Internationaal Verdrag betreffende de meting van schepen, 1969
De Verdragsluitende Regeringen,
Verlangende eenvormige beginselen en regels vast te stellen met betrekking tot het bepalen van de tonnage van schepen, die internationale reizen maken;
Overwegende dat dit doel het best kan worden bereikt door het sluiten van een Verdrag,
Zijn overeengekomen als volgt:
Artikel 1. Algemene verplichting krachtens het Verdrag
De Verdragsluitende Regeringen verbinden zich uitvoering te geven aan de bepalingen van dit Verdrag en van de daarbij behorende Bijlagen die geacht worden een integrerend deel te vormen van dit Verdrag. Elke verwijzing naar dit Verdrag sluit een gelijktijdige verwijzing naar de Bijlagen in zich.
Artikel 2. Begripsomschrijvingen
Voor de toepassing van dit Verdrag wordt, tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald, verstaan onder:
- (1). „Voorschriften”: de Voorschriften opgenomen in de bijlagen behorende bij dit Verdrag;
- (2). „Administratie”: de Regering van de Staat wiens vlag het schip voert;
- (3). „internationale reis”: een zeereis van een land waarop dit Verdrag van toepassing is, naar een buiten dat land gelegen haven of omgekeerd. Te dien einde wordt elk gebied voor welks internationale betrekkingen een Verdragsluitende Regering verantwoordelijk is of waarover de Verenigde Naties als gezagsorgaan het beheer uitoefenen, als een afzonderlijk land beschouwd;
- (4). „bruto-tonnage”: de maat van de totale inhoud van een schip vastgesteld overeenkomstig de bepalingen van dit Verdrag;
- (5). „netto-tonnage”: de maat van de nuttige capaciteit van een schip vastgesteld overeenkomstig de bepalingen van dit Verdrag;
- (6). „nieuw schip”: een schip waarvan de kiel is gelegd of waarvan de bouw zich in een soortgelijk stadium van aanbouw bevindt op of na de datum van inwerkingtreding van dit Verdrag;
- (7). „bestaand schip”: een schip dat niet is een nieuw schip;
- (8). „lengte”: 96 procent van de lengte van de lastlijn op 85 procent van de kleinste holte naar de mal gemeten vanaf de bovenzijde van de kielplaat, dan wel de lengte van de voorzijde van de voorsteven tot aan de hartlijn van de roerkoning op deze lastlijn gemeten, indien deze laatste lengte groter is. Bij schepen die met stuurlast zijn ontworpen moet de lastlijn waarop deze lengte wordt gemeten, evenwijdig aan de constructiewaterlijn worden genomen.
- (9). „Organisatie”: de Intergouvernementele Maritieme Consultatieve Organisatie.
Artikel 3. Toepasselijkheid
(1). Dit Verdrag is van toepassing op de volgende schepen, die internationale reizen maken:
- (a). schepen die zijn geregistreerd in landen waarvan de Regering een Verdragsluitende Regering is;
- (b). schepen die zijn geregistreerd in gebieden waarop dit Verdrag krachtens artikel 20 eveneens van toepassing is;
- (c). niet-geregistreerde schepen die de vlag voeren van een Staat waarvan de Regering een Verdragsluitende Regering is.
(2). Dit Verdrag is van toepassing op:
- (a). nieuwe schepen;
- (b). bestaande schepen die veranderingen of wijzigingen ondergaan welke door de Administratie worden geacht een aanzienlijke afwijking te vormen van hun bestaande brutotonnage;
- (c). bestaande schepen, indien de eigenaar zulks verlangt; en
- (d). alle bestaande schepen, twaalf jaar na de datum van inwerkingtreding van dit Verdrag, met dien verstande dat deze schepen, met uitzondering van de in de alinea's (b) en (c) van dit lid bedoelde, hun alsdan bestaande tonnages behouden voor de toepassing van de daarmee verband houdende bepalingen van andere bestaande internationale verdragen.
(3). Van bestaande schepen waarop dit Verdrag overeenkomstig het bepaalde onder (c) van het tweede lid van dit artikel is toegepast, kunnen de tonnages vervolgens niet worden vastgesteld overeenkomstig de bepalingen die door de Administratie op schepen die internationale reizen maken, werden toegepast voor de datum van inwerkingtreding van dit Verdrag.
Artikel 4. Uitzonderingen
(1). Dit Verdrag is niet van toepassing op:
- (a). oorlogsschepen; en
- (b). schepen met een lengte van minder dan 24 meter (79 voet).
(2). Geen der bepalingen van dit Verdrag is van toepassing op schepen die uitsluitend varen op:
- (a). de Grote Meren van Noord-Amerika en de rivier de St. Laurens niet verder oostelijk dan de loxodroom getrokken van Cap des Rosiers naar West Point op het eiland Anticosti en aan de noordzijde van het eiland Anticosti tot de meridiaan van 63° Westerlengte;
- (b). de Kaspische Zee; of
- (c). de Rio de la Plata en de rivieren Parana en Uruguay niet verder oostelijk dan tot de loxodroom getrokken van Punta Rasa (Cabo San Antonio) in Argentinië naar Punta del Este in Uruguay.
