied of een gedeelte daarvan waarschijnlijk met uitsterven zullen worden bedreigd indien de factoren die leiden tot vermindering van hun aantal of tot aantasting van hun leefmilieu blijven bestaan; of
- ii. die zeldzaam zijn, omdat ze gewoonlijk voorkomen in een beperkt verspreidingsgebied of leefmilieu, of dun verspreid zijn over een groter gebied en die in aantal teruglopen of dreigen terug te lopen en mogelijk met uitsterven worden bedreigd of uitsterven;
- h. „beschermde soorten”: dier- en plantesoorten of ondersoorten of hun populaties die worden beschermd uit hoofde van artikel 10 van dit Protocol;
- i. „inheemse soorten”: dier- en plantesoorten of ondersoorten of hun populaties waarvan de verspreiding is beperkt tot een bepaald gebied;
- j. „Bijlage I”: de bijlage bij dit Protocol die de overeengekomen lijst van in zee- en kustgebieden voorkomende plantesoorten bevat die vallen onder de in artikel 1 omschreven categorieën en die de in artikel 11, eerste lid, letter a, aangegeven beschermingsmaatregelen behoeven; De Bijlage mag op het land voorkomende soorten omvatten als bepaald in artikel 1, letter c, punt ii;
- k. „Bijlage II”: de bijlage bij dit Protocol die de overeengekomen lijst van in zee- en kustgebieden voorkomende diersoorten bevat die vallen onder de in artikel 1 omschreven categorie en die de in artikel 11, eerste lid, letter b, aangegeven beschermingsmaatregelen behoeven. De Bijlage mag op het land voorkomende soorten omvatten als bepaald in artikel 1, letter c, punt ii; en
- l. „Bijlage III”: de bijlage bij dit Protocol die de overeengekomen lijst van in zee- en kustgebieden voorkomende dier- en plantesoorten bevat die op verstandige en verantwoorde wijze kunnen worden benut en die de in artikel 11, eerste lid, letter c, aangegeven beschermingsmaatregelen behoeven. De Bijlage mag op het land voorkomende soorten omvatten als bepaald in artikel 1, letter c, punt ii.
Artikel 2. Algemene bepalingen
Dit Protocol is van toepassing op het Caribisch gebied zoals omschreven in artikel 1, letter c.
De bepalingen van het Verdrag met betrekking tot de protocollen daarbij zijn op dit Protocol van toepassing, met inbegrip van met name de leden 2 en 3 van artikel 3 van het Verdrag.
Dit Protocol is niet van toepassing op oorlogsschepen en andere schepen in eigendom van of geëxploiteerd door een Staat wanneer deze worden gebruikt in dienst van de overheid voor andere dan handelsdoeleinden. Niettemin zien alle Partijen erop toe, door middel van de aanneming van passende maatregelen die de exploitatie of de exploitatiemogelijkheden van schepen die zij in eigendom hebben of exploiteren niet in de weg staan, dat deze schepen zich houden aan de bepalingen van dit Protocol, voor zover zulks redelijk en haalbaar is.
Artikel 3. Algemene verplichtingen
Elke Partij bij dit Protocol neemt, in overeenstemming met haar wetten en voorschriften en de bepalingen van dit Protocol, de nodige maatregelen ten einde in gebieden in het Caribisch gebied waarin zij soevereiniteit, soevereine rechten of rechtsmacht uitoefent op verantwoorde wijze te beschermen, in stand te houden en te beheren:
- a. gebieden die bescherming nodig hebben om hun bijzondere waarde veilig te stellen; en
- b. bedreigde of uitstervende dier- en plantesoorten.
Elke Partij reguleert en verbiedt, indien nodig, activiteiten die schadelijke gevolgen hebben voor deze gebieden en soorten. Elke Partij streeft naar samenwerking bij het doen naleven van deze maatregelen, zonder afbreuk te doen aan de soevereiniteit, soevereine rechten of rechtsmacht van andere Partijen. Alle maatregelen die door een zodanige Partij worden genomen om de krachtens dit Protocol overeengekomen maatregelen te doen naleven ofte trachten te doen naleven, dienen beperkt te zijn tot die maatregelen welke binnen de bevoegdheid van een zodanige Partij liggen en dienen in overeenstemming te zijn met het internationale recht.
Elke Partij beheert, voor zover mogelijk, in overeenstemming met haar rechtsstelsel, dier- en plantesoorten met het doel te voorkomen dat zij uitstervende of bedreigde soorten worden.
Artikel 4. Instelling van beschermde gebieden
Elke Partij stelt, wanneer nodig, in de gebieden waarover zij soevereiniteit, soevereine rechten of rechtsmacht uitoefent beschermde gebieden in, ten einde de natuurlijke rijkdommen van het Caribisch gebied in stand te houden en ecologisch verantwoord en gepast gebruik, begrip en genot van deze gebieden aan te moedigen, in overeenstemming met de doelstellingen en kenmerken van elk daarvan.
Dergelijke gebieden worden ingesteld ten behoeve van het behoud, de handhaving en het herstel van met name:
- a. representatieve typen kust- en zee-ecosystemen die groot genoeg zijn om hun levensvatbaarheid op de lange termijn te waarborgen en de biologische en genetische verscheidenheid te handhaven;
- b. leefmilieus en de daarmee samenhangende ecosystemen die essentieel zijn voor het voortbestaan en het herstel van uitstervende, bedreigde of inheemse dier- en plantesoorten;
- c. de produktiviteit van ecosystemen en natuurlijke rijkdommen die economische of sociale voordelen bieden en waarvan het welzijn van de plaatselijke bewoners afhangt; en
- d. gebieden van bijzondere biologische, ecologische, educatieve, wetenschappelijke, historische, culturele, recreatieve, archeologische, esthetische of economische waarde, met inbegrip van met name gebieden waarvan de ecologische en biologische processen essentieel zijn voor het functioneren van de ecosystemen in het Caribisch gebied.
