Stabilisatie- en associatieovereenkomst tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Republiek Albanië, anderzijds

Type Verdrag
Publication 2015-05-11
State In force
Source BWB
artikelen 263
Wijzigingsgeschiedenis JSON API
4.

De verkregen informatie mag uitsluitend worden gebruikt voor de doeleinden van dit protocol. Indien een partij dergelijke informatie voor andere doeleinden wenst te gebruiken, dient zij vooraf om de schriftelijke toestemming te verzoeken van de instantie die de informatie heeft verstrekt. Dergelijke informatie mag uitsluitend op de door deze instantie vastgestelde voorwaarden worden gebruikt.

Artikel 11. Deskundigen en getuigen

Een onder een aangezochte autoriteit ressorterende ambtenaar kan worden gemachtigd, om binnen de grenzen van de hem verleende machtiging, als getuige of deskundige op te treden in gerechtelijke of administratieve procedures die betrekking hebben op aangelegenheden waarop dit protocol van toepassing is en daarbij de voor deze procedures noodzakelijke voorwerpen, bescheiden of gewaarmerkte kopieën over te leggen. In de convocatie dient uitdrukkelijk te worden vermeld over welke aangelegenheid en in welke functie of hoedanigheid de betrokken ambtenaar zal worden ondervraagd.

Artikel 12. Kosten van de bijstand

De partijen brengen elkaar geen kosten in rekening voor uitgaven die ter uitvoering van dit protocol zijn gemaakt, met uitzondering, in voorkomend geval, van de uitgaven voor deskundigen, getuigen, tolken en vertalers die niet in overheidsdienst zijn.

Artikel 13. Tenuitvoerlegging

1.

De douaneautoriteiten van Albanië, enerzijds, en de bevoegde diensten van de Commissie van de Europese Gemeenschappen en, in voorkomend geval, de douaneautoriteiten van de lidstaten, anderzijds, zien toe op de tenuitvoerlegging van dit protocol. Zij stellen alle praktische maatregelen en regelingen voor de toepassing van dit protocol vast, rekening houdend met de voorschriften op het gebied van de gegevensbescherming. Zij kunnen de bevoegde autoriteiten aanbevelingen doen over wijzigingen die naar hun oordeel in dit protocol moeten worden aangebracht.

2.

De partijen plegen overleg over en stellen elkaar in kennis van alle uitvoeringsbepalingen die op grond van dit protocol worden vastgesteld.

Artikel 14. Andere overeenkomsten

1.

Rekening houdend met de respectieve bevoegdheden van de Gemeenschap en van haar lidstaten, geldt voor de bepalingen van dit protocol het volgende:

  • –. zij hebben geen gevolgen voor de verplichtingen van de partijen op grond van andere internationale overeenkomsten of verdragen;
  • –. zij worden geacht een aanvulling te vormen op overeenkomsten betreffende wederzijdse bijstand die tussen afzonderlijke lidstaten en Albanië zijn of kunnen worden gesloten; en
  • –. zij hebben geen gevolgen voor de bepalingen van de Gemeenschap betreffende de uitwisseling tussen de bevoegde diensten van de Commissie van de Europese Gemeenschappen en de douaneautoriteiten van de lidstaten van gegevens die in het kader van dit protocol zijn verkregen en die van belang kunnen zijn voor de Gemeenschap.
2.

In afwijking van lid 1 hebben de bepalingen van dit protocol voorrang op de bepalingen in bilaterale overeenkomsten betreffende wederzijdse bijstand die tussen afzonderlijke lidstaten en Albanië zijn of kunnen worden gesloten, indien de bepalingen van laatstgenoemde overeenkomsten met die van dit protocol strijdig zijn.

3.

In geval van problemen in verband met de toepassing van dit protocol plegen de partijen overleg om deze op te lossen in het bij artikel 120 van de associatieovereenkomst ingestelde Stabilisatie- en Associatiecomité.

GEDAAN te Luxemburg, de twaalfde juni tweeduizend zes.

Artikel 1. Toepasselijke regels van oorsprong

1.

Voor de toepassing van deze overeenkomst zijn aanhangsel I en de relevante bepalingen van aanhangsel II van de Regionale Conventie betreffende de pan-Euro-mediterrane preferentiële oorsprongsregels1)PbEU L 54 van 26.2.2013, blz. 4. („de conventie”), van toepassing.

2.

Alle verwijzingen naar de „desbetreffende overeenkomst” in aanhangsel I en in de relevante bepalingen van aanhangsel II van de Regionale Conventie betreffende de pan-Euro-mediterrane preferentiële oorsprongsregels gelden als verwijzingen naar deze overeenkomst.

Artikel 2. Geschillenregeling

1.

Indien er een geschil ontstaat in verband met de controleprocedures in artikel 32 van aanhangsel I van de conventie dat niet kan worden opgelost door de douaneautoriteit die de controle heeft aangevraagd en de douaneautoriteit die die controle moet uitvoeren, wordt het aan de Stabilisatie- en Associatieraad voorgelegd.

2.

In alle gevallen is de wetgeving van het land van invoer van toepassing op de regeling van geschillen tussen een importeur en de douaneautoriteiten van het land van invoer.

Artikel 3. Wijzigingen van het protocol

De Stabilisatie- en Associatieraad kan besluiten bepalingen van dit protocol te wijzigen.

Artikel 4. Opzegging van de conventie

1.

