Internationaal Verdrag voor de controle en het beheer van ballastwater en sedimenten van schepen, 2004

Type Verdrag
Publication 2025-10-01
State In force
Source BWB
artikelen 22
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

De partijen bij dit Verdrag,

In herinnering roepend artikel 196, eerste lid, van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee (UNCLOS), dat bepaalt „Staten nemen alle nodige maatregelen ter voorkoming, vermindering en bestrijding van verontreiniging van het mariene milieu, voortvloeiend uit het gebruik van onder hun rechtsmacht of toezicht staande technologieën, of de opzettelijke of onbedoelde introductie van uitheemse of nieuwe soorten in een bepaald deel van het mariene milieu, die daarin aanmerkelijke en schadelijke veranderingen kan teweegbrengen”,

Gelet op de doelstellingen van het Verdrag inzake biologische diversiteit (CBD) van 1992 en het feit dat de verplaatsing en binnenkomst van schadelijke aquatische organismen en ziektekiemen via het ballastwater van schepen het behoud en duurzaam gebruik van de biodiversiteit bedreigt alsmede besluit IV/5 in 1998 van de Conferentie van de Partijen (COP 4) bij het CBD inzake het behoud en duurzaam gebruik van mariene en kustgebonden ecosystemen, alsmede besluit VI/23 in 2002 van de Conferentie van de Partijen (COP 6) bij het CBD inzake uitheemse soorten die bedreigend zijn voor ecosystemen, habitats of soorten, met inbegrip van een leidraad met betrekking tot invasieve soorten,

Voorts gelet op het feit dat de Conferentie van de Verenigde Naties inzake Milieu en Ontwikkeling (UNCED) de Internationale Maritieme Organisatie (de Organisatie) in 1992 heeft verzocht de aanneming te overwegen van passende regels voor het lozen van ballastwater,

Indachtig de voorzorgsbenadering vervat in beginsel 15 van de Verklaring van Rio inzake Milieu en Ontwikkeling en waarnaar verwezen wordt in resolutie MEPC.67(37), op 15 september 1995 aangenomen door de Commissie voor de Bescherming van het Mariene Milieu van de Organisatie,

Voorts indachtig de oproep in paragraaf 34, onderdeel b, van het plan van aanpak van de Wereldtop inzake duurzame ontwikkeling van 2002 tot actie op alle niveaus teneinde maatregelen op te stellen om de invasieve uitheemse soorten in ballastwater aan te pakken,

Zich ervan bewust dat het ongecontroleerd lozen van ballastwater en sedimenten door schepen heeft geleid tot de verplaatsing van schadelijke aquatische organismen en ziektekiemen hetgeen schade veroorzaakt aan het milieu, de gezondheid van de mens, goederen en hulpbronnen,

Erkennend het belang dat de Organisatie aan deze kwestie hecht door middel van resoluties A. 774(18) in 1993 en A.868(20) in 1997 van de Assemblee die zijn aangenomen ten behoeve van de aanpak van de verplaatsing van schadelijke aquatische organismen en ziektekiemen.

Voorts erkennend dat verschillende staten individueel maatregelen hebben getroffen teneinde de gevaren van de introductie van schadelijke aquatische organismen en ziektekiemen via schepen die hun havens binnenlopen te voorkomen, te beperken en uiteindelijk uit te bannen en tevens dat deze kwestie die wereldwijd een bron van zorg vormt, maatregelen vergt op grond van wereldwijd toepasselijke voorschriften tezamen met richtlijnen voor de doeltreffende implementatie en uniforme interpretatie,

Geleid door de wens de ontwikkeling van veiliger en doeltreffender mogelijkheden voor het beheer van ballastwater voort te zetten hetgeen zal leiden tot verdere voorkoming, beperking en uiteindelijk de uitbanning van de verplaatsing van schadelijke aquatische organismen en ziektekiemen,

Vastbesloten de gevaren voor het milieu, de gezondheid van de mens, goederen en hulpbronnen die voortvloeien uit de verplaatsing van schadelijke aquatische organismen en ziektekiemen te voorkomen, te beperken en uiteindelijk uit te bannen door middel van controle en beheer van het ballastwater en de sedimenten van schepen, alsmede de ongewenste neveneffecten van die controle te vermijden en ontwikkelingen in de kennis en technologie op dat gebied aan te moedigen,

Overwegende dat deze doelstellingen het best kunnen worden verwezenlijkt door het sluiten van een internationaal verdrag voor de controle en het beheer van ballastwater en sedimenten van schepen,

Zijn het volgende overeengekomen:

Artikel 1. Begripsomschrijvingen

Voor de toepassing van dit Verdrag, tenzij uitdrukkelijk anders bepaald, wordt verstaan onder:

    1. „Administratie”, de Regering van de Staat aan wiens gezag het schip is onderworpen. Wat betreft schepen die gerechtigd zijn de vlag van een Staat te voeren, is de Administratie de Regering van die Staat. Wat betreft drijvende platforms bestemd voor de exploratie en exploitatie van de zeebodem en de ondergrond daarvan, grenzend aan de kust, waarover de kuststaat soevereine rechten uitoefent ten behoeve van de exploratie en exploitatie van zijn natuurlijke rijkdommen, met inbegrip van drijvende opslageenheden (FSU's) en drijvende productieopslag- en overslageenheden (FPSO's), is de Administratie de Regering van de betrokken kuststaat.
    1. „ballastwater”, water met daarin zwevende deeltjes dat aan boord genomen wordt teneinde de trim, helling, diepgang, stabiliteit van of krachten op het schip te beheersen.
    1. „ballastwaterbeheer”, de mechanische, fysische, chemische en biologische processen, hetzij afzonderlijk, hetzij gecombineerd, om de inname of lozing van schadelijke aquatische organismen en ziektekiemen in het ballastwater en sedimenten te verwijderen, onschadelijk te maken of te vermijden.
    1. „certificaat”, het internationaal certificaat inzake ballastwaterbeheer.
    1. „Commissie”, de Commissie voor de Bescherming van het Mariene Milieu van de Organisatie.
    1. „Verdrag”, het Internationaal Verdrag voor de controle en het beheer van ballastwater en sedimenten van schepen.
    1. „brutotonnage”, de brutotonnage berekend in overeenstemming met de voorschriften inzake tonnagemetingen vervat in Bijlage 1 van het Internationaal Verdrag van 1969 betreffende de meting van schepen, of elk opvolgend verdrag.
    1. „schadelijke aquatische organismen en ziektekiemen”, aquatische organismen of ziektekiemen die, indien zij in de zee, waaronder mede begrepen riviermonden/estuaria, of in zoetwaterstromen komen, een bedreiging kunnen vormen voor het milieu, de gezondheid van de mens, goederen of hulpbronnen, de biologische diversiteit kunnen schaden of ten koste kunnen gaan van ander rechtmatig gebruik van deze gebieden.
    1. „Organisatie”, de Internationale Maritieme Organisatie.
    1. „Secretaris-Generaal”, de Secretaris-Generaal van de Organisatie.
    1. „sedimenten”, alle bezinksels uit het ballastwater van een schip.
    1. „Schip”, een vaartuig, ongeacht het type, dat zich bevindt in een aquatische omgeving, met inbegrip van afzinkbare vaartuigen, vaartuigen in drijvende toestand, drijvende platforms, FSU's en FPSO's.

Artikel 2. Algemene verplichtingen

1.

De Partijen verplichten zich de bepalingen van dit Verdrag en de Bijlage erbij volledig uit te voeren teneinde de verplaatsing van schadelijke aquatische organismen en ziektekiemen te voorkomen, te beperken en uiteindelijk uit te bannen door middel van controle en beheer van het ballastwater en de sedimenten van schepen.

2.

De Bijlage vormt een integraal onderdeel van dit Verdrag. Tenzij uitdrukkelijk anders bepaald, vormt een verwijzing naar dit Verdrag tevens een verwijzing naar de Bijlage.

3.

Niets in dit Verdrag mag worden uitgelegd als een beletsel voor een Partij individueel of tezamen met andere Partijen stringentere maatregelen te treffen met betrekking tot de voorkoming, beperking of uitbanning van de verplaatsing van schadelijke aquatische organismen en ziektekiemen door middel van het in overeenstemming met het internationale recht controleren en beheren van het ballastwater en de sedimenten van schepen.

4.

De Partijen streven ernaar samen te werken ten behoeve van de doeltreffende uitvoering, naleving en handhaving van dit Verdrag.

5.

De Partijen verplichten zich de voortzetting van de ontwikkeling van ballastwaterbeheer en de normen ervoor aan te moedigen teneinde de verplaatsing van schadelijke aquatische organismen en ziektekiemen te voorkomen, te beperken en uiteindelijk uit te bannen door middel van controle en beheer van het ballastwater en de sedimenten van schepen.

6.

De Partijen die maatregelen treffen uit hoofde van dit Verdrag streven ernaar geen schade te veroorzaken aan het milieu, de gezondheid van de mens, goederen of hulpbronnen op hun eigen grondgebied noch op dat van andere Staten.

7.

De Partijen dienen te waarborgen dat met de ballastwaterbeheerpraktijken die worden gehanteerd teneinde te voldoen aan dit Verdrag niet meer schade wordt veroorzaakt aan het milieu, de gezondheid van de mens, goederen of hulpbronnen op hun eigen grondgebied of op dat van andere Staten dan ermee voorkomen wordt.

8.

De Partijen moedigen schepen die gerechtigd zijn hun vlag te voeren en waarop dit Verdrag van toepassing is aan voor zover praktisch uitvoerbaar te voorkomen dat zij ballastwater innemen met mogelijk schadelijke aquatische organismen en ziektekiemen of sedimenten die dergelijke organismen kunnen bevatten, en bevorderen de adequate uitvoering van door de Organisatie opgestelde aanbevelingen.

9.

De Partijen streven naar samenwerking onder auspiciën van de Organisatie teneinde bedreigingen aan en risico's voor gevoelige, kwetsbare of bedreigde mariene ecosystemen en de biodiversiteit in gebieden buiten de grenzen van hun nationale rechtsmacht met betrekking tot ballastwaterbeheer aan te pakken.

Artikel 3. Toepassing

1.

Tenzij uitdrukkelijk anders bepaald in dit Verdrag, is dit Verdrag van toepassing op:

  • a. schepen die gerechtigd zijn de vlag van een Partij te voeren, en
  • b. schepen die niet gerechtigd zijn de vlag van een Partij te voeren, maar die varen onder het gezag van een Partij.
2.