Artikel 5. Beschermingsmaatregelen
Elke Partij neemt, rekening houdend met de kenmerken van elk beschermd gebied waarover zij soevereiniteit, soevereine rechten of rechtsmacht uitoefent, in overeenstemming met haar nationale wetten en voorschriften en met het internationale recht, geleidelijk de maatregelen die noodzakelijk en uitvoerbaar zijn om de doelstellingen waarvoor het beschermde gebied werd ingesteld te verwezenlijken.
Bedoelde maatregelen dienen, indien van toepassing, te omvatten:
- a. het reguleren of verbieden van de storting of lozing van afval en andere stoffen die het beschermde gebied kunnen schaden;
- b. het reguleren of verbieden van het zich ontdoen of lozen vanaf de kust van afval of andere stoffen die vervuiling veroorzaken, afkomstig van inrichtingen en bouwprojecten op de kust, uit rioolafvoeren of uit andere bronnen op haar grondgebied;
- c. het reguleren van de doorvaart van schepen, het stilliggen of ankeren en andere scheepsverrichtingen die nadelige milieu-effecten op het beschermde gebied kunnen hebben, zonder afbreuk te doen aan de rechten van onschuldige doorvaart, doortocht, doorvaart via scheepvaartroutes in een archipel en de vrijheid van de scheepvaart, in overeenstemming met het internationale recht;
- d. het reguleren of verbieden van het vissen, jagen, vangen of oogsten van uitstervende of bedreigde dier- en plantesoorten en delen of produkten daarvan;
- e. het verbieden van activiteiten die leiden tot de vernietiging van uitstervende of bedreigde dier- of plantesoorten en delen en produkten daarvan, en het reguleren van andere activiteiten die zodanige soorten, hun leefmilieu of daarmee samenhangende ecosystemen kunnen schaden of verstoren;
- f. het reguleren of verbieden van het uitzetten van niet-inheemse soorten;
- g. het reguleren of verbieden van activiteiten die de exploratie of exploitatie van de zeebodem of de ondergrond daarvan of een verandering van het profiel van de zeebodem inhouden;
- h. het reguleren of verbieden van activiteiten die een verandering van het profiel van de bodem van die stroomgebieden zou kunnen aantasten, erosie en andere vormen van schade aan stroomgebieden, dan wel de exploratie of exploitatie van de ondergrond van het op het land gelegen gedeelte van een marien beschermd gebied inhouden.
- i. het reguleren van archeologische activiteiten en van het verwijderen of beschadigen van voorwerpen die als archeologische voorwerpen kunnen worden beschouwd;
- j. het reguleren of verbieden van handel in en in- en uitvoer van bedreigde of uitstervende diersoorten of delen, produkten of eieren daarvan, en van bedreigde of uitstervende plantesoorten of delen of produkten daarvan en archeologische voorwerpen die uit beschermde gebieden afkomstig zijn;
- k. het reguleren of verbieden van industriële activiteiten en andere activiteiten die niet verenigbaar zijn met de vormen van gebruik waarin voor het gebied is voorzien krachtens nationale maatregelen en/of evaluaties van milieu-effecten overeenkomstig artikel 13; en
- l. het reguleren van toeristische en recreatieve activiteiten die de ecosystemen van beschermde gebieden of het voortbestaan van bedreigde of uitstervende dier- en plantesoorten zouden kunnen bedreigen; en
- m. andere maatregelen gericht op het behoud, de bescherming of het herstel van natuurlijke processen, ecosystemen of populaties waarvoor het beschermde gebied werd ingesteld.
Artikel 6. Plannings- en beheersregels voor beschermde gebieden
Ten einde de voordelen van beschermde gebieden optimaal te benutten en de daadwerkelijke uitvoering van de in artikel 5 uiteengezette maatregelen te waarborgen, neemt elke Partij voor beschermde gebieden waarover zij soevereiniteit, soevereine rechten of rechtsmacht uitoefent, plannings-, beheers- en uitvoeringsmaatregelen en past deze toe. Daarbij houdt elke Partij rekening met de door de Wetenschappelijke en Technische Raadgevende Commissie vastgestelde richtlijnen en criteria, bedoeld in artikel 21, die zijn aangenomen op de vergaderingen van de Partijen.
Deze maatregelen dienen te omvatten:
- a. het opstellen en aannemen van passende beheersrichtlijnen voor beschermde gebieden;
- b. het ontwikkelen en aannemen van een beheersplan dat het wettelijke en institutionele kader en de op het gebied of de gebieden van toepassing zijnde beheers- en beschermingsmaatregelen aangeeft;
- c. het verrichten van wetenschappelijk onderzoek en het bewaken van gebruikseffecten, ecologische processen, leefmilieus, soorten en populaties en het ondernemen van activiteiten die zijn gericht op verbetering van het beheer;
- d. het ontwikkelen van bewustmakings- en vormingsprogramma's voor gebruikers, beslissers en het publiek ter vergroting van hun waardering en begrip voor beschermde gebieden en de doelstellingen waarvoor zij werden ingesteld;
- e. het actief betrekken van plaatselijke gemeenschappen, indien van toepassing, bij de planning en het beheer van beschermde gebieden, met inbegrip van bijstand aan en opleiding van plaatselijke bewoners voor wie de instelling van beschermde gebieden gevolgen kan hebben;
- f. het aannemen van mechanismen ter financiering van de ontwikkeling en het doeltreffende beheer van beschermde gebieden en ter bevordering van programma's voor wederzijdse bijstand;
- g. rampenplannen om te reageren op voorvallen die beschermde gebieden, met inbegrip van hun rijkdommen, zouden kunnen schaden of bedreigen;
- h. procedures voor het toestaan, reguleren of anderszins verlenen van machtiging voor activiteiten die verenigbaar zijn met de doelstellingen waarvoor de beschermde gebieden werden ingesteld; en
- i. het vormen van bekwaam leidinggevend en technisch personeel en het ontwikkelen van een passende infrastructuur.