Indien ofwel de Europese Unie ofwel Albanië de depositaris van de conventie schriftelijk te kennen geeft de conventie op grond van artikel 9 van de conventie, te willen opzeggen, onderhandelen de Europese Unie en Albanië onmiddellijk over oorsprongsregels voor de toepassing van deze overeenkomst.

2.

Tot de inwerkingtreding van deze nieuw overeengekomen oorsprongsregels blijven op deze overeenkomst de op het moment van opzegging geldende oorsprongsregels in aanhangsel I en, in voorkomend geval, de relevante bepalingen van aanhangsel II van de conventie van toepassing. Vanaf de opzegging worden de oorsprongsregels in aanhangsel I en, in voorkomend geval, de relevante bepalingen van aanhangsel II van de conventie echter zo uitgelegd dat zij uitsluitend bilaterale cumulatie tussen de Europese Unie en Albanië toestaan.

Artikel 5. Overgangsbepalingen – cumulatie

Niettegenstaande artikel 16, lid 5, en artikel 21, lid 3, van aanhangsel I van de conventie, mag het bewijs van oorsprong een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 of een oorsprongsverklaring zijn indien bij de cumulatie alleen EVA-landen, de Faeröer, de Europese Unie, Turkije en de deelnemers aan het stabilisatie- en associatieproces zijn betrokken.

Artikel 1. Doel

Het doel van dit protocol is de samenwerking tussen de partijen inzake het vervoer over land, in het bijzonder het transitoverkeer, te bevorderen en in dat verband toe te zien op gecoördineerde ontwikkeling van het vervoer door en via de grondgebieden van de partijen, door middel van de volledige en coherente toepassing van alle bepalingen van dit protocol.

Artikel 2. Toepassingsgebied

1.

De samenwerking heeft betrekking op het vervoer over land, met name het wegvervoer, het spoorvervoer en het gecombineerde vervoer, alsmede de desbetreffende infrastructuur.

2.

In dit verband omvat het toepassingsgebied van dit protocol in het bijzonder:

  • –. de vervoersinfrastructuur op het grondgebied van elk der beide partijen, voor zover noodzakelijk om de doelstellingen van het protocol te verwezenlijken;
  • –. de toegang, op basis van wederkerigheid, tot de markt voor het wegvervoer;
  • –. wezenlijke juridische en administratieve ondersteunende maatregelen, waaronder maatregelen van commerciële, fiscale, sociale en technische aard;
  • –. samenwerking bij het ontwikkelen van een vervoerssysteem dat aan milieueisen voldoet;
  • –. regelmatige uitwisseling van informatie over de ontwikkeling van het vervoersbeleid van de partijen, met bijzondere aandacht voor de vervoersinfrastructuur.

Artikel 3. Definities

Voor de toepassing van dit protocol wordt verstaan onder:

  • a. „communautair transitoverkeer”: de doorvoer van goederen over het grondgebied van Albanië door een in de Gemeenschap gevestigde transporteur vanuit of naar een lidstaat van de Gemeenschap;
  • b. „Albanees transitoverkeer”: de doorvoer van goederen over het grondgebied van de Gemeenschap, door een in Albanië gevestigde transporteur, van Albanië naar een derde land of van een derde land naar Albanië;
  • c. „gecombineerd vervoer”: goederenvervoer waarbij de vrachtwagen, de aanhangwagen, de oplegger met of zonder trekker, de wissellaadbak of de container van 20 voet of meer gebruik maakt van de weg voor het eerste of het laatste gedeelte van het traject, en voor het andere gedeelte van het spoor of de binnenwateren, of van een zeetraject wanneer dat traject meer bedraagt dan 100 km hemelsbreed gemeten, en het begin- of het eindvervoer over de weg verricht:
  • –. hetzij tussen de laadplaats van de goederen en het dichtstbij gelegen geschikte spoorwegstation van inlading, voor wat het beginvervoer betreft, en tussen het dichtstbij gelegen geschikte spoorwegstation van uitlading en de losplaats van de goederen, voor wat het eindvervoer betreft;
  • –. hetzij binnen een afstand van ten hoogste 150 km hemelsbreed gemeten, vanaf de rivier- of zeehaven van in- of van uitlading.

TITEL I. INFRASTRUCTUUR

Artikel 4. Algemene bepaling

De partijen komen overeen maatregelen voor de ontwikkeling van een multimodale vervoersinfrastructuur te nemen en die op elkaar af te stemmen, als een wezenlijk middel om de problemen op te lossen die zich voordoen in het goederenvervoer door Albanië, met name op de pan-Europese corridor VIII, de noord-zuidas en de verbindingen met het Adriatisch/Ionisch pan-Europees vervoersgebied.

Artikel 5. Planning

De ontwikkeling van een multimodaal regionaal vervoersnetwerk op het grondgebied van Albanië dat aan de behoeften van Albanië en van Zuidoost-Europa voldoet en de belangrijkste weg- en spoorwegverbindingen, binnenwateren, binnenhavens, havens, luchthavens en andere relevante knooppunten van het netwerk omvat, is voor de Gemeenschap en voor Albanië van bijzonder belang. Dit netwerk is gedefinieerd in een memorandum van overeenstemming inzake de ontwikkeling van een vervoerskerninfrastructuurnetwerk voor Zuidoost-Europa, dat in juni 2004 door de ministers van de regio en de Europese Commissie is ondertekend. Verantwoordelijk voor de ontwikkeling van het netwerk en de keuze van prioriteiten is een stuurcomité dat uit vertegenwoordigers van elk van de ondertekenaars bestaat.

