Verdrag inzake de fysieke beveiliging van kernmateriaal en kerninstallaties

Type Verdrag
Publication 2016-05-08
State In force
Source BWB
artikelen 28
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

De Staten die partij zijn bij dit Verdrag,

Onder erkenning van het recht van alle Staten kernenergie te ontwikkelen en toe te passen voor vreedzame doeleinden, en het recht te genieten van de voordelen die uit een vreedzame toepassing van kernenergie kunnen voortvloeien,

Overtuigd van de noodzaak de internationale samenwerking en de overdracht van nucleaire technologie betreffende de vreedzame toepassing van kernenergie te vergemakkelijken,

Indachtig dat fysieke beveiliging van wezenlijk belang is voor de bescherming van de volksgezondheid, de veiligheid, het milieu en de nationale en internationale veiligheid,

Indachtig de doelstellingen en beginselen van het Handvest van de Verenigde Naties betreffende de handhaving van de internationale vrede en veiligheid en de bevordering van goed nabuurschap, vriendschappelijke betrekkingen en samenwerking tussen Staten,

Overwegend dat ingevolge de bepalingen van artikel 2, vierde lid, van het Handvest van de Verenigde Naties het volgende van toepassing is: „In hun internationale betrekkingen onthouden alle Leden zich van bedreiging met of het gebruik van geweld tegen de territoriale integriteit of de politieke onafhankelijkheid van enige Staat of van elke andere handelwijze die onverenigbaar is met de doelstellingen van de Verenigde Naties”,

In herinnering brengend de Verklaring inzake maatregelen tot uitbanning van internationaal terrorisme als bijlage bij de resolutie van de Algemene Vergadering 49/60 van 9 december 1994,

Geleid door de wens de potentiële gevaren die gevormd worden door illegale handel, het wederrechtelijk toe-eigenen en gebruiken van kernmateriaal en de sabotage van kernmateriaal en kerninstallaties af te wenden en vaststellend dat de fysieke beveiliging tegen dergelijke daden in nationaal en internationaal opzicht een bron van toenemende zorg is geworden,

Ernstig bezorgd over de toeneming over de gehele wereld van daden van terrorisme, in al zijn gedaantes en verschijningsvormen, en over de bedreiging die wordt gevormd door internationaal terrorisme en georganiseerde misdaad,

Van mening dat fysieke beveiliging een belangrijke rol speelt bij het ondersteunen van de doelstellingen met betrekking tot de niet-verspreiding van kernwapens en het bestrijden van terrorisme,

Geleid door de wens dat via dit Verdrag een bijdrage wordt geleverd aan de wereldwijde versterking van de fysieke beveiliging van kernmateriaal en kerninstallaties gebruikt voor vreedzame doeleinden,

Ervan overtuigd dat strafbare feiten met betrekking tot kernmateriaal en kerninstallaties een zaak van ernstige zorg zijn en dat het dringend noodzakelijk is gepaste en doeltreffende maatregelen te nemen, of bestaande maatregelen aan te scherpen, om deze strafbare feiten te voorkomen, op te sporen en te vervolgen,

Geleid door de wens de internationale samenwerking verder te versterken met het oog op het tot stand brengen, in overeenstemming met de nationale wetgeving van iedere Verdragsluitende Partij en met dit Verdrag, van doeltreffende maatregelen voor de fysieke beveiliging van kernmateriaal en kerninstallaties,

Ervan overtuigd dat dit Verdrag het veilige gebruik en vervoer en de veilige opslag van kernmateriaal en de veilige exploitatie van kerninstallaties zou moeten aanvullen,

Erkennend dat er internationaal vastgestelde aanbevelingen met betrekking tot fysieke beveiliging bestaan, die van tijd tot tijd worden geactualiseerd en die als leidraad kunnen dienen met betrekking tot eigentijdse middelen om een hoog niveau van fysieke beveiliging te bereiken,

Tevens erkennend dat de doeltreffende fysieke beveiliging van kernmateriaal en kerninstallaties gebruikt voor militaire doeleinden onder de verantwoordelijkheid valt van de Staat die dergelijk kernmateriaal en dergelijke kerninstallaties bezit, en in het besef dat aan dergelijk materiaal en dergelijke installaties een strenge fysieke beveiliging gegeven wordt en blijft worden,

Zijn het volgende overeengekomen:

Artikel 1

Voor de toepassing van dit Verdrag wordt verstaan onder:

Artikel 2

1.