Artikel 7. Samenwerkingsprogramma voor en opstelling van een lijst van beschermde gebieden
De Partijen brengen samenwerkingsprogramma's tot stand binnen het kader van het Verdrag en het Actieplan en in overeenstemming met hun soevereiniteit, soevereine rechten of rechtsmacht, ter bevordering van de doelstellingen van dit Protocol.
Een samenwerkingsprogramma wordt tot stand gebracht ter ondersteuning van de opstelling van een lijst van beschermde gebieden en ten behoeve van de keuze, de instelling, de planning, het beheer en het behoud van beschermde gebieden, en het scheppen van een netwerk van beschermde gebieden.
Daartoe stellen de Partijen een lijst van beschermde gebieden op. De Partijen:
- a. erkennen het bijzondere belang van in de lijst opgenomen gebieden voor het Caribisch gebied;
- b. kennen prioriteit toe aan in de lijst opgenomen gebieden voor wetenschappelijk en technisch onderzoek uit hoofde van artikel 17;
- c. kennen prioriteit toe aan in de lijst opgenomen gebieden voor wederzijdse bijstand uit hoofde van artikel 18; en
- d. verlenen geen machtiging voor en gaan niet over tot activiteiten die afbreuk doen aan de doelstellingen waarvoor een in de lijst opgenomen gebied werd ingesteld.
De procedure voor de opstelling van deze lijst van beschermde gebieden is als volgt:
- a. De Partij die soevereiniteit, soevereine rechten of rechtsmacht over een beschermd gebied uitoefent, draagt het voor voor opneming in de lijst van beschermde gebieden. De voordracht geschiedt in overeenstemming met de richtlijnen en criteria betreffende de kenschetsing, de keuze, de instelling, het beheer, de bescherming en enige andere aangelegenheid, door de Partijen aangenomen uit hoofde van artikel 21. Elke Partij die een voordracht doet, verstrekt via de Organisatie aan de Wetenschappelijke en Technische Raadgevende Commissie de nodige tot staving dienende stukken, met inbegrip van met name de in artikel 19, tweede lid, genoemde gegevens;
- b. Nadat de Wetenschappelijke en Technische Raadgevende Commissie de voordracht en de tot staving dienende stukken heeft beoordeeld, brengt zij de Organisatie ervan op de hoogte of aan de uit hoofde van artikel 21 vastgestelde richtlijnen en criteria is voldaan. Indien aan deze richtlijnen en criteria is voldaan brengt de Organisatie de Vergadering van Verdragsluitende Partijen op de hoogte, die het voorgedragen gebied in de lijst van beschermde gebieden opneemt.
Artikel 8. Instelling van bufferzones
Elke Partij bij dit Protocol kan, indien noodzakelijk, de bescherming van een beschermd gebied versterken door in de gebieden waarin zij soevereiniteit, soevereine rechten of rechtsmacht uitoefent één of meer bufferzones in te stellen waarin activiteiten aan minder beperkingen zijn gebonden dan in het beschermde gebied, zolang deze verenigbaar blijven met de verwezenlijking van de doelstellingen van het beschermde gebied.
Artikel 9. Beschermde gebieden en bufferzones langs internationale grenzen
Indien een Partij voornemens is een beschermd gebied of een bufferzone in te stellen langs de landsgrens of de grenzen van het nationale rechtsgebied van een andere Partij, plegen beide Partijen met elkander overleg ten einde overeenstemming te bereiken over de te nemen maatregelen en bestuderen zij, onder andere, de mogelijkheid dat de andere Partij een overeenkomstig aangrenzend beschermd gebied of een bufferzone instelt of andere passende maatregelen aanneemt, waaronder op samenwerking gerichte beheersprogramma's.
Indien een Partij voornemens is een beschermd gebied of een bufferzone in te stellen langs de landsgrens of de grenzen van het nationale rechtsgebied van een Staat die geen Partij bij dit Protocol is, tracht de Partij samen te werken met de bevoegde autoriteiten van die Staat ten einde te komen tot het in het eerste lid bedoelde overleg.
Wanneer een Partij ervan kennis neemt dat een Staat die geen Partij is voornemens is een beschermd gebied of een bufferzone in te stellen langs de landsgrens of de grenzen van het nationale rechtsgebied van een Partij bij dit Protocol, tracht deze Partij samen te werken met die Staat ten einde te komen tot het in het eerste lid bedoelde overleg.
Indien aangrenzende beschermde gebieden en/of bufferzones worden ingesteld door een Partij en een Staat die geen Partij bij dit Protocol is, tracht de Partij, indien mogelijk, overeenstemming te bereiken met de bepalingen van het Verdrag en de protocollen daarbij.