Artikel 5. Overmacht
(1). Een schip dat op het ogenblik van het vertrek voor een reis niet is onderworpen aan de bepalingen van dit Verdrag, mag niet wegens afwijking van de voorgenomen reis ten gevolge van slecht weer of enige andere vorm van overmacht aan deze bepalingen worden onderworpen.
(2). Bij toepassing van de bepalingen van dit Verdrag houden de Verdragsluitende Regeringen behoorlijk rekening met elke afwijking van de route of elke vertraging door een schip ondervonden ten gevolge van slecht weer of enige andere vorm van overmacht.
Artikel 6. Vaststelling van de tonnages
De vaststelling van de bruto- en netto-tonnage wordt verricht door de Administratie die evenwel deze vaststelling kan opdragen hetzij aan personen hetzij aan organisaties die door haar zijn erkend. In ieder geval aanvaardt de Administratie de volle verantwoordelijkheid voor de vaststelling van de bruto- en netto-tonnage.
Artikel 7. Afgifte van meetbrieven
(1). Ten behoeve van ieder schip waarvan de bruto- en netto-tonnage zijn vastgesteld overeenkomstig de bepalingen van dit Verdrag, wordt een Internationale Meetbrief (1969) afgegeven.
(2). Deze meetbrief wordt afgegeven door de Administratie of een door haar behoorlijk gemachtigde persoon of organisatie. In ieder geval aanvaardt de Administratie de volle verantwoordelijkheid voor de meetbrief.
Artikel 8. Afgifte van meetbrieven door een andere Regering
(1). Een Verdragsluitende Regering kan op verzoek van een andere Verdragsluitende Regering de bruto- en netto-tonnage van een schip vaststellen en ten behoeve van dit schip overeenkomstig dit Verdrag een Internationale Meetbrief (1969) afgeven of machtiging tot deze afgifte verlenen.
(2). Een afschrift van de meetbrief alsmede een afschrift van de berekeningen van de tonnages dienen zo spoedig mogelijk aan de verzoekende Regering te worden toegezonden.
(3). Een op deze wijze afgegeven meetbrief dient een verklaring te bevatten inhoudende dat hij is afgegeven op verzoek van de Regering van de Staat wiens vlag het schip voert of zal gaan voeren; deze meetbrief bezit dezelfde geldigheid en geniet dezelfde erkenning als een krachtens artikel 7 afgegeven meetbrief.
(4). Ten behoeve van een schip dat de vlag voert van een Staat waarvan de Regering geen Verdragsluitende Regering is, mag geen Internationale Meetbrief (1969) worden afgegeven.
Artikel 9. Vorm van de meetbrief
(1). De meetbrief wordt opgemaakt in de officiële taal of talen van het land waardoor hij wordt afgegeven. Indien de gebruikte taal noch Engels noch Frans is dient een vertaling in een van deze beide talen te worden bijgevoegd.
(2). De meetbrief moet wat betreft de vorm in overeenstemming zijn met het in Bijlage II opgenomen model.
Artikel 10. Intrekking van de meetbrief
(1). Onverminderd de in de Voorschriften voorziene uitzonderingen verliest een Internationale Meetbrief (1969) zijn geldigheid en wordt hij door de Administratie ingetrokken indien zodanige wijzigingen hebben plaatsgevonden in de inrichting, de bouw, de capaciteit, het benutten van ruimten, het totale aantal passagiers dat het schip volgens zijn veiligheidscertificaat voor passagiersschepen mag vervoeren, het vastgestelde vrijboord of de toegestane diepgang, dat daaruit noodzakelijk een vermeerdering van de bruto- of netto-tonnage zou voortvloeien.
(2). Een door een Administratie ten behoeve van een schip afgegeven meetbrief verliest zijn geldigheid bij overdracht van zulk een schip onder de vlag van een andere Staat, behoudens als voorzien in het derde lid van dit artikel.
(3). Bij overdracht van een schip onder de vlag van een andere Staat waarvan de Regering een Verdragsluitende Regering is, blijft de Internationale Meetbrief (1969) van kracht voor een periode van ten hoogste drie maanden ofwel tot het tijdstip waarop de Administratie een andere Internationale Meetbrief (1969) ter vervanging uitgeeft, al naar gelang welk tijdstip eerder valt. De Verdragsluitende Regering van de Staat wiens vlag het schip tot dan toe had gevoerd, dient zo spoedig mogelijk nadat de overdracht heeft plaatsgevonden aan de Administratie een afschrift van de op het tijdstip van overdracht op het schip gevoerde meetbrief en een afschrift van de hierop betrekking hebbende berekening van de tonnage te doen toekomen.
Artikel 11. Erkenning van meetbrieven
De onder gezag van een Verdragsluitende Regering overeenkomstig de bepalingen van dit Verdrag afgegeven meetbrief wordt door de andere Verdragsluitende Regeringen erkend en voor alle doelstellingen waarop dit Verdrag betrekking heeft, beschouwd dezelfde geldigheid te bezitten als de door hen afgegeven meetbrieven.