Dit Verdrag is van toepassing op kernmateriaal gebruikt voor vreedzame doeleinden, tijdens het gebruik, de opslag en het vervoer ervan en op kerninstallaties gebruikt voor vreedzame doeleinden, echter met dien verstande dat de artikelen drie en vier en artikel vijf, vierde lid, van dit Verdrag uitsluitend van toepassing zijn op dergelijk kernmateriaal tijdens het internationaal vervoer ervan.

2.

De verantwoordelijkheid voor de instelling, uitvoering en handhaving van een stelsel voor fysieke beveiliging binnen een Verdragsluitende Staat, berust volledig bij die Staat.

3.

Met uitzondering van de verplichtingen die door de Verdragsluitende Staten uitdrukkelijk zijn aangegaan ingevolge dit Verdrag, wordt niets in dit Verdrag uitgelegd als een beperking van de soevereine rechten van een Staat.

5.

Dit Verdrag is niet van toepassing op kernmateriaal dat voor militaire doeleinden wordt gebruikt of bewaard, of op een kerninstallatie die dergelijk materiaal bevat.

Artikel 3

Elke Verdragsluitende Staat neemt, overeenkomstig zijn nationale wetgeving en het internationaal recht, de noodzakelijke maatregelen om, tijdens internationaal nucleair vervoer, het kernmateriaal dat zich op zijn grondgebied of aan boord van een onder zijn rechtsmacht vallend vaartuig of luchtvaartuig bevindt, voor zover dit vaartuig of luchtvaartuig aan het vervoer naar of van deze Staat deelneemt, zoveel mogelijk te beveiligen overeenkomstig de in bijlage I omschreven niveaus.

Artikel 4

1.

Iedere Verdragsluitende Staat voert geen kernmateriaal uit of laat de uitvoer ervan niet toe, tenzij deze Staat de zekerheid heeft ontvangen dat dit kernmateriaal tijdens het internationaal nucleair vervoer zal worden beveiligd overeenkomstig de in bijlage I omschreven niveaus.

2.

Iedere Verdragsluitende Staat voert geen kernmateriaal in of laat de invoer ervan uit een Staat die geen partij is bij dit Verdrag niet toe, tenzij deze Staat de zekerheid heeft ontvangen dat dit kernmateriaal tijdens het internationaal nucleair vervoer zal worden beveiligd overeenkomstig de in bijlage I omschreven niveaus.

3.

Een Verdragsluitende Staat geeft geen toestemming voor de doorvoer van kernmateriaal op zijn grondgebied over land of binnenwateren of via zijn lucht- of zeehavens, bij vervoer tussen Staten die geen partij zijn bij dit Verdrag, tenzij deze Staat de grootst mogelijke zekerheid heeft ontvangen dat dit kernmateriaal tijdens het internationaal nucleair vervoer zal worden beveiligd overeenkomstig de in bijlage I omschreven niveaus.

4.

Iedere Verdragsluitende Staat past overeenkomstig zijn nationale wetgeving de in bijlage I omschreven niveaus van fysieke beveiliging toe op het kernmateriaal dat van het ene deel van deze Staat naar een ander deel van dezelfde Staat wordt vervoerd via internationale wateren of door het internationale luchtruim.

5.

De Verdragsluitende Staat aan wie volgens het eerste en het derde lid de zekerheid dient te worden gegeven dat het kernmateriaal zal worden beveiligd overeenkomstig de in bijlage I omschreven niveaus, stelt van tevoren de Staten vast via welke dit kernmateriaal vermoedelijk zal worden doorgevoerd over land of binnenwateren, of via welker lucht- of zeehavens het naar verwachting hun gebied zal binnenkomen, en stelt deze Staten daarvan vooraf in kennis.

