Internationaal Verdrag van Nairobi inzake het opruimen van wrakken, 2007

Type Verdrag
Publication 2016-04-19
Laatst bijgewerkt 2007-05-18
State In force
Source BWB
artikelen 21
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

De Staten die partij zijn bij dit Verdrag,

Zich bewust van het feit dat wrakken die niet worden opgeruimd, gevaar kunnen opleveren voor de scheepvaart of het mariene milieu,

Overtuigd van de noodzaak uniforme internationale regels en procedures aan te nemen om te waarborgen dat wrakken onverwijld en op doeltreffende wijze worden opgeruimd en dat de daarmee gemoeide kosten worden vergoed,

Vaststellend dat veel wrakken zich kunnen bevinden binnen het grondgebied van Staten, met inbegrip van de territoriale zee,

De voordelen onderkennend die verwezenlijkt kunnen worden door middel van uniformiteit in de rechtsstelsels die van toepassing zijn op de verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid voor het opruimen van gevaarlijke wrakken,

Indachtig het belang van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee, gedaan te Montego Bay op 10 december 1982, en van het internationaal gewoonterecht van de zee, en de daaruit voortvloeiende noodzaak dit Verdrag in overeenstemming daarmee te implementeren,

Zijn het volgende overeengekomen:

Artikel 1. Begripsomschrijvingen

Voor de toepassing van dit Verdrag:

Artikel 2. Doelstellingen en algemene beginselen

1.

Een Staat die Partij is kan in overeenstemming met dit Verdrag maatregelen nemen voor het opruimen van een wrak dat een gevaar vormt in het Verdragsgebied.

2.

De maatregelen die de getroffen Staat treft in overeenstemming met het eerste lid dienen in verhouding te staan tot het gevaar.

3.

Deze maatregelen mogen hetgeen redelijkerwijs noodzakelijk is om een wrak dat een gevaar vormt op te ruimen, niet overstijgen en dienen beëindigd te worden zodra het wrak opgeruimd is; zij mogen de rechten en belangen van andere Staten, met inbegrip van die van de Staat waar het schip geregistreerd is of van een betrokken natuurlijke persoon of rechtspersoon niet onnodig schaden.

4.

Aan de toepassing van dit Verdrag binnen het Verdragsgebied kan een Staat die partij is niet het recht ontlenen soevereiniteit of soevereine rechten uit te oefenen over een deel van de volle zee.

5.

De Staten die Partij zijn dienen zich in te spannen samen te werken wanneer de gevolgen van een maritiem ongeval dat leidt tot een wrak ook een andere Staat dan de getroffen Staat treffen.

Artikel 3. Toepassingsgebied

1.

Tenzij in dit Verdrag anders is bepaald, is dit Verdrag van toepassing op wrakken in het Verdragsgebied.

2.

Met inachtneming van artikel 4, vierde lid, kan een Staat die Partij is de toepassing van dit Verdrag uitbreiden tot wrakken die zich binnen zijn grondgebied, met inbegrip van de territoriale zee, bevinden.

In dat geval stelt hij de Secretaris-Generaal daarvan in kennis op het tijdstip waarop hij zijn instemming om door dit Verdrag te worden gebonden tot uitdrukking brengt of op enig later tijdstip.

Indien een Staat die Partij is kennisgeving heeft gedaan van het feit dat hij dit Verdrag toepast op wrakken binnen zijn grondgebied, met inbegrip van de territoriale zee, geldt dit onverminderd de rechten en verplichtingen van die Staat maatregelen te nemen met betrekking tot wrakken die zich binnen zijn grondgebied, met inbegrip van de territoriale zee, bevinden, anders dan het lokaliseren, markeren en opruimen in overeenstemming met dit Verdrag. De bepalingen van de artikelen 10, 11 en 12 van dit Verdrag zijn uitsluitend van toepassing op aldus getroffen maatregelen als bedoeld in de artikelen 7, 8 en 9 van dit Verdrag.

3.