Dit Verdrag is niet van toepassing op:

  • a. schepen die niet ontworpen of gebouwd zijn voor het vervoer van ballastwater;
  • b. schepen van een Partij die uitsluitend varen in de wateren onder de rechtsmacht van die Partij, tenzij de Partij bepaalt dat het lozen van ballastwater door die schepen ten koste gaat van of schade veroorzaakt aan het milieu, de gezondheid van de mens of goederen of hulpbronnen op haar grondgebied of op dat van aangrenzende of andere Staten;
  • c. schepen van een Partij die uitsluitend varen in de wateren onder de rechtsmacht van een andere Partij en ten behoeve waarvan laatstbedoelde Partij toestemming heeft gegeven voor een dergelijke ontheffing. Geen enkele Partij verleent een dergelijke toestemming indien zulks ten koste zou gaan van of schade zou veroorzaken aan het milieu, de gezondheid van de mens, goederen of hulpbronnen op haar grondgebied of op dat van aangrenzende of andere Staten. Elke Partij die een dergelijke toestemming niet verleent, stelt de Administratie van het desbetreffende schip ervan in kennis dat dit Verdrag van toepassing is op dat schip.
  • d. schepen die uitsluitend varen in de wateren onder de rechtsmacht van een Partij en op volle zee, met uitzondering van schepen waarvoor geen toestemming uit hoofde van onderdeel c is verleend, tenzij een dergelijke Partij bepaalt dat het lozen van ballastwater door die schepen ten koste zou gaan van of schade zou veroorzaken aan het milieu, de gezondheid van de mens, goederen of hulpbronnen op haar grondgebied of op dat van aangrenzende of andere Staten;
  • e. oorlogsschepen, hulpschepen of andere schepen die eigendom zijn van of worden geëxploiteerd door een Staat, en, tijdelijk alleen voor niet-commerciële overheidsdiensten worden gebruikt. Elke Partij dient door het aannemen van passende maatregelen die niet ten koste gaan van de exploitatie of operationele mogelijkheden van dergelijke schepen die tot haar eigendom behoren of door haar worden geëxploiteerd evenwel te waarborgen dat deze schepen opereren op een wijze die, voor zover redelijk en praktisch uitvoerbaar, verenigbaar is met dit Verdrag; en
  • f. permanent ballastwater in verzegelde tanks op schepen dat niet geloosd wordt.
3.

Ten aanzien van schepen van Staten die geen Partij zijn bij dit Verdrag, passen de Partijen de vereisten van dit Verdrag waar nodig toe teneinde te waarborgen dat dergelijke schepen niet gunstiger behandeld worden.

Artikel 4. Controle op de verplaatsing van schadelijke aquatische organismen en ziektekiemen via het ballastwater en de sedimenten van schepen

1.

Elke Partij verlangt dat de schepen waarop dit Verdrag van toepassing is en die gerechtigd zijn haar vlag te voeren of die onder haar gezag varen, voldoen aan de vereisten vervat in dit Verdrag, met inbegrip van de toepasselijke normen en vereisten in de Bijlage en neemt doeltreffende maatregelen om te waarborgen dat die schepen voldoen aan die vereisten.

2.

Elke Partij ontwikkelt in overeenstemming met haar omstandigheden en mogelijkheden nationaal beleid, nationale strategieën of programma's voor ballastwaterbeheer in de havens en wateren onder haar rechtsmacht die beantwoorden aan en bevorderlijk zijn voor de verwezenlijking van de doelstellingen van dit Verdrag.

Artikel 5. Ontvangstinrichtingen voor sedimenten

1.

Rekening houdend met de door de Organisatie opgestelde richtlijnen verplicht elke Partij zich te waarborgen dat in de door die Partij aangewezen havens en laad- en losplaatsen waar ballasttanks worden gereinigd of hersteld adequate voorzieningen zijn voor de ontvangst van sedimenten. Deze ontvangstinrichtingen fungeren zonder onnodige vertraging te veroorzaken voor schepen en voorzien in de veilige afvoer van dergelijke sedimenten op een wijze die niet ten koste gaat van of schade toebrengt aan het milieu, de gezondheid van de mens, of goederen of hulpbronnen op haar grondgebied of dat van andere Staten.

2.

Elke Partij stelt de Organisatie in kennis, opdat deze de andere betrokken Partijen op de hoogte kan stellen, van alle gevallen waarin gesteld wordt dat de uit hoofde van het eerste lid ter beschikking gestelde voorzieningen onvoldoende zijn.

Artikel 6. Wetenschappelijk en technisch onderzoek en monitoring

1.

De Partijen streven ernaar, individueel of gezamenlijk:

  • a. wetenschappelijk en technisch onderzoek naar ballastwaterbeheer te bevorderen en te vergemakkelijken; en
  • b. de effecten van ballastwaterbeheer in de wateren onder hun rechtsmacht te monitoren.

Dit onderzoek en deze monitoring dienen mede te omvatten het observeren, meten, bemonsteren, beoordelen en analyseren van de doeltreffendheid en nadelige gevolgen van elke technologie of methodiek alsmede de eventuele nadelige gevolgen veroorzaakt door dergelijke organismen en ziektekiemen waarvan is vastgesteld dat zij zijn verplaatst via het ballastwater van schepen.

2.

Elke Partij bevordert, ten behoeve van de doelstellingen van dit Verdrag de beschikbaarheid van relevante informatie voor andere Partijen die erom verzoeken inzake

  • a. wetenschappelijke en technologische programma's en technische maatregelen getroffen in het kader van ballastwaterbeheer; en
  • b. de doeltreffendheid van ballastwaterbeheer afgeleid uit monitoring- en beoordelingsprogramma's.

Artikel 7. Onderzoek en certificatie

1.

Elke Partij waarborgt dat in geval van schepen die onder haar vlag varen of onder haar gezag varen en onderzocht en gecertificeerd dienen te worden, zulks geschiedt in overeenstemming met de voorschriften in de Bijlage.

2.

Een Partij die maatregelen uitvoert uit hoofde van artikel 2, derde lid, en onderdeel C van de Bijlage, verlangt geen aanvullend onderzoek en aanvullende certificatie van een schip van een andere Partij, noch is de Administratie van het schip verplicht de door een andere Partij opgelegde aanvullende maatregelen te onderzoeken en te certificeren. Het verifiëren van dergelijke aanvullende maatregelen behoort tot de verantwoordelijkheid van de Partij die dergelijke maatregelen implementeert en mag niet leiden tot onnodige vertraging voor het schip.

Artikel 8. Overtredingen

1.

Elke overtreding van de vereisten in dit Verdrag is verboden en sancties dienen te worden vastgesteld overeenkomstig het recht van de Administratie van het betrokken schip, ongeacht waar de overtreding plaatsvindt. Indien de Administratie in kennis wordt gesteld van een dergelijke overtreding, onderzoekt zij de zaak en kan zij de Partij die de kennisgeving heeft gedaan verzoeken aanvullend bewijs te verschaffen van de vermeende overtreding. Indien de Administratie ervan overtuigd is dat voldoende bewijsmateriaal voorhanden is om een rechtsvervolging in te stellen met betrekking tot de vermeende overtreding, stelt zij ten spoedigste een dergelijke rechtsvervolging in overeenkomstig haar eigen wetgeving. De Administratie stelt de Partij die de vermeende overtreding heeft gerapporteerd, alsmede de Organisatie, onverwijld in kennis van de getroffen maatregelen. Indien de Administratie binnen 1 jaar na ontvangst van de informatie geen maatregelen heeft getroffen, stelt zij de Partij die de vermeende overtreding heeft gerapporteerd daarvan in kennis.

2.

Elke overtreding van de vereisten van dit Verdrag onder de rechtsmacht van een Partij is verboden en sancties dienen te worden vastgesteld in overeenstemming met het recht van die Partij. Indien een dergelijke overtreding plaatsvindt, zal de Partij hetzij:

  • a. erop toezien dat in overeenstemming met haar recht rechtsvervolging wordt ingesteld; hetzij
  • b. de Administratie van het schip de informatie en het bewijsmateriaal verschaffen waarover zij mogelijk beschikt die erop wijzen dat een overtreding heeft plaatsgevonden.
3.

De in het recht van een Partij voorziene sancties overeenkomstig dit artikel dienen zwaar genoeg te zijn om overtredingen van dit Verdrag waar dan ook te ontmoedigen.

Artikel 9. Inspectie van schepen

1.

Een schip waarop dit Verdrag van toepassing is, kan in elke haven of laad- of losplaats buitengaats van een andere Partij geïnspecteerd worden door die Partij naar behoren gemachtigde functionarissen teneinde te bepalen of het schip voldoet aan dit Verdrag. Onder voorbehoud van het bepaalde in het tweede lid van dit artikel, is een dergelijke inspectie beperkt tot:

  • a. het verifiëren of er een geldig certificaat aan boord is, dat, indien geldig, wordt aanvaard; en
  • b. inspectie van het ballastwaterjournaal, en/of
  • c. bemonsteren van het ballastwater van het schip, hetgeen wordt verricht in overeenstemming met de door de Organisatie op te stellen richtlijnen. De tijd die nodig is voor het analyseren van de monsters mag evenwel niet worden gebruikt als grond voor onnodige vertraging van de exploitatie, verplaatsing of het vertrek van het schip.
2.

Indien op het schip geen geldig certificaat aanwezig is of er duidelijke gronden zijn om aan te nemen dat:

  • a. de toestand van het schip of zijn uitrusting niet wezenlijk overeenkomen met de gegevens op het certificaat; of
  • b. de kapitein of bemanning niet vertrouwd zijn met de essentiële procedures aan boord aangaande ballastwaterbeheer of deze procedures niet hebben geïmplementeerd; kan een grondige inspectie worden verricht.
3.

In de omstandigheden omschreven in het tweede lid van dit artikel, neemt de Partij die de inspectie verricht de nodige stappen om te waarborgen dat het schip geen ballastwater loost totdat zulks mogelijk is zonder gevaar voor het milieu, de gezondheid van de mens of voor goederen of hulpbronnen.

Artikel 10. Opsporing van overtredingen en de controle van schepen

1.

De Partijen dienen samen te werken bij de opsporing van overtredingen en de handhaving van de bepalingen van dit Verdrag.

2.

Indien wordt geconstateerd dat met een schip dit Verdrag is overtreden, kan de Partij wier vlag het schip gerechtigd is te voeren en/of de Partij in wier haven of laad- of losinrichting buitengaats het schip zich bevindt, behalve de sancties omschreven in artikel 8 of de maatregelen omschreven in artikel 9, maatregelen treffen om het schip een waarschuwing te geven, vast te houden of te weren. De Partij in wier haven of laad- of losinrichting buitengaats het schip zich bevindt, kan een dergelijk schip evenwel toestemming verlenen de haven of laad- of losinrichting te verlaten teneinde ballastwater te lozen of zich te begeven naar de dichtstbijzijnde geschikte scheepswerf of beschikbare ontvangstinrichting, mits zulks geen risico oplevert van gevaar voor het milieu, de gezondheid van de mens, of van goederen of hulpbronnen.