6.

De verantwoordelijkheid met betrekking tot het verkrijgen van de in het eerste lid bedoelde zekerheid kan met wederzijds goedvinden worden overgedragen aan de Verdragsluitende Staat die als invoerende Staat bij het vervoer betrokken is.

7.

Niets in dit artikel mag worden uitgelegd als enigerlei beperking van de territoriale soevereiniteit en rechtsmacht van een Staat, in het bijzonder met betrekking tot het luchtruim en de territoriale zee van deze Staat.

Artikel 5

1.

De Verdragsluitende Staten stellen elkaar rechtstreeks of door tussenkomst van de Internationale Organisatie voor Atoomenergie in kennis van hun contactorgaan met betrekking tot aangelegenheden die onder dit Verdrag vallen.

2.

In geval van diefstal, roof of enige andere wederrechtelijke toe-eigening van kernmateriaal of bij reëel gevaar daarvoor, dienen de Verdragsluitende Staten overeenkomstig hun nationale wetgeving aan iedere Staat die daarom verzoekt, naar hun beste vermogen medewerking en hulp te verlenen bij het terugkrijgen en beveiligen van dit materiaal. In het bijzonder:

De wijze waarop deze samenwerking plaatsvindt, wordt door de betrokken Verdragsluitende Staten bepaald.

3.

In geval van een reëel gevaar voor sabotage van kernmateriaal of een kerninstallatie of in geval van sabotage daarvan, werken de Verdragsluitende Staten, zoveel als mogelijk is, in overeenstemming met hun nationale wetgeving en verenigbaar met hun relevante verplichtingen ingevolge het internationaal recht, op de volgende wijze samen:

4.

De Verdragsluitende Staten werken onderling samen en plegen overleg, indien nodig, rechtstreeks of door tussenkomst van de Internationale Organisatie voor Atoomenergie en andere relevante internationale organisaties, teneinde richtsnoeren betreffende het ontwerp, de handhaving en verbetering van systemen voor fysieke beveiliging van kernmateriaal in internationaal vervoer te verkrijgen.

5.

Een Verdragsluitende Staat kan, indien nodig, met andere Verdragsluitende Staten overleg plegen of ermee samenwerken, rechtstreeks of door tussenkomst van de Internationale Organisatie voor Atoomenergie en andere relevante internationale organisaties, teneinde van hen richtsnoeren te verkrijgen betreffende het ontwerp, de handhaving en verbetering van zijn nationale systeem voor fysieke beveiliging van kernmateriaal dat op zijn nationale grondgebied wordt gebruikt, opgeslagen en vervoerd en van kerninstallaties.

Artikel 6

1.

De Verdragsluitende Staten nemen passende maatregelen die verenigbaar zijn met hun nationale recht teneinde het vertrouwelijk karakter te beschermen van inlichtingen die zij in vertrouwen uit hoofde van de bepalingen van dit Verdrag van een andere Verdragsluitende Staat ontvangen of in het kader van hun deelname aan een activiteit die wordt verricht ten behoeve van de uitvoering van dit Verdrag. Indien Verdragsluitende Staten in vertrouwen inlichtingen verschaffen aan internationale organisaties of aan Staten die geen partij zijn bij dit Verdrag, worden maatregelen getroffen teneinde te verzekeren dat het vertrouwelijk karakter van dergelijke inlichtingen gewaarborgd wordt. Een Verdragsluitende Partij die inlichtingen in vertrouwen heeft ontvangen van een andere Verdragsluitende Partij mag deze inlichtingen uitsluitend met toestemming van die andere Verdragsluitende Partij aan derden verstrekken.

2.

Van Verdragsluitende Staten wordt op grond van dit Verdrag niet verlangd dat zij inlichtingen verschaffen die zij niet mogen doorgeven ingevolge hun nationale wetgeving of wanneer zulks de veiligheid van de betrokken Staat of de fysieke beveiliging van kernmateriaal of kerninstallaties in gevaar zou brengen.

Artikel 7

1.

Het opzettelijk begaan van een van de volgende feiten:

wordt door iedere Verdragsluitende Staat in zijn nationale wetgeving strafbaar gesteld.

