Verdrag tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van het Sultanaat Oman inzake de bevordering en de wederzijdse bescherming van investeringen

Type Verdrag
Publication 2009-01-17
State In force
Source BWB
artikelen 13
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden

en

de Regering van het Sultanaat Oman,

hun onderscheiden landen hierna te noemen „de Verdragsluitende Partijen”,

Geleid door de wens hun van oudsher bestaande vriendschapsbanden te versterken en de economische betrekkingen tussen hen uit te breiden en te intensiveren, met name wat betreft investeringen door de investeerders van de ene Verdragsluitende Partij op het grondgebied van de andere Verdragsluitende Partij,

In het besef dat overeenstemming over de aan dergelijke investeringen toe te kennen behandeling het kapitaalverkeer en de overdracht van technologie tussen, alsmede de economische ontwikkeling van de Verdragsluitende Partijen zal stimuleren, en dat een eerlijke en rechtvaardige behandeling van investeringen wenselijk is,

Erkennend dat met de ontwikkeling van economische en zakelijke banden de eerbiediging van internationaal aanvaarde arbeidsrechten wordt bevorderd,

Overwegend dat deze doelstellingen kunnen worden verwezenlijkt zonder ten koste te gaan van algemeen toepasselijke maatregelen op het gebied van gezondheid, veiligheid en milieu,

Zijn het volgende overeengekomen:

Artikel 1. Begripsomschrijvingen

Voor de toepassing van dit Verdrag:

Artikel 2. Toelating en bevordering

1.

Elke Verdragsluitende Partij bevordert, binnen het kader van haar wetten en voorschriften, de economische samenwerking door middel van de bescherming op haar grondgebied van investeringen van investeerders van de andere Verdragsluitende Partij. Met inachtneming van haar recht de door haar wetten of voorschriften verleende bevoegdheden uit te oefenen, staat elke Verdragsluitende Partij dergelijke investeringen toe.

2.

De Verdragsluitende Partijen nemen, binnen het kader van hun wetten en voorschriften, aanvragen voor de binnenkomst en het verblijf van essentieel personeel van elk van de beide Partijen, dat in verband met een investering het grondgebied van de andere Verdragsluitende Partij dient binnen te komen, in welwillende overweging.

Artikel 3. Behandeling van investeringen

1.

Elke Verdragsluitende Partij waarborgt een eerlijke en rechtvaardige behandeling van de investeringen van investeerders van de andere Verdragsluitende Partij en belemmert niet, door onredelijke of discriminatoire maatregelen, de werking, het beheer, de instandhouding, het gebruik, het genot of de vervreemding daarvan door deze investeerders. Elke Verdragsluitende Partij kent aan die investeringen volledige fysieke zekerheid en bescherming toe.

2.

In het bijzonder kent elke Verdragsluitende Partij aan die investeringen een behandeling toe die in ieder geval niet minder gunstig is dan die welke wordt toegekend aan investeringen van haar eigen investeerders of aan investeringen van investeerders van een derde staat, naargelang van welke het gunstigst is voor de betrokken investeerder.

3.

Indien een Verdragsluitende Partij investeerders van een derde staat bijzondere voordelen heeft toegekend:

is die Verdragsluitende Partij niet verplicht die voordelen toe te kennen aan investeerders van de andere Verdragsluitende Partij.

Kwesties inzake belasting naar het inkomen en naar het vermogen worden geregeld in overeenstemming met het Verdrag tot het vermijden van dubbele belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar het vermogen tussen de Verdragsluitende Partijen. Indien de Verdragsluitende Partijen een dergelijk verdrag niet hebben gesloten, is de onderscheiden nationale belastingwetgeving van toepassing.

4.

Elke Verdragsluitende Partij komt alle verplichtingen na die zij is aangegaan met betrekking tot investeringen van investeerders van de andere Verdragsluitende Partij.

5.

Indien naast dit Verdrag de wettelijke bepalingen van één van beide Verdragsluitende Partijen of verplichtingen krachtens internationaal recht die thans tussen de Verdragsluitende Partijen bestaan of op een later tijdstip onderling worden aangegaan, een algemene of bijzondere regeling bevatten op grond waarvan investeringen door investeerders van de andere Verdragsluitende Partij aanspraak kunnen maken op een behandeling die gunstiger is dan die welke in dit Verdrag is voorzien, heeft een dergelijke regeling, in zoverre zij gunstiger is, voorrang boven dit Verdrag.