Artikel 12. Inspectie
(1). Een schip dat de vlag voert van een Staat waarvan de Regering een Verdragsluitende Regering is, is, wanneer het zich in de havens van andere Verdragsluitende Regeringen bevindt, onderworpen aan inspectie van daartoe door deze Regeringen behoorlijk gemachtigde ambtenaren. Deze inspectie heeft enkel en alleen tot doel vast te stellen:
- (a). dat het schip is voorzien van een geldige Internationale Meetbrief (1969); en
- (b). dat de voornaamste kenmerken van het schip in overeenstemming zijn met de gegevens vermeld op de meetbrief.
(2). De uitoefening van deze inspectie mag in geen geval vertraging voor het schip meebrengen.
(3). Indien uit de inspectie blijkt, dat de voornaamste kenmerken van het schip afwijken van die vermeld op de Internationale Meetbrief (1969), in dier voege dat dit tot een vermeerdering van de bruto- of de netto-tonnage leidt, wordt de Regering van de Staat wiens vlag het schip voert hiervan onmiddellijk in kennis gesteld.
Artikel 13. Voorrechten
De voorrechten van dit Verdrag kunnen slechts worden ingeroepen ten behoeve van een schip indien het in het bezit is van een geldige meetbrief afgegeven krachtens dit Verdrag.
Artikel 14. Vorige verdragen, overeenkomsten en afspraken
(1). Alle andere op tonnage betrekking hebbende verdragen, overeenkomsten en afspraken, die op dit ogenblik van kracht zijn tussen Regeringen die Partij zijn bij dit Verdrag, blijven gedurende de tijd waarvoor zij zijn gesloten geheel en volledig van kracht ten aanzien van:
- (a). schepen waarop dit Verdrag niet van toepassing is;
- (b). schepen waarop dit Verdrag van toepassing is ten aanzien van aangelegenheden waarin het niet uitdrukkelijk voorziet.
(2). Voor zover deze verdragen, overeenkomsten of afspraken echter in strijd zijn met de bepalingen van dit Verdrag, hebben de bepalingen van dit Verdrag voorrang.
Artikel 15. Verstrekking van inlichtingen
De Verdragsluitende Partijen verbinden zich aan de Organisatie mede te delen en bij haar neder te leggen:
- (a). een voldoende aantal exemplaren van krachtens de bepalingen van dit Verdrag afgegeven meetbrieven voor kennisgeving aan de Verdragsluitende Regeringen;
- (b). de tekst van de wetten, besluiten, beschikkingen, voorschriften en andere akten die terzake van de verschillende binnen de werkingssfeer van dit Verdrag vallende aangelegenheden bekend zijn gemaakt; en
- (c). een lijst van niet-gouvernementele organisaties die gemachtigd zijn namens hen op te treden in aangelegenheden betreffende de tonnage voor kennisgeving aan de Verdragsluitende Regeringen.
Artikel 16. Ondertekening, aanvaarding en toetreding
(1). Dit Verdrag staat te rekenen van 23 juni 1969 gedurende zes maanden open voor ondertekening en blijft daarna openstaan voor toetreding. Regeringen van Staten die lid zijn van de Verenigde Naties, van een der Gespecialiseerde Organisaties of van de Internationale Organisatie voor Atoomenergie, of die partij zijn bij het Statuut van het Internationale Gerechtshof, kunnen partij worden bij dit Verdrag door:
- (a). ondertekening zonder voorbehoud van aanvaarding;
- (b). ondertekening onder voorbehoud van aanvaarding, gevolgd door aanvaarding; of
- (c). toetreding.
(2). Aanvaarding of toetreding geschiedt door middel van nederlegging van een akte van aanvaarding of toetreding bij de Organisatie. De Organisatie geeft alle Regeringen die dit Verdrag hebben ondertekend of daartoe zijn toegetreden, kennis van iedere nieuwe aanvaarding of toetreding alsmede van de datum van nederlegging daarvan. De Organisatie stelt eveneens alle Regeringen die het Verdrag reeds hebben ondertekend, in kennis van alle ondertekeningen verricht gedurende de periode van zes maanden te rekenen van 23 juni 1969.
Artikel 17. Inwerkingtreding
(1). Dit Verdrag treedt in werking vierentwintig maanden na de datum waarop ten minste vijfentwintig Regeringen van Staten waarvan de gezamenlijke koopvaardijvloten ten minste vijfenzestig procent van de bruto-inhoud van de wereldhandelsvloot uitmaken, het hebben ondertekend zonder voorbehoud van aanvaarding of overeenkomstig artikel 16 akten van aanvaarding of toetreding hebben nedergelegd. De Organisatie stelt alle Regeringen die dit Verdrag hebben ondertekend of daartoe zijn toegetreden, in kennis van de datum van inwerkingtreding.
(2). Voor Regeringen die een akte van aanvaarding van of toetreding tot dit Verdrag hebben nedergelegd gedurende het in het eerste lid van dit artikel bedoelde tijdvak van vierentwintig maanden, wordt de aanvaarding of toetreding van kracht bij de inwerkingtreding van dit Verdrag dan wel drie maanden na de datum van de nederlegging van de akte van aanvaarding of toetreding, al naar gelang welk tijdstip het laatst valt.
(3). Voor Regeringen die een akte van aanvaarding van of toetreding tot dit Verdrag hebben nedergelegd na de datum van inwerkingtreding, treedt dit Verdrag in werking drie maanden na de datum van nederlegging van een zodanige akte.