Artikel 10. Nationale maatregelen ter bescherming van wilde dier- en plantesoorten
Elke Partij stelt in de gebieden waarover zij soevereiniteit, soevereine rechten of rechtsmacht uitoefent vast welke dier- en plantesoorten uitstervende of bedreigde soorten zijn en kent deze soorten een beschermde status toe. Elke Partij reguleert en verbiedt overeenkomstig haar wetten en voorschriften, indien van toepassing, activiteiten die schadelijke gevolgen hebben voor deze soorten of hun leefmilieus en ecosystemen, en voert maatregelen tot herstel, beheer en planning van de soort en andere maatregelen uit om het voortbestaan van deze soorten te bewerkstelligen. Elke Partij neemt, in overeenstemming met haar rechtsstelsel, tevens passende maatregelen om te voorkomen dat soorten uitstervende of bedreigde soorten worden.
Ten aanzien van beschermde plantesoorten en delen en produkten daarvan reguleert en, indien van toepassing, verbiedt elke Partij, in overeenstemming met haar wetten en voorschriften, alle vormen van vernietiging en verstoring, met inbegrip van het plukken, verzamelen, afsnijden, ontwortelen of in bezit hebben, dan wel het verhandelen van deze soorten.
Ten aanzien van beschermde diersoorten reguleert en, indien van toepassing, verbiedt elke Partij, in overeenstemming met haar wetten en voorschriften:
- a. het vangen, in bezit hebben of doden (met inbegrip, van voor zover mogelijk, het bij toeval vangen, in bezit hebben of doden) dan wel verhandelen van deze soorten en delen of produkten daarvan; en
- b. voor zover mogelijk, het verstoren van in het wild levende diersoorten, met name gedurende de voortplantings-, broed-, aestivatie- of trektijd, alsmede in andere perioden van biologische onrust.
Elke Partij stippelt beleidslijnen en plannen uit tot beheer van het fokken van beschermde diersoorten en de voortplanting van beschermde plantesoorten, en neemt deze aan.
De Partijen stemmen, naast het nemen van de in het derde lid genoemde maatregelen, hun inspanningen op elkander af door middel van bilaterale of multilaterale maatregelen, met inbegrip van, indien noodzakelijk, verdragen inzake de bescherming en het herstel van trekkende soorten waarvan het verspreidingsgebied zich uitstrekt tot in gebieden die onder hun soevereiniteit, soevereine rechten of rechtsmacht vallen.
De Partijen trachten met tot het verspreidingsgebied behorende Staten die geen Partij bij dit Protocol zijn, overleg te plegen ten einde hun inspanningen voor het beheer en de bescherming van uitstervende of bedreigde trekkende soorten op elkander af te stemmen.
De Partijen treffen, indien mogelijk, voorzieningen voor de repatriëring van illegaal uitgevoerde beschermde soorten. Partijen dienen zich in te spannen om deze soorten uit te zetten in het wild of, indien dit niet gelukt, voorzieningen te treffen om ze te gebruiken in wetenschappelijke onderzoeken of voor algemene vormingsdoeleinden.
De maatregelen die Partijen nemen uit hoofde van dit artikel zijn ondergeschikt aan hun verplichtingen uit hoofde van artikel 11 en mogen geenszins afbreuk doen aan die verplichtingen.
Artikel 11. Gemeenschappelijke maatregelen voor de bescherming van wilde dier- en plantesoorten
De Partijen nemen gemeenschappelijke maatregelen aan ten behoeve van de bescherming en het herstel van uitstervende of bedreigde dier- en plantesoorten opgenomen in de lijsten in de Bijlagen I, II en III bij dit Protocol.
- a. De Partijen nemen alle passende maatregelen aan om toe te zien op de bescherming en het herstel van plantesoorten opgenomen in de lijsten in Bijlage I. Daartoe verbiedt elke Partij alle vormen van vernietiging of verstoring, met inbegrip van het plukken, verzamelen, afsnijden, ontwortelen of in bezit hebben, dan wel het verhandelen van die soorten en zaden, delen of produkten daarvan. Zij reguleren, voor zover mogelijk, alle activiteiten die schadelijke gevolgen kunnen hebben voor de leefmilieus van de soorten.
- b. Elke Partij ziet toe op de totale bescherming en het herstel van de diersoorten opgenomen in de lijsten in Bijlage II door te verbieden:
- i. het vangen, in bezit hebben of doden van (met inbegrip, voor zover mogelijk, van het bij toeval vangen, in bezit hebben of doden) dan wel verhandelen van die soorten en eieren, delen of produkten daarvan;
- ii. voor zover mogelijk, het verstoren van die soorten, met name gedurende de voortplantings-, broed-, overwinterings- of trektijd, alsmede andere perioden van biologische onrust.
- c. Elke Partij neemt passende maatregelen aan ten behoeve van de bescherming en het herstel van de dier- en plantesoorten opgenomen in de lijsten in Bijlage III en kan het gebruik van die soorten reguleren ten einde hun populaties te beschermen en zo goed mogelijk te houden. Ten aanzien van de soorten opgenomen in de lijsten in Bijlage III worden door elke Partij, in samenwerking met andere Partijen, plannen uitgestippeld, aangenomen en uitgevoerd voor het beheer en het gebruik van die soorten, die kunnen omvatten:
- i. Voor diersoorten:
- a. het verbieden van alle niet-selectieve middelen voor het vangen, doden, jagen en vissen en van alle handelingen die kunnen leiden tot het plaatselijk verdwijnen van een soort of tot ernstige verstoring van zijn rust;
- b. het instellen van gesloten jacht- en visseizoenen en andere maatregelen ter instandhouding van hun populaties;
- c. het reguleren van het vangen, in bezit hebben, vervoeren of verkopen van levende of dode soorten en eieren, delen of produkten daarvan;
- ii. Voor plantesoorten, met inbegrip van delen of produkten daarvan, het reguleren van het verzamelen, oogsten en verhandelen ervan.