Artikel 6. Financiële aspecten

1.

De Gemeenschap kan, in het kader van artikel [112] van de overeenkomst, financieel bijdragen aan de uitvoering van de noodzakelijke in artikel 5 van dit Protocol bedoelde infrastructuurwerken. Zij kan deze bijdrage verstrekken in de vorm van kredieten van de Europese Investeringsbank, en op elke andere wijze waarop zij nog meer middelen kan vrijmaken.

2.

Om de werkzaamheden te bespoedigen, zal de Commissie zoveel mogelijk trachten het gebruik van andere aanvullende middelen te bevorderen, zoals investeringen van lidstaten van de Gemeenschap op bilaterale basis of met gebruikmaking van openbare of particuliere middelen.

TITEL II. VERVOER PER SPOOR EN GECOMBINEERD VERVOER

Artikel 7. Algemene bepaling

De partijen nemen de nodige maatregelen voor de ontwikkeling en de bevordering van het vervoer per spoor en het gecombineerde vervoer en stemmen deze op elkaar af, met als doel een groot deel van het vervoer van en naar en het transitoverkeer door Albanië in de toekomst op milieuvriendelijker wijze te doen plaatsvinden.

Artikel 8. Bijzondere aspecten met betrekking tot de infrastructuur

In het kader van de modernisering van de Albanese spoorwegen dient het nodige te worden gedaan om het systeem aan het gecombineerde vervoer aan te passen, met bijzondere aandacht voor de ontwikkeling of aanleg van terminals, de afmetingen van de tunnels en de capaciteit, waarvoor aanzienlijke investeringen vereist zijn.

Artikel 9. Ondersteunende maatregelen

De partijen nemen alle nodige maatregelen ter bevordering van de ontwikkeling van gecombineerd vervoer. Deze maatregelen hebben ten doel:

  • –. gebruikers en expediteurs aan te moedigen van gecombineerd vervoer gebruik te maken;
  • –. gecombineerd vervoer concurrerend te maken ten opzichte van het wegvervoer, met name door middel van financiële steun van de Gemeenschap of Albanië in het kader van hun respectieve wetgeving;
  • –. het gebruik van gecombineerd vervoer over lange afstanden te bevorderen en met name het gebruik van wissellaadbakken, containers en vervoer zonder begeleiding in het algemeen te bevorderen;
  • –. de snelheid en betrouwbaarheid van gecombineerd vervoer te verbeteren, in het bijzonder door:
  • –. de frequentie van konvooien te verhogen en aan de behoeften van de expediteurs en gebruikers aan te passen;
  • –. de wachttijden bij terminals te bekorten en de productiviteit ervan op te voeren; het gecombineerde vervoer toegankelijker te maken door belemmeringen op toegangswegen op gepaste wijze weg te nemen;
  • –. het gewicht, de afmetingen en de technische kenmerken van het gespecialiseerde materiaal indien nodig te harmoniseren, en met name te zorgen voor de nodige compatibiliteit van de afmetingen, en overleg te plegen bij de bestelling en het in bedrijf nemen van het als gevolg van de ontwikkeling van het verkeer vereiste materieel;
  • –. en in het algemeen alle andere passende maatregelen te nemen.

Artikel 10. Rol van de spoorwegen

In het licht van de verdeling van de bevoegdheden tussen de staat en de spoorwegen doen de partijen hun spoorwegmaatschappijen de aanbeveling om voor zowel het personen- als het goederenvervoer:

  • –. de bilaterale en multilaterale samenwerking en de samenwerking in het kader van internationale spoorwegorganisaties op alle gebieden te versterken, in het bijzonder ten aanzien van de verbetering van de kwaliteit en de veiligheid van de vervoersdiensten;
  • –. gezamenlijk te streven naar een organisatie van de spoorwegen die expediteurs ertoe aanmoedigt hun goederen per spoor in plaats van over de weg te vervoeren, met name voor transitodoeleinden, op basis van eerlijke concurrentie en met behoud van de vrije keuze van de gebruiker;
  • –. de deelname van Albanië aan de tenuitvoerlegging en toekomstige ontwikkeling van het acquis van de Gemeenschap op het gebied van de ontwikkeling van de spoorwegen voor te bereiden.

Artikel 11. Algemene bepalingen

1.

Wat de toegang tot elkaars vervoersmarkt betreft, komen de partijen overeen in het beginstadium, onverminderd lid 2, de regeling te handhaven die voortvloeit uit bilaterale overeenkomsten of andere internationale bilaterale verdragen die tussen de lidstaten van de Gemeenschap en Albanië zijn gesloten of, bij het ontbreken van dergelijke overeenkomsten of verdragen, uit de feitelijke situatie in 1991. In afwachting van de sluiting van een overeenkomst tussen de Gemeenschap en Albanië over de toegang tot de wegvervoersmarkt, zoals bedoeld in artikel 12, en over wegenbelasting, zoals bedoeld in artikel 13, lid 2, werkt Albanië echter samen met de lidstaten om deze bilaterale overeenkomsten of verdragen aan te passen aan dit protocol.

2.

De partijen komen overeen met ingang van de datum waarop de overeenkomst in werking treedt, het communautaire transitoverkeer onbeperkt toegang te verlenen tot Albanië en het Albanese transitoverkeer onbeperkt toegang te verlenen tot de Gemeenschap.

