Protocol van 2003 bij het Internationaal Verdrag betreffende de instelling van een internationaal fonds voor vergoeding van schade door verontreiniging door olie, 1992

Type Verdrag
Publication 2005-09-16
Laatst bijgewerkt 2003-05-16
State In force
Source BWB
artikelen 31
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

De Verdragsluitende Staten die partij zijn bij dit Protocol,

Indachtig het Internationaal Verdrag inzake de wettelijke aansprakelijkheid voor schade door verontreiniging door olie, 1992 (hierna „het Aansprakelijkheidsverdrag, 1992”),

Bestudeerd hebbend het Internationaal Verdrag betreffende de instelling van een Internationaal Fonds voor vergoeding van schade door verontreiniging door olie, 1992 (hierna „het Fondsverdrag, 1992”),

Het belang bevestigend van de handhaving van de levensvatbaarheid van het internationale stelsel van aansprakelijkheid voor verontreiniging door olie en van vergoeding van schade,

Vaststellend dat het door het Fondsverdrag, 1992, toegekende maximumbedrag aan vergoeding onder bepaalde omstandigheden in een aantal Verdragsluitende Staten die partij zijn bij dat verdrag, niet toereikend zou kunnen zijn voor de vergoeding van de schade,

Erkennend dat een aantal Verdragsluitende Staten bij het Aansprakelijkheidsverdrag, 1992, en het Fondsverdrag, 1992, het noodzakelijk achten de hoogste prioriteit te geven aan het beschikbaar stellen van bijkomende gelden voor schadevergoeding door de instelling van een aanvullend stelsel waartoe Staten kunnen toetreden indien zij dit wensen,

Ervan overtuigd dat het aanvullend stelsel erop gericht moet zijn te waarborgen dat personen die schade hebben geleden door verontreiniging door olie volledig schadeloos worden gesteld voor hun verliezen of schade, en tevens voor verlichting moet zorgen van de problemen waarmee slachtoffers worden geconfronteerd in gevallen waarin het bedrag dat uit hoofde van het Aansprakelijkheidsverdrag, 1992, en het Fondsverdrag, 1992, beschikbaar is voor schadevergoeding niet toereikend dreigt te zijn om erkende vorderingen volledig te betalen en dat dientengevolge het Internationaal Fonds voor vergoeding van schade door verontreiniging door olie, 1992, voorlopig heeft besloten dat het slechts een deel van de erkende vordering zal betalen,

Overwegend dat toetreding tot het aanvullend stelsel uitsluitend open staat voor Verdragsluitende Staten die partij zijn bij het Fondsverdrag, 1992,

Zijn het volgende overeengekomen:

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1

Voor de toepassing van dit Protocol:

    1. wordt onder „Aansprakelijkheidsverdrag, 1992” verstaan het Internationaal Verdrag inzake de wettelijke aansprakelijkheid voor schade door verontreiniging door olie, 1992;
    1. wordt onder „Fondsverdrag, 1992” verstaan het Internationaal Verdrag betreffende de instelling van een Internationaal Fonds voor vergoeding van schade door verontreiniging door olie, 1992;
    1. wordt onder „Fonds 1992” verstaan het Internationaal Fonds voor vergoeding van schade door verontreiniging door olie, 1992, ingesteld ingevolge het Fondsverdrag, 1992;
    1. wordt onder „Verdragsluitende Staat” verstaan een Verdragsluitende Staat die partij is bij dit Protocol, tenzij anders is bepaald;
    1. betekent, wanneer bepalingen van het Fondsverdrag, 1992, door middel van een verwijzing in dit Protocol zijn opgenomen, „Fonds” in dat verdrag „Aanvullend Fonds”, tenzij anders is bepaald;
    1. wordt onder „bijdragende olie”, „rekeneenheid”, „ton”, „garant” en „laad- of losinrichting” hetzelfde verstaan als in artikel 1 van het Fondsverdrag, 1992, tenzij anders is bepaald;
    1. wordt onder „erkende vordering” verstaan een vordering die door het Fonds 1992 is erkend of waarvan de toewijsbaarheid vaststaat ingevolge een beslissing van een bevoegde rechter die bindend is voor het Fonds 1992 en waartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en die volledig vergoed zou zijn indien de in artikel 4, vierde lid van het Fondsverdrag, 1992, gestelde vergoedingsgrens niet op dat voorval was toegepast;
    1. wordt onder „Algemene Vergadering” verstaan de Algemene Vergadering van het Internationaal Aanvullend Fonds voor vergoeding van schade door verontreiniging door olie, 2003, tenzij anders is bepaald;
    1. wordt onder „Organisatie” verstaan de Internationale Maritieme Organisatie;
    1. wordt onder „Secretaris-Generaal” verstaan de Secretaris-Generaal van de Organisatie.

Artikel 2

1.

Hierbij wordt een Internationaal Aanvullend Fonds voor vergoeding van schade door verontreiniging door olie, 2003, (hierna „het Aanvullend Fonds”) opgericht.

2.

Het Aanvullend Fonds wordt in elke Verdragsluitende Staat erkend als een rechtspersoon die ingevolge de wetten van die Staat bevoegd is rechten en plichten te aanvaarden en partij te zijn bij gedingen voor de gerechten van die Staat. Elke Verdragsluitende Staat erkent de Directeur van het Aanvullend Fonds als wettelijke vertegenwoordiger van het Aanvullend Fonds.