Elke Partij kan met betrekking tot de verboden voorgeschreven tot bescherming en herstel van de soorten opgenomen in de lijsten in de Bijlagen I en II vrijstellingen aannemen voor wetenschaps-, vormings- en beheersdoeleinden die nodig zijn voor het voortbestaan van de soorten of ter voorkoming van aanzienlijke schade aan bossen of gewassen. Deze vrijstellingen mogen geen bedreiging vormen voor de soorten en dienen te worden gemeld aan de Organisatie, opdat de Wetenschappelijke en Technische Raadgevende Commissie de gegrondheid van de verleende vrijstellingen beoordeelt.
De Partijen kennen tevens prioriteit toe
- a. aan de in de bijlagen vervatte soorten ten behoeve van wetenschappelijk en technisch onderzoek uit hoofde van artikel 17; en
- b. aan de in de bijlagen vervatte soorten ten behoeve van de wederzijdse bijstand uit hoofde van artikel 18.
De procedure tot wijziging van de bijlagen is als volgt:
- a. iedere Partij kan uitstervende of bedreigde dier- of plantesoorten voordragen voor opneming en doorhaling in deze bijlagen en dient via de Organisatie bij de Wetenschappelijke en Technische Raadgevende Commissie tot staving dienende stukken in, met inbegrip van met name de in artikel 19 genoemde gegevens. De voordracht geschiedt in overeenstemming met de overeenkomstig artikel 21 door de Partijen aangenomen richtlijnen en criteria;
- b. de Wetenschappelijke en Technische Raadgevende Commissie beziet en beoordeelt de voordrachten en tot staving dienende stukken en maakt haar standpunten bekend aan de vergaderingen van Partijen, gehouden overeenkomstig artikel 23;
- c. de Partijen bezien de voordrachten, tot staving dienende stukken en verslagen van de Wetenschappelijke en Technische Raadgevende Commissie. Een soort wordt, indien mogelijk, door middel van consensus in de lijsten in de bijlagen opgenomen, en anders bij een meerderheid van drie vierde van de aanwezige Partijen die hun stem uitbrengen, ten volle rekening houdend met het advies van de Wetenschappelijke en Technische Raadgevende Commissie dat de voordracht en de tot staving dienende stukken voldoen aan de overeenkomstig artikel 21 vastgestelde gemeenschappelijke richtlijnen en criteria;
- d. een Partij kan in de uitoefening van haar soevereiniteit of soevereine rechten een voorbehoud maken ten aanzien van de opneming van een bepaalde soort in een lijst in een bijlage door middel van een schriftelijke kennisgeving aan de Depositaris binnen 90 dagen na de stemming van de Partijen. De Depositaris stelt alle Partijen onverwijld in kennis van elk uit hoofde van deze bepaling ontvangen voorbehoud;
- e. een opneming in een lijst in de desbetreffende bijlage wordt 90 dagen na de stemming voor alle Partijen van kracht, behalve voor hen die een voorbehoud hebben gemaakt in overeenstemming met de bepaling in letter d van dit artikel; en
- f. een Partij kan te allen tijde een eerder voorbehoud ten aanzien van een opneming in een lijst vervangen door een aanvaarding door middel van een schriftelijke kennisgeving aan de Depositaris. De aanvaarding wordt daarna voor die Partij van kracht.
De Partijen stellen samenwerkingsprogramma's op in het kader van het Verdrag en het Actieplan ten behoeve van het beheer en het behoud van beschermde soorten en ontwikkelen regionale herstelprogramma's voor beschermde soorten in het Caribisch gebied, en voeren deze uit, ten volle rekening houdend met andere bestaande regionale maatregelen tot behoud die voor het beheer van die soorten van belang zijn. De Organisatie verleent bijstand bij de opstelling en uitvoering van deze regionale herstelprogramma's.
Artikel 12. Uitzetting van niet-inheemse of genetisch gewijzigde soorten
Elke Partij neemt alle passende maatregelen om de opzettelijke of ongewenste uitzetting in het wild van niet-inheemse of genetisch gewijzigde soorten die voor natuurlijke dier- en plantesoorten en andere kenmerken van het Caribisch gebied schadelijke gevolgen kan hebben, te reguleren of te verbieden.
Artikel 13. Evaluatie van milieu-effecten
Inde planningsprocessen die leiden tot beslissingen over industriële en andere projecten en activiteiten die negatieve milieu-effecten en ingrijpende gevolgen kunnen hebben voor gebieden of soorten waaraan bijzondere bescherming is toegekend krachtens dit Protocol, evalueert elke Partij de mogelijke directe en indirecte effecten, met inbegrip van de cumulatieve effecten van de beoogde projecten en activiteiten, en neemt zij deze in aanmerking.
De Organisatie en de Wetenschappelijke en Technische Raadgevende Commissie geven, voor zover mogelijk, op verzoek raad en verlenen bijstand aan een Partij bij bedoelde evaluaties.
Artikel 14. Vrijstellingen voor traditionele activiteiten
Elke Partij houdt bij het opstellen van beheers- en beschermingsmaatregelen rekening met en voorziet in vrijstellingen, indien nodig, om tegemoet te komen aan de traditionele bestaansmogelijkheden en culturele behoeften van de plaatselijke bevolking. Voor zover zulks enigszins mogelijk is, mag geen enkele vrijstelling die om deze reden is verleend van zodanige aard zijn dat zij:
- a. een bedreiging vormt voor de instandhouding van de krachtens de bepalingen van dit Protocol beschermde gebieden, met inbegrip van de ecologische processen die bijdragen tot de instandhouding van deze beschermde gebieden; of
- b. leiden tot het uitsterven van, dan wel een wezenlijk risico voor, of een wezenlijke vermindering van het aantal leden van, populaties van dier- en plantesoorten in de beschermde gebieden, of ecologisch verbonden soorten of populaties, in het bijzonder trekkende soorten. en bedreigde, uitstervende of inheemse soorten.
