Verdrag houdende instelling van een Internationale Douaneraad

Type Verdrag
Publication 1953-01-23
State In force
Source BWB
artikelen 25
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

De Regeringen, die dit Verdrag hebben ondertekend,

Overwegende, dat het wenselijk is de grootst mogelijke overeenstemming en eenvormigheid in hun douanestelsels te verzekeren en in het bijzonder de vraagstukken te bestuderen, welke samenhangen met de ontwikkeling en de vooruitgang van de douanetechniek en de daarmede verband houdende wetgeving;

In de overtuiging, dat het voor de internationale handel van belang is de samenwerking tussen de Regeringen op dit gebied te bevorderen, rekening houdend zowel met de economische als met de douane-technische factoren, welke zich daarbij voordoen,

Zijn overeengekomen als volgt:

Artikel I

Er wordt ingesteld een Internationale Douaneraad, hierna te noemen „de Raad”.

Artikel II

(a). Leden van de Raad zijn:

(b). Elke Regering van een afzonderlijk douanegebied welke Lid is van de Raad ingevolge lid a (ii) hiervoor, houdt op Lid van de Raad te zijn, nadat haar terugtrekking door de Verdragsluitende Partij, die verantwoordelijk is voor haar diplomatieke betrekkingen, ter kennis van de Raad is gebracht.

(c). Elk Lid van de Raad benoemt een vertegenwoordiger en een of meer plaatsvervangende vertegenwoordigers om namens hem in de Raad op te treden. Deze vertegenwoordigers kunnen worden bijgestaan door adviseurs.

(d). De Raad kan vertegenwoordigers van landen, die geen lid zijn, of van internationale organisaties als waarnemers in zijn midden toelaten.

Artikel III

De taak van de Raad is:

Artikel IV

De Leden van de Raad verschaffen hem op zijn verzoek de inlichtingen en documentatie, welke nodig zijn voor het vervullen van zijn taak; geen enkel Lid van de Raad is evenwel verplicht vertrouwelijke inlichtingen te verschaffen, welker bekendmaking een beletsel zou vormen voor de toepassing van de wet, in strijd zou zijn met het algemeen belang of nadelig zou zijn voor de rechtmatige handelsbelangen van openbare of particuliere ondernemingen.

Artikel V

De Raad wordt bijgestaan door een Permanent Technisch Comité en door een Secretariaat-Generaal.

Artikel VI

(a). De Raad kiest elk jaar uit de Vertegenwoordigers een Voorzitter en ten minste twee Vice-Voorzitters.

(b). Hij stelt zijn huishoudelijk reglement op met een meerderheid van twee derden van zijn Leden.

(c). Hij stelt in een Comité voor de Nomenclatuur, overeenkomstig de bepalingen van het Verdrag in zake de nomenclatuur voor de indeling van goederen in de douanetarieven, alsmede een Comité voor de Waarde, overeenkomstig de bepalingen van het Verdrag nopens de waarde van goederen in douanezaken.

Hij kan bovendien elk ander comité instellen dat hij nodig acht voor de toepassing van de Verdragen als bedoeld zijn in artikel III, lid d, of voor elk ander doel dat tot zijn competentie behoort.

(d). Hij stelt de taak vast, welke aan het Permanent Technisch Comité wordt opgedragen alsmede de bevoegdheden, welke hij aan dat Comité overdraagt.

(e). Hij keurt de jaarlijkse begroting goed, houdt toezicht op de uitgaven en geeft aan het Secretariaat-Generaal de nodige richtlijnen met betrekking tot zijn geldmiddelen.

Artikel VII

(a). De zetel van de Raad is gevestigd te Brussel.

(b). De Raad, het Permanent Technisch Comité en de door de Raad ingestelde Comité's kunnen op een andere plaats dan de zetel van de Raad vergaderen, indien deze daartoe besluit.

(c). De Raad vergadert ten minste twee maal per jaar; de eerste vergadering zal plaats hebben uiterlijk drie maanden na het inwerkingtreden van dit Verdrag.

Artikel VIII

(a). Elk Lid van de Raad heeft een stem; geen enkel Lid kan evenwel deelnemen aan een stemming over aangelegenheden, welke betrekking hebben op de interpretatie, de toepassing of de wijziging van de Verdragen als bedoeld zijn in artikel III, lid d, hiervoor, welke in werking zijn getreden doch op hem niet van toepassing zijn.