3.

Indien het bemonsteren omschreven in artikel 9, eerste lid, onderdeel c, tot de conclusie leidt dat of informatie ontvangen van een andere haven of laad- of losinrichting buitengaats staaft waaruit blijkt dat het schip een gevaar vormt voor het milieu, de gezondheid van de mens, goederen of hulpbronnen, dient de Partij in wier wateren het schip zich bevindt het schip te verbieden ballastwater te lozen, totdat het gevaar is verholpen.

4.

Een Partij kan een schip tevens inspecteren zodra het de havens of laad- of losinrichtingen buitengaats onder haar rechtsmacht binnenvaart, indien een verzoek om inspectie is ontvangen van een Partij, tezamen met voldoende bewijsmateriaal dat een schip opereert of heeft geopereerd in strijd met een bepaling van dit Verdrag. Het rapport betreffende een dergelijk onderzoek wordt toegezonden aan de Partij die erom heeft verzocht en aan de bevoegde autoriteit van de Administratie van het betrokken schip, opdat passende maatregelen kunnen worden genomen.

Artikel 11. Kennisgeving van controlemaatregelen

1.

Indien een inspectie verricht uit hoofde van de artikelen 9 of 10 wijst op een overtreding van dit Verdrag, dient het schip hiervan in kennis te worden gesteld. Aan de Administratie dient een rapport te worden toegezonden alsmede eventueel bewijsmateriaal van de overtreding.

2.

Indien een maatregel is getroffen overeenkomstig artikel 9, derde lid, artikel 10, tweede of derde lid, dient de functionaris die deze maatregel uitvoert de Administratie van het betrokken schip, of indien zulks niet mogelijk is, de consul of diplomatieke vertegenwoordiger van het betrokken schip, onverwijld schriftelijk in kennis te stellen van alle omstandigheden op grond waarvan de maatregel noodzakelijk werd geacht. Voorts dient de erkende organisatie die verantwoordelijk is voor de afgifte van certificaten in kennis te worden gesteld.

3.

De autoriteit van de betrokken havenstaat stelt, behalve de partijen genoemd in het tweede lid, de volgende aanloophaven in kennis van alle relevante informatie over de overtreding, indien deze zelf niet de maatregelen omschreven in artikel 9, derde lid, artikel 10, tweede of derde lid, kan treffen, of indien het schip toestemming heeft verkregen om de reis voort te zetten naar de volgende aanloophaven.

Artikel 12. Onnodige vertraging van schepen

1.

Al het mogelijke dient in het werk te worden gesteld om te voorkomen dat een schip onnodig wordt opgehouden of vertraagd uit hoofde van de artikelen 7, tweede lid, 8, 9 of 10.

2.

Wanneer een schip onnodig wordt opgehouden of vertraagd uit hoofde van de artikelen 7, tweede lid, 8, 9 of 10, ontstaat er recht op schadevergoeding wegens geleden verliezen of schade.

Artikel 13. Technische bijstand, samenwerking en regionale samenwerking

1.

De Partijen ondernemen, rechtstreeks of via de Organisatie en andere internationale lichamen, naar gelang hetgeen van toepassing is, ter zake van controle en beheer van ballastwater en sedimenten van schepen, ondersteuning te bieden aan Partijen die verzoeken om technische bijstand:

  • a. om personeel op te leiden;
  • b. om de beschikbaarheid van relevante technologie, uitrusting en voorzieningen te waarborgen;
  • c. om gezamenlijk onderzoek en ontwikkelingsprogramma's te initiëren; en
  • d. om andere maatregelen te treffen ten behoeve van de doeltreffende uitvoering van dit Verdrag en van de door de Organisatie in verband daarmee opgestelde richtsnoeren.
2.

De Partijen verplichten zich actief samen te werken, met inachtneming van hun nationale recht, voorschriften en beleid, bij de overdracht van technologie die verband houdt met controle en beheer van ballastwater en sedimenten van schepen.

3.

Teneinde de doelstellingen van dit Verdrag te bevorderen, streven Partijen met gemeenschappelijke belangen om het milieu, de gezondheid van de mens, goederen en hulpbronnen in een bepaald geografisch gebied te beschermen, in het bijzonder Partijen grenzend aan ingesloten of half-ingesloten zeeën, ernaar, rekening houdend met de bijzondere regionale kenmerken, de regionale samenwerking te bevorderen, mede door het sluiten van regionale overeenkomsten die verenigbaar zijn met dit Verdrag. De Partijen streven ernaar samen te werken met Partijen bij regionale overeenkomsten teneinde geharmoniseerde procedures te ontwikkelen.

Artikel 14. Doorgeven van informatie

1.

Elke Partij doet aan de Organisatie en, indien van toepassing, aan andere Partijen de volgende informatie toekomen:

  • a. de vereisten en procedures met betrekking tot ballastwaterbeheer, met inbegrip van haar wetten, voorschriften en richtlijnen voor de uitvoering van dit Verdrag;
  • b. de beschikbaarheid en locatie van ontvangstinrichtingen voor het milieuvriendelijk afvoeren van ballastwater en sedimenten; en
  • c. eventuele vereisten ten aanzien van informatie over een schip dat niet kan voldoen aan de bepalingen van dit Verdrag op de gronden omschreven in de voorschriften A-3 en B-4 in de Bijlage.
2.

De Organisatie stelt de Partijen in kennis van de ontvangst van berichten uit hoofde van dit artikel en doet aan alle Partijen de informatie toekomen die zij heeft ontvangen uit hoofde van het eerste lid, onderdelen b en c, van dit artikel.

Artikel 15. Geschillenbeslechting

In het geval van geschillen betreffende de interpretatie of toepassing van dit Verdrag die eventueel tussen Partijen rijzen plegen deze Partijen met elkaar overleg teneinde deze te beslechten door middel van onderhandelingen, onderzoek, bemiddeling, conciliatie, arbitrage, schikking, een beroep op regionale organen of regelingen of andere vreedzame middelen naar eigen keuze.

Artikel 16. Verhouding tot het internationale recht en andere verdragen

Geen enkele bepaling van dit Verdrag doet afbreuk aan de rechten en verplichtingen van enige Staat uit hoofde van het internationaal gewoonterecht als vervat in het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee.

Artikel 17. Ondertekening, bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring en toetreding

1.

Dit Verdrag staat van 1 juni 2004 tot en met 31 mei 2005 open voor ondertekening door elke Staat op het hoofdkantoor van de Organisatie en blijft vervolgens open voor toetreding door elke Staat.

2.

Staten kunnen Partij worden bij het Verdrag door:

  • a. ondertekening zonder voorbehoud van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring; of
  • b. ondertekening onder voorbehoud van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring, gevolgd door bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring; of
  • c. toetreding.
3.

Bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding geschiedt door nederlegging van een daartoe strekkende akte bij de Secretaris-Generaal.

4.

Indien een Staat twee of meer territoriale eenheden heeft waarin verschillende rechtsstelsels van toepassing zijn betreffende in dit Verdrag geregelde aangelegenheden, kan hij op het tijdstip van ondertekening, bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding verklaren dat dit Verdrag op al deze territoriale eenheden of slechts op een of meer daarvan van toepassing is en kan hij te allen tijde deze verklaring wijzigen door een nieuwe verklaring over te leggen.

5.

Van elke verklaring wordt de Depositaris in kennis gesteld en daarin worden uitdrukkelijk de territoriale eenheid of eenheden vermeld waarop dit Verdrag van toepassing is.

Artikel 18. Inwerkingtreding

1.

Dit Verdrag treedt in werking twaalf maanden na de datum waarop ten minste dertig Staten, waarvan de koopvaardijvloten tezamen ten minste vijfendertig procent vormen van de brutotonnage van de wereldkoopvaardijvloot het hebben ondertekend zonder voorbehoud ten aanzien van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring of in overeenstemming met artikel 17 de vereiste akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding hebben nedergelegd.

2.

Voor Staten die een akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding terzake van dit Verdrag hebben nedergelegd nadat voldaan is aan de vereisten voor de inwerkingtreding ervan maar voorafgaand aan de datum van inwerkingtreding, wordt de bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding van kracht op de datum waarop dit Verdrag in werking treedt of drie maanden na de datum van de nederlegging van de akte, naargelang van wat het laatst is.

3.

Elke akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding nedergelegd na de datum waarop dit Verdrag in werking treedt, wordt van kracht drie maanden na de datum van nederlegging.

4.

Na de datum waarop een wijziging van dit Verdrag geacht wordt te zijn aanvaard uit hoofde van artikel 19, is elke nedergelegde akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding van toepassing op het Verdrag zoals gewijzigd.

Artikel 19. Wijzigingen

1.

Dit Verdrag kan worden gewijzigd volgens een van de hieronder omschreven procedures.

2.

Wijziging na behandeling door de Organisatie:

  • a. Elke Partij kan een wijziging van dit Verdrag voorstellen. Voorstellen tot wijziging worden ingediend bij de Secretaris-Generaal die deze vervolgens ten minste zes maanden voorafgaand aan de behandeling doet toekomen aan de Partijen en Leden van de Organisatie.
  • b. Een wijziging die overeenkomstig het voorgaande is voorgesteld en verzonden wordt ter behandeling voorgelegd aan de Commissie. Partijen zijn, ongeacht of zij lid zijn van de Organisatie, gerechtigd deel te nemen aan de procedures van de Commissie ter zake van de behandeling en aanneming van de wijziging.
  • c. Wijzigingen worden aangenomen met een meerderheid van tweederde van de Partijen die aanwezig zijn en hun stem uitbrengen in de Commissie, mits ten minste eenderde van de Partijen aanwezig is op het tijdstip van de stemming.
  • d. De Secretaris-Generaal doet de in overeenstemming met onderdeel c aangenomen wijzigingen ter aanvaarding toekomen aan de Partijen.
  • e. Een wijziging wordt geacht te zijn aanvaard onder de volgende voorwaarden:
  • i. Een wijziging van een artikel van dit Verdrag wordt geacht te zijn aanvaard op de datum waarop tweederde van de Partijen de Secretaris-Generaal ervan in kennis hebben gesteld dat zij deze aanvaarden.
  • ii. Een wijziging van de Bijlage wordt geacht te zijn aanvaard na afloop van twaalf maanden na de datum van aanneming of een andere door de Commissie vast te stellen datum. Indien op die datum meer dan eenderde van de Partijen de Secretaris-Generaal ervan in kennis hebben gesteld dat zij bezwaar maken tegen de wijziging, wordt deze geacht niet te zijn aanvaard.
  • f. Een wijziging wordt van kracht onder de volgende voorwaarden:
  • i. Een wijziging van een artikel van dit Verdrag wordt van kracht voor de Partijen die hebben verklaard dat zij deze hebben aanvaard zes maanden na de datum waarop deze geacht wordt te zijn aanvaard in overeenstemming met onderdeel e, onder i, .
  • ii. Een wijziging van de Bijlage treedt ten aanzien van alle Partijen in werking zes maanden na de datum waarop deze geacht wordt te zijn aanvaard, met uitzondering voor elke Partij die:
    1. in overeenstemming met onderdeel e, onder ii, kennisgeving heeft gedaan van bezwaar en dit bezwaar niet heeft ingetrokken; of
    1. de Secretaris-Generaal voorafgaand aan de inwerkingtreding van die wijziging ervan in kennis heeft gesteld dat de wijziging uitsluitend in werking treedt na kennisgeving van aanvaarding op een later tijdstip.
  • g.
  • i. Een Partij die uit hoofde van onderdeel f, onder ii, 1., kennisgeving heeft gedaan van bezwaar, kan de Secretaris-Generaal op een later tijdstip ervan in kennis stellen dat zij de wijziging aanvaardt. Voor een dergelijke Partij wordt een dergelijke wijziging van kracht zes maanden na de datum van haar kennisgeving van aanvaarding of de datum waarop de wijziging in werking treedt, naargelang van wat het laatst is.
  • ii. Indien een Partij die een kennisgeving heeft gedaan als bedoeld in onderdeel f, onder ii, 2., de Secretaris-Generaal in kennis stelt van haar aanvaarding van een wijziging, treedt deze wijziging voor die Partij in werking zes maanden na de datum van haar kennisgeving van aanvaarding of de datum waarop de wijziging in werking treedt, naargelang van wat het laatst is.
3.