6.

De bepalingen van het eerste lid van dit artikel verplichten het Sultanaat Oman niet investeerders van de andere Verdragsluitende Partij dezelfde behandeling toe te kennen die het toekent aan zijn eigen investeerders met betrekking tot de eigendom van grond en onroerende zaken. Hetzelfde is van toepassing op subsidies en zachte leningen in verband met specifieke ontwikkelings- en sociale programma’s gericht op het bevorderen van investeringen door plaatselijke kleine en middelgrote ondernemingen, op voorwaarde dat deze de investeringen en activiteiten van de investeerders van de andere Verdragsluitende Partij niet aanmerkelijk beïnvloeden.

Artikel 4. Overmakingen

1.

Elke Verdragsluitende Partij garandeert investeerders van de andere Verdragsluitende Partij de overmaking van betalingen die verband houden met een investering. De overmakingen geschieden in vrij inwisselbare valuta, zonder vertraging of beperking. Deze overmakingen omvatten in het bijzonder, doch niet uitsluitend:

2.

Met inachtneming van het eerste lid, onderdeel f, van dit artikel kan een Verdragsluitende Partij een overmaking vertragen of voorkomen door het billijk, op non-discriminatoire wijze en te goeder trouw toepassen van maatregelen:

mits dergelijke maatregelen en de toepassing daarvan niet worden aangewend als een middel om zich te onttrekken aan de verplichtingen van de Verdragsluitende Partij uit hoofde van dit Verdrag.

Artikel 5. Onteigening en nationalisatie

1.

Geen van de Verdragsluitende Partijen neemt maatregelen tot nationalisatie of onteigening of andere maatregelen die zouden neerkomen op onteigening of nationalisatie (hierna te noemen „onteigening”) waardoor, direct of indirect, aan investeerders van de andere Verdragsluitende Partij hun investeringen worden ontnomen, tenzij aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

2.

Onverminderd de bepalingen van artikel 8 van dit Verdrag, hebben investeerders van elk van de Verdragsluitende Partijen wier investeringen getroffen zijn door onteigening in elk geval recht op onverwijlde behandeling van hun zaak met betrekking tot de waardering van hun investeringen en de betaling van schadeloosstelling in overeenstemming met de bepalingen van dit artikel, door een rechterlijke of andere bevoegde autoriteit van de Verdragsluitende Partij waar de investering is gedaan.

Artikel 6. Schadeloosstelling voor verliezen

1.

Aan investeerders van de ene Verdragsluitende Partij die verliezen lijden met betrekking tot hun investeringen op het grondgebied van de andere Verdragsluitende Partij wegens oorlog of een ander gewapend conflict, revolutie, een nationale noodtoestand, opstand, oproer of ongeregeldheden, wordt door de laatstbedoelde Verdragsluitende Partij wat betreft restitutie, schadevergoeding, schadeloosstelling of een andere regeling, geen minder gunstige behandeling toegekend dan die welke die Verdragsluitende Partij toekent aan haar eigen investeerders of aan investeerders van een derde staat, naargelang van welke het gunstigst is voor de betrokken investeerders.

2.

De bepalingen van het eerste lid van dit artikel zijn tevens van toepassing op investeerders van de ene Verdragsluitende Partij die in een van de in dat lid bedoelde situaties verliezen lijden op het grondgebied van de andere Verdragsluitende Partij die het gevolg zijn van:

Artikel 7. Subrogatie

Indien de investeringen van een investeerder van een Verdragsluitende Partij verzekerd zijn tegen niet-commerciële risico’s of anderszins aanleiding geven tot de betaling van schadevergoeding ter zake van die investeringen krachtens een bij wet, voorschrift of overheidscontract ingesteld stelsel, wordt de subrogatie van de verzekeraar of de herverzekeraar of de door de ene Verdragsluitende Partij aangewezen instantie in de rechten van de bedoelde investeerder, ingevolge de voorwaarden van deze verzekering of krachtens een andere gegeven schadeloosstelling, door de andere Verdragsluitende Partij erkend.

Artikel 8. Beslechting van geschillen tussen een investeerder en een Verdragsluitende Partij

1.

Een geschil dat mocht ontstaan tussen een investeerder van de ene Verdragsluitende Partij en de andere Verdragsluitende Partij betreffende een investering op het grondgebied van die andere Verdragsluitende Partij wordt, indien mogelijk, in der minne geschikt.