2.

Iedere Verdragsluitende Staat verbindt zich er toe op de in dit artikel genoemde strafbare feiten straffen te stellen die beantwoorden aan de ernst van deze feiten.

Artikel 8

1.

Iedere Verdragsluitende Staat neemt de maatregelen die nodig zijn om zijn bevoegdheid vast te leggen tot kennisneming van de in artikel 7 bedoelde strafbare feiten in de volgende gevallen:

2.

Iedere Verdragsluitende Staat neemt tevens de maatregelen die nodig zijn om zijn bevoegdheid tot kennisneming van deze strafbare feiten vast te leggen in gevallen waarin de vermoedelijke dader zich op zijn grondgebied bevindt en de Staat hem niet overeenkomstig artikel 11 uitlevert aan een van de in het eerste lid bedoelde Staten.

3.

Dit Verdrag sluit geen enkele bevoegdheid in strafzaken uit, die wordt uitgeoefend krachtens de nationale wet.

4.

Behalve de in het eerste en tweede lid bedoelde Staten, kunnen ook alle andere Verdragsluitende Staten die bij internationaal vervoer van kernmateriaal betrokken zijn als uitvoerende of invoerende Staat, bevoegdheid tot kennisneming van de in artikel 7 genoemde strafbare feiten vastleggen, overeenkomstig het internationale recht.

Artikel 9

Een Verdragsluitende Staat op het grondgebied waarvan de vermoedelijke dader zich bevindt, neemt, indien hij ervan overtuigd is dat de omstandigheden zulks wettigen, overeenkomstig zijn nationale wetgeving passende maatregelen, vrijheidsbeneming inbegrepen, ter verzekering van diens aanwezigheid met het oog op strafvervolging of uitlevering.

De maatregelen die op grond van dit artikel worden genomen, worden onverwijld meegedeeld aan de Staten die overeenkomstig artikel 8 hun bevoegdheid dienen vast te leggen, en zo nodig aan alle andere betrokken Staten.

Artikel 10

De Verdragsluitende Staat op het grondgebied waarvan de vermoedelijke dader wordt aangetroffen is, indien hij hem niet uitlevert, verplicht de zaak, zonder enige uitzondering en zonder onnodig uitstel, overeenkomstig de wetgeving van deze Staat voor vervolging aan zijn bevoegde autoriteiten over te dragen.

Artikel 11

1.

De in artikel 7 genoemde strafbare feiten worden geacht in elk tussen de Verdragsluitende Staten bestaand uitleveringsverdrag te zijn begrepen als uitleveringsdelicten. De Verdragsluitende Staten verplichten zich ertoe deze strafbare feiten op te nemen als uitleveringsdelicten in ieder uitleveringsverdrag dat tussen hen wordt gesloten.

2.

Indien een Verdragsluitende Staat welke uitlevering afhankelijk stelt van het bestaan van een verdrag, een verzoek om uitlevering ontvangt van een andere Verdragsluitende Staat waarmee hij geen uitleveringsverdrag heeft gesloten, kan hij, indien hij dat verkiest, dit Verdrag beschouwen als wettelijke basis voor uitlevering ter zake van de vorengenoemde strafbare feiten.

De uitlevering is onderworpen aan de overige voorwaarden, waarin het recht van de aangezochte Staat voorziet.

3.

De Verdragsluitende Staten die de uitlevering niet afhankelijk stellen van het bestaan van een verdrag, erkennen de vorengenoemde strafbare feiten onderling als uitleveringsdelicten, waarin het recht onderworpen aan de voorwaarden van de aangezochte Staat voorziet.

4.

Voor uitlevering tussen Verdragsluitende Staten wordt elk van deze strafbare feiten beschouwd als niet alleen begaan op de plaats waar het is gepleegd, maar ook op het grondgebied van de Verdragsluitende Staten die overeenkomstig het eerste lid van artikel 8 hun bevoegdheid dienen vast te leggen.