Wijziging door een conferentie

  • a. Op verzoek van een Partij, waarmee ten minste eenderde van de Partijen instemt, belegt de Organisatie een conferentie van de Partijen teneinde wijzigingen van dit Verdrag te behandelen.
  • b. De Secretaris-Generaal doet alle Partijen een tijdens een dergelijke conferentie door een tweederde meerderheid van de aanwezige Partijen die hun stem uitbrengen aangenomen wijziging ter aanvaarding toekomen.
  • c. Tenzij de conferentie anderszins besluit, wordt de wijziging geacht te zijn aanvaard en treedt deze in werking in overeenstemming met de procedures omschreven in het tweede lid, onderdelen e en f.
4.

Een Partij die een wijziging van de Bijlage niet wenst te aanvaarden zal uitsluitend voor de toepassing van die wijziging niet worden aangemerkt als een Partij.

5.

Kennisgevingen aan de Secretaris-Generaal uit hoofde van dit artikel dienen schriftelijk te geschieden.

6.

De Secretaris-Generaal stelt de Partijen en Leden van de Organisatie in kennis van:

  • a. elke wijziging die in werking treedt en datum waarop deze algemeen en voor elke Partij in werking treedt; en
  • b. elke kennisgeving gedaan uit hoofde van dit artikel.

Artikel 20. Opzegging

1.

Dit Verdrag kan na afloop van twee jaar na de datum waarop het voor een Partij in werking is getreden te allen tijde worden opgezegd door die Partij.

2.

Opzegging geschiedt bij schriftelijke kennisgeving aan de Depositaris en wordt van kracht een jaar na de ontvangst ervan of na een langere termijn indien vermeld in de kennisgeving.

Artikel 21. Depositaris

1.

Dit Verdrag wordt nedergelegd bij de Secretaris-Generaal die voor eensluidend gewaarmerkte afschriften ervan doet toekomen aan alle Staten die dit Verdrag hebben ondertekend of ertoe zijn toegetreden.

2.

Naast de taken elders omschreven in dit Verdrag,

  • a. stelt de Secretaris-Generaal alle Staten die dit Verdrag hebben ondertekend of ertoe zijn toegetreden in kennis van:
  • i. iedere nieuwe ondertekening of nederlegging van een akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding, alsmede de datum ervan;
  • ii. de datum waarop dit Verdrag in werking treedt; en.
  • iii. de nederlegging van elke akte van opzegging van het Verdrag, alsmede de datum van ontvangst ervan en de datum waarop de opzegging van kracht wordt; en
  • b. zodra dit Verdrag in werking treedt, zendt de Secretaris-Generaal de tekst toe aan het Secretariaat van de Verenigde Naties voor registratie en publicatie overeenkomstig artikel 102 van het Handvest van de Verenigde Naties.

Artikel 22. Talen

Dit Verdrag is opgesteld in één oorspronkelijk exemplaar in de Arabische, de Chinese, de Engelse, de Franse, de Russische en de Spaanse taal, zijnde alle teksten gelijkelijk authentiek.

Afdeling A. – Algemene bepalingen

Voorschrift A-1. Begripsomschrijvingen

Voor de toepassing van deze Bijlage wordt verstaan onder:

    1. „verjaardatum”, de dag en maand van elk jaar die overeenkomen met de datum waarop het certificaat verloopt.
    1. „ballastwatercapaciteit”, de totale inhoud van alle tanks, ruimten of compartimenten van een schip die worden gebruikt voor het vervoeren, innemen of lozen van ballastwater, met inbegrip van multifunctionele tanks, ruimten of compartimenten die zijn ontworpen om het vervoer van ballastwater mogelijk te maken.
    1. „maatschappij”, de eigenaar van het schip of enige andere organisatie of persoon, bijvoorbeeld de manager of de rompbevrachter, die de verantwoordelijkheid betreffende de bedrijfsvoering aan boord van het schip heeft overgenomen van de eigenaar van het schip en die door de aanvaarding van die verantwoordelijkheid ermee heeft ingestemd alle plichten en verantwoordelijkheden die door de International Safety Management (ISM) Code1)Zie de ISM-code door de Organisatie bij resolutie A.741(18) aangenomen als gewijzigd. worden opgelegd, over te nemen.
    1. „gebouwd”, met betrekking tot een schip een stadium in de bouw waarin:
  • .1. de kiel wordt gelegd; of
  • .2. de bouw specifiek voor een bepaald schip aanvangt; of
  • .3. is aangevangen met de montage van dat schip, dat ten minste 50 ton of 1 percent van de geschatte massa van alle bouwmateriaal omvat, naar gelang van welke van beide het minst is; of
  • .4. het schip een belangrijke verbouwing ondergaat.
    1. „belangrijke verbouwing”, de verbouwing van een schip:
  • .1. waarbij de ballastwatercapaciteit met 15 percent of meer wordt gewijzigd, of
  • .2. waarbij het scheepstype verandert, of
  • .3. waarbij, naar het oordeel van de Administratie, beoogd wordt de levensduur met ten minste tien jaar te verlengen, of
  • .4. die leidt tot veranderingen in het ballastwatersysteem anders dan vervanging van onderdelen met soortgelijke onderdelen. Verbouwing van een schip teneinde te voldoen aan de bepalingen van voorschrift D-1 wordt voor de toepassing van deze Bijlage niet aangemerkt als een belangrijke verbouwing.
    1. „van het dichtstbijzijnde land”, van de basislijn van waaruit de territoriale zee van het betrokken gebied wordt bepaald overeenkomstig het internationale recht, behoudens dat, voor de toepassing van het Verdrag „van het dichtstbijzijnde land” onder de noordoostkust van Australië betekent: „van een lijn getrokken van een punt op de kust van Australië gelegen op: 11°00zuiderbreedte en 142°08 oosterlengte naar een punt op 10°35zuiderbreedte en 141°55 oosterlengte vandaar naar een punt op 10°00zuiderbreedte en 142°00 oosterlengte vandaar naar een punt op 9°10zuiderbreedte en 143°52 oosterlengte vandaar naar een punt op 9°00zuiderbreedte en 144°30 oosterlengte vandaar naar een punt op 10°41zuiderbreedte en 145°00 oosterlengte vandaar naar een punt op 13°00zuiderbreedte en 145°00 oosterlengte vandaar naar een punt op 15°00zuiderbreedte en 146°00 oosterlengte vandaar naar een punt op 17°30zuiderbreedte en 147°00 oosterlengte vandaar naar een punt op 21°00zuiderbreedte en 152°55 oosterlengte vandaar naar een punt op 24°30zuiderbreedte en 154°00 oosterlengte vandaar naar een punt op de kust van Australië op 24°42zuiderbreedte en 153°15 oosterlengte.
    1. „actieve stof”, een stof die of organisme, virussen of schimmels daaronder begrepen, dat een algemeen of specifiek effect heeft op schadelijke aquatische organismen en ziektekiemen.
    1. BWMS Code, de Code voor de goedkeuring van ballastwaterbeheersystemen, aangenomen bij resolutie MEPC.300(72), eventueel als gewijzigd door de Organisatie, op voorwaarde dat deze wijzigingen worden aangenomen en van kracht worden overeenkomstig het bepaalde in artikel 19 van dit Verdrag betreffende de procedure voor wijziging die van toepassing is op deze Bijlage.
    1. elektronisch journaal, een door de Administratie goedgekeurd apparaat of systeem dat in plaats van een papieren journaal gebruikt wordt voor het elektronisch vastleggen van notities voor elke ballastwateroperatie zoals vereist ingevolge dit Verdrag.

Voorschrift A-2. Algemene toepasbaarheid

Tenzij uitdrukkelijk anders voorzien, mag het lozen van ballastwater alleen geschieden in het kader van ballastwaterbeheer in overeenstemming met de bepalingen van deze Bijlage.

Voorschrift A-3. Uitzonderingen

De vereisten van voorschrift B-3 of maatregelen aangenomen door een Partij uit hoofde van artikel 2, derde lid, en Afdeling C, zijn niet van toepassing op:

    1. het innemen of lozen van ballastwater en sedimenten ten behoeve van de waarborging van de veiligheid van een schip in noodsituaties of voor het redden van mensenlevens op zee; of
    1. de onbedoelde lozing of inname van ballastwater en sedimenten als gevolg van beschadiging van een schip of zijn uitrusting:
  • .1. mits voor en na het ontstaan van de schade of na het ontdekken van de schade of de lozing alle redelijke voorzorgen zijn getroffen om de lozing te voorkomen of tot een minimum te beperken; en
  • .2. tenzij de eigenaar, Maatschappij of de verantwoordelijke officier de schade opzettelijk of door roekeloosheid veroorzaakt heeft; of
    1. het innemen en lozen van ballastwater en sedimenten wanneer dit geschiedt teneinde voorvallen van verontreiniging door het schip te voorkomen of tot een minimum te beperken; of
    1. het innemen en vervolgens lozen op volle zee van datzelfde ballastwater en dezelfde sedimenten; of
    1. het lozen van ballastwater en sedimenten door een schip op dezelfde locatie waar dat ballastwater en die sedimenten geheel van afkomstig zijn en mits er geen vermenging met onbeheerd ballastwater uit andere gebieden heeft plaatsgevonden. Indien vermenging heeft plaatsgevonden, valt het ballastwater afkomstig van andere gebieden onder ballastwaterbeheer in overeenstemming met deze Bijlage.