2.

Indien een geschil bedoeld in het eerste lid van dit artikel niet kan worden beslecht binnen drie maanden vanaf de datum waarop een van beide partijen bij het geschil schriftelijk om een minnelijke schikking heeft verzocht, heeft de investeerder het recht het geschil, naar zijn keuze, voor beslechting voor te leggen aan:

3.

Onverminderd het tweede lid van dit artikel kunnen de partijen bij het geschil andere vormen van internationale geschillenbeslechting in overweging nemen.

4.

Elke Verdragsluitende Partij stemt er bij dezen mee in een geschil voor te leggen ter internationale bemiddeling of arbitrage overeenkomstig de bepalingen van het tweede lid van dit artikel.

5.

De scheidsrechterlijke uitspraken zijn definitief en juridisch bindend voor de partijen bij het geschil en worden ten uitvoer gelegd in overeenstemming met de wetgeving van de Verdragsluitende Partij op het grondgebied waarvan de investering is gedaan.

6.

Een rechtspersoon die onderdaan is van de ene Verdragsluitende Partij en die, voordat een dergelijk geschil ontstaat, onder toezicht staat van onderdanen van de andere Verdragsluitende Partij, wordt in overeenstemming met artikel 25, tweede lid, onderdeel b, van het verdrag bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, voor de toepassing van dit Verdrag behandeld als een onderdaan van de andere Verdragsluitende Partij.

7.

Een Verdragsluitende Partij die partij is bij een geschil zal niet op enig moment tijdens de arbitrageprocedure of de tenuitvoerlegging van een scheidsrechterlijke uitspraak het bezwaar aantekenen dat de investeerder die de andere partij bij het geschil is, een schadevergoeding heeft ontvangen ter dekking van alle of een deel van zijn verliezen krachtens een schadevergoedings-, garantie- of verzekeringsovereenkomst.

Artikel 9. Reikwijdte van het Verdrag

De bepalingen van dit Verdrag zijn, vanaf de datum waarop het in werking treedt, ook van toepassing op investeringen die voor die datum zijn gedaan.

Artikel 10. Overleg

Elk van de Verdragsluitende Partijen kan aan de andere Partij voorstellen overleg te plegen over een aangelegenheid betreffende de uitlegging of toepassing van het Verdrag. De andere Partij neemt dit voorstel in welwillende overweging en biedt passende gelegenheid voor dergelijk overleg.

Artikel 11. Beslechting van geschillen tussen de Verdragsluitende Partijen

1.

Enig geschil tussen de Verdragsluitende Partijen betreffende de uitlegging of toepassing van dit Verdrag dat niet binnen een tijdvak van drie maanden langs diplomatieke weg kan worden beslecht, wordt, tenzij de Verdragsluitende Partijen anders zijn overeengekomen, op verzoek van een van beide Verdragsluitende Partijen voorgelegd aan een uit drie leden samengesteld scheidsgerecht. Elke Verdragsluitende Partij benoemt één scheidsman en de twee aldus benoemde scheidslieden benoemen tezamen een derde scheidsman, die geen onderdaan van een van de Verdragsluitende Partijen is, tot hun voorzitter.

2.

Indien één van beide Verdragsluitende Partijen nalaat haar scheidsman te benoemen en indien zij binnen twee maanden geen gevolg heeft gegeven aan het verzoek van de andere Verdragsluitende Partij tot deze benoeming over te gaan, kan de laatstgenoemde Partij de President van het Internationale Gerechtshof verzoeken de noodzakelijke benoeming te verrichten.

3.

Indien de beide scheidslieden niet binnen twee maanden na hun benoeming overeenstemming kunnen bereiken over de keuze van de derde scheidsman, kan elk van de Verdragsluitende Partijen de President van het Internationale Gerechtshof verzoeken de noodzakelijke benoeming te verrichten.

4.

Indien in de in het tweede en derde lid van dit artikel bedoelde gevallen de President van het Internationale Gerechtshof verhinderd is de genoemde functie uit te oefenen, of onderdaan is van een van beide Verdragsluitende Partijen, wordt de Vice-President verzocht de noodzakelijke benoemingen te verrichten. Indien de Vice-President verhinderd is de genoemde functie uit te oefenen, of onderdaan is van één van beide Verdragsluitende Partijen, wordt het lid van het Gerechtshof dat de hoogste anciënniteit heeft, beschikbaar is en geen onderdaan is van een van de Verdragsluitende Partijen, verzocht de noodzakelijke benoemingen te verrichten.