Artikel 3

Dit Protocol is uitsluitend van toepassing:

  • a. op schade door verontreiniging veroorzaakt:
  • i. op het grondgebied, de territoriale zee daaronder begrepen, van een Verdragsluitende Staat, en
  • ii. binnen de exclusieve economische zone van een Verdragsluitende Staat, vastgesteld overeenkomstig het internationale recht, of, indien een Verdragsluitende Staat een dergelijke zone niet heeft vastgesteld, binnen een gebied buiten en grenzend aan de territoriale zee van die Staat, door die Staat vastgesteld overeenkomstig het internationale recht, en dat zich niet verder uitstrekt dan 200 zeemijl van de basislijnen waarvan de breedte van zijn territoriale zee wordt gemeten;
  • b. op preventieve maatregelen, waar ook genomen, ter voorkoming of ter beperking van dergelijke schade.

AANVULLENDE VERGOEDING

Artikel 4

1.

Het Aanvullend Fonds betaalt schadevergoeding aan iedere persoon die schade door verontreiniging heeft geleden indien deze persoon niet in staat is geweest volledige en passende vergoeding van een erkende vordering voor dergelijke schade te verkrijgen uit hoofde van de bepalingen van het Fondsverdrag, 1992, omdat de totale schade de van toepassing zijnde vergoedingsgrens zoals vervat in artikel 4, vierde lid, van het Fondsverdrag, 1992, ten aanzien van een voorval overtreft, of dreigt te overtreffen.

  • a. Het totale bedrag dat door het Aanvullend Fonds als vergoeding ingevolge dit artikel per voorval moet worden uitgekeerd, is in dier voege beperkt dat de som van dit bedrag en het bedrag dat werkelijk als vergoeding ingevolge het Aansprakelijkheidsverdrag, 1992, en het Fondsverdrag, 1992, binnen het toepassingsgebied van dit Protocol wordt uitbetaald, niet meer bedraagt dan 750 miljoen rekeneenheden.
  • b. Het in het tweede lid, onderdeel a, genoemde bedrag van 750 miljoen rekeneenheden wordt omgerekend in een nationale munteenheid volgens de waarde van die munteenheid ten opzichte van het bijzondere trekkingsrecht op de datum van het besluit van de Algemene Vergadering van het Fonds 1992 aangaande de omrekening van het maximumbedrag dat ingevolge het Aansprakelijkheidsverdrag, 1992, en het Fondsverdrag, 1992, moet worden uitgekeerd.
3.

Wanneer het bedrag van erkende vorderingen tegen het Aanvullend Fonds het totale bedrag dat ingevolge het tweede lid betaald moet worden te boven gaat, wordt het bedrag dat beschikbaar is zodanig verdeeld dat de verhouding tussen een erkende vordering en het bedrag aan vergoeding dat de schuldeiser daadwerkelijk krijgt toegewezen uit hoofde van dit Protocol voor alle schuldeisers hetzelfde is.

4.

Door het Aanvullend Fonds worden uitsluitend schadevergoedingen betaald betreffende erkende vorderingen zoals omschreven in artikel 1, achtste lid.

Artikel 5

Het Aanvullend Fonds betaalt schadevergoeding wanneer de Algemene Vergadering van het Fonds 1992 van mening is dat het totale bedrag van de erkende vorderingen het totale bedrag dat beschikbaar is voor schadevergoeding ingevolge artikel 4, vierde lid, van het Fondsverdrag, 1992, zal overschrijden of dreigt te overschrijden, en dat dientengevolge de Algemene Vergadering van het Fonds 1992 het voorlopige of definitieve besluit heeft genomen dat slechts een deel van de erkende vordering zal worden betaald. De Algemene Vergadering van het Aanvullend Fonds besluit in dat geval of en in welke mate het Aanvullend Fonds het gedeelte van de erkende vordering zal betalen dat niet wordt betaald uit hoofde van het Aansprakelijkheidsverdrag, 1992, en het Fondsverdrag, 1992.

Artikel 6

1.

Met inachtneming van artikel 15, tweede en derde lid, vervallen rechten op schadevergoeding jegens het Aanvullend Fonds uitsluitend indien zij ook vervallen jegens het Fonds 1992 ingevolge artikel 6 van het Fondsverdrag, 1992.

2.

Een vordering ingesteld tegen het Fonds 1992 wordt beschouwd als een vordering die door dezelfde eiser is ingesteld tegen het Aanvullend Fonds.

Artikel 7

1.

De bepalingen van artikel 7, eerste, tweede, vierde, vijfde en zesde lid, van het Fondsverdrag, 1992, zijn van toepassing op vorderingen tot vergoeding van schade ingesteld tegen het Aanvullend Fonds overeenkomstig artikel 4, eerste lid, van dit Protocol.

2.