Voorschrift A-4. Ontheffingen

    1. „Een Partij kan of Partijen kunnen in de wateren onder haar of hun rechtsmacht, naast de ontheffingen vervat in dit Verdrag, tevens ontheffing verlenen van de vereisten voor de toepassing van voorschriften B-3 of C-1, evenwel uitsluitend indien deze
  • .1. worden verleend aan een schip of aan schepen op reis tussen aangegeven havens of locaties, of aan een schip dat uitsluitend vaart tussen aangegeven havens of locaties;
  • .2. gelden voor een termijn van ten hoogste vijf jaar, onder voorbehoud van tussentijdse herziening;
  • .3. zijn verleend aan schepen die geen ballastwater of sedimenten vermengen anders dan tussen de havens of locaties omschreven in punt 1.1; en
  • .4. zijn verleend op grond van de door de Organisatie opgestelde richtlijnen voor risicoanalyse.
    1. Ontheffingen verleend uit hoofde van punt 1 worden pas van kracht na mededeling aan de Organisatie en toezending van de desbetreffende informatie aan de Partijen.
    1. Ontheffingen verleend uit hoofde van dit voorschrift mogen niet ten koste gaan van of leiden tot schade aan het milieu, de gezondheid van de mens, of aan goederen of hulpbronnen in aangrenzende of andere Staten. Een Staat die naar het oordeel van de Partij nadelige gevolgen kan ondervinden wordt geraadpleegd teneinde gesignaleerde problemen te verhelpen.
    1. Ontheffingen verleend uit hoofde van dit voorschrift worden vastgelegd in het ballastwaterjournaal.

Voorschrift A-5. Naleving van gelijkwaardige voorschriften

Of een pleziervaartuig dat uitsluitend wordt gebruikt voor recreatie of wedstrijden of vaartuigen die primair worden gebruikt ten behoeve van opsporing en redding, met een totale lengte van ten hoogste 50 meter en een ballastwatercapaciteit van ten hoogste 8 m3 voldoet aan voorwaarden die gelijkwaardig zijn aan die in deze Bijlage, wordt vastgesteld door de Administratie, waarbij rekening wordt gehouden met door de Organisatie opgestelde richtlijnen.

Afdeling B. – Vereisten voor schepen ten aanzien van beheer en controle

Voorschrift B-1. Ballastwaterbeheersplan

Aan boord van elk schip dient een ballastwaterbeheersplan te zijn en te worden geïmplementeerd. Een dergelijk plan dient te worden goedgekeurd door de Administratie, rekening houdend met door de Organisatie op te stellen richtlijnen. Elk schip heeft een eigen ballastwaterbeheersplan, dat ten minste:

    1. gedetailleerde veiligheidsprocedures voor schip en bemanning bevat ter zake van ballastwaterbeheer zoals vereist door dit Verdrag;
    1. voorziet in een gedetailleerde beschrijving van de te treffen maatregelen om het ballastwaterbeheersplan te implementeren alsmede aanvullende praktijken voor ballastwaterbeheer zoals vervat in dit Verdrag;
    1. details dient te vermelden van de procedures voor het verwijderen van sedimenten:
  • .1. op zee; en
  • .2. aan de wal;
    1. de procedures bevat voor de afstemming van ballastwaterbeheer aan boord inzake het lozen op zee, met de autoriteiten van de Staat in de wateren waarvan de lozing zal plaatsvinden;
    1. de officier aan boord aanwijst die verantwoordelijk is voor het waarborgen dat het plan naar behoren wordt geïmplementeerd;
    1. de rapportagevereisten bevat voor de schepen voorzien in dit Verdrag; en
    1. opgesteld is in de werktaal van het schip. Ingeval de gebruikte taal een andere is dan de Engelse, de Franse of de Spaanse taal dient een vertaling in één van deze talen te zijn opgenomen.

Voorschrift B-2. Ballastwaterjournaal

    1. Aan boord van ieder schip dient een ballastwaterjournaal te zijn dat een elektronisch journaal kan zijn of opgenomen kan zijn in een ander journaal of systeem en ten minste de in Aanhangsel II omschreven informatie bevat. Elektronische journaals dienen te worden goedgekeurd door de Administratie, rekening houdend met door de Organisatie op te stellen richtlijnen.
    1. De notities in het ballastwaterjournaal dienen ten minste twee jaar nadat de laatste notitie heeft plaatsgevonden aan boord te blijven en daarna ten minste gedurende drie jaar in de macht te blijven van de Maatschappij.
    1. Lozingen van ballastwater uit hoofde van de voorschriften A-3, A-4 of B-3.6 of in het geval van andere onbedoelde of uitzonderlijke lozingen van ballastwater waarvoor uit hoofde van dit Verdrag geen ontheffing geldt, worden genoteerd in het ballastwaterjournaal waarbij de omstandigheden en de reden voor de lozing worden beschreven.
    1. Het ballastwaterjournaal dient op redelijke tijdstippen onmiddellijk beschikbaar te zijn voor inzage en in het geval van een onbemand schip op sleep kan het aan boord van de sleepboot worden bewaard.
    1. Elke ballastwateroperatie dient onverwijld en volledig in het ballastwaterjournaal te worden genoteerd. Elke notitie dient te worden ondertekend door de voor de desbetreffende operatie verantwoordelijke officier en elke ingevulde pagina dient te worden ondertekend door de kapitein, of, in het geval van een groep elektronische notities, tijdig door de kapitein te worden geverifieerd. De notities in het ballastwaterjournaal dienen te worden opgesteld in de werktaal van het schip. Ingeval die taal een andere is dan de Engelse, de Franse of de Spaanse taal dienen de notities te zijn voorzien van een vertaling in één van deze talen. Wanneer de notities tevens zijn gesteld in een officiële taal van de Staat waarvan het schip gerechtigd is de vlag te voeren, zijn deze doorslaggevend in geval van een geschil of een tegenstrijdigheid.
    1. Functionarissen die naar behoren zijn gemachtigd door een Partij mogen het ballastwaterjournaal aan boord van een schip waarop dit voorschrift van toepassing is terwijl het schip zich in haar haven of bij een laad- of losplaats buitengaats bevindt controleren en een afschrift maken van notities en van de kapitein verlangen dat deze het afschrift voor eensluidend waarmerkt. Een aldus gewaarmerkt afschrift dient in gerechtelijke procedures toegelaten te worden als bewijs van de feiten weergegeven in de notitie. De controle van een ballastwaterjournaal en het maken van een gewaarmerkt afschrift dienen zo spoedig mogelijk plaats te vinden zonder te leiden tot onnodige vertraging van het schip.

Voorschrift B-3. Ballastwaterbeheer voor schepen

    1. Op schepen gebouwd vóór 2009:
  • .1. met een ballastwatercapaciteit van 1.500 tot en met 5.000 kubieke meter, dient het ballastwater tot de herkeuring omschreven in punt 10 te worden beheerd op een wijze die ten minste voldoet aan de normen beschreven in voorschrift D-1 of in voorschrift D-2, en nadien ten minste aan de normen beschreven in voorschrift D-2;
  • .2. met een ballastwatercapaciteit van minder dan 1.500 of meer dan 5.000 kubieke meter, dient het ballastwater tot de herkeuring beschreven in punt 10 te worden beheerd op een wijze die ten minste voldoet aan de normen beschreven in voorschrift D-1 of in voorschrift D-2 en nadien ten minste aan de normen beschreven in voorschrift D-2.
    1. Op schepen gebouwd in of na 2009 en vóór 8 september 2017 met een ballastwatercapaciteit van minder dan 5.000 kubieke meter dient het ballastwater vanaf de datum van de herkeuring beschreven in punt 10 te worden beheerd op een wijze die ten minste voldoet aan de normen beschreven in voorschrift D-2.
    1. Op schepen gebouwd in of na 2009, maar vóór 2012, met een ballastwatercapaciteit van 5.000 kubieke meter of meer dient het ballastwater te worden beheerd in overeenstemming met punt 1.2.
    1. Op schepen gebouwd in of na 2012 en vóór 8 september 2017 met een ballastwatercapaciteit van 5.000 kubieke meter of meer dient het ballastwater vanaf de datum van de herkeuring beschreven in punt 10 te worden beheerd op een wijze die ten minste voldoet aan de normen beschreven in voorschrift D-2.
    1. Op schepen gebouwd op of na 8 september 2017 dient het ballastwater te worden beheerd op een wijze die ten minste voldoet aan de normen beschreven in voorschrift D-2.
    1. De vereisten van dit voorschrift zijn niet van toepassing op schepen die ballastwater lozen bij een ontvangstinrichting die overeenkomstig de door de Organisatie voor dergelijke inrichtingen opgestelde richtlijnen is ontworpen.
    1. Andere methoden voor ballastwaterbeheer kunnen worden aanvaard als alternatief voor de vereisten beschreven in de punten 1 tot en met 5 en punt 8, mits deze methoden ten minste dezelfde mate van bescherming van het milieu, de gezondheid van de mens, van goederen of hulpbronnen waarborgen en deze in beginsel zijn goedgekeurd door de Commissie.
    1. Op schepen gebouwd vóór 8 september 2017 waarop de in punt 10 beschreven herkeuring niet van toepassing is, dient het ballastwater te worden beheerd op een wijze die ten minste voldoet aan de normen beschreven in voorschrift D-2 vanaf de door de Administratie te bepalen datum, maar niet later dan 8 september 2024.
    1. Schepen waarop de punten 2, 4 of 8 van toepassing zijn dienen te voldoen aan hetzij voorschrift D-1, hetzij voorschrift D-2 tot het moment waarop zij dienen te voldoen aan voorschrift D-2.
    1. Niettegenstaande voorschrift E-1.1.2 wordt onder de in de punten 1.1, 1.2, 2 en 4 bedoelde herkeuring verstaan:
  • .1. de eerste herkeuring, zoals bepaald door de Commissie, op of na 8 september 2017 indien:
  • .1. deze is voltooid op of na 8 september 2019; of
  • .2. een herkeuring is voltooid op of na 8 september 2014 maar vóór 8 september 2017;en
  • .2. de tweede herkeuring, zoals bepaald door de Commissie, op of na 8 september 2017 indien de eerste herkeuring op of na 8 september 2017 is voltooid vóór 8 september 2019, mits niet is voldaan aan de voorwaarden van punt 10.1.2.