(b). Behoudens het bepaalde in artikel VI, lid b, worden de besluiten van de Raad genomen met een meerderheid van twee derden van de aanwezige en stemgerechtigde Leden. De Raad neemt geen beslissing over enige aangelegenheid, tenzij meer dan de helft van de Leden, die in een zodanige aangelegenheid stemrecht hebben, vertegenwoordigd zijn.

Artikel IX

(a). De Raad onderhoudt met de Verenigde Naties, haar voornaamste organen, hulporganen en gespecialiseerde organisaties, alsmede met alle andere intergouvernementele organisaties zodanige betrekkingen als nodig zijn om medewerking bij de uitvoering van hun onderscheidene taken te verzekeren.

(b). De Raad kan de nodige schikkingen treffen, teneinde het overleg en de samenwerking met de niet gouvernementele organisaties, welke belang hebben bij aangelegenheden die tot zijn competentie behoren, te vergemakkelijken.

Artikel X

(a). Het Permanent Technisch Comité bestaat uit vertegenwoordigers van de Leden van de Raad. Elk Lid van de Raad kan een vertegenwoordiger en een of meer plaatsvervangende vertegenwoordigers benoemen om namens hem in het Comité op te treden.

De vertegenwoordigers zijn ambtenaren, die gespecialiseerd zijn in de vraagstukken van douanetechniek. Zij kunnen worden bijgestaan door deskundigen.

(b). Het Permanent Technisch Comité vergadert ten minste vier maal per jaar.

Artikel XI

(a). De Raad benoemt de Secretaris-Generaal en een adjunct-Secretaris-Generaal en stelt hun bevoegdheden, hun verplichtingen, hun arbeidsvoorwaarden en de duur van hun functies vast.

(b). De Secretaris-Generaal benoemt het administratieve personeel van het Secretariaat-Generaal. De sterkte van het personeel en het personeelsreglement moeten door de Raad worden goedgekeurd.

Artikel XII

(a). Elk Lid van de Raad draagt de kosten van zijn vertegenwoordiging in de Raad, in het Permament Technisch Comité en in de comité's, welke door de Raad zijn ingesteld.

(b). De kosten van de Raad worden gedragen door zijn Leden en worden verdeeld volgens een door de Raad vastgestelde schaal.

(c). De Raad kan het stemrecht opschorten van elk Lid, dat zich niet binnen drie maanden, nadat het bedrag van zijn bijdrage te zijner kennis is gebracht, van zijn financiële verplichtingen kwijt.

(d). Elk Lid van de Raad is verplicht zijn jaarlijkse bijdrage in de kosten van het begrotingsjaar, in de loop waarvan hij Lid van de Raad is geworden, en van het begrotingsjaar, in de loop waarvan zijn terugtrekking van kracht is geworden, in haar geheel te voldoen.

Artikel XIII

(a). De Raad geniet op het grondgebied van elk van zijn Leden de voor het uitoefenen van zijn functies noodzakelijke rechtsbevoegdheid, zoals deze nader is omschreven in de Bijlage van dit Verdrag.

(b). De Raad, de vertegenwoordigers van zijn Leden, de adviseurs en deskundigen, die zijn aangewezen om hen ter zijde te staan, en de ambtenaren van de Raad genieten de voorrechten en immuniteiten, welke in genoemde Bijlage zijn omschreven.

(c). Deze Bijlage maakt onafscheidelijk deel uit van dit Verdrag en elke verwijzing naar het Verdrag geldt mede ten aanzien van de Bijlage.

Artikel XIV

De Verdragsluitende Partijen aanvaarden de bepalingen van het Protocol in zake de Studiegroep voor de Europese Douane-Unie dat te Brussel openstaat voor ondertekening op dezelfde dag als dit Verdrag. Bij het vaststellen van de in artikel XII, lid b, bedoelde schaal van bijdragen houdt de Raad rekening met de deelneming van zijn Leden aan de Studiegroep.

Artikel XV

Dit Verdrag staat open voor ondertekening tot 31 Maart 1951.

Artikel XVI

(a). Dit Verdrag zal worden bekrachtigd.