Indien een Staat die Partij is een kennisgeving uit hoofde van het tweede lid heeft gedaan, omvat het Verdragsgebied van de getroffen Staat het grondgebied met inbegrip van de territoriale zee, van die Staat die Partij is.

4.

Een kennisgeving uit hoofde van het tweede lid van dit artikel gedaan voordat dit Verdrag voor die Staat die Partij is in werking is getreden, wordt voor die Staat die Partij is van kracht bij de inwerkingtreding. Indien de kennisgeving wordt gedaan nadat dit Verdrag voor die Staat die Partij is in werking is getreden, wordt die van kracht zes maanden na de ontvangst ervan door de Secretaris-Generaal.

5.

Een Staat die Partij is die een kennisgeving uit hoofde van het tweede lid heeft gedaan, kan deze te allen tijde intrekken door middel van een kennisgeving van intrekking aan de Secretaris-Generaal. Deze kennisgeving van intrekking wordt van kracht zes maanden na de ontvangst ervan door de Secretaris-Generaal, tenzij de kennisgeving een latere datum vermeldt.

Artikel 4. Uitsluitingen

1.

Dit Verdrag is niet van toepassing op maatregelen genomen uit hoofde van het Internationaal Verdrag inzake optreden in volle zee bij ongevallen die verontreiniging door olie kunnen veroorzaken, 1969, zoals gewijzigd, of het Protocol inzake het optreden in volle zee in gevallen van verontreiniging door andere stoffen dan olie, 1973, zoals gewijzigd.

2.

Dit Verdrag is niet van toepassing op oorlogsschepen of andere schepen in eigendom van of geëxploiteerd door een Staat zolang ze uitsluitend worden gebruikt voor niet-commerciële overheidsdoeleinden, tenzij die Staat anders beslist.

3.

Indien een Staat die Partij is besluit dit Verdrag toe te passen op zijn oorlogsschepen of andere schepen zoals omschreven in het tweede lid, stelt hij de Secretaris-Generaal daarvan in kennis, onder vermelding van de voorwaarden van de toepassing.

Artikel 5. Melden van wrakken

1.

Een Staat die Partij is verlangt van de kapitein en de exploitant van een schip dat zijn vlag voert en betrokken is geraakt bij een maritiem ongeval dat geleid heeft tot een wrak dit onverwijld te melden aan de getroffen Staat. Zodra door de kapitein of de exploitant van het schip aan de meldplicht uit hoofde van dit artikel is voldaan, is de ander daarvan ontslagen.

2.

In deze meldingen worden de naam en het hoofdkantoor van de geregistreerde eigenaar en alle relevante gegevens aangegeven die nodig zijn voor de getroffen Staat teneinde te bepalen of het wrak een gevaar vormt in overeenstemming met artikel 6, waaronder:

Artikel 6. Vaststelling van gevaar

Bij het vaststellen of een wrak een gevaar vormt, dient de getroffen Staat de volgende criteria in acht te nemen:

Artikel 7. Lokaliseren van wrakken

1.

Indien bekend wordt dat er een wrak is, stelt de getroffen Staat met spoed al hetgeen haalbaar is in het werk, met inbegrip van de hulp van Staten en organisaties om zeelieden en de betrokken Staten te waarschuwen voor de aard en locatie van het wrak.

2.

Indien de getroffen Staat redenen heeft om aan te nemen dat een wrak een gevaar vormt, ziet hij erop toe dat alle praktische maatregelen worden getroffen om de precieze locatie van het wrak vast te stellen.

Artikel 8. Markeren van wrakken

1.

Indien de getroffen Staat vaststelt dat een wrak een gevaar vormt, ziet hij erop toe dat alle redelijke maatregelen worden getroffen om het wrak te markeren.

2.

Bij het markeren van het wrak worden alle praktische maatregelen getroffen om te waarborgen dat de markeringen voldoen aan het internationaal aanvaarde systeem voor bebakening dat gehanteerd wordt in het gebied waar het wrak zich bevindt.

3.

De getroffen Staat verspreidt de bijzonderheden van de markering van het wrak door middel van alle gepaste middelen, met inbegrip van de juiste zeevaartkundige publicaties.