3.

Indien als gevolg van de krachtens lid 2 verleende rechten het door vervoerders uit de Gemeenschap uitgevoerde transitoverkeer over de weg zodanig toeneemt dat daardoor ernstige schade wordt toegebracht of dreigt te worden toegebracht aan de wegeninfrastructuur en/of de doorstroming van het verkeer op de in artikel 5 bedoelde verbindingen, en zich onder deze zelfde omstandigheden problemen voordoen op het grondgebied van de Gemeenschap in de nabijheid van de grenzen met Albanië, wordt de kwestie voorgelegd aan de Stabilisatie- en associatieraad overeenkomstig artikel [118] van de overeenkomst. De partijen kunnen voorstellen doen voor uitzonderlijke tijdelijke, niet-discriminerende maatregelen die noodzakelijk zijn om deze schade te verminderen of te beperken.

4.

Indien de Europese Gemeenschap voorschriften vaststelt om de verontreiniging door in de Europese Unie geregistreerde vrachtwagens te verminderen en de verkeersveiligheid te vergroten, is een gelijksoortige regeling van toepassing op in Albanië geregistreerde vrachtwagens die op het grondgebied van de Gemeenschap aan het verkeer wensen deel te nemen. De Stabilisatie- en associatieraad beslist over de noodzakelijke modaliteiten.

5.

De partijen onthouden zich van alle eenzijdige maatregelen of handelingen die tot discriminatie tussen vervoerders of voertuigen van de Gemeenschap en vervoerders of voertuigen van Albanië zouden kunnen leiden. Zij nemen alle dienstige maatregelen om het wegvervoer naar of in transito over het grondgebied van de andere partij te vergemakkelijken.

Artikel 12. Markttoegang

De partijen verbinden zich bij voorrang ertoe samen te werken om, behoudens hun interne voorschriften, te streven naar:

  • –. regelingen ter bevordering van de ontwikkeling van een vervoersstelsel dat beantwoordt aan de behoeften van beide partijen en dat enerzijds verenigbaar is met de voltooiing van de interne markt van de Gemeenschap en het gemeenschappelijke vervoersbeleid, en anderzijds met de economische politiek en het vervoersbeleid van Albanië;
  • –. een definitieve regeling voor de toekomstige toegang tot elkaars wegvervoersmarkt op basis van wederkerigheid.

Artikel 13. Belastingen, tol en andere heffingen

1.

De partijen erkennen dat belastingen, tol en andere heffingen ten laste van de wegvoertuigen van beide partijen vrij moeten zijn van discriminatie.

2.

De partijen openen onderhandelingen om zo snel mogelijk tot een overeenkomst te komen inzake wegenbelasting, op basis van de regels die de Gemeenschap op dit gebied heeft vastgesteld. De overeenkomst is met name gericht op vrije doorstroming van het grensoverschrijdende verkeer, geleidelijke opheffing van de verschillen tussen de wegenbelastingstelsels van de partijen en het voorkomen van concurrentievervalsing ten gevolge van deze verschillen.

3.

In afwachting van de resultaten van de in lid 2 bedoelde onderhandelingen nemen de partijen de discriminatie weg tussen vrachtvervoerders uit de Gemeenschap en uit Albanië bij de toepassing van belastingen en heffingen op het verkeer en/of het bezit van vrachtwagens en van alle speciale belastingen en heffingen op het vervoer over het grondgebied van de partijen. Albanië verbindt zich ertoe de Commissie van de Europese Gemeenschappen desgevraagd het bedrag aan belastingen, tol en andere heffingen die het toepast mede te delen, alsmede de methode die voor de berekening daarvan wordt toegepast.

4.

Tot de in lid 2 en artikel 12 bedoelde overeenkomsten zijn gesloten, kunnen na de inwerkingtreding van de stabilisatie- en associatieovereenkomst voorgestelde wijzigingen van fiscale heffingen, tolheffing en andere heffingen op het communautaire transitoverkeer door Albanië, alsmede van de systemen voor de inning ervan, slechts na overleg worden ingevoerd.

Artikel 14. Afmetingen en gewichten

1.

Albanië aanvaardt dat wegvoertuigen die beantwoorden aan de communautaire normen voor afmetingen en gewichten vrij en zonder beperking terzake aan het verkeer op de in artikel 5 bedoelde wegen mogen deelnemen. Tot zes maanden na de inwerkingtreding van de overeenkomst wordt op wegvoertuigen die niet aan de huidige normen van Albanië voldoen een speciale niet-discriminerende heffing toegepast, die evenredig is met de schade die door de hogere asdruk wordt veroorzaakt.

2.

Albanië streeft ernaar zijn huidige regelgeving en normen voor de wegenbouw uiterlijk vijf jaar na de inwerkingtreding van de overeenkomst te harmoniseren met de wetgeving die in de Gemeenschap geldt, en neemt vergaande maatregelen ter verbetering van de in artikel 5 bedoelde bestaande wegen, zodat deze binnen de voorgestelde termijn voldoen aan deze nieuwe regelgeving en normen, een en ander in overeenstemming met zijn financiële mogelijkheden.

Artikel 15. Milieu

1.

Met het oog op de bescherming van het milieu streven de partijen ernaar normen voor de uitstoot van gassen en deeltjes en voor het geluidsniveau van vrachtwagens in te voeren die een hoog niveau van bescherming bieden.