Indien tegen een scheepseigenaar of zijn garant een vordering tot vergoeding van schade door verontreiniging bij de op grond van artikel IX van het Aansprakelijkheidsverdrag, 1992, bevoegde rechter is ingesteld, is deze rechter bij uitsluiting bevoegd kennis te nemen van een vordering betreffende dezelfde schade tegen het Aanvullend Fonds tot vergoeding ingevolge het bepaalde in artikel 4 van dit Protocol. Indien echter een vordering tot vergoeding van schade door verontreiniging op grond van het Aansprakelijkheidsverdrag, 1992, is ingesteld bij de rechter van een Verdragsluitende Staat die wel partij is bij het Aansprakelijkheidsverdrag, 1992, doch niet bij dit Protocol, moet een vordering tegen het Aanvullend Fonds ingevolge artikel 4 van dit Protocol, ter keuze van de schuldeiser, worden ingesteld hetzij bij de rechter van de Staat waar het Aanvullend Fonds zijn zetel heeft, hetzij bij een ingevolge artikel IX van het Aansprakelijkheidsverdrag, 1992, bevoegde rechter van een Verdragsluitende Staat die partij is bij dit Protocol.

3.

Indien, niettegenstaande het eerste lid, een vordering tot vergoeding van schade door verontreiniging tegen het Fonds 1992, is ingesteld bij de rechter van een Verdragsluitende Staat die partij is bij het Fondsverdrag, 1992, doch niet bij dit Protocol, moet een samenhangende vordering tegen het Aanvullend Fonds, ter keuze van de schuldeiser, worden ingesteld hetzij bij de rechter van de Staat waar het Aanvullend Fonds zijn zetel heeft, hetzij bij een ingevolge het eerste lid bevoegde rechter van een Verdragsluitende Staat.

Artikel 8

1.

Met inachtneming van een besluit omtrent de verdeling bedoeld in artikel 4, derde lid, van dit Protocol, worden uitspraken betreffende het Aanvullend Fonds van een overeenkomstig artikel 7 van dit Protocol bevoegde rechter, wanneer deze voor tenuitvoerlegging vatbaar zijn geworden in de Staat waar zij zijn gedaan en waartegen in die Staat geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat, in elke Verdragsluitende Staat erkend en voor tenuitvoerlegging vatbaar op dezelfde voorwaarden als die vervat in artikel X van het Aansprakelijkheidsverdrag, 1992.

2.

Een Verdragsluitende Staat kan andere regels toepassen voor de erkenning en tenuitvoerlegging van rechterlijke uitspraken, mits deze ertoe strekken te waarborgen dat uitspraken in ten minste dezelfde mate als ingevolge het eerste lid worden erkend of ten uitvoer worden gelegd.

Artikel 9

1.

Het Aanvullend Fonds treedt voor elk bedrag dat het aan vergoeding van schade door verontreiniging op grond van artikel 4, eerste lid, van dit Protocol heeft betaald, bij wege van subrogatie in de rechten die de persoon wiens schade aldus is vergoed, op grond van het Aansprakelijkheidsverdrag, 1992, zou kunnen doen gelden ten aanzien van de eigenaar of zijn garant.

2.

Het Aanvullend Fonds treedt bij wege van subrogatie in de rechten die de persoon wiens schade door hem is vergoed, op grond van het Fondsverdrag, 1992, zou kunnen doen gelden ten aanzien van het Fonds 1992.

3.

Niets in dit Protocol tast enig recht op verhaal of subrogatie aan dat het Aanvullend Fonds kan doen gelden ten aanzien van andere personen dan die bedoeld in de voorgaande leden. In elk geval zal het recht dat het Aanvullend Fonds bij wege van subrogatie ten aanzien van een dergelijke persoon heeft, ten minste gelijkwaardig zijn aan dat van een verzekeraar van de persoon aan wie de schadevergoeding is betaald.

4.

Onverminderd elk ander recht van subrogatie of verhaal op het Aanvullend Fonds, treedt een Verdragsluitende Staat die, of een orgaan van deze Staat dat vergoeding heeft betaald voor schade door verontreiniging overeenkomstig de bepalingen van de wet van deze Staat, bij wege van subrogatie in de rechten die de persoon wiens schade aldus is vergoed, op grond van dit Protocol zou hebben gehad.

BIJDRAGEN

Artikel 10

1.

Voor elke Verdragsluitende Staat worden aan het Aanvullend Fonds jaarlijks bijdragen betaald door iedere persoon die, in het kalenderjaar bedoeld in artikel 11, tweede lid, onderdeel a of b, bijdragende olie heeft ontvangen in hoeveelheden die in totaal meer dan 150.000 ton bedragen, en wel:

  • a. bijdragende olie die over zee is aangevoerd in havens of laad- en losinstallaties op het grondgebied van die Staat; en
  • b. bijdragende olie die is ontvangen in enige installatie op het grondgebied van die Verdragsluitende Staat en die over zee is vervoerd en gelost in een haven of een laad- of losinstallatie van een niet-Verdragsluitende Staat, evenwel met dien verstande dat bijdragende olie eerst dan in aanmerking wordt genomen ingevolge dit onderdeel, wanneer deze voor de eerste maal wordt ontvangen in een Verdragsluitende Staat na te zijn gelost in die niet-Verdragsluitende Staat.
2.

Het bepaalde in artikel 10, tweede lid, van het Fondsverdrag, 1992, is van toepassing ten aanzien van de verplichting bij te dragen aan het Aanvullend Fonds.

Artikel 11

1.