Artikel 12

Een ieder tegen wie een strafvervolging wordt ingesteld op grond van een van de in artikel 7 genoemde strafbare feiten, geniet een eerlijke behandeling in elk stadium van de gerechtelijke procedure.

Artikel 13

1.

De Verdragsluitende Staten verlenen wederzijds de ruimst mogelijke rechtshulp in strafzaken wegens de in artikel 7 genoemde strafbare feiten, met inbegrip van de verschaffing van bewijsstukken waarover zij beschikken en die noodzakelijk zijn voor strafvervolging.

In alle gevallen is op de uitvoering van een verzoek om rechtshulp de wet van de aangezochte staat van toepassing.

2.

Het bepaalde in het eerste lid laat verplichtingen uit hoofde van een ander bilateraal of multilateraal Verdrag dat geheel of gedeeltelijk de rechtshulp in strafzaken regelt of zal regelen, onverlet.

Artikel 14

1.

Iedere Verdragsluitende Staat stelt de Depositaris op de hoogte van de wetten en voorschriften uitgevaardigd ter uitvoering van dit Verdrag. De Depositaris brengt deze inlichtingen op geregelde tijdstippen ter kennis van alle Verdragsluitende Staten.

2.

De Verdragsluitende Staat op het grondgebied waarvan de vermoedelijke dader wordt vervolgd, deelt, voor zover zulks uitvoerbaar is, de definitieve gerechtelijke uitspraak in de eerste plaats mee aan de rechtstreeks betrokken Staten. De Verdragsluitende Staat deelt tevens deze uitspraak mee aan de Depositaris, die daarvan kennis geeft aan alle Staten.

3.

In gevallen waarin een strafbaar feit betrekking heeft op het gebruik, de opslag of het vervoer op het nationale grondgebied van kernmateriaal, waarbij zowel de vermoedelijke dader als het kernmateriaal zich bevinden op het grondgebied van de Verdragsluitende Staat waar het strafbare feit is gepleegd, of in gevallen waarin een strafbaar feit betrekking heeft op een kerninstallatie en de vermoedelijke dader zich bevindt op het grondgebied van de Verdragssluitende Staat waar het strafbare feit is gepleegd, wordt niets in dit Verdrag uitgelegd als een verplichting van deze Verdragsluitende Staat om inlichtingen te verstrekken omtrent de strafrechtelijke procedures met betrekking tot dit strafbare feit.

Artikel 15

De Bijlagen bij dit Verdrag vormen een wezenlijk bestanddeel van het Verdrag.

Artikel 16

1.

Vijf jaar na de inwerkingtreding van de op 8 juli 2005 aangenomen wijziging roept de Depositaris een conferentie van de Verdragsluitende Staten bijeen teneinde de toepassing van het Verdrag te toetsen, alsmede de toereikendheid daarvan ten aanzien van de preambule, het geheel van de bepalingen en de Bijlagen in het licht van de situatie op dat tijdstip.

2.

Vervolgens kan de meerderheid van de Verdragsluitende Staten, met tussenpozen van ten minste vijf jaar, conferenties voor hetzelfde doel bijeenroepen door daartoe bij de Depositaris een voorstel in te dienen.

Artikel 17

1.

In geval van een geschil tussen twee of meer Verdragsluitende Staten betreffende de uitlegging of de toepassing van het Verdrag, plegen de betrokken Verdragsluitende Staten onderling overleg om het geschil bij te leggen door onderhandeling of door enig ander vreedzaam middel tot regeling van geschillen, dat voor alle partijen bij het geschil aanvaardbaar is.

2.

Elk zodanig geschil dat niet kan worden geregeld op de in het eerste lid voorgeschreven wijze, wordt op verzoek van een partij bij dit geschil onderworpen aan arbitrage of voor beslechting verwezen naar het Internationale Gerechtshof.

Indien de partijen bij het geschil binnen zes maanden na de dagtekening van het verzoek om arbitrage geen overeenstemming hebben bereikt over de wijze van arbitrage, kan een partij de Voorzitter van het Internationale Gerechtshof of de Secretaris-Generaal van de Organisatie van de Verenigde Naties verzoeken een of meer scheidsmannen te benoemen. Ingeval de verzoeken van de partijen bij het geschil niet overeenstemmen, heeft het verzoek aan de Secretaris-Generaal van de Organisatie van de Verenigde Naties voorrang.