Artikel 9. Maatregelen ter vereenvoudiging van het opruimen van wrakken

1.

Indien de getroffen Staat vaststelt dat een wrak een gevaar vormt, dient deze Staat onverwijld:

2.

De geregistreerde eigenaar dient een wrak waarvan is vastgesteld dat het een gevaar vormt op te ruimen.

3.

Indien vastgesteld is dat een wrak een gevaar vormt, dient de geregistreerde eigenaar of een andere belanghebbende partij aan de bevoegde autoriteit van de getroffen Staat een bewijs van verzekering of andere financiële zekerheid zoals vereist op grond van artikel 12, te overleggen.

4.

De geregistreerde eigenaar kan namens de eigenaar een overeenkomst sluiten met een hulpverlener of andere persoon teneinde het wrak op te ruimen waarvan is vastgesteld dat het een gevaar vormt. Alvorens het opruimen aanvangt, kan de getroffen Staat voorwaarden vastleggen voor dit opruimen uitsluitend voor zover zulks noodzakelijk is om te waarborgen dat het opruimen geschiedt op een wijze die verenigbaar is met overwegingen betreffende de veiligheid en de bescherming van het mariene milieu.

5.

Wanneer het in het tweede en vierde lid bedoelde opruimen is aangevangen, kan de getroffen Staat optreden bij het opruimen uitsluitend voor zover zulks noodzakelijk is om te waarborgen dat dit doeltreffend geschiedt op een wijze die verenigbaar is met overwegingen betreffende de veiligheid en de bescherming van het mariene milieu.

6.

De getroffen Staat:

7.

Indien de geregistreerde eigenaar verzuimt het wrak binnen de in overeenstemming met het zesde lid, onderdeel a, vastgestelde termijn op te ruimen, of indien geen contact kan worden gelegd met de geregistreerde eigenaar, kan de getroffen Staat het wrak langs de meest praktische en snelle weg doen opruimen, in overeenstemming met overwegingen betreffende de veiligheid en de bescherming van het mariene milieu.

8.

In omstandigheden waarin onverwijld optreden vereist is en de getroffen Staat de Staat waar het schip geregistreerd is en de geregistreerde eigenaar daarvan in kennis heeft gesteld, kan hij het wrak langs de meest praktische en snelle weg doen opruimen, in overeenstemming met overwegingen betreffende de veiligheid en de bescherming van het mariene milieu.

9.

De Staten die Partij zijn nemen alle passende maatregelen overeenkomstig hun nationale recht teneinde erop toe te zien dat de in hun Staat geregistreerde eigenaren voldoen aan het bepaalde in het tweede en derde lid.

10.

De Staten die Partij zijn stemmen ermee in dat de getroffen Staat indien nodig optreedt overeenkomstig het vierde tot en met het achtste lid.

11.

De getroffen Staat verschaft de in dit artikel bedoelde inlichtingen aan de in de in artikel 5, tweede lid, bedoelde meldingen genoemde geregistreerde eigenaar.

Artikel 10. Aansprakelijkheid van de eigenaar

1.

Met inachtneming van artikel 11, is de geregistreerde eigenaar aansprakelijk voor de kosten van het lokaliseren, markeren en opruimen van het wrak overeenkomstig respectievelijk de artikelen 7, 8 en 9, tenzij de geregistreerde eigenaar aantoont dat het maritieme ongeval dat tot het wrak geleid heeft:

2.

Niets in dit Verdrag tast het recht aan van de geregistreerde eigenaar zijn aansprakelijkheid te beperken uit hoofde van enige toepasselijke nationale of internationale regeling, zoals het Verdrag inzake beperking van aansprakelijkheid voor maritieme vorderingen, 1976, zoals gewijzigd.

3.