Ter bepaling van het bedrag dat eventueel verschuldigd is aan jaarlijkse bijdragen, stelt de Algemene Vergadering, rekening houdend met de noodzaak van het beschikbaar zijn van voldoende liquide middelen, voor elk jaar een voorlopige begroting op van:

  • i. Uitgaven
  • a. kosten en uitgaven van de administratie van het Aanvullend Fonds in het desbetreffende jaar en tekorten voortvloeiend uit verrichtingen in voorafgaande jaren;
  • b. door het Aanvullend Fonds in het desbetreffende jaar te verrichten betalingen ter voldoening van vergoedingen, verschuldigd ingevolge artikel 4, daaronder begrepen terugbetaling van leningen die het Aanvullend Fonds eerder ter voldoening van dergelijke vergoedingen is aangegaan.
  • ii. Inkomsten
  • a. overschotten uit verrichtingen in voorgaande jaren, met inbegrip van eventuele renten;
  • b. jaarlijkse bijdragen, die nodig mochten zijn om een sluitende begroting te verkrijgen;
  • c. andere inkomsten.
2.

De Algemene Vergadering besluit over het te heffen totale bedrag aan bijdragen. Op basis van dat besluit berekent de Directeur van het Aanvullend Fonds, ten aanzien van elke Verdragsluitende Staat, voor elke persoon bedoeld in artikel 10 het bedrag van diens jaarlijkse bijdrage:

  • a. indien het een bijdrage betreft ter voldoening van betalingen bedoeld in het eerste lid, onderdeel i, a, op basis van een vast bedrag voor elke ton bijdragende olie die is ontvangen in de desbetreffende Staat door deze persoon gedurende het voorgaande kalenderjaar; en
  • b. indien het een bijdrage betreft ter voldoening van betalingen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel 1, b, op basis van een vast bedrag voor elke ton bijdragende olie die is ontvangen door deze persoon gedurende het kalenderjaar dat voorafgaat aan dat waarin het desbetreffende voorval heeft plaatsgevonden, mits die Staat op de datum van het voorval Partij was bij dit Protocol.
3.

De bedragen bedoeld in het tweede lid worden berekend door het totaal van de verschuldigde bijdragen te delen door de totale hoeveelheid bijdragende olie die in het desbetreffende jaar is ontvangen in alle Verdragsluitende Staten.

4.

De jaarlijkse bijdrage is verschuldigd op de datum te bepalen in het huishoudelijk reglement van het Aanvullend Fonds. De Algemene Vergadering kan tot een andere betalingsdatum besluiten.

5.

De Algemene Vergadering kan, op de voorwaarden te bepalen in het financiële reglement van het Aanvullend Fonds, besluiten overschrijvingen te verrichten tussen gelden ontvangen overeenkomstig het tweede lid, onderdeel a, en gelden ontvangen overeenkomstig het tweede lid, onderdeel b.

Artikel 12

1.

De bepalingen van artikel 13 van het Fondsverdrag, 1992, zijn van toepassing op de bijdragen aan het Aanvullend Fonds.

2.

Een Verdragsluitende Staat kan zelf de verplichting op zich nemen bijdragen te betalen aan het Aanvullend Fonds overeenkomstig de procedure vervat in artikel 14 van het Fondsverdrag, 1992.

Artikel 13

1.

De Verdragsluitende Staten doen de Directeur van het Aanvullend Fonds mededeling van ontvangsten van olie overeenkomstig artikel 15 van het Fondsverdrag, 1992, echter met dien verstande dat mededelingen aan de Directeur van het Fondsverdrag, 1992, uit hoofde van artikel 15, tweede lid, van het Fondsverdrag, 1992, geacht worden tevens uit hoofde van dit Protocol te zijn gedaan.

2.

Wanneer een Verdragsluitende Staat niet voldoet aan zijn verplichtingen de Directeur de in het eerste lid bedoelde mededeling te doen en zulks leidt tot een financieel verlies voor het Aanvullend Fonds, is die Verdragsluitende Staat verplicht dit verlies aan het Aanvullend Fonds te vergoeden. De Algemene Vergadering besluit, op aanbeveling van de Directeur van het Aanvullend Fonds, of een Verdragsluitende Staat een dergelijke vergoeding dient te betalen.

Artikel 14

1.

Niettegenstaande artikel 10 wordt elke Verdragsluitende Staat, voor de toepassing van dit Protocol, geacht ten minste 1 miljoen ton bijdragende olie te ontvangen.

2.

Wanneer de totale hoeveelheid bijdragende olie die in een Verdragsluitende Staat wordt ontvangen minder bedraagt dan 1 miljoen ton, neemt de Verdragsluitende Staat de verplichtingen op zich die uit hoofde van dit Protocol zouden rusten op iedere persoon die verplicht zou zijn aan het Aanvullend Fonds bij te dragen ten aanzien van olie die op het grondgebied van die Staat is ontvangen, voor zover er geen persoon is die aansprakelijk is voor de totale hoeveelheid ontvangen olie.

Artikel 15

1.

Indien er in een Verdragsluitende Staat geen persoon is die voldoet aan de voorwaarden vervat in artikel 10, stelt die Verdragsluitende Staat voor de toepassing van dit Protocol de Directeur van het Aanvullend Fonds hiervan op de hoogte.

2.