(4). Na de datum waarop alle maatregelen die nodig zijn om een wijziging van dit Verdrag in werking te doen treden voltooid zijn of na de datum waarop alle noodzakelijke aanvaardingen geacht worden te hebben plaatsgevonden krachtens het tweede lid, letter b, van artikel 18 in geval van wijziging door middel van eenstemmige aanvaarding, wordt elke akte van aanvaarding of toetreding die wordt nedergelegd, geacht te gelden voor het gewijzigde Verdrag.
Artikel 18. Wijzigingen
(1). Dit Verdrag kan op voorstel van een Verdragsluitende Regering gewijzigd worden door middel van de in dit artikel aangegeven procedures.
(2). Wijziging bij eenstemmige aanvaarding:
- (a). Op verzoek van een Verdragsluitende Regering wordt iedere door haar voorgestelde wijziging van dit Verdrag door de Organisatie aan alle Verdragsluitende Regeringen ter bestudering medegedeeld met het oog op eenstemmige aanvaarding.
- (b). Een dergelijke wijziging treedt in werking twaalf maanden na de datum waarop zij door alle Verdragsluitende Regeringen is aanvaard, tenzij over een eerdere datum overeenstemming is bereikt. Een Verdragsluitende Regering die haar aanvaarding of verwerping van de wijziging niet binnen vierentwintig maanden nadat deze wijziging haar voor het eerst door de Organisatie is medegedeeld ter kennis van laatstgenoemde brengt, wordt geacht de wijziging te hebben aanvaard.
(3). Wijziging na bestudering in de Organisatie:
- (a). Op verzoek van een Verdragsluitende Regering wordt iedere door haar voorgestelde wijziging van dit Verdrag door de Organisatie bestudeerd. Indien zij wordt goedgekeurd door een meerderheid van twee derde der aanwezige hun stem uitbrengende leden van de Maritieme Veiligheidscommissie van de Organisatie, wordt een zodanige wijziging aan alle leden van de Organisatie en aan alle Verdragsluitende Regeringen medegedeeld ten minste zes maanden voordat zij wordt bestudeerd door de Algemene Vergadering van de Organisatie.
- (b). Indien zij wordt goedgekeurd door een meerderheid van twee derde der aanwezige hun stem uitbrengende leden van de Algemene Vergadering, wordt een zodanige wijziging door de Organisatie aan alle Verdragsluitende Regeringen medegedeeld ter fine van aanvaarding.
- (c). Een zodanige wijziging treedt in werking twaalf maanden na de datum waarop zij door twee derde van de Verdragsluitende Regeringen is aanvaard. De wijziging treedt in werking ten aanzien van alle Verdragsluitende Regeringen, behalve die Regeringen welke voordat zij in werking treedt een verklaring afleggen dat zij de wijziging niet aanvaarden.
- (d). De Algemene Vergadering kan met twee derde meerderheid van de aanwezige hun stem uitbrengende leden, waaronder begrepen twee derde van de in de Maritieme Veiligheidscommissie vertegenwoordigde Regeringen die in de Algemene Vergadering aanwezig zijn en daar hun stem uitbrengen, ten tijde van de goedkeuring van een wijziging voorstellen dat wordt besloten dat deze van zodanig belang is dat iedere Verdragsluitende Regering die een verklaring aflegt krachtens (c) en de wijziging niet aanvaardt binnen een tijdvak van twaalf maanden nadat zij in werking is getreden, ophoudt partij te zijn bij dit Verdrag na het verstrijken van dat tijdvak. Dit besluit is onderworpen aan de voorafgaande aanvaarding door twee derde der Verdragsluitende Regeringen die bij dit Verdrag partij zijn.
- (e). Geen der bepalingen van dit lid verhindert dat de Verdragsluitende Regering die het eerst krachtens dit lid het initiatief nam ter zake van een wijziging van dit Verdrag, te eniger tijd andere maatregelen die zij gewenst acht, neemt overeenkomstig het tweede of vierde lid van dit artikel.
(4). Wijziging door een conferentie:
- (a). Op verzoek van een Verdragsluitende Regering waarmede door ten minste een derde van de Verdragsluitende Regeringen wordt ingestemd, wordt door de Organisatie een conferentie van Regeringen bijeengeroepen ten einde wijzigingen van dit Verdrag te bestuderen.
- (b). Iedere wijziging door een zodanige conferentie goedgekeurd door een meerderheid van twee derde der aanwezige hun stem uitbrengende leden wordt door de Organisatie aan alle Verdragsluitende Regeringen medegedeeld ter fine van aanvaarding.
- (c). Een zodanige wijziging treedt in werking twaalf maanden na de datum waarop zij door twee derde van de Verdragsluitende Regeringen is aanvaard. De wijziging treedt in werking ten aanzien van alle Verdragsluitende Regeringen, behalve die Regeringen welke voordat zij in werking treedt een verklaring afleggen dat zij de wijziging niet aanvaarden.
- (d). Een krachtens (a) bijeengeroepen conferentie kan met twee derde meerderheid van de aanwezige hun stem uitbrengende leden ten tijde van de goedkeuring van een wijziging besluiten dat deze van zodanig belang is dat iedere Verdragsluitende Regering die een verklaring aflegt krachtens (c) en de wijziging niet aanvaardt binnen een tijdvak van twaalf maanden nadat zij in werking is getreden, ophoudt partij te zijn bij dit Verdrag na het verstrijken van dat tijdvak.