2.

Teneinde de industrie duidelijke aanwijzingen te verschaffen en coördinatie bij onderzoek, planning en productie te bevorderen, dienen afwijkende nationale normen op dit gebied te worden vermeden. Voertuigen die voldoen aan de normen die zijn vastgesteld bij internationale overeenkomsten die tevens betrekking hebben op het milieu, mogen zonder verdere beperkingen aan het verkeer op het grondgebied van de partijen deelnemen.

3.

Bij de invoering van nieuwe normen plegen de partijen overleg teneinde bovengenoemde doelstellingen te bereiken.

Artikel 16. Sociale aspecten

1.

Albanië harmoniseert zijn wetgeving inzake de opleiding van vrachtwagenbestuurders, met name wat het vervoer van gevaarlijke stoffen betreft, met de normen van de Gemeenschap.

2.

Albanië, dat partij is bij de Europese overeenkomst nopens de arbeidsvoorwaarden voor de bemanningen van motorrijtuigen in het internationale vervoer over de weg (AETR), en de Gemeenschap coördineren zo nauw mogelijk hun beleid inzake rijtijden, onderbrekingen en rustperioden van de bestuurders en de samenstelling van de bemanning, in overeenstemming met de toekomstige ontwikkeling van de sociale wetgeving op dit gebied.

3.

De partijen werken samen bij de tenuitvoerlegging en handhaving van de sociale wetgeving op het gebied van het wegvervoer.

4.

De partijen zien toe op de gelijkwaardigheid van hun respectieve wetgeving met betrekking tot de toegang tot het beroep van wegvervoerder, zulks met het oog op wederzijdse erkenning.

Artikel 17. Bepalingen betreffende het verkeer

1.

De partijen wisselen hun ervaringen uit en streven ernaar hun wetgeving te harmoniseren teneinde een betere doorstroming van het verkeer tijdens spitsperioden (weekeinden, feestdagen en het vakantieseizoen) te bewerkstelligen.

2.

In het algemeen bevorderen de partijen de invoering, ontwikkeling en coördinatie van een informatiesysteem voor het wegverkeer.

3.

Zij streven naar harmonisatie van hun wetgeving betreffende het vervoer van aan bederf onderhevige goederen, levende dieren en gevaarlijke stoffen.

4.

De partijen streven tevens naar harmonisatie van de technische hulpverlening aan bestuurders, de verspreiding van belangrijke verkeersinformatie en andere voor het toerisme nuttige zaken, en eerste hulp bij ongelukken, inclusief ambulancediensten.

Artikel 18. Verkeersveiligheid

1.

Uiterlijk vijf jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst harmoniseert Albanië zijn wetgeving inzake verkeersveiligheid, met name ten aanzien van het vervoer van gevaarlijke stoffen, met die van de Gemeenschap.

2.

Albanië, als partij bij de Europese Overeenkomst betreffende het internationaal vervoer van gevaarlijke goederen over de weg, en de Gemeenschap coördineren hun beleid inzake het vervoer van gevaarlijke goederen zo nauw mogelijk.

3.

De partijen werken samen bij de tenuitvoerlegging en handhaving van de wetgeving inzake verkeersveiligheid, met name wat betreft rijbewijzen en maatregelen om verkeersongevallen terug te dringen.

TITEL IV. VEREENVOUDIGING VAN FORMALITEITEN

Artikel 19. Vereenvoudiging van formaliteiten

1.

De partijen komen overeen het goederenvervoer per spoor en over de weg, zowel bilateraal als in transito, te vereenvoudigen.

2.

De partijen komen overeen onderhandelingen te openen met het oog op sluiting van een overeenkomst betreffende vereenvoudiging van de controles en formaliteiten in het goederenvervoer.

3.

De partijen komen overeen waar nodig verdere vereenvoudigingsmaatregelen aan te moedigen en hiertoe gezamenlijk actie te ondernemen.

TITEL V. SLOTBEPALINGEN

Artikel 20. Verruiming van het toepassingsgebied

Indien één van de partijen bij de toepassing van dit protocol tot de conclusie komt dat andere maatregelen, die niet onder het toepassingsgebied van dit protocol vallen, in het belang van een gecoördineerd Europees vervoersbeleid zijn en met name het probleem van het transitoverkeer kunnen helpen oplossen, dan legt zij de andere partij voorstellen voor zulke maatregelen voor.

Artikel 21. Uitvoering

1.

De samenwerking tussen de partijen vindt plaats in het kader van een speciaal subcomité, dat overeenkomstig artikel 121 van de overeenkomst zal worden opgericht.

2.

De taken van dit subcomité zijn in het bijzonder:

  • a. het formuleren van plannen voor samenwerking op het gebied van vervoer per spoor, gecombineerd vervoer, onderzoek op vervoersgebied en milieu;
  • b. het analyseren van de toepassing van de bepalingen van dit protocol en het doen van aanbevelingen aan het Stabilisatie- en associatiecomité voor passende oplossingen voor problemen die zich kunnen voordoen;
  • c. het evalueren, twee jaar na de inwerkingtreding van de overeenkomst, van de stand van zaken wat de verbetering van de infrastructuur en de gevolgen van het vrije transitoverkeer betreft;
  • d. het coördineren van de activiteiten op het gebied van controle, prognoses en ander statistisch werk betreffende het internationale vervoer, met name het transitoverkeer.