Het Aanvullend Fonds betaalt geen vergoeding voor schade door verontreiniging op het grondgebied, in de territoriale zee of exclusieve economische zone of in een overeenkomstig artikel 3, onderdeel a, ii, van dit Protocol vastgesteld gebied van een Verdragsluitende Staat ten aanzien van een bepaald voorval of preventieve maatregelen, waar ook genomen, ter voorkoming of beperking van dergelijke schade, totdat aan de verplichting tot mededeling aan de Directeur van het Aanvullend Fonds uit hoofde van artikel 13, eerste lid en het eerste lid van dit artikel, is voldaan ten aanzien van die Verdragsluitende Staat met betrekking tot alle jaren voorafgaand aan het plaatsvinden van dat voorval.

De Algemene Vergadering stelt in haar huishoudelijk reglement de omstandigheden vast waaronder een Verdragsluitende Staat geacht wordt niet aan zijn verplichtingen te hebben voldaan.

3.

Wanneer vergoeding tijdelijk is geweigerd overeenkomstig het tweede lid, wordt vergoeding definitief geweigerd ten aanzien van dat voorval indien niet wordt voldaan aan de verplichting tot mededeling aan de Directeur van het Aanvullend Fonds uit hoofde van artikel 13, eerste lid en het eerste lid van dit artikel, binnen een jaar nadat de Directeur van het Aanvullend Fonds de Verdragsluitende Staat ervan in kennis heeft gesteld dat niet aan de verplichting tot mededeling is voldaan.

4.

Betalingen van bijdragen die verschuldigd zijn aan het Aanvullend Fonds worden verrekend met de vergoeding die aan de schuldenaar of diens vertegenwoordigers verschuldigd is.

ORGANISATIE EN ADMINISTRATIE

Artikel 16

1.

Het Aanvullend Fonds heeft een Algemene Vergadering en een Secretariaat onder leiding van een Directeur.

2.

De artikelen 17 tot en met 20 en 28 tot en met 32 van het Fondsverdrag, 1992, zijn van toepassing op de Algemene Vergadering, het Secretariaat en de Directeur van het Aanvullend Fonds.

3.

Artikel 34 van het Fondsverdrag, 1992, is van toepassing op het Aanvullend Fonds.

Artikel 17

1.

Het Secretariaat van het Fonds 1992, en de Directeur die het Fonds 1992 leidt, kunnen tevens fungeren als het Secretariaat en de Directeur van het Aanvullend Fonds.

2.

Indien, overeenkomstig het eerste lid, het Secretariaat en de Directeur van het Fonds 1992, tevens de taken uitvoeren van Secretariaat en Directeur van het Aanvullend Fonds, wordt het Aanvullend Fonds, in gevallen van strijdigheid van belangen tussen het Fonds 1992 en het Aanvullend Fonds, vertegenwoordigd door de Voorzitter van de Algemene Vergadering.

3.

De Directeur van het Aanvullend Fonds, het door hem aangestelde personeel en de door hem benoemde deskundigen, die hun taken uitvoeren ingevolge dit Protocol en het Fondsverdrag, 1992, worden niet geacht de bepalingen van artikel 30 van het Fondsverdrag, 1992, zoals toegepast door artikel 16, tweede lid, van dit Protocol te overtreden, voor zover zij hun taken uitoefenen overeenkomstig dit artikel.

4.

De Algemene Vergadering tracht geen besluiten te nemen die onverenigbaar zijn met de besluiten genomen door de Algemene Vergadering van het Fonds 1992. Indien zich verschillen van mening met betrekking tot gemeenschappelijke administratieve kwesties voordoen, poogt de Algemene Vergadering in een geest van onderlinge samenwerking en met de gemeenschappelijke doelstellingen van beide organisaties voor ogen overeenstemming te bereiken met de Algemene Vergadering van het Fonds 1992.

5.

Het Aanvullend Fonds vergoedt aan het Fonds 1992, alle kosten en uitgaven voortvloeiend uit administratieve diensten door het Fonds 1992 namens het Aanvullend Fonds verricht.

OVERGANGSBEPALINGEN

Artikel 18

1.

Behoudens het vierde lid, is het totale bedrag van de verschuldigde jaarlijkse bijdragen ten aanzien van bijdragende olie ontvangen in één Verdragsluitende Staat gedurende een kalenderjaar niet hoger dan 20% van het totale bedrag van de jaarlijkse bijdragen ingevolge dit Protocol met betrekking tot dat kalenderjaar.

2.

Indien de toepassing van het bepaalde in artikel 11, tweede en derde lid, ertoe zou leiden dat het totale bedrag van de door de bijdrageplichtigen in één Verdragsluitende Staat met betrekking tot een bepaald kalenderjaar verschuldigde jaarlijkse bijdragen meer bedraagt dan 20% van de totale jaarlijkse bijdragen, dan worden de door de bijdragenplichtigen in die Staat verschuldigde bijdragen naar evenredigheid verlaagd zodat het totaal van hun bijdragen gelijk is aan 20% van de totale jaarlijkse bijdragen aan het Aanvullend Fonds met betrekking tot dat jaar.

3.

Indien de door personen in een bepaalde Verdragsluitende Staat verschuldigde bijdragen worden verlaagd ingevolge het tweede lid, dan worden de door personen in alle andere Verdragsluitende Staten verschuldigde bijdragen naar evenredigheid verhoogd, teneinde te verzekeren dat het totale bedrag van de bijdragen verschuldigd door alle personen die met betrekking tot het kalenderjaar in kwestie verplicht zijn aan het Aanvullend Fonds bij te dragen het totale bedrag aan bijdragen bereikt dat de Algemene Vergadering heeft vastgesteld.