(5). De Organisatie stelt alle Verdragsluitende Regeringen in kennis van alle wijzigingen die krachtens dit artikel in werking treden, alsmede van de datum waarop elk van deze wijzigingen in werking treedt.
(6). Elke aanvaarding of verklaring krachtens dit artikel geschiedt door middel van schriftelijke mededeling aan de Organisatie die alle Verdragsluitende Regeringen in kennis stelt van de ontvangst van de aanvaarding of de verklaring.
Artikel 19. Opzegging
(1). Dit Verdrag kan te allen tijde door elke Verdragsluitende Regering worden opgezegd na afloop van een tijdvak van vijf jaar te rekenen van de datum waarop dit Verdrag voor die Regering in werking treedt.
(2). Opzegging geschiedt door nederlegging van een akte van opzegging bij de Organisatie die alle andere Verdragsluitende Regeringen van de ontvangst van een zodanige opzegging en van de datum van ontvangst daarvan op de hoogte stelt.
(3). De opzegging wordt van kracht een jaar na ontvangst door de Organisatie van de akte van opzegging of na een langere daarin vastgestelde periode.
Artikel 20. Afhankelijke gebieden
- (a). De Verenigde Naties, in die gevallen waarin deze Organisatie het gezagsorgaan is dat het beheer over een gebied uitoefent, of Verdragsluitende Regeringen die verantwoordelijk zijn voor de internationale betrekkingen van een gebied, dienen zo spoedig mogelijk overleg te plegen met een zodanig gebied ten einde te bewerkstelligen dat dit Verdrag op dat gebied van toepassing wordt, en kunnen de Organisatie te allen tijde schriftelijk mededelen dat dit Verdrag ook op dat gebied van toepassing zal zijn.
- (b). Te rekenen van de datum van ontvangst van deze kennisgeving of van een andere in deze kennisgeving vastgestelde datum is dit Verdrag van toepassing op het daarin genoemde gebied.
- (a). De Verenigde Naties of Verdragsluitende Regeringen die een verklaring krachtens het eerste lid, letter a, van dit artikel hebben afgelegd, kunnen te allen tijde na het verstrijken van een tijdvak van vijf jaar te rekenen van de datum waarop dit Verdrag aldus op een gebied van toepassing wordt, door middel van een schriftelijke kennisgeving aan de Organisatie verklaren dat dit Verdrag ophoudt van toepassing te zijn op het in de kennisgeving genoemde gebied,
- (b). Dit Verdrag houdt op van toepassing te zijn op het in de kennisgeving genoemde gebied een jaar na de datum van ontvangst van de kennisgeving door de Organisatie of na een langere in de kennisgeving vastgestelde periode.
(3). De Organisatie stelt alle Verdragsluitende Regeringen op de hoogte van het van toepassing worden van dit Verdrag op enigerlei gebied krachtens het eerste lid van dit artikel, alsmede van de beëindiging van een zodanige toepasselijkheid krachtens de bepalingen van het tweede lid, waarbij in ieder afzonderlijk geval melding dient te worden gemaakt van de datum waarop dit Verdrag aldus van toepassing is geworden of van de datum waarop de toepasselijkheid is beëindigd.
Artikel 21. Nederlegging en registratie
(1). Dit Verdrag wordt nedergelegd bij de Organisatie en de Secretaris-Generaal van de Organisatie doet hiervan voor eensluidend gewaarmerkte afschriften toekomen aan alle ondertekenende Regeringen en aan alle Regeringen dit tot dit Verdrag toetreden.
(2). Zodra dit Verdrag in werking treedt wordt de tekst daarvan door de Secretaris-Generaal van de Organisatie toegezonden aan het Secretariaat van de Verenigde Naties voor registratie en publikatie overeenkomstig artikel 102 van het Handvest der Verenigde Naties.
Artikel 22. Talen
Dit Verdrag is een enkel exemplaar opgesteld in de Engelse en de Franse taal, zijnde beide teksten gelijkelijk authentiek. Officiële vertalingen in de Russische en de Spaanse taal worden opgesteld en te zamen met het ondertekende origineel nedergelegd.
Voorschrift 1. Algemeen
- (1). De tonnage van een schip wordt onderscheiden naar bruto-tonnage en netto-tonnage.
- (2). De bruto- en de netto-tonnage worden berekend volgens de in deze voorschriften neergelegde bepalingen.
- (3). De bruto- en de netto-tonnage van nieuwe typen schepen waarvan de bouwkenmerken zodanig zijn, dat zij de toepassing van de bepalingen van deze voorschriften onredelijk of onuitvoerbaar maken, worden vastgesteld door de Administratie. Indien een zodanige vaststelling heeft plaatsgevonden, dient de Administratie aan de Organisatie mededeling te doen van de bijzonderheden der voor dit doel gebruikte methode voor kennisgeving aan de Verdragsluitende Regeringen.