3.

Iedere Verdragsluitende Staat kan, op het tijdstip dat hij dit Verdrag ondertekent, bekrachtigt, aanvaardt, goedkeurt of ertoe toetreedt, verklaren dat hij zich niet gebonden acht door een van beide of door beide procedures tot regeling van geschillen, bedoeld in het tweede lid van dit artikel. De andere Verdragsluitende Staten zijn door een in het tweede lid genoemde procedure tot regeling van geschillen niet gebonden met betrekking tot een Verdragsluitende Staat die een voorbehoud ten aanzien van deze procedure heeft gemaakt.

4.

Iedere Verdragsluitende Staat die een voorbehoud heeft gemaakt overeenkomstig de bepalingen van het derde lid van dit artikel, kan te allen tijde zijn voorbehoud intrekken door middel van een kennisgeving aan de Depositaris.

Artikel 18

1.

Dit Verdrag staat open voor ondertekening door alle Staten op het Hoofdkantoor van de Internationale Organisatie voor Atoomenergie te Wenen, en op het Hoofdkantoor van de Organisatie van de Verenigde Naties te New York, vanaf 3 maart 1980 tot aan het tijdstip waarop het in werking treedt.

2.

Dit Verdrag dient te worden bekrachtigd, aanvaard of goedgekeurd door de Staten die het hebben ondertekend.

3.

Na inwerkingtreding staat dit Verdrag open voor toetreding door alle Staten.

5.

De akten van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding worden bij de Depositaris nedergelegd.

Artikel 19

1.

Dit Verdrag treedt in werking op de dertigste dag, volgend op de datum waarop de eenentwintigste akte van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring bij de Depositaris is nedergelegd.

2.

Voor iedere Staat die het Verdrag bekrachtigt, aanvaardt, goedkeurt of ertoe toetreedt na de nederlegging van de eenentwintigste akte van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring, treedt het Verdrag in werking op de dertigste dag na de nederlegging van de akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding door deze Staat.

Artikel 20

1.

Onverminderd het bepaalde in artikel 16 kan een Verdragsluitende Staat een wijziging van dit Verdrag voorstellen. De voorgestelde wijziging wordt toegezonden aan de Depositaris, die hiervan onverwijld mededeling doet aan alle Verdragsluitende Staten. Indien de meerderheid van de Verdragsluitende Staten de Depositaris verzoekt een vergadering bijeen te roepen teneinde de voorgestelde wijzigingen te behandelen, dan zendt de Depositaris aan alle Verdragsluitende Staten een uitnodiging voor een vergadering, die niet eerder mag beginnen dan 30 dagen na het verzenden van de uitnodigingen. Elke wijziging die op deze vergadering door een tweederde meerderheid van alle Verdragsluitende Staten wordt aangenomen, wordt onmiddellijk door de Depositaris aan alle Verdragsluitende Staten meegedeeld.

2.

De wijziging wordt van kracht voor iedere Verdragsluitende Staat die een akte van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring van deze wijziging heeft nedergelegd, op de dertigste dag na de datum waarop tweederde van de Verdragsluitende Staten hun akten van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring heeft nedergelegd bij de Depositaris. Daarna wordt de wijziging voor elke andere Verdragsluitende Staat van kracht op de dag waarop deze Staat zijn akte van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring van de wijziging heeft nedergelegd.

Artikel 21

1.

Iedere Verdragsluitende Staat kan dit Verdrag opzeggen door middel van een schriftelijke kennisgeving aan de Depositaris.

2.

De opzegging wordt van kracht honderdtachtig dagen na de datum waarop de Depositaris de kennisgeving heeft ontvangen.