4.

Het bepaalde in het eerste tot en met het derde lid is van toepassing totdat de totale hoeveelheid bijdragende olie die in een kalenderjaar is ontvangen in alle Verdragsluitende Staten, met inbegrip van de in artikel 14, eerste lid, genoemde hoeveelheden, 1.000 miljoen ton heeft bereikt, of totdat een periode van 10 jaar na de datum van inwerkingtreding van dit Protocol is verstreken, al naar gelang van hetgeen zich het eerst voordoet.

SLOTBEPALINGEN

Artikel 19. Ondertekening, bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring en toetreding

1.

Dit Protocol staat open voor ondertekening te Londen van 31 juli 2003 tot en met 30 juli 2004.

2.

Staten kunnen hun instemming door dit Protocol te worden gebonden tot uitdrukking brengen door:

  • a. ondertekening zonder voorbehoud ten aanzien van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring; of
  • b. ondertekening onder voorbehoud van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring, gevolgd door bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring; of
  • c. toetreding.
3.

Slechts Verdragsluitende Staten die partij zijn bij het Fondsverdrag, 1992, kunnen partij bij dit Protocol worden.

4.

Bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding geschiedt door nederlegging van een daartoe strekkende akte bij de Secretaris-Generaal.

Artikel 20. Informatie omtrent bijdragende olie

Alvorens dit Protocol ten aanzien van een Staat in werking treedt, moet die Staat, bij de ondertekening van dit Protocol overeenkomstig artikel 19, tweede lid, onderdeel a, of bij de nederlegging van een akte bedoeld in artikel 19, vierde lid, van dit Protocol, en vervolgens jaarlijks op een door de Secretaris-Generaal vast te stellen tijdstip, deze de naam en het adres mededelen van de personen die voor die Staat op grond van artikel 10 verplicht zouden zijn aan het Aanvullend Fonds bij te dragen, alsmede gegevens betreffende de in aanmerking komende hoeveelheden bijdragende olie die binnen het grondgebied van die Staat gedurende het voorgaande kalenderjaar door die personen zijn ontvangen.

Artikel 21. Inwerkingtreding

1.

Dit Protocol treedt in werking drie maanden na de datum waarop aan de volgende eisen is voldaan:

  • a. ten minste acht Staten hebben het Protocol ondertekend zonder voorbehoud ten aanzien van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring, of hebben een akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding nedergelegd bij de Secretaris-Generaal; en
  • b. de Secretaris-Generaal heeft van de Directeur van het Fonds 1992 mededeling ontvangen dat de personen die ingevolge artikel 10 verplicht zouden zijn bij te dragen, gedurende het voorgaande kalenderjaar in totaal een hoeveelheid van ten minste 450 miljoen ton bijdragende olie hebben ontvangen, met inbegrip van de in artikel 14, eerste lid, bedoelde hoeveelheden.
2.

Ten aanzien van elke Staat die dit Protocol zonder voorbehoud ten aanzien van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring ondertekent, of die dit Protocol bekrachtigt, aanvaardt, goedkeurt of ertoe toetreedt nadat aan de in het eerste lid gestelde voorwaarden is voldaan, treedt dit Protocol in werking drie maanden na de datum van nederlegging door die Staat van de daartoe strekkende akte.

3.

Niettegenstaande het eerste en tweede lid, treedt dit Protocol pas in werking ten aanzien van een Staat wanneer het Fondsverdrag, 1992, voor die Staat in werking treedt.

Artikel 22. Eerste zitting van de Algemene Vergadering

De Secretaris-Generaal roept de eerste zitting van de Algemene Vergadering bijeen. Deze zitting vindt plaats zo spoedig mogelijk na de inwerkingtreding van dit Protocol en in elk geval niet later dan dertig dagen na die inwerkingtreding.

Artikel 23. Herziening en wijziging

1.

De Organisatie kan een conferentie tot herziening of wijziging van dit Protocol bijeenroepen.

2.

De Organisatie roept een conferentie van de Verdragsluitende Staten bijeen tot herziening of wijziging van dit Protocol op verzoek van ten minste een derde van alle Verdragsluitende Staten.

Artikel 24. Wijziging van de vergoedingsgrens

1.

Op verzoek van ten minste een vierde van de Verdragsluitende Staten worden voorstellen tot wijziging van de vergoedingsgrens neergelegd in artikel 4, tweede lid, onderdeel a, door de Secretaris-Generaal toegezonden aan alle Leden van de Organisatie en aan alle Verdragsluitende Staten.

2.

Elke voorgestelde en zoals hierboven aangegeven toegezonden wijziging wordt ter overweging voorgelegd aan de Juridische Commissie van de Organisatie op een datum ten minste zes maanden na de datum van toezending.

3.

Alle Verdragsluitende Staten bij dit Protocol, ongeacht of zij lid van de Organisatie zijn, zijn gerechtigd deel te nemen aan de werkzaamheden van de Juridische Commissie ter overweging en aanneming van wijzigingen.

4.