(b). De akten van bekrachtiging zullen worden nedergelegd bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken van België, dat van deze nederlegging zal kennis geven aan alle Regeringen, die dit Verdrag hebben ondertekend of tot dit Verdrag zijn toegetreden, alsmede aan de Secretaris-Generaal.

Artikel XVII

(a). Dit Verdrag treedt in werking zodra zeven van de Regeringen, die het hebben ondertekend, haar akte van bekrachtiging hebben nedergelegd.

(b). Voor elke Regering, die dit Verdrag heeft ondertekend en haar akte van bekrachtiging later nederlegt, treedt het Verdrag in werking op de dag van de nederlegging van de akte van bekrachtiging.

Artikel XVIII

(a). De Regering van iedere Staat, die dit Verdrag niet heeft ondertekend, kan tot dit Verdrag toetreden na 1 April 1951.

(b). De akten van toetreding zullen worden nedergelegd bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken van België, dat van deze nederlegging zal kennis geven aan alle Regeringen, die dit Verdrag hebben ondertekend of tot dit Verdrag zijn toegetreden, alsmede aan de Secretaris-Generaal.

(c). Dit Verdrag treedt ten aanzien van elke toetredende Regering in werking op de dag van nederlegging van haar akte van toetreding, doch niet voordat het ingevolge artikel 17, lid a, van kracht wordt.

Artikel XIX

Dit Verdrag wordt voor onbepaalde tijd gesloten, doch elke Verdragsluitende Partij kan het te allen tijde opzeggen na verloop van vijf jaar na de inwerkingtreding, overeenkomstig artikel XVII, lid a. De opzegging wordt van kracht na verloop van een jaar te rekenen van de dag, waarop het Ministerie van Buitenlandse Zaken van België de kennisgeving van opzegging heeft ontvangen. Het Ministerie van Buitenlandse Zaken van België brengt deze ontvangst ter kennis van alle Regeringen, die het Verdrag hebben ondertekend of tot het Verdrag zijn toegetreden, alsmede van de Secretaris-Generaal.

Artikel XX

(a). De Raad kan aan de Verdragsluitende Partijen aanbevelingen doen tot wijziging van dit Verdrag.

(b). Elke Verdragsluitende Partij, die een wijziging goedkeurt, geeft hiervan schriftelijk kennis aan het Ministerie van Buitenlandse Zaken van België, dat aan alle Regeringen, die dit Verdrag hebben ondertekend of die tot dit Verdrag zijn toegetreden, alsmede aan de Secretaris-Generaal, de ontvangst van deze kennisgeving bericht.

(c). Een wijziging treedt in werking drie maanden nadat de kennisgevingen van goedkeuring van alle Verdragsluitende Partijen door het Ministerie van Buitenlandse Zaken van België zijn ontvangen. Indien een wijziging aldus door alle Verdragsluitende Partijen is goedgekeurd, geeft het Ministerie van Buitenlandse Zaken van België hiervan kennis aan alle Regeringen, die dit Verdrag hebben ondertekend en die tot dit Verdrag zijn toegetreden, alsmede aan de Secretaris-Generaal, en deelt hun de dag van inwerkingtreding mede.

(d). Nadat een wijziging in werking is getreden, kan geen enkele Regering dit Verdrag bekrachtigen of tot dit Verdrag toetreden zonder eveneens deze wijziging aan te nemen.

Artikel I. Definities

§ 1. Voor de toepassing van deze Bijlage

Artikel II. Rechtspersoonlijkheid

§ 2. De Raad bezit rechtspersoonlijkheid. Hij heeft de bevoegdheid:

In deze aangelegenheden vertegenwoordigt de Secretaris-Generaal de Raad.

Artikel III. Eigendommen, fondsen en bezittingen

§ 3. De Raad, zijn eigendommen en bezittingen, waar deze zich ook bevinden en wie deze ook onder zich heeft, zijn vrijgesteld van rechtsvervolging, behoudens wanneer de Raad in een bijzonder geval uitdrukkelijk afstand heeft gedaan van zijn immuniteit. Het is echter wel verstaan, dat afstand van immuniteit zich niet uitstrekt tot enige maatregel van ten uitvoerlegging.

§ 4. De gebouwen en de terreinen van de Raad zijn onschendbaar.