Artikel 1. Definities

Voor de toepassing van dit protocol wordt verstaan onder:

  • a. „douanewetgeving”: de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen die in de partijen van toepassing zijn betreffende de invoer, de uitvoer en de doorvoer van goederen en de plaatsing van goederen onder een andere douaneregeling, met inbegrip van verboden, beperkingen en controlemaatregelen;
  • b. „verzoekende autoriteit”: een door een partij aangewezen instantie die op grond van dit protocol verzoeken om bijstand indient;
  • c. „aangezochte autoriteit”: een door een partij aangewezen instantie die op grond van dit protocol een verzoek om bijstand ontvangt;
  • d. „persoonsgegevens”: alle gegevens betreffende een natuurlijke persoon wiens identiteit bekend is of kan worden vastgesteld;
  • e. „handeling in strijd met de douanewetgeving”: elke overtreding of poging tot overtreding van de douanewetgeving;

Artikel 2. Toepassingsgebied

1.

De partijen verlenen elkaar bijstand, op de onder hun bevoegdheid vallende gebieden, en op de wijze en op de voorwaarden als in dit Protocol vastgesteld, om ervoor te zorgen dat de douanewetgeving correct wordt toegepast, in het bijzonder bij de preventie, de opsporing en het onderzoek van handelingen in strijd met deze wetgeving.

2.

De bijstand in douanezaken waarin dit protocol voorziet, geldt voor elke administratieve autoriteit van de partijen die bevoegd is voor de toepassing van dit protocol. Deze bijstand doet geen afbreuk aan de regels betreffende de wederzijdse bijstand in strafzaken en geldt niet voor informatie die is verkregen krachtens bevoegdheden die op verzoek van een rechterlijke autoriteit worden uitgeoefend, tenzij die autoriteit instemt met de mededeling van die informatie.

3.

Dit protocol heeft geen betrekking op bijstand bij de invordering van rechten, heffingen en boetes.

Artikel 3. Bijstand op verzoek

1.

Op aanvraag van de verzoekende autoriteit verstrekt de aangezochte autoriteit eerstgenoemde alle ter zake dienende informatie die deze nodig heeft om erop toe te zien dat de douanewetgeving correct wordt toegepast, met inbegrip van informatie betreffende voorgenomen of vastgestelde handelingen die met deze wetgeving in strijd zijn of kunnen zijn.

2.

Op aanvraag van de verzoekende autoriteit deelt de aangezochte autoriteit haar mede:

  • a. of goederen die uit een partij zijn uitgevoerd op regelmatige wijze in een andere partij zijn ingevoerd, onder vermelding, in voorkomend geval, van de douaneregeling waaronder deze goederen zijn geplaatst.
  • b. of goederen die in een partij zijn ingevoerd op regelmatige wijze uit de andere overeenkomstsluitende partij zijn uitgevoerd, onder vermelding, in voorkomend geval, van de douaneregeling waaronder deze goederen zijn geplaatst.
3.

Op aanvraag van de verzoekende autoriteit neemt de aangezochte autoriteit, overeenkomstig haar wet- en regelgeving, maatregelen om ervoor te zorgen dat toezicht wordt gehouden op:

  • a. natuurlijke personen of rechtspersonen van wie redelijkerwijze kan worden vermoed dat zij handelingen verrichten of hebben verricht die met de douanewetgeving in strijd zijn;
  • b. plaatsen waar goederen op zodanige wijze zijn of kunnen worden opgeslagen dat redelijkerwijze kan worden vermoed dat zij bedoeld zijn om te worden gebruikt bij handelingen die in strijd zijn met de douanewetgeving;
  • c. goederen die op zodanige wijze worden of kunnen worden vervoerd dat redelijkerwijze kan worden vermoed dat zij bedoeld zijn om te worden gebruikt bij handelingen die in strijd zijn met de douanewetgeving;
  • d. vervoermiddelen die op zodanige wijze worden of kunnen worden gebruikt dat redelijkerwijze kan worden vermoed dat zij bedoeld zijn om te worden gebruikt bij handelingen die in strijd zijn met de douanewetgeving.

Artikel 4. Ongevraagde bijstand

De partijen verlenen elkaar, in overeenstemming met hun wet- en regelgeving, ongevraagd bijstand indien zij dit noodzakelijk achten voor de correcte toepassing van de douanewetgeving, in het bijzonder indien zij informatie hebben verkregen over:

  • –. handelingen die met de douanewetgeving in strijd zijn of lijken te zijn en die van belang kunnen zijn voor een andere partij;
  • –. nieuwe middelen of methoden die worden gebruikt bij handelingen in strijd met de douanewetgeving;
  • –. goederen die het voorwerp vormen van handelingen in strijd met de douanewetgeving.
  • –. natuurlijke personen of rechtspersonen van wie redelijkerwijze kan worden vermoed dat zij handelingen in strijd met de douanewetgeving verrichten of hebben verricht;
  • –. vervoermiddelen waarvan redelijkerwijze kan worden vermoed dat zij gebruikt zijn of kunnen worden om handelingen in strijd met de douanewetgeving te verrichten.

Artikel 5. Toezending van documenten/Kennisgeving van besluiten

Op aanvraag van de verzoekende autoriteit neemt de aangezochte autoriteit, overeenkomstig haar wet- en regelgeving, alle maatregelen die nodig zijn voor:

  • –. de toezending van documenten
  • –. de kennisgeving van besluiten

die van de verzoekende autoriteit uitgaan en onder het toepassingsgebied van dit protocol vallen, aan een geadresseerde die op het grondgebied van de aangezochte autoriteit verblijft of gevestigd is.