Voorschrift 2. Definities van de in de Bijlagen gebruikte begrippen
- (1). Bovendek Het bovendek is het bovenste aan weer en wind blootgestelde volledige dek, voorzien van permanente middelen tot waterdichte afsluiting van alle openingen in de aan weer en wind blootgestelde gedeelten van het dek, en waarbeneden alle openingen in de zijden van het schip zijn voorzien van permanente middelen tot waterdichte afsluiting. Op een schip met een verspringend bovendek wordt het laagste gedeelte van het blootgestelde dek en de voortzetting van dat gedeelte evenwijdig aan het verhoogde gedeelte als bovendek beschouwd.
- (2). Holte naar de mal
- (a). De holte naar de mal is de verticale afstand gemeten van de bovenkant van de kiel tot de onderkant van het bovendek in de zijde. Bij houten en composiet schepen wordt de afstand gemeten vanaf de binnenkant van de sponning in de kiel. Indien de vorm in het onderste gedeelte van de grootspant hol verloopt of indien dikke zandstroken zijn aangebracht, wordt de afstand gemeten van het punt, waar de lijn die van het vlakke deel van het scheepsvlak naar hart schip wordt doorgetrokken de zijkant van de kiel snijdt.
- (b). Bij schepen waar de overgang van de huidbeplating naar de dekbeplating als een rondgezette plaat is uitgevoerd moet de holte naar de mal worden gemeten tot het snijpunt van de doorgestrookte lijn van de bovenkant der balken met de doorgestrookte lijn van de buitenkant der spanten.
- (c). Indien het bovendek verspringt en het verhoogde gedeelte zich uitstrekt voorbij het punt waar de holte naar de mal moet worden bepaald, wordt de holte naar de mal gemeten tot de lijn die vanaf het lage gedeelte van het dek evenwijdig aan het verhoogde gedeelte wordt doorgetrokken.
- (3). Breedte De breedte is de grootste breedte van het schip midscheeps gemeten op de buitenkant der spanten bij een schip met een metalen huid en op de buitenkant van de huid bij een schip met een huid van ander materiaal.
- (4). Ingesloten ruimten Ingesloten ruimten zijn alle ruimten, die begrensd worden door de huid van het schip, door vaste of verplaatsbare wanden of schotten, door dekken of bedekkingen, anders dan vaste of wegneembare dekzeilen. Onderbrekingen van het dek, openingen in de scheepshuid, in een dek of een bedekking van een ruimte of in de wanden of schotten van een ruimte, vormen, evenmin als het ontbreken van een wand of een schot een reden om een ruimte niet te rekenen tot de ingesloten ruimten.
- (5). Niet in de inhoud begrepen ruimten Onverminderd de bepalingen van paragraaf 4 van dit Voorschrift worden de in de subparagrafen (a) tot en met (e) van deze paragraaf omschreven ruimten „niet in de inhoud begrepen ruimten” genoemd en worden zij niet gerekend te behoren tot het volume van de ingesloten ruimten; evenwel dienen zodanige ruimten, die voldoen aan ten minste een van de volgende drie voorwaarden, te worden behandeld als een ingesloten ruimte:
- -. de ruimte is voorzien van planken of andere middelen voor het vastzetten van lading of voorraden;
- -. de openingen zijn voorzien van enige middelen tot sluiting;
- -. de constructie voorziet in enige mogelijkheid tot het sluiten van die openingen.
- (a) (i). Een ruimte gelegen binnen een bovenbouw, grenzend aan een zich van dek tot dek uitstrekkende eindopening - waarbij een gordijnplaat, met een hoogte van niet meer dan 25 millimeter (1 inch) boven die van de aangrenzende dekbalken niet in aanmerking wordt genomen - en welke opening een breedte heeft van 90 procent of meer van de dekbreedte ter plaatse van de opening. Deze bepaling dient zodanig te worden toegepast, dat van de ingesloten ruimten alleen die ruimte niet in de inhoud wordt begrepen, welke gelegen is tussen de werkelijke eindopening en een lijn evenwijdig aan de lijn of het vlak van de opening op een afstand van die opening gelijk aan de helft van de dekbreedte ter plaatse van de opening. (Figuur 1 van Aanhangsel 1.).
- (a) (ii). Indien de breedte van de ruimte door een bepaalde constructie, met uitzondering van het naar elkaar toelopen van de huidbeplating, minder wordt dan 90 procent van de dekbreedte, wordt alleen de ruimte, gelegen tussen de lijn van de opening en een evenwijdige lijn door het punt waar de dwarsscheepse breedte van de ruimte gelijk aan of minder wordt dan 90 procent van de dekbreedte, niet in de inhoud van de ingesloten ruimten begrepen. (Figuren 2, 3 en 4 van Aanhangsel 1.).
- (a) (iii). Wanneer een tussenruimte, welke op verschansingen of open relingwerk na geheel open is, twee willekeurige ruimten - waarvan een of beide volgens de subparagrafen (a)(i) en/of (a)(ii) aangemerkt kunnen worden als „niet in de inhoud begrepen ruimten” - van elkaar scheidt zal de betrokken ruimte of zullen de betrokken ruimten niet als zodanig aangemerkt worden, indien de afstand tussen de twee ruimten minder is dan de kleinste halve dekbreedte ter plaatse van de scheiding. (Figuren 5 en 6 van Aanhangsel 1.).