Wijzigingen worden aangenomen met een meerderheid van tweederde van de Verdragsluitende Staten die aanwezig zijn en hun stem uitbrengen in de Juridische Commissie, welke is uitgebreid zoals bepaald in het derde lid, mits ten minste de helft van de Verdragsluitende Staten aanwezig is op het tijdstip van de stemming.

5.

Wanneer de Juridische Commissie een voorstel tot wijziging van de grens bespreekt, houdt zij rekening met de ervaring opgedaan bij voorvallen en in het bijzonder met het bedrag van de daaruit voortvloeiende schade alsmede met wijzigingen in geldswaarden.

  • a. Geen wijziging van de grens ingevolge dit artikel mag worden overwogen vóór de datum van inwerkingtreding van dit Protocol en evenmin binnen drie jaar vanaf de datum van inwerkingtreding van een voorgaande wijziging ingevolge dit artikel.
  • b. Geen grens mag zodanig worden verhoogd dat deze een bedrag overschrijdt dat overeenkomt met de grens vervat in dit Protocol, verhoogd met zes procent per jaar berekend op samengestelde basis vanaf de datum waarop dit Protocol is opengesteld voor ondertekening tot en met de datum waarop de beslissing van de Juridische Commissie in werking treedt.
  • c. Geen grens mag zodanig worden verhoogd dat deze een bedrag overschrijdt dat overeenkomt met de grens vervat in dit Protocol vermenigvuldigd met drie.
7.

Elke wijziging aangenomen overeenkomstig het vierde lid wordt door de Organisatie ter kennis gebracht van alle Verdragsluitende Staten. De wijziging wordt geacht te zijn aanvaard aan het einde van een tijdvak van twaalf maanden na de datum van kennisgeving, tenzij binnen dat tijdvak niet minder dan eenvierde van de Staten die Verdragsluitende Staten waren op het tijdstip van aanneming van de wijziging door de Juridische Commissie de Organisatie hebben medegedeeld dat zij de wijziging niet aanvaarden, in welk geval de wijziging is verworpen en deze niet van kracht wordt.

8.

Een wijziging die geacht wordt te zijn aanvaard overeenkomstig het zevende lid, treedt in werking twaalf maanden na aanvaarding ervan.

9.

Alle Verdragsluitende Staten zijn gebonden door de wijziging, tenzij zij ten minste zes maanden voordat de wijziging in werking treedt dit Protocol opzeggen overeenkomstig artikel 26, eerste en tweede lid. Een dergelijke opzegging wordt van kracht wanneer de wijziging in werking treedt.

10.

Wanneer een wijziging door de Juridische Commissie is aangenomen, maar het tijdvak van twaalf maanden voor de aanvaarding ervan nog niet is verstreken, is een Staat die gedurende dat tijdvak een Verdragsluitende Staat wordt, door de wijziging gebonden indien deze in werking treedt. Een Staat die na dat tijdvak een Verdragsluitende Staat wordt, is gebonden door een wijziging die overeenkomstig het zevende lid is aanvaard. In de gevallen bedoeld in dit lid wordt een Staat gebonden door een wijziging wanneer deze wijziging in werking treedt, of wanneer dit Protocol voor die Staat in werking treedt, indien deze datum later valt.

Artikel 25. Protocollen bij het Fondsverdrag, 1992

1.

Indien de grenzen vervat in het Fondsverdrag, 1992, ingevolge een Protocol daarbij zijn verhoogd, mag de grens vervat in artikel 4, tweede lid, onderdeel a, met hetzelfde bedrag worden verhoogd door middel van de in artikel 24 vervatte procedure. De bepalingen van artikel 24, zesde lid, zijn in deze gevallen niet van toepassing.

2.

Indien de in het eerste lid genoemde procedure is toegepast, wordt een daaropvolgende wijziging van de in artikel 4, tweede lid, vervatte grens, door toepassing van de procedure in artikel 24, voor de toepassing van artikel 24, zesde lid, onderdeel b en c, berekend op basis van de nieuwe grens zoals ingevolge het eerste lid verhoogd.

Artikel 26. Opzegging

1.

Een Verdragsluitende Staat kan dit Protocol, na de datum waarop het voor die Verdragsluitende Staat in werking is getreden, te allen tijde opzeggen.

2.

Opzegging geschiedt door nederlegging van een akte bij de Secretaris-Generaal.

3.

Een opzegging wordt van kracht twaalf maanden na nederlegging van de akte van opzegging bij de Secretaris-Generaal of na een langere termijn wanneer deze in die akte is bepaald.

4.

Opzegging van het Fondsverdrag, 1992, wordt beschouwd als opzegging van dit Protocol. Een dergelijke opzegging wordt van kracht op de datum waarop de opzegging van het Protocol van 1992 tot wijziging van het Fondsverdrag, 1971, van kracht wordt overeenkomstig artikel 34 van dat Protocol.

5.

Niettegenstaande een opzegging van dit Protocol door een Verdragsluitende Staat ingevolge dit artikel blijven de bepalingen van dit Protocol welke verband houden met de verplichtingen om bij te dragen aan het Aanvullend Fonds van toepassing ten aanzien van een voorval zoals bedoeld in artikel 11, tweede lid, onderdeel b, dat zich heeft voorgedaan voordat de opzegging van kracht wordt.