Geen vordering tot vergoeding van de kosten bedoeld in het eerste lid kan tegen de geregistreerde eigenaar worden ingesteld anders dan in overeenstemming met de bepalingen van dit Verdrag. Dit geldt onverminderd de rechten en verplichtingen van een Staat die Partij is die kennisgeving heeft gedaan overeenkomstig artikel 3, tweede lid, met betrekking tot wrakken die zich binnen zijn grondgebied, met inbegrip van de territoriale zee bevinden, anders dan het lokaliseren, markeren en opruimen in overeenstemming met dit Verdrag.

4.

Geen bepaling van dit artikel doet afbreuk aan enig recht van verhaal tegenover derden.

Artikel 11. Uitzonderingen op de aansprakelijkheid

1.

De geregistreerde eigenaar is uit hoofde van dit Verdrag niet aansprakelijk voor de kosten bedoeld in artikel 10, eerste lid, indien en voor zover de aansprakelijkheid voor dergelijke kosten in strijd zou zijn met:

2.

Voor zover maatregelen uit hoofde van dit Verdrag worden aangemerkt als hulpverlening overeenkomstig het van toepassing zijnde nationale recht of een internationaal verdrag, is dat recht of verdrag van toepassing op kwesties omtrent het loon of de vergoeding verschuldigd aan de hulpverlener en met uitsluiting van de regels van dit Verdrag.

Artikel 12. Verplichte verzekering of andere financiële zekerheid

1.

De geregistreerde eigenaar van een schip met een brutotonnage van 300 of meer dat vaart onder de vlag van een Staat die Partij is, is gehouden een verzekering of andere financiële zekerheid, zoals een bankgarantie of een door een soortgelijke financiële instantie afgegeven garantie, in stand te houden tot dekking van de aansprakelijkheid uit hoofde van dit Verdrag tot een bedrag gelijk aan het maximum van aansprakelijkheid krachtens de toepasselijke nationale of internationale regeling ter beperking van de aansprakelijkheid, doch in geen geval hoger dan een bedrag berekend in overeenstemming met artikel 6, eerste lid, onderdeel b, van het Verdrag inzake beperking van aansprakelijkheid voor maritieme vorderingen, 1976, zoals gewijzigd.

2.

Een certificaat houdende verklaring dat een verzekering of andere financiële zekerheid in overeenstemming met de bepalingen van dit Verdrag van kracht is, wordt aan elk schip met een brutotonnage van 300 of meer afgegeven door de bevoegde autoriteit van de Staat waar het schip is geregistreerd nadat deze heeft vastgesteld dat aan de vereisten van het eerste lid is voldaan. Met betrekking tot een schip geregistreerd in een Staat die Partij is wordt zulk een certificaat afgegeven of gewaarmerkt door de bevoegde autoriteit van de Staat waar het schip geregistreerd is; met betrekking tot een schip dat niet is geregistreerd in een Staat die Partij is, kan het worden afgegeven of gewaarmerkt door de bevoegde autoriteit van elke Staat die Partij is. Het verplichte certificaat omtrent verzekering heeft de vorm van het model vervat in de bijlage bij dit Verdrag en bevat de volgende gegevens:

4.

Het certificaat wordt gesteld in de officiële taal of de officiële talen van de Staat waar het wordt afgegeven. Indien de gebruikte taal niet de Engelse, de Franse of de Spaanse is, dient de tekst tevens een vertaling in een van deze talen te bevatten en kan (kunnen), indien de Staat daartoe besluit, de officiële taal (talen) van de Staat achterwege blijven.

5.

Het certificaat moet zich aan boord van het schip bevinden en een afschrift moet worden nedergelegd bij de autoriteiten die het register beheren waarin het schip staat geregistreerd, of indien het schip niet geregistreerd is in een Staat die Partij is, bij de autoriteiten die de certificaten afgegeven of waarmerken.

6.

Een verzekering of andere financiële zekerheid voldoet niet aan de eisen van dit artikel indien deze om andere redenen dan het verstrijken van de geldigheidsduur van de verzekering of zekerheid zoals vermeld in het certificaat ingevolge het tweede lid, kan vervallen alvorens drie maanden zijn verlopen vanaf de datum waarop aan de autoriteiten bedoeld in het vijfde lid mededeling is gedaan van de beëindiging, tenzij het certificaat bij deze autoriteiten is ingeleverd, dan wel binnen genoemde termijn een nieuw certificaat is afgegeven. Het vorenstaande is eveneens van toepassing op elke wijziging die ertoe leidt dat de verzekering of zekerheid niet langer voldoet aan de eisen van dit artikel.