Voorschrift B-4. Wisseling van ballastwater

    1. Schepen die ballastwater wisselen teneinde te voldoen aan de normen in voorschrift D-1, dienen:
  • .1. het ballastwater waar mogelijk te wisselen ten minste op 200 zeemijl van het dichtstbijzijnde land en in water met een diepte van ten minste 200 meter, rekening houdend met de door de Organisatie opgestelde richtlijnen;
  • .2. in gevallen waarin het schip geen ballastwater kan wisselen in overeenstemming met punt 1.1, dient dit te geschieden met inachtneming van de richtlijnen beschreven in punt 1.1 en zo ver mogelijk verwijderd van het dichtstbijzijnde land, en in alle gevallen ten minste 50 zeemijl van het dichtstbijzijnde land en in water met een diepte van ten minste 200 meter.
    1. In zeegebieden op een afstand van het dichtstbijzijnde land of met een diepte die niet overeenkomen met de parameters omschreven in de punten 1.1 of 1.2, kan de havenstaat in overleg met aangrenzende of andere Staten, naar gelang hetgeen van toepassing is, gebieden aanwijzen waar een schip ballastwater kan wisselen met inachtneming van de richtlijnen omschreven in punt 1.1.
    1. Van schepen zal niet verlangd worden dat zij afwijken van de beoogde reis of deze vertragen teneinde te voldoen aan een specifiek vereiste van punt 1.
    1. Van schepen die ballastwater wisselen wordt niet verlangd dat zij voldoen aan punt 1 of 2, naar gelang hetgeen van toepassing is, indien de kapitein redelijkerwijs oordeelt dat een dergelijke wisseling de veiligheid of stabiliteit van het schip, zijn bemanning of passagiers in gevaar zou brengen ten gevolge van ongunstige weersomstandigheden, het ontwerp van of krachten op het schip, uitval van uitrusting of andere uitzonderlijke omstandigheden.
    1. Indien een schip ballastwater dient te wisselen en zulks nalaat in strijd met dit voorschrift, worden de redenen vermeld in het ballastwaterjournaal.

Voorschrift B-5. Sedimentenbeheer voor schepen

    1. Alle schepen dienen sedimenten uit de ruimten bestemd voor het vervoer van ballastwater in overeenstemming met de bepalingen van hun ballastwaterbeheersplan te verwijderen en af te voeren.
    1. De schepen omschreven in de voorschriften B-3.3 tot en met B-3.5 dienen zonder afbreuk te doen aan de veiligheid of operationele doelmatigheid, zodanig te zijn ontworpen en gebouwd dat de inname en het ongewenst achterblijven van sedimenten tot een minimum wordt beperkt, de verwijdering van sedimenten wordt vergemakkelijkt en dat veilig toegang kan worden verkregen om sedimenten te verwijderen en te bemonsteren, rekening houdend met door de Organisatie opgestelde richtlijnen. De schepen omschreven in voorschrift B-3.1 dienen voor zover mogelijk te voldoen aan dit punt.

Voorschrift B-6. Taken van officieren en bemanning

Officieren en bemanning dienen vertrouwd te zijn met hun taken bij de implementatie van het ballastwaterbeheersplan dat geldt voor het schip waarop zij werkzaam zijn, en dienen overeenkomstig hun taken vertrouwd te zijn met het ballastwaterbeheersplan van het schip.

AFDELING C. - SPECIALE VEREISTEN IN BEPAALDE GEBIEDEN

Voorschrift C-1. Aanvullende maatregelen

    1. Indien een Partij afzonderlijk of gezamenlijk met andere Partijen bepaalt dat naast de maatregelen vervat in Afdeling B aanvullende maatregelen noodzakelijk zijn om de verplaatsing van schadelijke aquatische organismen en ziektekiemen via het ballastwater en de sedimenten van schepen te voorkomen, te beperken of uit te bannen, kan een dergelijke Partij of kunnen dergelijke Partijen, in overeenstemming met het internationale recht verlangen dat schepen voldoen aan een specifieke norm of aan specifieke vereisten.
    1. Alvorens uit hoofde van punt 1 normen of vereisten vast te stellen, dient een Partij of dienen Partijen te overleggen met de aangrenzende of andere Staten die van deze normen of vereisten gevolgen kunnen ondervinden.
    1. Een Partij die beoogt of Partijen die beogen aanvullende maatregelen in overeenstemming met punt 1 in te voeren:
  • .1. houden rekening met de door de Organisatie opgestelde richtlijnen.
  • .2. geven hun voornemen aanvullende maatregelen te treffen ten minste zes maanden voorafgaand aan de beoogde datum van implementatie door aan de Organisatie, behalve in noodsituaties of in geval van epidemieën. Daarbij dienen te worden vermeld:
  • .1. de precieze coördinaten van de gebieden waar de aanvullende maatregel(en) van toepassing is (zijn);
  • .2. de noodzaak en redenen voor de toepassing van de aanvullende maatregel(en), zo mogelijk met inbegrip van het nut ervan;
  • .3. een beschrijving van de aanvullende maatregel(en); en
  • .4. eventuele regelingen die kunnen worden getroffen teneinde te bevorderen dat schepen kunnen voldoen aan de aanvullende maatregel(en).
  • .3. verkrijgen voorzover vereist op grond van het internationaal gewoonterecht, zoals vervat in het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee, indien van toepassing, toestemming van de Organisatie.
    1. Bij de invoering van dergelijke aanvullende maatregelen dient een Partij of dienen Partijen te trachten alle nodige diensten beschikbaar te stellen, waaronder, maar niet beperkt tot kennisgeving aan zeelieden inzake gebieden, beschikbare en alternatieve routes of havens, voorzover praktisch uitvoerbaar, teneinde de overlast voor het schip te beperken.
    1. Eventuele aanvullende maatregelen die door een Partij of Partijen zijn genomen mogen niet ten koste gaan van de veiligheid van het schip en in geen geval in strijd zijn met eventuele andere verdragen waaraan het schip moet voldoen.
    1. Partijen die aanvullende maatregelen nemen kunnen deze gedurende een periode of onder bepaalde voorwaarden opschorten, indien zij dit opportuun achten.

Voorschrift C-2. Waarschuwingen betreffende het innemen van ballastwater in bepaalde gebieden en de desbetreffende maatregelen van de vlaggenstaat

    1. Een Partij dient te trachten zeelieden in kennis te stellen van gebieden onder hun rechtsmacht waarin schepen vanwege hun bekende omstandigheden geen ballastwater dienen in te nemen. Een Partij moet in deze kennisgevingen de precieze coördinaten van het gebied of de gebieden opnemen en waar mogelijk de locatie van een alternatief gebied of alternatieve gebieden voor het innemen van ballastwater. Waarschuwingen kunnen worden afgegeven voor:
  • .1. gebieden waarvan bekend is dat er uitbraken, plagen of populaties van schadelijke aquatische organismen en ziektekiemen zijn (bijvoorbeeld toxisch algenschuim) die mogelijk van belang zijn voor de inname of lozing van ballastwater;
  • .2. gebieden nabij rioolmondingen; of
  • .3. gebieden waar sprake is van weinig spoeling door de getijden of tijdstippen waarop een getijdestroming meer modder met zich meebrengt.
    1. Behalve zeelieden in kennis stellen van gebieden overeenkomstig het bepaalde in punt 1, dienen Partijen tevens de Organisatie en kuststaten die er mogelijk gevolgen van kunnen ondervinden in kennis te stellen van gebieden als bedoeld in punt 1 en de termijn gedurende welke deze waarschuwing mogelijk van kracht is. De kennisgeving aan de Organisatie en kuststaten die er mogelijk gevolgen van kunnen ondervinden dient de precieze coördinaten van het gebied of de gebieden en waar mogelijk de locatie van alternatieve gebieden voor het innemen van ballastwater te bevatten. De kennisgeving dient adviezen te omvatten aan schepen die in het gebied ballastwater moeten innemen, met beschrijvingen van getroffen regelingen voor alternatieve inname. De Partij dient tevens zeelieden, de Organisatie en kuststaten die er mogelijk gevolgen van ondervinden in kennis te stellen zodra haar waarschuwing niet langer geldt.

Voorschrift C-3. Doorgeven van informatie

De Organisatie stelt met behulp van passende middelen de aan haar uit hoofde van de voorschriften C-1 en C-2 doorgegeven informatie beschikbaar.

Afdeling D. – Normen voor ballastwaterbeheer

Voorschrift D-1. Norm voor de wisseling van ballastwater

    1. Schepen die in overeenstemming met dit voorschrift ballastwater wisselen dienen zulks te doen met een efficiëntie van ten minste 95% aan volumetrische wisseling van ballastwater.
    1. Schepen die ballastwater wisselen door in- en uitpompen, waarbij het volume van elke ballastwatertank driemaal in en uit wordt gepompt worden geacht te voldoen aan de norm omschreven in punt 1. Minder dan driemaal het volume in- en uitpompen kan worden aanvaard, mits aangetoond kan worden dat voldaan wordt aan ten minste 95 percent van de volumetrische wisseling.

Artikel D-2. Norm voor de behandeling van ballastwater

    1. Schepen die hun ballastwater beheren in overeenstemming met dit voorschrift lozen minder dan 10 levensvatbare organismen per kubieke meter met een minimumafmeting groter dan of gelijk aan 50 μ en minder dan 10 levensvatbare organismen per milliliter met een minimumafmeting van minder dan 50 μ en groter dan of gelijk aan 10 μ en de lozing van de indicatiemicroben mag de gespecificeerde concentraties vastgelegd in punt 2 niet overschrijden.
    1. Indicatiemicroben als norm voor de gezondheid van de mens zijn onder meer:
  • .1. Toxicogene Vibrio cholerae (O1 en O139) met minder dan 1 kolonievormende eenheid (kve of cfu) per 100 milliliter of minder dan 1 kve per gram (nat gewicht) zoöplanktonmonster;
  • .2. Escherichia coli minder dan 250 kve per 100 milliliter;
  • .3. Intestinale enterococcen minder dan 100 kve per 100 milliliter.