5.

Het scheidsgerecht doet uitspraak op basis van eerbiediging van het recht. Alvorens uitspraak te doen, kan het scheidsgerecht in elk stadium van het geding een minnelijke schikking van het geschil aan de Verdragsluitende Partijen voorstellen. De voorgaande bepalingen doen geen afbreuk aan regeling van het geschil ex aequo et bono, indien de Verdragsluitende Partijen dit overeenkomen.

6.

Tenzij de Verdragsluitende Partijen anders beslissen, stelt het scheidsgerecht zijn eigen procedureregels vast.

7.

Het scheidsgerecht neemt zijn beslissing bij meerderheid van stemmen. Deze beslissing is onherroepelijk en bindend voor de Verdragsluitende Partijen.

8.

Elke Verdragsluitende Partij draagt de kosten van het door haar benoemde lid van het scheidsgerecht en die van haar vertegenwoordiging in de arbitrageprocedure. De kosten van de Voorzitter en de overige kosten van het arbitrageproces worden door de Verdragsluitende Partijen in gelijke delen gedragen. Het scheidsgerecht kan evenwel, naar goeddunken, bepalen dat een van de Verdragsluitende Partijen een groter deel van de kosten of alle kosten draagt.

Artikel 12. Territoriale toepassing

Wat het Koninkrijk der Nederlanden betreft, is dit Verdrag van toepassing op het deel van het Koninkrijk in Europa, op de Nederlandse Antillen en op Aruba, tenzij anders is bepaald in de in artikel 13, eerste lid, bedoelde mededeling.

Artikel 13. Inwerkingtreding, werkingsduur en beëindiging

1.

Dit Verdrag treedt in werking op de eerste dag van de tweede maand die volgt op de datum waarop de Verdragsluitende Partijen elkaar schriftelijk hebben medegedeeld dat aan hun wettelijk vereiste procedures is voldaan, en blijft van kracht gedurende een tijdvak van vijftien jaar.

2.

Tenzij ten minste een jaar voor de datum van het verstrijken van de geldigheidsduur door een van beide Verdragsluitende Partijen mededeling van beëindiging is gedaan, wordt dit Verdrag telkens stilzwijgend verlengd voor een tijdvak van twintig jaar, waarbij elke Verdragsluitende Partij zich het recht voorbehoudt het Verdrag te beëindigen met inachtneming van een opzegtermijn van ten minste een jaar voor de datum van het verstrijken van de lopende termijn van geldigheid.

3.

Ten aanzien van investeringen die zijn gedaan voor de datum van beëindiging van dit Verdrag, blijven de bepalingen van de artikelen 1 tot en met 12 van dit Verdrag van kracht gedurende een tijdvak van twintig jaar vanaf die datum.

4.

Met inachtneming van de in het tweede lid van dit artikel genoemde termijn is het Koninkrijk der Nederlanden gerechtigd de toepassing van dit Verdrag ten aanzien van een deel van het Koninkrijk afzonderlijk te beëindigen.

5.

Na de inwerkingtreding van dit Verdrag wordt de Overeenkomst inzake de bevordering en wederzijdse bescherming van investeringen tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Sultanaat Oman, ondertekend op 19 september 1987, in de betrekkingen tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Sultanaat Oman beëindigd en vervangen door dit Verdrag, evenwel uitsluitend met betrekking tot die delen van het Koninkrijk der Nederlanden voor welke dit Verdrag van toepassing is overeenkomstig de mededeling genoemd in het eerste lid van dit artikel.

TEN BLIJKE WAARVAN de ondergetekende vertegenwoordigers, daartoe naar behoren gemachtigd, dit Verdrag hebben ondertekend.

GEDAAN in tweevoud te Muscat op 17 januari 2009, hetgeen correspondeert met 1430 H, in de Nederlandse, de Arabische en de Engelse taal, zijnde de drie teksten authentiek. In geval van verschil in interpretatie is de Engelse tekst doorslaggevend.

Voor het Koninkrijk der Nederlanden:

F. HEEMSKERK

Voor het Sultanaat Oman:

MOHAMMED NASSER AL-KHASIBI

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)