Partijen die vrijstellingen verlenen met betrekking tot beschermingsmaatregelen stellen de Organisatie daarvan in kennis.
Artikel 15. Wijzigingen in de status van beschermde gebieden of beschermde soorten
Wijzigingen in de afbakening of wettelijke status van een gebied, of een gedeelte daarvan, of van een beschermde soort kunnen slechts plaatsvinden om belangrijke redenen, de noodzaak het milieu te beschermen in aanmerking nemend en in overeenstemming met de bepalingen van dit Protocol, na kennisgeving aan de Organisatie.
De status van gebieden en soorten dient periodiek te worden bezien en beoordeeld door de Wetenschappelijke en Technische Raadgevende Commissie op basis van de door de Partijen via de Organisatie verstrekte gegevens. Gebieden en soorten kunnen uit de lijsten van gebieden of de bijlagen bij dit Protocol worden verwijderd op dezelfde wijze als waarop zij daarin werden opgenomen.
Artikel 16. Openbaarheid, voorlichting, publiek bewustzijn en vorming
Elke Partij geeft passende openbaarheid aan de instelling van beschermde gebieden, in het bijzonder hun grenzen, bufferzones en toepasselijke regelingen, alsmede aan de aanwijzing van beschermde soorten, in het bijzonder hun essentiële leefmilieus en de toepasselijke regelingen.
Ten einde publiek bewustzijn te kweken tracht elke Partij het publiek zo ruim mogelijk voor te lichten over de betekenis en de waarde van de beschermde gebieden en soorten en over de wetenschappelijke kennis en andere voordelen die daaruit kunnen worden verkregen of over veranderingen daarin. Deze voorlichting dient een passende plaats te krijgen in vormingsprogramma's op het gebied van milieu en geschiedenis. Elke Partij dient er tevens naar te streven te bevorderen dat haar publiek en haar organisaties voor natuurbehoud worden betrokken bij maatregelen die nodig zijn ter bescherming van de betrokken gebieden en soorten.
Artikel 17. Wetenschappelijk, technisch en beheergericht onderzoek
Elke Partij stimuleert en ontwikkelt wetenschappelijk, technisch en beheergericht onderzoek inzake beschermde gebieden, met inbegrip van met name de ecologische processen en het archeologisch historisch en cultureel erfgoed daarvan, alsmede inzake bedreigde of uitstervende dier- en plantesoorten en hun leefmilieus.
Elke Partij kan met andere Partijen en met daarvoor in aanmerking komende regionale en internationale organisaties overleggen met het oog op het vaststellen, plannen en uitvoeren van programma's voor wetenschappelijk en technisch onderzoek en toezicht die nodig zijn om beschermde gebieden en soorten te kenschetsen en daarop toezicht te houden en om de doeltreffendheid van maatregelen ter uitvoering van beheers- en herstelplannen te beoordelen.
De Partijen wisselen rechtstreeks of via de Organisatie wetenschappelijke en technische informatie uit betreffende bestaande en geplande programma's voor onderzoek en toezicht en de resultaten daarvan. Zij stemmen in de hoogst mogelijke mate hun programma's voor onderzoek en toezicht op elkander af en trachten procedures voor het verzamelen, optekenen, archiveren en analyseren van ter zake dienende wetenschappelijke en technische informatie te standaardiseren.
De Partijen stellen overeenkomstig de bepalingen van het eerste lid hierboven uitgebreide inventarisatielijsten op van:
- a. gebieden waarover zij soevereiniteit, soevereine rechten of rechtsmacht uitoefenen die zeldzame of broze ecosystemen bevatten; die een reservoir van biologische of genetische verscheidenheid zijn; die van ecologische waarde zijn voor de instandhouding van in economisch opzicht belangrijk leven; die van belang zijn voor bedreigde, uitstervende of trekkende soorten; die om esthetische, recreatieve, toeristische of archeologische redenen van waarde zijn; en
- b. dier- of plantesoorten die in aanmerking komen voor opneming in de lijsten van bedreigde of uitstervende soorten overeenkomstig de krachtens dit Protocol vastgestelde criteria.
Artikel 18. Wederzijdse bijstand
De Partijen werken rechtstreeks of met hulp van de Organisatie of andere daarvoor in aanmerking komende internationale organisaties samen bij het opzetten, ontwerpen, financieren en uitvoeren van programma's voor bijstand aan de Partijen die te kennen geven daaraan behoefte te hebben bij de keuze, de instelling en het beheer van beschermde gebieden en soorten.
Deze programma's dienen algemene milieukundige vorming, de opleiding van wetenschappelijk, technisch en beherend personeel, wetenschappelijk onderzoek, alsmede de verwerving, het gebruik, het ontwerp en de ontwikkeling van passende uitrusting op gunstige door de betrokken Partijen overeen te komen voorwaarden te omvatten.
Artikel 19. Kennisgeving en verslaglegging aan de Organisatie
Elke Partij doet de Organisatie periodiek verslag van:
- a. de status van bestaande en nieuw ingestelde beschermde gebieden, bufferzones en beschermde soorten in gebieden waarover zij soevereiniteit, soevereine rechten of rechtsmacht uitoefent; en
- b. wijzigingen in de afbakening of wettelijke status van beschermde gebieden, bufferzones en beschermde soorten in gebieden waarover zij soevereiniteit, soevereine rechten of rechtsmacht uitoefent.