- (b). Een overdekte ruimte, blootgesteld aan weer en wind, met, aan de blootgestelde zijden, geen andere verbinding met de scheepsromp dan de voor ondersteuning benodigde stutten. In een dergelijke ruimte kunnen open relingwerk of een verschansing en gordijnplaat aangebracht worden, of stutten aan de scheepszijden, mits de afstand tussen de bovenkant van het relingwerk of de verschansing en de gordijnplaat niet minder bedraagt dan 0,75 meter (2½ voet) of een derde van de hoogte van de ruimte, welke van beide de grootste is. (Figuur 7 van Aanhangsel 1.).
- (c). Een ruimte in een zich van boord tot boord uitstrekkende bovenbouw gelegen tussen tegenover elkaar gelegen zijopeningen met een hoogte niet minder dan 0,75 meter (2½ voet) of een derde van de bovenbouwhoogte, welke van beide de grootste is. Indien in een dergelijke bovenbouw de opening slechts aan één zijde is aangebracht, zal de ruimte, welke als niet in de inhoud begrepen ruimte wordt aangemerkt, binnenwaarts gemeten, vanaf de opening, beperkt worden tot een maximum van de helft van de dekbreedte ter plaatse van de opening. (Figuur 8 van Aanhangsel 1).
- (d). Een ruimte in een bovenbouw, onmiddellijk gelegen onder een niet afgedekte opening in het daarboven gelegen dek, mits een dergelijke opening aan weer en wind is blootgesteld en de ruimte welke niet als de ingesloten ruimte wordt aangemerkt begrensd wordt door de oppervlakte van de opening. (Figuur 9 van Aanhangsel 1).
- (e). Een nis in een buitenwand van een aan weer en wind blootgestelde bovenbouw, waarvan de opening, zonder mogelijkheid tot afsluiting, zich van dek tot dek uitstrekt, mits de binnenwaarts gelegen breedte nergens groter is dan de breedte bij de ingang en de binnenwaartse lengte in de bovenbouw niet groter is dan tweemaal de breedte van de ingang. (Figuur 10 van Aanhangsel 1).
- (6). Passagiers Passagiers zijn alle personen met uitzondering van:
- a. de kapitein en de schepelingen of andere personen die, in welke hoedanigheid ook, aan boord ten behoeve van het schip in dienst of tewerkgesteld zijn;
- b. kinderen beneden de leeftijd van een jaar.
- (7). Ladingruimten Ladingruimten, begrepen in de berekening van de nettotonnage, zijn ingesloten ruimten, geschikt voor het vervoer van uit het schip te lossen lading, mits zodanige ruimten begrepen zijn in de berekening van de bruto-tonnage. Deze ladingruimten dienen kenbaar te worden gemaakt door hen te merken met de letters CC (cargo compartment), die zodanig moeten worden aangebracht, dat ze duidelijk zichtbaar en niet minder dan 100 millimeter (4 inches) hoog zijn.
- (8). Dicht tegen weer en wind Dicht tegen weer en wind betekent dat onder alle omstandigheden die zich op zee kunnen voordoen geen water in het schip kan binnendringen.
- (9). Audit betekent een systematisch, onafhankelijk en gedocumenteerd proces voor het verkrijgen van audit-informatie en de objectieve beoordeling daarvan teneinde te bepalen in hoeverre aan de auditcriteria is voldaan.
- (10). Auditprogramma betekent het auditprogramma voor IMO-lidstaten dat door de Organisatie is opgezet, rekening houdend met de door de Organisatie ontwikkelde richtlijnen.
- (11). Implementatiecode betekent de Code voor de implementatie van IMO-instrumenten (III Code) aangenomen door de Organisatie bij resolutie A.1070(28).
- (12). Auditnorm betekent de Implementatiecode.
Voorschrift 3. Bruto-tonnage
De bruto-tonnage (GT) van een schip wordt bepaald door middel van de volgende formule:
Voorschrift 4. Netto-tonnage
- (1). De netto-tonnage (NT) van een schip wordt vastgesteld door middel van de volgende formule:
- (2). De diepgang naar de mal (d) bedoeld in paragraaf 1 van dit Voorschrift is een van de volgende diepgangen:
- (a). voor schepen waarop het Internationaal Verdrag betreffende de uitwatering van schepen van toepassing is: de diepgang, overeenkomende met de lijn voor zomeruitwatering (anders dan de lijn voor houtvaartuitwatering) zoals die overeenkomstig het genoemde Internationale Verdrag is toegekend;
- (b). voor passagiersschepen de diepgang overeenkomende met de hoogstgelegen indelingslastlijn, toegekend overeenkomstig het van kracht zijnde Internationale Verdrag voor de beveiliging van mensenlevens op zee of een andere van toepassing zijnde internationale overeenkomst;
- (c). voor schepen waarop het Internationaal Verdrag betreffende de uitwatering van schepen niet van toepassing is, maar waaraan ter voldoening aan de nationale wettelijke vereisten een uitwateringslijn is toegekend: de diepgang overeenkomende met de aldus toegekende lijn voor zomeruitwatering;
- (d). voor schepen waaraan geen uitwateringslijn is toegekend, maar waarvan de diepgang ter voldoening aan de nationale wettelijke vereisten is beperkt: de maximaal toegestane diepgang;
- (e). voor andere schepen: 75 procent van de holte naar de mal midscheeps gemeten als omschreven in Voorschrift 2, paragraaf 2.