Voorschrift D-3. Goedkeuringsvereisten voor ballastwaterbeheersystemen

    1. Behalve in het geval omschreven in punt 2, worden ballastwaterbeheersystemen die worden gebruikt om te voldoen aan dit Verdrag als volgt goedgekeurd door de Administratie:
  • .1. ballastwaterbeheersystemen die op of na 28 oktober 2020 worden geïnstalleerd worden goedgekeurd in overeenstemming met de BWMS-Code, eventueel zoals gewijzigd; en
  • .2. ballastwaterbeheersystemen die vóór 28 oktober 2020 zijn geïnstalleerd worden goedgekeurd rekening houdend met de door de Organisatie opgestelde richtlijnen of de BWMS-Code, eventueel als gewijzigd.
    1. Ballastwaterbeheersystemen waarbij gebruik wordt gemaakt van actieve substanties of preparaten die een of meer actieve substanties bevatten teneinde te voldoen aan dit Verdrag dienen op grond van een door de Organisatie opgestelde procedure te worden goedgekeurd door de Organisatie. In deze procedure wordt de goedkeuring en intrekking van de goedkeuring van actieve substanties beschreven alsmede de voorgestelde wijze van toepassing. Bij intrekking van de goedkeuring wordt het gebruik van de desbetreffende actieve substantie of substanties binnen een jaar na de datum van de intrekking verboden.
    1. Ballastwaterbeheersystemen die worden gebruikt om te voldoen aan dit Verdrag moeten veilig zijn voor het schip, zijn uitrusting en de bemanning.

Voorschrift D-4. Prototype ballastwaterbehandelingstechnieken

    1. Voor elk schip dat voorafgaand aan de datum waarop de norm in voorschrift D-2 ervoor van kracht zou worden, deelneemt aan een door de Administratie goedgekeurd programma voor het testen en beoordelen van veelbelovende ballastwaterbehandelingstechnieken, wordt de norm in voorschrift D-2 niet eerder van kracht dan vijf jaar na de datum waarop het schip anders had moeten voldoen aan die norm.
    1. Voor elk schip dat, na de datum waarop de norm in voorschrift D-2 ervoor van kracht is geworden, deelneemt aan een door de Administratie goedgekeurd programma, rekening houdend met door de Organisatie opgestelde richtlijnen, voor het testen en beoordelen van veelbelovende ballastwatertechnieken die mogelijk kunnen resulteren in behandelingstechnieken waarmee een hogere norm wordt verwezenlijkt dan die vervat in voorschrift D-2, houdt de norm vervat in voorschrift D-2 gedurende vijf jaar vanaf de datum van de installatie van die techniek op voor dat schip van kracht te zijn.
    1. Bij het vaststellen en uitvoeren van programma's voor het testen en beoordelen van veelbelovende ballastwatertechnieken:
  • .1. houden de Partijen rekening met de door de Organisatie opgestelde richtlijnen, en
  • .2. staan de Partijen deelname uitsluitend toe door het minimum aantal schepen dat nodig is om dergelijke technieken doeltreffend te kunnen testen.
    1. Gedurende de gehele test- en beoordelingsperiode dient het behandelingssysteem op consistente wijze en overeenkomstig de opzet te worden bediend.

Voorschrift D-5. Herziening van normen door de Organisatie

    1. Uiterlijk drie jaar voor de datum waarop de in voorschrift D-2 vervatte norm op zijn vroegst van kracht wordt, toetst de Commissie tijdens een vergadering onder meer of er passende technieken beschikbaar zijn waarmee de norm kan worden verwezenlijkt, beoordeelt zij de criteria vervat in punt 2 en worden de sociaal-economische gevolgen, in het bijzonder met betrekking tot de ontwikkelingsbehoeften van ontwikkelingslanden, met name van kleine eilandstaten in ontwikkeling, beoordeeld. Zonodig verricht de Commissie ook periodieke herzieningen, teneinde de toepasselijke vereisten voor schepen omschreven in voorschrift B-3.1 alsmede andere aspecten van ballastwaterbeheer die in deze Bijlage aan de orde komen, met inbegrip van eventuele door de Organisatie opgestelde richtlijnen te onderzoeken.
    1. Bij dergelijke herzieningen van passende technieken wordt ook rekening gehouden met:
  • .1. veiligheidsoverwegingen met betrekking tot het schip en de bemanning;
  • .2. milieuveiligheid, d.w.z. dat er niet meer of groter milieueffecten veroorzaakt mogen worden dan ermee worden opgelost;
  • .3. praktische toepassing, d.w.z. of de techniek verenigbaar is met de bouw en exploitatie van het schip;
  • .4. kosteneffectiviteit, dus economisch verantwoord; en
  • .5. biologische effectiviteit wat betreft de verwijdering of het anderszins onschadelijk maken van schadelijke aquatische organismen en ziektekiemen in ballastwater.
    1. De Commissie kan een groep of groepen vormen voor het verrichten van de herzieningen beschreven in punt 1. De Commissie bepaalt de samenstelling, het mandaat en de door dergelijke groepen te behandelen aangelegenheden. Dergelijke groepen kunnen voorstellen tot wijziging van deze Bijlage uitwerken en aanbevelen ter overweging door de Partijen. Uitsluitend Partijen mogen deelnemen aan het formuleren van aanbevelingen en door de Commissie genomen besluiten inzake wijzigingen.
    1. Indien de Partijen op basis van de in dit voorschrift beschreven herzieningen besluiten wijzigingen van deze Bijlage aan te nemen, worden zij aangenomen en treden zij in werking in overeenstemming met de in artikel 19 van dit Verdrag vervatte procedures.

Afdeling E. – Onderzoeks- en certificatievereisten voor ballastwaterbeheer

Voorschrift E-1. Onderzoeken

    1. Schepen met een brutotonnage van 400 ton of meer waarop dit Verdrag van toepassing is, met uitzondering van drijvende platforms, FSU's en FPSO's worden onderworpen aan de onderstaand omschreven onderzoeken:
  • .1. een eerste onderzoek voordat het schip in dienst wordt gesteld of voordat het certificaat, vereist op grond van voorschrift E-2 of E-3 voor de eerste maal wordt afgegeven. Bij dit onderzoek wordt geverifieerd of het op grond van voorschrift B-1 vereiste ballastwaterbeheersplan en de bijbehorende bouw, uitrusting, systemen, onderdelen, voorzieningen en materialen of processen volledig voldoen aan de vereisten van dit Verdrag. Bij dit onderzoek wordt bevestigd dat er een test is uitgevoerd bij de inbedrijfstelling om de installatie van een systeem voor ballastwaterbeheer te valideren door aan te tonen dat de mechanische, fysische, chemische en biologische processen daarvan naar behoren functioneren, rekening houdend met de door de Organisatie opgestelde richtlijnen.
  • .2. Een herkeuring met door de Administratie voorgeschreven tussenpozen van ten hoogste vijf jaar, behalve wanneer voorschrift E-5.2, E-5.5, E-5.6 of E-5.7 van toepassing is. Bij dit onderzoek wordt geverifieerd of het op grond van voorschrift B-1 vereiste ballastwaterbeheersplan en de bijbehorende bouw, uitrusting, systemen, onderdelen, voorzieningen en materialen of processen volledig voldoen aan de toepasselijke vereisten van dit Verdrag.
  • .3. Een tussentijds onderzoek binnen drie maanden voor of na de tweede verjaardatum of binnen drie maanden voor of na de derde verjaardatum van het certificaat, in plaats van een van de jaarlijkse onderzoeken omschreven in punt 1.4. De tussentijdse onderzoeken dienen te waarborgen dat de uitrusting, de bijbehorende systemen en processen voor ballastwaterbeheer volledig voldoen aan de toepasselijke vereisten van deze Bijlage en in bedrijfsklare staat verkeren. Deze tussentijdse onderzoeken worden aangetekend op het certificaat, afgegeven krachtens voorschrift E-2 of E-3.
  • .4. Een jaarlijks onderzoek binnen drie maanden voor of na iedere verjaardatum, met inbegrip van een algemeen onderzoek van de bouw, uitrusting, systemen, onderdelen, voorzieningen en materialen of processen die deel uitmaken van het op grond van voorschrift B-1 vereiste ballastwaterbeheersplan om te waarborgen dat zij in overeenstemming met punt 9 worden onderhouden en in goede staat blijven verkeren voor de dienst waarvoor het schip bedoeld is. Deze jaarlijkse onderzoeken worden aangetekend op het certificaat, afgegeven krachtens voorschrift E-2 of E-3.
  • .5. Een aanvullend algemeen of deelonderzoek, afhankelijk van hetgeen de omstandigheden vereisen, vindt plaats na een wijziging, vervanging of ingrijpende reparatie van de bouw, uitrusting, systemen, onderdelen, voorzieningen en materialen die nodig zijn teneinde volledig te kunnen voldoen aan dit Verdrag. Het onderzoek dient zodanig te zijn dat gewaarborgd wordt dat een dergelijke wijziging, vervanging of ingrijpende reparatie doeltreffend is geschied, zodat het schip voldoet aan de vereisten van dit Verdrag. Indien een aanvullend onderzoek wordt uitgevoerd voor de installatie van een systeem voor ballastwaterbeheer, wordt bij dit onderzoek bevestigd dat er een test is uitgevoerd bij de inbedrijfstelling om de installatie van het systeem te valideren door aan te tonen dat de mechanische, fysische, chemische en biologische processen daarvan naar behoren functioneren, rekening houdend met de door de Organisatie opgestelde richtlijnen.
    1. De Administratie stelt passende maatregelen vast voor schepen die niet onder de bepalingen van punt 1 vallen om te waarborgen dat voldaan wordt aan de toepasselijke bepalingen van dit Verdrag.
    1. Onderzoeken van schepen aangaande de handhaving van de bepalingen van dit Verdrag worden uitgevoerd door functionarissen van de Administratie. De Administratie kan de onderzoeken evenwel toevertrouwen aan hetzij daartoe benoemde inspecteurs, hetzij door haar erkende organisaties.
    1. Een Administratie die inspecteurs benoemt of organisaties erkent voor het verrichten van onderzoeken als omschreven in punt 3, verleent deze inspecteurs of organisaties 1)Zie de door de Organisatie bij resolutie A.739(18) aangenomen richtlijnen, die door de Organisatie kunnen worden gewijzigd en de door de Organisatie bij resolutie A.789(19) aangenomen technische beschrijvingen die door de Organisatie kunnen worden gewijzigd. ten minste de bevoegdheid:
  • .1. te vereisen dat het schip dat zij onderzoeken voldoet aan de bepalingen van dit Verdrag; en
  • .2. onderzoeken te verrichten indien zulks wordt verzocht door de desbetreffende autoriteiten van een havenstaat die Partij is.
    1. De Administratie stelt de Organisatie in kennis van de specifieke verantwoordelijkheden en voorwaarden voor de aan de benoemde inspecteurs of erkende organisaties gedelegeerde bevoegdheden die deze doorgeeft aan de Partijen ten behoeve van hun functionarissen.
    1. Indien de Administratie, een benoemde inspecteur of een erkende organisatie bepaalt dat het ballastwaterbeheer van een schip niet overeenkomt met de gegevens op het ingevolge voorschrift E-2 of E-3 vereiste certificaat of zodanig is dat het schip niet naar zee kan zonder een bedreiging te vormen voor of schade te veroorzaken aan het milieu, de gezondheid van de mens, aan goederen of hulpbronnen, dient de inspecteur of organisatie erop toe te zien dat onverwijld herstelmaatregelen worden getroffen opdat het schip alsnog aan de vereisten voldoet. Een inspecteur of organisatie dient onverwijld in kennis te worden gesteld en erop toe te zien dat het certificaat niet wordt afgegeven danwel wordt ingetrokken, naar gelang hetgeen van toepassing is. Indien het schip in een haven van een andere Partij ligt, dienen ook de bevoegde autoriteiten van de havenstaat onmiddellijk te worden ingelicht. Wanneer een functionaris van de Administratie, een aangewezen inspecteur of een erkende organisatie de bevoegde autoriteiten van de havenstaat, heeft ingelicht, dient de Regering van die havenstaat deze functionaris, inspecteur of organisatie alle nodige hulp te verlenen om hun verplichtingen uit hoofde van dit voorschrift te vervullen, met inbegrip van eventuele maatregelen bedoeld in artikel 9.
    1. Wanneer een ongeval plaatsvindt met een schip of een defect wordt ontdekt waardoor de mogelijkheden op een schip om het ballastwater te beheren in overeenstemming met dit Verdrag wezenlijk worden aangetast, rapporteert de eigenaar, exploitant of een andere verantwoordelijke voor het schip dit zo spoedig mogelijk aan de Administratie, de erkende organisatie of de benoemde inspecteur die verantwoordelijk is voor de afgifte van het desbetreffende certificaat, die erop toeziet dat een onderzoek wordt ingesteld om te bepalen of een onderzoek als vereist op grond van punt 1 noodzakelijk is. Indien het schip zich bevindt in een haven van een andere Partij, meldt de eigenaar, exploitant of andere verantwoordelijke voor het schip dit tevens onverwijld aan de desbetreffende autoriteiten van de havenstaat en de benoemde inspecteur of erkende organisatie dient vast te stellen of deze melding heeft plaatsgevonden.
    1. In alle gevallen staat de betrokken Administratie volledig garant voor de volledigheid en doeltreffendheid van het onderzoek en dient zij te waarborgen dat de nodige maatregelen worden getroffen om aan deze verplichting te voldoen.
    1. De toestand van het schip en zijn uitrusting, systemen en processen dienen zodanig te worden onderhouden dat voldaan wordt aan de bepalingen van dit Verdrag om te waarborgen dat het schip in alle opzichten geschikt blijft om naar zee te gaan zonder een bedreiging te vormen voor of schade te veroorzaken aan het milieu, de gezondheid van de mens, aan goederen of hulpbronnen.
    1. Na afronding van een onderzoek van het schip uit hoofde van punt 1, mogen geen wijzigingen plaatsvinden aan de bouw, uitrusting, onderdelen, voorzieningen of materialen die behoren bij het op grond van voorschrift B-1 vereiste ballastwaterbeheersplan en geïnspecteerd zijn zonder sanctie van de Administratie, behalve bij directe vervanging van deze uitrusting of onderdelen.