7.

De Staat waar het schip is geregistreerd stelt in overeenstemming met de bepalingen van dit artikel en rekening houdend met eventuele door de Organisatie aangenomen richtlijnen inzake de financiële verantwoordelijkheid van de geregistreerde eigenaren, de voorwaarden vast voor de afgifte en geldigheid van het certificaat.

8.

Niets in dit Verdrag kan zo worden uitgelegd dat het een Staat die Partij is belet zich te verlaten op informatie verkregen van andere Staten of de Organisatie of andere internationale organisaties met betrekking tot de financiële draagkracht van verzekeraars of personen die financiële zekerheid stellen voor de toepassing van dit Verdrag. In dergelijke gevallen wordt de Staat die Partij is en die zich op dergelijke informatie verlaat, niet ontheven van zijn verantwoordelijkheid als Staat die het krachtens het tweede lid vereiste certificaat afgeeft.

9.

Certificaten afgegeven en gewaarmerkt onder het gezag van een Staat die Partij is worden voor de toepassing van dit Verdrag erkend door andere Staten die Partij zijn als bezittende dezelfde geldigheid als door deze afgegeven of gewaarmerkte certificaten, zelfs indien zij zijn afgegeven of gewaarmerkt met betrekking tot een schip dat niet in een Staat die Partij is geregistreerd is. Een Staat die Partij is kan te allen tijde verzoeken om overleg met de Staat die het certificaat heeft afgegeven of gewaarmerkt indien hij meent dat de in het certificaat genoemde verzekeraar of degene die de garantie heeft gesteld financieel niet in staat is te voldoen aan de hem door dit Verdrag opgelegde verplichtingen.

10.

Elke vordering tot vergoeding van kosten die voortvloeit uit dit Verdrag kan rechtstreeks worden ingesteld tegen de verzekeraar of andere persoon die financiële zekerheid stelt ter dekking van de aansprakelijkheid van de geregistreerde eigenaar. In een dergelijk geval kan de verweerder zich beroepen op de verweermiddelen (anders dan het faillissement of de liquidatie van de geregistreerde eigenaar) waarop de geregistreerde eigenaar een beroep zou hebben kunnen doen, met inbegrip van beperking van aansprakelijkheid uit hoofde van een van toepassing zijnde nationale of internationale regeling. Voorts kan de verweerder, zelfs indien de geregistreerde eigenaar niet gerechtigd is tot beperking van zijn aansprakelijkheid, de aansprakelijkheid beperken tot een bedrag gelijk aan het bedrag van de verzekering of andere financiële zekerheid dat in overeenstemming met het eerste lid in stand moet worden gehouden. De verweerder kan voorts een beroep doen op het verweer dat het maritieme ongeval veroorzaakt is door opzettelijk wangedrag van de geregistreerde eigenaar; maar de verweerder kan zich niet beroepen op enig ander verweermiddel dat de verweerder zou hebben kunnen aanvoeren in een door de geregistreerde eigenaar tegen de verweerder aangespannen rechtsgeding. De verweerder heeft evenwel het recht te vorderen dat de geregistreerde eigenaar mede in het geding wordt betrokken.

11.

Een Staat die Partij is staat niet toe dat een schip dat gerechtigd is zijn vlag te voeren en waarop dit artikel van toepassing is, op enig tijdstip wordt geëxploiteerd, tenzij een certificaat is afgegeven ingevolge het tweede of veertiende lid.

12.

Met inachtneming van de bepalingen van dit artikel, draagt elke Staat die Partij is er zorg voor dat in zijn nationale wetgeving wordt voorgeschreven dat verzekering of andere zekerheid tot de in het eerste lid genoemde omvang verplicht is voor elk schip met een brutotonnage van 300 of meer, waar ook geregistreerd, dat een haven op zijn grondgebied binnenloopt of verlaat, dan wel aankomt bij of vertrekt van een buitengaats doch binnen zijn territoriale zee gelegen installatie.