Voorschrift 5. Wijziging van de netto-tonnage
- (1). Indien de kenmerken van een schip, met name de in de Voorschriften 3 en 4 omschreven V, Vc, d, N1 of N2, worden gewijzigd en indien een zodanige wijziging een vermeerdering van de overeenkomstig de bepalingen van Voorschrift 4 vastgestelde netto-tonnage ten gevolge heeft, dient de met de nieuwe kenmerken overeenkomende netto-tonnage van het schip zonder verwijl te worden vastgesteld en toegepast.
- (2). Voor een schip waaraan gelijktijdig uitwateringslijnen zoals bedoeld in de subparagrafen (2) (a) en (2) (b) van Voorschrift 4 zijn toegekend wordt slechts een netto-tonnage vastgesteld overeenkomstig de bepalingen van Voorschrift 4 en die tonnage zal overeen dienen te komen met de toegekende uitwateringslijn, voor het vervoer waaraan door het schip wordt deelgenomen.
- (3). Indien de kenmerken van een schip, met name de in de Voorschriften 3 en 4 omschreven V, Vc, d, N1 of N2, worden gewijzigd of als de desbetreffende toegekende uitwateringslijn, bedoeld in paragraaf 2 van dit Voorschrift, is gewijzigd door een verandering van het door het schip verrichte vervoer, en indien een zodanige wijziging leidt tot een vermindering van de netto-tonnage van het schip, zoals die is vastgesteld overeenkomstig de bepalingen van Voorschrift 4, mag niet worden overgegaan tot uitgifte van een nieuwe Internationale Meetbrief (1969) waarop de aldus vastgestelde netto-tonnage is vermeld, alvorens twaalf maanden zijn verstreken na de datum waarop de lopende Meetbrief was uitgegeven. Dit vereiste zal evenwel niet worden gesteld:
- (a). als het schip onder de vlag van een andere Staat is overgegaan, of
- (b). als het schip veranderingen of wijzigingen ondergaat, die door de Administratie geacht worden van een ingrijpend karakter te zijn, zoals bijvoorbeeld het wegnemen van een bovenbouw, waardoor een wijziging van de toegekende uitwateringslijn wordt vereist, of
- (c). voor passagiersschepen, die worden gebruikt voor het vervoer van grote aantallen dekpassagiers tijdens speciale vaarten, zoals bijvoorbeeld het vervoeren van pelgrims.
Voorschrift 6. Berekening van volumes
- (1). Alle volumes begrepen in de berekening van bruto- en netto-tonnages dienen te worden gemeten, ongeacht aangebrachte isolatie of soortgelijk materiaal, tot de binnenzijde van de huid of tot de begrenzingswanden bij metalen schepen en tot de buitenzijde van de huid of tot de binnenzijde van de begrenzingswanden bij schepen gebouwd van ander materiaal.
- (2). Het volume van uitbouwsels dient in het totale volume te worden begrepen.
- (3). Het volume der voor de zee openstaande ruimten mag van het totaal volume worden afgetrokken.
Voorschrift 7. Meting en berekening
- (1). Alle metingen, gebruikt bij de berekening van volumes, dienen te worden verricht tot op 1 centimeter of een twintigste voet nauwkeurig.
- (2). De volumes dienen te worden berekend volgens algemeen aanvaarde methoden voor de betrokken ruimte en met een voor de Administratie aanvaardbare nauwkeurigheid.
- (3). De berekening dient voldoende gedetailleerd te zijn om gemakkelijke verificatie mogelijk te maken.
IN WITNESS WHEREOF the undersigned being duly authorized by their respective Governments for that purpose have signed the present Convention.
DONE at London this twenty-third day of June 1969.
Voorschrift 8. Toepassing
De Verdragsluitende Regeringen gebruiken de bepalingen van de Implementatiecode bij de uitvoering van hun verplichtingen en verantwoordelijkheden zoals vervat in dit Verdrag.
Voorschrift 9. Verificatie van de naleving
Elke Verdragsluitende Regering wordt onderworpen aan periodieke audits door de Organisatie in overeenstemming met de auditnorm teneinde de naleving en implementatie van dit Verdrag te verifiëren.
De Secretaris-Generaal van de Organisatie is verantwoordelijk voor de uitvoering van het auditprogramma, op basis van de door de Organisatie opgestelde richtlijnen.
Elke Verdragsluitende Regering is verantwoordelijk voor het faciliteren van de uitvoering van de audit en de implementatie van een actieprogramma teneinde een vervolg te geven aan de bevindingen, op basis van de door de Organisatie opgestelde richtlijnen.
De audit van alle Verdragsluitende Regeringen:
- .1. is gebaseerd op een door de Secretaris-Generaal van de Organisatie ontwikkeld algemeen schema, rekening houdend met de door de Organisatie opgestelde richtlijnen; en
- .2. vindt periodiek plaats, rekening houdend met de door de Organisatie opgestelde richtlijnen.
IN WITNESS WHEREOF the undersigned being duly authorized by their respective Governments for that purpose have signed the present Convention.
DONE at London this twenty-third day of June 1969.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)