De verslagen inzake de beschermde gebieden en bufferzones dienen informatie te bevatten over:
- a. de naam van het gebied of de zone;
- b. de biogeografische eigenschappen van het gebied of de zone (grenzen, natuurlijke kenmerken, klimaat, dier- en plantesoorten);
- c. de wettelijke status, met verwijzing naar de van toepassing zijnde nationale wetgeving of regelgeving;
- d. datum en instelling en voorgeschiedenis;
- e. beheersplannen voor het beschermde gebied;
- f. belang voor cultureel erfgoed;
- g. faciliteiten voor onderzoek en bezoekers; en
- h. bedreigingen voor het gebied of de zone, met name bedreigingen die hun oorsprong vinden buiten het rechtsgebied van de Partij.
De verslagen inzake de beschermde soorten behoren, voor zover mogelijk, informatie te bevatten over:
- a. de wetenschappelijke en de gebruikelijke naam van de soorten;
- b. geschatte populaties van soorten en hun verspreidingsgebieden;
- c. status van wettelijke bescherming, met verwijzing naar de van toepassing zijnde nationale wetgeving of regelgeving;
- d. ecologische wisselwerking met andere soorten en specifieke leefmilieu-eisen;
- e. beheers- en herstelplannen voor uitstervende en bedreigde soorten;
- f. onderzoeksprogramma's en beschikbare wetenschappelijke en technische publikaties met betrekking tot de soorten; en
- g. bedreigingen voor de beschermde soorten, hun leefmilieus en daarmee samenhangende ecosystemen, met name bedreigingen die hun oorsprong vinden buiten het rechtsgebied van de Partij.
De door de Partijen aan de Organisatie verstrekte verslagen worden gebruikt voor de in de artikelen 20 en 22 genoemde doeleinden.
Artikel 20. Wetenschappelijke en Technische Raadgevende Commissie
Hierbij wordt een Wetenschappelijke en Technische Raadgevende Commissie ingesteld.
Elke Partij wijst een wetenschappelijke deskundige die over de juiste bekwaamheid beschikt op het door het Protocol bestreken gebied aan als haar vertegenwoordiger in de Commissie; deze kan zich doen vergezellen door andere door de Partij aangewezen deskundigen en adviseurs. De Commissie kan ook advies inwinnen bij in wetenschappelijk en technisch opzicht bekwame deskundigen en organisaties.
De Commissie heeft tot taak de Partijen via de Organisatie te adviseren inzake de volgende wetenschappelijke en technische aangelegenheden die verband houden met het Protocol:
- a. het opnemen van beschermde gebieden in lijsten op de in artikel 7 bepaalde wijze;
- b. het opnemen van beschermde soorten in lijsten op de in artikel 11 bepaalde wijze;
- c. verslagen inzake het beheer en de bescherming van beschermde gebieden en soorten en hun leefmilieus;
- d. voorstellen voor technische bijstand ten behoeve van opleiding, onderzoek, vorming en beheer (met inbegrip van plannen voor herstel voor soorten);
- e. het evalueren van milieu-effecten overeenkomstig artikel 13;
- f. het opstellen van gemeenschappelijke richtlijnen en criteria overeenkomstig artikel 21; en
- g. andere maatregelen met betrekking tot de toepassing van dit Protocol, met inbegrip van de aan haar door de vergaderingen van de Partijen opgedragen maatregelen.
De Commissie stelt haar eigen reglement van orde vast.
Artikel 21. Vaststelling van gemeenschappelijke richtlijnen en criteria
Op hun eerste vergadering, of zo spoedig mogelijk daarna, beoordelen de Partijen en hechten zij hun goedkeuring aan door de Wetenschappelijke en Technische Raadgevende Commissie opgestelde richtlijnen en criteria, met name op het gebied van:
- a. de kenschetsing en keuze van beschermde gebieden en soorten;
- b. de instelling van beschermde gebieden;
- c. het beheer van beschermde gebieden en soorten, met inbegrip van trekkende soorten; en
- d. het verschaffen van informatie over beschermde gebieden en soorten, met inbegrip van trekkende soorten.
Bij de toepassing van dit Protocol houden de Partijen rekening met deze gemeenschappelijke richtlijnen en criteria; dit doet geen afbreuk aan het recht van een Partij om strengere richtlijnen en criteria aan te nemen.
Artikel 22. Institutionele regelingen
Elke Partij wijst een Centraal Punt aan om contacten met de Organisatie te onderhouden over de technische aspecten van de toepassing van dit Protocol.