13.

Niettegenstaande het bepaalde in het vijfde lid, kan een Staat die Partij is de Secretaris-Generaal voor de toepassing van het twaalfde lid ervan in kennis stellen dat het ingevolge het tweede lid vereiste certificaat zich niet aan boord behoeft te bevinden of niet behoeft te worden overgelegd, wanneer die schepen een haven op zijn grondgebied binnenlopen of verlaten, dan wel aankomen bij of vertrekken van een buitengaats doch in zijn territoriale zee gelegen installatie, op voorwaarde dat de Staat die Partij is en die het ingevolge het tweede lid vereiste certificaat afgeeft, de Secretaris-Generaal ervan in kennis heeft gesteld dat hij elektronische registers bijhoudt die toegankelijk zijn voor alle Staten die Partij zijn, waaruit het bestaan van het certificaat blijkt en die de Staten die Partij zijn in staat stellen hun verplichtingen ingevolge het twaalfde lid na te komen.

14.

Is met betrekking tot een schip dat in eigendom toebehoort aan een Staat die Partij is geen verzekering afgesloten of geen financiële zekerheid gesteld, dan zijn de desbetreffende bepalingen van dit artikel op dat schip niet van toepassing, maar dient het schip wel te zijn voorzien van een certificaat, afgegeven door de bevoegde autoriteit van de Staat waar het is geregistreerd, houdende de verklaring dat het schip eigendom is van die Staat en dat de aansprakelijkheid voor het schip gedekt is binnen de overeenkomstig het eerste lid voorgeschreven grenzen. Dit certificaat wordt zoveel mogelijk opgesteld volgens het in het tweede lid voorgeschreven model.

Artikel 13. Termijnen

Het recht kosten uit hoofde van dit Verdrag te verhalen vervalt wanneer niet binnen drie jaar na de datum waarop het gevaar is vastgesteld in overeenstemming met dit Verdrag een vordering wordt ingesteld. In geen geval kunnen vorderingen echter worden ingesteld na zes jaar na de datum van het maritieme ongeval dat tot het wrak heeft geleid. Indien het maritieme ongeval bestaat uit een reeks feiten, loopt de termijn van zes jaar vanaf de datum van het eerste feit.

Artikel 14. Wijzigingen

1.

Op verzoek van ten minste een derde van de Staten die Partij zijn roept de Organisatie een conferentie bijeen ten behoeve van herziening of wijziging van dit Verdrag.

2.

Elke instemming door dit Verdrag te worden gebonden die tot uitdrukking wordt gebracht na de datum van inwerkingtreding van een wijziging van dit Verdrag wordt geacht van toepassing te zijn op het Verdrag, zoals gewijzigd.

Artikel 15. Beslechting van geschillen

1.

Indien tussen twee of meer Staten die Partij zijn een geschil rijst met betrekking tot de uitlegging of toepassing van dit Verdrag, trachten zij dit in eerste instantie te beslechten door middel van onderhandeling, onderzoek, bemiddeling, conciliatie, arbitrage, gerechtelijke schikking, een beroep op regionale organen of regelingen of andere vreedzame middelen naar hun keuze.

2.

Indien binnen een redelijke termijn van ten hoogste twaalf maanden nadat een Staat die Partij is de ander ervan in kennis heeft gesteld dat er een geschil tussen hen bestaat, geen beslechting mogelijk is, zijn de bepalingen inzake de regeling van geschillen uiteengezet in Deel XV van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee, 1982, van overeenkomstige toepassing, ongeacht of de Staten die partij zijn bij het geschil tevens Staten zijn die Partij zijn bij het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee, 1982.

3.