Zijn eigendommen en bezittingen, waar deze zich ook bevinden en wie deze ook onder zich heeft, zijn vrijgesteld van onderzoek, vordering, confiscatie, onteigening of van iedere andere vorm van ingrijpen, hetzij door optreden van uitvoerende, administratieve, rechterlijke of wetgevende aard.

§ 5. De archieven van de Raad en in het algemeen alle stukken, die hem toebehoren of die hij onder zich heeft, zijn onschendbaar, waar deze zich ook bevinden.

§ 6. Zonder beperkt te worden door financiële voorschriften, regelingen of moratoria van enigerlei aard,

§ 7. Bij de uitoefening van de rechten, die hem zijn verleend krachtens § 6 hierboven, zal de Raad de nodige aandacht schenken aan vertogen van een van zijn Leden en daaraan gevolg geven voor zover hij van oordeel is, dat hierdoor zijn belangen niet worden geschaad.

§ 8. De Raad, zijn bezittingen, inkomen en andere eigendommen zijn:

§ 9. Hoewel de Raad in beginsel geen aanspraak zal maken op vrijstelling van accijnzen en van belastingen op de verkoop van roerend en onroerend goed, welke een deel vormen van de te betalen prijs, zullen niettemin, wanneer de Raad voor officieel gebruik belangrijke aankopen doet van goederen, in welker prijs zodanige belastingen begrepen zijn, de Leden van de Raad, telkens wanneer dit mogelijk is, de nodige administratieve regelingen treffen voor de kwijtschelding of teruggave van het bedrag van zodanige belastingen.

Artikel IV. Faciliteiten met betrekking tot communicatiemiddelen

§ 10. De Raad geniet op het grondgebied van elk van zijn Leden voor zijn officiële mededelingen een behandeling, die niet minder gunstig is dan die, welke door dat Lid wordt toegestaan aan enige andere Regering met inbegrip van haar diplomatieke missie, wat betreft prioriteiten, tarieven en belastingen op post, kabeltelegrammen, radiogrammen, telefoto's, telefoon en andere communicatiemiddelen, alsmede perstarieven voor mededelingen aan pers of radio.

§ 11. Op de officiële correspondentie en andere officiële mededelingen van de Raad wordt geen censuur toegepast.

Niets in deze paragraaf verbiedt het nemen van geschikte veiligheidsmaatregelen, welke bij een overeenkomst tussen de Raad en een van zijn Leden zullen worden vastgesteld.

Artikel V. Vertegenwoordigers van Leden

§ 12. Op vergaderingen van de Raad, van het Permanent Technisch Comité en van de Comité's van de Raad genieten de vertegenwoordigers van zijn Leden gedurende de uitoefening van hun functies en tijdens hun reis naar en van de plaats van samenkomst de volgende voorrechten en immuniteiten:

§ 13. Ten einde de vertegenwoordigers van Leden van de Raad op vergaderingen van de Raad, van het Permanent Technisch Comité en van de Comité's van de Raad volledige vrijheid van het woord en volledige afhankelijkheid bij het vervullen van hun taak te verzekeren, blijft de vrijstelling van rechtsvervolging met betrekking tot door hen in de uitoefening van hun taak gesproken of geschreven woorden en verrichte handelingen aan hen toegekend, ook wanneer hun mandaat is vervallen.

§ 14. De voorrechten en immuniteiten worden aan de vertegenwoordigers van Leden niet toegekend voor hun persoonlijk voordeel, doch met het doel de onafhankelijke uitoefening van hun functies in verband met de Raad te verzekeren. Derhalve heeft een Lid niet alleen het recht, doch tevens de plicht de immuniteit van zijn vertegenwoordiger op te heffen, telkens wanneer het van oordeel is dat de immuniteit aan de loop van de gerechtigheid in de weg staat en de immuniteit kan worden opgeheven zonder dat afbreuk wordt gedaan aan het doel, waarvoor de immuniteit is toegekend.

§ 15. Op de bepalingen van de paragrafen 12 en 13 kan geen beroep worden gedaan tegenover de autoriteiten van de Staat, waarvan de persoon een onderdaan is of waarvan hij een vertegenwoordiger is of is geweest.

Artikel VI. Functionarissen van de Raad

§ 16. De Raad bepaalt op welke categorieën van functionarissen de bepalingen van dit artikel van toepassing zijn.

De Secretaris-Generaal doet aan de Leden van de Raad mededeling van de namen van de functionarissen, die in deze categorieën zijn begrepen.