Artikel 22

De Depositaris geeft alle Verdragsluitende Staten onverwijld kennis van:

Artikel 23

Het oorspronkelijke exemplaar van dit Verdrag, waarvan de Arabische, de Chinese, de Engelse, de Franse, de Russische en de Spaanse tekst gelijkelijk authentiek zijn, wordt nedergelegd bij de Directeur-Generaal van de Internationale Organisatie voor Atoomenergie, die daarvan voor eensluidend gewaarmerkte afschriften doet toekomen aan de Staten die dit Verdrag hebben ondertekend.

IN WITNESS WHEREOF, the undersigned, being duly authorized, have signed this Convention, opened for signature at Vienna and at New York on 3 March 1980.

Artikel 1A

De doelstellingen van dit Verdrag zijn het bereiken en handhaven van een doeltreffende wereldwijde fysieke beveiliging van kernmateriaal gebruikt voor vreedzame doeleinden en van kerninstallaties gebruikt voor vreedzame doeleinden; het voorkomen en bestrijden van strafbare feiten met betrekking tot dergelijk materiaal en dergelijke installaties over de hele wereld en tevens het vergemakkelijken van de samenwerking daartoe tussen de Verdragsluitende Staten.

Artikel 2A

1.

Elke Verdragsluitende Staat stelt een passend stelsel in voor de fysieke beveiliging van kernmateriaal en kerninstallaties die onder zijn rechtsmacht vallen, voert het uit en handhaaft het, met het oog op:

2.

Bij de uitvoering van het eerste lid onderneemt elke Verdragsluitende Staat het volgende:

3.

Bij de nakoming van de verplichtingen uit hoofde van het eerste en tweede lid past elke Verdragsluitende Staat, onverminderd andere bepalingen van dit Verdrag, voorzover redelijk en praktisch uitvoerbaar, de volgende grondbeginselen inzake fysieke beveiliging van kernmateriaal en kerninstallaties toe.

Grondbeginsel A: Verantwoordelijkheid van de Staat

De verantwoordelijkheid voor de instelling, uitvoering en handhaving van een stelsel voor fysieke beveiliging binnen een Staat, berust volledig bij die Staat.

Grondbeginsel B: Verantwoordelijkheden tijdens internationaal transport

De verantwoordelijkheid van een Staat om te waarborgen dat kernmateriaal adequaat wordt beveiligd strekt zich uit tot het internationaal transport ervan, totdat deze verantwoordelijkheid naar behoren wordt overgedragen aan een andere Staat, al naar gelang wat van toepassing is.

Grondbeginsel C: Wet- en regelgevend kader

De Staat is verantwoordelijk voor het instellen en handhaven van een wet- en regelgevend kader dat op fysieke beveiliging van toepassing is. Dit kader dient te voorzien in de totstandkoming van toepasselijke eisen voor fysieke beveiliging met inbegrip van een beoordelings- en vergunningenstelsel of andere procedures om vergunning te verlenen. Dit kader dient een stelsel voor inspectie van kerninstallaties en vervoer te omvatten teneinde de naleving te controleren van de van toepassing zijnde vereisten en voorwaarden van de vergunning of een ander goedkeuringsdocument, en dient een middel vast te stellen om de toepasselijke vereisten en voorwaarden te handhaven, met inbegrip van doeltreffende sancties.

Grondbeginsel D: Bevoegde autoriteit

De Staat dient een bevoegde autoriteit op te richten of aan te wijzen die verantwoordelijk is voor de uitvoering van het wet- en regelgevend kader en die over passende bevoegdheden, bekwaamheid en financiële en personele middelen beschikt om de toegewezen taken te vervullen. De Staat dient maatregelen te nemen om te zorgen voor een daadwerkelijke scheiding tussen de taken van de bevoegde autoriteit van de Staat en die van elk ander lichaam dat belast is met de bevordering of het gebruik van kernenergie.

Grondbeginsel E: Verantwoordelijkheid van de vergunninghouders

De verantwoordelijkheden voor het uitvoeren van de verschillende onderdelen van fysieke beveiliging binnen een Staat dienen duidelijk vastgesteld te zijn. De Staat dient te waarborgen dat de hoofdverantwoordelijkheid voor de uitvoering van fysieke beveiliging van kernmateriaal of van kerninstallaties berust bij de houders van de desbetreffende vergunningen of andere goedkeuringsdocumenten (bijvoorbeeld exploitanten of vervoerders).