Verzoeken om de toezending van documenten of de kennisgeving van besluiten worden schriftelijk aan de aangezochte autoriteit gericht in een officiële taal van die autoriteit of in voor die autoriteit aanvaardbare taal.

Artikel 6. Vorm en inhoud van verzoeken om bijstand

1.

Verzoeken in het kader van dit protocol worden schriftelijk gedaan en gaan vergezeld van de bescheiden die voor de behandeling ervan noodzakelijk zijn. In spoedeisende gevallen kunnen verzoeken mondeling worden gedaan, mits zij onmiddellijk schriftelijk worden bevestigd.

2.

De overeenkomstig lid 1 ingediende verzoeken bevatten de volgende gegevens:

  • a. de naam van de verzoekende autoriteit;
  • b. de gevraagde maatregel;
  • c. het onderwerp en de reden van het verzoek;
  • d. de toepasselijke wet- en regelgeving en andere rechtselementen;
  • e. zo nauwkeurig en volledig mogelijke gegevens over de natuurlijke personen of rechtspersonen waarop het onderzoek betrekking heeft;
  • f. een overzicht van de relevante feiten en van het onderzoek dat reeds is uitgevoerd.
3.

De verzoeken worden ingediend in een officiële taal van de aangezochte autoriteit of in een voor deze autoriteit aanvaardbare taal. Deze eis is niet van toepassing op documenten die bij het in lid 1 bedoelde verzoek zijn gevoegd.

4.

Indien een verzoek niet in de juiste vorm wordt gedaan, kan om correctie of aanvulling worden verzocht. Er kunnen echter reeds voorzorgsmaatregelen worden genomen.

Artikel 7. Behandeling van verzoeken

1.

De aangezochte autoriteit behandelt verzoeken om bijstand, binnen de grenzen van haar bevoegdheden en met de middelen waarover zij beschikt, alsof zij voor eigen rekening of in opdracht van een andere autoriteit van dezelfde partij handelt, door reeds beschikbare informatie te verstrekken en het nodige onderzoek te verrichten of te doen verrichten. Deze bepaling is tevens van toepassing op instanties waaraan de aangezochte autoriteit het verzoek doorzendt indien deze autoriteit niet zelfstandig kan handelen.

2.

Verzoeken om bijstand worden behandeld overeenkomstig de wet- en regelgeving van de aangezochte partij.

3.

Daartoe gemachtigde ambtenaren van een partij kunnen met instemming van de andere partij en op de door deze gestelde voorwaarden, in de kantoren van de aangezochte autoriteit of van een andere betrokken instantie als bedoeld in lid 1, gegevens verzamelen over handelingen die met de douanewetgeving in strijd zijn of kunnen zijn en die de verzoekende autoriteit voor de toepassing van dit protocol nodig heeft.

4.

Daartoe gemachtigde ambtenaren van een partij kunnen, met instemming van de andere betrokken partij en op de door deze gestelde voorwaarden, aanwezig zijn bij onderzoek dat op het grondgebied van laatstgenoemde wordt verricht.

Artikel 8. Vorm waarin de informatie dient te worden verstrekt

1.

De aangezochte autoriteit deelt de uitslag van het ingestelde onderzoek aan de verzoekende autoriteit schriftelijk mede en voegt daarbij de relevante documenten, gewaarmerkte kopieën of andere stukken.

2.

Deze informatie kan met behulp van systemen voor automatische gegevensverwerking worden verstrekt.

3.

Originelen van documenten worden uitsluitend op verzoek verstrekt wanneer gewaarmerkte kopieën niet toereikend zijn. Deze originelen worden zo spoedig mogelijk geretourneerd.

Artikel 9. Gevallen waarin geen bijstand behoeft te worden verleend

1.

Bijstand kan worden geweigerd of van bepaalde voorwaarden of eisen afhankelijk worden gesteld wanneer een partij van oordeel is dat bijstand op grond van dit protocol:

  • a. de soevereiniteit van Albanië of van een lidstaat waaraan op grond van dit protocol om bijstand is gevraagd, zou kunnen aantasten;
  • b. de openbare orde, de veiligheid of andere wezenlijke belangen in gevaar zou kunnen brengen, in het bijzonder in de in artikel 10, lid 2, bedoelde gevallen;
  • c. de schending inhoudt van een industrieel geheim, een handelsgeheim of een beroepsgeheim.
2.

De aangezochte autoriteit kan de bijstand uitstellen indien deze een lopend onderzoek, een lopende strafvervolging of procedure zou verstoren. In dat geval pleegt de aangezochte autoriteit overleg met de verzoekende autoriteit om na te gaan of de bijstand kan worden verleend op door de aangezochte autoriteit te stellen voorwaarden.

3.

Wanneer de verzoekende autoriteit om een vorm van bijstand verzoekt die zij desgevraagd zelf niet zou kunnen verlenen, vermeldt zij dit in haar verzoek. De aangezochte autoriteit is vrij te bepalen hoe zij op een dergelijk verzoek reageert.

4.

In de in de leden 1 en 2 bedoelde gevallen moet het besluit van de aangezochte autoriteit en de redenen ervan terstond aan de verzoekende autoriteit worden medegedeeld.