§ 17. De functionarissen van de Raad:

§ 18. Behalve de voorrechten en immuniteiten, genoemd in paragraaf 17, worden aan de Secretaris-Generaal met betrekking tot hemzelf, zijn echtgenote en minderjarige kinderen de voorrechten en immuniteiten, vrijstellingen en faciliteiten toegekend, welke overeenkomstig het internationale recht aan hoofden van diplomatieke zendingen worden verleend.

Aan de adjunct-Secretaris-Generaal worden de voorrechten, immuniteiten, vrijstellingen en faciliteiten toegekend, welke aan diplomatieke vertegenwoordigers met een vergelijkbare rang worden verleend.

§ 19. De voorrechten en immuniteiten worden aan de functionarissen verleend in het belang van de Raad en niet voor hun persoonlijk voordeel. De Secretaris-Generaal heeft het recht en de plicht de immuniteit van een functionaris op te heffen, telkens wanneer hij van oordeel is, dat de immuniteit aan de loop van de gerechtigheid in de weg staat en de immuniteit kan worden opgeheven zonder dat afbreuk wordt gedaan aan de belangen van de Raad. Alleen de Raad heeft het recht de immuniteit van de Secretaris-Generaal op te heffen.

Artikel VII. Deskundigen met zendingen voor de Raad

§ 20. Aan deskundigen (andere dan de functionarissen, bedoeld in artikel VI), die zendingen voor de Raad verrichten, worden voor de duur van hun zending, de duur van de daarmede verband houdende reizen daarin begrepen, zodanige voorrechten en immuniteiten verleend als nodig zijn voor de onafhankelijke uitoefening van hun functies, en in het bijzonder:

§ 21. De voorrechten, immuniteiten en faciliteiten worden aan de deskundigen verleend in het belang van de Raad en niet voor hun persoonlijk voordeel. De Secretaris-Generaal heeft het recht en de plicht de immuniteit van een deskundige op te heffen, telkens wanneer hij van oordeel is dat de immuniteit aan de loop van de gerechtigheid in de weg staat en de immuniteit kan worden opgeheven zonder dat afbreuk wordt gedaan aan de belangen van de Raad.

Artikel VIII. Misbruik en voorrechten

§ 22. De vertegenwoordigers van Leden op de vergaderingen van de Raad, van het Permanent Technisch Comité en van de Comité's van de Raad, tijdens de uitoefening van hun functies en hun reizen naar en van de plaats der vergadering, alsmede de in de paragrafen 16 en 20 bedoelde functionarissen, kunnen niet door de autoriteiten van het land, waar zij hun functies vervullen, worden gedwongen dat land te verlaten uit hoofde van door hen in hun officiële hoedanigheid verrichte werkzaamheden. Indien echter genoemde personen zich in dat land zouden bezig houden met zaken, die geen verband houden met hun officiële functies, en daarmede misbruik zouden maken van hun recht op verblijf, kunnen zij door de Regering van dat land worden gedwongen het land te verlaten, mits het volgende wordt inachtgenomen:

§ 23. De Secretaris-Generaal werkt te allen tijde samen met de bevoegde autoriteiten van de Leden van de Raad ten einde een goede rechtsbedeling te bevorderen, de naleving van de politiereglementen te verzekeren en alle misbruiken te voorkomen waartoe de voorrechten, immuniteiten en faciliteiten, welke in deze Bijlage zijn opgesomd, aanleiding zouden kunnen geven.

Artikel IX. Beslechting van geschillen

§ 24. De Raad treft regelingen voor passende wijzen van beslechting van:

Artikel X. Aanvullende Overeenkomsten

§ 25. De Raad kan met een of meer Verdragsluitende Partijen aanvullende overeenkomsten sluiten tot aanpassing van de bepalingen van deze Bijlage, voor zoveel deze Verdragsluitende Partij of Partijen betreft.

In witness whereof the undersigned, having been duly authorised thereto by their respective Governments, have signed the present Convention.

Done at Brussels on the fifteenth day of December, nineteen hundred and fifty (December 15th, 1950) in the English and French languages, both texts being equally authentic, in a single original, wich shall be deposited in the archives of the Government of Belgium which shall transmit certified copies thereof to each signatory and acceding Government.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)