Artikel 27. Buitengewone zittingen van de Algemene Vergadering

1.

Iedere Verdragsluitende Staat kan binnen negentig dagen na de nederlegging van een akte van opzegging, welke naar zijn mening een belangrijke stijging van de bijdragen voor de overblijvende Verdragsluitende Staten ten gevolge zal hebben, de Directeur van het Aanvullend Fonds verzoeken een buitengewone zitting van de Algemene Vergadering bijeen te roepen. De Directeur van het Aanvullend Fonds roept de Algemene Vergadering uiterlijk zestig dagen na ontvangst van het verzoek bijeen.

2.

De Directeur van het Aanvullend Fonds kan op eigen initiatief een buitengewone zitting van de Algemene Vergadering bijeenroepen binnen zestig dagen na de nederlegging van een akte van opzegging, indien hij van mening is dat deze opzegging zal leiden tot een belangrijke stijging van de bijdragen voor de overgebleven leden.

3.

Indien de Algemene Vergadering, in een buitengewone zitting bijeengeroepen overeenkomstig het eerste of het tweede lid, besluit dat de opzegging zal leiden tot een belangrijke stijging van de bijdragen voor de overblijvende Verdragsluitende Staten, kan elk van deze Staten uiterlijk honderdtwintig dagen voor de datum waarop de opzegging van kracht wordt, dit Protocol opzeggen met ingang van dezelfde datum.

Artikel 28. Beëindiging

1.

Dit Protocol houdt op van kracht te zijn op de datum waarop het aantal Verdragsluitende Staten minder wordt dan zeven of waarop de totale hoeveelheid bijdragende olie die in de overgebleven Verdragsluitende Staten wordt ontvangen, met inbegrip van de in artikel 14, eerste lid, bedoelde hoeveelheden, minder wordt dan 350 miljoen ton, al naar gelang hetgeen zich het eerst voordoet.

2.

De Staten die door dit Protocol zijn gebonden op de dag voorafgaande aan die waarop dit Protocol ophoudt van kracht te zijn, dienen het Aanvullend Fonds in staat te stellen zijn functies als beschreven in artikel 29 uit te oefenen en blijven slechts voor dit doel door het Protocol gebonden.

Artikel 29. Vereffening van het Aanvullend Fonds

1.

Indien dit Protocol ophoudt van kracht te zijn, is het Aanvullend Fonds niettemin:

  • a. gehouden zijn verplichtingen na te komen ten aanzien van een voorval dat zich heeft voorgedaan voordat het Protocol ophield van kracht te zijn;
  • b. gerechtigd zijn rechten op bijdragen uit te oefenen in zoverre deze bijdragen noodzakelijk zijn om te voldoen aan de verplichtingen krachtens onderdeel a van dit lid, met inbegrip van uitgaven ten behoeve van het beheer van dit Aanvullend Fonds die noodzakelijk zijn voor dat doel.
2.

De Algemene Vergadering dient alle passende maatregelen te nemen voor de vereffening van het Aanvullend Fonds, met inbegrip van de billijke verdeling van eventueel overblijvende activa onder de personen die aan het Aanvullend Fonds hebben bijgedragen.

3.

Voor de toepassing van dit artikel blijft het Aanvullend Fonds een rechtspersoon.

Artikel 30. Depositaris

1.

Dit Protocol en alle ingevolge artikel 24 aanvaarde wijzigingen worden nedergelegd bij de Secretaris-Generaal.

2.

De Secretaris-Generaal:

  • a. stelt alle Staten die dit Protocol hebben ondertekend of ertoe zijn toegetreden in kennis van:
  • i. elke nieuwe ondertekening of nederlegging van een akte en de datum daarvan;
  • ii. de datum van inwerkingtreding van dit Protocol;
  • iii. alle voorstellen tot wijziging van de vergoedingsgrens die zijn gedaan overeenkomstig artikel 24, eerste lid;
  • iv. alle wijzigingen die zijn aangenomen overeenkomstig artikel 24, vierde lid;
  • v. alle wijzigingen die ingevolge artikel 24, zevende lid, worden geacht te zijn aanvaard, alsmede de datum waarop die wijzigingen in werking treden overeenkomstig het achtste en negende lid van dat artikel;
  • vi. de nederlegging van een akte van opzegging van dit Protocol, de datum van nederlegging en de datum waarop deze van kracht wordt;
  • vii. alle mededelingen die ingevolge een artikel van dit Protocol vereist zijn;
  • b. zendt voor eensluidend gewaarmerkte afschriften van dit Protocol toe aan alle ondertekenende Staten en aan alle Staten die tot het Protocol toetreden.
3.

Zodra dit Protocol in werking treedt, wordt de tekst door de Secretaris-Generaal toegezonden aan het Secretariaat van de Verenigde Naties voor registratie en publicatie overeenkomstig artikel 102 van het Handvest van de Verenigde Naties.

Artikel 31. Talen

Dit Protocol is opgesteld in één oorspronkelijk exemplaar in de Arabische, de Chinese, de Engelse, de Franse, de Russische en de Spaanse taal, zijnde alle teksten gelijkelijk authentiek.

DONE at London this sixteenth day of May, two thousand and three.

IN WITNESS WHEREOF the undersigned, being duly authorised by their respective Governments for that purpose, have signed this Protocol.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)