Artikel 10. Uitwisseling van informatie en geheimhouding

1.

Alle informatie die ter uitvoering van dit protocol in welke vorm dan ook wordt verstrekt, heeft een vertrouwelijk karakter of is slechts voor beperkte verspreiding bestemd, afhankelijk van de regelgeving van elke partij. De verstrekte gegevens worden als een ambtsgeheim beschouwd en beschermd overeenkomstig de regelgeving van de partij die ze heeft ontvangen en de desbetreffende bepalingen die op EG-autoriteiten van toepassing zijn.

2.

Persoonsgegevens mogen uitsluitend worden doorgegeven indien de partij die deze ontvangt zich ertoe verbindt deze op een wijze te beschermen die ten minste gelijkwaardig is met de wijze waarop de partij die deze gegevens heeft verstrekt deze beschermt. Te dien einde stellen de partijen elkaar in kennis van hun voorschriften ter zake met inbegrip van, in voorkomend geval, de wettelijke bepalingen van de lidstaten van de Gemeenschap.

3.

Het gebruik van op grond van dit protocol verkregen informatie in gerechtelijke en administratieve procedures in verband met handelingen die in strijd zijn met de douanewetgeving wordt geacht voor de doeleinden van dit protocol te geschieden. De partijen kunnen daarom bij de bewijsvoering, in verslagen en getuigenissen en bij procedures die bij rechtbanken aanhangig worden gemaakt, gebruik maken van informatie die op grond van dit protocol is verkregen en documenten waarin op grond van dit protocol inzage is gegeven. De bevoegde autoriteit die de informatie heeft verstrekt of inzage heeft gegeven in de documenten wordt van een dergelijk gebruik in kennis gesteld.

4.

De verkregen informatie mag uitsluitend worden gebruikt voor de doeleinden van dit protocol. Indien een partij dergelijke informatie voor andere doeleinden wenst te gebruiken, dient zij vooraf om de schriftelijke toestemming te verzoeken van de instantie die de informatie heeft verstrekt. Dergelijke informatie mag uitsluitend op de door deze instantie vastgestelde voorwaarden worden gebruikt.

Artikel 11. Deskundigen en getuigen

Een onder een aangezochte autoriteit ressorterende ambtenaar kan worden gemachtigd, om binnen de grenzen van de hem verleende machtiging, als getuige of deskundige op te treden in gerechtelijke of administratieve procedures die betrekking hebben op aangelegenheden waarop dit protocol van toepassing is en daarbij de voor deze procedures noodzakelijke voorwerpen, bescheiden of gewaarmerkte kopieën over te leggen. In de convocatie dient uitdrukkelijk te worden vermeld over welke aangelegenheid en in welke functie of hoedanigheid de betrokken ambtenaar zal worden ondervraagd.

Artikel 12. Kosten van de bijstand

De partijen brengen elkaar geen kosten in rekening voor uitgaven die ter uitvoering van dit protocol zijn gemaakt, met uitzondering, in voorkomend geval, van de uitgaven voor deskundigen, getuigen, tolken en vertalers die niet in overheidsdienst zijn.

Artikel 13. Tenuitvoerlegging

1.

De douaneautoriteiten van Albanië, enerzijds, en de bevoegde diensten van de Commissie van de Europese Gemeenschappen en, in voorkomend geval, de douaneautoriteiten van de lidstaten, anderzijds, zien toe op de tenuitvoerlegging van dit protocol. Zij stellen alle praktische maatregelen en regelingen voor de toepassing van dit protocol vast, rekening houdend met de voorschriften op het gebied van de gegevensbescherming. Zij kunnen de bevoegde autoriteiten aanbevelingen doen over wijzigingen die naar hun oordeel in dit protocol moeten worden aangebracht.

2.

De partijen plegen overleg over en stellen elkaar in kennis van alle uitvoeringsbepalingen die op grond van dit protocol worden vastgesteld.

Artikel 14. Andere overeenkomsten

1.

Rekening houdend met de respectieve bevoegdheden van de Gemeenschap en van haar lidstaten, geldt voor de bepalingen van dit protocol het volgende:

  • –. zij hebben geen gevolgen voor de verplichtingen van de partijen op grond van andere internationale overeenkomsten of verdragen;
  • –. zij worden geacht een aanvulling te vormen op overeenkomsten betreffende wederzijdse bijstand die tussen afzonderlijke lidstaten en Albanië zijn of kunnen worden gesloten; en
  • –. zij hebben geen gevolgen voor de bepalingen van de Gemeenschap betreffende de uitwisseling tussen de bevoegde diensten van de Commissie van de Europese Gemeenschappen en de douaneautoriteiten van de lidstaten van gegevens die in het kader van dit protocol zijn verkregen en die van belang kunnen zijn voor de Gemeenschap.
2.

In afwijking van lid 1 hebben de bepalingen van dit protocol voorrang op de bepalingen in bilaterale overeenkomsten betreffende wederzijdse bijstand die tussen afzonderlijke lidstaten en Albanië zijn of kunnen worden gesloten, indien de bepalingen van laatstgenoemde overeenkomsten met die van dit protocol strijdig zijn.

3.

In geval van problemen in verband met de toepassing van dit protocol plegen de partijen overleg om deze op te lossen in het bij artikel 120 van de associatieovereenkomst ingestelde Stabilisatie- en Associatiecomité.

GEDAAN te Luxemburg, de twaalfde juni tweeduizend zes.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)