Een door een Staat die Partij is bij dit Verdrag en bij het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee, 1982, uit hoofde van artikel 287 van dat Verdrag gekozen procedure, dient van toepassing te zijn op de beslechting van geschillen ingevolge dit artikel, tenzij die Staat die Partij is, bij de bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring van of toetreding tot dit Verdrag of op enig tijdstip daarna uit hoofde van artikel 287 een andere procedure kiest voor de beslechting van geschillen die voortvloeien uit dit Verdrag.

4.

Het staat een Staat die Partij is bij dit Verdrag en die geen partij is bij het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee, 1982, bij de bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring van of toetreding tot dit Verdrag of op enig tijdstip daarna, vrij door middel van een schriftelijke verklaring één of meer van de middelen vervat in artikel 287, eerste lid, van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee, 1982, te kiezen voor de beslechting van geschillen uit hoofde van dit artikel. Artikel 287 is van toepassing op een dergelijke verklaring alsmede op elk geschil waarbij een dergelijke Staat partij is, dat niet onder een van kracht zijnde verklaring valt. Ten behoeve van conciliatie en arbitrage in overeenstemming met de Bijlagen V en VII van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee, 1982, is een dergelijke Staat bevoegd bemiddelaars en arbiters te benoemen voor opname in de lijsten bedoeld in Bijlage V, artikel 2, en in Bijlage VII, artikel 2, voor de beslechting van geschillen die voortvloeien uit dit Verdrag.

5.

Een verklaring uit hoofde van het derde en vierde lid wordt nedergelegd bij de Secretaris-Generaal die afschriften ervan doet toekomen aan de Staten die Partij zijn.

Artikel 16. Verhouding tot andere verdragen en internationale overeenkomsten

Geen enkele bepaling van dit Verdrag doet afbreuk aan de rechten en verplichtingen van enige Staat uit hoofde van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee, 1982, of uit hoofde van het internationale gewoonterecht van de zee.

Artikel 17. Ondertekening, bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring en toetreding

1.

Dit Verdrag staat van 19 november 2007 tot en met 18 november 2008 open voor ondertekening op het hoofdkwartier van de Organisatie en blijft daarna open voor toetreding.

Artikel 18. Inwerkingtreding

1.

Dit Verdrag treedt in werking twaalf maanden na de datum waarop tien Staten het hebben ondertekend zonder voorbehoud ten aanzien van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring of een akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding hebben nedergelegd bij de Secretaris-Generaal.

2.

Voor Staten die dit Verdrag bekrachtigen, aanvaarden, goedkeuren of ertoe toetreden nadat aan de voorwaarden voor inwerkingtreding in het eerste lid is voldaan, treedt dit Verdrag in werking drie maanden na de datum van nederlegging door deze Staat van de desbetreffende akte, evenwel niet dan nadat dit Verdrag in werking is getreden in overeenstemming met het eerste lid.

Artikel 19. Opzegging

1.

Dit Verdrag kan na afloop van een jaar na de datum waarop het voor een Staat die Partij is in werking is getreden te allen tijde worden opgezegd door die Staat.

2.

Opzegging geschiedt door nederlegging van een daartoe strekkende akte bij de Secretaris-Generaal.

3.

Een opzegging wordt van kracht een jaar na ontvangst van de akte van opzegging door de Secretaris-Generaal of na een langere termijn wanneer zulks in die akte is bepaald.

Artikel 20. Depositaris

1.

Dit Verdrag wordt nedergelegd bij de Secretaris-Generaal.

2.

De Secretaris-Generaal:

3.

Terstond na inwerkingtreding van dit Verdrag zendt de Secretaris-Generaal een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift van de tekst aan de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties ter registratie en publicatie overeenkomstig artikel 102 van het Handvest van de Verenigde Naties.

Artikel 21. Talen

Dit Verdrag is opgesteld in één oorspronkelijk exemplaar in de Arabische, de Chinese, de Engelse, de Franse, de Russische en de Spaanse taal, zijnde alle teksten gelijkelijk authentiek.

DONE IN NAIROBI this eighteenth day of May two thousand and seven.

IN WITNESS WHEREOF the undersigned, being duly authorized by their respective Governments for that purpose, have signed this Convention.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)