Voorschrift E-2. Afgifte of aantekenen van een certificaat

    1. De Administratie waarborgt dat aan een schip waarop voorschrift E-1 van toepassing is een certificaat wordt afgegeven na bevredigende afronding van een onderzoek verricht in overeenstemming met voorschrift E-1. Een certificaat afgegeven in opdracht van een Partij wordt door de andere Partijen aanvaard en voor alle doeleinden die vallen onder dit Verdrag behandeld als ware het door henzelf afgegeven.
    1. Certificaten worden afgegeven of aangetekend hetzij door de Administratie, hetzij door een daartoe door haar naar behoren gemachtigde persoon of organisatie. In alle gevallen neemt de Administratie de volle verantwoordelijkheid voor het certificaat op zich.

Voorschrift E-3. Afgifte of aantekenen van een certificaat door een andere Partij

    1. Op verzoek van de Administratie kan een andere Partij een schip doen onderzoeken en, indien zij ervan overtuigd is dat aan de bepalingen van dit Verdrag wordt voldaan, geeft zij het certificaat af of geeft zij toestemming voor afgifte van het certificaat aan het schip, en waar van toepassing viseert zij of geeft zij toestemming voor visering van dat certificaat van het schip in overeenstemming met deze Bijlage.
    1. Een afschrift van het certificaat en een afschrift van het onderzoeksrapport worden zo spoedig mogelijk toegezonden aan de Administratie die het verzoek heeft gedaan.
    1. Een aldus afgegeven certificaat dient een verklaring te bevatten inhoudende dat het is afgegeven op verzoek van de Administratie en heeft dezelfde waarde en wordt op dezelfde wijze erkend als een certificaat dat is afgegeven door de Administratie.
    1. Geen certificaat wordt afgegeven aan een schip dat gerechtigd is de vlag te voeren van een Staat die geen Partij is.

Voorschrift E-4. Model van het certificaat

Het certificaat wordt opgesteld in de officiële taal van de Partij die het afgeeft in een vorm die overeenkomt met het model vervat in Aanhangsel 1. Indien de gebruikte taal Engels, Frans noch Spaans is, dient de tekst een vertaling in een van deze talen te omvatten.

Voorschrift E-5. Looptijd en geldigheid van het certificaat

    1. Een certificaat wordt afgegeven voor een door de Administratie gespecificeerde termijn die evenwel niet langer is dan vijf jaar.
    1. Voor herkeuringen:
  • .1. Onverminderd de vereisten van punt 1, indien de herkeuring wordt afgerond binnen drie maanden voor de datum waarop het bestaande certificaat verstrijkt, is het nieuwe certificaat geldig vanaf de datum waarop de herkeuring is afgerond tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum waarop het bestaande certificaat verstrijkt.
  • .2. Indien de herkeuring wordt afgerond na de datum waarop het bestaande certificaat verstrijkt, is het nieuwe certificaat geldig vanaf de datum waarop de herkeuring is afgerond tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum waarop het bestaande certificaat verstrijkt.
  • .3. Indien de herkeuring meer dan drie maanden voor de datum waarop het bestaande certificaat verstrijkt wordt afgerond, is het nieuwe certificaat geldig vanaf de datum waarop de herkeuring is afgerond tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum waarop de herkeuring is afgerond.
    1. Indien een certificaat wordt afgegeven voor een kortere termijn dan vijf jaar, kan de Administratie de geldigheidsduur van het certificaat verlengen tot na de datum van het verstrijken ervan tot de maximumperiode genoemd in punt 1, mits de vereiste onderzoeken bedoeld in voorschrift E-1.1.3 indien een certificaat wordt afgegeven voor een termijn van vijf jaar naar behoren worden uitgevoerd.
    1. Indien een herkeuring is afgerond en voor de datum van verstrijken van het bestaande certificaat geen nieuw certificaat kan worden afgegeven of aan boord van het schip kan worden genomen, kan de door de Administratie gemachtigde persoon of organisatie het bestaande certificaat viseren en een dergelijk certificaat dient te worden aanvaard als geldig voor een volgende periode die zich evenwel niet mag uitstrekken tot vijf maanden na de datum van verstrijken.
    1. Indien een schip op het tijdstip waarop het certificaat verstrijkt zich niet in de haven bevindt waarin het dient te worden geïnspecteerd, kan de Administratie de geldigheid van het certificaat verlengen, maar verlenging mag alleen geschieden om het schip in staat te stellen de reis naar de haven waarin het dient te worden geïnspecteerd te voltooien en zulks uitsluitend in gevallen waarin dat passend en redelijk lijkt. Geen enkel certificaat wordt verlengd met meer dan drie maanden en een schip waarvan het certificaat wordt verlengd is, na aankomst in de haven waarin het dient te worden geïnspecteerd niet gerechtigd op grond van die verlenging de haven te verlaten zonder nieuw certificaat. Zodra de herkeuring is voltooid, is het nieuwe certificaat geldig tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum van verstrijken van het bestaande certificaat voordat het verlengd werd.
    1. Voor een certificaat afgegeven aan een schip dat korte reizen maakt en dat niet is verlengd op grond van de voorgaande bepalingen van dit voorschrift kan door de Administratie ten hoogste een maand uitstel worden verleend vanaf de erop vermelde datum van verstrijken. Zodra de herkeuring is voltooid, is het nieuwe certificaat geldig tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum van verstrijken van het bestaande certificaat voordat het verlengd werd.
    1. Onder bijzondere omstandigheden vast te stellen door de Administratie behoeft een nieuw certificaat niet te worden gedateerd vanaf de datum van verstrijken van het bestaande certificaat zoals bepaald in punt 2.2, 5 of 6 van dit voorschrift. Onder deze bijzondere omstandigheden is het nieuwe certificaat geldig tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum van afronding van de herkeuring.
    1. Indien een jaarlijks of tussentijds onderzoek wordt afgerond voorafgaand aan de termijn vermeld in voorschrift E-1:
  • .1. wordt de verjaardatum op het certificaat door middel van een aantekening gewijzigd in een datum uiterlijk drie maanden na de datum waarop hetonderzoek werd afgerond;
  • .2. wordt het volgende jaarlijkse of tussentijdse onderzoek vereist op grond van voorschrift E-1 verricht met de in dat voorschrift voorgeschreven tussenpozen uitgaande van de nieuwe verjaardatum;
  • .3. kan de datum van verstrijken ongewijzigd blijven, mits een of meer jaarlijkse of tussentijdse onderzoeken, naar gelang hetgeen van toepassing is, zodanig worden verricht dat de maximumtermijnen tussen de onderzoeken als voorgeschreven in voorschrift E-1 niet worden overschreden.
    1. Een certificaat afgegeven uit hoofde van voorschrift E-2 of E-3 is niet langer geldig in de volgende gevallen:
  • .1. bij overdracht van het schip onder de vlag van een andere Staat. Een nieuw certificaat wordt uitsluitend afgegeven wanneer de Partij die het nieuwe certificaat afgeeft er ten volle van overtuigd is dat het schip voldoet aan de vereisten van voorschrift E-1. In het geval van een overdracht tussen Partijen zendt de Partij wier vlag het schip voordien gerechtigd was te voeren, indien zij daarom wordt verzocht binnen drie maanden nadat de overdracht heeft plaatsgevonden, zo spoedig mogelijk aan de Administratie van de andere Partij afschriften van de certificaten die het schip aan boord had vóór de overdracht en, indien beschikbaar, afschriften van de desbetreffende onderzoeksrapporten.
  • .2. indien de desbetreffende onderzoeken niet zijn afgerond binnen de termijnen vermeld in voorschrift E-1.1; of
  • .3. indien het certificaat niet aangetekend is in overeenstemming met voorschrift E-1.1.

DONE AT LONDON this thirteenth day of February, two thousand and four.

IN WITNESS WHEREOF the undersigned, being duly authorised by their respective Governments for that purpose, have signed this Convention.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)