De Partijen wijzen de Organisatie aan om de volgende secretariaatswerkzaamheden te verrichten:
- a. het beleggen en verzorgen van de vergaderingen van de Partijen;
- b. het verlenen van bijstand bij het werven van fondsen als bedoeld in artikel 24;
- c. het verlenen van bijstand aan de Partijen en de Wetenschappelijke en Technische Raadgevende Commissie in samenwerking met de bevoegde internationale, intergouvernementele en niet-gouvernementele organisaties bij:
- -. het bevorderen van programma's voor technisch en wetenschappelijk onderzoek als bedoeld in artikel 17;
- -. het bevorderen van de uitwisseling van wetenschappelijke en technische informatie tussen de Partijen als bedoeld in artikel 16;
- -. het opstellen van aanbevelingen voor gemeenschappelijke richtlijnen en criteria overeenkomstig artikel 21;
- -. het opstellen, indien gewenst, van beheersplannen voor beschermde gebieden en soorten overeenkomstig, onderscheidenlijk, de artikelen 6 en 10;
- -. het ontwikkelen van samenwerkingsprogramma's overeenkomstig de artikelen 7 en 11;
- -. het opstellen, indien gewenst, van evaluaties van milieu-effecten overeenkomstig artikel 13;
- -. het samenstellen van vormingsmateriaal bestemd voor verschillende door de Partijen vastgestelde doelgroepen;
- -. het repatriëren van illegaal uitgevoerde wilde dier- en plantesoorten en delen of produkten daarvan;
- d. het opstellen van gemeenschappelijke modellen die voor Partijen als uitgangspunt dienen bij het doen toekomen van kennisgevingen en verslagen aan de Organisatie als bedoeld in artikel 19;
- e. het bijhouden en bijwerken van gegevensbanken van beschermde gebieden en soorten die de in de artikelen 7 en 11 bedoelde gegevens bevatten, alsmede het periodiek uitgeven van bijgewerkte gidsen van beschermde gebieden en soorten;
- f. het samenstellen van gidsen, verslagen en technische studies die nodig kunnen zijn voor de toepassing van dit Protocol;
- g. het samenwerken en coördineren met regionale en internationale organisaties die zich bezighouden met de bescherming van gebieden en soorten; en
- h. het vervullen van andere door de Partijen aan de Organisatie opgedragen taken.
Artikel 23. Vergaderingen van de Partijen
De gewone vergaderingen van de Partijen worden gehouden te zamen met de gewone vergaderingen van de Partijen bij het Verdrag, gehouden overeenkomstig artikel 16 van het Verdrag. De Partijen kunnen ook buitengewone vergaderingen houden in overeenstemming met artikel 16 van het Verdrag. Voor de vergaderingen geldt het reglement van orde aangenomen overeenkomstig artikel 20 van het Verdrag.
De vergaderingen van de Partijen bij dit Protocol hebben tot taak:
- a. het volgen van en richting geven aan de toepassing van dit Protocol;
- b. het goedkeuren van de besteding van de in artikel 24 bedoelde fondsen;
- c. het toezien op en het geven van richtsnoeren voor het beleid van de Organisatie;
- d. het beoordelen van de doeltreffendheid van de aangenomen maatregelen tot beheer en bescherming van gebieden en soorten en het bestuderen van de noodzaak andere maatregelen te nemen, met name in de vorm van bijlagen bij en wijzigingen op dit Protocol of de bijlagen daarbij;
- e. het begeleiden en bevorderen van de instelling en ontwikkeling van het netwerk van beschermde gebieden en van herstelplannen voor beschermde soorten bedoeld in de artikelen 7 en 11.
- f. het aannemen en herzien, indien nodig, van de richtlijnen en criteria bedoeld in artikel 21;
- g. het bestuderen van de adviezen en aanbevelingen van de Wetenschappelijke en Technische Raadgevende Commissie uit hoofde van artikel 20;
- h. het bestuderen van de krachtens artikel 22 van het Verdrag en artikel 19 van dit Protocol door de Partijen aan de Organisatie toegezonden verslagen, alsmede andere informatie die de Partijen de Organisatie of de vergadering van de Partijen doen toekomen; en
- i. in voorkomend geval, het verrichten van andere werkzaamheden.
Artikel 24. Fondsen
Naast de door de Partijen in overeenstemming met artikel 20, tweede lid, van het Verdrag verstrekte fondsen kunnen de Partijen de Organisatie opdracht geven aanvullende fondsen te werven. Deze kunnen vrijwillige bijdragen omvatten voor met het Protocol verband houdende doelstellingen, afkomstig van Partijen, andere regeringen, overheidsinstanties, niet-gouvernementele, internationale, regionale of particuliere organisaties en personen.
Artikel 25. Verhouding tot andere Verdragen inzake de bijzondere bescherming van wilde dieren en planten
Geen enkele bepaling van dit Protocol mag zodanig worden uitgelegd dat afbreuk wordt gedaan aan de rechten en verplichtingen van Partijen uit hoofde van de Overeenkomst inzake de internationale handel in bedreigde in het wild levende dier- en plantesoorten(CITES) en het Verdrag inzake de bescherming van trekkende wilde diersoorten (CMS).
Artikel 26. Overgangsbepaling
De oorspronkelijke versie van de bijlagen, die een integrerend deel van dit Protocol uitmaken, wordt door middel van consensus op een Conferentie van gevolmachtigden van de Verdragsluitende Partijen bij het Verdrag aangenomen.
Artikel 27. Inwerkingtreding
Dit Protocol en de daarbij behorende bijlagen, nadat zij door de Verdragsluitende Partijen bij het Verdrag zijn aangenomen, zullen overeenkomstig de in artikel 28, tweede lid, van het Verdrag vastgestelde procedure in werking treden.
Het Protocol treedt eerst in werking wanneer de oorspronkelijke bijlagen in overeenstemming met artikel 26 zijn aangenomen.
Artikel 28. Ondertekening
Dit Protocol staat open voor ondertekening te Kingston van 18 januari tot en met 31 januari 1990 en te Bogota van 1 februari 1990 tot en met 17 januari 1991 door elke Partij bij het Verdrag.
IN WITNESS WHEREOF the undersigned, being duly authorized by their respective Governments, have signed this Protocol.
DONE at Kingston, on this eighteenth day of January one thousand nine hundred and ninety in a single copy in the English, French and Spanish languages, the three texts being equally authentic.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)