Grondbeginsel F: Veiligheidscultuur

Alle organisaties die betrokken zijn bij de uitvoering van fysieke beveiliging dienen de nodige prioriteit te verlenen aan de veiligheidscultuur en de ontwikkeling en instandhouding daarvan teneinde de doeltreffende uitvoering ervan in de gehele organisatie te waarborgen.

Grondbeginsel G: Dreiging

De fysieke beveiliging door een Staat dient gebaseerd te zijn op de actuele beoordeling van de dreiging door de Staat.

Grondbeginsel H: Gradatiesysteem

Vereisten voor fysieke beveiliging dienen gebaseerd te zijn op een gradatiesysteem, rekening houdend met de huidige inschatting van de dreiging, de relatieve aantrekkelijkheid, de aard van het materiaal en de mogelijke gevolgen van het ongeoorloofd wegnemen van kernmateriaal en van sabotage van kernmateriaal of kerninstallaties.

Grondbeginsel I: Verdediging in de diepte

De vereisten van de Staat betreffende fysieke beveiliging dienen een afspiegeling te zijn van een concept dat uitgaat van verschillende beveiligingslagen en -methoden (structureel of anderszins technisch, personeel en organisatorisch) die een persoon te kwader trouw moet overwinnen of omzeilen om zijn doelen te verwezenlijken.

Grondbeginsel J: Kwaliteitsborging

Er dienen een beleid en programma’s voor kwaliteitsborging te worden opgezet en uitgevoerd teneinde vertrouwen te bieden dat de gestelde eisen voor alle activiteiten die voor fysieke beveiliging van belang zijn in acht worden genomen.

Grondbeginsel K: Rampenplannen

Rampenplannen (noodplannen) om te kunnen reageren op het ongeoorloofd wegnemen van kernmateriaal of het saboteren van kerninstallaties of kernmateriaal, of pogingen daartoe, dienen door alle vergunninghouders en betrokken autoriteiten te worden opgesteld en op de juiste wijze te worden geoefend.

Grondbeginsel L: Vertrouwelijkheid

De Staat dient vereisten vast te stellen ter bescherming van de vertrouwelijkheid van informatie waarvan de ongeoorloofde openbaarmaking ten koste zou gaan van de fysieke beveiliging van kernmateriaal en kerninstallaties.

Artikel 11A

Geen van de in artikel 7 omschreven strafbare feiten wordt, ten behoeve van uitlevering of wederzijdse rechtshulp, aangemerkt als een politiek delict, een met een politiek delict samenhangend feit of een feit ingegeven door politieke motieven. Bijgevolg mag een verzoek om uitlevering of wederzijdse rechtshulp op basis van een dergelijk strafbaar feit niet worden geweigerd met als enige reden dat het een politiek delict, een met een politiek delict samenhangend delict of een delict ingegeven door politieke motieven betreft.

Artikel 11B

Niets in dit Verdrag wordt zo uitgelegd dat het verplicht tot uitlevering of tot het verlenen van wederzijdse rechtshulp in gevallen waarin de aangezochte Verdragsluitende Staat ernstige redenen heeft om aan te nemen dat het verzoek tot uitlevering vanwege in artikel 7 omschreven strafbare feiten of tot wederzijdse rechtshulp met betrekking tot dergelijke feiten is gedaan met de bedoeling een persoon te vervolgen of te bestraffen op grond van zijn ras, godsdienst, nationaliteit, etnische afkomst of politieke overtuiging of dat inwilliging van het verzoek de positie van betrokkene om een van deze redenen ongunstig zou kunnen beïnvloeden.

Artikel 13A

Dit Verdrag laat onverlet de overdracht van nucleaire technologie voor vreedzame doeleinden bedoeld om de fysieke beveiliging van kernmateriaal en kerninstallaties te versterken.

IN WITNESS WHEREOF, the undersigned, being duly authorized, have signed this Convention, opened for signature at Vienna and at New York on 3 March 1980.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)